Christelijke naastenliefde

image_pdf

23 december 1966

Voor wij beginnen met onze bijeenkomst wil ik u er allereerst wel aan herinneren, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Zoals reeds werd aangekondigd, is ons onderwerp op deze laatste vrijdag voor Kerstmis: Christelijke naastenliefde.

Christelijke naastenliefde is de essentie van alles, wat men rond Kerstmis herdenkt. Maar aan deze naastenliefde zijn vele eigenaardige facetten te ontdekken. Wij kunnen bv. uitgaan van het kosmische standpunt. In dat geval geldt altijd: Elke mens, die ik als medemens erken, ja, elk schepsel, dat ik als medeschepsel erken, is ergens mijn gelijke, is als een deel van mijzelf en moet als zodanig dan ook altijd worden beschouwd en behandeld. Dit heeft dus niets te maken met wat de ander doet, maar met wat de ander is. Er is dus geen sprake van een criterium gebaseerd op daden, verleden, of afstamming. Het enige criterium is de erkenning, een wederkerige erkenning. U zult echter wel begrijpen, dat men deze vorm van de naastenliefde, hoe schoon het ook klinkt, niet zo gemakkelijk waar maakt. Juist daarom wilde ik heden bepaalde aspecten met u bespreken, die wel degelijk gebaseerd zijn op een ernstig streven naar naastenliefde, maar die toch gelijktijdig voor mij een aantasting vormen van de kerstsfeer.

Denkt men aan de wereld in deze dagen…, zo zullen de gedachten haast onwillekeurig zich wenden naar de kwestie Vietnam. De Amerikanen worden daarover vooral de laatste tijd nogal eens uitgescholden. Men noemt hen imperialisten of erger. Toch meen ik, dat men met deze benamingen – niet met het protest – een ernstige fout maakt. Wat de Amerikanen er doen kan ik, vanuit mijn standpunt, wel niet goed heten, maar dat is een andere zaak. Wanneer wij echter nagaan, wat deze Amerikanen in het verleden voor de wereld gedaan hebben en wanneer wij verder nagaan, hoe zij, zonder daarover al te veel lawaai te maken, vele andere landen, ook nu nog, a.h.w. onderhouden en wij daarbij zien, hoe zij, ook ten koste van zichzelf, als het moet, iets op de wereld waar proberen te maken dat volgens hen juist is – niet slechts voor zich, maar voor alle mensen – dan zouden wij ook dit toch wel een soort naastenliefde kunnen noemen.

Een soort naastenliefde. Want deze vorm van naastenliefde wil in de ander slechts zichzelf zien.

Er moet hier een gelijkwaardigheid zijn. Het gaat niet meer om een wat willekeurig rapport, een harmonie; het gaat er om, dat de ander ja zal zeggen, dat er een beantwoording van eigen leven en zienswijze komt. Wanneer het daarbij nu gaat om iemand, die hulpeloos is, iemand, die hulpbehoevend is, dan ligt de zaak eenvoudig genoeg. Of er nu een koopman wordt uitgeplunderd of een land, beiden zullen als gevolg daarvan hulpeloos zijn. Zij hebben hulp van node en men zal deze dan ook zonder meer kunnen geven. Er komt echter ook een ogenblik, dat zo iemand genezen is, dat een dergelijk land zichzelf weer zou kunnen gaan behelpen.

Werkelijke naastenliefde zou dan zeggen: Ga je gang. Maar deze vorm beschouwt dan de gegeven hulp als een voor de ander blijvend bestaande verplichting.

Denk aan de gelijkenis. De Samaritaan, die voorbijkwam – al was hij niet eens van het “zuivere” geloof – verleende eerste hulp en deed daarop de gewonde, die door rovers overvallen was, in een herberg opnemen en verplegen. Daarmede was de zaak voor hem afgedaan. Hij had de ander geholpen, hij had zich als diens “naaste” gedragen. Dat is de eenvoudigste manier. Zo zou Amerika kunnen zeggen: “Jullie hebben armoede? Zolang het nodig is, zullen wij jullie naar beste kunnen te eten geven. En voor de rest zoek je zelf maar een oplossing, die je past.” Nu doen zij iets dergelijks, maar met een sterke nadruk op hun eigen behoeften en visie. Zij stellen: Wij vinden het nodig, dat dit gebeurt. Wij zullen dit dan ook doorzetten. De rest zoeken jullie dan zelf maar uit. Daarin uit zich nu juist een gebrek aan naastenliefde. Zij leggen hun eigen wil en inzichten op. Met goede bedoelingen. Maar wanneer het over werkelijke naastenliefde gaat, moeten zij juist een medemens ook vrij kunnen laten eigen inzichten te volgen.

Wat Amerika in Vietnam doet, is vechten voor de westerse vrede. Gezien vanuit een Amerikaans standpunt, is dit een onzelfzuchtig strijden. Er zijn natuurlijk wel zeer zelfzuchtige bestrevingen bij, politiek en staatkundig gezien gaat het immers om prestige en economische belangen. Maar de Amerikaan, die zijn kinderen naar het front ziet gaan, denkt niet aan dergelijke achtergronden, maar gelooft wel met geheel zijn hart, dat ten koste van alles voorkomen moet worden, dat er nog meer landen op aarde communistisch worden. De doorsnee Amerikaanse burger meent het eerlijk met zijn strijd tegen de Vietcongs. Wat hij daarbij echter vergeet, is, dat zijn oplossing, hetgeen hij goed acht, daarom nog niet voor allen en iedereen even goed en juist hoeft te zijn.

Ontdoe dit alles eens van de gewende achtergronden en denk eens aan een ras van Eskimo’s  die, vol naastenliefde, de wereld willen leren gezond te leven en daarom de bewoonde wereld, uw wereld, binnen dringen om allen te verplichten zich voortaan met traan, desnoods levertraan, te voeden. Want, zo hebben deze Eskimo’s onder hun levensomstandigheden geleerd, dit is het enige voedsel, dat voor de mens werkelijk gezond is. Nu is dit niet zo vreemd, als het lijkt. Want al drinkt u geen levertraan, u krijgt toch wel de nodige traan binnen onder het mom van margarine – iets wat met een eufemisme wel als boter wordt aangeduid.

Wanneer zoiets zou gebeuren, zou eenieder onder u zeggen, dat dit dwaas, ja, krankzinnig is. Toch gebeurt iets dergelijks op grote schaal en overal onder het motto: Wat voor mij goed is, is het ook voor jou en wat ik goed vind, is ook de maatstaf voor jou gedrag.

Wanneer iemand in de winter met alleen een zwembroekje aan door de straten wil flaneren, zo is daar, naar ik meen, weinig of niets op tegen. Het is natuurlijk dom, want zo iemand zal wel snel een zware kou oplopen. En of hij met een van koude paarse huid er erg esthetisch uit zou zien, is ook een vraag. Maar indien hij nu meent, dat dit voor zijn geluk noodzakelijk is, waarom zou men het hem dan verbieden? Wanneer wij onze naaste liefhebben, zeggen wij in een dergelijk geval: Hoor eens, kerel, het is verstandiger, wanneer je het niet doet – en geven hem de redenen. Maar daarop laten wij volgen: Indien je het echter met alle geweld wilt, ga dan je gang. Als er gevolgen zijn, die je niet de baas kunt, zullen wij proberen je te helpen. En in dat geval hopen wij wel, dat je verder wat verstandiger te werk zult gaan. Dit zou de juiste oplossing zijn. Maar men zegt: “Neen. Dit mag niet. Wij moeten voorkomen, dat eenieder geschokt wordt.

Wij moeten voorkomen, dat onkuise gevoelens worden gewekt.” Of iets dergelijks onkuise gevoelens zou kunnen wekken, waar die niet reeds lang aanwezig zouden zijn….

Men wil de mensen beschermen. Maar beschermen is geen naastenliefde. Er is een groot verschil tussen de waarlijk christelijke naastenliefde, – die de ander aanvaardt, zoals hij is, en hem raad geeft, en wanneer hij die wil aanvaarden, hem helpt, waar het nodig is, maar hem altijd het recht toekent zijn eigen wegen te gaan, – en de moderne opvatting van naastenliefde. Want die betekent, dat iedereen zich moet onderwerpen, opdat men hem beschermen kan. In Vietnam is dit laatste in feite het geval. Het volk in Vietnam wenst vrede. Het kan hen weinig schelen, waar die vrede vandaan komt. Wat begrijpelijk is. Want wie er ook wint, het kan voor het geheel van het volk, uitgezonderd een kleine kaste, haast niet erger worden, dan het nu is. De Amerikanen menen, dat het beter is, dat het gehele volk ten gronde gaat, dan dat zij tot communisten zouden worden. Want dan moeten er vele anderen onder lijden. Dit laatste echter is een stelling, geen zekerheid, het is misschien zelfs een waarschijnlijkheid, maar geen zekerheid, niet iets, wat men bewijzen kan. Het is en blijft een theorie.

