Christen zijn in de praktijk

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 64

12 mei 1957.

In Jezus leringen liggen stellingen verborgen, die zeker voor ons allen een voortdurend. nadere beschouwing vragen. christen zijn wil niet zeggen tot een christelijke geloof behoren, maar wel Jezus leer in de praktijk brengen. Juist voor degenen, die niet zo gebonden waren aan het dogma van hun eigen religie en overtuiging, die zich niet zozeer gebonden voelden ook aan de sociale ordening van hun eigen tijd, heeft Jezus indertijd zijn eigen esoterische leerstellingen verkondigd. Wanneer ik U ook vandaag enkele excerpten breng uit deze leer, heeft U hiermede dus rekening te houden. Zij zijn bestemd niet alleen om aangehoord en begrepen te worden maar ook om in de praktijk te worden gebracht. De praktijk is echter bestemd voor degenen, die door hun eigen geestelijke vrijheid de mogelijkheid vinden zich te verwijderen van het normale en de werkelijkheid zoals die goddelijk bestaat te benaderen.

Omtrent het leven stelt Jezus het volgende: “Om een weg te vinden naar het Koninkrijk Gods en het ik te ontdekken in zijn volle betekenis is een afstand doen van alle dingen nodig. Afstand doen nu wil niet zeggen “verwerpen.” Wanneer U wijn geboden wordt, zo drink, indien gij geen onmatigheid vreest. Indien er een lach klinkt, Uw lach zij een weerklank daarvan, mits de lach niet uit het kwaad geboren wordt. Doch indien men U zegt: ‘Het is noodzakelijk, dat ge wijn drinkt,’ zo ontzeg U. Zo een mens Uw hulp vraagt, geef die hulp, maar zo een mens rechten op U uitoefent, ontken die. Want ziet, gij zijt alleen gebonden aan de Vader en niemand buiten Hem heeft rechten. Zo dien de Vader en Zijn wezen, Zijn werken, Zijn schepping en ge zult de waarheid volledig ervaren.”

Het is moeilijk voor een mens, die leeft in een maatschappij als de Uwe, zich voor te stellen dat men afstand kan ja, moet doen van alle banden. Jezus heeft in zijn openbaar optreden verschillende malen tegen anderen gezegd: “Laat achter Uw huis, Uw vader, Uw moeder, Uw vrouw, Uw kind en volg mij.” Hij bedoelde hiermede niet “verbreek de banden, laat die anderen alleen,” maar wilde hiermede weergeven, dat zijn weg dus het zoeken naar het Goddelijke; belangrijker is dan alle dingen op aarde. Op grond hiervan zijn een reeks stellingen ontwikkeld en door Jezus en door zijn apostelen, die ik hier als geheel weergeef.

“Wie één is met de Vader bezit een kracht zonder gelijke. Want de kracht des Vaders is de levensadem, die alle dingen in stand houdt. Eén zijn met de levensadem wil zeggen één zijn met het leven. Het leven kent geen onderscheid. Het dier en de mens zijn voor het leven gelijk. De planten en de gesteenten, zij leven evenzeer als de mens. Wie aldus het leven dient, zal geen onderscheid maken tussen mens en mens, mens en dier, mens en plant, plant en steen. Hij zal weten, dat God in alle dingen is, dat alle dingen hem zijn gegeven tot vreugde, tot lering, tot ontwikkeling en als zodanig zal hij ze beschouwen.

De grote fout van de meeste mensen is een begrip van eigendom. Hieromtrent wordt het volgende geleerd: “Gij kunt slechts dat bezitten, wat voor U een noodzaak is. Alleen hetgeen U als eigendom onmiddellijk en voortdurend dient, behoort U, want het is een uitbreiding van Uw leven en het vervult Uw behoeften. Hoe groter echter Uw behoeften hoe minder Uw mogelijkheden. Dus beperk Uw bezit tot een minimum, opdat gij vrij zult zijn. Draag niet een bezit met U of draag niet de verantwoording voor een bezit, dat groter is dan Uw onmiddellijke behoeften vragen. Het brengt U in een voortdurende strijd met de wereld. Het bindt U voortdurend, zodat gij niet vrij in streven en denken de waarheid niet zult kunnen vinden, waarnaar gij zoekt. De hechting aan het bezit is de werkelijke vorm van het bezit. Veel kan men het Uwe noemen, zonder dat het het Uwe is ook voor Uw eigen bewustzijn. Men heeft geen verplichtingen t.o.v. bezit, alleen verplichtingen t.o.v. de Vader, zoals Die kenbaar is in alle dingen.

