Bron van leven

image_pdf

6 december 1963

Aan het begin van deze bijeenkomst wil ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp van heden draagt de titel: Bron van leven

Een kind, dat jong is en van Sinterklaas hoort, ziet in deze heilige de bron van alle geschenken.

De mens, die geestelijk jong is, ziet in God de bron van alle dingen. Dit is een gelijkenis, die enigszins brutaal lijkt, maar toch alleszins juist is. Wij zijn immers altijd geneigd de zaak te vereenvoudigen. Wij laten alle bijkomstigheden buiten beschouwing en stellen heel eenvoudig: Nu ja, God heeft de wereld geschapen… In wezen is dit een vorm van homocentrisch denken: De mens is het middelpunt van het Al, het doel van de schepping, zo is de gedachte op de achtergrond. En vooral dit laatste is wel wat verwaand, wanneer het tenminste niet uit een te grote geestelijke eenvoud voortkomt.

In deze inleiding zal ik dus trachten de bron van het leven voor u na te gaan. En leven is wel een heel bijzonder verschijnsel: Leven is bewustzijn, maar ook; je bewust zijn van een wereld. Het is een in jezelf kunnen handelen en vanuit jezelf naar buiten toe kunnen handelen, maar gelijktijdig zozeer onder de invloed van “het andere”, staan, dat je wezen, handelingen en gedachten daardoor kunnen worden beïnvloed en soms zelfs geleid kunnen worden.

Zo wij zuiver materieel de “bron van het leven” na willen gaan, zijn wij snel klaar hiermee. Wij kunnen dan teruggaan tot de oertijd, waarin de aarde ternauwernood was afgekoeld, de continenten nog een massa van kolkende vulkanen waren, terwijl de atmosfeer bestond uit een grauwe massa van door de vulkanen uitgebraakte stofdeeltjes en waterdamp. De wereldzeeën waren in die dagen heel wat kleiner dan op het ogenblik. In die dagen is er namelijk iets bijzonders gebeurd. De zeeën hadden een hoog gehalte van zouten, onder meer potassium. Op de zon vond een uitbarsting plaats. Deze veroorzaakte of viel samen met een scheuren van het dichte wolkendek rond de aarde, zoals dit een heel enkele keer misschien ook wel op Venus voor zal komen. Deze planeet kan, althans van buitenaf gezien, een beeld geven van het uiterlijk, dat ook de aarde toen eens had. Hierdoor werd een reactie gewekt. Er ontstonden hierdoor zeer grote en zeer ingewikkelde moleculen. Dezen vormden een kettingstructuur. Daarbij bleef het langere tijd. Toen herhaalde dit verschijnsel zich, nu gepaard gaande met de eerste werkelijke regenval.

Tijdens deze uitbarsting van de zon ontstond uit het half-leven, dat tot op dit ogenblik alleen op aarde bestond, een nieuwe vorm: Het eencellig wezen, gevormd door een zich groeperen rond – en binden aan – de moleculaire structuren van andere stoffen. Daarmede zijn wij er reeds: Dit is immers reeds werkelijk leven op aarde. Alle andere levensvormen op aarde stammen dan ook hier vanaf.

Dit alles verklaart echter alleen het bestaan van een zuiver stoffelijk en betrekkelijk eenvoudig leven, terwijl het verder alleen geldt voor uw aarde: Op andere planeten kan leven ontstaan zijn langs geheel andere wegen. Daar kan een kristal door wijzigingen van temperaturen zijn normale afmetingen overschreden hebben, gevoelig zijn geworden voor stralingen, zo een vorm van sentiëntie verkregen hebben. Wij kunnen ons een splijting bij toenemen der massa voorstellen, waarbij deze sentiëntie bewaard bleef. Op deze wijze kan men op de een of andere verre planeet komen tot levende kristallen. Nu zult u misschien menen, dat kristallen volgens uw normen nooit werkelijk kunnen leven. Kosmisch gezien kunnen zij dit echter wel degelijk, wanneer er maar sprake is van een bewustzijn van ik en wereld, plus de mogelijkheid, die wereld te ondergaan en door eigen ingrijpen daarin iets te wijzigen.

Ik meen dan ook, dat wij veel verder terug moeten gaan om de werkelijke bron of bronnen van leven te vinden. Wanneer wij echter trachten terug te gaan tot een periode voor het bestaan van de wereld, bevinden wij ons zeker niet meer in het rijk der wetenschappelijke thesen, maar komen wij in het rijk der godsdienstige filosofie.

Wij treffen onder dergelijke beschouwingen o.m. de verklaring aan, dat er in het begin alleen het ‘Niet’ was. Kennelijk bedoelt men hiermede niet: Een geheel niet bestaan van ruimte, maar een soort leegte. Men zou dus aanvullend kunnen stellen: een ruimtelijke mogelijkheid bestond, maar zij was eenvoudig niet geopenbaard. Misschien klinkt u dit te ingewikkeld. Denk daarom maar aan een gebakdoos, die ineengevouwen is, daarin is geen ruimte. Sla de zijwanden naar boven en een bijna twee dimensionaal geheel wordt opeens nadrukkelijk driedimensionaal en bevat ruimte. Dit “niet” wordt dus van potentie tot een werkelijke ruimte. Daar binnen wordt, vanuit een andere dimensie of vorm van bestaan, een Kracht geopenbaard. Wat voor Kracht dit was, kunnen wij niet zeggen, want dit is eenvoudigweg niet vast te stellen. Door deze Kracht ontstaat in deze ruimte een werking: Er ontstaat materie. De materie is nog niet een werkelijke massa maar gelijkmatig verdeeld. Er schijnen echter steeds weer deeltjes bij te komen, tot op een zekere plaats een zodanige concentratie ontstaat, zodat de eerste zwaartekrachtwerking optreedt. Dan is er een massa met een gemeenschappelijk middelpunt. Vanaf dit ogenblik kan ook volgens de huidige begrippen gesproken worden over materie. Volgens de filosofie, die ik citeerde, is er in deze materie reeds een vorm van bewustzijn.

Waar komt deze vandaan? Wij weten het niet. Zelfs de Hindoeleer geeft ons hier alleen maar een theorie. En wanneer wij toch theorieën moeten uitwerken, lijkt het mij hier de plaats om te spreken van het “exploderend Al”. Deze stelling is volgend ons niet geheel juist, maar kan als illustratie hier aardig dienen. In het begin was er oermaterie. Deze oermaterie kan mogelijk via een lek binnen gedrongen zijn vanuit een ander Al in onze ruimte. Op het ogenblik dat een voldoende massa met gemeenschappelijk middelpunt aanwezig was, voegden zich deeltjes samen of vielen uiteen. Daardoor ontstond de eerste straling, de eerste hitte. Er volgde een zich aaneen lassen van de kleinste deeltjes volgens de nu gekende atoomstructuren. De daarbij vrijkomende krachten hadden het karakter van een explosie en in korte tijd was het begin van het Al geschapen. Indien wij aannemen, dat er in dit geheel reeds een bewustzijn was, een “God”, zo mogen wij ook aannemen, dat deze God als werkelijk bewustzijn eerst op dat ogenblik geboren werd. Daarom kan deze entiteit niet de volledige Godheid, de werkelijke God zijn. Deze blijft voor ons zelfs bij een nagaan van het ontstaan van het Al een onbekende. Wat ontstaat, is echter de voor ons geuite godheid. Als eerste bron van leven vinden wij dus vreemd genoeg een inwerking vanuit buiten ons Al liggende krachten, werelden of vermogens, waardoor binnen de fijne materie een ik-bewustzijn ontstaat.

Op het ogenblik van de explosie schijnt binnen dit ik een begrip te ontstaan van alle mogelijke combinaties in de materie, omdat alle mogelijke combinaties blijvend of voor korte tijd tijdens de explosie voor schijnen te komen. Een groot deel van de mogelijke bindingen wordt weer onmiddellijk opgeheven. Wanneer de explosie ten einde loopt en een vlieden wordt, blijft er, nu vrij van de materie, in het centrum van het Al een bewustzijn achter. Dit bewustzijn kunnen wij moeilijk omschrijven. Wij kunnen er natuurlijk wel iets over vertellen, maar veel zin heeft dit niet.

