Christendom en christelijke ethiek

26 juni 1964

Aan het begin van de bijeenkomst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Mijn onderwerp van heden gaf ik de titel: Christendom en christelijke ethiek.

Er is een groot verschil tussen wat men in deze tijden het christendom zou kunnen noemen, de evangelische leer, en de ethische normen en vormen die uit het christendom zijn voortgekomen.

In een tijd als de huidige zullen wij geconfronteerd worden met vele omwentelingen en veranderingen die de meest verschillende terreinen beroeren, waaronder ook het godsdienstige.

Ik meende er goed aan te doen, juist in een omgeving die door de christelijke maatschappij wordt geregeerd, het onderhavige onderwerp als punt van beschouwing te stellen.

Wanneer wij de kern van het christendom bezien, zo blijkt, dat men daarin het geloof als primair stelt. Dit kan ik niet, zoals sommigen, als een fout op zich beschouwen: geloven in en vertrouwen op de Christus lijkt mij zeker aanvaardbaar. Iets anders wordt het, wanneer wij dit geloof boven elke norm gaan stellen. In het christendom is dit geschied, wat inhoudt, dat de christenen onder elkander een reeks van opvattingen hebben voortgebracht, die met Jezus, met diens leer, ja, zelfs met de kosmische Christus betrekkelijk weinig van doen hebben. Deze opvattingen zijn voortgekomen uit de wat typische situatie waarin de christenen zich bevonden hebben, vanaf ongeveer 300 jaren na Jezus’ dood. Tot dan werden zij voortdurend achtervolgd en bestreden. Toen echter deden zij een greep naar de macht. Het is misschien goed er hier even aan te herinneren, dat vanaf die tijd de bisschoppen niet alleen maar geestelijke leiders waren, maar tevens de beheerders van een bisdom, waarin zij al snel een absolute macht uitoefenden.

Hierdoor kwam de situatie geheel in de richting van de materiële machtsuitoefening, zodat er zelfs gevallen bekend zijn, waarin personen, die geen priesterwijding ontvangen hadden, tot bisschop werden benoemd alleen en louter, omdat zij uit een adellijk geslacht stamden. Vele “prinsen van de kerk” dankten hun rang en aanzien allereerst aan hun geschiktheid om te vechten, terwijl hun vroomheid maar al te vaak buiten beschouwing bleef. Het is duidelijk, dat een groepering, die op deze wijze en door dergelijke figuren geleid wordt, in de eerste plaats besef voor economische en politieke macht ontwikkelt, daarbij geneigd zijnde deze macht steeds uit te breiden. Het uitoefenen van deze macht was echter grotendeels afhankelijk van een volledig aan de gezaghebbers onderworpen blijven van de massa.

Wanneer wij zien hoe vele honderden jaren achtereen de leringen en stellingen van het christendom in de eerste plaats gebruikt werden om macht te gewinnen en overwinningen mogelijk te maken, wordt ons inzicht in de waarde van de christelijke ethiek, die nog veel uit die dagen bewaart, naar ik meen toch wel wat gewijzigd is. Wij zien daarin niet meer een op geestelijke leer en waarden gebaseerd systeem.

Wanneer wij voorbeelden hiervan zoeken, hoeven wij niet eens zo buitengewoon ver in de tijd terug te gaan. Slechts 100 jaren geleden, kan aangetoond worden, dat het werk van missie en zending in deze periode nog gebruikt werd om economische en politieke macht te verwerven in onderontwikkelde gebieden.

Wie denkt aan de Boksersopstand in China, spreekt meestal alleen over de wreedheden van de Chinezen. Men vergeet maar liever, dat er in die dagen wel degelijk sprake was van een – door christendom en christelijke zending ten minste bevorderde – aantasting van de politieke verhoudingen en macht ter plaatste, terwijl ook de economische verhoudingen ten nadele van de heersende klasse werd gewijzigd door hen, die het christendom propageerden.

Ik wil niet zover gaan als sommigen en beweren, dat de missionarissen met in de ene hand de bijbel en in de andere hand een geweer door de wereld zwierven, dit is ongetwijfeld laster. Wel staat vast, dat in zeer vele gevallen directe of indirecte pressie werd uitgeoefend op plaatselijke gezaghebbers en, onder bedreiging met een militair ingrijpen van christelijke machten, in vele gevallen een aanvaarden of althans dulden van de zending werd bewerkstelligd.

De denkwijze, die klaarblijkelijk inherent is aan de z.g. christelijke idealen, toonde – en toont vaak nog – weinig begrip voor andersdenkenden en hun behoeften om naar eigen trant en geweten te leven. Wat stelt men n.o.m. steeds weer: “Wij weten, wat God wil. Christus heeft ons de juiste leer gegeven. Daarom dient eenieder te leven en te denken, zoals wij.”

Pas in de laatste jaren, voornamelijk na de tweede wereldoorlog, kwam in deze opvattingen althans enige verandering. Deze veranderingen kwamen echter uitdrukkelijk niet voort uit een verandering van begrippen voor “christelijk zijn” in de westerse landen, die de bakermat van het christendom in huidige vorm genoemd kunnen worden. De wijziging kwam voort uit de steeds toenemende massa vroegere christenen in die gebieden, die ontkerstend dreigden te geraken, toen hun land, dat eens geheel onder blank gezag stond, grotere vrijheden verwierf of zelfs geheel onafhankelijk werd. Opvallend is daarbij, dat de wijziging in opvattingen omtrent missie- en zendingswerk praktisch gelijk loopt met het zelfstandig worden van vroegere koloniale gebieden.

Nu ik dit zo uitvoerig zeg, meent u misschien, dat ik vandaag een aanval op dit christendom in de zin heb. Niets is echter minder mijn bedoeling. Ik tracht slechts de zaken duidelijk te stellen.

Ik tracht duidelijk aan te tonen, dat christendom en politiek vaak één en hetzelfde zijn. Zelfs nu nog zult u in sommige landen – ik denk bv. aan Spanje – een goed en praktiserend katholiek moeten zijn, voor u ook maar de geringste plaats als ambtenaar zult kunnen krijgen. Zelfs nu nog zijn er landen, waarbij in sommige plaatsen het praktiseren van een bepaald – vaak sektarisch – christendom wordt vereist, voor men u in de gemeenschap op wil nemen. Ik spreek nu nog niet eens over de christelijke groeperingen van allerhande geaardheid, die direct en zonder meer politiek bedrijven. Alles, wat het christendom leert, is op zichzelf goed. De wijze, waarop men dit aan de massa pleegt te leren, verwijdert het echter ver van Jezus levensbeschouwing. In vele gevallen blijkt het niet meer te gaan om het aanleren van een vorm van Godsvertrouwen en diep geloof, zoals Jezus zelf aan zijn leerlingen trachtte bij te brengen, maar eerder om de mensen te brengen tot een kritiekloze aanvaarding en onderworpenheid aan het gezag.

Ik geloof niet, dat daarvoor in de tijden, die komen, ook nog maar de geringste ruimte zal blijven. Daarom zullen wij moeten nagaan, wat in het christendom van heden van belang is, daarnaast zullen wij moeten trachten te zien, wat in de christelijke opvattingen van ethiek in de laatste tijden voor wijzigingen zijn opgetreden, terwijl wij ten laatste de conclusie zullen moeten trekken, hoe dit christendom zijn taak nog verder zal kunnen vervullen.

Ik zal trachten hier mijn visie en conclusies duidelijk te maken, daarbij beginnende bij punt 1. Het christendom blijkt steeds weer alleen uit te gaan van een verpersoonlijkte Christus op aarde. Tot op zekere hoogte kan ik, ondanks de gebreken, die aan de voorstelling plegen te kleven, hierin wel meegaan, daar ook ik althans in sommige fasen van zijn leven, Jezus beschouw als directe drager van de Christus. Verder gaat men ervan uit, dat de Christus zich alleen op deze ene manier en alleen door deze ene leer of openbaring aan de mensen kenbaar heeft gemaakt.

Men gaat daarbij vaak zover, dat men stelt: de Christus zal alleen geuit worden in, en juist gezien kunnen worden, van binnen het christendom. Ik weet wel, dat er bv. in kerkelijk recht en bepaalde theologische verhandelingen en geschriften waarden voorkomen, waardoor men deze laatste verklaring zou kunnen aanvechten. Men stelt namelijk wel, dat men ook zonder een gedoopte christen te zijn, toch de Christus zal kunnen erkennen en aan zijn gaven of genaden deelachtig zal kunnen worden. Maar men pleegt daaraan onmiddellijk toe te voegen: dan ben je dus, al weet je het zelf ook niet, in wezen reeds een christen en bent u verplicht om, zodra je met de christelijke leer en gemeenschap kennis maakt, je door de doop nogmaals tot Jezus te bekennen.