Hierdoor hebbende Amerikanen een situatie geschapen, die voor henzelf zowel als voor anderen, steeds gevaarlijker wordt. Want men matigt zich steeds meer aan. En naarmate je minder respect hebt voor de rechten van een ander, zul je ook minder respect van anderen kunnen verwachten. Naastenliefde brengt niet noodzakelijkerwijze erkenning als beloning met zich, laat staan een wederkerige goedheid. Maar zij voorkomt in ieder geval extra kwaad. Wanneer er sprake is van een eerlijke christelijke naastenliefde, zo brengt zij tenminste ergens en eens een erkenning en aanvaarding, hoe gering deze ook moge schijnen. Door niet uit te gaan van deze behoefte en te voldoen aan de behoefte van de anderen zonder enige pretentie, maar uit te gaan van alleen eigen rechten, eigen denkbeelden omtrent recht en rechtvaardigheid, door a.h.w. de Amerikaanse maatstaf voor politiek en zelfs voor de wijze van leven in een ander land in te voeren, heeft men haat geschapen.

Ik zeg dit nu over Vietnam. Maar zou ik niet over zeer veel andere delen van de gehele wereld iets dergelijks kunnen zeggen? Laat ons een voorbeeld nemen. Er zijn vele kleine staten in de U.N. Staatjes, die voor kort waarschijnlijk deels door luipaardmannen, leeuwmannen of krokodilmannen werden geregeerd en waar men ook nu nog naar de tovenaar gaat om te vragen, wat de juiste tijd is om aan politiek te doen, verkiezingen uit te schrijven, of een meisje te huwen. Deze staten gedragen zich echter als geheel gelijkwaardig, en worden als gelijkwaardig erkend. Dit is, volgens de wetten der naastenliefde, juist, ook al schept dit in de organisatie een onevenredig zware belasting. Maar nu blijkt, dat binnen de U.N. deze groepen aan hun verplichtingen in de praktijk bijna niet voldoen. De U.N. kan hier, als anoniem lichaam, deze verplichtingen nu niet zonder meer terzijde schuiven of op zich nemen. Een tijdelijke of blijvende vrijdom kan men immers niet geven als een soort recht. Wel kan men – maar dan a.h.w. persoonlijk, dus bijvoorbeeld een bepaald land – een dergelijk land helpen, zodat het aan zijn verplichtingen kan voldoen. Zou men op deze wijze op alle staten, die hun verplichtingen niet voldoen, reageren, dan zouden de problemen in de U.N. heel wat minder zijn. Maar men heeft de moed daartoe niet, ofschoon zelfs grotere landen in dat geval ofwel kleur zouden moeten bekennen t.a.v. hun voornemen niet aan hun verplichtingen te voldoen, dan wel zouden moeten toegeven, dat zij in een staat verkeerden, waar zij daaraan zelf niet konden voldoen. Men durft dit niet te doen, omdat dan eigen weg van leven, waarin de bluf ook een grote rol speelt, in gevaar zou komen. De moderne naastenliefde is gebaseerd op het handhaven van eigen weg van leven. Dit betekent niet een innerlijke weg, maar het bevorderen en vastleggen van de uiterlijke vormen. In wezen is het vastgelegd in reeksen van formaliteiten. Ik hoop u duidelijk te maken dat dit niets meer heeft te maken met datgene, waarvoor Jezus op aarde geboren en gestorven is.

Uitgaan van eigen gelijk, de meerwaardigheid van eigen denkbeelden en inzichten boven die van alle andere, resulteert uiteindelijk, zelfs bij de beste bedoelingen, in een greep naar de macht. Die greep naar de macht is goed bedoeld, zeker, maar laat ons eerlijk zijn. Denkt u werkelijk, dat Hitler, toen hij een greep deed naar de macht, het waarlijk toen al kwaad bedoelde? Of meent u dat Stalin, Chroetsjew, of zelfs Lenin het kwaad bedoelden, toen zij naar de macht grepen en hun macht ten koste van alles probeerden te bevestigen en te behouden?

Zij hebben allen gedacht: Wij zullen de mensen iets beters geven, dan er nu is. Maar daarbij hebben zij een ding vergeten. Je kunt de mensen eenvoudig niet, en zeker niet blijvend, wetten opleggen, die beantwoorden aan je eigen normen. Daardoor ontstonden in wezen onmenselijke systemen en organisaties, die Duitsland beheersten en vernietiging en ellende brachten, die zelfs nu nog in het leven van vele Duitsers een rol spelen. Door deze neiging ten koste van alles eigen inzichten aan anderen als enig juist op te leggen, heeft Stalin niet tienduizenden, maar letterlijk honderdduizenden mensen laten vermoorden. Alleen door deze neiging eigen werkwijze als enig juiste te zien, heeft Chroetsjew, die overigens voor Rusland zeker veel goeds heeft gedaan, gelijktijdig ook vele voor het land belangrijke ontwikkelingen onmogelijk gemaakt. En om een dergelijke reden heeft eens Lenin toegelaten, dat het grootste deel van de intelligentia van Rusland nodeloos werd omgebracht. Toch meenden zij het wel degelijk goed. Het was geen christelijke naastenliefde in die zin dat zij God en de kerk erbij haalden, maar zij bedoelden het goed. Zij deden de dingen, die men hen nu verwijt, niet alleen voor zich, maar ook voor hun medemensen.

Het verkeerde lag niet in hun streven, maar in het ene, alles overheersende denkbeeld, dat zij de enigen waren, die wisten wat goed was. En symptomen van deze denkwijze zien wij nog overal steeds weer. Ik wil geen smet werpen op bv. burgemeester van Hall. Maar de goede man denkt kennelijk ook, dat hij alleen weet, wat nog aanvaardbaar is. En was er ook nog niet een zekere van ‘Rappardji ‘, die ook al meende, dat hij alleen de juiste maatstaven kende en kon hanteren? Denk niet, dat die mensen daarmede iets verkeerds willen doen, of zelfs maar beseffen te doen. Voor zich koesteren zij juist het denkbeeld, dat zij alles zo goed doen. Zij willen de mensheid een dienst bewijzen. Maar gelijktijdig ontnemen zij die mens daarom zijn mondigheid.

Jezus heeft zoiets nooit gedaan. Jezus heeft wel eens voorwaarden gesteld, maar dan in verband met zijn leer en zending. Wanneer je dit wilt, zo zegt Hij dan, moet je eerst dat doen. Maar hij heeft nooit zonder meer gezegd. “Dit moet.” Hij heeft nooit iemand gezegd: Jij moet genezen, want je bent ziek. Hij genas alleen degenen, die Hem daarom vroegen en heeft hen nooit gezegd: “Ik heb dit gedaan”, maar alleen: “Uw geloof heeft u behouden…” Dat maakt een groot verschil uit. Zoals Jezus ook de overspelige vrouw niet heeft gestenigd – ofschoon hij het met haar wijze van leven zeker niet eens was. Hij heeft haar beschermd en heen laten gaan – misschien iets beter dan zij was en zeker met veel, waarover zij moest nadenken. Maar Hij heeft niet tot haar gezegd: “Nu moet je mij ook volgen” – of bidden tot de vader of zoiets – “want ik heb je gered.”

Hij heeft ook niet tot haar gezegd: “Kom nu tot mij, want ik zal u behouden.” Hij sprak alleen: “Vrouwe, ga heen en zondig niet meer.” En zelfs dit laatste werd niet met verheffing van stem gesproken, maar heel gewoon, zoals je zou kunnen zeggen: “Nou, goede reis dan. En pas op, dat er geen ongelukken meer gebeuren.” Dit is het typerende van het Christusprincipe, zoals Jezus het beleeft. Hij beleeft dit in een zin van eenvoud en gelijktijdig in een erkenning van de absolute zelfstandigheid van anderen.

