Boeken en hun verborgen openbaringen

image_pdf

 1 februari 1963

 Aan het begin van deze bijeenkomst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.  Ons onderwerp voor heden is getiteld: Boeken en hun verborgen openbaringen.

U meende misschien, dat ik heden zou spreken met u over weinig bekende boekwerken van het Verre Oosten, of mij bezig zou houden met de oude verborgen boeken als bv. van de alchemisten.

Ik heb mij echter als doel gesteld u nu duidelijk te maken, dat in elk willekeurig boekwerk een verborgen waarheid gelegen kan zijn. Daarnaast is het noodzakelijk u duidelijk te maken, dat de schrijver vaak intuïtief in de door hem gekozen fantasiewereld iets van een grotere werkelijkheid kan openbaren. Om dit alles duidelijk te maken zal ik allereerst iets vertellen over het element ‘inspiratie’, dat bij elk waardevol boekwerk een rol heeft gespeeld.

Elke werkelijk goede schrijver is in zekere zin een werkman. Hij heeft een bepaald schema, dat door hemzelf ontworpen werd, of ontleend werd aan iets, wat hij beleefde, las, of zag. Binnen dit schema plaatst hij dan veelal enige personen, aan wie hij iets van zijn eigen gevoelselementen meegeeft, om vervolgens het geheel te bewerken en te herzien, tot een hem enigszins bevredigend geheel is ontstaan. Dit alles is – laat ons eerlijk zijn – voor 99% hard werken en voor 1% inspiratie. Toch komt in het leven van elke werkelijke schrijver een ogenblik, waarop een verzonnen persoon het bit tussen de tanden neemt en a.h.w. met het verhaal er vandoor gaan. Er ontstaan beelden en situaties, die de schrijver nooit zo heeft bedoeld, die hij binnen het kader van de oorspronkelijke opzet maar moeilijk kan gebruiken, zodat hij daarvoor zelfs zijn oorspronkelijke opzet zal wijzigen. Hij beschouwt dit dan als een inspiratie zonder meer.

In feite speelt er zich echter nog iets anders af: de schrijver heeft zich geconcentreerd op een situatie, die buiten de onmiddellijke werkelijkheid ligt. Het resultaat is, dat hij op een bepaald ogenblik zich zozeer verdiept in de problemen van een imaginaire wereld en imaginaire personen – die toch alleen weer dicht bij zijn eigen wereld en persoon liggen – dat hij gegrepen wordt door een secundaire werkelijkheid. De figuren komen voor hem tot leven. Zij leven dus niet op bv. het astrale vlak, maar alleen binnen de persoon van de schrijver. Nu treedt hierdoor een eigenaardig deel van de menselijke psyche in werking: de mens verliest zichzelf in een andere figuur. Deze andere figuur heeft echter geheel andere mogelijkheden en geheel verschillende bestaansredenen. Het gevolg is, dat de schrijver onbewust tracht de imaginaire wereld, die hij schiep, in overeenstemming te brengen met zijn werkelijke persoonlijkheid, leven en wereld. Het gevolg is, dat de inspiratieve werking grotendeels geboren wordt uit een vergelijken van de bestaande wereld met een niet reëel bestaande. Dit komt in het werk tot uiting door een zekere filosofie, die een veel verder gaande betekenis heeft dan alleen een mooi gezegde of enkele geïnspireerde regels in een boekwerk. Er is dan iets aangetapt van het innerlijk leven van de schrijver, maar ook van de innerlijk en verborgen werkelijkheden van de eigen wereld, waarmede hij zich op dat ogenblik zo sterk verwant heeft gevoeld.

U zult begrijpen, dat wij nu zouden kunnen wijzen op het voorspellende karakter van de werken van sommige schrijvers. In 9 van de 10 gevallen is de voorspellende inhoud echter niet het gevolg van inspiratie, maar eerder het resultaat van een door de schrijver op grond van bekende feiten en veronderstellingen gebouwde these. Wanneer wij als voorbeeld de schrijver H.G. Wells bezien, zo treffen wij echter zowel in zijn fantastische romans als in zijn normalere romans allereerst een element aan, dat het best de constructie genoemd kan worden. Er wordt, zoals bijvoorbeeld in ‘Het voedsel der Goden’ een mogelijkheid gesteld  en ontwikkeld. Er ontstaat dan een fantasie, die wel eens waar zou kunnen worden, maar waaraan het bezielende element nog ontbreekt. Eerst wanneer de schrijver zich zijn eigen wereld realiseert en de waarden daarvan in zijn werk betrekt, begint het werk te leven. Bij Wells is dit het geval, wanneer hij geconfronteerd wordt met het verschijnsel ‘mens’.

Wanneer wij het genoemde werk nagaan, zo treffen wij daarin de zogenaamde gouden reuzen aan, die van het wondervoedsel hebben gegeten. Nu blijkt het levende element niet bepaald te worden door de fantasie, maar door de verhouding tussen de fantastische reuzen en de gewone mensen. In enkele regels vertaald treffen wij hier de realisatie aan, dat de mens niet in staat is het betere te aanvaarden. Hij wil zelf het summum summarum zijn. Hier heeft de schrijver dus binnen het kader van zijn verhaal iets van zijn eigen wezen, maar ook van de menselijke werkelijkheid neergelegd.

Ook elders kunnen wij dergelijke realisaties aantreffen, die met het verhaal zelf maar gedeeltelijk, of zelfs niet in betrekking staan. Misschien kent u het boekje “Alice in Wonderland” van Carroll. Het tweede deeltje, dat hierbij behoord is: “Behind the looking-glass”. Wanneer wij deze werkjes nagaan, zo lijken zij op het eerste gezicht verwarrend geschreven kinderverhalen vol ontstellende gebeurtenissen. Indien wij echter getroffen worden door de dementen, die belangrijk zijn, blijken het leven en vooral de tijd een zeer grote rol te spelen en wel op een wijze, die zeker niet kinderlijk meer is. Zo is daar bv. de theevisite bij de Mad Hatter, de gekke hoedenmaker. Hierin confronteert de schrijver ons – misschien niet eens geheel bewust – met een typisch menselijke eigenschap. In de eerste plaats wordt tijdens de conversatie getwist over het geslacht van de tijd: is het nu het, haar of hem? Daarna blijkt het horloge stil te staan en volgt de conclusie: dus staat de tijd stil. Het blijft daardoor steeds maar theetijd, zodat de heren niets anders doen dan opschuiven rond een veel te lange tafel.
Hier is iets weergegeven, in symbolische vorm van de verhouding tussen mens en tijd. Voor hoeveel mensen is de tijd eigenlijk niets anders dan een aaneenschakeling van maaltijden en gebeurtenissen. Wanneer er een maaltijd – ogenblik – voorbij is, zo schuift men een plaats op en laat de anderen de restanten van zijn eigen gebeuren. Bij ontleding blijkt het kinderboek een knappe realisatie van en ontleding van het tijdselement in het menselijke leven te bevatten.

Ik wil niet alle punten geheel uitwerken. Maar wij treffen onder meer interessante punten aan bij het optreden van het kaartspel – niet waarlijk levende waarden, die, zodra dit wordt beseft, weer tot voorwerpen worden en wel op het ogenblik, dat Alice door hen wordt aangevallen – en het optreden van de Cheshire Cat. Deze kat verschijnt steeds zeer plotseling en verdwijnt evenzo. Wanneer dit volgens Alice te vlug gaat, verzoekt zij hem, langzamer te gaan. Wanneer dit symbool van het ogenblik daaraan gevolg geeft, is er geen sprake van een normaal heengaan, dat hem nog bereikbaarder zou maken. Hij begint eenvoudig bij de staart te verdwijnen, tot uiteindelijk alleen zijn glimlach nog een ogenblik in de boom hangt, waarin eerst de gehele kat zichtbaar was. Wij kunnen deze scene zelfs herleiden tot een formule, waarin dan blijkt te worden gesteld: de tijd is een opeenvolgende reeks van momenten, waarvan de waardering afhankelijk is van de wil van de beschouwer. Het moment kan echter niet vastgehouden of teruggewonnen worden, doch laat ons op onze wens alleen een tijdlang nog de herinnering, waardoor wij echter wel nog een nutteloze conversatie met het vergane moment kunnen voeren. Zo vindt men in een kinderboek een gehele filosofie terug omtrent het menselijke bestaan en de daarin levende waarden.