Wat je zelf maar half begrijpt, kun je aan anderen toch niet waarlijk duidelijk maken. Laat ons daarom heel rustig stellen: In den beginne was er een begrip, dat zich kon uiten. Waarmede wij bij de bijbel terecht zijn gekomen: “In den beginne was het Woord. Het Woord was uit God, en het Woord was God.” Dit woord had een naam. Deze naam bestond uit alle trillingen en stralingen, die bij de explosie waren voor gekomen.

De geheime grote Godsnaam geeft zo a.h.w. alle mogelijke structuur weer en omvat alle mogelijke trillingen, trilling verhoudingen, stralingen en stralingsverhoudingen, die ooit voor zullen komen. Deze heeft men geuit door namelijk – naast vele andere namen – deze God Brahma te noemen, wat de vraag doet rijzen, waarom ook het veelgodendom werkt met één God, waaruit alle andere goden zijn voortgekomen, wiens aangezichten andere goden schijnen te zijn in de ogen der mensen.

Naar ik meen, kan dit als volgt worden gesteld. Er is een Kracht, die alles heeft geleid in de voortbrenging. Maar het is logisch, dat deze voortbrenging gelijktijdig een voortdurende verandering inhoudt. Volgens de menselijke waarneming hebben wij dan ook te maken met het scheppend project, het vormend project en het vervormend project. Drie verschillende waarden, een soort drie-eenheid eigenlijk, die allen in hetzelfde middelpunt van alle dingen schijnen te rusten.

Laat ons nu eerst terugkeren tot de wereld der sterren. Wanneer u een kaart zou kunnen maken van het Al, die niet gecentreerd zou zijn op de aarde, zou het volgende opvallen: de sterrennevels groeperen zich in een wat ruwe cirkel rond een gezamenlijk middelpunt, waarin “niets” is. Dit “niets” is voor dit Al de bron van alles. Stel, dat deze bron van Al een gedachte heeft uitgezonden op het ogenblik van de explosie. Het “Woord”. Dit woord vond een weerkaatsing. Wij kunnen ons deze oeruiting – of Godsnaam – voorstellen als iets, wat uit moet gaan door geheel het Al, waarbij alles, wat door deze Kracht beroerd wordt, zich vormt tot iets, dat geheel afgescheiden is van de rest van het Al: Een ik, een afzonderlijk leven is daardoor weer geboren. Dit alles ligt nog steeds op kosmische schaal. Het leven, waarmede wij nu te maken hebben, is het leven van een sterrennevel. Daarin heerst vanaf dit ogenblik dus weer een levende kracht. Maar de “Godsnaam”, die hier regeert, is ongetwijfeld kleiner dan de oorspronkelijke, zij omvat een beperkte reeks van klanken, trillingen of stralingen. Wij zien dan ook vaak, dat godsnamen, naarmate de “goden” dichter bij ons komen te staan, eenvoudiger worden, maar in woorden meer eenzijdig en meer samengesteld worden geuit.

Het ik van de sterrennevel uit zich in een werveling, waarbij zij vanuit zichzelf begint voor te brengen, “in” zich is misschien vanuit menselijk standpunt hier juister. Wij kunnen ons dit voorstellen als een soort geboorte door parthenogenesis, want in het geheel van de nevel ontstaat een snellere en materieel steeds dichter wordende werveling, welke zich beweegt vanuit het middelpunt naar de rand van de nevel. Hierdoor wijzigen zich de condities – zeg maar afkoeling plus een verschuiving van magnetische invloeden, ofschoon dit weer niet volledig en geheel juist is. Zo ontstaat een ster. Een deel van het bewustzijn van de nevel bestaat in de ster, nu afgezonderd van het geheel, zoals een cel in het lichaam een zeker bewustzijn, een reactievermogen bezit, dat van het totaal bewustzijn van het lichaam afgescheiden is en de functie van de cel binnen het geheel bepalen zal.

Een zon kan echter wederom voortbrengen. De naam, de waarde van het sterren-ik, zal een deel van de naam van de nevel of een verkleining van de naam van de nevel zijn. Deze ster is voor ons ook weer een bron van leven, wanneer wij behoren tot een van de planeten, die door deze zon worden voortgebracht.

Een ster is een wezen dat onder zekere condities een soort parthenogenesis kent. U zou het waarschijnlijk een eruptie noemen, maar het is in wezen, volgens de tijdschaal van de ster een vormen in zich, en een uitwerpen van zich, van delen materie, die in een baan rond de ster kunnen blijven draaien. Een aarde heeft dus haar primaire eigenschappen te danken aan de zon.

Er zijn ook in dit Al dus bepaalde planeten, die hun invloed en planeten aan een andere zon dan de uwe te danken hebben; zelfs in uw eigen zonnestelsel zijn planeten, die hun eigenschappen ten dele danken aan een andere zon dan de uwe. Er is dan sprake van een ster, die de uwe zo kortbij passeerde, dat door wederzijdse inwerkingen bij beiden een uitstulping ontstond, die misschien zelfs een kort koord werd, een verbinding, die onmiddellijk weer verbroken werd. Het resultaat was een soort zweepslag, waarbij delen materie zich in afzonderlijke banen begonnen te bewegen in banen rond de ster, die hen had voortgebracht en door haar zwaarte- kracht aan zich bond.

Deze stukken materie bewegen zich in banen die bepaald worden door hun plaats in deze “zweep” plus hun massa. De aarde is daarom voor de mensen de eerste bron van leven, van bestaan. Omdat de aarde, zoals alle planeten, haar levenskracht in zichzelf besloten heeft – in tegenstelling met een ster of zon, die een deel van zijn krachten voortdurend van zich uitstraalt – hebben wij hier niet te maken met de mogelijkheid, dat leven alleen uit de aarde ontstaat. Er is een samenwerking noodzakelijk. De aarde kan niet zonder meer van zich een deel afzonderen en zeggen: Leef! Zij heeft hierdoor de invloed, de sterke stralingen van de zon nodig, vooral de voor haar zelf belangrijke magnetische radiaties en stormachtige uitstralingen. De aarde geeft weliswaar de materie en schept de mogelijkheid tot leven, maar voor het werkelijk tot leven komen is de inwerking van de zon noodzakelijk. Dit verklaart de oude voorstellingen, waarbij men pleegt te spreken over de aarde als moeder, over de zon als vader. Een beeld, dat aanvaardbaar is en ons heel wat dichter bij huis brengt bij ons zoeken naar de bron des levens.

Zeker, de werkelijke bron ligt ver weg. Zo ver, dat wij deze bron zelf niet eens meer kunnen beseffen. Maar de bron waaruit het leven hier op aarde bestaat, kennen wij wel. Toch blijft nog een vraag open: Waar komt de bezieling van het leven vandaan? Want wij kunnen ons voorstellen, dat door zuiver materiële invloeden en inwerkingen een materieel beeld van leven ontstaat.

De mens is voor een groot deel materieel leven. Maar er is nog iets meer. Een ietsje meer van sentiëntie, van groepsbewustzijn, dat niet meer kan worden verklaard aan de hand van erfelijkheid, scholing en vorming door milieu en dergelijke? Dit ietsje meer noemen wij de ziel.

Wij komen bij een overwegen van het optreden van deze ziel tot de conclusie, dat ook het leven op aarde niet kan ontstaan door twee krachten of ouders. Wij hebben te raken met ten minste drie krachten. De derde kracht, welke geestelijke waarden schept, hoeft niet tot dit heelal te behoren. Zelfs de daaruit mogelijke invloed op de fijnste materie betekent niet, dat deze kracht aan dít heelal gebonden hoeft te zijn.

U vindt het moeilijk? Zeg dan maar, dat de gebakdoos nu opengeslagen is en daarin enkele gebakjes staan. Er ontbreekt iets aan: Zij hebben niet de noodzakelijke sier. Nu komt er, van buiten de ruimte in de doos, een hand, die op elk gebakje een stukje garni gooit: Hier een suikerviooltje, daar een paar stukjes glimmer, daar een pil, en de gebakjes zijn “af”.