De conclusie, die hieruit volgt is er een, die Jezus zelf heeft getrokken in de nauwste kring van zijn leerlingen. Hij zegde: “Wanneer ik leef in de Vader en de Vader leeft in mij, ze behoren alle dingen gelijkelijk mij toe; doch ook ik behoor toe aan alle dingen. Dit nu is de grote waarheid. Indien tot mij komt en zegt: ‘Ik lijd,’ dan Lijd ik met U. Zo ge zegt: ‘Een vreugde overweldigt mijn hart,’ zo is de vreugde in mij snoert mij de adem. Want ik ben één met U. Zo ge zegt; ‘Ik heb schulden.’ Een last drukt mij evenzeer. Zo ge zegt: ‘Ik ben vrij,’ Uw vrijheid is de mijne. Er bestaat geen band tussen ons zo sterk als die van de Vader, Die in ons beiden leeft. Daarom zijn wij één. Indien gij echter deze eenheid verwerpt door haar niet gelijkelijk te allen tijde en overal te aanvaarden, zo zeg ik U; ‘Arm zult gij zijn in Uw rijkdom.’ Want het onderscheid, dat gij maakt, verarmt Uw wezen. Elke voorkeur, die gij kent, vervreemdt U van de Vader.”

Het is begrijpelijk, dat deze leringen voor een mens in de wereld moeilijk door te voeren zijn. Er zijn daarop dan ook vele commentaren geweest, waarvan het voornaamste dit is: “Hoe kan een mens, die leeft in een gemeenschap, alle bezit verwerpen zonder zichzelf tot een pauper te maken? Hoe kan een mens, die anderen lief heeft, die liefde ontkennen om allen gelijkelijk lief te hebben zonder zichzelf te verliezen? Hoe kan een mens de verantwoording, die hij op zich heeft genomen voor enkelen, van zich werpen, omdat hij meent een verantwoording voor allen te moeten dragen?”

Het antwoord hierop was kort en duidelijk: “Niet enkelen liefhebben boven allen, maar allen liefhebben zoals enkelen, dat is de leer. Niet tot arme worden onder de armen, maar arm zijn met de armen en rijk met de rijken, dat is de leer. Niet een verantwoording voor enkelen van U afwerpen, maar gelijke verantwoording aanvaarden voor allen, dat is de leer.”

Hieruit moge U duidelijk worden, hoe het christendom staat tegenover bezit; hoe het christendom staat tegenover persoonlijke liefde en genegenheid. Het verwerpt deze niet, doch tracht ze uit te breiden, tot ze de gehele wereld omvaamt. Jezus heeft dit nog duidelijker gezegd en wanneer ik hier enkele commentaren speciaal aanhaal, is dit om U aan te tonen, dat dergelijke wetten en voorschriften niet alleen voor Uw wereld gelden, maar dat zij en met reden gelding hebben door alle sferen.

“Wie zegt: ‘Ik leef voor de Vader en de Vader leeft voor mij,’ die leeft in de Vader en de Vader leeft in alle wereld. Zo zal er geen grens bestaan en geen band; geen dood en geen tweede dood zult gij sterven, maar bevrijd zult gij zijn van alles. Indien gij sterft, zal het schijn zijn, want gij zult sterven, niet omdat het voor U een noodzaak is, maar ommentwille van de anderen, voor wie Uw dood een bevrijding betekent, waar zij de eeuwigheid nog niet kunnen aanvaarden. Indien gij zegt: ‘Ik wil eenzaam zijn,’ zo zult gij eenzaam zijn. Indien gij zegt: ‘Ik wil leven in het licht des Vaders,’ het licht des Vaders zal rond U zijn en gij zult ontrukt zijn aan Uw wereld. Zo zult gij kunnen gaan en komen, langs eigen wens, langs eigen weg, te allen tijde. Maar wee degene, die vele punten in het Goddelijke vindt en enkele voor zichzelf behoudt. Want indien gij gaat met een angst in Uw hart, zo zal het die angst zijn, die U van het licht doet vallen tot het duister. Indien gij gaat met een begeerte in Uw hart, hoe zult gij de reinheid van de Eeuwige kunnen aanvaarden? Gij zult terugstorten in Uw begeerte en daarin Uzelf verliezen. Ik zeg U: Haat noch liefde wonen in de harten van hen, die menen groot te zijn, die menen lief te hebben, die menen te bezitten. Maar de haat, die leven moet in alle harten, is de haat tegen alle onvolmaaktheid. De liefde, die leven moet in alle harten, in de liefde voor al, wat naar volmaaktheid streeft en al, wat volmaaktheid bereikt. Engelen in het Huis mijns Vaders keren tot de mens, die zuiver is van harte en lief heeft al gelijk. Zij verheffen hem tot hun midden, stellen hem op een troon, opdat hij verheerlijkt wete, dat liefde regeert en niet het wezen.”