Je kunt in deze moderne maatschappij steeds weer denkbeelden vinden, die op zichzelf heel goed zijn. Denkbeelden, die toch eigenlijk door hun wijze van uiting en toepassing ook weer verkeerd zijn. Laat mij u ook hiervan een voorbeeld geven. Men sticht een vakbond van politieambtenaren, gemeenteambtenaren enz. Deze bond vertegenwoordigt een bepaald belang.

Door onderlinge steun kan men meer bereiken, meer doen. Maar die bond krijgt ook een zekere zeggenschap over al haar leden. Nu zullen al die leden wel geloven, dat, zo zij op gezag van de bond ooit staken, of een striktheidsactie beginnen, die zowel voor hen als de gemeenschap uiteindelijk een gunstig resultaat zal brengen. Ook bij stakingen en dergelijke acties kan men niet stellen, dat de stakers e.d. ingaan tegen wat men de principes van de christelijke naastenliefde kan toestaan. Maar als de man aan de top nu handig is, of handige vijanden heeft en het geheel weet te misleiden, dan kan hij de politiemacht gebruiken voor elk doel, zelfs voor doeleinden, die met deze macht en haar taak strijdig zijn. Dan kan hij deze macht gebruiken voor het uitoefenen van terreur. Hij kan daarmede anderen de hun toekomende vrijheid ontnemen en zelfs geheel onschuldige mensen naar believen doen afranselen.

Wanneer er een ambtenarenkorps is, zo kan dit voor de gemeenschap van groot belang zijn. Het is zelfs goed voor de gemeenschap, dat er ambtenaren zijn. Maar wanneer ik kans zie, die ambtenaren bij te brengen dat zij zelf geen werkelijke aansprakelijkheden mogen of moeten dragen, omdat er ergens bovenaan iemand is, die wel zal uitmaken, wat goed is, die wel beslissingen zal nemen, dan breng ik een totale macht bij een enkele mens samen. Dan kunnen alle ondergeschikten in de mening zijn, dat zij het allerbeste voor eenieder doen en toch, omdat die ene man daar bovenaan het anders wil, allen ten nadele van een enkeling of de gemeenschap werkzaam zijn.

In de wereld van heden wordt men mens te snel een marionet. Niet omdat er wetten en regels zijn, maar eenvoudig omdat er geen mogelijkheid is zelf na te denken. De aansprakelijkheid ligt altijd ergens anders. Dit bepaalt de gehele wijze van leven en reageren in de gemeenschap. Het is geen wonder, dat, wanneer iemand dodelijk gewond op straat ligt te sterven, er wel eens vele mensen omheen staan en tot elkander zeggen: Het is tijd dat de GGB komt. Zij bedoelen het niet kwaad. Die GGB is er nu eenmaal voor en die moet er ook voor zorgen. Maar ondertussen crepeert er misschien iemand op straat te midden van een kring nieuwsgierige mensen. Vindt u dit typisch onchristelijk? Neen. Het is het eenvoudige gevolg van een steeds meer aanmoedigen van het afschuiven van verantwoordelijkheid naar de overheid, naar anderen.

Jezus heeft dan ook nooit de mens een eigen verantwoordelijkheid willen ontnemen. Hij heeft de mens niet zeker willen stellen in zijn schaapsstal als gehoorzaam deel van zijn kudde. Hij heeft de mensen niet gezegd, dat zij allen vooral gehoorzaam en zoet moeten zijn. Integendeel.

Hij zegt van zich wel: “Ik ben de Goede Herder” en vertelt een gelijkenis. Maar spreekt hij over de zoete schaapjes? Neen. Hij vertelt, dat de goede herder juist de Goede Herder is, omdat Hij uitgaat wanneer er een schaap wordt vermist en het zoekt, om, wanneer het dier geholpen wil worden, het te zoeken en te helpen. Een houding, die wel aanmerkelijk verschilt van het nu zo vaak gehoorde: Blijf vooral allen bijeen en doe allen precies, wat ik wens, anders kan ik niet voor je zorgen….

Ja, dit is een probleem dat met deze kersttijd toch wel voor velen een zeer grote rol speelt. Ik zie overal kerstbomen en ik heb zelfs mensen horen klagen, dat zij niet genoeg meer met de verkoop van die bomen kunnen verdienen. En juist in deze tijd hoort men ook steeds weer van de strijd, die de middenstand moet voeren, om nog voldoende winsten te kunnen maken. Ik heb daarvoor begrip. Maar is dat nu “Kerstmis”? Elders hoor je van vrome gezangavonden, al dan niet met een beat-orkest erbij. In alle steden zijn op pleinen en straten flonkerende kerstbomen met glinsterende lichtjes en mooie versie- ringen. Maar is er iemand, die op dit moment ook nog tot zijn naaste durft te zeggen: “Mens, ik begrijp je, ga je gang, speel geen komedie meer, wees jezelf. Wanneer het misloopt, wanneer je niet meer verder kunt, zal ik je helpen…” Is er iemand, die zeggen kan: “Ik vind het idee, dat je daar hebt niet zo gek. Ik kan het er wel niet mee eens zijn, maar probeer het…?”

Ik heb gehoord, dat er binnenkort bij u verschillende hongerstakingen zouden beginnen. Gewild zijn die niet. Zij gaan tegen Vietnam…, neen, zij gaan niet tegen Vietnam. Zij gaan in wezen tegen een wereld, die één levende leugen is geworden, een wereld, waarin het begrip normalisatie zover wordt doorgevoerd, dat men de mens het liefste zou willen maken tot de betrouwbare unit van het een of andere superbrein… Het gaat tegen een bestaan, waarin er voor Christus geen plaats meer is en waarin het begrip naastenliefde in feite gedood is door onderlinge verplichtingen die boven alle dingen worden gesteld.

Ik weet wel dat dit alles niet zo aardig klinkt. Vele mensen denken misschien wel: “Had, hij toch maar liever een kerstverhaaltje opgehangen…” Ik kan het hen niet kwalijk nemen, want een kerstverhaal is zoet, is vriendelijk. Liefelijk, zoals het “Kindeke Jezus in de stal” liefelijk is en kitsch tot en met. Het Kindeke ligt stralend, in een krib. Engeltjes zweven. Maria en Jozef staan er gelukstralend bij… Ja, dat had u gedacht. Dat wilt u ervan maken. U gunt het het kindje Jezus best…. Misschien is dit ‘een goed wensen’ een vorm van christelijke naastenliefde. Maar de werkelijkheid? Een klein wurm van een kind, dat sacherijnig lelijk en roodblauw van de kou lag te schreeuwen, terwijl de moeder eigenlijk niet wist, wat zij doen moest en de vader half radeloos was. Een kille grot, waarin een paar dieren, die met hun uitstraling en adem tenminste nog iets van warmte gaven, het is een wonder, dat het kind het overleefd heeft. Dat is de werkelijkheid.

Zoals het niet werkelijk is, wanneer men bij voorkeur spreekt over “de Zoon Gods’, die op aarde gekomen is om de mensen te redden en als een lief kindeke ligt in de stal”. Dat is een legende voor hen, die de werkelijkheid niet kunnen aanvaarden. De werkelijkheid is een wezen, dat bewust, maar ellendig op aarde geboren wordt, om later te sterven aan het kruis. Zo moest het zijn, omdat alleen zo, zonder wonderen en engelen, de mensen vrij zouden kunnen blijven, om de waarheid te aanvaarden en toch hun eigen weg te gaan. Omdat alleen zo de boodschap kon worden overgebracht. Dergelijke aspecten vergeet men maar liever. Kerstmis met een boom en mooie kerstballen. Heerlijk, kaarsjes, vooral elektrisch, want dat is niet zo gevaarlijk.

Fantastisch, maar waar blijft de werkelijke geest van Kerstmis? Waar blijft de christelijke naastenliefde in zijn ware gedaante?

Mensen komen bijeen. Men wenst elkander onnoemelijk veel goeds, zoals u hier, maar dan moet ook eenieder meedoen. Wanneer er hier nu een op zou staan en uitroepen: “Ik neem het niet meer. Dit is een aantasting van Goddelijke en bijbelse waarheden!” Wat doet u dan? Zegt u:”Jammer kerel. Moeten wij je soms even naar huis brengen? Ben je van streek?” Of denkt u geërgerd: “Laat die vent nu gauw de bek houden en opdonderen.” Het eerste zou de juiste uiting van naastenliefde zijn. Want eenieder heeft het recht zichzelf te zijn. Het is ons voorrecht een ander te helpen daar, waar hij zichzelf niet helpen kan. Het is niet onze plicht, om voor iedereen te zorgen. Maar het is ons voorrecht in elk levend wezen, in elk schepsel, God te erkennen, een deel van God, en in die erkenning met een eerbied voor hetgeen dat andere is, te benaderen en, zover wij dit kunnen, hen te helpen om beter zichzelf te zijn.

