Christus en christendom

image_pdf

12 juli 1968

Bij het begin van onze bijeenkomst eerst het bekende verhaal. Wij zijn niet onfeilbaar en weten niet alles. Wij doen ons best, maar denkt u a.u.b. zelf ook even na. Ons onderwerp zal u bekend zijn: Christus en christendom.  Een onderwerp, dat met vele verschillende opmerkingen kan beginnen. Maar er is maar één woordspeling, die mij hier gepast lijkt: Wanneer je iets beseft van de Christus, is de “doorsnee christen” dom.

Want wat is deze Christus eigenlijk? Men maakt daar altijd Jezus van en vertelt vele verhalen daarover, maar men tracht de essentie van de Christus a.h.w. weg te praten. Het is, of men de waarheid liever niet onder ogen wil zien. Ik zal trachten dit te verduidelijken. Wanneer wij Jezus al willen citeren, zo meen ik, dat een ware christen toch zou moeten beginnen met die ene, toch wel zeer belangrijke uitspraak: “Ik ben u het einde van het oud verbond!” De christenen hebben dit voor kennisgeving aangenomen. Het christendom, zoals het op het ogenblik bestaat, is in wezen judaïstisch. Dit betekent, dat het buiten enkele aspecten van Jezus leer zoveel van de oude joodse zedenleer en joodse godsbeschouwing omvat, dat de overeenkomst vaak meer dan treffend is. Het enige verschilpunt is de Messias. Zo sterk is de overeenkomst, dat men zelfs de vervolging van de joden, waaraan de christenen zich steeds weer schuldig maken, soms gaat zien els een soort broedertwist uit concurrentie nijd. Want wat is het geval?

Jezus komt in de joodse gemeenschap als jood op de wereld. Hij verkondigt een leer en in die leer is Hij de Christus. Over de andere aspecten van zijn persoonlijkheid zwijgen de gangbare evangeliën. Wij horen enkele anekdoten over Jezus geboorte en enkele gegevens over Jezus op 12-jarige leeftijd, men somt geslachtslijsten op. Maar kennelijk is het doel van dit alles vooral duidelijk uit te doen komen, dat Jezus de Messias is. Messias, verlosser, betekent voor de joden een vrijmaker, die hen verlost van hun gebondenheid. Maar zij beschouwen dit als een vrijmaking van materiële gebondenheden, terwijl Jezus kennelijk steeds weer tracht de mensen vooral vrij te maken van geestelijke gebondenheid. Ik vraag mij af, of er misschien zonder het optreden van Paulus en meer leringen van de apostel Johannes een andere vorm van leer zou zijn ontstaan. Maar of de invloed van de joodse leer in het christendom van minder belang zou zijn geweest, is ook dan een vraag. Wanneer u nu weet, dat de christenen in de eerste eeuwen van het christendom er met elkander over streden, of men niet eerst besneden moet worden – dus in wezen jood geworden moet zijn, – voor men christen kan worden. Kennelijk is in de ogen van de meeste leerlingen het christendom een soort joodse sekte. Maar wat Jezus brengt, is geen sekte, zelfs geen godsdienst. Hij brengt een levensbesef, een levensweg misschien.

Vele aspecten van het christendom en Jezus leer zijn u uit den treure voorgekauwd door vele instanties. Het lijkt mij dan ook beter deze inleiding niet te besteden aan het uitleggen van gelijkenissen, het verklaren van allerhande spreuken enz. Want deze dingen werden en worden reeds door zovelen verklaard. Alleen interpreteert eenieder ze weer op een wat andere wijze.

Wanneer wij het moderne christendom bezien, valt ons allereerst op, hoe verschillende wijze van mondain denken, maar ook van leefwijze zich in de vormen van dit christendom weerspiegelen. Bezie het zuidelijke christendom met zijn pracht en praal, zijn magische liturgieën, zijn optochten – als bv. het dragen van de paus door “edelen”- dan valt onmiddellijk een overeenkomst op met de optochten, die wij nu nog in de graven van Egypte zien afgebeeld, of de pracht en praal, die, volgens, de geschriften van historici, de goddelijke caesars ten toon plachten te spreiden. Het christendom blijkt in de praktijk een uiting te zijn ven eenzelfde mentaliteit. He is geen totaal nieuwe wijze van leven en denken, maar eerder een leer, die men heeft aangepast aan reeds lang daar gekende en levende behoeften. Voor wie de roomse diensten en tempels objectief beziet, vooral in het zuiden, zal daarin een weergave te vinden zijn van de wat theatrale en soms zelfs larmoyante Romaanse mentaliteit.

In het noorden vinden wij de reformatie. Voor de meesten onder u betekent die reformatie alleen maar een hervorming van de kerk en een toegankelijk maken van de bijbel. Maar zij is meer dan dit. Het pompeuze roomse christendom verwijst – in feite deels reeds vóór de eigenlijke reformatie – naar een vorm die minder past bij de noordelijke mentaliteit waar de verhouding tussen diaken en prediker bv., zowel als de sobere vormgeving, doen sterk denken aan soortgelijke verhoudingen, die wij bij de Germaanse rechtspraak en vergaderingen van de stammen aantreffen. Zelfs de wijze, waarop de diakenen invloed uitoefenen op de verkondiging, heeft veel overeenkomst met de raad van ouderen of wijzen, die beslisten, welke profetieën de druïde aan het gehele volk mocht verkonden. Wij treffen een meer democratische vorm van geloofsbeleving hieraan, waarbij de eenling zelf inspraak wil hebben en ook kan krijgen. Men laat zich leiden door redeneringen en bewijzen, niet door vertoningen.

Zoals de kerken, die voor het in de mode komen van de romaanse stijl werden gebouwd, een indeling vertonen, die sterk doet denken aan de huizen van samenkomst, die ons onder meer van de Vikings bekend zijn. Wanneer de reformatie zelfs kerken bouwt, treffen wij nog verschillende punten van overeenkomst met deze oude gemeenschapshuizen van Vikings en Saksen aan. Zelfs de wijze, waarop de kerk reeds lang voor de reformatie bejegend wordt door vele edelen, doet denken aan de wijze, waarop de Saksische edelen zich tegen de Normandische veroveraars bleven verzetten, omdat zij het vertoon van deze laatsten niet konden aanvaarden.

Men zou kunnen stellen, dat de neiging tot vertoon van de Normandiërs te sterk in strijd was met de geheel andere opvattingen van de Saksische landadel. Met dit alles wil ik maar zeggen, dat je van landaard, oude godsdiensten, gebruiken, bijgelovigheden, in de christelijke kerken steeds weer resten terugvindt. Alleen van de Christus vind je weinig terug – behalve misschien wat vrome woorden, die nimmer meer dan dit worden.

De kern van het christendom is eigenlijk de liefde voor God, maar tevens Gods liefde voor ons. Wanneer Jezus duidelijk maakt, wat er allemaal gebeurt en mogelijk is, legt hij er steeds weer de nadruk op, dat voor God de mens die faalt, maar tot inkeer komt en zich weet te herstellen, eigenlijk de meest waardevolle mens is. Zoals hij er de nadruk op legt, dat zij, die in de ogen van de wereld minderwaardig zijn of ongelukkig zijn, wel eens het dichtste bij God zouden kunnen staan. Denk hier eens aan de zaligprekingen. Daar zegt Hij immers: zalig zijn de armen van geest. Men zou met enige hatelijkheid daaruit kunnen besluiten, dat in uw dagen toch nog velen zalig zullen worden. Maar zonder gekheid, arm van geest zijn betekent voor de mensen toch altijd een pijnlijk iets. De mens is geneigd zo iemand, die minder goed kan denken of in zijn begrip en reacties van de norm afwijkt, als iets beklagenswaardigs te beschouwen, iets minderwaardigs. Uit de wijze, waarop Jezus degenen bespreekt, die ongelukkig of “minderwaardig” zijn, volgens de normen van zijn tijd, maakt wel duidelijk, dat Hij meent, dat niet de menselijke verhouding, maar alleen de verhouding tussen God en mens, en mens en God, werkelijk bepalend is in het leven. Men ziet hier maar liever aan voorbij, tenzij het gaat om het troosten van degenen, die met wat meer moeite misschien hun gebreken of tekorten zouden kunnen overwinnen.

Zoals men gevoeglijk over het hoofd ziet, dat, zeker gezien in het verband van zijn tijd, Jezus verdere lering en beschouwingen vaak anarchistisch aandoen. Zeker, Hij weet zich buiten geschillen tussen kerk en staat te houden. Wanneer men Hem daarover een vraag stelt, doet Hij geen werkelijke uitspraak, maar maakt zich er diplomatiek met een Jantje van Leiden vanaf. Zijn reactie op de vraag, of men nu aan de tempel of aan de keizer cijns zal betalen, is een waar Salomonsoordeel. Hij ontwijkt kennelijk mogelijke moeilijkheden. Maar wie zijn verdere leer beziet, bemerkt, dat hij stelt, dat het niet nodig is naar de tempel te trekken, omdat men God overal kan aanbidden. Zoals hij ook leert, dat Gods wil, zoals men deze kent en beseft, altijd belangrijker is dan al het andere en steeds moet prevaleren boven wetten, die door mensen – in casu de staat – zijn gemaakt. Hij verwerpt in feite kerk en staat, of tenminste de macht, die zij uitoefenen.