Wij, kunnen de bron van de ziel – oneerbiedig en niet geheel juist – zo-even “garni” genoemd, vanuit onze wereld wel nagaan. Wij weten, dat in onze wereld geen begrenzingen bestaan als in die van u. U leeft in een wereld van ruimtelijke begrenzingen. Wij leven in een wereld, waarin het wel mogelijk is een stoffelijke vorm te veroorzaken – denk hierbij aan materialisaties, maar ook aan de mogelijkheden in de astrale werelden – zonder dat deze vorm op zich voor ons bestaan noodzakelijk is. Gaan wij door onze eigen werelden in een richting, die tegengesteld is aan vorm en materie, dan komen wij aan een soort grens, die voor ons een volledige intensiteit van straling inhoudt en wel het verblindende Licht of het Grote Licht wordt genoemd. Van hieruit, dat is duidelijk kenbaar voor ons, komt de bron der bezieling. Van hieruit is volgens ons de bezielende werking geschapen. Sedertdien bestaat deze waarde in de verschillende vlakken van bestaan, die wij sferen noemen, maar die u vaak hemel, voorgeborchte, vagevuur, hel en dergelijke noemt. Waarom nu is deze grens, deze straling, voor ons verblindend? Daarin ligt volgens mij namelijk een groot deel van het raadsel, dat leven wordt genoemd. Het antwoord luidt: Omdat deze straling meer bevat, dan wij bevatten kunnen. Het verblindende Licht omvat een zo grote verscheidenheid van trillingen, dat wij ook hier kunnen spreken van een Godsnaam.

Is de “Naam” van dit Licht nu geheel gelijk aan de “naam” van de kern van het heelal? Zeker ben ik hiervan niet, maar toch meen ik te mogen veronderstellen, dat dit ledige nog meer omvat dan ons Licht. Daarom neem ik aan, dat wij hier te maken hebben met een entiteit, die bezielend werkt voor de nebula, voor het melkwegstelsel. Dan kan ik zeggen: De oorspronkelijke gedachte – of de eerste Kracht, het eerste woord in onze schepping – omvatte alle dingen. Het omvatte de materie in al haar vormen, de tijd en ruimtelijke bepalingen in elke richting en volgens elke mogelijkheid, en daarnaast elke vorm van Zijn en Niet-zijn. Dus: Zowel wat voor ons niet bestaat als wel bestaat, was in de eerste Oorzaak aanwezig. Ook leven. Een entiteit was dit, die zo groot was, dat zij vanuit zich het scheppende spel der materie kon omvangen, had de mogelijkheid, leven te vinden.

Het nu volgende is een veronderstelling; weten doen wij ook niet alles.

Wij nemen aan, dat tussen de grote krachten, die een gehele sterrennevel regeren en bezielen, deze Grote Namen, die oneindige reeksen van trillingen en stralingen omvatten, net als bij een aarde en een zon, soms reageren op hun oorspronkelijke bron. Wij zijn door studie namelijk tot de conclusie gekomen, dat het Al niet voortdurend blijft uitdijen. Er komt een ogenblik, dat het vliedend Al terugkeert op zichzelf, dat wat zich verwijderde van elkaar, elkander weer nader komt.

Zover wij na kunnen nagaan kan men dan ook beter spreken van een pulserend Al. Het schijnt, dat in de ogenblikken dat sterrennevels contact krijgen of opnemen met de oerkracht, in het lege middelpunt van het Al, een eigenaardige verandering in hun wezen plaats vindt. Wij zien namelijk vanaf een dergelijk ogenblik een vormverandering optreden.

Zo kan het gebeuren, dat een nebula, die ongevormd is, opeens een spiraalbeweging gaat vertonen en daarbij een specifiek aantal van spiraalarmen ontwikkelt. Niet elke nevel heeft namelijk een gelijk aantal van dergelijke spiraalarmen. Er zijn nevels, die 4 of 6, maar ook, die honderden spiraalarmen uitwerpen. U leeft hier met uw zon in een spiraalarm van het melkwegstelsel en dan nog betrekkelijk dicht aan het einde daarvan. Verder zie je, dat de vormverhouding van een nebula zich wijzigt onder de genoemde verbinding met de kern van het Al. Een vorm die in de lengte getrokken wordt, blijkt af te platten. Het schijnt dat oudere spiraalnevels zoeken naar een bolvorm, daarbij uitgaande van een oplopende spiraal – denk aan een tuitzakje – komende tot een plattere vorm, waarbij een gevuld middelpunt ontstaat, waarin zeer vele sterren in korte tijd ontstaan, vandaar de dichte bezetting van het middelpunt van bijvoorbeeld de Melkweg. De spiraalvorm wordt hierbij zover samengedrukt dat zij een diskusvorm lijkt te hebben. Daarbuiten blijven echter vele armen bestaan. Later ondergaat het middelpunt weer een uitzetting, waarbij de spreiding plaats vindt in de richting, waarin de minste sterren staan. Wij menen dan ook, dat de ideale vorm de bolvorm is. Verder geloven wij dat, op het ogenblik, dat zo een verandering plaats vindt iets van de oorspronkelijke Kracht van de eerste gedachte, het woord dat was voor al het andere, doordringt in de sterrennevel.

Van hieruit gaat deze Kracht in een erratische straling door de nebula, waarbij sommige, maar niet alle sterren, worden getroffen. Deze sterren komen tot een werking, een explosie, terwijl bij zo een ster een aantal in zich besloten delen van deze kracht ontstaan, die wij sporen van bewustzijn zouden kunnen noemen. Deze sporen komen in contact met en verbinding met de materie, groeien als het ware op en worden een meer beheerst en zichzelf kennend bewustzijn.

Is het bewustzijn volledig, evenwichtig en groot genoeg, dan verlaten deze sporen van bewustzijn door de binding met de materie en gaan optreden als richtende en geleidende krachten voor nieuwe of oude stoffelijke vormen. Dit zou inhouden, dat voor één bepaalde wereld het aantal zielen praktisch gelijk blijft. Wij nemen daarbij verder aan, dat sommige sporen van bewustzijn in staat zijn, na zekere tijd een contact te maken met andere sterren, waartoe zij door bewuste vorm en wezen zich meer aangetrokken gevoelen. Het geestelijk punt van zwaartekracht schijnt voor hen opeens te veranderen.

Ik ben mij er van bewust, dat dit alles nogal ingewikkeld is. Toch is het wel eens goed over deze stellingen en mogelijkheden na te denken. Anders heeft men het zo gemakkelijk met: “God heeft alle dingen geschapen.” Maar die God is dan zo tegenstrijdig. U kunt deze God zelfs in zijn uitingen nooit begrijpen. Hij is zo eigenaardig, zo vreemd. Vandaag geeft Hij ons alles in zijn Liefde, maar morgen neemt Hij ons alles af, ook weer in zijn Liefde. Tenminste, zo stellen de eenvoudigen dit. Maar een nadenkend mens zal zich toch wel af gaan vragen: Hoe zit dat nu? Er is geven en nemen. Vandaag geeft God je het leven, morgen laat hij je dood vallen. Vandaag geeft Hij de mens het aards paradijs, morgen jaagt Hij hem eruit. Zelfs wanneer dit buiten beschouwing blijft, zal men zich nog steeds weer af gaan vragen: “Waarom God dit toelaat?”

Begrijp je echter, hoe de relatie eigenlijk is tussen God en ons bestaan, dan komen wij tot de conclusie, dat ons leven – en alles wat daarmede gebonden schijnt te zijn – het gevolg is van de reactie van de entiteit van een spiraalnevel op het onbekende middelpunt, waarin de werkelijke Kracht van het Al schuilt. Van daaruit ontstaat immers een bewustzijn, dat zich bij de ster, waartoe het behoort, op planeten, of misschien zelfs in de zon zelf, een lichaam verschaft, dat door die zon niet geheel beheerst wordt.