Ik meen niet, dat dit juist is. Volgens mij beslist alleen de innerlijke toestand en heeft geen enkel uiterlijk teken, zelfs geen zogenaamd sacrament, verder beslissende waarde of inhoud. Deze nadruk op het ook formeel tot het christendom behoren, is overigens wel begrijpelijk: men zoekt nu eenmaal de macht van het aantal. In hun ijver om hun gemeenschap groter te maken, verwaarlozen vele kerken en gemeenschappen zelfs geheel het werkelijke wezen van de Christus en de zelfbeperking, die Jezus zich, ook in de verkondiging, oplegde. Toch is binnen de kerken oorspronkelijk veel bekend geweest omtrent de werkelijke Christus in meer kosmische zin. Ook Jezus zou zijn leerlingen hierover hebben onderricht. De kosmische Christus is namelijk de onmiddellijke afschaduwing van de goddelijke bron binnen de schepping.

Het begrip dekt dus niet, zoals men helaas al te vaak wil doen voorkomen, alleen maar een op de mens gelijkende goddelijke persoonlijkheid, maar is voor dit stoffelijk Al de bron van alle leven, de bron van alle krachten.

Als plaatsing van deze het goddelijke weerkaatsende bron kunnen wij wel stellen, dat dit het middelpunt is van alle werelden en sferen, die wij ook in de stof nog kunnen erkennen. Wat er buiten dit alles bestaat, hoeft dus niet noodzakelijkerwijze tot het directe invloedsgebied van deze Christus te behoren. Wij weten verder, dat deze Christus optreedt als bron van kracht voor alle directe heersers – ook kosmische heersers – die voor de wereld op kunnen treden.

Binnen het christendom zijn deze stellingen bekend geweest en werden eens aan alle “gedoopten” – oorspronkelijke term voor een zekere inwijding in de geheimen van het christendom en niet alleen maar een sacrament, dat zonder enige kennis en beproeving kon worden ondergaan – onderwezen. Dit geschiedde op sommige plaatsen zelfs nog in het jaar 690 n. Chr. Schrifturen, die op dit alles betrekking hebben, resten er binnen het christendom nog slechts weinig. Wat er nog is, wordt zorgvuldig weggesloten en voor alle openbaarheid behoedt. Wat zich van dergelijke geschriften en/of overleveringen in niet priesterlijke handen bevindt, wordt bestreden als falsificatie of schouderophalend de onzinnige mystiek van geestdrijvers genoemd. Eens echter was de christelijke kerk en leer zelf hierop gebaseerd.

De ontkenning, dat de leer van Jezus een inwijdingsleer is en niet alleen maar een verlossingsleer zonder meer, doet mij eveneens pijn. Overal zegt men en herhaalt men, dat wij alleen “in de verlosser zalig kunnen worden”. M.a.w. stelt men dus dat wij, onafhankelijk van goddelijke en kosmische wetten als bv. oorzaak en gevolg, onafhankelijk ook van ons eigen bestaan en in wezen zelfs zonder zelf moeite te doen, in de Christus verlost worden. Om deel te hebben aan de verlossing zo wordt maar al te vaak geponeerd, is in wezen niets anders nodig dan de erkenning dat Jezus de Christus is en zo de enige representant van de goddelijke liefde op aarde.

Volgens de leringen van Jezus zelf is dit niet juist. Hij leert ons namelijk dat Hij ons de weg is en de waarheid, niet dat hij ons de vrijmaking van zonden is. Hij zegt, dat Hij de wil zijns Vaders aan ons doet, maar voegt daaraan niet toe, dat het de wil van zijn Vader is, dat hij ons zonder onze eigen pogingen en strijd zal verlossen. In zijn gelijkenissen wijst Hij er steeds op, dat wij zelf op een overlegde, bewuste wijze moeten streven en werken. De gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden moge hiervoor als voorbeeld dienen. Hij maakt duidelijk, dat niet fatsoen, maar de aanvaarding van het Goddelijke – zelfs niet van Jezus, maar van God zelf – bepalend is voor het ingaan in de eeuwige zaligheid.

Gelijkenis: de gastheer, die gasten nodigde.  Deze dingen kun je natuurlijk allemaal verdraaien. Dat gebeurt dan ook wel buitengewoon sterk. In bepaalde kring is in het buitenland zelfs de neiging merkbaar – ik weet niet, of dit reeds tot Nederland is doorgedrongen – om zo langzaamaan te stellen, dat de 10 geboden eigenlijk geen geboden zijn, maar eerder beloften: wanneer wij God maar aanvaarden, dan zullen wij van al die dingen geen last hebben. Iets, wat op zich wel erge kolder is, omdat ieder, die het oude testament kan lezen, zelf wel na kan gaan, dat deze geboden niet werden gegeven als een presentje, omdat het volk van Israël zo zoet was, maar eerder als een noodzakelijke wetgeving, waardoor eindelijk de verhouding tussen mens en mens en mens en God vastgelegd en geformaliseerd kon worden.

Ik zou zo voort kunnen gaan. Het zij ons echter voldoende hieruit de conclusie te trekken, dat het christendom bewust eenzijdig is en dat de eenzijdigheid van vele groepen bewust of onbewust vooral voortkomt uit een behoefte tot het uitoefenen van macht.

Verder tref ik binnen het christendom vaak de neiging aan om alles goed te praten. Volgens de 10 geboden is overspel en ontucht verboden. Toch treffen wij in de hagiografie een heilige aan, een dame, die overspel pleegt, om daardoor anderen te redden. Daardoor bewijst zij eens te meer volgens de hagiograaf, hoe heilig zij wel is. Volgens mij is een van God stammend gebod, absoluut, of het is geen goddelijk gebod en is het niet absoluut. Is het laatste het geval, dan heeft men niet het recht, het gebod aan allen als goddelijk en absoluut te verkondigen. Is het wel goddelijk en absoluut, dan kan niemand daardoor ooit waarlijk een heilige zijn.

De stelling, dat het doel de middelen heiligt, wordt door velen voornamelijk aan de jezuïeten toegeschreven. Ik vrees echter, dat wij deze stelling ook, en misschien zelfs voornamelijk, toe mogen kennen aan andere groeperingen. Het is mij bekend, dat bij het voorlichten t.a.v. zendingswerk en dergelijke heel vaak een bewust wat verdraaide voorstelling van feiten wordt gegeven, om hierdoor de milddadigheid van de gelovigen te prikkelen. En toch staat er in de geboden: “Gij zult geen valse getuigenis geven”. Hieraan verbind ik de conclusie, dat het doel, dat men nastreeft en niet de zuiverheid van leer en leven in de kerken en zeker binnen het christendom van het allerhoogste belang geacht worden.

Op het ogenblik verandert hierin iets: wij zien in vele groepen en kernen de behoefte rijzen, om tot een zekere verbondenheid terug te keren. De oecumene. Wij zien pogingen, van kerken en geloof, om zich aan te passen bij een wereld, die het op goddelijk gezag en zonder verklaring regeren van predikers en priesters niet meer aanvaarden wil. Het consilium van Rome en de voortzetting daarvan die binnenkort begint, zijn naar ik meen, een kenmerkend teken hiervan.

Het feit blijft echter, dat de stellingen misschien gewijzigd worden, doch de praktijk hetzelfde blijft. Wanneer ik mij in de plaats van Jezus zou kunnen en mogen stellen, zou ik zeggen: “Het zijn niet de woorden, die gij spreekt, doch de daden, die gij stelt, die bewijzen, hoezeer gij de Vader aanvaardt en mijn weg volgt”. En ik zou zeggen: “Gij huichelaars drijft handel in het huis des heren.”

Dat zijn natuurlijk wel bijzonder pijnlijke punten. Maar wat blijkt dan de christelijke levenshouding in feite in te houden? In de eerste plaats een vaak zeer grote mate van bemoeizucht. Wanneer je God wilt dienen, is dit volgens mij in de eerste plaats een zaak van de geest van je eigen leven. Voor mij is dit zeker niet een grond, waarop je anderen gemengd baden kunt verbieden, kunt zeggen welke badpakken zij moeten dragen, hoe zij zich zullen moeten kleden, of wat zij moeten eten. Dit is de eigen zaak van de anderen. Men mag hen – indien zij dit aanvaarden – wel degelijk leren, wat geestelijk juist is en zelfs zeggen, hoe men moeten leven om aan die geestelijke eisen te kunnen beantwoorden. Maar men zal de uiteindelijke beslissing aan de mensen zelf over moeten laten.