Het is altijd zo dat de mensen dromen van een witte kerst. Dat is prettig, mooi, romantisch.

Hoeveel extra ongelukken daardoor gebeuren en hoeveel arme mensen last krijgen van de kou, vooral AOW-ers zonder tijdige kolentoeslag, daarover praat men dan maar niet. Het is mooi, nietwaar? En nu komt er nog een andere soort “witte kerst”. Nu lopen zij met witte pakken aan.

En de jonge mensen met de witte pakken gaan in tegen de bourgeois geborgenheid, zelfs die van het “gezellige” kerstfeest. En u? Waarschijnlijk betreurt u dat. Of misschien gaat u nog wat verder en meent u, dat dergelijke jonge mensen eens een goed pak slaag zouden moeten hebben om anders te leren. Het is dan ook erg. Nu roepen de jongeren niet meer: “Leve Christus, Leve het koninkrijk, leve Oranje, leve het vaderland, laat ons voor deze dingen strijden en sterven.”

Zij reageren nu met een: “Kom, belazer ons niet langer. Leve de republiek.” U vindt het erg, u kunt het niet leuk vinden. Dat is ook niet noodzakelijk. Maar die ander heeft recht op zijn mening. Rijp of onrijp, de ander heeft recht op zijn eigen mening. Recht of onrecht in uw ogen, de ander heeft recht op zijn eigen bestaan. De ander mag zijn eigen leven indelen, zoals hij dit wenst, of u dit nu een goede indeling vindt of niet. En bovenal: de ander heeft recht op uw respect. Tenminste, indien u in de geest van de Christus wilt handelen. Misschien meent u, dat dit alles oude klanken zijn. Maar waarom zouden wij ze nog niet eens naar voren brengen?

Jezus in de woestijn wordt bekoord door de duivel. “Je hebt honger? Kom. Een woord van jou en de stenen worden brood en je kunt eten… ” Jezus reageert hierop niet eens. Hij zegt niet tegen de duivel, dat hij heen moet gaan. Hij heeft ergens respect voor die duivel. Want het is nu eenmaal de taak van de duivel om te verleiden, te bekoren. Dan mag men daartegen niet zonder meer ingaan. Toch is Jezus het er niet mee eens. Hij toont dit door niet te reageren. “Dan, als je werkelijk zo groot bent, werp je dan van de tinnen van de tempel. God zal zijn engelen zenden om je op te vangen, want het is je tijd nog niet om te gaan…” Jezus reageert niet. Haat Hij misschien de duivel? Neen, geheel niet. Hij aanvaardt die duivel, want het verleiden is de natuur, is de taak van een duivel. Overigens, ik wil niet beweren, dat dit alles zo letterlijk is gebeurd, maar neem dit voorbeeld uit het evangelieverhaal.

Dan komt de laatste bekoring: “Hier aan je voeten liggen alle koninkrijken der aarde. Kniel neer en aanbid mij en ik zal u dit alles geven…” Wat doet Jezus nu? Wordt Hij eindelijk nijdig, grijpt Hij de duivel beet, legt hem vijf knopen in de staart om hem dan terug te werpen in de diepste hel? Volgens de meesten onder u zou dit ongetwijfeld in overeenstemming zijn met de christelijke opvattingen: De duivel de hel in en verder geen drukte, nietwaar? Maar de enige, die daarvoor een goede methode heeft gevonden is Boccacio Dante. geweest…. Jezus echter reageert met een: “Ga achter mij, Satan.” Dat heeft iets te betekenen: Zelfs de duivel wordt door de Christus niet afgewezen. Hij zegt hem alleen: Laat mij mijn eigen weg gaan. Ga achter mij.

Dit dan is het verhaal. Indien wij de evangeliën mogen geloven, kan Jezus zich zo gedragen tegen de lijfelijke, de baarlijke duivel. Zo reageert Jezus op de krachten van chaos, de meester van de afgrond, de vader van alle leugens. Zou u dan minder moeten doen dan Jezus? Zou uw naastenliefde dan ook wel goed zijn, wanneer u die duivel terug zoudt trappen in de diepste ellende van de hel? Ik meen van niet. Ik geloof, dat je juist dan geheel niet moogt spreken over macht en positie, maar alleen moogt zeggen tegen alle krachten: “Laat mij mijn weg gaan en ga jij de jouwe. Maar als je me nodig hebt en ik kan je helpen, zonder daarvoor mijn God of mijn eigen wezen te verloochenen, zal ik het doen. Want ook in jou, zoals in mij, leeft God.” Indien de mensen op aarde dit eens zouden beseffen en naar deze regel zouden handelen op aarde, in plaats van steeds te strijden – en met alle middelen – over wat beter is: het kapitalisme of het communisme, zou het op de wereld heel wat beter zijn. Uit christelijke naastenliefde strijden vele mensen tegen het communisme, om zo het mensonterende systeem te ontluisteren on de mensheid te bevrijden van het juk van deze dictatuur. Men wil de mensen hiervan bevrijden, of zij dit nu willen of niet. Men beroept zich op Christus, noemt het een taak van werkelijke naastenliefde. Maar is dat wel waar? Is er niet eerder sprake van eigenbelang?

En aan de andere kant zegt men: Wij moeten de arbeiders van deze aarde van het juk der slavernij bevrijden, hen opgelegd door de kapitalistische uitbuiters. Nu wil ik hierbij meteen opmerken, dat Nederland geen maatstaf is, om de waarden van beide systemen tegen elkander af te meten. De tijden zijn wel slecht en misschien zouden sommige arbeiders het even slecht gaan krijgen, als men zegt, als dat de arbeiders in Rusland eraan toe zijn, maar als wij alles op de keper beschouwen, is de mens, die werken wil er niet beter en niet slechter aan toe in Nederland dan in Rusland. Inkomens en kostenvergelijkingen, zelfs een beoordeling van de verschillen in leefwijze spelen hierbij n.l. geen rol. Wij kunnen vooruitgang en bereiking in de stof immers alleen zien in verband met de reeds eerder bestaande sociale verhoudingen.

Waarom dan niet zeggen, dat het niet belangrijk is of men nu communist is of kapitalist, maar alleen, of wij waarlijk mens zijn? Is het niet veel belangrijker, mens te zijn, dan je voet stijf te houden, omdat je op een bepaald formulier of verdrag de woorden DDR niet wil aanvaarden? Het verwerpen van menselijke belangen omentwille van ambtelijke, ja, papieren waarden en regels beschouwt men in vele delen van de wereld tegenwoordig als christelijke rechtvaardigheid, rechtlijnigheid. Men meent, dat Jezus het zó en niet anders zou hebben gewild.

Maar waar is de naastenliefde dan? Ouders, die hun volwassen kinderen niet zullen kunnen zien, die hun nieuwgeboren kleinkinderen nooit zullen aanschouwen in Berlijn, treuren met Kerstmis. Omdat er geen pasjes zijn. En pasjes konden er dit jaar niet zijn, omdat men groot wil zijn en zijn recht en waardigheid wil bewaren. Omdat men niet toe kan geven, wat in feite reeds lang bestaat.

Is onverzettelijkheid dan een teken van christelijke beschaving? Jezus gaf zo vaak toe. Zolang het niet in strijd was met zijn innerlijke waarde, met de Vader in Hem, was Jezus groot genoeg om toe te kunnen geven, toegeven omentwille van God; zelfs wanneer deze toegeeflijkheid het beeld van eigen grootheid of zelfs eigen belangen zou kunnen kwetsen, lijkt mij eerst echt een handelen met naastenliefde. Denken aan de ander, niet alleen aan jezelf, daar gaat het om. Het is zo gemakkelijk, om het anders te doen. Zo dadelijk zal in vele plaatsen de nachtmis weer beginnen en men zal wel weer op vele plaatsen grote collectes houden. En dan zullen er weer mensen van goede wil zijn, die heus wel een paar gulden over hebben voor het verzorgen van de bleekneusjes onder de negers of zoiets.