Jezus probeert niet de mensen te verbeteren, maar tracht hen te helpen en meer bewust te maken. Hij gaat niet de mensen hun zonden verwijten. Hiertoe gaat hij alleen over, wanneer men anderen aanvalt op hun fouten en zonden, als bv. bij de tollenaar. En denk eens aan de overspelige vrouw op het plein: Jezus schrijft in het zand de zonden neer van hen, die haar willen stenigen en daagt de verontwaardigden uit: “laat hij, die zonder schuld – zonde – is, de eerste steen werpen”. Maar Hij schrijft in het zand, zodat alles onmiddellijk weer is uitgewist.

Het “ga heen en zondig niet meer”, dat hij de vrouw toeroept, kan evenzeer een waarschuwing zijn voor de gevolgen van die zonde in haar gemeenschap, als het meer algemeen vermaan, dat men er liever in wil lezen.

Jezus is eigenlijk meer hip dan de hippies van vandaag. Hij provoceert meer dan al die gewichtig doende provocerende studenten van vandaag: Jezus neemt er geen genoegen mee tegen bepaalde aspecten der gemeenschap in opstand te komen, hij verwerpt haar waarden en waarderingen. Steeds weer klinkt in Zijn woorden door: Wij moeten daar nu wel mee leven, maar in wezen zijn zij onbelangrijk. Zoals je uit de gelijkenissen e.d. steeds weer kunt aanvoelen hoe Hij wel stelt dat er dingen zijn, die onjuist, die zonde zijn, maar daarbij schijnt te gevoelen dat de mens dit zelf maar moet weten. Hij reageert a.h.w.: met het leven en de eventuele zonden van een ander heb ik niets te maken; alleen wanneer hij hulp nodig heeft en mij die eerlijk vraagt, moet k hem die hulp geven. Zoals uit Zijn leer klinkt: Wie niet wil luisteren naar Jezus en zijn leerlingen, moet de vrijheid hebben op zijn eigen wegen verder te gaan. En juist aan deze aspecten van Jezus leer blijken de verkondigers en gelovigen maar liever voorbij te gaan.

Menigmaal hoort men, dat Jezus de mensen zou hebben aangespoord tot noeste arbeid en voortdurende ijver. Maar zelfs tegen die betogen zou ik bezwaren aan willen voeren. Jezus spreekt over de vogels, die toch zeker niet werken, en over de leliën des velds, die niet zaaien of maaien, maar schoner gekleed zijn dan Salomo in al zijn heerlijkheid. Daarom, Jezus spreekt niet over werk als een noodzaak of over levensernst als een noodzaak, maar over God als een noodzaak. En de band met God is juist de kern van het begrip “Christus”. De Christus is niet zomaar een deeltje van God, dat zich eens een korte tijd op aarde heeft gemanifesteerd. Christus zou je het beste kunnen uitdrukken als een directe relatie en de mogelijkheid tot een directe relatie tussen mens en God. Het gaat om een wederkerige erkenning, een gemeenschap met God, waarbij in de kentekening van die verhouding het steeds weer gebruikte woord “Vader” toch wel en zeer verhelderende rol speelt.

De mensen beweren, dat wij berouw moeten hebben over onze zonden. Maar berouw hebben is zo gemakkelijk, vooral wanneer je vervolgens op de oude weg verder gaat. Jezus predikt niet, dat de mens berouw moet hebben over zijn fouten, maar dat de mens zijn fouten moet beseffen en juister handelen. Wat heel iets anders inhoudt dan berouw in de meest gebruikte zin van het woord. Ook in het Onze Vader, waarin Jezus opvattingen en leer toch wel zeer zuiver gekristalliseerd zijn, vraagt men niet in de eerste plaats om berouw, alleen vergeving van schulden. Men zegt daarin a.h.w. tegen God: “God, vergeef mij mijn schulden aan U, zoals ik hen vergeve, die tegenover mij schuldig zijn”. Voorwaardelijk dus en daardoor heel wat anders, dan men ervan pleegt te maken, door beide delen van de zin afzonderlijk te beschouwen. Ik erken, dat er fouten zijn, in mij zowel als bij anderen, maar met die fouten wil ik niet rekenen, maar alleen met het positieve. Het negatieve kan bestaan, maar men zegt a.h.w. tegen God: “laat ons aan het negatieve voorbijgaan, Vader, opdat wij elkander in positieve zin kunnen erkennen en aanvaarden”.

Jezus geneest steeds weer vele zieken, en men gebruikt dit als een bewijs voor zijn “Christus zijn”. Iets, wat men overigens zou kunnen bestrijden door te wijzen op het feit, dat in de tijd waarin Jezus leefde, vele profeten rondgingen in Galilea en andere delen van de wereld, die hetzelfde deden. Ook in de verhalen over deze mensen treffen wij meerder malen het opwekken van doden enz. aan. Let wel, deze verhalen zijn evenmin historisch bewijsbaar met stoffelijke middelen als alles, wat over Jezus in deze zin wordt gezegd.

Om iets van Jezus te begrijpen – en daarom de iets omtrent het wezen van de Christus – doen wij dan ook wijzer niet op het fenomeen, zoals het beschreven wordt, te letten, maar allereerst aandacht te geven aan de omstandigheden, waaronder het zich steeds weer voltrekt. En wat blijkt dan? Jezus geneest alleen degene die hem om Zijn hulp vragen. Alleen, wanneer een behoefte bestaat bij één, die niet vragen durft of vragen kan, maar in zich een voor hem – Jezus – kenbaar verlangen heeft, zoals bv. degene, die door 70 duivelen bezeten was, helpt Hij ook zonder een uitgesproken bede.

U begrijpt nu misschien al, welke richting ik heden uit wil gaan. Het christendom maakt de grote vergissing de Christus te zien als iets, wat staat tussen de mens en God en zich uit eigen beweging aan de mens opdringt. Men schijnt niet te beseffen, dat Christus niet iets is, wat bemiddelend staat tussen mens en God, maar in wezen iets is, wat de mogelijkheid tot verbond en verbindingen geeft tussen mens en God.

Tja, en daar sta je dan als mens met je goede gedrag, want iedereen vertelt u, wat u moet doen en denken – in Naam van Jezus Christus! Maar het klopt niet met de zelfs uit de gangbare evangeliën kenbare essentie van Jezus leer en werken. Er zijn mensen die eerlijk menen, dat je een ander desnoods moet dwingen, zoals sommige Jehova’s getuigen bv., die hinderlijk opdringerig hun leer aan anderen trachten op te dringen. Daar zij eerlijk menen, dat dit hun zending is en deze vaak ten koste van veel tijd en ongemak vervullen, moeten wij hen respecteren, zelfs indien wij de wijze waarop zij werken niet aanvaardbaar vinden. Wat niet wegneemt, dat hun geloof mij in vele opzichten eigenaardig voorkomt, terwijl ik hun wijze van exegese een van de eigenaardigste vindt, die er in het christendom tot nu toe bestaan – en daar komen heus veel eigenaardige dingen voor… Maar een ding is zeker: zij zijn in ieder geval consequent. Wanneer een wet van hun geloof zegt: “Gij zult niet doden”, dan willen zij ook geen soldaat worden, koste wat wil. Wanneer in hun geloof de nadruk valt op het “gaat uit en verkondig”, dan gaan zij uit en verkondigen. En dit is meer, dan men van vele andere christelijke sekten kan zeggen.

Typerend is echter dat men als gemeenschap ook hier een zekerheid, een bezit nastreeft. De Wachtoren Society is wel niet zo rijk als het Vaticaan, maar men doet ook hier toch wel alles om in dezelfde richting van bezitsvorming te komen. Ik heb hiertegen op zich geen bezwaar, het gaat om een menselijke organisatie. Ik vraag mij echter wel af of dit nu wel klopt met de vrijheid die Jezus predikt, en vrijheid, die ook vrij zijn van bezit inhoudt. Zoals Jezus zeker nimmer beweert dat de mens niet hoeft te werken, maar zowel bij het geven van zijn leringen als t.a.v. andere werkzaamheden – waarover overigens de evangeliën, die erkend zijn plegen te zwijgen – laat hij voortkomen: uit mogelijkheid, niet uit plan. Voor Hem is de bron van werk en taak steeds weer “God in mij”‘. Opvallend is ook dat Jezus niemand, zelfs zijn apostelen, aanmaant eerst het dagelijkse brood te verdienen. Zijn stelling is kennelijk steeds weer: Wanneer je je boterham waard bent, zal je altijd wel genoeg te eten kunnen krijgen en weigert men je dit, dan ga je maar ergens anders naar toe. Hoe je die waarde dan wel bewijst, is kennelijk voor Hem van geen belang, mits men maar werkt uit de Vader.