Overgebracht in moderner termen: Een waar christendom betekent een volledige beheersing van lichaam en geest, omdat daarvoor geen enkele band meer wordt erkend, behalve de eigen wil. De eigen wil streeft naar het volbrengen van de wil des Vaders. Zo wordt de volmaaktheid geboren; lichamelijk en geestelijk. Zij is te allen tijde op elk gebied te realiseren. Wie dus leeft volgens de wet, die Jezus heeft gesteld, kan vrijelijk binnengaan zowel in de duisterste als in de meest lichte sferen. In beide zal hij zichzelf zijn, beeld van het Goddelijke, brengende het goddelijk Licht, zijnde het goddelijk Licht. Want in hem is de Vader. Maar hij zal gaan langs eigen weg en willen en door zijn liefde een bevrijding betekenen voor allen, die nog niet door ontzegging, door beheersing, door liefde voor het Al de weg naar ware vrijheid hebben gevonden.

Indien ge zo zult leven, zou er geen enkele sfeer zijn, die niet voor U open staat. Indien gij zo zult streven, zou er niets in de wereld zijn, wat ge niet zoudt kennen en begrijpen. Ja, wat meer is, geen enkele kracht, zelfs niet de kracht des doods zou U kunnen weerstaan, zo Uw weten omtrent de wil des Vaders, de kracht van Uw wil en Uw wezen zich er tegen verzet. Dat is de werkelijkheid.

Een tweede kleine les voor deze bijeenkomst: “Zeg mij, wat is belangrijkste; het gezag van de tempel of het gezag des keizers?” Deze strikvraag was niet – zoals men denkt – alleen maar een knap uitgezochte probleemstelling, waarop haast geen gunstig antwoord mogelijk was. Zij was ook het resultaat van bepaalde leringen, door Jezus aan zijn leerlingen verkondigd, zoals zij in haar antwoord een lering is omtrent alle werkelijkheid. Jezus leert n.l. geen wet te ontkennen, omdat de zachtmoedigheid, die de wet aanvaardt zonder zich door haar gebonden te achten in het aanvaarden van de wet, de mensheid dient en zo zijn plichten volbrengend tegenover de mensheid zijn waarheid tegenover God behoudt.

Er is geen verschil tussen godsdienst en staat. Beide zijn even onbelangrijk in de werkelijkheid. Beide stellen hun wetten. Beide dragen zij in zich een streven naar verbetering, naar het goede. Zo zal men beide evenzeer moeten erkennen. Dit gaat verder dan de doorsneemens meestal kan accepteren. Het betekent, dat het innerlijk vrij, het uiterlijk voortdurend gebonden zal blijven. Zoals Jezus, de Verlichte, die in de woestijn God onmiddellijk vond, met anderen in de tempel kwam om daar de Schepper te eren volgens de gebruiken der mensheid. Men moet altijd weer aanvaarden, wat de wereld biedt. Ik zal trachten in mijn eigen woorden hier een reeks van leringen kort samen te vatten.