Maar heeft dit nu iets te maken met werkelijke naastenliefde? Men doet wel alsof, maar is dit niet eerder een vorm van zelfrechtvaardiging en zelfverheffing? Neem mij niet kwalijk, dat ik dit zo stel. Het is vaak een denkbeeld? “Ik doe toch maar veel goeds…” Maar je doet het niet voor je anderen, maar voor jezelf. Je weet eigenlijk vaak niet eens, waarvoor je geeft. Misschien geef je voornamelijk een bijdrage voor het loon van de registrators, die, wanneer het niet meer anders kan, de overgebleven gelden zullen gaan verdelen, zodat een klein deel daarvan t.m. de werkelijke bestemming bereikt. Bij deze vorm van royaliteit denkt men daarover niet na. Zelfs als men het zou kunnen weten, interesseert het de meesten niet. Toch zien zij hun geven als een daad van christelijke naastenliefde. En dat is niet waar.

Laat ons de zaken maar eens wat scherper stellen, op deze avond. Christelijke naastenliefde is niet aan jezelf denken, het betekent ook niet, dat je eigen wezen en bestaan geheel dient te verloochenen, te ontkennen. Het betekent eenvoudig, dat je bent, zoals je bent en een ander wilt aanvaarden, zoals hij is en deze zult helpen, wanneer je maar ziet, dat daaraan werkelijk behoefte bestaat en dat je werkelijk kunt helpen. Dat is christelijke naastenliefde. Dat is niet zo romantisch. Het past dan ook niet in de gangbare kerstsfeer. Zo dadelijk beieren de kerstklokken en eten vele mensen hun kerststollen met of zonder spijs, genieten zij van hun gezellig vroom kerstontbijt en hun luxe kerstdiner. Misschien staat de tv. ondertussen wel aan en predikt de dominee met vele vrome woorden over de liefde Gods.

Alles gezellig en mooi. Dat wel. Maar waar blijven de werkelijke waarden, waar is de werkelijkheid? De werkelijkheid is onder meer, dat 2/3 van de wereldbevolking op het ogenblik volgens uw maatstaven honger lijdt. Het is een feit, dat de helft van degenen, die volgens u onderontwikkeld zijn en hongerlijden, uw hulp geheel niet wensen. Er zijn mensen, die uw hulp dan maar aanvaarden, maar gelijktijdig zichzelf verachten en u haten, omdat zij deze hulp nemen, omdat zij deze van node schijnen te hebben. Dergelijke mensen zou je, zelfs al betekent dit volgens u ellende en honger voor hen en hun kinderen, hun eigen weg moeten laten gaan.

Deze mensen moogt u niet eens tegen hun wil in helpen, wanneer u werkelijke naastenliefde kent. Maar wie denkt er werkelijk aan de mensen, die op het ogenblik op deze aarde verhongeren? Wie denkt er aan de mensen, die sterven in pijn door menselijk geweld, die lijden als gevolg van de menselijke “politiek” en vredesverdragen”? Wie denkt er nu aan, dat de wereld op het ogenblik gevaarlijk balanceert op de grens van een of ander groot wereldconflict?

De kerst is zo gezellig, de kerststol is zo lekker en het koor zingt zo mooi. Meneer pastoor heeft zo een mooie kazuifel aan. Het is echt Kerstmis, vrede op aarde. Is dit dan werkelijk uw denkbeeld van christelijke naastenliefde? Het is toch het feest van de goede wil? Het gehele jaar door hoort u overal de Bijbelwoorden klinken. Men predikt steeds maar weer over de noodzaak anderen te helpen, over de belangrijkheid van christelijke naastenliefde. En kijk dan eens naar de feiten.

Jullie hebben van de wereld en van jezelf slaven gemaakt. Je hebt het gehuld in een mantel van zelfbedrog en zelfbegoocheling. En via vroomheid en “nederigheid” stellen velen onder jullie dan verder Christus maar verder verantwoordelijk voor de gevolgen van al jullie fouten.

Meen nu niet, dat dit alles wel heel erg pessimistisch klinkt. Zeg nu niet, dat dit alles wel wat erg eenzijdig is gesteld. Denk eens over al deze dingen na. Realiseer u, dat de mening, die ik nu verkondig, zeker niet alleen bij mij bestaat. Bedenk, dat de argumenten, die ik hanteer, niet alleen mijn argumenten zijn, maar dat zij overal op de wereld leven en voorkomen in vele verschillende vormen. U hoeft het niet alles goed te keuren. Maar misschien kunt u dan tenminste iets van de werkelijke naastenliefde opbrengen, die zegt: ik zie het zo wel niet, maar als je meent, dat het zo is, probeer dan wat je bereiken kunt; als het blijkt, dat je verkeerd hebt gezien, dat je niet verder meer kunt, ik zal je helpen.

Op het ogenblik is het een tijd van vele eigenaardige Lichtende Krachten. U zult dit binnenkort wel aan den lijve ervaren en enkelen onder u hebben het reeds bemerkt. Er is een spel van krachten. Deze krachten zijn rechtlijnig. Zij zijn a.h.w. als een kapitaal. In zich dood, vastgelegd in een bank. Dat kapitaal wordt misschien zelfs wel uitgeleend, maar het komt steeds weer terug, het moet dan interest opbrengen. Maar werkelijk leven doet het niet. Je kunt 5 miljoen op de bank hebben staan, zonder dat zij ooit werkelijk zijn, werkelijk leven. Gek. Als je een gulden geeft aan iemand, die het nodig heeft, indien je iets koopt voor enkele centen, waarmee een ander blij is, dan leeft het geld. Dan pas heeft geld werkelijke zin, dan pas zal het werkelijk leven. Naastenliefde is iets, wat leven, wat vitaliteit brengt.

Het is niet alleen maar een mooie slogan, wanneer ik dit zeg. In het werken van deze Lichtende Krachten zullen wij het weer kunnen zien: de mens krijgt krachten. Maar wat doet hij er mee?

Hij zou de gehele wereld dankzij deze krachten sterker, lichter, blijer kunnen maken. Hij zou eigen kleine teleurstellingen kunnen overwinnen en in de plaats daarvoor iets kunnen geven, dat de mensen doet gloeien vanbinnen, hen doet zeggen: “Ik voel mij nu werkelijk beter…” Maar hoeveel mensen zullen dit doen? De meeste mensen, die iets van deze krachten beseffen, zullen trachten dezen te gebruiken als een kapitaal. Zij zullen er interest mee willen maken en denken, dat alleen de veelheid van de krachten waarover zij kunnen beschikken, van belang zal zijn. Maar dit is niet waar. Het belangrijkste is wel, wat je er mee doet.

Dit geldt overigens voor u en geheel uw leven. Wat u met uw leven doet, is op zich niet zo belangrijk, het gaat er om, wat u daarmede voor anderen bent en doet. Misschien hebt u eenmaal in geheel uw leven één mens waarlijk en zonder daarbij u zelf te zoeken, gelukkig gemaakt. En als u een heel leven met alle verdienste voor de wereld, alle eerbetoon van alle burgers en zelfs reeksen van ridderorden moet gaan herleiden tot zijn werkelijke betekenis, zo zal het dat ene punt blijken te zijn, waarin u een enkele mens onzelfzuchtig voor een enkel ogenblik gelukkig maakte. Meer betekent uw leven dan in feite niet. Christelijke naastenliefde in zijn werkelijke betekenis is de essentie van alle bestaan, het is de kosmische betekenis van het ik, de relatie tussen het ik en de oneindigheid. En ook natuurlijk de werkelijke relatie, die men kent met het eigen ik en de mensheid.

Wat je doet, is op zich onbelangrijk. Of je nu koffiedrinkt of een neutje neemt, maakt heus geen werkelijk verschil. Maar wanneer u nu, door het kopje koffie te willen drinken een ander in zijn stemming schaadt, terwijl het voorzichtig nippen aan wat alcoholica – al bent u dit misschien niet gewend – een ander de vreugde geeft niet alleen te drinken, zal dit laatste beter zijn. Dit ene gebaar, waardoor men de ander in zijn waarde erkent in het besef, dat voor het ik hier in feite iets belangrijks geschiedt, kan in het leven wel eens van veel meer belang zijn dan het winnen van een Nobelprijs voor de vrede of zoiets.