Jezus, in zijn tijd, heeft nooit iemand gedwongen hem te volgen, of iemand gedwongen te beantwoorden aan zijn maatstaven van juistheid en recht. Naar ik meen zijn alle christenen geneigd dit te vergeten. De pressie die door de christenen wordt uitgeoefend, om tot een staatsbestel te komen, dat christelijk is, is in directe tegenspraak met Jezus’ eigen leer en woorden.

Dit staatsbestel, dat zich christelijk noemt, wil bv. het bezit beschermen. Jezus echter zegt, dat zij, die, getroffen door zijn leer, die zijn weg en wezen willen volgen, alle bezit achter moeten laten. Wij zien, dat deze wetgeving, deze poging om ergens een soort godsregering tot stand te brengen, steeds weer uitgaat van de noodzaak de mensen tegen zichzelf te beschermen. Ik meen, dat Jezus dit nooit gedaan heeft en dit aan niemand heeft opgedragen. Hij heeft niemand tegen zichzelf beschermd. Zelfs Judas niet, toen hij het verraad beging, dat hem, volgens velen, tot een eeuwige verdoemenis zou moeten veroordelen. Met dit laatste ben ik het overigens niet eens, omdat Judas taak binnen het leven van Jezus, ook in dit opzicht een noodzakelijke was.

Wanneer wij proberen het essentiële punt uit de christelijke leringen en de daaruit voortvloeiende opvattingen omtrent de juiste moraal, wijze van leven enz. te trekken, moeten wij m.i. zeggen: Men gebruikt de leer en woorden van Jezus – en daarnaast op een volgens mij onjuiste wijze het oude testament – om eigen belangen te verdedigen en eigen onrecht te verbergen door de schijn van een goddelijke rechtvaardiging. Waar dit geschiedt, kan eveneens worden gezegd, dat het christendom heeft gefaald. Niet als politiek-sociaal systeem, maar als een werkelijke en voor ieder te volgen weg tot God. Wat dit betekent in verband tot de nieuwe tijd, kunt u voor uzelf wel berekenen: wij hebben te maken met een Heerser in tijd, die banden wil verminderen, die de verantwoordelijkheid, de aansprakelijkheid terug wil brengen waar zij behoort, namelijk bij de mens zelf.

Er is in deze nieuwe tijdinhoud zeker geen verzet tegen nu bestaande regelingen als bv. De kinderbijslagwet. Waarom zou men er bezwaar tegen maken? Wanneer de mensen dit zelf werkelijk allen willen en de consequenties daarvan bewust aanvaarden, is dit hun zaak. Maar op het ogenblik, dat er geestelijke gronden en redenen voor zo iets worden gegeven, zal deze nieuwe tijd zich, alleen daarom – tegen dergelijke wetten, gebruiken enz. – moeten verzetten.

De nieuwe Heerser kan niet aanvaarden, dat op grond van geestelijke leringen en waarden de eigen verantwoordelijkheid, taak en aansprakelijkheid van de mens verminderd wordt, waar juist de persoonlijke aansprakelijkheidsbewustwording en inzicht door het ondergaan van oorzaak en gevolg – met alle daaraan verbonden aangename en onaangename consequenties – noodzakelijk is.

Wij zullen zien of wij van hieruit nog meer daarover kunnen leren. Allereerst blijkt dan, dat de gevolgen van de m.i. foutieve toepassing van het christendom, deze gedramatiseerde, geromantiseerde en vervalste christelijke ethiek reeds nu merkbaar zijn.

Ik som op: In een betrekkelijk klein land als Nederland is in de laatste 30 jaren het aantal geestelijk minderwaardigen verzevenvoudigd. Het aantal mensen, gepredisponeerd voor ziekelijkheden en gebreken is vergroot met ongeveer 225%. Het aantal lijders aan voor het leven zeer gevaarlijke ziekten als bv. bepaalde vormen van anemie, bloederziekte, aandoeningen van organen als lever en nieren, is in 20 jaren met 70 à 80% toegenomen, terwijl moet worden gezegd, dat de progressie, die van jaar tot jaar in deze cijfers en de werkelijke aantallen naar voren komt, waarlijk ontstellend is.

Wanneer je als leider, als nieuwe heerser, van een wereld, die tot bewustzijn moet komen, geconfronteerd wordt met het feit, dat het menselijke ras in wezen zijn levensduur wel verlengt, maar eigen levensvatbaarheid als ras gelijktijdig steeds vermindert, zal je in moeten grijpen.

Ook wanneer dit in strijd zou zijn met elke christelijke stelling, zal dit ingrijpen plaats vinden. Dan is dit geen wreedheid of onchristelijkheid, maar in wezen een daad van genade, want door zijn wreed lijkend ingrijpen voorkomt de nieuwe heerser de ondergang van allen. Wanneer wij zien naar de zakelijke aspecten komen wij alweer tot gelijke conclusies: Het staat u zelfs niet meer geheel vrij, om aalmoezen te geven, zoals u zelf dit juist acht. Wanneer u te veel weg geeft, maakt men u daarvan verwijten.

Wie iets wil wegschenken, moet dit vooral goed laten registreren, zodat de staat een korting van belastingen zal kunnen geven, indien uw mildheid de staat welgevallig is. Waarmede de werkelijke schenking dus ten dele van de staat uitgaat. Iets, wat ook in andere opzichten dwaas is, en langzaam maar zeker de persoonlijke barmhartigheid van de mens wordt weggenomen en overgedragen op organisaties, maar vooral ten gunste van grote lichamen, corporaties en N.V.’s, die zo een deel van hun overvloedige winsten door giften aan deze stichtingen, organisaties e.d. kunnen schenken en zo voor hen onplezierige belastingen mede weg kunnen werken, terwijl door de manier waarop het hen tevens nog aan een goede reputatie helpt.

Verder meen ik, dat een entiteit, die voor de wereld streeft naar vrijheid, maar ook naar geestelijke verdieping, het niet eens zal kunnen zijn met een systeem, dat de mens bv. beletten wil bepaalde lectuur te lezen – hoe slecht dan ook – of zich bezig te houden met toneelstukken, omdat zij van een politiek of christelijk niet geheel aanvaardbare inhoud zijn, dan wel strijdig blijken te zijn met de zedelijke opvattingen van een – meestal bekrompen – luidruchtige meerderheid of minderheid. Overigens is het opvallend, dat, bij filmkeuringen in West-Europa gedurende de laatste 10 jaren het grootste deel van de coupures zich niet meer richtte tegen ontucht, prikkelende scenes enz., maar coupures en verboden in 70% van de gevallen werden aangebracht of opgelegd, omdat de stellingen godsdienstig of politiek niet aanvaardbaar waren.

Daarbij is het verder opvallend, dat vooral de zogenaamde katholieke landen, met hun schijnbaar grotere vrijheid, hun ruimer schijnende opvattingen, toch het merendeel van de verboden op hun rekening nemen. Van Italië is bekend, dat meer dan 80% van de door keuringen daar verwijderde scenes en verboden vertoningen, niet op andere gronden berusten dan op politieke onaanvaardbaarheid, aantasting van de heersende klasse en ten laatste ook nog wel een inhoud, die met de heersende godsdienst ten zeerste strijdig werd geacht. Meer dan 2/3 der wrakingen dus.

Dergelijke beperkingen zijn voor de Heerser van de nieuwe tijd onaanvaardbaar. U hebt het recht niet alleen maar om in de bijbel te lezen – ofschoon ook dit langere tijd voor bepaalde christenen verboden is geweest – maar ook om kennis te nemen van andere werken. Ook van antigodsdienstige of sociale werken, indien u dit begeert. U hebt ook het recht kennis te nemen van filosofieën, die voor bepaalde groeperingen misschien niet aanvaardbaar zijn.

Ik acht het eveneens niet in overeenstemming met de geest van de nieuwe tijd, dat bepaalde kerken trachten hun lidmaten of gelovigen van de geloofsbeleving uit te sluiten – en in feite wordt dit dus een vorm van geestelijke chantage – wanneer zij moedig genoeg zouden zijn om te behoren tot kerkelijk niet gewenste bonden, of groeperingen van niet religieuze aard. U realiseert zich misschien niet, hoever men daarbij wel kan gaan. Maar iemand, die niet eens werkelijk communist is, doch alleen maar met het communisme sympathiseert, zal in verschillende landen door de kerken uitgesloten worden van deelname aan kerkelijke plechtigheden en zal niet kunnen rekenen op bediening der sacramenten.

