Christelijke mystiek

14 mei 1968

Het zal u bekend zijn dat de christelijke mystiek een eigenaardig zoeken naar God is geweest, waarin theorieën, praktijk, magische beginselen, geheimleren en wat dies meer zij, alle een rol hebben gespeeld.

Je kunt moeilijk precies zeggen wat nu eigenlijk de christe­lijke mystiek is. Een groot gedeelte daarvan treffen wij nl. aan in vele andere denkwijzen. Een deel daarvan kunnen wij ongetwijfeld her­leiden tot de origine van het inwijdingsdenken zoals in Egypte, de Pythagorese kringen, de Griekse inwijdingsmystiek en al wat daarbij behoort. De christelijke gedachte is a.h.w. opgelegd aan een oudere mentaliteit en een oudere reeks van beschouwingen. Degenen, die daarmee werken, maken vaak een wat verwarde indruk. Niet dat ik vrees dat onze gastspreker op u een verwarde indruk zal kunnen ma­ken, maar de mystici zelf doen dit vaak in sterke mate.

Voor hen is de grote moeilijkheid dat zij een inwijdingsleer, die zij innerlijk als juist aanvoelen, moeten aanpassen aan de chris­telijk sterk dogmatisch gebonden ideeënwereld. Hiervan kunnen zij zich slechts bevrijden, wanneer zij zoals bv. Thomas a Kempis in gesprekken met God zich distantiëren van de gehele wereld.

De moeilijkheid om in de christelijke mystiek de wereld terug te vinden heeft gevoerd tot een zeer uitvoerige symboliek. En de ge­bruikte symbolen zijn wederom voor een groot gedeelte ontleend aan de oudheid. Wij treffen hier bv. de Perzisch-Syrische motieven aan, be­paalde Indische symbolen, daarnaast ook zeer veel kabbalistische sym­bolen en Joodse symbolen.

Typerend is dat men in die symboliek van de christelijke mys­tici vaak gebruik maakt van het Joodse schrifttype; en dat men daar­naast vaak de Arabische letter gebruikt. Het is alsof men zelf niet precies weg weet met hetgeen men zeggen wil en het daarom zo onbe­grijpelijk mogelijk tracht weer te geven.

Dit kan enerzijds zijn voortgekomen uit de behoefte de eigen stellingen enigszins geheim te houden voor leken. Maar ik meen dat dit voor een zeer groot gedeelte ook te wijten is geweest aan het feit, dat men bang was voor kerkelijke instanties, die – zoals u weet – tot bijna 1700 toe via instrumenten als inquisitie (de beschermers dus van het kerkelijk recht e. d.) een zeer sterke invloed hebben ge­had op eenieder, die probeerde af te wijken van de door de kerk en haar officiële spreekorganen goedgekeurde tendensen.

Wat deze christelijke mystiek in de praktijk kan betekenen zult u naar ik hoop van onze gastspreker kunnen leren. Beoordeelt u a.u.b. zijn taal niet op grond van eventuele vrome zinswendingen, die onge­twijfeld kunnen voorkomen, maar tracht door te dringen in de ideeën­wereld. U zult naar ik meen daarin een vorm van innerlijk bewustzijn ontdekken, die voor u allen ook in deze tijd bruikbaar is. En die zeer zeker – en dat is wel een van de opvallendste verschijnselen trouwens van heel veel van deze mystieke redeneringen – aansluit bij de nieuw­ste ontdekkingen op het terrein van bv. psychologie. Het is de in­nerlijke mens die gaat spreken. En het spreken van de innerlijke mens wordt binnen deze vorm uitgedrukt aan de hand van – maar niet alleen op basis van – de christelijke leer.

Ik mag deze korte inleiding hiermede besluiten en hoop u daar­mee niet al te zeer geërgerd te hebben. De spreker is nu beschikbaar en ik geef dus het medium onmiddellijk vrij.