Nu zijn het niet dergelijke elementen, die ik in de eerste plaats als een openbaring wil beschouwen. Zij kunnen echter dienen als voorbeeld voor de verborgen inhoud van boekwerken, waarover ik met u wil spreken. Op het ogenblik, dat de schrijver zich in een al dan niet geconstrueerde tweede werkelijkheid verliest, zoekt hij onwillekeurig naar een vergelijking met zijn eigen wereld, zelfs indien dit niet onmiddellijk uit zijn werk naar voren komt, maar aan de hand van sleutelbegrippen door de lezer zelf moet worden ontdekt. Naargelang de geaardheid van de schrijver zal hij dit uitdrukken in een historisch filosofisch beeld – zoals Wells dit doet of in een vorm van woord mathematica – zoals Carroll. De vorm is afhankelijk van de persoon van de schrijver, diens beroep, eruditie enz. Maar altijd zal hij de band tussen imaginaire wereld en eigen wereld kenbaar maken.

Nu wij dit gezien hebben kunnen wij eens proberen uit te vinden, wat voor openbaringen wij zo in gewone boeken aan kunnen treffen. Waar ik graag met recentere voorbeelden wil werken, kies ik als eerste schrijver Vestdijk met “De Kelner en de Doden.” Hierin vinden wij Jezus terug als, een kelner op een station bij het Laatste Oordeel. Door de omstandigheden wordt de kelner uitgedaagd en verandert water in wijn. Typisch is de reactie van het demonische: “Ach, dit is een van de kleine toeren van deze goochelaar”. Met enkele woorden is hier de houding van de doorsnee moderne mens t.a.v. de Christus gesymboliseerd. Het wonder is maar een goocheltoer. Men kan er misschien wel iets mee doen, maar wij hebben er zo weinig aan. Het past niet meer in de tijd. De enkeling echter in het gezelschap, die de verfrissende dronk waardeert, vindt echter dankzij de wijn iets van zijn veerkracht terug; eerst dan volgen de anderen zijn voorbeeld. De moderne mens bespot het bovennatuurlijke, het paranormale, maar zal er gaarne gebruik van maken, wanneer een ander er resultaten mee behaalt en geen andere weg lijkt open te staan. Rede en Goddelijke werkelijkheid zijn met elkaar in strijd.

In “Het vijfde Zegel” van dezelfde schrijver ontdekken wij een vorm van profetie. Hier spoedt zich een koets door een berglandschap. De dreiging van de luchten, de dreiging van het geheel, wordt met wondermooie woorden beschreven. Literair gezien acht ik dit stukje dan ook een van de betere prestaties van deze schrijver. Wát echter wordt hier zo sterk gesuggereerd? De spoed, waarmede de mensheid zich voortbeweegt langs de weg, in de richting van het naderende onweer. In dit betrekkelijk vroege werk van de schrijver vinden wij reeds het onbehagen, dat steeds verder wordt uitgedrukt, maar gelijktijdig steeds minder uitdrukkingsmogelijkheden vindt, omdat het de schrijver obsedeert. Hier echter wordt de loop van de mensheid voorzien.
Vestdijk zegt hier: de mensheid, gejaagd door haar eigen ideeën, jaagt over de bergen van de tijd, het onweer, de oorlog tegemoet en kan deze niet meer vermijden. De schrijver zelf vermoedt naar ik meen, niet eens, dat hij de dreiging en verwrongenheid, die hij in dit werk sterk beschrijft, niet alleen gebruikt om een beeld te geven van de mensheid, maar dat hij tevens een zuiver beeld van het in die dagen de mensheid naderende onheil wist te geven, te samen met de oorzaken. Hij beeldt in zijn inquisitoren en bezeten schilder de verwrongenheid en rampen uit, die op politiek vlak en ongetwijfeld ook geestelijk de wereld zullen overspoelen. Wel heeft de schrijver kennelijk getracht de verhouding tussen eigen Ik en de wereld tot uitdrukking te brengen. Zolang dit een schrijversfilosofie blijft – zoals in vele latere werken, waar de filosofie belangrijker wordt geacht dan het verhaal en de schoonheid of juistheid van de gebruikte beelden de schrijver blijven beheersen – is dit alles van minder belang. Jammer is echter, dat ook de werkelijke inspiratie een zodanig literaire vorm krijgt, dat zij de verborgen boodschap onvindbaar, of voor velen in ieder geval onaanvaardbaar maakt door haar vorm.

Een profetie zoals bedoeld kan men uit een boekwerk niet onmiddellijk en geheel aflezen. Men dient haar eerder in de beelden aan te voelen. Heeft men echter de sleutelzinnen gevonden, de paar woorden, waarin de schrijver zichzelf openbaart, dan is dit toch wel mogelijk. Bij vele schrijvers vinden wij, vaak te midden van een fantastische vertelling, opeens een paar woorden, die ons doen begrijpen, dat hier in woorden een kosmische verhouding is vastgelegd.

Zo is er een Engelsman, die een reeks verhalen schreef over het leven en de verhalen van een Chinese sprookjesverteller, Kai Lung. In het werkje, dat Brahma de titel gaf: “Kai Lung unrolls his mat” vinden wij, midden in een verhaal, waarbij draken enz. te pas komen, een eigenaardige zin: “De mens vecht met de draak, omdat hij hem niet kent”. Dit is de sleutel van een op zich geestig verhaal, waarin de held moet nagaan, of de dochter van de draak nu wel of niet in de wieg is verwisseld. In zijn typisch idioom, dat ook literair fraai is, maakt de schrijver hier duidelijk, dat de mens hoofdzakelijk vecht met het gevaar waarvan hij het wezen niet beseft. De mens komt alleen voorwaarts en bereikt alleenlijk, omdat hij niet in staat is de werkelijkheid te beseffen van de wereld waarin hij leeft, vóór het te laat is om zich aan strijd en ervaringen te onttrekken. Hij leeft krachtens een voortdurend compromis tussen hogere krachten en zichzelf, en bereikt, omdat zijn verlangens en illusies voor hem zo belangrijk zijn, dat hij steeds weer gedwongen is de feiten te aanvaarden en daarvan met zijn verstand het beste te maken.

In een ander verhaal van dezelfde schrijver treffen wij een monnik aan, die niet alleen een bekwaam stokvechter is, maar tevens een afstammeling van de goden is. Deze leidt de held van het verhaal door een reeks van gevaarlijke avonturen naar zijn doel. De monnik zegt in dit verhaal: “de goden zijn voor de mens, wat de mens is voor de goden”. Eerder stelt hij: “bent u mijn vriend, zo vecht ik voor u, aarzelt gij echter, zo versla ik u”. Weinige lezers zullen zich de belangrijkheid van deze eenvoudige zinnen gerealiseerd hebben: wanneer wij met het goddelijke zijn – al is het maar een deel ervan – dan zijn wij met de eeuwige krachten verbonden en vechten dezen voor ons. Als wij de vriendschap, die ons wordt geboden echter weigeren, of zelfs maar aarzelen het goddelijke in ons leven geheel te aanvaarden, dan worden wij door deze zelfde kracht verslagen. Dit is een feit. Het berust niet op goddelijke liefde of goddelijke rechtvaardigheid, maar is a.h.w. een geestelijke natuurwet. Zo zou men kunnen zeggen: Een trein rijdt. Wanneer je in de trein zit, brengt hij je naar je doel. Ga je echter op de spoorlijn staan en meen je, dat de trein wel wachten of stilhouden zal tot je een besluit hebt genomen, dan wordt je overreden. Zo openbaart ook deze schrijver op typische wijze zijn gevoel voor het oneindige en geeft onbewust gelijktijdig enkele kosmische waarheden en wetten gestalte in zijn figuren.

Ik meen hier mijn eerste punt te mogen stellen. Wanneer u een doodgewoon boek leest, een doodgewone roman – het kan zelfs zogenaamd “schande-literatuur” zijn – dan is het mogelijk, dat de schrijver ergens een ogenblik van bezetenheid, van inspiratie heeft gehad. Dan is er tussen vele onbetekenende of weinig interessante dingen een spreuk, een reeks woorden, die naar voren springt, alsof zij met neonletters gedrukt waren. Zo iets dringt zich aan het Ik op en blijft in het bewustzijn na glimmen, terwijl de ogen reeds weer vele andere woorden hebben omhelsd.

Zeg dan niet, dat dit aardig is zonder meer. Sta er even bij stil, want in die woorden kan dan een persoonlijke openbaring gelegen zijn. Een openbaring, die soms schrikwekkend is, dat geef ik gaarne toe, want de schrijver is een mens van uw wereld, uw tijd, een mens met problemen en behoeften, die van de uwe toch niet al teveel zullen verschillen. Zijn inspiratie is dan ook niet de bezonken inwerking van het goddelijke, die wij in oude esoterische werken vinden, maar eerder een flitsend snelle uitdrukking van een kosmische werkelijkheid, die binnen het door de schrijver gestelde probleem tot uitdrukking wordt gebracht. De mens mag daarom aan eenvoudige regels en kleine aanduidingen, die hij in eenvoudige boekwerken aantreft, niet voorbijgaan. Juist daarin zal hij immers, eerder dan in vele op zich diepzinniger en meer op kosmische waarheid gebaseerde oude werken, de voor zijn persoon en tijd belangrijke openbaringen aan kunnen treffen.

