Communisme en fascisme

uit de cursus ‘Denkers van de mensheid’ 1955-1956

Een van de gedachterichtingen, die op het ogenblik in deze wereld steeds grotere invloed schijnt te winnen, is bekend onder de naam communisme. Ik durf echter niet te zeggen dat het ook werkelijk communisme is, daar verschillende waarderingen in de loop der tijd zodanig gewijzigd zijn dat de begrippen van een zeer kleine groep tenslotte de tendensen aangeven, die over het algemeen als communistische denkwijze tegenwoordig worden gezien.

Het eigenaardige hierbij is, dat het oorspronkelijke communisme veel ouder is dan bv. de stellingen van Karl Marx en de verklaringen, die Engels o.a. heeft gegeven. Ik spreek dan nog niet over de artikelen van Trotski en Lenin, om hen bij hun strijdnamen te blijven noemen.

In de oudheid kennen wij verschillende stammen waarin men inderdaad communistisch leefde. Alle bezit is gemeenschappelijk bezit. Er zijn maatschappijen die dit gedeeltelijk hebben doorgevoerd.

Als wij de Spartaanse beschaving zien, dan blijkt ons dat elke gezeten bur­ger van Sparta rechten had die het communistisch ideaal zeer nabij komen. Want een burger en strijder van Sparta had te allen tijde het recht aan de gemeenschappelijke tafel aan te zitten. Dit kostte hem geen vergoeding. Het was zijn recht krachtens zijn burgerschap. De burger van Sparta had bovendien het recht zijn kinderen voor onderricht ‑ zowel wapen als ander onderricht – naar staatsscholen te sturen, waarvoor wederom geen vergoeding werd geëist. De geneeskundige verzorging ‑ voor zover die dan bestond in die dagen ‑ was eveneens voor de burgers van Sparta geheel vrij, Ook hiervoor gaven zij reen enkele vergoeding. Evenzeer hadden zij hun vrije plaatsen bij alle spelen en voorstellingen voor zover die in Sparta of in de omgeving werden georganiseerd. Het eigenaardige van deze cultuur was echter dat zij alleen kon bestaan, indien er voldoende slaven aanwezig waren om aan de heersen­de kaste de voorrechten van deze communale (om niet te zeggen communistische) samenleving te waarborgen.

Als ik dan ook in moderne tijden zou moeten spreken over het communisme, komt mij dit beeld onmiddellijk weer voor ogen. Het is nl. onmogelijk een maatschappij op te bouwen die gelijke rechten kent voor eenieder; die gemeenschappelijk bezit kent met weinige uitzonderingen. Dit is wel mogelijk voor een kleine kaste, mits de daar­ onder liggende groeperingen te allen tijde in staat zijn al hetgeen de kleine groepering nodig heeft ruimschoots te produceren; en wel zonder aan die rechten deel te hebben.

Dit zijn waarden die bv. Marx wel degelijk over het hoofd heeft gezien. Hij bouwde zijn denkbeeld op, gebaseerd op de waarden in een industriestaat. Hij stelde zich voor dat als de productiemiddelen, eigendom waren van de gemeenschap de productie zo redelijk mogelijk zou worden verdeeld, dat uitbuiting, overmatig lange arbeidstijden, kortom alle onaangename begeleidingsverschijnselen van industriële exploitatie door kapitalistische groeperingen hierdoor zouden worden uitgesloten. Het is misschien jammer geweest dat deze mens niet in staat was om met zijn gedachten de praktijk in een industriestaat te zien. Ware dit mogelijk geweest, dan zou hij ongetwijfeld veranderingen in zijn schema hebben aangebracht en dan zouden daardoor zeer goede en aanvaardbare stellingen naar voren zijn gekomen.