De gastspreker

Men heeft mij bij u aangekondigd als een christelijk mysticus. Ik weet zelf niet of ik dit nu ben of niet. Maar daar het niet gaat om de benoeming der dingen maar om hun essentie, de daarin levende ziel, hoop ik dat mijn denkbeelden, zoals ik u deze zal trachten voor te leggen, toch voor u enige zin hebben.

Het kenteken van alle leven is de verdeeldheid. De menselijke oplossing van de verdeeldheid is de bereikte eenheid. Deze eenheid gaat niet alleen van mens tot mens, maar ook van mens tot wereld en van mens tot God.

De grondslag van dit zoeken naar wat men graag “harmonie” noemt, maar wat in feite volgens mij een soort “zelfvervulling door zelfverloochening” is, komt voort uit het gevoel van beperktheid, dat de mens steeds weer bevangt. Onze gedachten kunnen uitgaan tot in de hemel; zij kunnen zich bezighouden met de diepste hellesfeer; zij kunnen doordringen in de tijd en trachten mee te leven in het lijden van Jezus Christus; maar altijd weer hebben wij het gevoel dat deze dingen niet echt zijn.

Wij vergeten dat graag voor onszelf, omdat wij willen opgaan in dit andere. Wij hebben de behoefte om deel te zijn van de Onein­digheid. Wij voelen ons verwant met God. Maar in de kern beschouwd kunnen wij deze eenheid met het Oneindige eigenlijk niet realiseren, omdat er tussen die Oneindigheid en ons wezen zoveel beperkte en tijdelijke dingen staan.

Wanneer ik arm, naakt en wanhopig vrees, zelfs mijn leven te verliezen, is God ineens een werkelijkheid. Dan worden alle denk­beelden van mijn leven, de bittere en de lichtende, voor mij con­creet. Zij leven en ik leef niet meer. Ik ben geen mens meer, die tracht te formuleren, te onderzoeken of vast te leggen. Ik ben niet meer de aanbidder van God. Ik ben een zucht in een stormwind van het Oneindige. En juist op dat moment van absolute armoede wordt pas de absolute rijkdom bereikt. Hoe paradoxaal eigenlijk.

Wij denken dat wij in staat zijn om zelf het leven te overwin­nen, om meester te zijn. Uit de oude wijsheid vinden wij de eeuwige kring van Oruboros, de slang die zichzelf verslindt. Uit eeuwen­oude wijsheid putten wij het beeld van de gevleugelde draak van le­ven, die wij gelijktijdig overwinnen en tot deel maken van onszelf. Maar wij beseffen niet hoezeer wij met beelden, met symbolen en ide­alen onszelf verwijderen van de werkelijkheid.

Je kunt God niet via een trapje bereiken. Zeker, de Jacobsladder, die hij eens in een droom zag, is voor velen het symbool van de tocht naar het hemelrijk. Maar het aantal treden was oneindig.

En zo gaat het ons. Wij denken dichter bij de hemel te komen, maar gelijktijdig stellen wij een grotere afstand tussen onszelf en de mensheid, zonder dat wij daarom de hemel werkelijk naderbij komen. De hemel vlucht voor ons weg als het moment morgen, dat nooit van­daag zal worden, want er blijft altijd een morgen.

Datgene wat ons leven is, het heden, hebben wij prijsgegeven. Wij kunnen niet in het heden leven en wij kunnen niet in morgen leven; wij leven niet meer. Wij worden eeuwig heen en weer geslingerd tussen onze verwachtingen en de door ons reeds verworpen feiten.

Wie wil proberen om met de werkelijkheid te leven en Gods wer­kelijkheid te vinden, kan niet beginnen met morgen; kan niet beginnen met de hemel, die hij eens zal bereiken. Hij zal terug moeten gaan naar dat vandaag. Maar hij zal het heden niet meer moeten beleven als iets wat hij zelf vormt, maar als de uiting van “Iets” dat door hem vorm geeft.

