Communicatie

Inhoudstafel

uit de cursus ‘Occult practicum’ (hoofdstuk 7) – januari 1967

Communicatie

Als wij spreken, dan brengen wij via trillingen een begrip over aan een ander mens. Maar wij brengen meer over. Het is bv. niet goed moge­lijk de emotie van een spreker weer te geven in het geschreven woord. Zelfs met de vele z.g. leestekens kan men eenvoudig niet overbrengen welke emotionele achtergrond de woorden heeft geladen. Er zijn nu een aantal klanken en klankcombinaties, die bij deze communicatie een heel eigenaardige rol spelen.

Misschien heeft u wel eens de strijdkreet gehoord, die langs vele Amerikaanse baseballvelden pleegt te galmen. Dat is Ra! Ra! Ra! Als ik deze klank uitstoot en ik doe dat met voldoende intensiteit en volume, dan zult u daardoor ‑ zonder dat de klank zelf enige betekenis heeft ‑ een eigenaardig gevoel krijgen in de omgeving van de zonnevlecht. Dat is begrijpelijk, want “ra” is de sleutelklank die nu eenmaal dit centrum beheerst.
Ik wil misschien een lager centrum aanspreken en daar­voor kan ik de klank “va” gebruiken. Ik kan ook gaan naar “ha” en “ya”. Al deze klanken, op zichzelf betekenisloos, resoneren in een van de chakra’s (een van de lotussen, zoals men wel zegt), waarin de levenskracht zelf t.o.v. de buitenwereld een bijzonder uitwisselingsproces heeft.
Het is zeer belangrijk, dat wij die communicatie en daarbij ook deze eigenaardigheden van overdracht van sfeer en gevoelens overwegen en dat wij proberen daarvan iets te begrijpen. Juist door de overdracht van de achtergrond van de in woorden of gedachten bevatte ideeën zijn wij nl. in staat om andere mensen onze innerlijke wereld met haar eigen waarden en wetten te doen delen.
In het praktisch occultisme kennen wij verschijnselen als bv. suggestie en hypnose. Hier is er echter sprake van een wilsoplegging, van eenzijdigheid. Indien er sprake is van communicatie, dan is er een wederkerig erkennen van een wereld, die mogelijkerwijze van de realiteit en van de daarin logisch kenbare waarden aanmerkelijk verschilt.
De logische waarden van de materiële wereld zijn niet bepalend voor de innerlijke wereld van de mens en evenmin voor zijn reacties. De voorstelling, die ik mij maak, bepaalt mijn reacties. En ofschoon die reacties zullen plaatsvinden in een reële wereld, kunnen zij mij daarin vele mogelijkheden en grotere kansen geven. Zij kunnen mij daarbij ook op velerlei wijzen hinderen en beletten een doel te bereiken.
Een bekend voorbeeld is de man, die dronken is of slaapwandelt en ‑ menende dat hij zich op een brede verkeersweg bevindt ‑ door een smalle dakgoot loopt. Wat een ander bij waakbewustzijn (dus bij volledig besef) niet zou gelukken, gelukt hem. Hij wandelt erover, alsof er niets aan de hand is. Niet alleen dat hij het element vrees heeft uitgeschakeld; neen, meer nog: hij heeft een zekerheid, die hij normalerwijze alleen op de begane grond zou bezitten.
Indien het nu niet nodig is om door een goot te lopen, hoog boven de grond, dan heeft het ook geen zin een methode uit te vinden, waarmee wij een dergelijke toer zouden kunnen volbrengen. Laat ons dan gewoon op de begane grond blijven. Maar het kan noodzakelijk zijn over een dergelijke smalle weg te gaan; bv. een touw-hangbrug, die over een smal, maar diep ravijn hangt met een kolkende rivier erin. Op dat ogenblik moeten wij leren over te schakelen op een ander beeld. Denk een ander beeld en probeer deze gedachte uit te drukken. Breng haar door woorden en vooral door klanken, dus door de overtuiging waarmee u zich gedraagt en tegenover andere uit, naar voren. Dan wordt zelfs de meest summiere brug, gemaakt van een enkele liaan, voor u tot een brede verkeersweg. U kunt daar dan zonder gevaar overheen gaan met allen die u volgen. Erkent u het gevaar en laat u de angst daarvoor spreken, dan ontstaat de aarzeling. Het gevaar wordt in de ogen van allen groter en ongevallen zijn bijna niet te vermijden.
Met dit eenvoudige voorbeeld geloof ik, dat ik u reeds een van de grondbeginselen heb duidelijk gemaakt: het beginsel van het super‑’imposeren’ van een aanvaardbare noodzakelijke werkelijkheid op de realiteit; en wel zodanig, dat de daadbehoefte daarin gelijk loopt. Dit laatste is noodzakelijk.
Als ik droom dat ik kan vliegen, zal ik dat nooit kunnen volbrengen. Maar als ik droom dat ik over een brede weg loop, terwijl ik mij in feite op een smalle weg bevind, dan zal ik op de smalle weg de zekerheid hebben die mij anders zou ontbreken.