Zoals de zaken nu staan, mogen wij met alle eerbied voor de gedachtegangen, de oprechte mening, enz. wel vaststellen, dat het grootste deel van zijn werk een slag in de lucht is. Die slag in de lucht echter werd aanleiding tot grote veranderingen; niet alleen ‑ zoals men misschien wil aannemen ‑ in Rusland, maar over de gehele wereld. De strijd voor de rechten van de arbeiders was reeds lang aan de gang. Wij kunnen zeggen dat deze ‑ dan hier en dan daar opvlammend ‑ in Europa zich afspeelt van het jaar 1780 tot heden. Wij kunnen erop wijzen dat in Nederland men het eerste begin reeds kende in het jaar 1850 en dat in Engeland dit begin zelfs nog vroeger ligt, rond 1812. Hoe Nederland heeft gewerkt met deze gedachte wordt ons het duidelijkst als wij nagaan hoe de partijen van de arbeiders hebben geageerd rond de eeuwwisseling. Hier werd het zuivere idealisme naar voren gebracht. Hier worden nog redelijke eisen gesteld en was er inderdaad sprake van een zoeken naar een machtsbalans tussen werkgever en werknemer. Ook deze gedachtegangen zijn gebaseerd op datgene wat o.a. Marx en Engels tot stand brachten.

Maar goed, laten wij teruggaan naar Rusland en ons een ogenblik trachten voor te stellen hoe het gekomen is dat juist daar (in een landbouwstaat) een dergelijke revolutie zou plaatsvinden. Een aantal volgelingen van het marxistisch stelsel bevond zich ‑ onder betrekkelijk strenge bewaking zelfs ‑ in Zwitserland. Duitsland wenste niet slechts de oorlog te winnen (en het was een zeer sombere taak om daartoe nog een poging te wagen), maar bovendien de machtige keizerlijke vijand, het tsaristisch Rusland, uit te schakelen. Door nu een aantal idealisten met minder politieke en economische kennis dan wel idealen in een geblindeerde trein te transporteren naar het Russische rijk, gaf men aan de daar bestaande revolutionaire bewegingen een nieuwe impuls, een nieuwe richting. Wij mogen niet vergeten, dat de democratische revolutie vroeger ligt. Dat de kwestie van de Doema reeds lang was aangesneden toen dit gebeurde. Wij moeten niet over het hoofd zien dat ontevredenheid reeds lang bestond, maar dat daaraan nog geen richting was gegeven in een dermate vernietigende maatschappelijk revolutionaire zin. De komst van de groep betekent gelijktijdig het verenigen van een groot aantal tot dat ogenblik veelal onafhankelijk opererende extremistische groeperingen.

En zo zien wij dan de communistische stelling als hoofdpunt verschijnen. Wij kennen de Mensjewisten en de Bolsjewisten. Beide partijen baseren zich op de stellingen van Marx. Beide partijen zijn overtuigd dat slechts door het volk een redelijk aandeel te gunnen in het volksinkomen een oplossing kan worden gevonden. De Bolsjewisten zijn ‑ ik hoop dat niemand mij kwalijk neemt dat ik deze uitdrukking gebruik ‑ de partij van het grauw, van de niet‑intellectuelen. Er is een kleine groep scherp-denkende leiders tot elke handeling bereid en daarnaast de massa die zich niet kan indenken dat je iets kunt afnemen van een ander zonder er zelf rijker door te worden. Zo komt dan de grote actie, de grote omwenteling.

In die tijd is het communisme eigenlijk een soort ontaarde zoon­ van de socialistische denkwijzen die in verscheiden landen op dat ogenblik bestaan. In de Ver. Staten vinden wij omstreeks 1900 evenzeer socialistische acties als in de meeste Europese landen. De socialistische partij in Duitsland groeit ‑ ondanks het verzet van de keizer ‑ ook reeds in die dagen. Maar wat gebeurt er nu? Juist op het ogenblik dat Rusland zich in de wereldoorlog stort, op het moment dat Rusland door de enorme verliezen, de slechte verzorging, de uitbuiting enz. klaar en rijp is voor de revolutie, kunnen de extremisten ingrijpen. We mogen dat nooit vergeten! Meestal hoort men de communisten voor de voeten werpen dat zij kerken hebben vernietigd, in hospitalen hebben gemoord, dat zij een schrikbewind hebben gevoerd, erger dan in de tijden van Danton en Robespierre. Mijne vrienden, het was niet de heerschappij van het communisme, maar van het grauw. Zelfs de moord op de familie van de tsaar, de vernederingen die ze hebben moeten ondergaan, kunnen wij eerder zien als wraaknemingen van een kleine groep dan als de uitdrukking van een volkswil of zelfs van de wil der regeerders. Die waren er niet. Eerst in 1923 begint er enige kentering te komen. Dan eerst zien we het communisme voor het eerst het gelaat vertonen dat later meer en meer kenbaar getekend Rusland tot een grootmacht maakt en deze steeds meer gezellen in de wereld heeft, die een gelijke mening, een gelijke overtuiging zijn toegedaan.