Hoe zeer dergelijke waarheden overal voor kunnen komen, blijkt uit het volgende. Er is een reeks onnette boekwerkjes, die, althans in wettelijke zin, nog net geen pornografie zijn. Zij zijn hoofdzakelijk vol met iets, dat wel geladen seksualiteit genoemd kan worden. Soms echter blijkt de schrijver, te midden van naakte lusten, bevangen te worden door een nieuwe erkenning en geeft hij, haast benepen, uiting aan een nieuw waarheid. Zelfs zijn propagandistische opgave – die hij ongetwijfeld vervult – vergeet hij voor een ogenblik. Zo stelt hij o.m. ongeveer het volgende: “Het leven is een weegschaal. Wanneer wij zelf het goede willen, zullen wij gedwongen worden om het kwade te vernietigen. Maar indien wij uit trekken om het kwade te vernietigen, voor wij het goede zelf brengen, worden wij zelf tot deel van het kwade. Daarom is het goed rechtvaardig te zijn”. Verder ontleed blijkt hij te stellen: “Rechtvaardigheid is een noodzaak, omdat wij zonder erkennen van onze plaats, taak en mogelijkheden in de wereld niet bewust kunnen leven”. Het is natuurlijk jammer, dat de schrijver, na een dergelijke wijsheid en waarheid te hebben uitgedrukt, het noodzakelijk vindt om zijn hoofdzakelijk uit tieners en mentale tieners bestaande lezers als vergoeding te verrukken met enkele zeer schokkende scènes, die door de filmkeuring ongetwijfeld weggeknipt zouden worden en door de leden daarvan ongetwijfeld daarna als een zoet memento bewaard zouden worden. Maar de schrijver heeft zelfs in zijn, op zich onwaardig werk ergens de waarheid herschapen in woorden, zo de kosmische werkelijkheid toch ook via zijn medium openbarende.

Nu zijn er vele werken, waarin de waarheid voor de lezers teloor is gegaan door bewerking, vertaling, of veroudering. Ik denk aan “1001 nacht”, waarvan, naar ik meen, in Nederland in ruim 130 jaren meer dan 60 grote bewerkingen zijn verschenen, plus vele uittreksels en bewerkingen voor de kleinen. In de laatsten gaat de werkelijke zin helemaal, in de vele andere bewerkingen, grotendeels teloor. De verhalen van deze raamvertelling brengen ons niet alleen in contact met een sprookjeswereld van het verre oosten – wat de bedoeling is – maar confronteren ons ook met waarheden die wij kunnen herkennen. Zo is er een verhaal over Djaudar, waarin de jongen wordt gevraagd om een magiër te vergezellen. De magiër springt in het water, worstelt met twee rode vissen en verdrinkt. Volgens bevel brengt Djaudar zijn bezittingen aan een bepaald adres. Dit herhaalt zich. De derde keer weet de magiër echter de vissen in flessen te vangen en neemt nu Djaudar mee op reis. Dankzij de magische eigenschappen van de rode vissen – die zonen van de koning van de vissen zijn – kan de magiër een bezwering uitspreken, waardoor het Djaudar mogelijk wordt af te dalen en een paleis onder de wateren van een rivier te betreden. Hij moet iets halen uit een van de kamers, maar mag niet spreken, voor hij zijn taak heeft volbracht.

Hier blijkt een eigenaardig iets: degene, die de taak kan vervullen, beschikt niet zelf over de noodzakelijke sleutel tot inwijding. (Dit laatste is kennelijk met de afdaling bedoeld.) Hij, die de kennis bezit om de sleutel te vormen, heeft niet de mogelijkheid dit te bereiken. De vertellers stellen hier dus duidelijk, dat kennis en inwijding twee verschillende waarden zijn. Djaudar mag niet spreken, wat hem zwaar valt, vooral wanneer zijn moeder voor zijn ogen wordt mishandeld. Dit zijn echter drogbeelden. Twee malen bezwijkt hij en moet dan een jaar lang wachten voor hij opnieuw een poging kan wagen. Dit alles kan ook voor de mens, die inwijding zoekt, gelden. De conclusie, die wij kunnen trekken, luidt dan ook: inwijding is zelden mogelijk uit eigen kracht. Wij hebben daarbij behoefte aan de kennis en macht van anderen. Het komt er dan op de eerste plaats op aan van een juist volgen van de regels. Voor de doorsnee mens zal dus de inwijding niet afhankelijk zijn van kennis, maar van een zuiver volgen van bepaalde regels met zeer grote zelfbeheersing.

Om binnen te kunnen treden in een andere wereld, zo roept een andere schrijver uit, zou men zelf een spook moeten zijn. Een spook pleegt echter voortdurend te kreunen en te zuchten, zo zichzelf en anderen tot last zijnde. Blijf dus wat je bent, want spoken bereiken niets. De les: aanvaarding, niet zelfbeklag, brengt mogelijkheden en vorderingen. Wie echter niet tot aanvaarden bereid is, doet er beter aan zich niet met andere werelden bezig te houden. Een ander stelt – in “Het geheime wapen van tante Searwood” – dat een spook, dat interesse genoeg behoudt om te blijven leren, op de duur de meest geleerde mens ter wereld te glad af zal zijn. Zolang men bereid is steeds weer iets nieuws te aanvaarden, wordt men meer dan men was. Aanvaardt men niets meer, dan is alleen stilstand en lijden het gevolg. Conclusie: men moet voor alle dingen steeds belangstelling hebben, ongeacht de omstandigheden, waaronder men verkeert. Alleen zo kan men de grens van de menselijkheid en de menselijke beperkingen overschrijden.

Op de achtergrond staat niet alleen het geloof. Dat een geest alles kan leren blijkt duidelijk uit een essay, dat dezelfde schrijver eens produceerde, tijdens een filosofische bui. Daarin schreef hij: wanneer er reïncarnatie zou zijn, zou de mens, die elk leven met volle intensiteit leefde, tot de meest wijze mens ter wereld worden. Nu treffen wij reïncarnatie in weinig boeken aan, tenzij deze ‘the gimmick’, het grapje vormt, waarop het boek berust. Wel wordt de reïncarnatie gebruikt om de inhoud van een bepaald boek te verklaren.
Een voorbeeld van dit laatste is het boek: “Winged Pharao”. Dit doet vreemd aan, omdat wij in zeer vele boeken een idee van een vroeger bestaan aantreffen, zij het bij de hoofdpersonen, of ergens in terloopse opmerkingen en zijdelingse beschouwingen. Zelfs schrijvers, die niet aan reïncarnatie geloven, geven soms blijk van een onbewust gebonden zijn met bepaalde fasen van het verleden. Als voorbeeld kan hier Hendrik Conscience dienen, de Vlaamse schrijver van historische werken. Wanneer men de boeken van deze schrijver leest, krijgt men de indruk, dat hij vroeger een eenvoudige burger moet zijn geweest, mogelijk een handwerkersgezel. Van alle figuren, die hij tot leven tracht te wekken, blijken voornamelijk de eenvoudige burgers werkelijk geheel bezield te zijn. De andere figuren blijven historische sjablonen. Deze mens, die nooit over reïncarnatie maar heeft na willen denken, zegt zelf over zijn boek “De Leeuw van Vlaanderen”: “Toen ik over Jan Breydel schreef, voelde ik mij met hem verwant. Vaak was het mij, alsof ik naast hem had gevochten.” U ziet, zowel over mensen als de kosmische waarheid zijn er openbaringen te over om vinden in boeken.

Natuurlijk kunnen wij de belangrijkste openbaringen niet aantreffen in lichtzinnige werkjes. Zij blijken alleen voor te komen, wanneer de schrijver zich in zijn werk kan verliezen. Dan echter komen openbaringen evengoed voor in plezierige romans en werkjes vol humor als in utopieën. Een toekomstdroom verscheen – ik meen rond 1906 – onder de titel “Zwischen zwei Welten”. Hierin wordt het ‘contact’ van de aarde met hypothetische Marsbewoners beschreven. Opvallend in dit werk is het vooral in het tweede deel steeds sterker duidelijk wordende minderwaardigheidscomplex van de mensheid. De mens kan niet tegen de Marsmens op. De Marsmens die op aarde komt, wordt dan ook door het menselijke ras geestelijk vergiftigd en aangetast door machtswellust enz.