Zodra men Jezus leer waarlijk en op zich beschouwt, zonder haar onmiddellijk te binden aan het Oude Testament, blijkt zij toch wel zeer sterk te verschillen van de leer der christelijke kerken, die zoals ik reeds opmerkte in feite grotendeels Judaïstisch is.

Luisteren wij naar de verkondigers van het huidige christendom, dan speelt de Vader, de Liefdevolle God, wel een rol, maar even vaak of vaker horen wijs “want mijn God is een jaloerse God, mijn God is een toornige God, mijn God is een God der Wrake.” Termen die niet erg aanvaardbaar meer zijn, wanneer je aanneemt, dat alles, wat in gelijkenissen e.d. wordt weergegeven, Jezus eigen onvervalste woorden bevat. En men pretendeert t.m. dit aan te nemen. De Vader slaat de verloren zoon niet lens, maar slacht integendeel voor hem het gemeste kalf. De oneerlijke rentmeester wordt niet in de gevangenis geworpen, maar zelfs geprezen, omdat hij zich vrienden maakte uit de mammon. Slechts zij, die God laten wachten of zelfs willen verwerpen – als de genodigden voor het feestmaal – worden “uitgeworpen”. Alleen de relatie met God schijnt te tellen. Maar degenen, die met Gods toorn, hel en verdoemenis dreigen, doen dit niet, omdat de mensen God verwerpen, maar omdat de mensen de brutaliteit hebben te handelen tegen de wetten, die de verkondigers ervan hebben opgesteld! Het heeft er vaak de schijn van, dat de verkondiger zijn eigen onmacht en woede op deze wijze wil afreageren. Wat toch wel vreemd aandoet.

In het christendom zien wij verder een eveneens zeer menselijk verschijnsel: de neiging alles zo te interpreteren, als op het ogenblik het beste uitkomt, het manipuleren van begrippen, die dan z.g. door Jezus woorden worden ondersteund, maar zonder ooit met waarden te gaan manipuleren. Neem als voorbeeld de ontwikkelingen in de oecumene beweging. Volgens mij is het zeer christelijk de broederhand te reiken aan eenieder die, hoe dan ook in God en desnoods ook in Jezus, gelooft. Volgens mij is het niet zo belangrijk onder welke termen je gelooft en beleeft, wanneer je maar gelooft en beleeft. Maar neen, dat is onmogelijk, want de een gelooft in meer sacramenten dan de ander en andere legt bepaalde teksten weer wat anders uit. Deze “broeders in ’t geloof” wijzen elkaar steeds weer af in een vreemde concurrentie nijd en rechtvaardigen hetgeen zij doen dan nog met de bijbel en de evangeliën.

Er zijn mensen, die op aarde alle vreugde trachten te doden, omdat, zoals zij zeggen, dit in de bijbel staat en dus goed is. Deze mensen noemen zich goede christenen, evenals zij, die steeds weer bezig zijn anderen te vervolgen. En vergis u niet, ook in deze dagen treft men nog christelijke ijveraars, die u op elke sabbat of zondag zouden willen opsluiten tussen vier muren met een harmonium en het geluid van psalmen. Misschien moogt u in Nederland dan nog wel een flesje jenever achter het harmonium zetten en een eindje omgaan, maar verder niets drinken en doen buiten de deur, behalve de kerkgang. De mensen, die iets dergelijks aan allen op zouden willen leggen “voor hun eigen zielenheil” menen het waarschijnlijk nog goed ook. Zij beseffen alleen niet wat christendom is – zo min als de paus begrijpt, wat christendom behoort te zijn, wanneer hij boven alles tracht de in de kerk bestaande waarden te handhaven. Want die kerk is toch niets waard zonder Christus? Maar de Christus op aarde kan alleen leven in de mens.

Al bouw je 10.000 kerken, dan is er nog geen Christus op aarde hierdoor. Maar als een mens communiceert met zijn God, is Christus waarlijk weer op aarde.

Deze dingen vergeten de ijveraars en behouders en behoeders van de traditie liever. Begrijpelijk: de oude heren hebben hun hele leven gelijk gehad, dankzij die oude tradities, en nu komen er opeens een stel snotneuzen, die het met hen oneens durven zijn en alles zouden willen veranderen, ja, de offers, die de ouderen hebben gebracht om zo ver te komen in de godsdienst zoals zij kwamen, voor overbodig en nutteloos verklaren. Ik kan dat alles zo goed begrijpen. Maar daarom kan ik de ouderen, de dogmatici en handhavers van de oude riten nog geen gelijk geven. Op het ogenblik, dat men deze dingen in het christendom als het meest belangrijk gaat beschouwen, wordt mijn woordspeling uit het begin en onomstotelijke waarheid. Dan is de christen dom, omdat hij niet begrijpt, dat Gods liefde geen eisen stelt buiten het ene, dat men God, zoals men Hem erkent, – zelfs wanneer men Hem geen god noemt – lief heeft.

Dit lijkt een gehele preek. Maar uw tijd geeft voorbeelden genoeg van zelfvoldane huichelarij, sofisterij, drang om anderen te dwingen “het goede te doen” of “in te gaan”. Denk eens aan Phil Bloom – ik bemerk, dat er alweer iets nieuws van deze aard was, maar houdt mij maar aan het voorbeeld, dat ik ken. Zij was onbekleed te zien en dit heette “kwetsend voor de zeden”.

Misschien is het wankele zedelijk besef van enkele vromen inderdaad aan dergelijke voorstellingen tijdelijk ten onder gegaan. Dan mogen wij veronderstellen, dat het beter zou zijn, wanneer deze dame zich niet zo getoond zou hebben. Maar de schuld ligt m.i. dan meer bij de beschouwer. Mag men om eigen zwakte anderen dwingen anderen af te wijzen? Overal waar God liefde op aarde kenbaar maakt, waar een beeld van deze liefde op aarde verschijnt, ook bij de Boeddha, bij andere groepen, profeten als zelfs bij de felle, krijgshaftige Mohammed, wordt respect voor de eigen waarden en vrijheden van de medemens geleerd, wordt duidelijk gemaakt dat men zijn naasten niet heeft te beoordelen en te veroordelen. Maar de ijveraars vergeten steeds weer, dat dit betekent dat je respect moet hebben voor de mens, zoals hij is en niet alleen voor het beeld, dat je je maakt van de mens, zoals hij volgens jou zou moeten zijn.

In het christendom vergeet men steeds weer, dat Jezus geen oordeel is, maar een weg, terwijl de Christus de kracht is, waarmee je die weg kunt gaan.

In grote delen van het christendom lijkt het leven en de leer van Jezus er eerder om te doen alles te rechtvaardigen, wat men in zijn naam anderen afperst en ontneemt…, neem mij niet kwalijk, dat had ik niet niet mogen zeggen…… (Reactie: Voor mij wel …. ) Zoals u zult bemerken, heb ik deze aanmoediging niet eens nodig, want ik heb nog meer op de lever. Jezus zegt “wat gij de minsten dezer doet, dat hebt gij mij gedaan”. Er sterven op aarde duizenden, soms zelfs honderdduizenden kinderen van honger. Maar op de altaren staan nog de gouden kelken, in de prachtgewaden fonkelen nog de kostbare stenen, en kerken, die kapitalen kosten, worden nog steeds gebouwd. Jezus kwam samen met zijn leerlingen in de vrije natuur of in een particulier huis, in een ruimte, die toevallig ter beschikking was. Hij gaf alles, wat hij kreeg, steeds weer aan de armen. Zo veel gaf hij weg, zo weinig rekende hij met “noodzakelijke reserve”, dat Judas boos werd en bijna had geweigerd verder de kas te houden met de opmerking: “waarom zouden wij ons steeds weer druk maken over gaven, wanneer de Meester ze toch weg blijft geven, terwijl wij niet zeker zijn, waar wij morgen kunnen eten en slapen”. Kortom, Jezus dacht niet zakelijk en gaf, wat hij geven kon, zowel aan God als aan kracht. De kerken moedigen anderen aan om te offeren en te geven, maar nemen daarvan dan voor zich “uit organisatorische overwegingen” zelf een percentage, voor het aan het bestemde doel wordt toegevoerd. Heeft dit christendom nog iets met de Meester te maken, mag men dit nog christendom noemen?