Het gaat er om, wat je voor een medemens kunt betekenen, wat je voor elkander kunt zijn. Het zijn vaak de schijnbaar onbelangrijke woorden van sympathie, het kleine beetje kracht, dat je een ander geeft, het ene ogenblik tijd, dat je voor een ander vrijmaakt, wat aan je leven een werkelijke betekenis geeft. U moogt niet verwachten, dat de anderen u zullen bejubelen om uw goedheid. Het enige, wat u moogt verwachten, wanneer u in uw leven hierop de nadruk legt, is, dat door uw bestaan een ander ergens voor een ogenblik wat gelukkiger is. Wat wij aan geluk kunnen geven rond ons, wat wij aan vreugde kunnen geven rond ons, wat wij aan wereldaanvaarding voort kunnen brengen in anderen, is de werkelijke betekenis van het bestaan. En deze betekenis is dan gelijk aan alles, wat in het werkelijke begrip naastenliefde geborgen is. Zodra je van de christelijke naastenliefde een wetboek wilt maken, een korset van gedragsnormen, kun je misschien wel je zelf rechtop en rechtvaardig voelen, maar je zult dan zo ingeregen zijn in het pantser van zelfrechtvaardiging, dat je in wezen zelfs voor God niet meer buigen kunt. Dan zijn je blikken zo zeer op het hogere gericht, dat je ten gronde gaat, omdat je niet neer kunt zien waar je loopt.

Indien wij alles samennemen, rijst mij de vraag, of het wel naastenliefde is, die mij dit alles tot u doet zeggen. Een vreemde vraag misschien. Maar ik zeg dit alles, omdat ik het eerlijk meen. Indien ik het zou zeggen om u duidelijk te maken, hoeveel wijzer en beter ik ben dan u, had ik het zeker beter ongezegd kunnen laten, zelfs indien elk woord juist en verantwoord is. Ik meen, dat juist het feit, dat ik in mijzelf als geest, als spreker – en in het verleden ook als mens – ditzelfde gebrek aan erkenning van anderen vindt, – zoals ik het u nu voorleg als de grote fout van de wereld en gebrek van werkelijke naastenliefde, mij het recht geeft, om te spreken.

Ik spreek niet tot u als een gelouterde of geredde tot zondaars. Wij zijn gelijk. Wij maken dezelfde fouten. Ook in de geest gaan wij uit van onze eigen standpunten. Ook vanuit de geest zal men vaak proberen u iets op te dringen, wat misschien voor u toch niet juist is. Het is wel waar voor de geest, maar daarom is het nog niet de enige waarheid en hoeft het zeker voor u niet de enig juiste weg te zijn.

Wij maken die fouten ook. Ik weet het. Maar laat ons het dan tenminste erkennen en zeggen: Mensen, het gaat er niet alleen om, jullie te beleren en duidelijk te maken, hoe goed wij wel zijn, het gaat er maar om, te erkennen, hoeveel wij gemeen hebben. Voor ons geldt daarbij ook: Erkennen, hoevelen fouten wij nog met u gemeen hebben, laat ons onze fouten erkennen.

Stilletjes desnoods. Wij hoeven heus niet met onze feilen te koketteren. Laat ons door de erkenning van eigen fouten en feilen de ander leren aanvaarden zoals hij is. Laat ons desondanks dan zoeken, met alle besef van aanwezige fouten, in de ander en onszelf, naar God, zoals hij in ons allen leeft. Ik meen, dat wij dan eerst waarlijk, omentwille Gods, lief zullen leren hebben. Ik meen dat wij dan eerst waarlijk onze naasten lief zullen kunnen hebben als onszelf. Dan zullen wij niet meer op een kitscherige manier het kerstkindje verheerlijken en onze kerstbomen aansteken, maar zullen wij de eenheid beseffen van geboorte en kruis, van menselijke geboorte en dood, van het beste in de stof en in het bestaan in de geest. Alle dingen zijn één. Die eenheid een betekenis geven, is de grote kans die ons gegeven wordt. Het is, naar ik meen, ook de grootste taak, die wij in het leven kunnen aanvaarden. Want de zwaarste taak is wel onzelfzuchtig iets te betekenen voor anderen omdat wij in de ware geest van Christus onze naaste lief hebben gelijk onszelf en God erkennen en beminnen boven alle dingen.

Dit was dan mijn toespraak voor heden. Ik heb nog even tijd. Daarom het volgende. Al sprekende heb ik geageerd tegen vele onjuistheden, tegen het zelfbedrog, dat ook op Kerstmis hoogtij viert. Maar daarnaast heb ik ook getracht mijzelf te vinden. U begrijpt het misschien niet altijd.

Maar wanneer wij beschouwelijk bezig zijn, of zelfs een donderpreek houden, zoeken wij niet alleen maar u iets te leren. Wij trachten tevens iets van onszelf te erkennen. Wij kunnen u alleen iets leren, wat wij reeds beseffen. Maar vaak komt het voor, dat wij bezig zijn u iets te leren en dan pas iets beseffen. Ik meen dat je niet werkelijk een onderscheid kunt maken tussen wat je naar buiten toe tot uiting brengt en wat je naar binnen toe beleeft. Wanneer je eerlijk en oprecht bent, smelt dit samen. Zo ook vanavond. Ik heb vele dingen gezegd: oud, nieuw, zoals altijd voor u een soort hutspot van dingen, die u al eens gehoord hebt, dingen die u meende al eens gehoord te hebben, al was het niet zo, en misschien een enkel voor u nieuw element, een enkele voor u nieuwe benadering erbij. Dat is de buitenkant.

Maar wat is daarin verborgen? Wanneer ik dergelijke dingen zeg, meen ik ze werkelijk, leef ik. Hoe meer ik spreek, hoe meer ik mijn eigen onvermogen begin te begrijpen. Hoe meer ik ook begrijp, dat ik niet degene kan zijn, die u steeds hulp geeft langs deze weg. Want zo dadelijk lig ik misschien gewond langs de weg en heb ik uw hulp van node. De geest is niet groter of beter dan u. De geest staat er op het ogenblik wat gunstiger voor. Dadelijk kan het anders zijn.

Onze rol kan wisselen. Ik zou kunnen incarneren, terwijl u misschien in de geest kunt leven en leraren. Daarom vraag ik mij af, waarom er tussen ons zo vaak een soort afgrond schijnt te gapen. Er lijkt een afgrond te zijn, omdat wij “uit de geest spreken” en u “maar in de stof bent”. En omdat wij “verder zijn dan u en het dus wel beter moeten weten”, terwijl u maar arme onbeholpen mensen bent. Maar m.i. is een dergelijke benadering een grote fout. Natuurlijk zijn er bepaalde dingen, die u beter kunt doen, en kennen wij bepaalde dingen, die wij weer beter kunnen doen. Dat is logisch. Maar is naastenliefde eigenlijk geen samenspel? U in uw eigen rechten en waardigheden en wij in de onze? Maar er is geen verschil dat zo groot is, als velen van u schijnen te denken. Daarom kan ik, wanneer u droomt van Lichtende paden of misschien wel van ondergang en ruïne, alleen maar zeggen: dit is een droom. Maar zolang wij onszelf kunnen blijven, zou er dan werkelijk iets belangrijks veranderen? Ik meen, dat wij ten hoogste de wereld steeds beter zullen leren kennen, beter zullen leren beleven. Ga daarom nooit boven een ander staan, tracht ook nimmer in een schijn van minderwaardigheid je achter anderen te verschuilen, wees jezelf, dat is het belangrijkste.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterie

Er staat hier een mooie kerstboom. De kerstboom is het symbool van het leven. De mens kiest als symbool van het leven een boom, die altijd groen blijft, dat lijkt mij voor heden een aardig punt van uitgang.

Het leven is altijd “groen”. Het is altijd nieuw. Elke dag begin je eigenlijk opnieuw te leven. Je vergeet dit meestal. De mens heeft te veel herinneringen. Hij is zo sterk geketend aan zijn oude denkbeelden en zijn gisteren reeds gevonden zorgen, dat hij helemaal vergeet te beseffen, dat het vandaag weer een nieuwe dag is. De mens is daarbij steeds weer zo overtuigd, dat alles, wat hij gisteren geleerd heeft, ook vandaag en morgen weer waar zal zijn, zodat hij doodgewoon blind is voor al het nieuwe, wat er vandaag kan gaan gebeuren.