Dit werk, dat door zijn Deutsche Gründlichkeit zelfs langdradig en vervelend mag genoemd worden, heeft echter momenten, waarin duidelijk kosmische waarden worden weergegeven. Zo bijvoorbeeld in het tweede deel, wanneer in een groot museum op Mars de schrijver een van zijn hoofdpersonen laat zeggen: “Voelen wij ons niet minderwaardig, omdat wij ons niet van onszelf bewust zijn? Ik ben mijzelf. Zolang ik mijzelf kan aanvaarden, ben ik zó veel of meer dan de bewoners van Mars”, waarop de man een Beierse pijp opsteekt tot schrik van de aanwezige Marsianen. Helaas gaat, met deze Marsbewoners, ook inzicht en filosofie voor de pijpensmook op de vlucht.
Het denkbeeld, dat wij voor onszelf steeds weer een confrontatie beleven met een ons in wezen vreemde wereld, die wij moeten overwinnen, is tamelijk algemeen en komt in vele boeken tot uiting. De vraag is, of wij kúnnen overwinnen. De schrijver geeft een antwoord, dat bevestigd: indien de mens van zichzelf en zijn eigen mogelijkheden blijft uitgaan, en niet de weg, de middelen, de mogelijkheden van een ander voor zich tracht op te eisen of begeert, is hij gelijkwaardig aan ieder andere mens, aan elk denkend wezen.

Orwell blijkt echter pessimist te zijn. Zowel in “1984” als in “Animal Farm” schijnt het kwade te winnen. In de boerderij van de dieren is er het paard, dat te goed is, teveel wil doen en geven, en daardoor het slachtoffer wordt van de varkens, die alles voor zich opeisen. In 1984 is er de mens, die een revolutie wil, maar gelijktijdig zozeer gebonden blijft aan de regels van de maatschappij, aan het oude, dat hij zichzelf voor zijn pogingen vrij te worden, bestraft. De confrontatie van de mens met zichzelf berust in de werken van deze schrijver hoofdzakelijk op de angst. De ondervrager in “1984” zegt tot de hoofdpersoon – die nog niet weet, met wie hij eigenlijk spreekt: “wij zullen elkaar terugzien, daar, waar geen geheimen zijn”. Dit blijkt de kamer te zijn, waar men ondervraagd wordt. Anderen vertellen hem, dat men daar datgene ontmoet, wat men het meeste vreest. Er zijn mensen, die dit werkje – “1984” – slechts zien als de – misschien profetische – beschrijving van een toekomstige maatschappij. Zij maken echter een grote fout, zoals degenen die in de boerderij van de dieren alleen een persiflage op een bepaald sociaal systeem zien, eveneens een fout maken. De schrijver openbaart ons iets anders:
Wij kunnen in onze goedwillendheid soms te ver gaan. Wie voor anderen steeds het goede wil en vergeet aan zich te denken, rekening te houden met de feiten, bevordert hierdoor slechts de slechtheid van anderen en maakt zichzelf tot slachtoffer.
In het tweede werk stelt hij de algemeen menselijke regel, dat de mens eerst waarlijk zichzelf kan zijn, waarlijk tot zichzelf kan komen, wanneer hij geconfronteerd is met datgene, wat hij boven alles vreest. Enkele geestelijk belangrijke sleutels vinden wij in beide werken, waardoor bv. “1984” ons vele gegevens blijkt te verschaffen omtrent de mens – doublethink bv. – en zijn inwijdingsweg. Dat de hoofdpersoon niet slaagt is daarbij van minder belang. Dit vloeit voort uit het opzet, maar maakt geen onverbrekelijk deel uit van de lessen en openbaringen, die ook hierin gelegen zijn.

Zoals u bemerkt, put ik mijn materiaal hoofdzakelijk uit recente schrijvers. Ik zou niet volledig zijn als ik daarbij niet een schrijver aanhaalde, die bekend is om zijn wetenschappelijke toekomstdromen. Ik kies hiervoor Ray Bradbury.
Deze confronteert ons steeds weer met de gejaagde mens. Wat hij ook beschrijft, waarmee hij zich ook bezig houdt, steeds weer ligt het gejaagd worden in zijn werken. Toch, wij zien meerdere keren hoe hij tot een oplossing komt, die niet beschouwd mag worden als typisch persoonlijk en deel van de schrijver zelf. Zo stelt hij op een gegeven ogenblik: “zolang ik geloof aan wat was en aan wat komen zal, zijn deze dingen voor mij waar. Indien ik mij door het heden voort laat drijven, zal het verleden echter voor mij onbereikbaar geworden zijn, terwijl ik de toekomst niet kan zien, die mede daardoor tot een verschrikking wordt. Wanneer ik echter geloof in mijzelf en mijn heden, dan kan ik tot het verleden terugkeren, of de toekomst betreden volgens eigen wil en wezen, zo waarlijk in het leven steeds vervullende, wat men zelf is en wenst.” Ik vat hier in enkele regels ruim zeven bladzijden druk samen. Hierdoor komt echter het verbluffende van deze stelling sterker naar voren. Dit is te meer verbluffend, omdat de stellingen een sterke overeenkomst vertonen met de oude Dionysius mysteriën, waarvan helaas de beschrijvingen teloor zijn gegaan.

In deze mysteriën treffen wij onder meer de stelling aan, dat degene, die in absolute overgave aan het heden zichzelf en de goden zonder voorbehoud aanvaardt, de toekomst kent en het verleden beheerst. Hij is vrij. Zijn wereld wordt ‘herschapen’. Vruchtbaarheidscultus en roes, die bij velen tot een geheel verkeerd inzicht en zelfs een veroordeling van deze mysteriën gevoerd hebben, hadden niets te maken met de waarden, die door de ingewijde gezocht werden, maar zijn slechts de begeleidingsverschijnselen van het eeuwige bestaan en de werkelijke vrijheid, die de ingewijde in zich realiseert. Het is wel vreemd, dat dergelijke oude en belangrijke openbaringen gewoon weerkaatst worden in een verhaaltje over een mens  die naar het verleden uitwijkt, omdat hij op de vlucht is voor het heden – en vermoedelijk ook voor zijn echtgenote, al laat de schrijver ons hiermede enigszins in het ongewisse. Wij staan hier voor het eigenaardige verschijnsel, dat een oude en schijnbaar reeds lang vergeten wijsheid als het inwijdingsgeheim van een ver verleden, als een reeks van onsamenhangende fragmenten opduikt bij een moderne schrijver.

Op grond van het voorgaande meen ik nu het volgende te mogen stellen:

De wereld van het onbewuste, waaruit de schrijver nolens volens put en waardoor hij bij zijn arbeid soms letterlijk gedreven wordt, beroerd onmiddellijk het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid – of zo u wilt – de heersende rassengeest van de mensheid. De schrijver put hieruit niet alleen maar voorstellingen en beelden, die mogelijk eens waar geweest zijn, maar vooral de associatie met de essentiële waarden van de gehele mensheid. De essentiële waarheid van de mensheid is gelegen in haar noodzaak op te gaan in het Grotere met een volledige zelfkennis en een blijvend besef van eigen persoonlijkheid.

Ik zou door kunnen gaan met het opsommen van boeken, waarin openbaringen verborgen zijn. “The metal monster” van Merritt bv., een schrijver, die ons steeds weer confronteert met het magische. In dit geval gaat het om bezield metaal. Vormen en symbolen spelen daarbij een grote rol. In dit geval is het de kubus, die zich tot vele verschillende vormen laat verwerken. Een van de opvallende aspecten van dit boek is het optreden vanuit metalen kubussen gevormde zuilen, twee in getal, die dreigend op elkaar toe komen, om een mens te hinderen op zijn weg. De mens is niet bang, hij heeft zich een pijl en boog gemaakt en schiet, terwijl hij tussen de zuilen door gaat, waarop deze dreigende vormen ineenstorten en de ordening van het bezielde metaal overgaat in chaos.

Om deze gedachtegang duidelijker te maken, dien ik terug te grijpen naar een veel ouder boekje van Rahsti Prasdeta (?). Deze wijze schrijft namelijk: de mens wordt omringd door  schoonheid en door dreiging. Enerzijds is met hem de glans van het Goddelijke en de hoop op volmaaktheid. Aan de andere kant leeft de rechtvaardigheid en de dreiging van zijn besefte onvolmaaktheid. Indien hij, tussen deze beiden schrijdende, de schoonheid tot deel van zichzelf kan maken en de dreiging van zich weet te werpen door een besef van zijn gebondenheid met alle dingen, zo zullen de zuilen van de ontwikkeling naast hem ineenstorten en zal hij de ware band zijn tussen godheid en mensheid. Uit de verdere verhandeling blijkt, dat de ‘herborene’ een soort Krishna zal zijn. Het is vreemd ook deze oude wijsheid weerkaatst te zien in een modern en fantastisch werk.

