Boeken der oude Egyptenaren

29 februari 1949

Heden wil ik u spreken over de boeken der oude Egyptenaren. Ik heb u reeds gezegd dat er 42 gesloten boeken bestonden. In deze boeken was ook neergelegd het Godsbegrip van de Hoogste, het Godsbegrip van de geestelijk heersende kaste in de oude landen aan de Nijl.

Daar staat bv. geschreven: “God is rust in rusteloosheid”. Een moeilijk te verklaren begrip. God is rust, omdat in God is vrede, en in vrede heerst rust. Hij is rusteloosheid, omdat in God zich afspelen de duizenden voortgangen van de schepping, van wat was en van wat komt.

“God is als de rijzende zon, wie in God schouwt is blind voor al het andere”.

Daaraan werd de keer vastgeknoopt:

”Schouw dus niet recht in de zon, schouw niet recht naar God, want wie naar God geschouwd heeft is verloren voor de wereld”.

Er staat ook geschreven dat het lichaam vergaat en dat met het vergaan van het lichaam de cellen wandelen en langs duizenden omwegen een nieuw bestaan opbouwen, komen tot een nieuw leven en dan weer tot zich trekken de ziel. In hoeverre dit juist is wens ik hier niet te behandelen. Zeker is het echter dat juist de binding stof en geest nog lange tijd na de dood blijft bestaan. Om dit gevaar – terug te keren tot de aarde – te ontkomen werden dan ook de rituele balsemingen, de verschillende wijdingsspreuken en andere ceremoniën vervuld, die het eigenlijke dodenfeest van de Egyptenaren uitmaakten.

Egypte kende in zijn hoogste kringen een Godsbegrip, maar het kende ook het begrip van de magnetische kracht der elementen. Rechts was goed, links was kwaad. En rechts geschouwd, zo vindt u daar een bekende symbolische betekenis terug van water en vuur. Water en vuur zijn in deze boeken het begin van de schepping, natuurkundig als symbolisch geheel juist. Water en vuur verzameld vormen de hoek die alles omvat, die uitstraalt de krachten. Dit gebaar kunt u terug vinden in vele oude Aziatische beelden. Dit betekent de uitstorting, de kracht van het goede. Daar staat ook:

“Laat uw gebed geen woorden zijn. Hij die met woorden bidt, met woorden smeekt, bedelt. En de Geest weet wat goed voor u is. Hij hoeft niet gevraagd te worden, hij schenkt ook zonder dat”.

Het biddende gebaar, de gezamelde handen, is oud. Uit de toppen der vingers vlamt op de kracht, die opgaat als de erkenning van het zijn. Niets anders dan een kleine vonk van het grote geheel van de Godheid. Symbolisch ook werd aangegeven het gebaar van het ontvangen, het zich overgeven aan de geest. Een gebaar, dat u ook in vele beelden en afbeeldingen kunt zien, dat vraagt. Men bad met gebaren, niet met woorden, de geest ledig makend voor God om te spreken. Degene die eigen woorden gebruikt tot God vult zijn geest met eigen woorden en eigen verlangens, en is doof voor de stem van de oneindigheid. Daarom ging deze stem teniet in het verlangen van de mens. Daarom ook kwam de grote wijsheid van hen, die baden met gebaar. Niet zonder reden werd de Boeddha afgebeeld – ik bedoel hier niet de Boeddha Gautama, maar een Boeddha, die te allen tijde over de wereld geleefd zou hebben, overgaande van de ene woning in de andere.

Deze allen kennen het gebaar van het stomme gebed, waarin spreekt de stem van de oneindigheid tot de mens. Rond u zijn demonen. Demonen die mens waren, demonen die zijn de gebonden oergeesten, die de elementen beheersen. En demonen die werkelijk zijn duivels.

Zij allen zijn bestemd om het Licht te bereiken, de zon, zoals in oude boeken geschreven staat.

De zon belicht de hele aarde en geen deel laat ze onbelicht. Maar stralen dringen overal door tot in de diepste schaduwen, en zij verdrijft alle duister. Geen geest is bestemd om in het duister te leven, want het Licht dringt overal door. Slechts hij die vlucht voor het Licht gaat teniet. Wat de mens doet op aarde wordt geoordeeld door de rechters, de twee rechtbanken van goed en kwaad. Hij zal bij deze beide vragen te beantwoorden krijgen, die beslissen over zijn verdere bestaan. De dood, de doodstraf, wordt uitgesproken met vernietiging van het lichaam. Door het lichaam te vernietigen wordt de geest gedwongen opnieuw de leerschool van het leven door te gaan. De geest, dan voor een geestelijk gerecht gedaagd, niet de juiste antwoorden kennende, zal gaan in de duisternis, in het Rijk der onderwereld, waar hij het leven uit de stof terug zal zien, maar dan belicht door het duister.

Paradox, belicht door het duister. Hiermee bedoeld dat elk duister punt hier in zijn diepste wezen naar voren komt. En deze geesten zal het verplicht zijn, na tijd, om terug te gaan tot waar hun woning lag. Geesten, die dwaalden bij de graven en tempels. Geesten, die dwaalden in de dodenstad, waar slechts de jakhals, het heilig dier van de God Anibus, zich ’s nachts dorst te wagen, waar de mens slechts in processies met vele fakkeldragers en met priesters voorop naar het duister dorst te gaan, waar alleen het priesterschap van Amorah haar kloosters en scholen had. De wijsheid van Egypte is deze, de oude wijsheid, u reeds veel gezegd:

“Geen leven gaat teniet, geen leven kan teloorgaan, geen geest ontkomt aan de consequenties van haar daden”.

En dan een laatste leer:

“Het sterven van de geest is de geboorte in het lichaam. Zij wordt weer beroofd van al haar kennis en macht, die slechts in het onderbewustzijn blijft voortbestaan. De kennis en macht blijven aanwezig, maar het lichaam sluit ze af. Eerst met de dood komt de wedergeboorte tot het leven, als de geest weer zichzelf kan zijn. In het lichaam kunnen slechts zij hun volle geestelijke waardigheid genieten, die de drempel overschrijden. Zij hebben de macht over de stof.”