Ik meen, dat u dit eens moet overdenken. Er is wel een God, die het Al beheerst, maar deze is de bron van het grote geheel. Zodra wij dichterbij komen, zijn er grotere krachten die voor ons nog steeds God zijn, maar niet meer het geheel beheersen en niet meer het ontstaan en vormen van het leven en de bezielende krachten zelf beheersen. Het leven, de bezieling, is er reeds en kan door hen dus niet geheel worden geleid en gevormd volgens eigen idee, terwijl zij dit eveneens niet kunnen vernietigen. Zij kunnen alleen maar hopen, dat het zich zal vormen op de juiste manier. Dat ster en planeet samen de voertuigen verschaffen, waarin het bewustzijn zich kan openbaren en kan leren, is heel mooi. Maar de Kracht zelf, de ziel met al haar eigenschappen, is er reeds. De ster kan de ziel dus niet vormen, maar kan alleen een huis bouwen, waarin de ziel zich gaarne voor enige tijd zal hechten.

Zo wordt duidelijk, dat er zelfs een strijdigheid kan bestaan vanuit ons standpunt, tussen de bron van alle leven en de “goden”, die ons leven beheersen, onze wereld regeren. Deze strijdigheid is geen toeval. Zij is noodzakelijk, omdat in de eenzijdigheid van de gevormde entiteit van een ster enz. de sporen van bewustzijn, de zielen de mogelijkheid hebben, terug te keren tot het middelpunt van het Al. Zij kunnen dus weten, wat dit middelpunt, deze Kracht, in wezen is en zouden daaraan zelfs gelijk kunnen zijn.

Eenvoudig gezegd: Wanneer een leven lang genoeg heeft voortgeduurd, en de ziel heeft zich voldoende ontwikkeld, omvat zij het totaal van alle stralingen en trillingen, die gezamenlijk de grote geheime Naam van de eerste in het Al werkende Kracht, de scheppende God, uitmaken. Op dat ogenblik heeft het ik van de “mens” een zekere gelijkheid daarmede verkregen, buiten de oorsprong dan.

De bijbel vertelt ons reeds, dat sommige engelen vertoornd waren, omdat God iets wilde scheppen, dat meer kon worden dan zij waren. In de termen van mijn betoog zou dit betekenen, dat er iets in de schepping was, dat niet zijn naam gekregen had, maar zichzelf een naam kon vormen. Ik weet niet, hoever men in de oude tijd reeds in deze problemen is doorgedrongen.

Voor mij is het echter veelbetekenend, dat men de eerste mens Adam noemt. Aarde, maar ook: Adem, leven. De onbekende God is leven, de mens is leven. Dit is de verwantschap. Leven kan alles omvatten, wanneer het vanuit zich verder kan groeien.

Nu zien wij eens naar de hindoegeschriften of desnoods zelfs naar de romans, die daarover werden geschreven, zoals “Asoka, de koning.”

Wij treffen hier een Al, dat dooft, waarin echter één enkel wezen zijn bewustzijn zóver doorzet, dat het weigert te doven, maar tot zichzelf zegt: “Ik wil scheppen”. Deze eenheid blijft dan een Licht, en soort ster, die niet uitgedoofd wordt, maar vanuit zichzelf een geheel Al creëert. Een gelijkheid wordt hier dus gesteld tussen het scheppende middelpunt van alle dingen en de mens.

Zo gezien wordt de bron van alle leven voor ons duidelijker. Wij zijn als geschapen Ik, dat zichzelf ontwikkelen kan en niet in een vast kader, op een vaste plaats is gesteld door de scheppingswil, door de Schepper zelf, meer dan de goden, die wij zien in de sterren, of alles wat ooit door mensen God genoemd werd. Want wij zijn wezens, die kunnen groeien tot eenheid met, en gelijkheid aan het hoogste, dat wij in dit Al kennen, de anderen kunnen dit echter niet. Zij bestaan krachtens de trilling, die in hen werd gelegd. Wij echter bestaan krachtens de trilling, die wij in onszelf wekken. Daarin ligt het belangrijke verschil: wij zijn geen goden en zullen het nooit worden in die zin, dat wij zonder meer tot ster worden. Wij zullen hoogstens een plaats innemen voor korte tijd en daaraan ons bewustzijn verder scherpen. Meer niet. Ons bewustzijn moet leren omvatten. Zodra wij dit kunnen doen met de betekenis van ons leven, zo leven wij in de kern van Al. Wij zijn dan als goden, maar meer dan zij ooit zullen kunnen worden in bewustzijn.

Dit alles klinkt rijkelijk ingewikkeld. Zeker. Maar het klinkt ook hoopvol en, wat meer is, schenkt ons zelfvertrouwen.

Wanneer het erop aankomt, zijn wij nu misschien nog niet zoveel waard, toch zijn wij gelijktijdig dat spoor van leven, dat, reizende door de ruimte, een planeet uiteindelijk bewoonbaar kan maken. Wij zijn het ene kleine vonkje dat toch in zich het Al kan omvatten. Wij zijn in wezen, in potentie, meer dan alle hoge krachten, waartoe mensen zich plegen te wenden.

Zo wij al de krachten van deze anderen ontvangen en ondergaan, zo is dit nimmer, omdat wij gedwongen hun slaven zijn, nooit omdat zij ons kunnen binden, maar alleen omdat wij onszelf bonden aan hen. Zeker, in het begin is onze wil zeer gering geweest. Wij hebben de eerste bindingen gevonden en ondergaan, voor wij goed konden beseffen, wat zij betekenden. Eenmaal in een bepaald verband levende, ons gebonden hebbende aan een bepaalde straal, een bepaalde kracht, zullen wij deze weg voort moeten zetten, dat is ongetwijfeld waar. Maar wanneer wij de weg eenmaal ten einde gegaan zijn, wanneer wij voldoende hebben geleerd, ligt weer het gehele Al voor ons open. De bron van de kracht, waarin wij leven, de straal, die onze incarnaties en alles voorlopig bepaalt, blijft zichzelf gelijk. Wij echter kunnen groeien, wij worden tot meer.

Voor mij is dit de werkelijke blijde boodschap. Binnenkort komt weer het kerstfeest. Dan zullen de mensen weer roepen: God is op aarde geboren. Zeker, God is op aarde geboren: in ons allen. Wanneer wij ons daarvan bewust zijn, geschiedt dit steeds weer, elk ogenblik dat wij verder kunnen grijpen dan alleen ons uiterlijk bestaan, het ogenblik, dat wij iets meer kunnen worden, dat wij groeien kunnen. Dan openbaart zich in ons iets van de grote werkelijkheid, zijn wij dichter gekomen bij de Grote Bron. Steeds dichter en steeds sterker zullen wij de Grote Bron ervaren en weten wij onszelf daarmee verbonden. Wanneer wij alles ontleden mag Jezus misschien in de eerste plaats een representant van de zon geweest zijn, van de grote krachten die daarmede gepaard gaan en de grote geesten, die de schepping op deze aarde mede geleid hebben door rassen te vormen en vaste landen te boetseren, die het leven in de zeeën hebben geleid ook.

Maar wij kunnen meer zijn. Jezus heeft hierop ook gewezen: Dit is de macht, die in onszelf ligt. Wij zijn voortgekomen uit een onmetelijke bron, waarvan wij maar een heel vaag bewustzijn kunnen kweken op dit ogenblik. Maar deze bron leeft in ons. In ons ligt elke mogelijkheid, die in de bron zelf ligt, buiten dat ene: ons ontstaan. Dit laatste kunnen wij zelf immers niet bepalen.

Maar verder, wat betreft kracht, recht, begrip, beheersing, erkennen van tijd en ruimte in ware gedaante, zijn wij aan onze bron gelijk in ons innerlijk en kunnen ons bewust worden van dit alles.

In ons schuilt het geheim. Het is het oude lied: “Het Koninkrijk Gods ligt in u”. Misschien begint u nu te begrijpen, waarover het gaat: De bron van leven is niet het levenswater, waarnaar sommigen, zoals Ponce de Leon zo wanhopig hebben gezocht; het is geen bron in een verloren paradijs, maar een kracht in onszelf. Een ‘nietige spore’ van leven maar. Maar een niet te vernietigen, een niet te beheersen spore van leven, die misschien terug kan keren tot haar bron, maar gelijktijdig in bewustzijn en leven deze bron kan evenaren.