Zo dadelijk zal ik nog enkele oudere werken aanhalen, zo mij daartoe tijd blijft. Allereerst moest ik u echter duidelijk maken, dat de wijsheid, de openbaring van voor de mens essentiële waarheid, overal ligt. Zelfs wanneer een kind een opstel maakt, is het mogelijk dat het onbewust een flard van de grote waarheid pakt en op zijn wijze neerschrijft. Wanneer deze flard u dan treft, kan het in uw wezen deel uitgaan maken van een groot mozaïek. Want vele wijsheden tezamen vormen een samenhangend patroon, waarbij elk deel op zichzelf blijft bestaan, maar in juiste harmonie met andere wijsheden tezamen de mens een beeld van de werkelijke harmonie, van het grotere geheel, geeft.
Natuurlijk zijn er zeer vele boeken, waarin grote wijsheden staan. Men is tegenwoordig geneigd vele oude schrijvers en hun stellingen af te doen met een: “verouderd, dat is geweest.” Ik geef u, zonder verdere bronvermelding, nu een kleine selectie van wijsheden en openbaringen, die in oudere werken voorkomen. Ook dit zijn alle gedramatiseerde werken en mogen dus niet worden gerangschikt onder leerboeken, openbaringswerken enz. U zult zich, naar ik hoop, met mij verbazen over alle wijsheid en waarheid, die ook een schrijver, wiens doel het is de mensen allereerst te amuseren, kan uitdrukken.

Mijn eerste voorbeeld neem ik uit een oude klucht. De belachelijke figuur daarin – later zou men deze waarschijnlijk Pantalone noemen – zegt het volgende: “Ik verlang voor mijzelf de grootheid van een doge, want een doge wordt gerespecteerd en mij respecteert men niet. Ik moet toegeven, dat ik, wanneer ik mijzelf ooit zou zien, mijzelf waarschijnlijk ook niet zou respecteren.” Het antwoord luidt: “Indien gij uzelf niet respecteert, hoe kunt u dit van een ander verwachten; zoek geen waardigheid door een functie of erfdeel, maar door waardig te zijn”.

Gezien de voorgaande tekst krijgt dit de volgende betekenis: hoe kunnen wij verwachten, dat in de eeuwigheid of in dit leven iets voor ons zal bestaan, zoals een plaats en een taak, wanneer wijzelf daarin niet geloven, of dit slechts aan het gezag van anderen willen ontlenen? Wij kunnen alleen een contact met de werkelijkheid vinden, onze taak en plaats in het Al leren kennen, wanneer wij allereerst zelf daarin geloven. Zonder dit bestaat er voor ons niets.

In een boekje uit 1876 is een tovenaar bezig een godin op te roepen. Zij verschijnt inderdaad, waarop het volgende gesprek zich ontspint:
“Ik heb u, o grote moeder, gij machtige, geroepen, opdat gij mij mijn toekomst zou onthullen. Wat is mijn lot?” De godin antwoordt: “Dat wat gij vreest, wordt uw werkelijkheid.” In het verdere verhaal blijkt de – slechte – tovenaar te menen, dat hij door het noodlot wordt gedreven. Hij bekeert zich enigszins, waarop  alles nogal mee schijnt te vallen. Hij roept de godin weer op en vraagt: “Hoe komt het, dat niet alles, wat ik vreesde, tot werkelijkheid werd?” Hij krijgt ten antwoord: “Gij maakt tot werkelijkheid wat gij vreest, wanneer gij meer vreest dan leeft. Wie meer leeft dan vreest, overwint zijn lot.”
Dit is een wijsheid, die vooral in het astraal gebied en bij het contact met wezens uit andere gebieden en werelden sterk tot uiting komt. Uit het verhaal als geheel blijkt verder, dat de mens die vreest verkeerd te handelen, door zijn angst juist verkeerd zal handelen. Wie vreest, zondig te zijn enz., en van de toekomst vervelende dingen verwacht, zal door zijn eigen gedrag er aan meewerken, dat dit alles tot werkelijkheid wordt. Maar wanneer een mens zo intens zijn leven leeft, blijft er geen tijd voor angsten en vrezen over. Men reageert onbevooroordeeld, trekt geen negatieve krachten aan en zal zo de gevolgen, die een ieder aan de hand van zijn handelingen meende te mogen verwachten, eenvoudig onmogelijk maken.

Een toneelschrijver houdt zich bezig met het Westfront. De spelers zitten tezamen in een dug-out en drogen hun sokken boven een kaarsenvlam. A merkt op: “Ik heb het gevoel dat ik morgen dood ga”. B vraagt of A niet tot overmorgen kan wachten, maar deze blijft overtuigd dat morgen voor hen de laatste dag zal zijn. Een Ordonnans hoort dit en zegt: “wanneer je zo denkt, trek je de kogels naar je toe.” De stelling van de schrijver is klaarblijkelijk ook hier, dat een mens bepaalde gebeurtenissen tot zich trekt door zijn geloof daarin.

Een soortgelijke stelling treffen wij aan in een boek over een ingewijde, die zich een leerling neemt. Na enige tijd zegt de ingewijde: “Je bent nu ver genoeg ingewijd, om zelf de laatste schreden af te leggen. Ik moet nu gaan”. De leerling vraagt dan, of hij, de ingewijde, zal sterven. De ingewijde echter herhaalt: “Neen, Ik ga heen. Maar gij zult het nog sterven noemen”. De leerling zegt ontsteld, dat naar zijn menig de meester toch onbeperkt zou moeten kunnen leven. De meester antwoordt hem: “De mens, die de dood niet erkent, leeft. Wie weet, dat hij sterven moet, sterft. Ik echter ga mijn weg naar mijn wens.” Dit confronteert ons met een wonderlijke theorie, die slechts enkele mensen ooit waar hebben kunnen maken.
Het beeld van overgang, van sterven, zoals dat onder de mensen bestaat, berust in feite niet op werkelijkheid. De gemiddelde leeftijd van een mens is dan ook niet alleen afhankelijk van de condities, waaronder hij leeft, maar wordt tevens beïnvloed door de geldende opvattingen omtrent het ogenblik, dat men “oud” is. Wanneer men denkt, dat men reeds oud is, zal men zichzelf niet alleen oud voelen, maar ook de slijtage in het lichaam bevorderen en zich daardoor werkelijk ouder maken, dan zelfs zonder bewustzijn van levenskrachten en geestelijke mogelijkheden, noodzakelijk is.
Tot de uiterste consequentie doorgevoerd betekent dit: zolang ik meen, dat de dood onvermijdelijk is, is zij onvermijdelijk. Een andere consequentie hiervan stipten wij reeds eerder aan: wanneer men niet gelooft in reïncarnatie of meent, dat men bij een volgende incarnatie niets meer van dit leven zal kunnen weten, zal het hierdoor de geest onmogelijk zijn geworden, iets van huidige kennis enz. mee te nemen en vast te leggen bij incarnaties in haar volgende lichaam.

Een punt, dat, zoals wij in de geest bemerken, wel degelijk een nadere beschouwing waardig is, ook al komt het maar uit een roman. Een drankzuchtig dichter-schrijver vergeet voor een ogenblik de somberheid, die al zijn werken verder kenmerkt en zegt: “Uit de lange, zacht bewegende gordijnen met hun sombere figuren komt een licht als van de maan. Ik droom van de zon. En nu ik ontwaak, zie ik u staan. Gij zijt met mij, Clara. En nu gij met mij zijt, weet ik, dat ik met u kan gaan naar een plaats ver van deze sombere gordijnen, die mij insluiten en omgeven met hun spookachtige gestalten, die zij, bewegend, mij steeds meer onthullen als een toenemende dreiging.” Helaas is dit stukje – dat aansluit op een van zijn verhalen – niet in de verzamelde werken van Poe gepubliceerd. Wel kan men het aantreffen in zijn verzamelde correspondentie.

Wanneer wij de sleutels vinden van de persoonlijkheid, blijkt ons, dat de schrijver zich niet alleen bezig houdt met een spooktoren, die hem omgeeft. De spookachtige kamer is het leven, dat hem alleen doet zijn en hem toch, als een bewegend gordijn, omringt met dreigende en ongure gestalten. Hij beseft maar al te goed, dat zijn drankzucht voortkomt uit een poging de eenzaamheid te ontlopen, maar juist hierdoor in zijn eenzaam zijn meer gaat geloven. Hij beseft eveneens dat, zo hij maar kan geloven in zonlicht, de ban kan gebroken worden. Dan sterft de dreiging weg. Uit de correspondentie blijkt verder, dat hij dit niet alleen ziet als een stoffelijk elkander ontmoeten, maar eerder nog beschouwt als een gezamenlijk ontvluchten aan de stoffelijke wereld, een intens beleven van een geestelijk bestaan zonder eenzaamheid. Zijn  wanhoop komt wel het beste tot uiting in het gedicht ‘Nevermore’.