Als mens worstel je met God, als geest probeer je God een plaats te geven. En wij hebben – althans wij hadden in mijn tijd – een veelheid van symbolen, waarin wij dit konden uitdrukken. God was een poort, die wij binnengingen; een trap, die wij zouden bestijgen. God was een veste, die wij a.h.w. moesten bestormen door de juiste poort te vinden en binnen te dringen. God was een stad, waarvan wij eerst de muren moesten overmeesteren voor wij konden binnengaan. Maar wat was de werkelijkheid?

Al die beelden waren waan, waren illusie. Al deze beelden waren gebaseerd op het verschil tussen God en het ik. Wij meenden dat wij zover dan konden zijn bv. met Jezus dat wij door middel van stigmata of andere tekenen zijn lijden lijflijk mochten dragen. Maar wij waren daarmee nog steeds onszelf en niet Jezus. Maar wanneer ik Jezus ben in uiting en in lijden, kan ik niet gelijktijdig ook mijzelf zijn.

De mystiek van mijn dagen was in feite er een van zelfverhef­fing en zelfbevestiging. En ik geloof dat een van de belangrijkste dingen in het leven is, dat je je eigen onbelangrijkheid leert be­seffen, zonder daarom jezelf te verachten.

Ik ben wat ik ben en ik doe wat ik doe. Maar ik ben wat ik ben, omdat God mij gemaakt heeft wat ik ben. En ik doe wat ik doe, omdat God het in mij legt om het te doen. Ik ben werktuig, belichaming, ik ben kracht en absorptie van kracht gelijktijdig. En ik kan mijzelf van deze functie niet onttrekken. Alleen … met mijn denken kan ik er voor mijzelf een betekenis aan geven, kan ik er belevingen in zoeken, die niet waar zijn. En daar ligt juist de grote moeilijkheid.

Zodra ik in het beleven de uiting van mijzelf zoek, zal er het verschil zijn tussen mijzelf en dat andere, dat grotere dat ik ergens verlang te zijn, waar ik één mee wil zijn, maar dat gelijktijdig de tegenstelling is. Ik vergelijk voortdurend mijzelf met het andere. Maar ik moet eerst zijn opgenomen in het andere.

Er zijn in de loop der tijd heel wat verschillende discipli­nes ontdekt, waardoor de mens zichzelf vergeten kan. Sommige hadden te maken met onthouding en gebed, andere berustten op het bereiken van een soort toestand van verrukking. En u weet dat er verteld wordt dat zij, die werkelijk in verrukking zijn, soms boven de grond zweven. Leviterend zonder het te beseffen, want zo zien de mensen het. Maar is de werkelijkheid niet veel eenvoudiger?

Ik ben aan de aarde geklonken, omdat ik mijzelf ben. En zodra ik ophoud alleen mijzelf te zijn in vergelijking tot het andere, maar gelijktijdig het Grote tracht te zijn en uit dat Grote in de eerste plaats wil leven, ben ik niet meer aan de aarde gebonden.

Ik heb uiteraard veel van mijn meningen moeten herzien. Ik heb bv. nooit geloofd aan reïncarnatie. Ik weet nu, dat die reïncarnatie bestaat, maar toch geloof ik, dat het niet zo erg belangrijk is. Men maakt het vaak belangrijk. Want de feiten, die je ervaart, zijn eigen­lijk zo eenvoudig.

Ik leef. Ik ben deel van heel veel andere levens. En daar waar ik oprecht deel ben geweest van een ander leven – en dat kun je niet in tijd uitdrukken – ben ik met dat andere leven ver­bonden. Dat is tijdloos geworden. Daar, waar ik één ogenblik één ben geweest met God, blijft die eenheid bestaan. En zolang ik besef dat die eenheid er is, zonder dat die eenheid mij eisen stelt, dat ze een feit is, kan ik ermee leven.