Let wel, ik spreek niet over de mensen. Ik spreek over het geheel en de daarin steeds weer overheersende instelling, die naar bezit doet streven, macht zoekt te handhaven enz. Want er zijn heel wat mensen die tot het christendom behoren, maar toch werkelijke christenen genoemd mogen worden. De één is bij het Heilsleger, de ander is Baptist, de derde is misschien een roomse pater van de een of andere orde enz. Deze mensen zorgen voor leprozen, vechten voort het behoud van kinderlevens, voor het geluk, de vrede van medemensen, zetten zich te weer tegen zelfs eigen overheden en riskeren soms uitzetting uit hun geloof, om in staat te zijn ergens mensen enige hoop, wat vreugde, een ogenblik van vergetelheid zelfs te kunnen brengen in hun verdorde en verbitterde hopeloosheid van leven. Dergelijke mensen zijn waardige volgers van Jezus en, gezien de kracht, die zij steeds weer weten te vinden en de blijmoedigheid, die zij steeds weer weten te hervinden, zijn zij verbonden met God. Dergelijke mensen zijn de ware christenen, ongeacht hun geloof. Er zijn zelfs mensen, die niet aan een God zeggen te geloven, die in deze zin ware christenen zijn. Wel ben in geneigd hieraan toe te voegen, dat dergelijke mensen ware christenen zijn, ondanks het officiële christendom.

Ondanks en niet dankzij. Want ik meen, dat er meer moet zijn dan een prevelen van bijbelspreuken, het zingen van gezangen, het prediken van hét woord enz. Om te komen tot een daadwerkelijk opofferen van alles aan het besef van God in je, zelfs wanneer dit voert tot verzet tegen en desnoods uitstoting uit eigen gemeenschap, is meer nodig. En dit gebeurt ook in uw dagen regelmatig, ondanks alles, wat de kerkelijke gezaghebbers doen om dit te voorkomen.

God is sterker, ook dan de wetten, regels en pretenties van een kerk. Wanneer God spreekt in de mens, mag niemand hem meer tegenhouden. Wie op deze innerlijke waarheid reageert en volgens zijn beste besef deze in de wereld uitdraagt, is volgens mij een ware christen, zolang hij daarin niet streeft naar macht en anderen aan zich tracht te onderwerpen. Maar iemand, die beweert, dat de zelfstandige reactie van een mens op armoede, op noodzaken, leerstellige tegenspraak en met de bestaande werkelijkheid van mensen, verkeerd is, dat hier de kerk en “het boek” het laatste woord moeten hebben, weet niet eens, wat een werkelijke christen is.

Je moet op God betrouwen. Een mooi woord, al doen wij als mens en geest dit allen maar in beperkte mate. Maar wij moeten leren beseffen, dat, zo wij maar streven naar beste vermogen en uit alle kracht waarover wij beschikken, God de rest wel zal doen. Wij moeten ons best doen, naar wat nodig is, komt dan ook. Ook dit altijd weer komen van het noodzakelijke, is eveneens een deel van de Christus. Hij is als het ware AOW, AWW en al wat men zich verder op aarde aan zekerheden tracht te scheppen, tezamen. Wanneer men werkelijk gelooft en doelbewust streeft, is de Christus niet alleen maar een persoon. Hij is ons alles, de sociale verzekering, de dokter, desnoods de psychiater. Hij vervult alles, wat belangrijk is in het leven van de christen.

Denk nu niet, dat deze Christus alles nu maar meteen volgens de menselijke opvattingen, doelmatig geneest en alles, wat men wenst, cadeau geeft. Meen niet, dat de Christus iets of iemand is, die alles voor je in orde zal maken. De Christus is de band tussen mens en God, waardoor de mens de mogelijkheid vindt alle dingen, die werkelijk van node zijn, zelf te veroveren, en alle arbeid, die noodzakelijk blijkt, zelf op te knappen.

Let wel, in de evangeliën staat niets, waaruit zou blijken, dat volgens Jezus de mensen geen “mens” zouden mogen zijn. Er staat nergens, dat de jongens niet naar de meisjes mogen kijken en ik meen niet, dat Jezus ergens iets heeft gesproken over de wenselijkheid of noodzaak van bv. het verbieden van gemengd zwemmen of tijdens zijn toespraken eiste, dat de seksen van elkander gescheiden zouden zijn, zoals bv. in het kerkje van Volendam gebruikelijk was. Jezus houdt zich met dergelijke pietepeuterigheden eenvoudig niet bezig. Hij weet, dat een mens een mens is. God is de Vader en wanneer de mens nu maar de Vader in zich leert beseffen, ja, alleen maar bereid is de Vader te aanvaarden, leeft de Christus voortaan in die mens, zelfs wanneer hij een mens blijft met alle gebreken, neigingen, die menselijk zijn.

Waarmede wij aan de vaak gehoorde vraag komen, of het voor de gelovigen wel aanvaardbaar kan zijn het christendom aan te tasten in deze toch reeds voor het geloof zou moeilijke tijden.

Ik kan mij voorstellen, dat er mensen bestaan, die bang zijn, dat de gehele wereld opeens naar de hel zal verhuizen wanneer men de oude waarden terzijde stelt. Deze mensen menen, dat hun christendom de mens tot iets beters maakt, de mogelijkheid geeft, aan hel en pijn te ontkomen.

Het wettelijk door eenieder, desnoods tegen eigen wil, doen bewaren van de zondagsrust door eenieder, lijkt hen een verdienstelijk werk. Zij beroemen zich op het vele, dat de christenen voor de mensheid hebben bereikt. Zij spreken over de geestelijke rijkdom, die op deze wijze aan de mensheid is gegeven, het erfdeel, dat zij ongeschonden moeten bewaren. De christenheid is in hun ogen de enige onaantastbare waarde op aarde, het goede, dat de mensheid van het verderf moet redden.

Die mensen zijn kennelijk doof en blind of weigeren t.m. na te denken. Het is natuurlijk waar, dat de eerste christenen veel van vervolgingen te lijden hebben gehad. Wij weten allen, wat het lot van de christenen was onder het “gezag”. Wij willen zelfs aannemen, dat de christenen van die dagen werkelijk geheel niets te maken hadden met de brand van Rome en dat hun gedrag tegenover de overheden van hun land en tijd geen aanleiding vormde voor die vervolgingen – punten, die men terecht in twijfel zou kunnen trekken. Ik ben bereid aan te nemen, dat de eerste christenen allen goede mensen waren, indien u dit vreugde bereidt. Maar nadien zijn de christenen dan toch wel voor heel wat lijden op de wereld en heel wat vreemde ontwikkelingen aansprakelijk. De val van Constantinopel en het daaropvolgende bloedbad is grotendeels te danken aan het hardnekkige verzet van bepaalde christelijke sekten tegen een tijdige overgave, omdat zij meenden, dat God dan zijn engelen maar moest zenden, want het was ondenkbaar dat men zelfs om levens te redden, zich de mindere zou willen tonen van niet-christenen.

Men heeft de welvaart en cultuur van de kalifaten aangetast en deels zelfs vernietigd door oorlogen en rooftochten, die vroom bekend stonden als “kruistochten”. De vrome christenen hebben steeds weer geprobeerd eenieder, die op hun eigen wijze wilde geloven, uit te roeien,  als bv. de Albigenzen. Men heeft steeds weer de “arme heidenen” voor de keuze gesteld: “laat je dopen, of je kop gaat er af”, zoals Karel de Grote deed tegenover de Saksen van Widukind.

Men heeft in Jezus naam “de zielen van mensen gered” door die mensen te vervolgen, te beroven van penningen en levend te verbranden. Is er een grotere tegenstelling met de leer van Jezus en de geest van de Christus denkbaar? Men heeft de wijsheid bevorderd door boeken te verbranden en eenieder, die zelf dacht, vervolgd, als zijn denken ook maar iets afweek van het kerkelijk vastgestelde. Zo heeft men in Jezus’ naam gebrandschat, geroofd, gemoord.

Eindelijk kwam het christendom tot zijn recht: Er ontstonden steeds grotere christelijke rijken. Maar was hier sprake van naastenliefde, broederschap? De historie leert ons wel anders. Pausen kochten met de gelden, die zij aan het volk ontfutseld hadden, het bondgenootschap van Franse koningen om de edelen en de steden, die zelf iets wilden betekenen en doen, te kunnen bestrijden en onderwerpen. Italië streed tegen Spanje. Spanje streed tegen Portugal, Nederland en Engeland, alles in de “naam des Heren”. De zeer christelijke Engelse natie beroofde eenieder, vooral de Spanjaarden. De christelijke Venetianen bouwden wonderlijk mooie kerken, maar beroofden en bestalen met de handen eenieder, en zo dit erkend werd en geweigerd, strafte men met zijn krijgsgaleien een dergelijke brutaliteit af. In de naam van Jezus Christus vervolgde men de joden, probeerde men de sekte der Waldenzen uit te roeien. Kortom, het christendom, de christelijke natiën werden vaak door kerkvorsten mede geregeerd. Deze volkeren, die in Christus geloofden als “Verlosser” en in zijn leer van liefde als enige waarheid, hebben wereldoorlogen gevoerd, gifgassen uitgezonden, werken zelfs nu aan bacteriologische culturen, waarmede men gehele volkeren uit kan roeien, hebben atoombommen op steden geworpen, waarin vrouwen en kinderen zo wredelijk werden gedood, gebruiken napalm, maken atoombommen……. En wanneer je hen dan hoort spreken, doet men dit alles in Jezus naam, om iedereen de vrijheid christen te zijn te kunnen garanderen.