Wij zullen nooit op de plaats van God kunnen of willen zitten. Wanneer wij eenmaal groeien naar een begrip van zijn wezen, een kennen van zijn geheime naam, zullen wij daaraan geen behoefte meer hebben. Ook wat lagere goden betreft, zullen wij deze behoefte minder kennen, naarmate wij ons meer van onszelf bewust zijn. Wij weten immers, dat wij verder kunnen. Wanneer ons wordt verteld, dat engelen zijn gevallen uit het Licht en duistere engelen zijn geworden, zo kan ik mij dit ergens wel begrijpen. Zij stonden aan hun limiet, zij konden niet verder. Het nieuwe leven, hoe nietig ook, zou hen voorbij kunnen streven. Als trots, de behoefte om iets te zijn, deel uitmaakt van je wezen, is dit m.i. onuitstaanbaar. Als wij de bron van leven in ons dragen, dragen wij in onszelf tevens de bron van alle sferen.

Daarmede wil ik dan mijn inleiding af gaan ronden.

In de sferen blijkt, dat het ik met zijn voorstellingsvermogen de wereld bepaalt waarin het leeft.

Het is dus niet zo, dat in de geest een wereld zal bepalen, hoe wij leven of kunnen leven. Wij zijn het die bepalen hoe wij onze wereld zullen beleven en zelfs, in welke wereld wij leven. Wij zijn geheel vrij. In ons is de Kracht, die voortbrengt. Het geestelijk leven is in verhouding tot het materieel bestaan van een menselijk ego, over het algemeen een veel langere periode, indien wij de persoonlijke tijd nemen, die wordt uitgedrukt in ervaring. In menselijke tijd is moeilijk een vaste norm te bepalen. Dan mag ik ook stellen, dat wij voortdurend terugkeren tot de materie, tot een samenwerking, in wie een deel van de grote God leeft, die een deel zijn van de Goddelijke Naam, om deze Naam te leren kennen.

Daarna keren wij terug in de sferen om te worstelen met onszelf tot wij deze gevonden waarden van de Grote Naam kunnen spreken en wetende in onszelf kunnen dragen. Ik geloof, dat de hindoe dus, zeker vanuit het standpunt van hen die leven in de sferen, wel heel juist heeft gezegd, toen hij stelde, dat Brahman, de nooit geziene, uit zich Brahma voortbrengt, en dat uit Brahma alle goden geboren werden. Wij zijn nu misschien nog onderdanen van de Goden.

Wanneer wij echter groeien in onszelf, kunnen wij hun meerderen zijn. De bron van leven is de eeuwige spore van levende Kracht, die in ons bestaat. Daarmede kunnen wij alle materie levend maken, daarmede kunnen wij alle materie en kracht beheersen, indien wij maar weten, wat de naam is, de vibratie, waarop de spore van leven in ons zal antwoorden.

Daarmede heb ik, vrienden, dit ingewikkelde onderwerp in redelijk korte tijd en naar ik meen nog niets eens zo heel onvolledig voor u behandeld. Voor sommigen van u, daarvan ben ik overtuigd, zal de vraag zo dadelijk zijn: “Ja maar, hoe zat dat nu ook al weer?” Ik neem u dit niet kwalijk. Mij ging het hier om enkele grond ideeën, die een ieder voor zich uit het onderwerp kan nemen.

Wanneer uw begrip van God een begrip is geworden voor de waarde, die u in uzelf moet vinden, een Godsnaam a.h.w., die in u leeft, zijn wij al heel ver gevorderd.

Vragen.

  • Heeft Jezus niet gezegd: “Gij zijt Goden”?

Niet letterlijk: “gij zijt als Goden”, wat toch weer iets anders is. Wel is er een uitspraak, die sterk in deze richting wijst. Hij heeft n.l. gezegd: “Indien gij bewust zijt van de kracht in u, zo zijt gij als goden. En ik zeg u: Zo gij roept met de stem, die in u leeft, zo zal de Vader u horen en gij zult de macht kennen van Zijn werken.” Deze spreuk staat vermeld in een apocrief geschrift, dat wordt toegeschreven aan de apostel Bartholomeus. Gezien Jezus verdere prediking acht ik het zeer waarschijnlijk, dat Hij dit inderdaad zo gezegd heeft.

  • Ik dacht, dat boosheid een genot was, omdat het gewenste zich niet realiseert. Bij de engelen was de krachtverhouding gefixeerd, omdat er geen ontwikkeling was. Konden zij dan wel kwaad zijn omdat de mens zich ontwikkelt? Kennen engelen dan vrees?

Kwaad worden? Ik meen, dat u dit wel wat verkeerd stelt. Wij kunnen in de eerste plaats dit verschijnsel al niet benaderen vanuit een menselijke psychologie.

Wanneer een engel zich, vanuit zijn gefixeerde vermogens, realiseert, dat er krachten zijn, die hem gelijk kunnen komen of hem voorbij kunnen streven, zo kan deze zich daarover verheugen.

Hij kan immers zeggen: “Ziet, dit is mede mijn werk, dat is geslaagd”. Maar er kan evengoed een engel zijn, die vanuit zijn standpunt stelt: “Mijn taak en dus mijn verlangen is het de God te zijn van degenen, die onder mij staan. Ik wil daarom niet de dienaar worden van hen, die eens mijn onderdanen waren en mij nu voorbijstreven.” Er is bij engelen namelijk wel degelijk sprake van een persoonlijke benadering van problemen, waarbij eigen plaats in en eigen standpunt t.a.v. het Al belangrijk wordt. De engel is in zijn taak, vermogen en wezen gefixeerd, binnen een bepaalde trilling, zoals u zelf opmerkte. Hij kan dus niet door zelf te streven voorkomen, dat anderen ongewenst zijn meester zouden kunnen worden, zijn meerdere. Zelfs kan een engel onder omstandigheden in het wezen van iemand, die hem voorbijstreeft, als een vaste en gelijkblijvende waarde worden opgenomen.

Naar ik meen, dienen wij dus de vraag als volgt te formuleren: Zijn er engelen, die, gezien hun vastgelegde waarden, en mogelijkheden, angst hebben hun persoonlijkheid en mogelijkheden te verliezen aan anderen, die wel verder kunnen streven? Ik meen deze vraag met een ja te mogen beantwoorden. Volgens mij zal ook dit in de bedoeling van de schepping liggen, want wanneer een schepping plaats vindt en daarbij een fixatie van bepaalde vermogens, zal het geheel afgerond moeten zijn, d.w.z. dat alles dus ook in tegendelen en tegenstellingen geuit wordt. Ook onder de engelen zouden dus alle mogelijke eigenschappen of “karakters” dus vertegenwoordigd moeten zijn.

De mens, die vanuit zich de engelen benadert, beseft, naar ik meen, te weinig, dat elk van hen ook een facet is van het Goddelijke zelf. Juist omdat de engel een gefixeerd bewustzijn en gefixeerde vermogens heeft, is hij een kenbaar en volledig geuit facet van de goddelijke kracht, terwijl wij – die groeien – weliswaar facetten van deze Goddelijke Kracht kunnen tonen, maar daarbij niet gebonden zijn aan een en hetzelfde karakter, verschijnsel enz. Dat dit alles tot gevolg heeft gehad, dat er onder de engelen bij een oordelen vanuit ons standpunt engelen van Licht en engelen van duisternis zijn geweest, is volgens mij niet te loochenen.

Ik neem niet aan, dat de engelen der duisternis zich zo vreemd of dom zullen gedragen, als men op aarde wel pleegt te zeggen. Ik kan mij niet voorstellen, dat een engel met een mens om zijn ziel zou gaan zitten dobbelen. Wie bereid is om zijn ziel te dobbelen, zou een duistere engel, reeds zonder dit, in zijn macht hebben. Waarom dan nog het dobbelen? Kort en goed: Gezien het voorgaande is een verzet van engelen tegen de ontwikkeling van bepaalde wezens wel degelijk mogelijk.

  • Wanneer engelen gefixeerd zijn, hoe moeten zij zich dan realiseren, dat zij voorbijgestreefd, of zelfs in het wezen van anderen opgenomen kunnen worden?