In sommige andere landen wordt iemand, die te rechts gezind is, van alle kerkelijke functies uitgesloten door de kerk zelf. De kerk van Home heeft op bepaalde politieke inzichten, het behoren tot bepaalde organisaties – in Nederland zelfs sommige vakbonden – een straf gesteld en heeft verklaard, dat degenen die zich hiermede bezighouden onmiddellijk vallen onder een kerkelijke ban.

Er zijn christengemeenschappen, waar een gezin dat anders denkt, eenvoudig niet kan leven. In Noorwegen werd in een klein dorp een gezin, dat niet gereformeerd, doch judaïstisch was ingesteld – het betrof hier geen z.g. ras-joden, doch mensen, die de joodse religie waardevol en aanvaardbaar achtten – onder leiding van de pastoor eenvoudig weggepest. Dit omvatte o.m. het afbranden van een deel van de door dit gezin geëxploiteerde en bewoonde hofstede. Ook dit is christendom. Misschien is het niet het christendom, maar toch zijn deze excessen daarvan wel het onmiddellijke resultaat. Dergelijke resultaten zijn niet aanvaardbaar. Iedereen moet het recht hebben om zelf te denken en in handel en wandel af te gaan op eigen inzichten en geloof.

De nieuwe Heerser trekt zich er niets van aan, of de mens nu bepaalde stellingen aanvaardt of verwerpt. Dat is het recht van de mens. Maar voor een mogelijke harmonie met de nieuwe tijd eist de Heerser een zoeken naar hogere geestelijke waarden. De mens, die dit niet wenst te doen, zal daarvan dan stoffelijk zowel als geestelijk de consequenties moeten aanvaarden. Aan mogelijke consequenties zal de mens steeds minder kunnen ontkomen. Voor de rest is men echter geheel vrij in zijn handelingen en denkwijzen. De geest van deze nieuwe tijd zegt niet uitdrukkelijk, dat men dit of dat moet geloven of doen. Zo goed echter als men adem moet halen om verder te kunnen leven, zo goed zal de mens de verhoudingen en trillingen van de nieuwe kracht in zich op moeten nemen, wil hij geestelijk nog bewust kunnen leven in de dagen die gaan komen.

Dan moeten wij ons verder realiseren, dat deze nieuwe Heerser groot belang hecht aan persoonlijk contact, niet alleen tussen mens en mens, maar ook tussen mens en geest en mens en God. Wij zouden hier misschien kunnen zeggen dat dit de ontwikkeling inhoudt van het occulte, het paranormale. Maar het gaat verder dan dit: het is de uitbreiding van het menselijke leven met invloeden, indrukken en wetenschappen, die het menselijke denken en bestaan van heden te boven gaan. Dit laatste is voorlopig voor velen nog niet aanvaardbaar. Wij zien steeds weer, hoeveel mensen mede op christelijke gronden het occulte verwerpen, terwijl waarzeggers worden vervolgd, zonder dat men bij een veroordelen hen eerst op werkelijke waarde en mogelijke prestaties toetst. Wij zien, dat paranormale geneeswijze door velen op grond van christelijke inzichten wordt verworpen, zonder dat men zich maar de moeite getroost om na te gaan, in hoeverre de paranormale genezing tot het welzijn en de grotere geestelijke en lichamelijke gezindheid van de mens bij kunnen dragen. Opvallend is, dat godsdienst en wetenschap beiden geneigd zijn, deze dingen te miniseren, weg te verklaren, of tenminste te veroordelen. Vermoedelijk omdat beide, ongeacht de verdere verschillen, in het gebied van het occulte en paranormale een aantasting van eigen debiet vrezen. Wij zien dat leringen, die bv. in Nederland nog wel getolereerd worden, elders vervolgd worden, alleen omdat zij in strijd zijn met de wensen of inzichten van de regerende groepering; dit kan niet aanvaard worden.

De entiteit, die als heerser optreedt, deze kosmische kracht, is heus geen zuiver mystieke kracht. In de uitstraling van deze heerser zijn ook vele technische mogelijkheden gelegen. Deze gaan echter verder dan de materiële techniek alleen. De komende periode zal er een zijn van geestelijke wetenschappen en niet alleen maar een periode van geestelijke gaven. Eenieder, die deze dingen wil beperken, behouden voor een besloten kring of gemeenschap, past niet in de tijd.

Het christendom van heden weigert echter het bovennatuurlijke als juist, goed en bruikbaar te erkennen, tenzij het onder zijn eigen zegel plaats vindt en geen bijzondere invloed aan individuen binnen die kerk verschaft.

Voorbeeld: Een frater in een klooster in Italië had grote roep verkregen door zijn profetieën, genezingen en uitdrijven van duivelen. Deze roep was zo groot, dat het klooster een soort bedevaartsoord werd. Men heeft de goede frater, die al op gevorderde leeftijd was, eerst drie maal naar andere kloosters binnen Italië verplaatst. Toen bleek, dat degenen, die aan zijn gaven en werken behoefte hadden, hem ook daar steeds weer wisten te vinden, heeft men hem overgeplaatst naar Brazilië op een post en in een klimaat, waarin de goede frater waarschijnlijk niet al te lang meer te leven zal hebben. Ik kan deze reeks van voorbeelden vervolgen en erop wijzen, dat zelfs in Nederland enkele priesters, die het paranormale te gunstig gezind waren en daarvan blijk gaven, van verantwoordelijke posities werden verwijderd, sommigen van hen bevinden zich heden in de missie, anderen in kloosters, waar zij, gezien hun verplichte gehoorzaamheid aan de oversten daarvan, weinig of geen kans krijgen zelfs maar over deze dingen te spreken.

Is dit alles aanvaardbaar? Binnen het kader van de huidige christelijke ethiek misschien nog wel, want deze bevat onder meer de gedachte, dat wij vooral in de eerste plaats aansprakelijk zijn voor de gemoedsrust van onze medegelovigen. Niemand heeft het recht anderen voor geestelijke problemen te plaatsen, zo schijnt men te willen zeggen. Iets wat weer geheel in strijd is met de houding van Jezus, die wel veel goeds deed, maar toch op zijn tochten alles behalve rust bracht.

Als er ooit in zijn dagen een gevaarlijke oproerkraaier was – vanuit het tempelstandpunt – in Israël van die dagen, was het Jezus wel. Hij immers bracht de mensen aan het denken, ontnam hen de gezapige aanvaarding van alle priesterlijk gezag en het denkbeeld, dat men zonder meer aan de tempel en haar oversten gehoorzaam diende te zijn. Daarom moest Jezus sterven. Niet omdat Hij zei of men van hem zegde, dat hij de Messias, de zoon van God was, maar omdat zijn optreden de zekerheid en de orde van tempel en priesterlijk gezag aantastte. Wij zien echter in vele christengemeenschappen en kerken een optreden, een rationaliseren, dat verdacht veel lijkt op de houding van Annas en Kajafas. Aldus handelt men nu op grond van de noodzaak Jezus leringen en de kerk zuiver te houden. Dergelijke dingen zijn zeker niet aanvaardbaar. Wij mogen zeggen, dat het christendom veel goeds heeft, maar moeten daaraan toevoegen dat het, door zijn pogingen om menselijk leven en leringen op een eenzijdige en gezag dragende wijze te formuleren en te handhaven, binnen de nieuwe tijd niet past.

Dit brengt met zich, dat de nieuwe vorm van christendom bezien moet worden. Vergeet één ding niet: de nieuwe Heerser wenst niet de godsdiensten weg te nemen of te bestrijden, maar probeert vanuit elk systeem en langs elke weg de mens bewuster te maken en dichter tot God te brengen, zoals al zijn voorgangers eveneens deden. Waar de nieuwe macht in tegenstelling met de vorige heerser niet in de eerste plaats de weg door de materie zoekt, maar behoort tot de golvingen, die werken met en door de krachten der geest, is het duidelijk, dat zijn inwerking op de godsdiensten toch zeer belangrijk zal zijn.