In Jezus naam heeft men, ofschoon Jezus nooit iemand heeft gevraagd, of hij nu jood, romein of desnoods neger was, apartheid en rassenscheiding ingevoerd, zelfs in de kerken. Jezus sprak: “Laat de kinderen tot mij komen.” Wat iedereen prima vond, mits de kinderen van een lagere klasse niet op dezelfde tijd en wijze tot Jezus hoefden te gaan als de kinderen van een hogere klasse. Want dat zou te veel gevraagd zijn van de christenen, die zo vaak de nadruk legden op het verschil in stand. U meent misschien, dat dit alles niets met het christendom te maken heeft. Maar deze praktijken domineren dan toch maar de zich christelijk noemende wereld, en al deze christelijke mensen verklaarden dan hun wijze van handelen toch maar door te wijzen op de uitspraken van de christelijke kerken en zelfs door zich te rechtvaardigen door uit het verband gerukte delen van Jezus leer te citeren.

Dat was al in de middeleeuwen, zelfs de zeer vroege middeleeuwen zo. De vrome ridder waakte en gehele nacht voor het altaar, vastte 24 uren lang, om zo God te smeken hem waarlijk tot een goed en braaf ridder te maken, maar zodra die zelfde man dan eenmaal de riddersporen droeg en een kasteeltje bezat, begon hij zijn horigen uit te buiten en af te ranselen, meende hij niet beter te kunnen doen, dan steeds het jus primae noces uit te oefenen – het recht om de vrouw te genieten op de eerste nacht van haar huwelijk,- wat herinnert aan de bij de heidenen veel voorkomende ontmaagdingsproceduren, waarbij priesters een rol plachten te spelen. Deze ridder had een eigen slotkapelaan, woonde alle diensten bij, zover hem dit mogelijk was, bad bij alle maaltijden, maar liet al deze vrome bezigheden onmiddellijk rusten, wanneer iemand het niet met hem eens was en hij de kans kreeg zo iemand dood te slaan.

De mensen trachten steeds weer in Jezus naam de werking van de Christus in de mens te vermoorden. Maar de Christus kan niet door mensen worden gedood, behalve in hun eigen wezen. Daarom herrijst deze Christus telkens weer in de harten van mensen, wat de maatschappij der mensen in haar christelijke zelfverzekerdheid ook doet om dit zoveel mogelijk te voorkomen. Jezus heeft de mensen nooit geleerd, dat je droefgeestig door het leven moet gaan. Integendeel, uit hetgeen wij in de evangeliën omtrent zijn leven vernemen, was hij altijd opgewekt. Maar zijn opgewektheid draagt niet het vaak wat geforceerde karakter, dat wij in menige heilsleger-achtige sfeer aantreffen. Jezus erkent de vrijheid en verheugt zich zelfs in de vrijheid van de mensen, ook wanneer het gaat om eten, drinken en desnoods bedronken zijn.

En hoe wonderlijk doet het dan aan, wanneer wij horen, dat deze zelfde Jezus in leven en leer beschouwt de argumenten op moet leveren tegen misbruik van drank, vreugde, vrijetijdsbestedingen, kortom al datgene, wat deze Jezus zelf de mensen kennelijk gaarne gunde.

En hoe wonderlijk doet het aan, dat de “vrome christenen” de bijbel meestal gebruiken als een middel om een ander “te redden”, voordat zij allereerst naar argumenten gezocht hebben om hem te veroordelen. Vele christenen schijnen iemand eerst te willen redden, wanneer men hem zover in de modder heeft getrapt, dat hij geheel gebroken is en geen weerstand meer schijnt te hebben. Dan eerst is men bereid het verleden te laten rusten en de medemens te “redden”. En op de keper beschouwd zijn de stoffelijke aspecten van dit “redden” vaak niets anders, dan een ongedaan maken van hetgeen men de ander in Jezus’ naam heeft aangedaan. Jezus geeft wel zijn oordeel, maar hij doet de anderen verder niets, tenzij zij anderen misleiden of schaden, en zelfs dan gaat hij daarbij zeker niet verder dan noodzakelijk is. Maar hij helpt eenieder zonder vooroordeel, of zelfs zonder andere voorwaarden dan een geloof, dat deze hulp mogelijk zal zijn.

De Christus, die in ons werkt, deze vreemde verbondenheid met God, berust niet op een reeks van voorschriften, regels en verboden. Maar de mens is geneigd de dingen, die hij van anderen zelf eist, toe te schrijven aan God, om er zo meer nadruk aan te geven. Wanneer God alle zondaars op deze wereld moest bestraffen, zouden er niet veel mensen in leven zijn, tenminste, wanneer God onder zonde hetzelfde zou vaststaan, wat men op aarde “volgens Zijn Woord ” als zonde meent te moeten definiëren. Niemand, die eerlijk is, zal de juistheid van deze laatste stelling kunnen ontkennen. Houdt men vol, dat de wetten, die de mensen verkondigen als komende van God, inderdaad van de Opperste Kracht stammen, dan blijft er maar één conclusie over: God bestaat niet of is machteloos. En dat is volgens mij toch zeker niet het geval.

Ik pretendeer niet precies te weten, wat God nu eigenlijk wel is. Maar ik weet, dat er harmonie bestaat, dat er vreemde dingen zijn, waardoor je opeens jezelf één gevoelt met de dingen op aarde en in de geest, als landschappen, medemensen, taken enz. Er is zeker iets, dat tot mij spreekt, soms uit klanken, soms met een kleur, soms met een gevoel, dat voor mij het Eeuwige is. Ik meen, dat God steeds weer bereid is, om ons het zegel van Zijn Liefde te doen gevoelen, wanneer wij maar bereid zijn te erkennen, dat er nog iets meer is dan wijzelf. En juist dit valt de mens, en vaak ook de geest, moeilijk. Het is moeilijk afstand te doen van je belangrijkheid, je denkbeelden omtrent eigen gezag. Het is vaak gemakkelijker te zeggen, dat er geen God bestaat, want dan hoef je als mens geen kracht of autoriteit te erkennen. Want de mens denkt meestal aan God, niet als een werkelijke vader, maar als een soort autoriteit, een soort kosmische politieagent, de de mens benadert met in de ene hand een koekje en in de andere een gummiknuppel.

Sommige mensen verwerpen God omdat dit bedrog en een roes zou zijn, onder de leuze: godsdienst is opium voor het volk. Maar dezelfde mensen vereren dan bv. Marx en Lenin ferventer en onlogischer, dan de christenen Jezus vereren. Raar maar waar: Marx geeft men dan dezelfde onfeilbaarheid, die de kerken aan hun leer, aan hun God plegen toe te kennen. De mens maakt God tot een mens, maakt in wezen het beeld van God tot een eigenaardige vergaarbak van al het menselijke, van angsten en verlangens tegelijk. Het beeld van de God, die de mensen plegen te prediken, is vol van tegenstrijdigheden. Dit kan niet juist zijn. God is harmonie. Harmonie is voor mij het kenteken van een scheppende macht, die alles vanuit zich en door zijn wil geschapen zou hebben. Die God kent geen uitverkorenen, bevoordeelt niet de een ten nadele van de ander. Zo zie ik het.

En nu ik dit gezegd heb, wil ik trachten iets meer te zeggen over mijn voorstelling van de werkelijke Christus, het christendom ook niet meer bekritiserende of vergelijkende, maar constaterende, zover mij dit maar mogelijk is, vanuit eigen besef en wezen.

Christus is het besef Gods, dat ontstaat in alle delen van de schepping op het ogenblik, dat zij God ook in zich geheel aanvaarden. De naam speelt hierbij geen rol. Het gaat om het erkennen van het oneindige, dat beseft en goed is. Ook al weten wij niet hoe. Dan ontstaat voor ons de innerlijke verhouding tot het oneindige, waarin wij Christus leren beseffen. Christus is niet, zoals men denkt, een verlosser, iemand die zo dadelijk als een soort ruimtevaarder tot de mensen zal gekomen, om, gezeten op een wolk, een oordeel over allen en alles uit te spreken. Misschien dat Jezus zoiets zou kunnen zijn, maar de Christus niet. De Christus oordeelt niet, de Christus is, in en met ons.

De Christus is niet de H. Geest, een goddelijk vuur, dat in ons brandt, een inspiratie, waardoor wij boven onszelf verheven worden, maar de zekerheid, die wij hebben van God en door God, waarin wij onszelf zijn en blijven en toch deel kunnen zijn van de totale schepping. Christus is alle liefde, van de meest profane tot de meest esoterische toe, waarin men zichzelf niet zoekt.

Christus is de erkenning van God in de wereld en de wereld in God. Christus is de schoonheid en de wijsheid van de mens en van de schepping als geheel, niet als een afzonderlijke waarde, doch als iets, wat met al het andere samenvloeit tot een besef van juistheid en aanvaarding.

Christus is het kosmische, tijdloze, dat in ons spreekt. Christus is de kracht, die meer is dan wijzelf en toch deel uitmaakt van ons kunnen en wezen, zolang wij haar erkennen. Christus is de Liefde Gods, zoals men zegt. Maar dan toch vooral die liefde, zoals wij deze kunnen ervaren in onszelf.