Ik meen, dat zij dit bewustzijn verwerven door het feit, dat zij ergens ook in bewustzijn gebonden blijven met de kracht, waaruit zij beslaan: God dus. Voor ons is dit in veel mindere mate het geval. Maar een engel streeft zelf niet en dient dus voortdurend deel te blijven van het hem voortbrengend en fixerende bewustzijn. Hij heeft dus geen ego, zoals wij dit bezitten. In menselijker termen kunnen wij wijzen op de bijbel, waaruit wij, gezien hetgeen in genesis vermeld wordt, kunnen afleiden, dat God tot de engelen “zeide”, dat Hij zich voornam de mens te scheppen. Het goddelijke voornemen, de actie en zijn mogelijke of feitelijke consequenties was dus bekend bij de engelen. Dit vloeit overigens reeds onmiddellijk voort uit contact met de bron voor deze kosmos, wat voor hun bestaan en wezen bepalend is.

  • In het tijdloze is ons ego het begin, het einde en het verloop van de evolutie van de monade. Is dit ook niet het geval voor alles, wat bestaat, ook voor die wezens, die u goden hebt genoemd?

Dit is een wat lastige vraag, dat geef ik eerlijk toe. Ik meen echter, dat u het enigszins anders moet zien.

Wanneer een bewustzijn zelfstandig bestaat kan het worden uitgedrukt als een cirkelgang, waarbij het zich bewegen langs de cirkel van de voor het Ik bestemde mogelijkheden de tijd wordt, maar in het tijdloze het geheel voortdurend bestaat. Wanneer ik echter iemand heb, die gefixeerd is in zijn bestaan en mogelijkheden, beweegt hij zich niet. De engel of God beweegt zich niet, hij uit zich. De engel of god is in wezen dus praktisch tijdloos. Als zodanig heeft hij niet de mogelijkheid om tot een realisatie te komen. Hij heeft ook niet het vermogen elke fase van zijn bestaan en wezen afzonderlijk te ondergaan en zo de opbouw van eigen wezen en uit eigen streven geheel te leren kennen. Hij kent het eigen ik – ongeacht de verschijningsvormen, waaronder de engel of god voor ons dus verschijnt – zichzelf alleen uit het beeld, dat hij van dit ik vanuit het goddelijke ontvangt. Daarmede zouden wij het anders moeten stellen en zeggen, dat de mens – of dat wat nu mens is – in het tijdloze begin, einde en uitdrukking van de volmaaktheid is. Engelen echter zijn dit niet persoonlijk, maar slechts in hun geheel, zodat alle engelen tezamen met hun verschillende functies ook een dergelijke cirkel uitdrukken en ook een volmaaktheid vormen, terwijl elk van hen slechts een punt is in die cirkel op dezelfde wijze als een beleving, een moment van bestaan, in onze cirkel een punt is.

  • Er zijn toch ook wezens, die nimmer in de stof als mens geleefd hebben en toch tot een bewustzijn van de schepper komen, zodat zij zonder een volgen van de stoffelijke weg in God op kunnen gaan?

Het gestelde is alleen dan juist, wanneer men mens gebruikt als definitie voor degenen, die op deze wereld in menselijke vorm leven, onder de op deze wereld als menselijk beschouwde en betitelde verhoudingen. Ik kan u echter garanderen, dat bewustwording ook buiten dit aards-menselijke bestaan mogelijk is. Maar zij is nimmer mogelijk zonder een wisselwerking tussen stof en geest, Dit schijnt – al weet ik niet precies waarom – noodzakelijk te zijn.

Men kan dus klaarblijkelijk niet alleen geestelijk bereiken, maar moet wel degelijk een confrontatie doormaken met de materie.

Ook dit wordt duidelijk, wanneer wij stellen, dat het Al, vanuit de eerste bron, die ik heb aangeduid als een punt, dat het niet schijnt te zijn, maar tevens het middelpunt vormt van deze kosmos, geest en stof beiden zijn uitgegaan, zal men, om tot een erkenning te komen van de totale waarde van dit “niet”, dit middelpunt en zijn krachten, zowel geest als stof gekend en beleefd zijn.

Ik meen dus, dat deze stelling onjuist is, wanneer men als mens alleen degenen beschouwt, die als mens leven op deze aarde. Indien men onder mens echter alles verstaat wat gedefinieerd kan worden als bewust levende en bewustwording vindende in stof en geest, zo deel hebbende aan alle werelden, zowel die van de geest als van de stof, kan men deze definitie, deze stelling, wel aanvaarden. Indien men echter stelt, dat een volledige bereiking alleen in en uit de geest onder meer mogelijk is, stel ik, dat dit niet juist is, omdat voor de bewustwordende het eerste Woord alleen van uit de volledige uiting, die stof en geest omvat – plus nog enkele andere punten – gekend en beleefd kan worden.

  • Zou het niet zo kunnen zijn, dat geest leert uit de differentiatie van de stof?

De geest leert hieruit ongetwijfeld. Mag ik echter een eenvoudig voorbeeld geven?

Een man leerde veel omtrent het koken van anderen. Hij las graag kookboeken en kon in gedachten de heerlijkste gerechten bereiden. Hij gold als groot kok, tot het ogenblik, dat, op een slechte dag, iemand niet in staat was om te koken. Als mogelijke kok bleef alleen hij over. Hij kookte dan ook. Maar zijn sauté de veau was in feite een soort leren zool, gedrenkt in iets zurigs, dat probeerde voor wijn door te gaan. De aardappelen waren geschroeide, ten dele zelfs verkoolde klontjes zetmeel die hardnekkig weigerden ook maar enige saus op te nemen, terwijl de groente eerder leek op het verwerkingsproduct van een geit dan op de fijne doperwten, waarvoor hij ze door wilde laten gaan. Waaruit wel blijkt, dat er ergens een verschil bestaat tussen theorie en praktijk. Het is juist door de praktijk, waarin wij ons de theorie waarlijk eigen maken en leren begrijpen, wat zij in feite betekent. U kunt alle armen der wereld gadeslaan en alle hongerigen der wereld gade slaan, alle theorieën omtrent deze verschijnselen kennen. Wanneer u echter nimmer arm, nimmer werkelijk hongerig geweest bent, zult u nimmer kunnen beseffen, wat dit werkelijk betekent. U zult dan de drijfveren van hongerigen en armen vanuit uw standpunt misschien redelijk kunnen verklaren, maar u zult nimmer de werkelijke drijfveren en motiveringen van armen en hongerigen geheel juist kunnen begrijpen, verwerken en uitdrukken.

Waarmede uw vraag beantwoord is: de praktijk is noodzakelijk, omdat zij de theorie tot waar deel van onze persoonlijke beleving maakt. Wat wij uit waarnemingen leren, verkrijgt eerst dan waarde, wanneer wij het aan ons zelf beproeven.

  • Heb ik u goed begrepen? Dan bestaat er voor de heersers van sterren en groepsgeesten niet de gelegenheid, om één met God te worden, zoals wel voor de mens mogelijk is. Dit voel ik aan als een onbegrijpelijke ongelijkheid en een beperking, die mij vreemd aandoet.

Groepsgeesten hebben deze mogelijkheid vaak wel, omdat zij in vele gevallen eerst zelf een ontwikkeling via de stof hebben doorgemaakt, voor zij als groeps- of rassengeest op gingen treden. Zij doen dit wel a.h.w. onder leiding van een bepaalde sterrengeest, maar toch als deel van een persoonlijk streven. Wij zouden kunnen zeggen, dat dit voor hen dan een soort praktijkoefening is, waardoor zij het innerlijke en door ervaring erkende tot uiting proberen te brengen.

Voor de sterrengeest ligt de zaak anders: Deze is voortdurend ergens met het goddelijke verbonden. Ik meen dan ook, dat in dit geval de mogelijkheid tot een juist vergelijk van waarden niet bestaat, daar u uit zult gaan van een menselijk standpunt. De ervaringsmogelijkheid van een sterrengeest ligt geheel anders dan die van de mens, maar is anderzijds zo rijk, dat ik een dergelijke geest, omdat zij de menselijke mogelijkheden tot bewustwording niet bezit, zeker niet armer dan een mens zou willen noemen. Wat u misschien kan helpen tot een beter begrip van de situatie is dit: een sterrengeest is een functie van de geest van zijn sterrennevel, terwijl deze op zijn beurt in wezen een functie is van de onbekende kracht in het Niet, de eerste oorzaak en bron van alle leven. Wij zijn echter geen functie van deze kracht, maar een uiting. Hierin ligt het verschil aan belevings- en uitingsmogelijkheden tussen beide groepen.