Ik heb geleerd hoe dat “ik”, dat zich zo begrensd ziet, ei­genlijk niet veel meer is dan een knooppunt van een groot aantal lij­nen en krachten, waarvan ik het wezen niet eens goed weet te duiden. Ik heb geleerd dat, dat wat daarin bestaat, onvergankelijk is. Ik kan mij daaraan nooit onttrekken. Maar ik heb ook geleerd dat juist mijn zoeken om één te zijn met God met uitsluiting van al die mensen, het mij onmogelijk maakt om één te zijn met God. Ik heb geleerd dat mijn denken in verplichtingen, verhoudingen en relaties, zoals ik dit deed, mij gelijktijdig voor mijn eigen besef misschien een bepaalde bin­ding verschafte met anderen, maar mij losmaakte van datgene, wat ik begeerde te vinden: de eenheid met een eeuwigheid en een totaliteit.

In het christendom zijn er heel veel wetten geweest. En ik ge­loof, dat wij die wetten eigenlijk niet eens meer helemaal kunnen ver­talen. Ik heb bv. heel lang nagedacht over de zin van het “heb uw naasten lief”. Kan ik mijn naasten liefhebben alleen op een bepaalde wijze, en het toch nog juist doen? Ik ben tot de conclusie gekomen dat dat niet kan. Een naaste liefhebben gelijk mijzelf, d.w.z. dat wanneer ik een naaste erken, er niet meer de ander is maar alleen het ik in de extensie van een andere vorm. Wat ik ben voor die naas­te ben ik niet voor een ander, dat ben ik, in, vóór en vanuit mijzelf. En wanneer die naaste voor mij het beeld is van God, ben ik door die naaste één met God.

Ik kan naastenliefde niet omschrijven in een bepaalde actie of in een bepaalde denkwijze, een trend, een tendens. Ik kan alleen de naaste aanvaarden als deel van mijzelf … of verwerpen. En dan mag ik ook geen scheiding meer maken in beleven, in mogelijkheden, in bezit, in geestelijke kracht of werkelijkheidsbesef tussen de an­der en mijzelf. Het ontkennen van de begrenzing van het ik is de ware naastenliefde. Zo heb ik dat voor mijzelf uitgedacht.

Maar wanneer ik dan die naastenliefde zo predik, kan ik ook de menselijke grenzen niet meer aanvaarden. Want mijn naaste is eeuwig, wanneer ik zelf eeuwig ben. Of een mens nog niet geboren is of is gestorven, maakt geen verschil uit, zolang ik er één mee ben. Zolang ik dit andere wezen zie als deel van mijzelf, leef ik in de ander. Maar dan zal de kracht, die in mij leeft, in de ander leven. Dan zal het besef van de ander mijn besef zijn. Er is geen grens meer.

Mystiek is eigenlijk het doen wegvallen van grenzen. En wat men verrukking noemt is niet een absolute zelfvergetelheid, maar een extensie van het ik buiten de begrenzing, waarin het ik normaal wordt gezien. Harmonie is dan niet meer het samenklinken met anderen of samenwerken met anderen, zoals men dat zo graag voorstelt. Het moet zijn: het versmolten zijn met anderen. Zoals je van de klank van een koor toch niet meer zeggen kunt: dat is deze stem en dat is gene stem. Het geluid is niet te scheiden van het eindproduct. Wij moeten het eindproduct zijn, ook wanneer wij gelijktijdig misschien zangers zijn in het koor.

Een pijp van het orgel blaast misschien maar een enkel ogen­blik in de hele melodie, maar het is mede de melodie, omdat hij deel is van het orgel. Een mens is oneindigheid, omdat hij als mens deel is van dit Wezen Oneindigheid, onverschillig wat hij nu wel of niet doet. Een mens is kracht, niet omdat hij zelve kracht is, maar om­dat de Kracht die het geheel stuwt door die mens op een ogenblik tot uiting komt.

Een mens is misschien dwaas. Maar het is soms goed om dwaas te zijn, want ook dwaasheid behoort ongetwijfeld in de melodie van het Oneindige. En wie is de mens die zal uitmaken – of wie is de geest die zal vertellen – wat nu wijsheid is en wat dwaasheid? Waar kunnen wij een grens trekken, zodra wij weten maar een deel te zijn van het Oneindige? Daar gaat het mij om.