Het is echter niet mogelijk de stoffelijke eisen, die toch elke communist aan de gemeenschap mag stellen, op redelijke wijze te honoreren. Het resultaat daarvan is dat er een uitweg moet worden gezocht. Deze uitweg bestaat uit beloften in de toekomst. Men belooft dat als dit 5‑jarenplan slaagt, als deze productie eindelijk is overtroffen, het beter zal worden. Zoals ook ongetwijfeld in de oude dagen vele priesters de hemel beloofden aan mensen, die hij geen voedsel kon geven. Maar die mensen, waar zo’n priester tegen sprak, hadden God om in te geloven. De communistische massa heeft dat niet. Er moet iets abstracts worden geboren. Iets, dat uitdrukking kan geven aan het geloof van al deze mensen ‑ vaak idealisten ‑. God moet van zijn troon worden gestoten. Bekende leuzen‑ “Godsdienst is opium voor het volk”. “God is het waanbeeld van vetgemeste popen” enz. worden door de straten gedragen. Kerken worden gemaakt tot toneel van liederlijke partijen, worden verheven tot bibliotheek of vernederd tot stal. In menige plaats draait men dan, waar eens de popen hun plechtige diensten zongen, films met een propagandistische inslag.

Het volk heeft een God nodig. Een God in het hiernamaals is voor het communisme niet bruikbaar. Een God die u “later” beloont, zal u ertoe brengen om te dulden en niet te strijden. Een God die het goede beloont en het kwade straft, zal uit de aard der zaak het geweten wat nauwkeuriger doen kloppen en de mens zich doen afvragen, of God het wel eens is met de reglementen en voorschriften van de partij.

De godsdienst van het materialisme wordt geboren. De jeugdbonden der Godlozen zijn het begin. Later zal dit worden overgenomen door de Jeugd­bewegingen als de Komsomols. De mens mag niet meer in God geloven. In plaats daarvan moet hij geloven in de bevrijding van de wereld in na­geslachten die gelukkiger zullen zijn dan hij. Het moet hem een taak worden om de wereld te veroveren voor de komende geslachten. Het moet hem een taak worden nu te lijden, te zwoegen en offers te brengen, opdat later eens ‑ wie weet wanneer – de wereld een herboren paradijs zal zijn.

Het is eenvoudig om over het communisme de staf te breken. Het is nog eenvoudiger om al de gruwelen die zij begaan op te noemen en alle fouten die in deze nieuwe vorm van denken en regeren tot uiting kwamen. Maar het is interessanter na te gaan op welke wijze het tot zijn huidige houding kwam. Het is interessanter na te gaan hoe de mensen zich nu communist gaan noemen, hoe ze daartoe komen, hoe deze gedachtegang meer dan velen beseffen, doordringt in vele landen.

In de eerste plaats mogen wij als de bakermat van de huidige vorm van communisme Rusland noemen. Alle gedachten voordien waren niet scherp uitgedrukt, niet geformuleerd in een staatsvorm. Het land achter het ijzeren gordijn is voor velen een droomparadijs. De communist was in het begin zeker nog niet een mens die dacht aan wereldrevolutie. Hij geloofde dat deze steeds verder zou gaan naarmate het kapitaal meer en meer de rechten van de arbeid zou verkrachten. Men had geen reden om aanvallen te doen op staatshoofden of op bepaalde landen. Men was zelfs geneigd in die eerste jaren om zoal niet met vreugde dan toch met enige voorzichtigheid en welwillendheid ‑ op gelijke voet te verkeren met de regeerders van machtige landen als Engeland, de Ver. Staten, Japan en dergelijke. Men werd niet geaccepteerd. Er worden hun beloften gedaan, terwijl gelijktijdig wapens worden gestuurd naar de Wit‑ Russen en de vele buitenlandse groeperingen die in een contrarevolutie trachtten het tsaristisch regime te herstellen. Men beloofde veel, maar trachtte met deze beloften slechts gedaan te krijgen dat de vele, thans waardeloos geworden Russische staatspapieren zouden worden gehonoreerd. Dat schept wantrouwen. Ook in latere jaren heeft men zich over het algemeen tegen de Russen en ook tegen vele van hun bondgenoten niet direct vriendschappelijk gedragen. Zij hebben voor hun wantrouwen dus een reden. Maar waar de gedachte aan een toekomstige ontwikkeling godsdienst wordt, is het ook begrijpelijk dat het wantrouwen tegen de wereld (de wereld die inderdaad dingen heeft gedaan die niet door de beugel konden) tot deel van de staatsgodsdienst wordt; deze materialistische levensbeschouwing die in de plaats treedt van God en al wat er verder bestaat.