Aan de volgende punten ontbreekt een zeker speculatief element zeker niet, waar ik hier tracht vooruit te lopen op wat gaat geschieden. Wat ik u beschrijf, is iets, wat misschien over 50 jaren zo zal kunnen bestaan, maar zeker heden niet bestaan kan. Ik beschrijf dus nu zeker geen christendom, dat op dit ogenblik in meer algemene zin mogelijk is. Allereerst stel ik: Elk christendom zal moeten terugkeren tot een erkenning van de grondstellingen van de Christos, de werkelijke Christus, als het voor ons centrale punt van de goddelijke uiting. Daarbij zal men afstand moeten doen van een te sterk personifiëren van deze Christos in de gestalte van Jezus alleen. Men zal de Zoon der Mensen niet meer moeten beschouwen als de bovenal voor ons gekruisigde, maar hem daarnaast en onafhankelijk van alle verlossingsmystiek, moeten erkennen als de zoon Gods, zittende op de wolken, komende om te oordelen. Het oordeel komt namelijk uit de Christos vanzelf voort: hij geeft ons de levenskracht weer, die vooral voor de geest van buitengewoon groot belang is. Dit heeft niets meer te maken met geloof. Ten hoogste zou men kunnen stellen, dat dit deel is van een mystiek weten, dat op de christelijke weg gebaseerd is. Deze kracht te binden aan de persoonlijkheid van Jezus en de verlossingsopvatting, zoals deze thans verkondigd wordt, zou een beperking betekenen van de bewustwordingsmogelijkheid, die in het voorgaande is gelegen.

Dus zal het geloofspunt in de toekomst waarschijnlijk gaan luiden: “Ik geloof in Christos, door Jezus ons geopenbaard”. Wat een grote verandering is. Verder zal men stellen: “Wij geloven, dat dit en dat – inhoud van de evangeliën – waarlijk gebeurd is”, maar men zal zich niet meer zozeer binden aan letterlijk genomen dogma’s als nu het geval nog is. Men zal bv. niet meer zeggen, dat Jezus werkelijk en lijfelijk afgedaald is ter helle en op de derde dag herrezen uit den dode, doch zal eerder stellen, dat het leven van Jezus ons het beeld is van de herrijzenis, zoals deze voor ons mogelijk is. Daarna zal men wel stellen, dat wij uit de leer van zijn leven onze persoonlijke bewustwording zullen vinden.

Wat ook een verandering zal zijn is de eis, die men aan de gelovigen gaat stellen: “Zo gij de Meester volgt, volg hem met uw daden en niet slechts met uw woorden. In het vertrouwen op de kracht des Vaders en alles, wat gij van de Meester geleerd hebt, zult gij wonderen doen, zieken genezen, duivelen uitdrijven, profeterende, de toekomst kennende en niet verblind wordend door het verleden.” Een eis, die op het ogenblik niet denkbaar, laat staan verwezenlijkbaar lijkt, omdat een hiërarchisch priesterdom daaraan immers niet kan beantwoorden.

Voor dit christendom zal voorts als stelregel gelden, dat men zelf de regels zal inhouden, zonder dit van anderen te eisen of zelfs maar te vragen, terwijl men zijn contacten met de wereld zal doen bepalen door de erkenning van God in anderen of tenminste hun bereidheid deze in u te aanvaarden. Deze nieuwe kerken zullen stellen: wij hebben niet het recht om politiek te bedrijven, want onze zending is niet van deze wereld en het rijk Gods is niet van deze wereld. Zij zullen stellen: wij hebben niet het recht om te bezitten, want onze Meester bezat niet. De zoon des mensen had soms geen steen om zijn hoofd neer te leggen. Wij, die Hem volgen, zullen geen bezit aanvaarden. Dat betekent onder meer dat grote kapitalen, die nu, met welke goede bedoelingen ook, in de dode hand rusten, nu weer in de normale omloop zullen komen en dat de eisen, die men bv. aan kerkgebouwen stelt, geheel anders zullen zijn dan tegenwoordig: de kerk van de toekomst zal alleen een rustige plaats van samenkomst zijn, niet meer een gebouw waarin de waardigheid van Onzen Heer tot uiting moet komen. De waardigheid van Onzen Heer, zo zal men dan zeggen, komt slechts tot uiting in het gehele leven.

Verder zal blijken, dat de kerk van morgen weigert een keuze te doen in politieke of sociale systemen. Zij zal alleen stellen: In de naam van de Christos en Onze Meester, die ons op het pad is voorgegaan, zullen wij allen die ons niet aantasten en vervolgen, erkennen als onze broeders en zusters, en hen behandelende als zodanig. Let wel: er blijft een voorbehoud, ook in de nieuwe tijd. Want wie u verwerpt omwille van uw geloof, kunt u niet als een broeder of zuster zien.

In deze nieuwe tijd zal het echter noodzakelijk worden geacht, dat u, zodra men u maar de vrijheid laat om uw God te dienen, erkent dat de relatie der broederschap automatisch ontstaat en wel niet uit een eis, die men aan anderen stellen kan, maar vanuit de verplichting die volgens het geloof in het ik berust om tegen aanzien van anderen te handelen.

Dan zal men u ook zeggen – en dat zal voor velen een heel bittere klap zijn – dat een waar christen geen handel drijft. Ik geloof wel, dat dit de grootste schok zal worden voor de maatschappij van heden. Het is maar goed, dat zeer velen van degenen die zich nu goede christenen achten, die tijd niet meer mee zullen maken.

De kerk van de toekomst zal daarvoor de volgende verklaring geven: zij, die handel drijven, brengen niet voort en schenken niet vanuit zichzelf, doch leven slechts krachtens het onvermogen of gebrek aan inzicht bij anderen. Dit is niet broederlijk en dus niet gerechtvaardigd.

Ik ben het met u eens, dat dit laatste wel heel ver gaat. Te ver misschien vanuit het huidige standpunt. Maar de kerk zal ongetwijfeld in haar ommekeer – die met toenemende snelheid plaats zal gaan vinden – na ongeveer 50 jaren geconfronteerd worden met de noodzaak, vanuit zich verder te gaan dan de menigte wenst te gaan.

Tot op heden kunnen wij allen zien dat de kerk met haar wijzigingen in haar opvattingen omtrent moraal enz. enz., ja, zelfs in haar methode van officieel theologiseren, van filosoferen, achter de ontwikkelingen in de mensheid aanloopt. Het zijn steeds weer de leken, die nieuwe initiatieven en gedachten ontwikkelen, het is de kerk, die steeds weer, erkennende hoe sterk en machtig een bepaalde ontwikkeling soms wordt, tracht om later daarin het hare te zeggen en zich voor te laten staan op haar “moderniteit”.

Men zegt bv. weleens, dat het humanisme er eerder was bij de christenen dan bij de niet christenen. Dit is onjuist, want het eerste humanisme, dat wij in deze streken kennen, ontstaat buiten het christendom en de kerken om, reeds rond 1600. Het kerkelijk humanisme is een product uit de jaren 1920,1930. Enkele denkers, die reeds voordien binnen de kerk soortgelijke opvattingen en stellingen wilden verkondigen, werden – ofschoon men nu met trots wijst op het bestaan van dergelijke progressieve figuren binnen de kerk – door hun meerderen, de kerkelijke autoriteiten, bestraft of zelfs uitgesloten. Dit geldt overigens niet alleen pastoors en paters, zoals u nu misschien denkt, maar geldt in gelijke mate voor anderen.

In Nederland werden bv. in 1770 en 1800 meerdere dominees om hun mens-verheerlijkende opvattingen bestraft en via synode of raad van kerken eenvoudig afgezet en uitgewezen. Dit geschiedde bv. in Delft. Er zijn meerdere gevallen bekend, waarbij de humaan denkende en sprekende dominees en godsdienstleraren door de alwijze heren te Dordrecht niet slechts van hun gemeente werden beroofd, maar ook na verbreking van elke kerkelijk contact met hen, nog aanmoedigde dat te hunne opzichte broodroof werd gepleegd, zodat zij vaak niets anders konden doen dan uitwijken, o.m. naar de V.S., Engeland en de koloniën.

Men zal beseffen, dat men niet langer achter de massa en haar ontwikkelingen aan kan blijven draven en zal beseffen, dat men de menigte voor zal moeten gaan. Alleen zo immers kan het christendom weer iets van de spontaniteit en werkelijke waarde herwinnen, die het rond Jezus tijd had. Jezus was niet iemand, die probeerde te formuleren, wat zich onder de mensen ontwikkelde, om dit dan in zijn systeem in te passen. Hij formuleerde de goddelijke krachten, die hij in zich erkende, ongeacht wat de mensen zeiden of daarvan dachten. Hij ging zijn volgelingen voor in een nieuwe wijze van leven en denken en heeft daarbij hun gebruiken zoveel mogelijk gerespecteerd, zonder daaraan echter voor zich enige waarde, of zelfs maar een beperking van zijn leer te verbinden. Het laatste kan onder meer worden afgeleid uit de verwijten, die hem treffen, dat hij op sabbat reist, dat hij op deze dag zieken geneest enz. Die ommekeer brengt ons een christendom, waarin het visionair element, het wonder, weer een rol speelt en men gebracht wordt tot een broederschap onder mensen, dat niet meer berust op het erkennen van kerkelijk gezag, maar op de innerlijke erkenning van het Goddelijk gezag. Een samenwerking, zoals deze noodzakelijk is onder de invloed van de nieuwe Heerser, zal dan ook eerst na het voltooien van deze omwenteling mogelijk zijn, zoals ook dan eerst werkelijke mogelijkheid tot eerlijk samenwerken met alle andere richtingen van leven, geloven en denken pas mogelijk zal zijn.