Wat er met jou gebeurt is – persoonlijk gezien- van belang, natuurlijk. Maar wanneer je verder grijpt dan jezelf, dan dit beperkte ik, dan is het eigenlijk onbelangrijk. Het is niet belangrijk of je leeft of sterft; het is niet belangrijk of je nu bidt of zelfs vloekt; het is alleen maar belangrijk dat je in die dingen de uiting bent van het geheel.

Ach, wat zijn die dingen eigenlijk verwarrend. En wat zijn ze voor u erg onpraktisch, nietwaar? Want u leeft in een wereld, waarin u iemand bent, zelf iemand bent. In een wereld, waarin u zelf iets hebt. In een wereld, waarin u zelf iets weet. In een wereld, waarin u zelf iets moet. En daardoor hebben mijn betogen waarschijnlijk voor u weinig waarde.

Maar vraag u nu eens af of het werkelijk zo is. Zoals ik mij heb afgevraagd, of ik nu werkelijk door mijn bidden, mijn werken en mijn zoeken meer was dan een ander of niet. En zoals ik mij heb afgevraagd, of wat ik nu meende te weten mijn kennis was, of dat het alleen de weergave was van iets anders.

En zelfs uw bezit dat u misschien zo dierbaar is en zovele zorgen bereidt, vraag u eens af of het waarlijk van u is. Geloof me, wanneer u eerlijk bent zult u zien dat u over uw eigen bezit niet zo­veel te vertellen hebt als u wel denkt. En dat uw eigen wetenschap eigenlijk maar geleend is van anderen, die het ook weer ergens geleend hebben. U zult zien dat uw eigen geloof alleen maar de weergave is van iets dat ergens bestaat. Het is niet van u, u kunt er alleen deel van zijn. En als u deel kunt zijn van dergelijke kleine dingen, dan moet het mogelijk zijn u voor te stellen dat u ook deel kunt zijn van het Grotere.

Mensen spreken ervan dat God wonderen doet of dat de geest wonderen doet. Kan er een wonder bestaan? Een wonder is iets wat tegen een wet ingaat. Maar een wet kan alleen bestaan voor een deel dat de andere delen van de Oneindigheid niet beseft. Daar, waar je één bent met het geheel, daar is geen wonder. Daar is alleen maar de realisatie, meer niet.

Je kunt streven naar de uitoefening van bepaalde macht, het projecteren van zekere krachten en al wat dies meer zij. Maar wanneer je dat vanuit jezelf wilt doen, schiet je altijd tekort. En als je het vanuit het geheel doet, dan is het weer niet een uiten van kracht, dan is het een realisatie. Het is de erkenning van iets, wat is.

Ik geloof dat de mens zijn gevoel van onvolkomenheid, van te­kort schieten, van niet kunnen of van falen pas dan overmeestert, wanneer hij leert niet van zichzelf uit te gaan. Wanneer je leert te functioneren als deel van een Groter Ego. In de moderne wereld spreken ze van een team, een aantal mensen die samenwerken of behoren sa­men te werken. Is de mensheid dan geen team? Kunnen wij het geheel niet uitbreiden buiten de normale menselijke belangensfeer? Al doe je het maar in je denken. De levensaanvaarding wordt geheel anders, wanneer je dus die beperktheid van “ik” in al deze gebondenheden kunt vervan­gen door het besef: totaliteit, ook geuit door mij. Dan valt veel schuld­besef en zondebesef weg. Dan valt een beroep op deugden weg. Dan ver­valt zoveel van de noodzaak jezelf te bedriegen of bepaalde dingen te ontkennen. Dan ontsluit zich het totaal van je wezen, omdat het maar een deel is van een groter geheel. Dan voel je de verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden niet zo erg meer, omdat ze uit het geheel voortkomen en niet alleen uit jou. Dan kun je dat lichtende gevoel in je krijgen, waarin je zegt: Ik ben één met God. Dan is naastenliefde niet alleen maar een mij opgelegde taak; het is de noodzakelijke zelfbevestiging geworden. En al die goede werken, die dan geprezen worden (naakten kleden, hongerigen spijzigen, dorstigen laven, gevangenen bevrijden, zieken troosten, doden begraven enz.) dat is dan alleen maar een uiting van mijzelf tegen­over mijzelf. Ik kan er niet aan ontkomen te denken vanuit mijzelf; ik kan mijzelf niet geheel vergeten in het Grote. Laat mij dan het Grotere gaan zien als deel van mijzelf; dan kan ik daardoor de kluisters verbreken, die een mens ketenen in zijn eigen verwrongen menselijk beeld.