In dit wantrouwen begaat men ongetwijfeld grote fouten. Door het wantrouwen mislukt ook de werkelijk communistische gedachte meer en meer. Pogingen tot het formeren van staatsboerderijen zijn niet alleen mislukt rond de jaren 1928 en 1934, ook in het jaar 1951. Pogingen om industrieën rendabel en rationeel te doen werken zijn niet alleen verzand in de dertiger jaren, maar ook heden ten dage zijn er nog geen mensen die in staat zijn de arbeider trots voor zijn werk bij te brengen en gelijktijdig het hem mogelijk te maken deze trots te uiten ‑ niet in slogans, ingevulde papieren en rapporten omtrent kameraden, maar in een degelijke prestatie.

Zo komt het trouwens ook dat het communisme zijn Stagganof‑systeem in werking gaat stellen. Het Stagganof‑systeem is een strijd tegen de eigen schaduw. Je kunt nooit winnen. Je moet altijd méér blijven presteren. En als dank hiervoor wordt dan een aantal voorrechten gegeven en de naam “held van de arbeid”. Maar wie begrijpt dit systeem? Hoogstens de arbeider, die ‑ bezwijkend onder de last van de taak, die hij vrijwillig steeds heeft opgevoerd ‑ tenslotte neerstort. Het volk ziet alleen de mogelijkheid van een vakantie in een vorstelijk verblijf aan de Krim. De mogelijkheid om mee te trekken met expedities naar de Kaukasus. De mogelijkheid om rijker te leven, beter te eten dan een ander. Het is vreemd dat door de instelling van het Stagganof‑systeem in de eerste plaats een steeds scherpere verdeling der standen binnen het communisme voor de communist aanvaardbaar wordt.

We zien hoe de poging tot organiseren van Lenin voert tot het “vaderlijk” oligarchisch toezicht van Stalin. Vandaar zien wij in de huidige tijd een verbeten strijd niet om een bepaalde levens‑ of denkrichting, maar om het meesterschap, die ‑ verborgen maar opvallend zuiver ‑ wordt gevoerd door partij, grootindustrie en leger.

Van de werkelijk communistische gedachte blijft niet veel meer over. Een staatssysteem zonder meer, dat zeker de burger zwaarder durft belasten en erger terroriseren dan elders ter wereld openbaar wordt gemaakt of gebruikelijk is. Maar wij moeten ons steeds weer realiseren: deze dingen moet je aan den lijve ervaren, het is of men voortdurend façades bouwt. Potemkin is nog niet dood. Potemnkin bouwt een façade van een gelukkig arbeidersparadijs; verbergt daarachter de slaven, de geketenden die noodzakelijk zijn ‑ ook in deze­ maatschappij om een enigszins communistisch bestel nog mogelijk te maken.

Daar heeft u kort de geschiedenis. Daar heeft u ook kort de verklaring voor de wijze waarop de communistische politiek door de gehele wereld wordt gevoerd.