Men hoort wel verhalen – sprookjes zegt men dan vaak – over ingewijden, die zo maar, net als trouwens Jezus heeft gedaan, door muren of gesloten deuren een kamer binnen komen, – degenen, die zoiets een sprookje noemen zeggen: “Dat kan niet. Er zijn immers vier muren, er is een plafond, een vloer. Het is een soort doosje, waarin je zit. Daarop kun je niet zomaar een gesloten kamer verlaten. Er moet eerst een gat zijn, waar je door kunt gaan.” Maar stel je nu eens voor, dat je alles zou kunnen vergeten, alle beperkingen, die je geleerd hebt, alles dat bestaat. Stel dat je helemaal opnieuw zou kunnen beginnen met leven. Dan zou je in de kamer staan en beseffen: Ik wil ergens anders naar toe, maar niet weten dat muren enz. daarvoor een belemmering zijn. Ik denk, dat je dan ook door de muren zou kunnen lopen.

Realiseer u nu eens, wat ik daar zeg, namelijk, wanneer ik de begrenzing vergeet, bestaan zij niet. Ik meen, dat dit waar is. Zoals het leven oneindig is, zo zijn, volgens mij, ook de mogelijkheden oneindig, zoals mijn capaciteiten in feite oneindig zijn, zo is ook God oneindig.

Maar naarmate ik meer beperkingen ga beseffen en ze aan mijzelf ga opleggen door te stellen, dat iets niet kan, dat iets onmogelijk is en zelfs zo ver ga te stellen, dat de ervaring mij gisteren heeft geleerd, dat iets niet ging, zodat het “dus” vandaag ook niet mogelijk zal zijn, zal ik het mijzelf meer onmogelijk maken mijzelf te zijn en minder gebruik kunnen maken van al datgene, wat ik in feite ben en kan.

Nu lijkt dit misschien niet op esoterie. Maar zoals wij deze dingen van binnen doen, doen wij ze ook naar buiten toe. En zoals wij in de wereld buiten ons deze dingen erkennen en ons eraan onderwerpen, doen wij dit ook innerlijk. Wij doen in feite niets anders dan steeds maar weer muurtjes bouwen en zeggen dat wij daarover niet heen kunnen gaan, dat wij daar niet doorheen kunnen, zodat er eerst een deur moet zijn. Als ik zeg, dat ik als mens of geest God niet bereiken kan, omdat ik het gisteren heb geprobeerd en geen resultaten had, maak ik het mijzelf onmogelijk dit vandaag te bereiken. Indien ik echter begrijp, dat met gisteren afgerekend is, dat vandaag het product is van alle verleden samen, dan zou ik misschien vandaag wel geheel opnieuw durven beginnen. En dan meen ik, dat ik ook iets zou kunnen bereiken.

Ik heb natuurlijk een bepaald beeld van mijzelf. Zeker wanneer je op aarde leeft, kan je het eenvoudig niet zonder stellen. Daaraan kun je weinig veranderen. Toch heeft zelfs daar een wijziging van denken invloed. Denk maar eens aan de bekende methode van Coué: elke dag gaat het mij beter, elke dag hen ik gelukkiger, elke dag kan ik iets meer enz. Misschien helpt het niet voor iedereen, want je moet er nog in geloven ook. Gewoon zelfsuggestie? Zeker, zelfsuggestie. Maar is het ook niet een aanvallen van de redelijke vaststellingen, een geestelijk trommelen tegen de muren, die je rond jezelf hebt gebouwd, tot er eindelijk eens een bres in komt? Je denkt, dat je zoveel dingen niet kunt. Je bent natuurlijk ’te dom’ om zekere dingen te begrijpen. Wij zijn maar zwakke mensen. Wij zijn in de maatschappij aan handen en voeten gebonden. En zolang je dit gelooft, is het ook waar. Zolang u nog denkt aan die dingen, zijn zij waar. Pas op het ogenblik, dat je het vergeet, hoeft het niet meer waar te zijn. Wat in deze tijd een heerlijk onderwerp is voor vele filosofieën.

Je kunt natuurlijk zeggen: Het kind Jezus is op aarde geboren. Alles was heerlijk, rondom speelden engeltjes. Hij werd geboren in een stal…. Het was wel een grot, maar dat is te moeilijk, dus maakt men er liever een stal van. En zolang je in die dingen werkelijk zo gelooft, is het voor jou waar. Hij deed wonderen, zelfs reeds als kind. Maar als je vraagt, waarom die dingen nu niet meer mogelijk zijn, dan luidt het antwoord: “Ja, dat kon in Jezus’ tijd …” Maar als het in die tijd kon, zou het dan nu niet evenzeer mogelijk zijn? Waarom, toen de hemel zich openen kon, en engelen voor eenieder zichtbaar boodschappen konden brengen, zou dit dan vandaag niet evenzeer mogelijk zijn?

Jezus ging door het land, Jezus deed wonderen. Ja, want Jezus kon dat. Zeker, en de apostelen konden het ook. Zouden wij het dan in deze dagen niet meer kunnen? Maar ja, de mensen zijn allen ergens als Petrus. Die voelde zich een hele held en liep over het water, waar de Meester was. En halverwege tussen oever en schip dacht hij opeens: “Verdorie, wat doe ik? Ik loop over water en dat kan toch niet?” Als gevolg hebben zij hem als een half verdronken kater aan boord van het schip moeten hijsen. Misschien niet direct een eerbiedige omschrijving van de sleutelbewaarder des hemels. Ik geef het graag toe. Maar zo zag hij er toch werkelijk uit en zo was het dan toch maar. En alleen, omdat hij bij zichzelf dacht? Maar dat kan toch niet?

Trouwens, het is voor ons een goed voorbeeld. Wanneer wij met esoterie beginnen, dan beginnen wij net als Petrus aan zijn te vochtig geëindigde wandeling: wij denken, dat wij alles kunnen. Maar dan gaan wij “redelijk denken”. Dan zeggen wij onszelf: “Is dit nu nog wel waar?

Kan dit nog wel? Is dit geen fantasie? Ik maak mijzelf maar wat wijs…” Op het ogenblik, dat wij dergelijke dingen gaan denken, is er geen houvast meer. Dan zakken wij door de vloer. Want de innerlijke weg, de esoterie, die wij willen zien als een vaste weg, is uiteindelijk maar een heel dun vlies in het niets. Wij maken a.h.w. uit de tijd een stukje eeuwigheid. En zolang wij dit kunnen onthouden, beseffen dat het eeuwigheid is, betreden wij waarlijk de eeuwigheid. Dan hebben wij alle krachten der eeuwigheid ter beschikking en is het kerstwonder voor ons niet meer iets bijzonders, maar iets, wat elk ogenblik bestaat. Zoals lopen over water voor ons niet meer iets is, wat onmogelijk is, maar doodgewoon iets, wat je kunt doen, wanneer je het noodzakelijk acht. En in jezelf gaan tot in de oneindigheid van God, waarin je jezelf niet eens meer als mens kunt beseffen, wordt dan op de duur even gewoon als het nemen van een douche, wanneer je je niet fris voelt.

Dat valt mij bij de kerstviering altijd weer zo op; men maakt er iets unieks, iets buitengewoons van, maar vergeet, dat het eigenlijk toch een doodgewone zaak was. Zoals men in het geheel van het verhaal meent Gods wil te moeten zien. Mogelijk, maar dan werkt God nog steeds met dezelfde middelen…. Tiberius had wat ambtenaren werkeloos lopen, die toch hun salaris wilden hebben. Hij durfde ze niet te ontslaan vanwege hun relaties – of misschien wel uit angst voor hun vakbond. Iemand kreeg een goed idee en sprak: “Laat ons een volkstelling houden, dan zijn wij voorlopig weer onder de pannen”, en de keizer vond het goed. Maar meerdere ambtenaren hadden bezwaren. Moeten wij nu al die dorpen en alle huizen af gaan lopen? Dat wordt ons veel te lastig. Maar een efficiency expert van die dagen had daarvoor wel een oplossing. Je laat eenvoudig alle mensen komen naar de stad, waar hun geslacht vandaan komt. Dan hoeft in die steden alleen maar een ambtenaar te gaan zitten om te tellen en in te schrijven. Misschien heeft iemand wel bescheiden opgemerkt: “Zou dat voor de mensen niet veel te lastig zijn?” Maar dan heeft hij zeker als antwoord gekregen: “Het geheel van de gemeenschap gaat voor. Men moet er maar iets voor over hebben goed geregeerd te worden.”