Wat is christendom? Een pogen om op grond van bepaalde leerstellingen – toegeschreven aan Jezus – deze liefde Gods te vinden. Het is een speurtocht naar de zin van het bestaan, maar vooral naar de harmonie, die de zin van het bestaan uiteindelijk uitmaakt. Christendom is niet in de eerste plaats een zoeken naar de herrijzenis, de opstanding uit de dood, die later zal moeten komen, maar in de eerste plaats een zoeken naar een erkenning van wereld en eigen wezen, waardoor je van het leven steeds weer kunt zeggen, dat het goed was. Een “goed zijn”, dat men niet slechts innerlijk als een soort maatstaf hanteert, maar een gebeuren, dat in het ik begint, maar door het geheel van de bekende wereld, ja, de kosmos zelf, bevestigd schijnt te worden.

Christendom heeft uitdrukkelijk niets te maken, met betweterijen en en muggenzifterijen. Het heeft niets te maken met reeksen van wetboeken en machtsposities, heiligverklaringen, vrome gezangen, en halleluja-geroep. In reële betekenis is het christendom de harmonische daad, waarin men God erkent door, zoals Jezus het zo mooi zegt, het naaste lief te hebben. En dit liefhebben moet u a.u.b. nu niet zien als iets beperkts. Je kunt een stinkende bedelaar liefhebben, omdat hij zo pittoresk is en toch je neus voor hem ophalen, omdat hij zo stinkt, wanneer je hem maar gelijktijdig wilt helpen, of iets gelukkiger wilt maken. Je kunt een arme sukkel beklagen en eigenlijk uit medelijden helpen en toch die mens liefhebben, al is het alleen maar, omdat je hem helpen kunt. Je kunt een mens bewonderen en hem liefhebben, omdat hij voor jou de uitbeelding is van iets, wat je zelf zoudt willen zijn. Liefde omvat zoveel mogelijkheden, ook de liefde voor de naaste.

Deze liefde voor de naaste is de kern van hetgeen het christendom behoort te zijn: God, de Christus, is de essentie van het geheel, de uitdrukking daarvan is de liefde voor de naaste. De liefde voor de naaste is niet een zinloze opoffering, een zelfverloochening zonder meer, maar het bewust scheppen van harmonie en van elke mogelijkheid tot samenwerking en harmonie, hoe dan ook en waar dan ook. Deze dingen kun je niet vervangen door kerkgang, biecht, bijbellezingen, het zingen van gezangen, vrome woorden, zondagsheiligingen of wat dan ook.

Deze dingen kun je een mens niet leren, je kunt een mens niet dwingen tot dit alles, je kunt hem hoogstens deze waarden doen beseffen. Deze dingen kun je alleen zelf waarmaken, zodat anderen leren te verlangen naar de mogelijkheid hetzelfde ook waar te maken voor zich. Waar christendom in de mens betekent ergens en voorbeeld zijn, niet een leermeester voor anderen te zijn. Waar christendom is een dienen in vreugde, omdat men dient uit vrije keuze, maar ook de vrijheid, om elk gezag te ontkennen, wanneer je in jezelf gevoelt, dat er een andere voor jou betere harmonische weg bestaat.

Ik heb u reeds gezegd: Jezus was een provo, en hippie, een rebel van zijn tijd. Hij was een opstandige, die de maatschappij met haar maatstaven verwierp, een anarchist, die het bestaande gezag eenvoudig verwaarloosde waar hij dit juist achtte. Jezus is niet het beeld van een heilig wezen, dat de gemeenschap alleen maar zal zegenen, wanneer zij braaf doet wat “zijn” priesters of predikers die gemeenschap opdringen.

Jezus was de mens, die werkelijk verkondigde: “Ik ben u het einde van het oude verbond”, en daarmede bedoelde: mens, leer vrij worden van wetten en regels, die je niets zeggen, die geen zin schijnen te hebben. Mens, leer God beseffen als de harmonie van het Al, als de liefde van het heelal, die u tegemoet stroomt en laat alle voorschriften en regels dan verder maar eens rusten. God komt niet tot je uit de Thora, maar uit de natuur. God maak je niet waar, door je aan regels te houden, maar door Hem te beleven, door het Goede, dat je in Hem ziet, verwacht, hoopt zelf waar te maken, waar, en zoals je dit maar kunt.

Jezus heeft zijn volgelingen niet voorgehouden dat zij eenieder moesten gaan bekeren. Hij heeft hen integendeel juist gezegd, dat zij de waarheid, de leer aan en ieder zouden moeten aanbieden, maar daar, waar men niet zal willen luisteren, eenvoudig het stof van de sandalen dienden te schudden en verder te gaan. Hij heeft zijn leerlingen ook geleerd, dat het niet juist is anderen te veroordelen. Hij heeft hen geleerd, dat de liefde, waarin wij God eren en erkennen gelijktijdig de naaste betreft en dat de naaste degene is, met wie je een relatie hebt.

Jezus heeft niet zonder meer gezegd, dat elke mens uw naaste is, maar wel, dat elke mens uw naaste zou kunnen zijn, ook al tracht men u steeds weer met veel lawaai wijs te maken, dat men eenieder zonder meer als naaste dient te beschouwen. Zelfs enkele collega’s van mij maken zich hieraan wel eens schuldig. Maar ook met hen ben ik het op dit punt niet geheel eens.

Het is natuurlijk gemakkelijker om te stellen, dat elke mens je naaste is. Maar de praktijk wijst uit, dat je naaste altijd weer degene is, met wie je communiceert, waar je contact mee hebt. Degene, die jij helpt is je naaste, degene, door wie je geholpen wordt, is je naaste. Degene, die je begrijpt, is je naaste en degene, die jij kunt begrijpen, is je naaste. Je moet het niet zo veeleisend stellen, als het in menige theorie klinkt, maar praktisch zien. Christus is de kracht Gods en ons christendom zou dus moeten zijn leven uit die kracht in ons, in harmonie waar wij kunnen, in plichtsbetrachting en vrijwillige dienstaanvaarding, waar dit mogelijk is.

Vergelijk dit nu eens met hetgeen zich “het ware christendom” pleegt te noemen. Daar hoef ik hieraan geen verdere commentaren meer te verbinden, maar als u na de pauze behoefte hebt om mij eens even op mijn nummer te zetten, of met enkele vragen anderen duidelijk te maken, dat ook ik niet alles weet – al wil ik dit ook zonder vragen gaarne toegeven – kunt u uw gang gaan. En maak die pauze dan ook tot iets in meer christelijke zin: vriendschap, harmonie, en niet een woordensplitserij zonder meer. En ten slotte citeer ik dan maar een Amerikaans gezegde: “Be good and if you can’t be good, be happy”.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen aangaande het eerste deel.

  • Kunt u iets vertellen over de ware identiteit van Jezus, zoals bv. de vroegere en latere incarnaties?

Daarover kan ik u tot mijn spijt weinig zeggen en zeker niet over latere incarnaties. Want na zijn afscheid van de aarde is Jezus niet meer op aarde geïncarneerd. Wat de voorgaande incarnaties betreft: Jezus leefde o.m. in de vroege periode van het ééngodendom, de tijd van Echnaton, hij was geïncarneerd tijdens het ontstaan van Ur en heeft een incarnatie doorgemaakt in een stad, die nu begraven ligt in de Gobiwoestijn. Deze paar punten weet ik toevallig. Maar u zult wel begrijpen, dat deze kennis niet volledig is, zodat ik u werkelijk maar weinig verder gegevens hierover kan verstrekken. Overigens vrees ik, dat deze belangstelling voor de identiteit van Jezus voortkomt uit de neiging, die in het christendom steeds weer voorkomt: De neiging om Jezus en Christus als onderling verwisselbare waarden te beschouwen en door elkander te halen. Dat is het beroerde van vele christenen: Zij zitten met een mensgod, die zij vereren en spreken over een Godmens. Zij kunnen kennelijk niet begrijpen, dat God er altijd is en dat de mens ten hoogste in dergelijke gevallen een vorm is, waardoor de bestaande mogelijkheid tot harmonie met God tot uiting komt. De Christus kan dus tot uiting komen door elke mens. De Christus is dan ook heel wat meer keren op aarde aanwezig dan alleen middels Jezus. Het zou goed zijn dit te beseffen, want mensen hebben nu eenmaal de neiging afgoden te gaan vereren.

En vele christenen zijn zozeer gegrepen door de figuur van Jezus, dat zij de God daarachter niet meer schijnen te zien. Het is goed, dat Jezus niet meer op aarde kwam in een kenbare vorm. Wanneer je ziet, hoe de mensen de regels van een eerlijk spel voetbal al vergeten, wanneer een Cruifie speelt, dan kun je wel nagaan, wat er zou kunnen gebeuren, wanneer een Jezus herkenbaar steeds weer op verschillende plaatsen op aarde zou opduiken. Velen zouden tot verdwazing komen en de gestalte van Jezus aanbidden, zonder ooit nog aan God te denken.