Het is in de eerste plaats een godsdienst. De godsdienst van het aardse paradijs door mensen met eigen hand herschapen. Het is een geloof. Een geloof aan de mogelijkheid om alle mensen beter en gelukkiger te maken. Het is ook een gedachte van haat. Een haat tegen hen, die beter zijn of meer bereiken dan jij. En dit alles scherp onderstreept door het wantrouwen. Het wantrouwen, dat belangrijker is geworden dan alle andere dingen in de verhouding tussen communist en verdere wereld. Ik ben haast geneigd dit dramatisch te noemen. Zoveel te meer dramatisch, omdat velen van degenen die zich tot het communisme wenden, dezelfde idealisten zijn, die eens in het begin van het christendom voor de leeuwen werden geworpen of zingend stierven ten aanschouwe van een grote menigte, die lachte om hun pijnen.

De ware communisten zijn niet de slechtste mensen. Integendeel, zij behoren vaak tot de besten, ook wanneer de keuze die ze hebben gedaan o.i. niet altijd te bewonderen is. Maar rond hen heen vormt zich de kern van baantjesjagers, van mensen die alles wil hebben voor wat zelfverheerlijking, voor een positie, voor een mogelijkheid om hun haat tegen de wereld te uiten. En daaromheen zien we dan de drom mensen die menen dat ze beter kunnen worden door een ander te beroven en te vernederen. Indien een communist een waar communist zou zijn, dan geloof ik niet dat er iemand zou zijn, die hen niet zou respecteren? Zelfs als men het met zijn stellingen misschien niet eens is” Maar zolang een naam besmeurd wordt door mensen, die ‑ te lui om te werken ‑ menen dat ze een vergoeding voor hun luiheid kunnen krijgen door de maatschappij aan te vallen, dan wordt het gevaarlijk.

Vandaar ook dat eigenaardig genoeg het sterkste wapen tegen het communisme het socialisme is gebleken. Wat is het socialisme? Het socialisme is al even revolutionair als) het communisme. Op dezelfde wijze tracht het alle bezit aan de staat te brengen en aarzelt niet de vele, consequenties te aanvaarden. Maar het gaat langs legale weg. Het grote verschil tussen communist en socialist is dus de directe revolutionair en de parlementaire revolutionair. In beide gevallen is het einddoel hetzelfde, het scheppen van een stoffelijk paradijs, een wereld, waarin eenieder alles zal vinden wat hij no­dig heeft, waarin ieder zijn taak heeft, waarin iedereen gelukkig kan zijn.

Maar waar de socialist zich baseert op de menselijke wetten en waar­den, waar hij een streven binnen de maatschappij stelt in plaats van zich­zelf boven de maatschappij te stellen, heeft het socialisme geen behoef­te aan een verheerlijking van eigen denkrichting tot godsdienst. Hier ligt wel het grote verschil. Als wij nl. de socialist vergelijken met de communist, dan blijkt in de plaats dat de socialist in het algemeen naar de kapitalistische richtingen is toegegroeid. Als men parlementair een revolutie wil doorvoeren, is men gedwongen om voortdurend in contact te komen met tegenstanders. Men kan hen niet met een minachtend woord en een schot in de nek uit de weg ruimen. Men moet hen wel degelijk aanvaarden of bestrijden en daardoor leert men hen kennen.

Het vreemde daarbij is dat wij bij het socialisme dan ook zien, is een zekere achting voor de tegenpartij. Men strijdt voor zijn rechten, maar is toch wel geneigd om bepaalde kwaliteiten ‑ ook bij kapitaal e.d. ‑ te erkennen. Dit verschil maakt het de socialist mogelijk een God te dienen en te aanvaarden, die in een andere wereld leeft, hier zijn wil uit, maar voor ieder loon en straf kent, wanneer hij eenmaal aan deze wereld is ontgroeid. Misschien op zichzelf een schijnbaar onbelangrijk punt. Toch is het het punt dat voor deze wereld het meest belangrijke zal zijn dat er ooit kan bestaan.