Deze en soortgelijke openbaringen vinden wij in vele boeken, altijd weer in een andere context, in een andere samenhang, maar toch steeds weer met eenzelfde glimp van een grotere werkelijkheid. U zult het mij hopelijk niet euvel duiden, wanneer ik van deze vonken van inspiratie hier een samenvatting geef. Wanneer ik uitga van het standpunt, dat het menselijke bewustzijn niet noodzakelijkerwijze identiek is met zijn vorm en slechts in beperkte mate geïdentificeerd kan worden met zijn stoffelijke persoonlijkheid of delen daarvan als ouderdom, intellect enz., moet men ook aannemen, dat het menselijke bewustzijn bestaat buiten de materie, a.h.w. in een andere wereld. Toch leeft de mens als mens alleen krachtens zijn stoffelijk bewustzijn. Op het ogenblik, dat hij de belemmeringen voor het werkelijke bewustzijn terzijde stelt, door niet meer te denken in een tijdsgebondenheid of in beperkte menselijke waarden, maar zichzelf realiseert in zijn grote kosmische vrijheid, zal zijn bewustzijn aan die vrijheid deel hebben, ongeacht de stoffelijke facetten, en daaruit krachten putten, enz.
Dit blijkt waar te zijn. Het is wel geen stoffelijke, geen wetenschappelijke waarheid, omdat het geheel niet stoffelijk aangetoond kan worden. Maar men kan het beleven. Wanneer de mens voor een ogenblik de grens, die het bewustzijn heeft opgebouwd, terzijde kan zetten, is er een leven, een Licht, waaruit zelfs de mens, die terugkeert tot zijn stoffelijke beslotenheid, nog lange tijd weet te putten.

Dan sta je voor de vraag, of je kunt geloven, of dit de werkelijkheid is. Is het antwoord ja, dan sta je in een nieuwe wereld, waarin – zoals een andere schrijver zegt – men uitschrijdt en geconfronteerd wordt met het grote vage monster van de vrees, dat loert op de mensen aan de grens van twee werelden. Indien men echter niet vreest, zo kan men ongehinderd verdergaan en de Lichtwerelden betreden. Doch wee u, zo gij vreest. Dan wordt u door deze angstaanjagende vage gestalte steeds achtervolgd en kunt u slechts, door voortdurend aan haar te gehoorzamen, aan een eeuwig lijkende kwelling ontsnappen, Dit betekent, dat het betreden van een nieuwe wereld voor ons een kwestie wordt van vrijheid of slavernij. Maar vrijheid kunnen wij alleen verwerven, wanneer wij niet vrezen. Is er in de mens geen angst aanwezig, dan wordt het hem mogelijk zijn bewustzijn in vele verschillende vormen te projecteren en zo nodig vele levens bewust achtereenvolgens op aarde te bestaan, indien dit dienstig blijkt. Ook is het dán eerst mogelijk om in het menselijke leven waarlijk samen te gaan met Hogere Krachten.

Naast de amusementslectuur en de zuivere studieboeken treffen wij er nog vele aan, die de mens wonderlijk aandoen. Zij lijken hem nodeloos ingewikkeld en gebaseerd op bijgelovig- heden. Zo bestaat er een boekje dat – vertaald – de titel draagt: “Het Kabbalistisch Geheim van de rabbi Luria”. Daarin wordt omschreven, wat de relatie is tussen mens en getal. De schrijver tracht aan te tonen, dat de mens steeds met kosmische krachten in verbinding staat. Deze bepalen een groot deel van de bijkomstigheden in het leven, zoals naam en geboortedatum. Deze relatie, zo stelt de schrijver, kan daardoor in getallen en formules worden uitgedrukt. Volgens de schrijver zou de Rabbi Luria tot zijn jongeren hebben gezegd: “Indien ik erken, dat alle waarden deel zijn van hetzelfde geheel en onderling verwisselbaar zijn, zal ik persoonlijk deze waarden zo kunnen verwisselen, dat mijn naam ontstaat” – in de kabbalistiek zijn naam en wezen vaak, zoals hier, hetzelfde.
Voor mij is het dit ene zinnetje, dat aan het boekje zijn waarde geeft. Verder staat het vol met systemen en ingewikkelde berekeningen, gevolgd door of afgewisseld met reeksen van engelennamen enz. De rabbi Luria gaat uit van de stelling, dat men de waarden op de juiste wijze moet weten te verwisselen.

Nu zijn er in de kosmos steeds tegenstellingen. Wanneer men de tegendelen als onderling verwisselbaar beschouwt, kan men een beeld van het leven vormen, dat zozeer met het eigen Ik overeenstemt, dat het zonder meer leefbaar wordt. Waar alle waarden dan geheel aan mijn werkelijke persoonlijkheid beantwoorden, en alle waarden nu ‘deel van mijn naam zijn geworden’, betekent dit dat ik ‘goed’ ben. Het kwade heeft dan op het Ik geen invloed meer. Zonder een aanduiding van deze werkelijkheid zijn alle kabbalistische berekeningen onzin.

Ik neem nu maar aan, dat u de omwisselingssystemen kent. A en Z kunnen volgens dit systeem – of een van de systemen – gelijkwaardig zijn. Begin en einde zijn gelijk. Voor het Ik maken zij dus geen verschil. Stelt men het einde aan het begin, dan is er niets wezenlijk veranderd, zelfs wanneer al het andere gelijk blijft. Door uit tegenstelling zo te kiezen, dat zij beantwoorden aan de ware persoonlijkheid, leert men dit ware Ik eerst werkelijk kennen. Deze ware persoonlijkheid, uitgedrukt in het begrip: “Ik ben zo mijzelf, ik beantwoord zo dus aan alles, wat de schepper van mij wil”, vindt men voor zichzelf de perfecte beantwoording van alle vragen betreffende dit Ik en zijn relatie met de kosmos. Een misschien voor velen wat verrassend beeld, dat bij vele moralisten wel verzet zal wekken, maar toch ergens waar is. Het gaat hier niet om een reeks uiterlijke wetten, maar om de openbaring van de innerlijke mens, die ongelukkig wordt, wanneer hij zichzelf verkeerde maatstaven stelt en zo met de werkelijkheid niet harmonisch is. Het is namelijk niet de mens en niet de wereld, waardoor harmonie of disharmonie wordt bepaald, maar de maatstaf, waarmede men zijn leven meet. Deze beslist over het al dan niet harmonisch zijn met hogere werelden zowel als met eigen wereld.

Een ander aardig ouder geschrift draagt de titel ‘de Steen’ en gaat over de Steen der Wijzen. De schrijver geeft onder meer 25 recepten, volgens welke de steen der wijzen bereid zou kunnen worden. Hij behoort helaas niet tot de grote geesten, die duidelijk en eenvoudig een ieder weten te zeggen, waarover het eigenlijk gaat. Men zou dan ook geneigd zijn hem voor een gewoon alchemistje te zien dat alleen chemisch zoekt, wanneer niet in zijn werk het volgende werd gesteld: De Steen is de onvergankelijkheid, waaraan ik mijzelf toets. De bestanddelen draag ik in mij, want wie de bestanddelen niet in zich bezit, kan de steen niet vervaardigen. Daarin wordt opeens het gehele schema van deze alchemistische denker duidelijker! Het gaat hem niet om het chemisch vervaardigen van een stoffelijke steen, die eeuwig leven en wijsheid zou geven. Wat hij met zijn recepten tracht op te lossen is de vraag: Welke is de toetssteen? Beschouwen wij zijn recepten nu, dan onthouden wij dat hij stelt: Ik draag in mij alle bestanddelen. Alle. Dus niet noodzakelijk in de juiste verhoudingen. Het wordt duidelijk, dat het hem dus niet gaat om kwik, rood poeder, goud, arnica enz. Het betekent nu, dat de mens bepaalde eigenschappen in zichzelf ten opzichte van elkander moet afwegen. Vandaar ook de vele recepten die hij geeft. Niet ieder zal de bestanddelen van een bepaald recept allemaal in voldoende hoeveelheid bezitten. Maar een van de recepten zal toch wel bruikbaar zijn.

Deze onbekende schrijver – Francesco d’Argelli (?) – maakt in feite duidelijk, dat een ieder, die zijn innerlijke eigenschappen op de juiste wijze met elkander in overeenstemming kan brengen, alle wijsheid en zelfs het eeuwige leven in zich draagt.