Het is voor ons noodzakelijk, dat wij ons aanpassen aan onze omgeving, dat wij de eisen van onze omgeving trachten te begrijpen en daaraan voldoen, in zoverre zij niet stuiten tegen de goddelijke wetten, die wij in onszelf kennen. Het aanvaarden van je wereld betekent niet door haar gebonden zijn. Iemand, die vrijwillig dient, is geen slaaf; maar iemand, die de kleinste dienst wordt afgedwongen, is wel slaaf. Daar ligt het grote verschil. Wie vrijwillig aanvaardt, wat de wereld hem oplegt, wie vrijwillig de beperkingen van mensen, gemeenschap, van wet en van kerk aanvaardt, zal hierin niet zichzelf vernederen, maar door zijn aanvaarding van hetgeen de mens gelooft en meent als juist te moeten zien, tonen dat hij met de mensheid streeft naar het licht en door deze aanvaarding zal hij de kracht hebben de mens te wijzen op onrecht, waar hij anders geen recht van spreken zou hebben. Aanpassing aan de wereld is noodzakelijk, maar zij dient te geschieden uit volledige vrije wil, nooit en te nimmer een dwang erkennende. Op deze wijze zal een ieder, die leeft in de wereld, als vrijwillig dienaar van de wereld behoren tot de geheimzinnige kracht, die ondanks de schijnbare vastheid van menselijk gebruik, van menselijke wet de mens losmaakt van elke beperking, elke benauwing, zodat de mensheid kan opgroeien tot het ras, dat waarlijk geschapen is naar Gods beeld en gelijkenis. Vandaar dat Jezus zijn leerlingen het zout der aarde noemt en de desem, die het deeg zal doen rijzen.

In de mensheid leven grootse krachten, grootse mogelijkheden. De doorsneemens realiseert deze niet, omdat hij te zeer gebonden is aan dingen, die hij zou moeten verwerpen. Wanneer er gezegd wordt: “Ga uit en genees in de naam des Vaders,” dan wordt hier elke menselijke wet en elke menselijke opvatting met voeten getreden. Maar de kracht Gods is groter dan de menselijke wet en aangewend ten bate van de mensheid zal zij een zegen en een verlossing betekenen. Wanneer wordt gezegd: “Vergeef zonden,” dan klinkt dat als een hoon t.o.v. de eeuwige wetten, Maar vertaald in moderne woorden: “Neem het schuldbewustzijn uit de mens weg, opdat hij in harmonie zij met de wereld,” geeft het ons de oplossing van het probleem,

Men kan de mensen bevrijden van hun schuld. Men kan hen bevrijden van de innerlijke verstoordheid en disharmonie door hen in contact te brengen met de kracht des Vaders, die in U leeft. Op deze wijze draagt men het leed der mensheid. Want wie zijn eigen rust geeft om de onrust van een ander te verdrijven, zal de onrust van die ander moeten overwinnen, voor hijzelf tot die rust terugkeert. Wie een ziekte of een lijden wegneemt van een ander, zal de krachten, die daarvoor oorzakelijk waren, in zichzelf moeten verwerken en beheersen, voordat hij de volledige vreugde en gezondheid kan behouden, die de zijne waren. Dit zijn de feiten.

Wij zijn echter onmetelijk sterk, wanneer wij ons één voelen met de Alkracht. Dit werkelijk één voelen zonder twijfel aan onszelf of aan die Kracht, is noodzakelijk. Indien gij het werk des Vaders doet en gij vraagt U af “Doe ik goed?” zo twijfelt gij niet aan Uzelf maar aan de Vader, en door deze twijfel stoot gij Hem uit U. Gij verbreekt de band, die U met de Eeuwige bindt en Zijn vermogen ontvliedt U. Doch indien gij weet; het is de kracht des Vaders, die in mij is en met mij is, en wat de Vader wil zal volbracht worden aan anderen en aan mijzelf, zo bezit gij de kracht en het vermogen van de Vader en zult gij Zijn wil uitvoeren te allen tijde.

Er is niets voor de mens onmogelijk, indien hij één is met God. En die eenheid met God houdt in een aanvaarden van hetgeen goddelijk gezien juist is; een afstand doen van eigen oordeel, van eigen streven vaak. Wij kunnen dat in een moderne wereld niet zo gemakkelijk toepassen. Maar misschien dat de volgende zin U daarbij een leidraad kan zijn:

Indien gij betrouwt op God, zo twijfel niet aan Uzelf. Wat ge ook doet, wat Uw werk is, wat de problemen zijn, die de mensheid U brenge, aanvaard de waarheid. Indien God mét U is, kunt gij niet falen. Zelfs indien Uw handelen verkeerd zou zijn, is daar de goddelijke macht, die het resultaat goed zal maken. Indien gij werkt in de naam des Vaders, zijt niet gij verantwoordelijk, maar de Vader, Wiens werk gij volbrengt. En Hij weet alle dingen en leidt alle dingen ten goede, ook al zal de mens dit niet altijd beseffen.