Ik wil op dit alles niet te ver doorgaan. Wat echter uit deze punten voor eenieder die oprecht wil blijven, voortvloeit, is wel, dat waarlijk christen zijn altijd weer een mystieke zaak is, die alleen vanuit de persoonlijke beleving werkelijke zin en inhoud verkrijgt.

Als tweede punt hebben wij daarnaast wel aangetoond dat de huidige ontwikkelingen, hoe enorm ook in de ogen van de mens van heden, slechts het aarzelende begin kunnen vormen van een als een stortvloed over mens en wereld komende reeks van veranderingen op godsdienstig gebied, die in de naaste toekomst begint.

Ten laatste hebben wij geconstateerd, dat de vaak klinkende neiging om een koninkrijk Gods te stichten of voor te bereiden op aarde, strijdig is met Jezus bedoelingen, zodat elk pogen iets dergelijks op meer materiële basis tot stand te brengen, tot mislukking gedoemd moet zijn.

Ik hoop, dat u aan dit onderwerp en de gegeven belichting voldoende hebt. Wie mij op onvolkomenheden of onjuistheden wil wijzen, kan dit nu doen.

  • Politiek als kern van een godsdienst is toch niet typisch christelijk. Zo iets vinden wij bij de islam ook.

Oppervlakkig gezien ligt de zaak bij beiden hetzelfde. Toch is er een groot verschil.

Terwijl het christendom pretendeert een godsdienst te zijn van nederigheid, liefde en zachtmoedigheid, geeft de islam toe, dat zij in de eerste plaats het zwaard Gods wil zijn. Hier is de goddelijke macht en de uiting daarvan primair en deel van de geloofsinhoud zowel als van de geloofsbeleving. Daarnaast gelden natuurlijk de regels voor rechtvaardigheid, juistheid van handelen en bidden.

Het christendom stelt echter de godsbeleving als een persoonlijk gebeuren primair, de erkenning van Jezus en de leer der zachtmoedigheid zijn hiervan de basis. Vergelijk de stellingen en de praktijk van beide geloofsvormen en u zult zien, wie dichter bij de oervorm van zijn geloof is blijven leven: de islamiet of de christen.

Dat overal de politiek een steeds sterkere rol gaat spelen en dat alle godsdiensten daarin steeds meer betrokken raken, geef ik toe. Ik voeg daaraan onmiddellijk toe, dat dit alleen daar gebeurt, waar de werkelijke godsdienstige waarden en belevingen in verval geraken, zodat de werkelijke, innerlijke betekenis daarvan en de zo gevonden innerlijke krachten voor de mens wegvallen. Wanneer wij zien, dat zowel hindoeïsme, islam en zelfs het boeddhisme aanleiding worden tot politieke acties en macht bestrevingen, moeten wij onmiddellijk daarnaast constateren, dat de grote wijzen en meesters, die zowel binnen de islam, de Hindoeleer als het boeddhisme optraden, klaarblijkelijk althans als deel van het geloof van deze aarde gaan verdwijnen. Van dergelijke figuren horen wij niets meer. Degenen die zich nu de eretitel aanmatigen welke eens het deel was van werkelijk gezondenen, blijken in deze tijd vaak politici te zijn, die per vliegtuig reizen, in paleizen wonen enz. Het zal u duidelijk zijn, dat een verval van waarden dus ook elders plaats vindt.

Ik sprak hoofdzakelijk over het christendom en liet dus dit alles maar buiten beschouwing. Toch wil ik nu wel even erop wijzen, dat in genoemde godsdiensten het verval betrekkelijk kort geleden is begonnen, terwijl het binnen het christendom bijna 1600 jaren geleden begon. Dat is wel een verschil, vindt u niet. Overigens: ik noem de andere godsdiensten niet, zelfs niet in vergelijkende zin, omdat voor elk van hen een soortgelijke reeks van veranderingen verwacht kan worden, zoals ik waagde voor het christendom te voorspellen.

De geaardheid van elke godsdienst, de geaardheid van de volkeren ook, die de kern vormen van de gemeenschap en binnen de bepaalde godsdienst contact met het hogere weten te vinden, maakt het noodzakelijk elk van deze godsdiensten aan een vollediger beschouwing te onderwerpen, dan het u welbekende christendom, omdat het niet mogelijk is u zonder veel gegevens duidelijk te maken, waar de fout ligt, waarom die fout bestaat en hoe zij gezien de invloed van de Nieuwe Heerser.

U zult er dus hopelijk genoegen mee nemen, dat ik antwoord: Ja. Vele godsdiensten zijn helaas geworden tot politieke machtsinstrumenten, waarmede zij hun werkelijke zending, taak en mogelijkheden hebben verloochend en zijn zij geworden van leiders der geesten tot misleiders van ziel, geest en stof. Van de grootte van deze aanklacht ben ik mij wel bewust, doch ik vrees, dat zij in wezen juist is.

  • Is het niet juist, dat de ware bewustwording mystiek is?

Ik geloof, dat wij mystiek nooit als een bewustwording mogen omschrijven.

  • De weg?

Zelfs niet als de weg. De mystiek is de innerlijke erkenning op bovenredelijk vlak, waarnaast de bewustwording – krachten puttende uit dit beleven – binnen de perken van eigen begrip en rede de verhouding tussen God en ik steeds opnieuw formuleert en deze formulering gebruikt om zowel zichzelf als al het andere steeds eerlijker en juister te omschrijven. De mystiek kan voor ons een middel zijn, om te ontvluchten aan de beperkingen van het mens zijn, zij kan echter nooit een middel zijn om de bewustwording als mens te vergroten.

Eerst wanneer de mystiek van haar werkelijke verinnerlijking afstand doet en wordt tot mystieke bespreking, de formulering die overdenking vergt en dan daarmede het polemisch karakter krijgt van een filosofie, kan zij voor de bewustwording betekenis hebben. Dan echter blijkt zij zich van een werkelijk innerlijk gebeuren, een beleving, ontwikkeld te hebben tot een vorm van filosofisch of irrationeel geloof.

  • Zal de kerk later ook reïncarnatie aanvaarden?

Ik vrees, dat het voor de kerken geen kwestie zal zijn van een al dan niet aanvaarden van het begrip en feit der reïncarnatie, omdat de mens, die zich steeds sterker bewust wordt van zijn geestelijke achtergronden, ook een vroeger bestaan meer bewust zal gaan beseffen, zodat de innerlijke kennis van eigen vroeger bestaan bij zeer velen steeds toe zal nemen.

Op den duur zal de mens zeker geen andere verklaring voor de dingen die hij nu nog onderdrukt willen aanvaarden. Want het besef van vroeger bestaan bestaat reeds nu in toenemende mate bij velen, maar wordt nog weg verklaard of onderdrukt. Dit zal zeker ook bij de aanvaarding van de stellingen en richtlijnen van een geloof een steeds sterker rol gaan spelen.

Verder meen ik, dat de invloed van de nieuwe Heerser, mede door het redelijk karakter, dat daarin, ondanks alle mogelijkheden tot mystieke en geestelijke ontwikkeling, verborgen is, een steeds zuiverder en meer wetenschappelijke erkenning van de menselijke achtergronden en daarmede ook van het feit der reïncarnatie mogelijk zal maken.

Wanneer je eenmaal weet, dat je vroeger geleefd hebt, zal je toch wel niet meer toestaan, dat een kerk, die je volgt, je vertelt, dat het niet zo is. Toch geloof ik niet, dat binnen het christelijk kerkelijk bestel reïncarnatie ooit een belangrijke rol zal spelen. Dit is ook overbodig, omdat het christendom tracht, via zijn geloof en leven de mens nader tot God te brengen. Wel is het interessant te voorzien dat, wat nu nog als speciale en persoonlijke genade wordt gezien, meer en meer beseft zal worden als het door het ik aanvaarden van de goddelijke goedheid, die steeds bestaat en wel door eigen instelling.