  • Is het niet de bedoeling van het menselijke leven zich tot een functie te ontwikkelen?

Ook dit is niet juist gesteld, wanneer u daarmede impliceert dat het optreden als een functie het einddoel van het menselijke leven is.

Laat ons het heel eenvoudig zo stellen: Wij zullen in onze bewustwording vele functies tijdelijk kunnen bekleden. Wij vervullen deze en zijn dus niet zelf functie. Dat gaat van loopjongen en jongste bediende tot directeur of desnoods tot minister-president. Maar het is niet ons doel een bepaalde functie blijvend uit te oefenen. Wij hebben de capaciteit ons vanuit elke functie naar een volgende te ontwikkelen. Op het ogenblik, dat onze potentiële mogelijkheden groter zijn dan de functie van het goddelijke, die wij op dit ogenblik uitdrukken, schieten wij tegenover onszelf en tegenover de kracht, die ons in stand houdt, te kort. Wanneer wij echter een wezen zien, dat alleen voor een bepaalde functie is geschapen, ligt de zaak anders. De vergelijking hinkt ergens, maar kan toch wel dienen. Een boekhoudmachine zal altijd een boekhoudmachine blijven, maar een boekhouder kan zich ontwikkelen tot een heel goede accountant.

  • Wanneer de engelen hun plafond reeds bereikt hebben, maar de mens alle mogelijkheden bezit, hoe is dit dan te rijmen met de goddelijke rechtvaardigheid? Wat is dan de mogelijkheid voor de z.g. gevallen engelen?

Het eerste deel van deze vraag heb ik feitelijk al beantwoord. Wat het tweede deel betreft, wil ik opmerken, dat een gevallen engel, die als functie van het geheel optreedt en zijn taak vervult, daarin ongetwijfeld gelukkig moet zijn. Als functie van het geheel blijft ook de “gevallen engel” verbonden met het goddelijke. Het is de mens, die niet kan begrijpen, dat twee geheel tegengestelde dingen, personen, bestrevingen, een eigen mogelijkheid, beleving en vreugde kunnen kennen.

Een mens zal bv. geneigd zijn om te stellen, dat de hond goed is en de wolf slecht. Toch zal de wolf op zijn wijze even gelukkig kunnen leven als de hond. Want in wezen zijn zij verwant, zodat zelfs hun vreugden en smarten ergens een overeenkomst vertonen. De hond is echter goed, omdat hij de mens dient, de wolf is kwaad omdat hij de mens schaadt of kan schaden. Zo is het nu ook ongeveer, met de goede en de gevallen engelen. De goede engel of god is voor ons een wezen, dat ons helpt en dient, de boze engel is een wezen, dat ons bestrijdt. Men stelt, dat dit altijd zo zal blijven. Maar is dit wel waar? Wij kunnen beter zeggen, dat de goede engel op dit, ogenblik in overeenstemming is met ons streven.

Zodra ons streven zich wijzigt, kan de goede engel voor ons tot een kwade engel worden, terwijl wij zelf menen verder te gaan op onze baan en in wezen alleen verder gaan langs het pad dat onze werkelijke bestemming is. De kwade engel zullen wij dan zien als een goede engel, omdat deze ons nu helpt verder te komen in begrip en meer te bereiken.

Nu weet ik wel, dat de mensen aan alle begrippen die een relativiteit stellen, een hekel hebben.

Zij zoeken nu eenmaal zekerheid. Maar een dergelijke zekerheid bestaat nu eenmaal niet. Goed en kwaad zijn waarden, die door de mens worden vastgesteld en niet door God – ook al tracht men steeds weer anderen diets te maken, dat de maatstaven niet uit de mens, maar uit God zelf komen. Iets, wat werkelijk kwaad – d.w.z. voor God niet aanvaardbaar – zou zijn, zou door Hem werkelijk niet geschapen zijn. Het feit alleen dat iets bestaat, betekent dus ook reeds, dat het ergens goed is, ook al blijkt dit laatste niet voor de mens en hen wier bewustzijn beperkt is. In het geheel echter zal het zijn zin en betekenis hebben. Wij zijn geneigd te zeggen, dat elke schaduw in een schilderwerk negatief is, zoals men eens deed, toen Rembrand van Rijn zijn eerste op lichtval gebaseerde schilderstukken maakte. Toen hij voor het eerst deze voor hem zo typische licht- donkerwerking gebruikte, zei zijn opdrachtgever tegen hem, dat hij geen goede schilder was: Zijn achtergronden zeiden niets, zij waren duister. Het licht sprak. Dat was wel mooi. Maar waarom nu niet alles in ditzelfde licht geschilderd? Naar men zegt, gaf van Rijn het antwoord! Degene, die alleen een dag kent en nimmer de nacht bezien had, is niet waardig een kunstwerk te bekritiseren.

Misschien moet ik u een soortgelijk antwoord geven: Licht en duister zijn samen leven. De bron van leven omvat alles dat tot het leven behoort en niet alleen maar die enkele aspecten, die de mens prettig vindt. De mens in zijn verwaandheid schijnt echter te menen, dat alles voor hem alleen bestaat, in plaats te begrijpen, dat hij, met een zekere vrijheid van beleven en werken, bestaat voor het leven. Daarom legt de mens eigen beperkte en kinderlijke en dwaze maatstaven aan van een heelal, waarvan hij zich in werkelijkheid niet eens een begrip kan vormen. Zo ontstaan deze eigenaardigheden.

  • Is het juist om te stellen, dat leven en bewust worden identiek zijn?

Vanuit menselijk oogpunt is leven reageren. Vanuit geestelijk standpunt is leven bewust zijn. In beide gevallen is bewustwording het proces, waardoor het leven geïntensifieerd wordt en zich voor het bewustzijn openbaart en in stand houdt.

U zult zich ongetwijfeld afgevraagd hebben, waarom ik dit onderwerp aan u voorlegde, wat dit alles voor u wel betekent. Ik weet, dat u in deze tijd onder vele verschillende invloeden staat. U heeft dit misschien reeds aan den lijve ervaren. Nu gaat de mens maar al te snel denken, dat deze invloeden voor hem bepalend zijn. In feite zijn dergelijke invloeden voor hem alleen bepalend, zoverre hijzelf dit toelaat. Want wij hebben heden gesproken over de bron des levens en daarbij tevens getracht de relatie tussen de mens en deze bron wat duidelijker te stellen. Daarbij zijn wij tot de conclusie gekomen, dat de mens vrij staat van enigerlei fixatie van krachten of door krachtsverhoudingen, en in zich het totaal van de trillingen, stralingen, werkingen en krachten, die het Groot-Goddelijk wordt, de Goddelijke Naam vormen, kan wekken, beseffen en gebruiken.

Dit wil zeggen, dat u nimmer de slaaf zult zijn van de krachten, die rond u werkzaam zijn, zonder uw eigen wil of willoosheid. Als mens bent u steeds vrij binnen de eens gekozen mogelijkheden eigen standpunt, eigen acties en reacties te bepalen. Zolang u daarbij beantwoordt aan de grondwaarden van uw wezen en gelijktijdig u realiseert, dat de Goddelijke Kracht in u bestaat, dat in u een van deze sporen van de bron des levens ligt, zult u in staat zijn, de omstandigheden te overmeesteren. Wanneer u echter in de overtuiging verkeert, dat u geregeerd wordt door de krachten en werkingen van de tijd, zult u daarvan de slaaf zijn en blijven. Wanneer u zich realiseert, dat de tijd úw slaaf is, zal zij u dienen. Zij zal u veel meer mogelijkheden bieden en uw leven op veel rijkere wijze gestalte geven.