  • U beschouwt dus de Christus als een aparte figuur?

Ik heb niet over de Christus gesproken als een aparte figuur. Dit is ook alweer een der denkfouten, die men maakt, omdat men als mens de functies van God a.h.w. heeft verbeeld, men heeft van de Ene en Ondeelbare God een drie-eenheid gevormd, en zelfs de oorspronkelijke voorstelling later nog verminkt ook. De oorspronkelijke drie-eenheid bestond namelijk uit de Vader, de Moeder en de Zoon. Maar ja, toen de vrouwen later weer wat minder in aanzien kwamen, vooral op godsdienstig terrein, maakte men daarvan de Vader, de Zoon en de Geest.

De moeder heeft dus als het ware toen de geest gegeven. De mens spreekt nu wel van een drie-eenheid, maar is de factoren, waarin hij het goddelijke wezen voor zich heeft ontbonden, steeds meer als geheel losstaande, afzonderlijke personen gaan beschouwen. Volgens mij komt men er hierdoor ook toe, de Christus als een afzonderlijke persoonlijkheid te beschouwen, zonder te beseffen, dat de personen, die wij omschrijven, niet het wezen van God weergeven, maar slechts een uitdrukking geven aan de relatie, waarin wij kunnen staan met God. En vanuit ons standpunt gezien geven de personen van de Drievuldigheid dus aan, in welke relatie wij tot God kunnen staan.

Daar Christus een relatie is, geen persoonlijkheid op zich, zijn er in deze dagen zelfs, zoals door alle tijden, mensen, waarin die Christus aanwezig is. Je kunt dus zeggen, dat in dergelijke mensen Christus op aarde leeft. Maar deze mensen leraren in deze dagen meestal niet zoveel.

Wat maar goed is, want anders zouden zij waarschijnlijk in gevangenissen, gekkenhuizen komen, of zelfs worden doodgeschoten of zoiets. Deze tijd verdraagt in wezen geen openlijk godsdienstig leraarschap, dat afwijkt van de gevestigde normen. Zodat een lering geven in betrekkelijke stilte de enige mogelijkheid zou zijn.

Maar zie nu eens op de wereld naar de vele mensen, die iets uit naastenliefde schijnen te doen. Zie dan eens, hoe door hen het schijnbaar onmogelijke mogelijk wordt en vraag u eens af, hoe dit nu wel kan in een wereld, waarin de enkeling over het algemeen maar zeer weinig te zeggen heeft, tenzij hij anderen aan zijn lust tot heersen wil opofferen. Hoe kan bv. een enkel mager en niet al te sterk patertje tegen alle instanties van een staat in Zuid-Amerika een gehele leprozerie verbeteren en verdere bijdragen en verbeteringen van deze onwillige en vaak zelfzuchtige regeerders afdwingen? Daar komt heus meer bij te pas, dan wat particuliere weldadigheid en wat publiciteit. U kunt wel stellen, dat hierdoor het begin werd gemaakt, maar ook voordien was er reeds veel bereikt, en het geheel van het bereikte is niet zonder meer verklaarbaar uit het uiterlijk bekend geworden effecten. Er schuilt meer achter. Hetgeen er is gebeurd, is in wezen een soort wonder. Maar de mensen van heden beseffen dit soort wonderen niet meer. Wonderen verwachten de mensen eerder op een, wijze, waarop een machine deze zou moeten volbrengen.

Wanneer een mens dan echt een wonder doet, ziet men het niet, omdat zij een wonder alleen verwachten als een soort prestatie op bestelling, waarbij men maar op de knop heeft te drukken om op onbegrijpelijke wijze het verlangde te verkrijgen.

  • Zal de Christus dan moeten worden beschreven als werkzaam in bv. de heer Matreya, die werkte in India als een van de grootste meesters?

Werkte? Werken eigenlijk, wanneer u die naam gebruikt. Ook hier weer een zeer menselijke vergissing. Heer Matreya zal de meester van een area worden. Hij kan de Christus in zich dragen, maar volgens de heersende begrippen is een dergelijke meester in de eerste plaats een representant van het ras, waartoe hij behoort, plus het tijdperk, waarin hij heersen zal. Hij zal op de wereld in verschijning treden als deel van een bepaalde ontwikkeling van de mensheid, en daarbij de aarde blijven leiden gedurende een bepaalde periode waarna hij door een volgende wereldmeester wordt opgevolgd. Wilt u dus een beeld maken van een dergelijke meester, dan kunt u beter de richting inslaan, die de Tibetanen geheel volgden in hun beeld van de Heer der Wereld, of een gelijkenis zoeken met de elders bestaande leer over de manifestaties der planeetziel en de planeetgeest in velerlei vormen, waarbij dan ook “meesters” of “heersers” op voor de schepselen van de planeet kenbare vorm in de materie optreden. Dit ligt dichter bij de waarheid. Een dergelijke meester kan dus, maar hoeft dus ook niet noodzakelijk, in zich dat contact met God te dragen, dat wij de Christus noemen. In de uiting van de persoon kan dan de Christus op aarde kenbaar worden, maar niet zonder meer in de persoonlijkheid of gestalte, de figuur.

In mijn inleiding heb ik getracht enkele beelden te geven van hetgeen de Christus zoal zou kunnen betekenen en zijn. U zult bij lezing begrijpen, dat volgens mij de Christus dus geen hogere of lagere uiting van iets is, maar een essentiële waarde uit het Goddelijke, die wij kunnen bevatten, maar die overal en op elk vlak op kan treden door het besef van – en de aanvaarding door – een schepsel.

  • Is het juist de drie-eenheid te zien als een drievoudige functie waarbij bv. kracht, liefde, schoonheid tot uiting komen?

Voor mij moogt u dit doen. Dit is in ieder geval beter dan een zich voorstellen van de delen der Drievuldigheid als afzonderlijke persoonlijkheden. Maar neem mij niet kwalijk, dat ik stel, dat wij middels het stellen van bepaalde eigenschappen drie-eenheden op kunnen bouwen, zoveel wij maar willen. Voor een bepaald doel zal een dergelijke voorstelling voor de mens inderdaad bruikbaar kunnen zijn. Maar is zij daarom geheel juist? In meen, dat de voorstelling van de functies als zeer bepaalde waarden – omdat wij hierdoor tevens het wezen van God gaan omschrijven – in wezen even ver van de werkelijkheid af zal staan als de omschrijving van de drie-eenheid als drie afzonderlijke persoonlijkheden.

Vergeef mij deze opmerking. Ik gaf weliswaar een omschrijving van de Christus als een bepaald iets, maar ging hierbij uit van hetgeen dit deel van het goddelijke voor en in de mens betekent, zoals dit uit de wijze, waarop ik alles stelde, duidelijk kan blijken. Men kan de delen van de Drievuldigheid m.i. alleen maar enigszins juist omschrijven, wanneer men zegt, dat het een relatie met het onbekende is, die in jezelf erkend wordt en beleefd wordt en eventueel door het Ik kan worden geuit volgens de menselijke mogelijkheden van besef. Jammer voor het beeld van de drie zuilen dat u even koesterde als vertegenwoordigers van de Drievuldigheid. Maar ja, dit is weer een der fouten, die in het menselijke denken zo vaak …, nu spreek ik alweer over jullie fouten. Het is toch werkelijk mijn … om over de menselijke tekortkomingen te roddelen.

Ik meen echter dat zeer veel mensen het symbool en de symbolische omschrijving van iets verwarren met de werkelijkheid. Dit voert tot misvattingen. Je kunt toch ook niet zeggen dat het het rode licht van een verkeerszuil uw auto werkelijk doet stoppen? Ook al lijkt dit oppervlakkig feitelijk waar te zijn, daar alles stopt wanneer het rode licht aangaat. Gaat u echter verder op de zaak in, dan begrijpt dat dit licht zelf niets doet, maar dat het u ervan bewust doet worden, dat u moet stoppen, omdat het gevaarlijk is door te rijden, wanneer dit licht brandt.

Rood betekent echter voor de mens – door de betekenis die hij aan dit licht is gaan geven, – stop. Op soortgelijke wijze kun je als mens de functies van het Goddelijke, die men beseft, in gaan delen, zolang men maar begrijpt, dat de eigen reactie daarbij bepalend is. De symbolen geven een algemeen beeld, dat onder bepaalde omstandigheden nuttig is, maar berusten in feite op het besef, beeld, begrip omtrent God, zoals dit in ons eigen besef reeds bestaat. Zodra wij de symbolen van dergelijke functies echter gaan zien als de werkelijke weergave van God, maken wij een fout, die niets verschilt van de stelling: het rode licht doet door eigen kracht alle voertuigen stoppen, zolang het brandt. Men zou zelfs kunnen stellen: het rode licht doet de auto stoppen, het groene licht doet hem doorrijden, het licht bepaalt dus de beweging van de auto. En dat is, zoals u zelf wel voelt, zeker niet geheel waar, zelfs al lijkt het oppervlakkig soms erop, of het waar is.