  • Is er dan ook een streven naar het bereiken van de paradijselijke toestand en zal deze aan het einde van de mensheid inderdaad zijn bereikt?

Allereerst wil ik opmerken, dat door mij op deze avond niets is gezegd, over het mogelijk ontstaan van een paradijselijke toestand op aarde. Slechts werd door mij geïmpliceerd, dat een meer harmonische verhouding tot stand zou kunnen komen tussen mens en mens, mens en geest en mens en God. De laatste dagen van deze wereld zullen zeker geen terugkeer tot een paradijs in de stof kunnen zijn. De geest, die een bewustzijn bereikt, dat haar bevrijdt van de noodzaak tot verdere incarnaties op deze wereld, zal hoogstens daarop als leraar terugkeren. Wat inhoudt, dat het gemiddeld peil van bewustzijn op deze wereld dus steeds beneden dit peil zal blijven. Het betekent tevens, dat een waarlijk paradijselijke toestand op aarde dus nooit hersteld zal kunnen worden.

Verder wil ik u erop wijzen, dat het paradijs in wezen een geestelijke waarde is. De paradijsmythe situeert deze wel op de wereld zelf, maar het lijkt mij toch verstandiger na te gaan hoe het staat in de kosmos, waarvan het Al, de wereld waarin men leeft, deel uitmaken, Wij komen dan tot de vreemde conclusie, dat wij het woord Adam op meerdere wijzen kunnen uitleggen en wij zo zelfs Adam kunnen zien als het kosmisch oertype van de mens, dat niet op aarde bestaande, doch in harmonie zijnde met de goddelijke oerbron, wandelde met God. Voor alle oervormen van rassen en soorten geldt hetzelfde, zo dat ook dezen voortdurend als oertype in Gods werkelijkheid bestaan, waar geen vijandigheid bestaat, noch achtervolging of vraatzucht.

Daar ligt de leeuw nog steeds naast het lam. Het paradijs is wel bekend op deze aarde, maar is niet van deze aarde. Daarom lijkt het mij juister om aan te nemen, dat deze wereld, dit kleine deel van de oneindigheid, niet de weerspiegeling van een paradijs zal kunnen worden. Wel kan worden gesteld, dat steeds meer mensen de paradijstoestand in zichzelf gaan realiseren en daardoor zich van de beperkingen, die aan eenieder, die nog niet met God kan wandelen nu eenmaal zijn opgelegd, zal kunnen bevrijden.

Ik hoop, dat u dit laatste, wat misschien wat meer in de richting van de mystiek gaat, niet euvel zult duiden.

  • Leidt het streven, dat bestaat naar een technische vervolmaking uiteindelijk niet naar een vereenvoudiging van het leven?

Deze nieuwe Heerser legt een sterke nadruk op de gedachte en de gedachtekracht. Zoals Aquarius over het algemeen zelfs in een normale horoscoop de nadruk pleegt te leggen op bepaalde cerebrale activiteiten.

Volgens mij mag dan ook aangenomen worden, dat bij de geestelijke vernieuwing de techniek niet geheel ten gronde gaat, doch zich anders gaat ontwikkelen: tot nu toe maakt men de techniek tot vervanger van menselijke bekwaamheden en functies. Wanneer de geest meer ontwikkeld wordt, zal men m.i. daaraan minder behoefte hebben en, gebruik makende van de technische kennis, een versterking van eigen vermogen via de techniek nastreven, die bij een vereenvoudiging van productie enz. een verbetering van eventueel noodzakelijk stoffelijke mogelijkheden en zekerheden zal bewerkstelligen.

Dit zal een vereenvoudiging betekenen. M.i. zal men zelfs komen – ofschoon dit een zeer stoutmoedige speculatie is, die naar ik meen eerst over enkele honderden jaren geheel verwezenlijkt kan worden – tot een zodanig rapport tussen verschillende mensen, dat het team van heden vervangen kan worden door een bewust door verschillende personen via tijdelijke opheffing van eigen persoonlijk denken tot stand gekomen superentiteit. Door het in volkomen overeenstemming functioneren van 10 tot 20 hersenen als eenheid zal dan een vermogen ontstaan, dat groter en doelmatiger is dan menig cybernetisch brein van heden en zo aan de noodzakelijke technische werktuigen een veel betere leiding kan geven dan nu denkbaar is.

Ik meen, dat veel van hetgeen nu nog technisch volbracht dient te worden eens weer het eigen terrein zal worden van de mens. Ik wil er nogmaals op wijzen, dat vele dingen, die men nu ziet in de techniek, niet werkelijk ten doel hebben, het menselijke kunnen uit te breiden, maar een versnelling van werken of een vervanging van menselijke inspanningen ten doel hebben. Het cybernetisch brein vervangt bepaalde functies van de menselijke hersenen, waaronder herinnering en associatievermogen. Radio e.d. vervangen de telepathische impulsen enz. enz.

Techniek en geestelijke ontwikkeling zullen m.i. elkander aanvullen, om de vermogens en niet slechts de mogelijkheden van de mens uit te breiden.

0-0-0-0-0-0-0

ESOTERIE

  • De innerlijke weg.

Ik moet met u over een esoterisch onderwerp spreken, terwijl ik zelf nu niet direct esoterisch ben aangelegd. U zult mij dus vergeven, wanneer ik mij van de geldende mooie termen vandaag weinig aantrek en tracht onmiddellijk ter zake te komen.

Wij spreken steeds maar weer over de innerlijke weg. Wie naar binnen toe gaat, reist echter niet alleen binnen zijn eigen wezen en mogelijkheden, maar ook binnen iets, wat ik ‘tijd’ zou willen noemen.

De mens bestaat in wezen gelijktijdig in alle tijd, tenminste met het geestelijke deel van zijn wezen. Wij allen zijn aanwezig bij het begin van de schepping en bij het einde daarvan, ook wanneer wij gelijktijdig hier bestaan en menen langs een bepaalde geestelijke weg moeizaam voort te ploeteren.

Wie naar binnen keert, schakelt a.h.w. een deel van de tijd uit. Nu is dit moeilijk om je voor te stellen. Ik kan nu wel technisch gaan spreken en vertellen: elk atoom is een mengsel van ruimte en tijd. Het is namelijk de ruimte, waarin de materie tot stand komt, terwijl de tijd of tijdflux in wezen de kracht vormt, waardoor beweging en structuur van het atoom worden vastgelegd, de bindende kracht.

Dat klinkt wel geleerd, maar in de eerste plaats snapt de helft van de aanwezigen daar toch geen jota van, terwijl het bovendien voor een mens wel erg vervelend is, zich opeens als een verzameling van atomen te moeten gaan beschouwen, waarin tijd en ruimte aanwezig zijn.

Toch wil ik trachten nu iets te vertellen over deze menselijke geest, waarin de esotericus gaat dolen. Het volgende beeld kan ons daarbij van dienst zijn: Stel u voor, dat de mens als geheel een soort telescoopstaaf is, die geheel uitgeschoven is. In deze toestand hebben wij een groot aantal staafjes, die net om elkaar passen en samen een zeer grote lengte kunnen geven.

Schuiven wij echter alles weer in elkaar, dan zien wij alleen het grootste staafje nog, de anderen zijn daarin geborgen. Er blijft slechts een zeer beperkte lengte over.

Nu leen ik iets van de symboliek: men gebruikt daar de cirkel als beeld van de kosmos, soms ook als beeld van de volmaakte persoonlijkheid. In het midden bevindt zich het centrale punt.

Nu kunnen wij zeggen: wanneer ik in mijn eigen kosmos doordring, die het beeld Gods is, terwijl alle staafjes in elkaar geschoven zijn, is mijn wezen identiek aan het middelpunt, van mijn ware ik dus. Hoe meer van deze staafjes, die staan voor onze verschillende voertuigen, nu worden uitgeschoven, dus kenbaar worden, hoe belangrijker voor ons ook ruimte en tijd worden.

Wanneer ik tracht in mijzelf – en dat gaat uiteindelijk vanuit het menselijke bewustzijn via de verschillende geestelijke voertuigen – terug te keren tot mijn bron en tot de uiteindelijke waarheid omtrent mijn eigen wezen, moet ik niets anders doen dan de buitenkant a.h.w. achterlaten.

Ik moet steeds a.h.w. iets, een wereld, een voertuig, terug brengen binnen een hoger voertuig.

Ik moet iets “vergeten”. Wat wel wat vreemd klinkt, omdat de meeste mensen denken, dat esoterie een kwestie van leren is. Volgens mij is het echter eerder een kwestie van vergeten.