Ik hoop, dat gij deze beide stellingen zult willen onderzoeken, Zij zijn zeker in het totaal van leerstellingen belangrijk. Wat meer is, ze zijn eenvoudiger in de praktijk te brengen, dan U misschien meent. En wie begint deze praktijk na te streven, zal voor zichzelf ervaren, dat de oplossing en de kracht zeer nabij zijn.

o-o-o-o-o

Wanneer wij zo al die lessen horen, voel je je eigenlijk zo’n beetje nutteloos, onmachtig. Dan heb je zo het idee; Ach, ik kan eigenlijk niets, ik ben zo gebonden en, nu ja, ik kom er toch niet uit. Een pessimisme, dat hoogstwaarschijnlijk voortkomt uit de manier, waarop wijzelf leven en denken. En wanneer nu mijn voorganger dat allemaal met mooie woorden en zo accuraat mogelijk heeft gezegd, wil ik er een keer over babbelen.

Wat kunnen wij nu eigenlijk? We kunnen een mens zijn, maar ook een geest. Als mens, zou je zeggen, kan ik eigenlijk niets. Maar je kunt al datgene, waar je je werkelijk voor zet. Wat je wilt kun je bereiken. Met andere woorden: de mens moet leren om te willen. Wanneer de mens de wil bezit, volgt alles verder wel vanzelf.

Nu is hij natuurlijk beperkt zo men zegt door de materie. Maar in de mens zijn geest en materie met elkaar gehuwd. Dus de krachten, zowel van de geest als van de materie kunnen we overal verkrijgen en al, wat men wil kan dus werkelijk verwezenlijkt worden. Want is het geheel niet mogelijk volgens de grondwetten der materie, dan wordt het gerealiseerd in de geest. Maar is het niet mogelijk volgens de grondwetten der materie of slechts niet mogelijk volgens het beeld van de materie, dat Uzelf heeft gevormd? Werkelijk, de kracht van de geest in de stof is eenvoudig schijnbaar onbegrensd. U zoudt heel veel kunnen. Het ellendige is alleen maar, dat je voor jezelf meent het niet te kunnen. Dat is het grote bezwaar. Om een voorbeeld te geven: De meeste mensen menen, dat ze geen aanleg hebben voor telepathie, helderziendheid e.d. Ze beschikken meestal – al is het maar rudimentair – over de beginselen daarvan. Maar omdat zij menen, dat ze de aanleg niet hebben, omdat zij voor zichzelf niet geloven, dat die dingen mogelijk zijn, sluiten ze het voor zichzelf uit.

En hoe is het voor de geest? Ook precies hetzelfde. De geest; die werkelijk één is met God, die beweegt zich in de hoogste sferen en in de laagste. Ook in de materie. Zij kan zich overal op elk gewenst ogenblik in elke gewenste status of toestand vertonen, verwerkelijken, actief deelnemen aan het leven van elke wereld, waar zij krachtens haar innerlijke drift voelt te moeten zijn. Maar een geest, die denkt, dat er een grens bestaat tussen stof en geest b.v., die kan niet eens een medium beheersen. Een geest, die meent, dat het niet hebben van een lichaam betekent, dat je niet als lichaam op aarde meer kunt manipuleren en handelen, die kan misschien een medium in beslag nemen, maar die komt toch niet tot het zelf opbouwen van een lichaam. Nu kun je dat allemaal wel weten, maar we kunnen het moeilijk begrijpen, het verwerkelijken. Anders zou ik hier toch rustig een persoonlijkheid materialiseren en op die wijze tot U spreken. Maar ik geloof nog niet voldoende, dat dit mogelijk is. Ik weet wel, dat het mogelijk is, maar ik geloof het niet. Daar ligt bij ons de grote moeilijkheid.

Wij weten zo onnoemelijk veel, vrienden. Wij weten precies, wat je allemaal kunt doen en wij menen precies te weten, hoe de menselijke geest en het menselijk denken werkt. Wij weten onnoemelijk veel over ons en over anderen, over zuiver geestelijke waarden. U vindt op de wereld de knapste koppen bereid om U de resultaten van hun werk voor te leggen. Je kunt zo onnoemelijk veel weten. Maar met dat weten alleen ben je er niet. Je moet geloven. En op het ogenblik, dat je een bewijs hebt, is er in jouw wereld een zekerheid geschapen. Maar een bewijs is altijd beperkt. Vaak heel erg beperkt, waar het zich op enkele reacties, op een enkele manipulatie, op een enkele mogelijkheid betrekt. Terwijl als je nu eens zonder bewijs gelooft, je het gehele gebied beheerst, omdat je met een bewijs gebonden bent aan een bepaald gedeelte van het gebied, n.l. precies zover, als het aantoonbaar is. Dat is het moeilijke probleem van de rede en ik meen, dat dat voor de mens nog heel wat erger is dan voor een geest.