  • In de evangeliën komen twee geslachtsregisters voor, die volgens mij nogal van elkaar afwijken.

Vergeet niet, dat de nu als Gods woord aanvaarde evangeliën slechts enkele zijn uit een veel groter aantal. De schrijvers ervan gebruikten elk op eigen wijze alle argumenten, die zij maar konden vinden of bedenken om duidelijke maken, dat Jezus werkelijk de Messias was.

Later heeft men tijdens een plechtige bijeenkomst getracht na te gaan, welke evangeliën nu de juiste waren. Daar de geleerden van die tijd niet tot een overeenkomst konden komen werden alle evangeliën neergelegd in een kerk, die, nadat bij elk evangelie een roede van de amandelboom was gelegd, werd afgesloten. Althans de voordeur. Maar wij mogen er wel van overtuigd zijn, dat de priesters van die kerk nog wel een sleutel van de een of andere achterdeur in hun bezit hadden en onopgemerkt daarbinnen hebben kunnen gaan, wanneer zij dit verlangden. De volgende morgen trof men bij vier van de geschriften een roede aan, die bloesem droeg. Daarop stelde men, dat God zelf door middel van een wonder, duidelijk had gemaakt welke van de evangeliën “Zijn woord ” waren. Vreemd genoeg werden op deze wijze juist die versies van Jezus’ leven uitgekozen, die door de voorlopers van de Romeinse curie reeds waren uitverkoren. Maar niemand kan met zekerheid zeggen, of een of meer priesters toen de zaak niet hebben bedrogen. Wel kunnen wij aantonen, dat de priesters en zelfs de pausen niet allemaal eerlijke mensen waren. Denk maar eens aan de aflatenhandel e.d. Overigens behoort dit tot de dingen, waarover men in de kerken niet wil horen spreken, omdat men vreest, dat hierdoor de heiligheid en misschien ook het gezag van het geloof in het geding zou komen.

Men heeft dus eenvoudig een aantal evangeliën gekozen en anderen, die eerst als evangelium werden aanvaard, weggelaten. Daarbij is het nog maar de vraag, of de nu bekende evangeliën werkelijk geschreven zijn door degenen, die als de schrijvers worden beschouwd. Er bestaat op het ogenblik nog een kopie van het z.g. apocriefe evangelium van Simeon. Het blijkt, dat dit geschrift rond 300 n. chr door een Griek is gecompileerd uit bestaande overleveringen. De naam koos hij, om zijn geschrift nadruk te verlenen. Zijn tijdgenoten meenden echter kennelijk, dat dit geschrift afkomstig was van de Simeon, die bij Jezus besnijdenis in de tempel aanwezig zou zijn geweest. U ontdekt een fout en meent nu, dat theologen dit over het hoofd hebben gezien.

Maar zij redeneren kennelijk, dat de een wat heeft weggelaten en de ander wat extra heeft genoemd. Zij zouden echter nooit toegeven, dat er een fout in het geschrift of in de bijbel zelf voor zou komen. Fouten in vertalingen enz. willen zij erkennen, uitzoeken enz., maar toegeven, dat in het geschrift zelf fouten voorkomen, zou tevens betekenen, dat zij toegeven, dat deze evangeliën – of bijbeldelen – niet kunnen worden beschouwd als het werkelijke woord Gods. En zodra zij dit toegeven, moet zij alle geloofspunten geheel logisch en menselijk aanvaardbaar weten te maken en kunnen zij zich niet meer op die schrift als onfeilbare bron beroepen, wanneer zij hun stellingen verkondigen.

Denk maar eens aan de kromme redenering, die je zo vaak hoort bij eenvoudige mensen: De bijbel is werkelijk het woord van God, want zo staat het in de bijbel geschreven. Wat men echter niet schijnt te begrijpen, is wel dat dergelijke kromme redeneringen als bewijs worden gebruikt door filosofen, esoterici, theologen enz. Men gaat gewoon van een standpunt uit. Zij bewijzen de juistheid van alles, wanneer men dit eerst gestelde maar aanvaardt, maar dan redeneren zij verder: omdat alles klopt met de eerste stelling is de juistheid van deze stelling hierdoor bewezen. Daarbij zien zij dan over het hoofd, dat zij alles geïnterpreteerd hebben vanuit die eerste stellingen en alle andere feiten buiten beschouwing hebben gelaten of aangepast.

  • Ik meen, dat er bij de Orde enkele ooggetuigen van Jezus leven zijn?

Inderdaad. Wij weten met zekerheid, dat Jezus een historische persoon was, dat Hij inderdaad gekruisigd is enz., zoals wij ook weten, dat Hij heel wat meer leringen heeft gegeven en veel meer dingen heeft gedaan, dan in de evangeliën wordt verteld. Maar vergeet niet, dat wij dit niet kunnen bewijzen. Wel kan echter bewezen worden dat, zo hetgeen in de evangeliën staat slechts enigszins Jezus leer en leven weergeeft, en de wijze, waarop men van deze leer en deze waarheden in het christendom gebruik maakt, veelal in strijd is met leer en waarheid, zoals kenbaar uit dezelfde evangeliën, die de basis van het christendom schijnen te vormen.

Dat was dan weer een hele tirade. Ten slotte wil ik nog dit zeggen: In vele kerken en geloofsrichtingen blijkt, dat degenen, die het hoogst staan in de hiërarchie het minst geloven in de waarheden, die zij verkondigen. Zij zien, hoe alles op bepaalde doelen wordt gericht, zij zien hoe de dingen die de eenvoudige gelovige en zelfs eenvoudige priester nog in goed geloof aanneemt, worden gehanteerd om materiële doeleinden te verwezenlijken. Ook hier geldt het woord van Jezus: “zalig zijn de armen van geest”. Ik voeg eraan toe: Want dezen zijn in hun geloof tenminste werkelijk eerlijk. Dat was een van de dingen, die ik u wilde doen begrijpen, namelijk: christendom is vaak iets anders, dan de Christus.

Denk nu niet, dat ik, omdat ik op wat slakken zout heb gelegd, tegen het christendom ben. Ik ben tegen de misbruiken, die men christendom noemt. Ik meen, dat wij als mens of geest te zeer deel zijn van een groot geheel, om ons met pietluttigheden bezig te moeten houden.

Wanneer predikanten elkander in de haren vliegen over de vraag, hoeveel engelen nu wel op de punt van een naald kunnen dansen, verkondigt zij geen geloof, maar bedrijven zij sofisterijen, die met geloof niets te maken hebben. Wanneer een geloof stelt, dat men vooral sociale doeleinden moet nastreven, ja, politieke zeggenschap dient na te streven, omdat hierdoor het geloof eerst zeker wordt gesteld, gaat het m.i. niet meer om een geloof, maar om een macht, die mogelijk een juiste sociale orde nastreeft, maar ook geheel andere belangen kan dienen.

Er is veel goeds in het christendom. Het heeft zeker door de mogelijkheden tot ontwikkeling, die het de mensen kon bieden, zijn belangrijkheid bewezen. Maar juist door een te zeer op macht en materie ingestelde verkondiging en praktijk richt het christendom zich in wezen vaak tegen zichzelf en maakt het zelfs het geloof onmogelijk, welk het meent te verkondigen. Van de Christus blijft m.i. in het christendom niet veel meer over in uw dagen. De Christus moeten wij innerlijk en persoonlijk zoeken en benaderen, zonder ons daarbij door uiterlijkheden te laten leiden. De band met God komt voort uit de wijze, waarop ik innerlijk leef, niet uit hetgeen ik naar buiten toe doe of zeg, de wijze, waarop ik met of zonder veel vertoon mijn besef aan anderen voorleg.

Waar christendom is volgens mij leven volgens een innerlijk besef, niet een je houden aan de regels, die anderen voor je hebben vastgesteld en een aanvaarden wat anderen zeggen wat ik moet geloven. Christen zijn betekent God in mij beseffen, aanvoelen, en hem waarmaken, zoals ik Hem beleef. Ik meen dan ook, dat, juist door het belang van deze innerlijke waarden, een mens een goed christen kan zijn, zonder zich ooit aan God of gebod uiterlijk iets gelegen te laten liggen. Ik ben er eveneens van overtuigd, dat je een demonische mens kunt zijn, terwijl je je voortdurend bezighoudt met de uiterlijkheden van een geloof en zelfs met de verkondiging van de waarheden van dit geloof. Het gaat er om, wat je innerlijk en in eigen leven werkelijk bent, niet om wat je zegt of beweert te aanvaarden. Dit geldt voor u zowel als voor ieder ander.

Wat het christendom van heden betreft: Ik meen, dat de vruchten duidelijk maken, wat de boom is. Ik vrees, dat bepaalde vormen van christendom in deze dagen steeds meer weg hebben van de vijgenboom in de gelijkenis, die geen vruchten droeg en daarom werd verbrand. Hopelijk vergis ik mij daarin.

image_pdf