Velen denken dat occultisme alleen inhoudt: het zoeken naar het buitengewone. Maar praktisch occultisme is juist: gebruik maken van de normale noodzaken en mogelijkheden; echter met behoud van het begrip voor de innerlijke krachten, mogelijkheden en werkelijkheden.

Er zijn in de mens een aantal krachtbronnen aanwezig. Men geeft daaraan verschillende namen. Men spreekt daarover wel eens als het kundalinivuur e.d.. In feite is dit een zenuwstroom, zich bewegend langs de ruggengraat, waaromheen een soort krachtveld, een verdichting van de aura ontstaat, die in zich dan weer een zekere beweging, een soort verstrengeling kent. Indien ik die kracht versterk, versterk ik evenzeer de totale kracht van het zenuwstelsel. Verzwak ik die kracht, dan verzwak ik eveneens de kracht van het zenuwstelsel. Heb ik dus meer zenuwkracht nodig (geen spierkracht, die kan ik mij niet zonder meer aanmeten, maar zenuwkracht), dan zal ik dit kundalinivuur of slangenvuur dus op de juiste wijze in mij moeten wekken. Ik zal de inductie van mijn aura, die ik door mijn geest kan beheersen, moeten laten terugwerken op het zenuwstelsel. Ik kan dan lichamelijk meer verwerken, meer verdragen en meer doen dan onder normale omstandigheden. Er is dus niet alleen een probleem van communicatie tussen mens en mens; er is ook een probleem van communicatie tussen het stoffelijk reële deel van uw persoonlijkheid en het voor u toch wat irreële geestelijke deel van uw persoonlijkheid.

Deze communicatie bestaat uit voorstelling. Als ik mij iets voorstel, dan maak ik daarvan een geestelijke werkelijkheid. Indien de geestelijke werkelijkheid, die ik mij voorstel, voldoende punten van overeenstemming heeft met mijn wezen, dan zal mijn geestelijk wezen daardoor worden beïnvloed. Mijn stoffelijk wezen kan echter deze geestelijke werkelijkheid niet aanvaarden. Zij ligt te ver weg; zij is niet bruikbaar. Indien echter dat, wat ik als geestelijke werkelijkheid ook stoffelijk op dit moment projecteer (dat is belangrijk: op dit moment), bruikbaar en aanvaardbaar is, dan zal ik wat geestelijk is opgebouwd kunnen overdragen als een kracht (dus een vermogen tot handelen aan de materie).

U ziet dat het belangrijk is dat wij gelijke waarden hebben. Tussen mensen, zoals uit de klank‑voorbeelden wel blijkt, is dat vooral de hoofdtrillingswaarde, die in elk menselijk zenuwstelsel ongeveer gelijk is en daarmee ook de bestemmende vibraties voor elk chakra afzonderlijk. Voor de overdracht van geest naar materie, is het vooral de aanvaardbaarheid. Het moet gelijkwaardig zijn. Indien in een voorstellingswereld en in een reële wereld één punt geheel gelijkwaardig is, dan is een overdracht van alle krachten in de geestelijke wereld naar de materie mogelijk. Begrijp goed dat dit niet betekent dat de geestelijke voorstellingswereld nu ook stoffelijk wordt gerealiseerd. Maar er is een kracht waarmee meer kan worden gedaan dan anders.

Er is natuurlijk ook over magie met u gesproken. En vele mensen denken dat magie iets is, waarmee je hocus‑pocus uit niets iets maakt. Dat bestaat niet. Het principe van de magie is de omvorming van waarden; van het een naar het ander. Dat is wat in de chemie gebeurt. En het komt in het dagelijks leven regelmatig voor. Als u in huis een transformator heeft, waarmee u stroom van 110 of 220 volt omzet in stroom van laat ons zeggen 16 of 18 volt, dan verandert u ook iets. U verandert een waarde.
Waardeverandering is de essentie van de magie. Waardeverandering mogelijk maken is nu de essentiële betekenis van communicatie. Communicatie heeft altijd ten doel, wanneer wij haar in het occulte gebruiken, om een bestaande toestand zodanig te verstoren, dat een zoveel mogelijk door ons bepaalde en geleide verandering van waarde tot stand komt. Dat kan in onszelf zijn en dat kan ook in een ander plaatsvinden. In alle gevallen moet worden gesteld: Waar geen verandering optreedt, daar is ook geen werking van magisch of occult standpunt mogelijk.