Dergelijke aanduidingen komen wij overal tegen. Zo is er een wetenschappelijke verhandeling, geschreven door een zekere St. John Palmer, die op het ogenblik in de U.S.A. vertoeft. Schrijvende over de dieptepsychologie spreekt hij over de onbekende fenomenen in de mens, helaas met de in dit vak gebruikelijke vaagte van uitdrukking. Op een zeker ogenblik volgt er echter iets, dat geen wetenschap, maar geloof is. Wij ontdekken – zo schrijft hij – dat in velen de behoefte gelijk komt aan een secundaire persoonlijkheid. Indien ook deze tweede persoonlijkheid in overeenstemming kan worden gebracht met het werkelijke leven, zo ontstaat hieruit niet slechts een innerlijke gezondheid – op geestelijk terrein dus – maar ontstaat tevens een derde gestalte. Wij mogen m.i. dan ook aannemen, dat de mens innerlijk een triade vormt. Hierbij gebruikt hij een vergelijking, die ik wel bijzonder fraai vind: het oerwezen van de mens, dat wij nog niet kunnen benaderen, blijkt hierin de originerende kracht te zijn. Kennelijk dus ‘de vader’. Hieruit komt een innerlijk ideaalbeeld voort, waaraan de mens zou willen beantwoorden – de zoon – maar ook de werkelijke persoonlijkheid, zoals deze zich in de wereld vormt. Wanneer de twee laatste factoren, in elkaar overvloeien, ontstaat het genie.

M.i. is vooral de vergelijking, maar ook de laatste stelling iets, wat niet strookt met de verder geheel wetenschappelijke benadering van het onderwerp. Vooral zijn stelling omtrent het genie. Toch is er voor zijn stelling wel veel te zeggen. Genialiteit is immers het vermogen tot scherp geformuleerd denken – scherp geformuleerd zou nog achterwege kunnen blijven – gepaard gaande met een haast onbeperkt voorstellingsvermogen, dat niet van eigen wereld afhankelijk is of niet alléén daarvan, terwijl het genie de parallellen weet te trekken tussen de werkelijke wereld en de fantasiewereld.
Uit dit laatste wordt namelijk de verwerkingsmogelijkheid geboren, waardoor het genie tot uiting komt, de synthese van denkwereld en realiteit. Ongeacht de overeenkomst van zijn conclusies en die van de vorige schrijver is hier het meest opvallend, dat de schrijver stelt: de mens heeft een originerende – dus scheppende – persoonlijkheid, die gesplitst kan worden, in een ideaal en een werkelijk Ik. De samenwerking tussen droom en werkelijkheid baart de benadering van de oer persoonlijkheid.

Een beeld van de onbewuste uitdrukking van een kosmische werkelijkheid vinden wij in een stukje vermaak literatuur, dat ‘Jennie’ werd gedoopt. Hierin wordt een ziektebeeld van een jongetje beschreven, dat, bij een poging zijn katje van de dood te redden, zelf ernstig gewond wordt. Het kind meent zelf een kat geworden te zijn en beleeft in die toestand allerlei avonturen. In de eerste druk hiervan behoudt het kind, wanneer het beter is en een nieuw poesje in ontvangst mag nemen, de herinnering aan de belevingen in de kattenwereld, die overigens irreëel en te menselijk is uitgebeeld. Het kind zegt dan onschuldig: “ik zal goed voor je zorgen, poes”. Want ik weet nu, hoe een kat zich voelt. Ik ben eigenlijk mens en kat.

Nu is de kosmische waarheid de volgende: wat ik in mijzelf als bestaan ervaar, dus ook het bestaan van een ander, waarin ik opga, vormt op de duur een additioneel deel van het Ik. Een mens, die voor een ogenblik geheel verzinken kan in een grasspriet of een mier, zal voortaan ergens ook een deel gras, een deel mier zijn. Onafhankelijk van verdere ervaringen en gedachten, zal dit ervaren deel van het Ik uit blijven maken en steeds weer in de mens bevestigd worden. De doorsnee lezer zal over dergelijke sleutelbegrippen meestal heen zien, terwijl technische boekjes en verhandelingen te zeer op hun technische inhoud worden bezien, om aandacht te laten voor hun filosofische of zelfs openbarende inhoud. Een mens, die werkelijk lezen kan, zal echter juist door de sleutelbegrippen worden getroffen. Deze neemt immers de betekenis van alle punten in zich op, niet slechts een bepaalde leer of vermaak waarde zonder meer.

Steeds weer, wanneer men bijzonder getroffen wordt door een bepaalde uitspraak of zinsnede, zal men zich dan ook dienen af te vragen, wat deze binnen deze context betekent, wat is de samenhang. Is deze laatste aanwezig, dan zal men zich af dienen te vragen: wat betekent dit voor mij persoonlijk? Vaak blijkt, dat het boek een geheel andere betekenis krijgt en voor de bewustwording buitengewoon belangrijk wordt, alleen door zo één enkele zinsnede.

Wanneer men een antwoord gevonden heeft op de vraag, wat een openbaring voor het Ik en voor een enkele mens betekent, zal het vaak goed zijn, om de ongeveer gelijk werkende invloed en gelijkluidende betekenis voor geheel de mensheid eveneens te erkennen, zonder daarbij nu ook op gelijkwaardige mogelijkheden tot ontwikkeling te rekenen.

Met dit alles heb ik het punt bereikt, waarop ik u de intenties die ik met dit onderwerp had, nogmaals duidelijk maak. Ik formuleer dit als volgt:

Een boek, of het technisch, romantisch of anders is, is geboren uit een mens en niet alleen uit zijn voorstellingsvermogen of kennis. Wanneer wij bewust trachten te lezen, zullen wij altijd weer moeten vaststellen, dat er in een boekwerk sleutels zijn verborgen, waardoor dit voor ons begrijpelijk en waardevol wordt. Niet alleen wordt de waarde van de inhoud anders, maar ook in ons ontstaan nieuwe samenhangen en vindt een andere groepering van begrippen plaats, welke ons in contact brengt met de persoonlijkheid van de schrijver en ons zijn inspiratief moment mede doet beleven.

Deze inspiratie is, zoals bij menige kunstenaar, een band net een hogere werkelijkheid, die misschien wel goddelijk genoemd mag worden. Wie in het boek de sleutel vindt, zal er in slagen langs vele wegen een glimp van de oneindigheid op te vangen. Dankzij de openbaringen die in verschillende boeken, dankzij deze sleutelbegrippen bestaan, zal de mens een geheel nieuw beeld van het leven verwerven, dat dichter ligt bij de grote werkelijkheid. Tevens zal men dankzij dit alles tot een grotere innerlijke harmonie komen en zo ook dichter staan bij de uiteindelijke bereiking. Hopelijk begrijpt u, hoe belangrijk dit is. Niet iedere mens zal op gelijke sleutels kunnen reageren, dit is mij bekend. Dergelijke sleutels komen ook in andere kunsten voor, maar zijn daarin veelal niet zo gemakkelijk te vinden en te begrijpen als in de literatuur. De mens heeft in deze dagen belang bij alle inwerkingen, die hem tot grotere innerlijke harmonie kunnen brengen. Deze bron is voor een ieder bereikbaar. Daarom hebben wij deze avond aan deze beschouwing gewijd.

Vragen

  • Legt de schrijver bewust de sleutels in zijn werk?

Meestal is dit een onbewust proces. Dit blijkt reeds uit hetgeen omtrent inspiratie en het niet meer beheersen van een figuur of zelfs plot werd opgemerkt. Wel kan worden gezegd, dat de schrijver altijd eerst een sleutel geeft tot zichzelf, en eerst daardoor tot de inwerking, die hij onderging. De schrijver doet dit dus niet, omdat hij dit gaarne wil doen, maar omdat hij zozeer met zijn werk verbonden is, dat hij onwillekeurig daarin alles, wat hij is en beleeft, mede openbaart, vaak zelfs zonder dit later te kunnen beseffen.

Het lijkt mij trouwens beter, om het onbewuste hier als een regel te aanvaarden, omdat men anders het gevaar loopt, de bewuste pseudo-diepzinnigheden van anderen te beschouwen als iets waardevols, dat belangrijke sleutels bevat terwijl men geneigd is de persoon zelf dan als een ingewijde te beschouwen. Om eerlijk te zijn, juist bij vele zogenaamde populaire filosofen vinden wij onnoemelijk veel kwakzalvers, die hun onbetekenende of niet begrepen wijsheden aan de man trachten te brengen als een panaceum tegen alle kwalen. Wanneer wij te maken krijgen met een filosoof en zijn filosofieën dienen wij ons m.i. altijd eerst af te vragen, of het geheel nu een constructie is, ofwel iets wat beleefd werd. Kunnen wij geen antwoord geven op deze vragen – alleen in het tweede geval kunnen hogere werkingen zich openbaren – dan kunnen wij ons hoogstens afvragen, of de filosofie ons iets te zeggen heeft. Maar wij kunnen dan nimmer aannemen, dat de leer of de stellingen getuigen van een onmiddellijke band met eeuwige krachten. Wanneer wij te maken krijgen met een kleine en schijnbaar onbetekenende zin, die de waarde van al het gezegde verandert, kunnen wij er wel zeker van zijn, dat deze zin als het ware aan de schrijver ontsnapt is, zodat hij hiermede een werkelijk inzicht in zichzelf en de banden met hogere krachten, die voor hem bestonden, zal geven.