Tegenwoordig gebeuren dergelijke dingen nog steeds. Het gaat misschien met minder hinder voor de mensen, iets luxueuzer, maar veel verschil is er niet, en de mensen gehoorzamen aan de ambtelijke oproep. Zoals Maria en Jozef deden. Hun tocht was niet iets bijzonders, want er gingen meer dan 10.000 mensen op stap in die dagen en daaronder waren zeker ook wel zwangere vrouwen. Dat men op verzoek of bevel van de overheid een tocht maakt, kan zelfs in deze dagen nog voorkomen. En dat er een kind geboren wordt op een vreemde plaats, is ook al niets bijzonders. Tegenwoordig komen er wel kinderen op straat, in taxi’s en vliegtuigen ter wereld. Waarom zou het dus ook niet eens in een stal gebeuren, nietwaar. En het feit, dat Jozef en Maria bij gebrek aan woon- en logeerruimte in een stal moesten overnachten, is ook al geen nieuws. Tegenwoordig wonen er zelfs wel mensen in een stal, waarvoor zij huur moeten betalen en die wijds “flat” wordt genoemd. Wanneer er al iets is, wat men een wonder wil noemen, dan is het de geboorte van Jezus. Maar wat de omstandigheden betreft, zou Hij in deze dagen overal en op elk moment van de dag geboren kunnen worden.

Zoals men van Jezus zelf iets bijzonders wil maken, om wat Hij deed, in zijn leven. Hij was misschien meer dan wij. Hij kon veel, waarvan wij nog niet weten dat wij het kunnen. Maar zijn leven was uiteindelijk ergens opgebouwd uit het gewone, niet uit het uitzonderlijke. Eerst wanneer wij dit gaan begrijpen, wanneer wij dit vast weten te houden, kunnen wij Hem volgen.

Dan kunnen wij ook wonderen gaan doen. Waarom ook niet. En zeer zeker kunnen wij dan ook, zoals Jezus deed, in onszelf spreken met de Vader. Wanneer ik dit zo zeg, zijn er natuurlijk heel wat mensen, die daartegen in het geweer zouden willen komen. Vreemd genoeg blijken zij hun bezwaren en argumenten meestal te ontlenen aan de priesterstand. Dat zijn degenen, die het Woord verkondigen, zij zijn de vertegenwoordigers van God op aarde. Hun uitleg is beter dan de mijne…. Maar dan zouden zij ook moeten zeggen: “Als Annas en Caïphas zeggen, dat hetgeen Jezus is en doet, verkeerd is, zo spreken ook hier priesters, hogepriesters zelfs. Wanneer die het zo zeggen, dan kan Jezus toch niet goed zijn?”

Wanneer wij ons steeds weer blijven beroepen op het gezag van anderen, halen wij het niet, dan komen wij niet, waar wij zouden willen zijn. Indien wij in ons een verbondenheid met God gevoelen en dan zeggen: “Ik geloof dit wel, maar het kan niet waar en juist zijn, want in de leerboeken van die of de uitspraken van gene staat, dat dit nooit van God kan komen”, zullen wij alle mogelijkheid tot een werkelijk en persoonlijk contact met God eenvoudigweg verliezen.

Eigenlijk zou het mogelijk moeten zijn, dat de mens elke dag als opnieuw geboren zou zijn en elke gang in zich, elke benadering van de esoterische waarheid, moet dan ook volgens mij een hergeboorte zijn, waarbij alle verleden wegvalt en alleen het heden nog telt.

In vele esoterische groepen vinden wij inwijdingsriten, die hierop schijnen te berusten. Ook hier zal men, om tot de groep te worden toegelaten, symbolisch moeten sterven en herboren moeten worden. De mensen gaan daar dan heen, vinden het alles wijs en fantastisch. Zij zitten geduldig in het duister, beantwoorden vragen, laten zich de blinddoek afnemen en voelen dat zij opnieuw geboren zijn. Waarop zij dan huiswaarts gaan en de vrouw precies zo uitschelden als gisteren wanneer zij weer eens het eten aan heeft laten branden en net zoals vroeger leven, zonder ook maar een enkele regel, een enkele gewoonte te verliezen.

Dat zou er af moeten, dat laatste. Men zou niet meer terug moeten gaan tot het vorige bestaan, zelfs na een dergelijke inwijding. Want wanneer je weer terugkeert tot alles wat je was en meende te weten, maak je immers de inwijding in feite ongedaan… Je moet steeds verder gaan.

Elke keer, wanneer je “herboren bent” sta je vrij in de wereld, geheel vrij. Denk u eens in, dat u op aarde koopman bent. U bent rond 50 jaren. U kent en durft niets anders meer te gaan doen, u zit eraan vast. Nu wordt u echter herboren. U bent weer jong, geheel nieuw. Nu kunt u kiezen, wat u wilt gaan doen. Dan kunt u pastoor of poolonderzoeker worden, de oude beperkingen zijn opgeheven.

Het leven is een eeuwig groene boom. Groen, altijd jong, altijd nieuw. Je zoudt eigenlijk in je leven elke dag weer geheel opnieuw moeten kunnen beginnen, elke dag weer je afvragend: Wat wil ik vandaag – en dus niet, wat wilde ik gisteren of wat zal ik morgen willen. Wat wil ik vandaag?

Waarvoor ga ik nu vechten? Wat ga ik nu waar maken? Als je dat zoudt kunnen doen, ik garandeer u, dat er geen muren meer zouden bestaan, die u tegen zouden kunnen houden. Dan zouden alle remmen wegvallen en u zou eindelijk waarlijk en waarachtig u zelf kunnen zijn zonder enig voorbehoud. Alle ziekten, problemen, schulden zijn ten einde: “Ik ben herboren. Ik ben nieuw. Ik zie de dingen met nieuwe ogen. Ik herschep elke dag mijn wereld, en mijzelf.”

Dat lijkt onmogelijk, maar dat is nu ware esoterie. Dat is werkelijk leven, waar bestaan. Ook al zullen de mensen zeggen, dat ik goed praten heb. Zij zullen aanvoeren, dat zij gisteren verplichtingen hebben aangegaan die zij vandaag na zullen moeten komen. Natuurlijk…. Maar de wijze, waarop je de verplichting na zult komen, wordt niet door theorieën bepaald en ook niet door gisteren. Zij vloeit voort uit wat je vandaag bent, wat je kunt en wat je nastreeft. In de praktijk is dit al vaak het geval. Waarom niet toegeven, dat het beter is, ook in eigen bewustzijn dit feit te aanvaarden?

Zoals de mensen ook niet schijnen te begrijpen dat elke band, die “voor de eeuwigheid” is gesloten, elke dag opnieuw zal moeten worden gesloten, wil zij waarde en betekenis hebben. De mensen zeggen: “Ik heb een keer God aanvaard, voor mijn gehele leven. En nu zal, hetgeen ik toen afsprak, altijd waar zijn.” Maar dat is pas een werkelijkheid, wanneer men elke dag opnieuw nog steeds hetzelfde kan erkennen, beleven en willen. Maar dan is het ook helemaal waar, dan zullen er geen remmen en belemmeringen bestaan. Maar wanneer je iets eenmaal hebt gedaan en dan meent, dat de rest wel voor zichzelf zal zorgen, zit je ernaast. Zo iemand loopt evenveel gevaar, dat hij zal moeten boeten voor zijn laksheid als iemand, die met een verlopen kaartje in de trein zit voor zijn reizen zonder geldig plaatsbewijs.

Is dit nu esoterie? Misschien ook wel. Maar waarom eigenlijk esoterie? Is die esoterie niet eenvoudig leven? Ik zou zeggen: Leven en esoterie is hetzelfde, zoals met heel je wezen over ingewikkelde problemen piekeren, en met geheel je wezen de afwas doen, volgens mij op hetzelfde neer komt. Daarom, probeer vandaag gisteren eens te vergeten. Probeer je problemen vandaag eens nieuw te zien. De afwas moet per slot van rekening ook elke dag weer gedaan worden, nietwaar? Wat wij elke dag weer doen of moeten doen, willen wij het ware groene leven kennen, waarvan de boom hier een symbool is, is eenvoudig elke dag weer opnieuw beginnen.

Elke dag opnieuw schoonmaken wat schoongemaakt moet worden. Elke dag weer zonder de beperkingen van gisteren zien, wat wij vandaag willen en kunnen doen. Dat is het dan.

image_pdf