Om tot de kern door te kunnen dringen, zal je immers alle bijkomstigheden moeten vergeten, opdat alleen de hoofdzaken overblijven. Alle moeilijkheden, die wij op het innerlijk pad plegen te ontmoeten, zijn eigenlijk niets anders dan herinneringen, bijkomstigheden, waardoor wij ons op laten houden.

Dan kan ik zeggen, dat elk geestelijk voertuig, in mijn vergelijking dus overeenkomt met een geleding van de telescoop. Elke geleding is net iets kleiner dan de vorige, zodat hij daar juist in past. In overeenstemming met dit voorbeeld kan ik dus wel zeggen, dat ons werkelijke wezen, onze eeuwige persoonlijkheid groter is dan alle andere voertuigen, alle andere voertuigen in zich bevatten kan, maar dit niet noodzakelijkerwijze ook doet, terwijl onze huidige vorm steeds de laatste geleding vormt, die nog uitgeschoven is.

Waarvan wij weer iets leren: naarmate wij verder stijgen in de geest, nemen wij dus meer delen van ons eigen wezen terug binnen onszelf. Ons grote eigen Ik is normalerwijze aanwezig in de Goddelijke werkelijkheid. Maar het is ergens hol: ons bewustzijn is er niet in. Naarmate wij meer onszelf weten te comprimeren en dus alle uiterlijkheden van ons afgooien, zal het werkelijke ik meer gevuld zijn. Gevuld met het enige, wat in Gods werkelijkheid een vorm kan vullen: bewustzijn.

Indien mijn voorbeeld redelijk juist gesteld zou zijn – het hoeft dus nog niet eens geheel waar te zijn – dan impliceert dit dat elke vorm van leven in welke sfeer of wereld dan ook, niets anders is dan een toestand van het bewustzijn, zover het ons Ik betreft. Het heeft weinig zin er nu over te filosoferen, of deze werelden nu al dan niet “werkelijk” zijn, want voor ons zijn zij echt. Wij kunnen nu wel bewijzen, dat de wereld niet echt is, dat zij maar een denkbeeld is, maar voor ons blijft zij desondanks bestaan en alles wat wij in haar ondergaan is voor ons werkelijkheid.

Toch kan dit concept ons wel ergens bij helpen: bij het beheersen van onze eigen wereld. Indien immers de wereld voor ons ergens een denkbeeld is, zal ook gelden, dat, wanneer ik mijn denken kan veranderen, ook mijn wereld zal veranderen. Voor mij is dat het leuke van esoterie: het leert je niet alleen in je diepere Ik door te dringen, maar leert je wel degelijk ook, hoe je je stellen moeten tegenover de buitenwereld.

Zoals ik reeds zei, ben ik geen echte esotericus: ik wil altijd de praktische tips en mogelijkheden eruit halen, die er in zitten, en laat verder de theorie desnoods de theorie. Daarom wil ik nu proberen uit het gegeven voorbeeldje nog enkele praktische wenken op te vissen.

De eerste is dit: Datgene, waarvan ik mij bewust ben, of datgene, waarin ik volledig en met geheel mijn wezen geloof, zal de wereld vormen, die ik beleven kan. Wanneer ik in staat ben – al is het nog maar zo weinig – in mijn eigen denken of geloof wijzigingen te brengen – bij voorkeur in de richting van de Grotere Werkelijkheid – zullen mijn wezen en wereld zoals ik dezen ken, zich voor mij eveneens wijzigen.

Ik ben dus niet gebonden aan de wereld, waarin ik leef, zoals men wel denkt. Ik ben er niet het hulpeloze slachtoffer van, maar ben er integendeel grotendeels de originator, de voortbrenger van.

Ergens is dit beeld natuurlijk ook weer minder plezierig: Ik ben dus zelf ook schuld aan alles, wat mij overkomt. Maar aan de andere kant is het ook aangenaam: Ik heb niemand iets te verwijten en zal ook mijzelf in wezen niets hoeven te verwijten buiten dat ene: dat ik niet beantwoord aan dat, wat voor mij harmonie, voor mij geluk betekent.

Ik trek dan meteen nog een tweede conclusie: Het zal nimmer mijn plaatsing in ruimte of tijd, dan wel mijn verhouding tegenover de wereld zelf zijn, waardoor voor mij beslissingen vallen.

Het is de wijze, waarop ik dit alles vanuit mijzelf beleef en erken.

Denk aan het verhaal van de dood te Isfahan: de tuinman vluchtte weg naar Isfahan om aan de dood, die hij zag, te ontkomen. De dood vond hem en vertelde, dat hij zich had staan verwonderen over het feit dat de tuinman, die hij ’s avonds in Isfahan moest halen, nog rustig in de tuinen aan het werk was. Ook wij vluchten, met stellingen of met geloof, vaak weg voor de feiten, soms gebruiken wij daarvoor onze standing, onze sociale status, onze bijzonder geprivilegieerde vorm van godsdienst of denken. Wij vluchten echter voor de feiten die wij erkennen en willen ons verwijderen van de werkelijkheid. Maar dat kunnen wij niet. De esoterie leert ons, dat, wij ons nooit kunnen verwijderen van hetgeen wij zelf veroorzaken. En dat is het wat de wereld in wezen voor ons betekent. Er is niets, wat niet uit ons zelf mede voortkomt.

Wat weer voert tot de volgende conclusie: wanneer ik gelukkiger, sterker, gezonder wil zijn, maar ook wanneer ik geestelijk rijper, serener, prettiger wil zijn, kan ik dit alleen bereiken door:

  1. Mijn opvattingen of belevingen van eigen wereld te veranderen, of:
  2. Door deze wereld tijdelijk te vergeten, te verliezen en haar essentie, de volgende sfeer in wezen voor mijzelf tot beleefde werkelijkheid te maken.

In beide gevallen ben ik in staat mijn eigen wezen en de erkenning daarvan binnen de wereld te veranderen. Wat ons voert tot punt drie: De esoterie vertelt ons, dat onze beleving van de wereld zo buitengewoon belangrijk is. Waaraan je een conclusie kunt verbinden: de verhouding Ik tot wereld of sfeer wordt nu eenmaal uitgedrukt in een gevoelsverhouding. Dan mag ik ook stellen: een wijziging in mijn gevoelens t.a.v. de wereld is gelijkwaardig aan, of betekent, dat een verandering optreedt in mijn wereld en mijzelf.

Ik nam maar enkele punten. Uit het gestelde kan nog veel meer worden afgeleid, dat begrijpt u wel. Het belangrijkste lijkt mij echter wel, dat ik uit dit alles reeds een waarheid heb gevonden, die altijd klopt, ook in deze nieuwe tijd. Op het ogenblik, dat u de nieuwe impuls ervaart, zult u zich daaraan moeten aanpassen, u zult een stukje méér van de Goddelijke waarheid moeten erkennen. Dan schuift a.h.w. een deel van de telescoop in. U kunt dit nieuwe ook verwerpen. U zult dan echter uw wereld ervaren als een voortdurend conflict met uzelf.

Daarom is de beste raad, die ik u geven kan wel: tracht u aan te passen bij de vernieuwing. Verwerp de nieuwe tijd niet, maar zoek daarin de gunstige waarden, die er volgens uw innerlijk besef in steken. Puur eenvoudig het beste er uit als een bij, die uit de bloemen honing haalt. Houd er rekening mee dat uw eigen instelling tegenover de wereld juist nu in steeds sterkere mate bepalend zal worden voor alles wat u ervaart en ondergaat. Niets zal in deze dagen veranderen voor u, al gaat u over geheel de wereld, of u moet eerst uzelf veranderen.

Dus niet: ik zoek een omgeving die met mij harmonisch is, maar: ik zoek harmonie met de omgeving, die voor mij bestaat. Dan zal de wereld met alle nieuwe kracht in u werkzaam zijn, uw bewustzijn wordt groter, uw begrip wordt groter, uw eigen bevinden, geestelijk en lichamelijk, zal beter worden.

Wanneer u dit alles volgt en begrijpt, kunt u de esoterische waarheid van deze tijd eveneens in enkele woorden uitdrukken: Ik moet trachten mij steeds gelukkiger te gevoelen met dat , wat ik ben, met dat, wat ik heb, en daarin steeds meer het goede voor mijzelf erkennen. Daardoor zal ik mijn werkelijke wezen beter benaderen, mijn innerlijke bestemming beter kunnen benaderen en eigen taak en wezen in de wereld juister tot uiting brengen.