  • Wat bracht Nevil Shute er toe, zijn boek: ‘Round the bend’ te schrijven? Is dit boek louter fantasie?

Wij mogen m.i. stellen, dat hier inderdaad sprake is van fantasie, die wortelt in de denkwijze van de schrijver zelf. Het boek bevat wel enkele interessante aanwijzingen. Wanneer u de sleutel kunt vinden, kunt u dan ook hierin kennis maken met een zeer interessante persoonlijkheid – die van de schrijver – maar tevens met enkele geïnspireerde waarheden. Bij de uitwerking van zijn werk dient men er verder rekening mee te houden, dat de schrijver zeer sterk werd beïnvloed door crisis, oorlog en oorlogsdreigingen, zodat veel in zijn werk eigenlijk een verzet tegen dit alles bevat. Ik acht het niet waarschijnlijk, dat met de heilige man in het genoemde werk gedoeld wordt op de Nieuwe Wereldleraar. In deze zin is er dus geen sprake van een visionair geheel, ofschoon bepaalde inspiraties op dit geheel grote invloed hadden.

Overigens is geen enkel boekwerk in zijn geheel een inspiratie. Dit geldt zelfs niet voor de Bijbel, het Oude Testament, dat immers voor een groot deel het werk is van politici, van niet geheel onbevooroordeelde historici. Niemand op aarde kan de eeuwigheid in woorden weergeven. Elke schrijver blijft nu eenmaal in de eerste plaats zichzelf. Slechts door de sleutels te hanteren kunnen wij – niet door de woorden alleen, maar vooral ook door innerlijke waarden – een beeld krijgen van de eeuwige waarden. Zelfs voor de Openbaringen van Johannes geldt dit. Wanneer wij Johannes van Padmos niet leren kennen, kunnen wij niet begrijpen, wat er eigenlijk bedoeld en gezegd wordt. Dan kunnen wij met het geheel niets doen, niets waarlijk begrijpen en zullen wij steeds weer vastlopen in allerlei symbolen, die gebruikt werden.

  • Heeft Sartre in zijn “Huis clos” ook een sleutel gevonden of ontdekt?

Alleen voor zichzelf. Hij heeft namelijk iets algemeen menselijks ontdekt, dat niet alleen geldt voor een ‘gesloten huis’, voor een tussenstation van de geest, of een hel, maar voor de mensheid als geheel geldt: wanneer de mens in verveling steeds weer met zichzelf geconfronteerd wordt, is dit zijn grootste kwelling. Waar de verveling in deze dagen toeneemt en de mens steeds meer met zichzelf wordt confronteert, mogen wij wel zeggen, dat hij hier niet alleen een beeld van bv. een lagere sfeer heeft weergegeven, maar zijn existentialistische beschouwing tevens op juiste wijze een eigenschap van de wereld en daarmee iets wat leeft in het wereldbewustzijn heeft weergegeven. Ook zijn werk kunnen wij echter alleen geheel juist interpreteren, wanneer wij eerst ontdekken, wie de mens Sartre is. Dit is zeer moeilijk, omdat Sartre in de loop van zijn werk innerlijk zeer grote veranderingen heeft doorgemaakt, zodat werk na werk de sleutel moet worden gezocht, die ons met de mens Sartre van dit werk in contact kan brengen.

  • Toegegeven, dat in vele werken waarin men geen openbaringen verwacht, toch openbaringen voorkomen. Vraagt men zich af, waarom u juist heden onze aandacht vestigt op deze, vaak in een zee van bijkomstigheden verborgen, wijsheden? Is het uw bedoeling, dat wij ook gewone werken anders gaan lezen?

Ja. Wanneer wij de aandacht op dit verschijnsel vestigen, zo is dit mede te danken aan de structuur van de huidige mensheid en de tendenzen van deze tijd. Wij leven namelijk in een periode, dat de directe openbaring voor de mensen gepaard pleegt te gaan met het aanvaarden van een even direct leidersprincipe en een afwentelen van de verantwoordelijkheid op dergelijke leiders door de massa. Dit betekent, dat een directe kosmische openbaring in deze dagen haast niet op verantwoorde wijze mogelijk is. Daarom ligt de nadruk op de zogenaamde verborgen openbaring, waarbij de mens, die bewust hiernaar zoekt, op de meest onverwacht ogenblikken en plaatsen een sleutel vindt, die hem tot een nieuw inzicht of een nieuw begrip doet komen.

In de hedendaagse literatuur treffen wij dan ook – zelfs in vele werken die nutteloos, oninteressant en overbodig lijken – dit geïnspireerde moment aan. Zo wordt zelfs in de lectuur, die het doorsnee publiek en het gewone volk bereikt, steeds meer op deze verborgen wijze de nadruk gelegd op bepaalde bestemmingen van de mens. Dit alles blijkt in overeenstemming te zijn met de geestelijke en stoffelijke ontwikkelingen van deze tijd. Door uw belangstelling hiervoor te vragen, hoop ik u te doordringen van de toenemende belangrijkheid van dergelijke sleutels, indien u uw tijd en uzelf in de komende jaren wilt begrijpen. Andere leringen zijn misschien niet altijd voldoende of bereikbaar. Wanneer u dus gewone boeken anders gaat lezen, kunt u op deze wijze beschikken over een steeds weer zich hernieuwende band met de oneindigheid.

Men zal op deze wijze dan kunnen delen in de inwerkingen van Aquarius en de invloeden van de Wereldmeester. Overigens worden dergelijke sleutels ook gegeven in andere vormen van inspiratief werk als beeldende kunsten, muziek e.d. Verdere begrenzingen en het maken van onderscheid bv. naar werkjaar is mogelijk, maar zou te veel verwarren, zodat ik hier het algemeen aspect heb besproken in de hoop, u hierdoor in staat te hebben gesteld steeds bewuster deel te nemen aan alle ontwikkelingen in geest en stof.

Ik zal nu onze bijeenkomst sluiten, maar vraag nog even uw aandacht voor het volgende:

Wij bespraken de boekwerken, de bevroren gedachten, waarin ergens iets van de geest kan leven. Ook het gehele leven beschouw ik echter als een gestolde gedachte. Alles, wat er is, werd eerst gedacht. Uit het denken werd het geboren, vóór het werkelijkheid werd. Alles, wat werkelijkheid is, zal daarom de slaaf zijn van het denken. Want hoe meer wij denken, hoe meer wij aan de bestaande werkelijkheid kunnen toevoegen, hoe groter dus ook de mogelijkheden daarvan. Zo wordt de eenvoudige werkelijkheid, het bestaan van een eeuwige kracht, al snel tot een warboel van ongetelde mogelijkheden. Het is ons vaak, alsof wij verdoold zijn hierin, als kinderen in een groot bos. Wij zien de vele paden, de stammen, het vallend blad, maar niet meer het woud en het leven, waaruit het woud is voortgekomen. Toch komt er soms een ogenblik, dat een enkele bloem, een vogel, een vlinder, de aandacht zozeer boeit, dat men de stammen en de paden vergeet, daardoor het werkelijke leven, het woud intens ondergaande.

In de veelheid van tot werkelijkheid geworden gedachten staat de mens, maar ook vaak de geest, verward en verloren. Dit zal steeds zo blijven, tenzij hij terug kan keren tot de bron van alle werkelijkheid, het leven zelf. Het is het leven, dat zin geeft aan de dingen, het zijn niet de dingen, die zin geven aan het leven. Dit te beseffen doet ons steeds weer teruggrijpen naar de oneindigheid, naar het Goddelijke. Het doet ons echter tevens steeds weer zoeken naar de kentekens van het leven in alles. Wij zoeken reeds in de dorre boom de knop, die zo dadelijk in de lente zal uitbotten en worden tot bloem of blad.

Door te zoeken in de schijnbare doodsheid van literatuur en menselijk leven naar de tekenen van nieuw en komend leven, van een nieuwe tijd, zullen wij eerst waarlijk kunnen beseffen, wat wij zijn, wat werkelijkheid is. Het is de zich steeds hernieuwende kracht van het leven, de eeuwigheid, waaruit het werkelijke, het voor ons waarlijk belangrijke steeds weer kenbaar wordt. De basis van ons leven, van onze bewustwording en ons denken is de levende gedachte, die het Al voortbrengt en in stand houdt. Ons denken is met deze grote kracht verwant. Alle sleutels zijn in ons leven slechts een mogelijkheid om het gevormde en vaststaande te ervaren als een vorm van beleven, niet als een vaststaand feit. Het zijnde wordt dan een ondergaan en beseffen, dat geen regels kent, maar de eeuwige krachten in zich draagt. Het is ons aller taak een sleutel te zoeken, die dit alles voor ons mogelijk maakt.

image_pdf