Nu kom ik nog even terug op de kwestie van klanken.

Wij kennen allen de vele incantaties (u noemt ze soms ook gebeden), waarmee men zich richt tot een godheid of tot een hogere kracht. Kunnen wij met woorden, met klanken, een geest of een kracht in verschijning doen treden? Kunnen wij ons wezen in verbinding stellen met een geestelijk wezen van hoge orde alleen door woorden? Kijk, ook dit probleem van communicatie is ‑ in occulte zin althans ‑ eenvoudig.
Als ik een incantatie uitspreek, dan wordt hierdoor in mij een klank voortgebracht. Deze klank heeft bepaalde sleutelvibraties. Deze vibraties zullen in de omgeving de daarvoor ontvankelijke voorwerpen en eventueel ook delen van de atmosfeer in een bijzonder heftige beroering brengen. Dit is stoffelijk misschien niet zonder meer kenbaar, maar het is aanwezig. De vibratie heeft veel gemeen met de emotie die ik uitstraal. Mijn gebed, mijn incantatie, is niet de ledige formule. Zij is het dragend medium, waardoor ik mijzelf en de omgeving afstem voor wat er in mijn gevoelsinhoud aanwezig is.
De gevoelsinhoud, geënt op de draaggolf van de geschapen juiste trillingen en condities, kan doordringen in andere sferen. Zij kan daar misschien geen grote demonen zonder meer dwingen te verschijnen; daarvoor is er meer nodig. Ze kan misschien niet de hoogste kracht van alle leven onmiddellijk in resonans met uw eigen wezen brengen ‑ u zou dat trouwens niet eens kunnen verdragen ‑ maar u kunt in die richting werken. U kunt de communicatie krijgen met de godheid. U kunt de mentale verbinding krijgen met de demon, met de overgegane of met wie u wilt. En daarmee heb ik dan een verbinding tot stand gebracht.
Maar verbindingen op zich hebben alleen zin, indien daarmee een doel wordt nagestreefd. De meeste mensen vergeten dat communicatie slechts zin heeft, indien er werkelijk een waarde wordt overgedragen. Een ledig gebed, een bezwering om te zien of het gaat, is waardeloos. Meer nog, zij is gevaarlijk. Woorden spreken, zonder dat daar een betekenis achter zit, is vermoeiend en gelijktijdig gevaarlijk. Zij scheppen verantwoordelijkheden en situaties die u niet kunt overzien. Communicatie moet dus gericht zijn. En daarvoor gelden dan enkele regels, die ik wil trachten kort te formuleren.

  1. Geluidscommunicatie bevat behalve woord‑inhoud ook emotionele inhoud. De emotionele overdracht is ‑ occult gezien ‑ het belang­rijkste, aangezien hierdoor een gezamenlijke afstemming kan worden verkregen.
  2. Communicatie tussen eigen geestelijk “ik” en stoffelijk “ik” kan alleen daar bestaan, waar in de denkwereld en in de erkende realiteit tenminste één punt identiek is. Vanuit dit punt kan een gelijkheid van afstemming worden bereikt en zal een overdracht van krachten mogelijk zijn. Het is echter niet mogelijk de geestelijk voorgestelde waarden zonder meer in de materie te realiseren, of omgekeerd.
  3. Tussen mens en geest berust de communicatie op afstemming plus projectie. De afstemming wordt mede bereikt door klanken of eventueel gebaren en ritmen, zodat het “ik” volledig is gericht in de eerste plaats op zijn doel en in de tweede plaats op de emotie, waardoor de harmonie wordt bereikt met een geestelijke sfeer of met een deel daarvan. Op grond hiervan kan een contact worden bereikt en zal – zij het in beperkte mate ‑ een overdracht van kracht uit de geest of uit de sfeer aan de mens in zijn geest zowel als op den duur ook in zijn stof mogelijk zijn.
  4. Alle pogingen tot communicatie, die geen ernstig overwogen en gericht doel hebben, zijn gevaarlijk. Zij kunnen leiden tot onvoorziene consequenties, betekenen een verspilling van krachten en doen ‑ occult gezien ‑ in het leven van de geest zowel als in de stof verschijnselen optreden, die slechts met grote moeite zouden kunnen worden overwonnen.