Wanneer u meent, dat de versterking van de gedachtekracht, die op het ogenblik een zo grote rol speelt rond uw wereld, voor u betekenen moet dat u beïnvloed moet worden, zodat u uw gedachten alleen maar dient te vormen in overeenstemming met deze kracht, zult u deze kracht dienen. Daarmede dient u ongetwijfeld een goed en kosmisch plan. Maar op het ogenblik, dat u leert in uzelf de hoogste kracht te realiseren, kunt u ongeacht de krachten die optreden rond de gedachtewereld, uw gedachten met steeds gelijke werking en kracht vormen. De versterking van de gedachtekracht, die nu optreedt, zal dan door u teniet gedaan kunnen worden, wanneer u meent, dat dit een ongewenst effect zou hebben. Meent u, dat zij nuttig is, zo kunt u haar bewust gebruiken als een uitdrukking van uw eigen wezen.

In een tijd, waarin zo enorm veel invloeden het leven van de mens aan banden schijnen te leggen, is het weleens goed, dat men zich realiseert, hoe vrij men in wezen is, althans kan zijn.

Tijdens uw bestaan kunt u ongetwijfeld lijden tenzij u ook uw stof zover beheerst, dat u dit aspect van het stoffelijk bestaan kunt uitschakelen. Maar u kunt niet waarlijk sterven. Er kan niets met u of aan u geschieden, dat blijvend is, tenzij uzelf dit zo wilt maken. Alle invloeden rond u kunnen misschien tijdelijk een weerstand voor u vormen, waaruit u veel kunt leren. Maar zij kunnen uw leven niet werkelijk overheersen.

Bij het werken met grote krachten zijn wij al snel geneigd, de verantwoordelijkheid eveneens aan deze krachten toe te schrijven. Het is de Meester, die ons leidt, de Kracht, die ons regeert, de Grote Broederschap, die ons precies zal moeten zeggen, wat wij moeten doen en hoe. Daarmede is dan, naar men meent, de kous af… In woorden uitgedrukt klinkt dit misschien wel heel mooi. Maar in feite is het een verwerpen van uw erfdeel. Deze krachten bestaan voor de wereld, voor hen, die, nog niet voldoende bewustzijn bezitten, maar zodra in u iets begint te groeien van besef omtrent de eeuwigheid, wanneer u de bron des levens, die ook in u werkzaam is, leert beseffen als zijnde een geestelijke en materiële kracht, vermogen, dat in het gehele Al domineert, dan kunt u pas waarlijk uw rol in dit Al gaan spelen.

Wat hebben wij aan mensen, aan een wereld, die zich slaafs laat leiden als een hond, die aan een lijntje uitgelaten wordt? De hond, die deze leiding aanvaardt om op deze wijze de eeuwige zaligheid van een boom en een kluif te bereiken? Dat is dwaasheid. Nu zoveel, wordt gesproken over de krachten, die in deze tijd optreden, blijken er vele mensen te zijn, die zeggen: “O, als wij dit nu ondergaan, wat zijn wij dan uitverkoren! Wij zullen iets bereiken!”, maar zij denken er niet bij na, dat zij zouden moeten zeggen: “Ik kan, ik moet bereiken.” Zij overschatten soms zichzelf en stellen rustig: “Wanneer ikzelf faal, zal een ander mij de kracht wel geven”, maar vergeten daarbij, dat dit alleen waar is, wanneer er een zekere harmonie bestaat en eigen krachten waarlijk en geheel uitgeput zijn. Te menen, dat men de noodzakelijke krachten wel zo maar voor niets zal krijgen is onjuist. Men zal uiteindelijk toch alle krachten in zichzelf moeten vinden. Men zegt wel: De wetenschap zal mij door anderen gegeven worden. Het is mogelijk.

Maar wil zij waarlijk uw eigendom zijn, dan zult u ook deze eerst zelf moeten verwerken, haar werkelijk tot deel van uw wezen moeten maken. Dan echter zult u over deze kennis, deze krachten, gedurende uw gehele verdere cyclus van bestaan, altijd kunnen beschikken. Wij hebben de volgende week een steravond, een gebeurtenis, die, dat kan ik u wel verzekeren, voor ons in de geest nogal van belang is. Velen van ons zullen met u tezamen trachten iets van deze levende Kracht, iets van het hogere, te verwezenlijken.

Maar, vrienden, wanneer u ook daar niet leert mede te scheppen, wanneer u zelfs niet de bron des levens in uzelf wilt doen vloeien, wanneer u zelf de kracht van uw eigen wezen niet leert genereren, maar alleen maar absorbeert, wat wij u op deze avond trachten te geven, blijft u uiteindelijk zo arm.

Neen. Deze bijeenkomst dient in deze tijd vooral een uiting te worden van een gezamenlijk streven, waarin geest en stof samengaan, ook al is ons bewustzijn en onze status in het Al op het ogenblik misschien wat verschillend. Gezamenlijk streven, elk vanuit zich, met één doel, met één gedachte, is wel de meest juist benadering voor een bijeenkomst als deze. Zoals in het gehele leven. Dit betekent ook een oplossing voor de vele problemen van deze tijd, zowel de geestelijk als de meer stoffelijke.

De oplossing dient uiteindelijk voort te komen uit een besef van gelijkwaardigheid bewuste samenwerking, met alle krachten die er maar zijn. Een bewuste gerichtheid, een bewust richten en verwerken der krachten, die er zijn.

Daarom hebben wij u deze zware kluif vanavond gepresenteerd. Ik vind het alleen jammer, dat velen die andere meer sensationele en daarom misschien voor hen belangrijker onderwerpen plegen bij te wonen, op deze avond niet aanwezig zijn. Wij hopen alleen maar, dat ook zij ergens iets van dit alles zullen gaan begrijpen. Want elke tijd heeft zijn boodschap. De boodschap van deze laatste tijd is steeds meer geweest:

Krachten werken aan de wereld, maar uzelf dient de vernieuwing in uzelf te verwerkelijken.

Heden ben ik nog een stapje verder gegaan en heb gesteld: Indien gij wilt en teruggrijpt op de kracht die in u leeft, zijt gij de vernieuwing.

Het is uw begrip van de kracht en de macht, die in u ligt, die bepalend is voor deze tijd.

Dan mogen wij nu rustig vroom worden en mogen wij zeggen: God werkt voor ons allen.

Maar Hij zal slechts voor ons werken, indien wij werken voor God.

Wij kunnen stellen, dat God ons zegent. Maar wij kunnen zijn zegeningen alleen aanvaarden en beleven, indien wij deze aanvaarden op bewuste wijze, ons van zijn krachten bewust zijn. Anders is het voor ons, alsof deze goddelijke zegen nimmer bestond.

Wij kunnen stellen: God leidt ons. Dat is waar. Maar wij, wijzelf moeten de weg gaan.

Wij kunnen ons zo dadelijk weer gaan beroepen op de geest en de krachten uit de geest. Wij kunnen met Kerstmis ons bezighouden met kerstkind en kruisiging, met verlossing en eeuwige zaligheid. Maar wij zelf moeten voor ons deze dingen waar maken. Dit is geen trots, geen verwerpen van dat, wat is, maar een pogen, om u een juister begrip te geven. Wanneer een vorst des vredes in u geboren wordt, wanneer u het machtwoord van de grote vrede in uzelf leert horen en spreken, kunt u waarlijk zeggen: Christus is geboren. Dan weet gij zelf, wat de kracht is en kunt gijzelf zeggen tot de demonen: Gaat uit van deze, in mijn naam en de naam des Vaders.

Eerst dan bezit gij waarlijk de kracht, die toch uw wettig erfdeel is in de kosmos.

Alles wat geschiedt op deze wereld en verwerkelijkt wordt uit hogere krachten en machten, geschiedt voor de onbewusten. Nu is het echter tijd, dat steeds meer mensen de heerlijke trage dromen van de onbewusten achter zich laten en hun werkelijke rechten en verplichtingen leren beseffen. De bron des levens, die in allen de mogelijkheid betekent om de grote Goddelijke Naam en de hoogste Kracht te uiten en te beseffen, dit is het doel van deze tijd en de kracht van ons werk. Dit is de kracht van de mens in de vernieuwing en de sleutel tot wat u misschien nog inwijding noemt.

image_pdf