Als mens moet je een houvast hebben. En dat houvast zoeken de meeste mensen niet innerlijk; ze zoeken het aan de buitenkant. Ze klampen zich aan de wereld vast en alleen, wat zij daarvan beleven, zien en kennen, aanvaarden ze. Ze hunkeren wel naar een aanvulling en ze komen bv. heel graag luisteren naar wat wij hun allemaal te vertellen hebben, maar zij houden zich toch maar aan die buitenkant vast. Want dat weten ze dan tenminste. Zij vergeten echter één ding: dat pas op het ogenblik, dat het weten niet meer op bepaalde gevallen betrekking heeft, maar op het geheel, een intense werkzaamheid mogelijk wordt. Ik wil wel een paar voorbeelden noemen;

Een advocaat meent, dat hij over recht en rechtvaardigheid wel het een en ander weet, maar hij is zo gespecialiseerd op wetten, dat hij niet in staat is de werkelijke, de reële rechtvaardigheid in alle gevallen te bepalen. Van land tot land wijzigt de wet en het brengt met zich mee, dat de advocaat in bepaalde landen en bepaalde gebieden eenvoudig paf staat. Daar kan hij niet verder. Want dat past niet volgens het demonstreerbare recht, waarmee hij kan werken. Maar wanneer hij gelooft in rechtvaardigheid, zal hij zich niet meer beroepen op de wetten, waarmee hij werkt, maar op het principe, dat er achter zit. En dat principe geldt in alle gebieden gelijkelijk.

Neem een dokter. Een dokter is een medicus. Hij heeft het menselijk lichaam bestudeerd, hij weet zo’n beetje de algemene fouten en feilen en dan wordt hij specialist. Dan komt er een ogenblik, dat hij nog wel wat kan doen, maar hij is eigenlijk zo “neus keel en oor” dat hij voor de rest verder niets kan doen. Of hij is zozeer in de tropische ziekten verzeild geraakt, dat hij met een goede verkoudheid haast geen raad weet. Een beetje overdreven misschien, maar toch zit er een kern van waarheid in. Waarom? Een medicus beschouwt alle delen van het menselijk lichaam als aparte apparaten, die wel op de rest moeten zijn afgesteld, maar die elk voor zich in conditie moeten zijn. Doch wanneer je leert het geheel te beschouwen, zeg je niet meer: “Die kwaal zit speciaal hier of daar.” Hij weet wel, daar komt het verschijnsel vandaan. Maar het verschijnsel is niet belangrijk. Hij moet de innerlijke kwestie begrijpen. Wat het geheel beïnvloedt is belangrijk, de rest niet. En zo komt hij dan tot werken met de psychologie. En op de duur zal hij moeten komen tot werken met geestelijke krachten, waar hij vanuit het geheel en door de krachten van het geheel, de kleine feilen van de delen kan veranderen. Maar nu is dit laatste iets, wat nog moeilijk aantoonbaar is; je bent nu eenmaal verplicht de delen te behandelen, ook wanneer je probeert het geheel te behandelen. En dan zegt hij tegen zichzelf: “Die delen” dat hebben anderen ook gedaan “die delen heb ik genezen. Maar heb ik dat nu gedaan door dat geheel te benaderen? Ik weet het eigenlijk niet. Ik geloof het niet.”

Kijk, daar zit de grote fout. Daar zit geen innerlijke overtuiging bij. U moet werkelijk zeker zijn van Uzelf. Dat klinkt misschien erg gek, maar een zekere zelfverzekerdheid is noodzakelijk, wil je werkelijk wat bereiken, omdat zelfverzekerdheid in feite een geloof is. Neem b.v. het feit van degenen, die over vuur wandelen. Er zijn inderdaad mensen, die in staat zijn over vurige kolen te wandelen zonder één brandblaar op te lopen. Mensen, die in staat zijn messen door hun lichaam te doen steken ja, zelfs zwaarden op vitale plaatsen, zonder dat er enige blijvende schade uit voortvloeit. Waarom? Zij geloven eenvoudig niet, dat er schade kan optreden. Maar op het ogenblik, dat zij twijfelen, één ogenblik waarin die twijfel opkomt, is het gebeurd.