Dan is het niet meer belangrijk in welke kerk de klokken luiden en waar niet; of dat er kaarsen branden of niet; of dat er gezangen klinken of niet. Dan is er alleen belangrijk: dat ik ben in het geheel. Dat het geheel voor mij bestaat. En dan heb ik ook geen reden meer om bang te zijn. Bang voor de elementen, die ik moet overwinnen; voor de demonen en gees­ten, die mij kunnen kwellen. Wanneer ik een demon zie als mijn vijand, dan kwelt en tart hij mij en daagt mij uit. Maar zeg ik tot die demon: Je bent deel van mijzelf, dan kan ik hem aanvaarden en verdragen, want mijzelf kan ik aanvaarden en verdragen. Dan valt de strijd weg. En wanneer ik voor een lichtende engel neerkniel, omdat hij zo hoog is, zal ik nooit kunnen opwieken naar een lichtende wereld. Maar op het ogenblik dat ik zeg: “Hier staat ook een deel van mijzelf”, ben ik één met de engel, dan wiek ik op en ben ik deel van een lichte wereld. Het gevoel van de mens dat zich ontworstelt aan de beperking van het persoonlijk zijn en denken, kan die mens verheffen tot een deel van de Oneindigheid.

Praktisch is dit misschien niet. Maar één ding weet ik zeker: Voor u allen komt er een ogenblik dat u ergens terugdeinst en zegt: Dit kan niet, dit mag niet; of: hier móét ik toch! En als u op dat ogenblik u kunt ontspannen en denken aan het geheel, kunt u – zelfs in uw “ik”-leventje met al zijn beperkingen – de kracht vinden alles te overwinnen.

Misschien mag ik het zo zeggen: Om God te begrijpen heeft de mens het purgatief nodig van ontpersoonlijking. Hierdoor kan hij de niet ter zake doende problematiek, die in het ego zit opgesloten, kwijtraken. En kan hij de kunstmatige en zelfs opgelegde straffen, die hij zichzelf aandoet in leven en sferen, vervangen door een besef van werkelijkheid. Alleen op die manier kan hij de kluisters, die hij zijn eigen vermogens heeft aangelegd, afleggen en waarlijk zichzelf zijn. Want ik kan mijzelf niet zijn zolang ik mijzelf scheid van mijn God. En ik kan niet één zijn met mijn God, zolang ik ook maar iets wat bestaat weiger te erkennen als een deel of mogelijk deel van mijzelf. Het is iets waarmee je langzaam moet beginnen, dat weet ik. Maar het kan je helpen begrip te vinden voor alles rond je: voor de geesten in de sferen, voor de mensen, voor het slechte en het kwade (volgens uw standpunt) en het lichte en het goede. Zo kunt u een balans vinden en een evenwicht, waardoor u waarlijk leeft.

Ik vraag mij af of ik duidelijk genoeg spreek, want wie kan duidelijk maken wat in hemzelf leeft? Maar ik spreek eigenlijk tot mijzelf; en dat, wat in u verwantschap toont, zal verstaan worden. Dan kan ik ook niet falen. Dat moet ik mijzelf voorhouden, want ik ben ook “ik”, net zo goed als u. Maar ik kan er steeds aan ontkomen. Daarom wens ik mijzelf en al in u, wat met mij verwant is een voortdurend verder lichtend ontwaken tot de werkelijkheid die wij zijn; en een voortdurend gemakkelijker vergeten van de beperking, die wij pretenderen te zijn.