Degene, die over het vurige bed loopt en een ogenblik vergeet zich werkelijk daaraan te geven, te zeggen: “Dit is één met mij, dit kan mij niet schaden,” maar zich afvraagt: “Zou een ander zich branden?” alleen maar deze vraag: “Zou een ander zich branden?” die brandt zichzelf reeds. Want het: “Zou een ander,” betekent ook een vergelijking met het ik en dus een lichte twijfel. Dezelfde mens, die misschien 10.000 degens door zijn hart, longen of nieren heeft laten steken zonder enige schade, hoort een gesprek: “Zou het niet gevaarlijk zijn? Het is geniaal, maar er is een groot gevaar bij.” Hij denkt na over het gevaar en de volgende proef doodt hem. Waarom? Hij was niet meer geheel overtuigd van zichzelf.

Daarin ligt voor ons nu de grote moeilijkheid. Je kunt nu wel zeggen: Zo en zo moet je leven en dat moet je doen, maar wat hebben wij nodig? Een zo rotsvast vertrouwen, dat niets maar ook niets dat vertrouwen kan schokken. En dat vertrouwen kun je nooit op feiten bouwen. Feiten zijn onderdelen. Die onderdelen zeggen ons niets. Wij moeten het geheel hebben, de werkelijkheid. En wanneer dan de stelling wordt geponeerd: “Je moet één zijn met de Vader,” betekent dit in feite, dat je je van de hele boel geen cent moet aantrekken, behalve van God. Dat je moet zeggen: “Gods wil geschiede. Ik ben zeker en veilig in Gods wil. Ik voel, dat dit Gods wil is. Ik volbreng het.” Afgelopen. Het gaat goed. Zonder enige twijfel.

Nu kun je gemakkelijker zonder twijfel in je God geloven dan in jezelf. Geloof je in de band tussen jezelf en God, dan is de zaak in orde. Zeg niet: “Ja, het is anders gegaan dan ik dacht, dus is het verkeerd geweest.” Zeg altijd: “Het beeld in de waarheid was dus grootser en anders dan ik het kon overzien. Dit is goed. Dit was noodzakelijk, anders kon het niet.” Gevaarlijk, zegt U? Neen. Want onverschillig hoe ’n groot fantast je bent, wanneer je gelooft in God en werkt vóór God en uit God, wat kan er dan fout gaan? Dan werken toch niet je eigen denkbeelden meer? Dan werkt de hoogste Kracht door je, en dat is waar het om gaat.

Nu, vrienden, daarom zou ik willen zeggen: Voor ons, stof en geest bij elkaar, is er maar één mogelijkheid en dat is ons bewust te worden van het feit, dat alleen de kracht, die in ons leeft zo groot is, dat we er niets aan kunnen doen en er zelfs niets tegen kunnen doen. Laten we dan zeggen: “Wanneer die kracht in ons is en overal zichtbaar is, dan kunnen we die kracht accepteren als iets, wat zuiver en goed is. Ik geloof in die kracht, ik handel namens die kracht, ik volbreng alles namens die kracht.” dan zijn we er. Dan hebben we onszelf misschien een beetje uitgeschakeld. Dat is niet erg. Want in die kracht, volgens welke en uit welke wij leven, volgens de kracht, die wij proberen te dienen, bevestigen we toch tevens de kracht, die in ons is en daarmee het leven zelf. We maken onszelf niet zwakker door andere krachten als beslissend te aanvaarden. We maken onszelf sterker, wanneer wij die krachten juist en goed aanvaarden.

Nu heb ik maar één hoop, dat het ons stof en geest zoals wij bij elkaar zijn toch zal gelukken eens zover te komen, want het is reuze gemakkelijk om theorieën te verkondigen; het is reuze gemakkelijk om het te zeggen; en soms wordt het mij al gemakkelijk om het te doen. Maar in de meeste gevallen denk ik nog teveel aan mijn beperkte ikje en te weinig aan de grote Kracht, Die toch het hele ik draagt.