Het communisme dat God moet bestrijden, of het wil of niet, zal te allen tijde juist hierdoor genoopt zijn om binnen de eigen tijd (Omdat men het zelf nog wil meemaken) te strijden en iets te presteren. Het zal dus altijd gewelddadig moeten zijn. Iets, wat op deze wijze ongetwijfeld door vele denkers niet zo werd bedoeld. Laten we niet vergeten, dat zelfs Trotski, die toch de generalissimus van de eerste revolutie mag worden genoemd, zegt: “Wanneer we het kapitaal doden, moeten we voorzichtig zijn dat wij daarmee niet doden de denkers die het kapitaal heeft voortgebracht. Want als dwazen dwazen leiden, wordt er ondergang geboren.” Hij zei dit in een betoog, waarmee hij zijn besluit probeerde te rechtvaardigen tegenover de revolutionaire raad om een aantal professoren, doctoren en dergelijken een rijke toelage te geven (althans voor die tijd), levensruimte en levensmogelijkheid, ondanks het feit dat zij bourgeois waren. Als een doekje voor het bloeden voegde hij eraan toe: “Wanneer wijzelf in staat zijn hun taak over te nemen, zullen ze hebben uitgediend.” Inderdaad. Hier drukt deze mens toch uit, wat er nodig is: eenheid in de wereld.

Als wij tegenwoordig zien dat zelfs staatslieden voor deze moderne noodzaak blind blijven, zodra hun eigen belangen ook maar enigszins in het geding komen, behoeven we ons er niet over te verwonderen dat de communisten over het algemeen blind blijven voor de behoeften en noodzaken die alleen vervulbaar zijn vanuit een middenstand, ja, zelfs vanuit een betere stand.

En daar hebben we dan het beeld van de communist ten voeten uit. De mens die het misschien eerlijk meent, maar geen voldoende besef heeft van de eisen die een maatschappelijke samenleving stelt om de noodzakelijkheid van een verdeling van taken en verantwoordelijkheid op de juiste wijze ‑ ook in verband met de beloning ‑ te aanvaarden. Hij ziet hiertoe geen mogelijkheid. Hij verzet zich tegen het onrecht in de maatschappij en vergeet, dat hij om één onrecht uit te blussen zelf twintig‑ of dertigmaal zoveel onrecht zal moeten begaan. De communist is een mens, die te respecteren is. Een mens, die men zeker niet terzijde mag stellen met een “het is maar een communist” of “het is zo’n politieke dwaas”.  Een mens van wie men moet zeggen., “Hij is iemand die door onkunde of onbegrip, door verbittering tegen de huidige maatschappij, de waarden van die maatschappij miskent en zo voor zichzelf en zijn omgeving gevaarlijk is.”

Fascisme en nationaalsocialisme

De ontevredenheid die in vele maatschappelijke klassen bestaat, zoekt ook een andere uitweg dan die van de anarchie ofwel van de samenleving waarin alles aan eenieder behoort. Als het minderwaardigheidsbesef in de mens groot en sterk wordt, dan is het hem niet voldoende om alleen maar deel te zijn van een wereld van gelijken. Hij wil méér zijn dan dat. En om dit te kunnen zijn, moet hij waarden vinden waarop hij zich kan verheffen.

Het is dan ook wel opvallend dat overal waar wij met het fascisme te maken krijgen ‑ onverschillig in welke uitdrukking of vorm ‑ het zich kentekent door de volgende verschijnselen: persoonsverering, zelfverheffing en eigenwaan. U moet het mij niet kwalijk nemen dat ik dat zo zeg. Ongetwijfeld zullen we ook onder de fascisten en nationaalsocialisten zeer velen vinden die eerlijk en oprecht hebben gestreefd naar een betere maatschappij. Maar hun eerlijk en oprecht streven had zeker een andere baan gekozen, indien zij niet voor de grondelementen ook vatbaar waren geweest.

Duitsland, Italië, Japan en later Argentinië en Spanje geven ons de beste voorbeelden van een fascistische samenleving en maatschappij. Wat blijkt ons hier? In de eerste plaats stelt men het eigen ras in het algemeen boven anderen. Men is beter. Dat beter behoeft niet verdiend te worden, dat is aangeboren, dat is een gave. Men behoeft niet bang te zijn dat men minder is dan een ander. U begrijpt wat een geruststelling dat is voor mensen die hun eigen plaats niet weten te vinden in de wereld; voor mensen die ‑ ondanks hetgeen ze in de maatschappij mochten tot stand brengen ‑ graag ietwat meer erkend zouden willen worden en menen dat het gebrek aan erkenning een bewijs is van eigen falen.

Zo komt men ertoe om het eigen volk op een voetstuk te zetten tegenover de rest van de wereld. Daarboven echter dient er een groepering te zijn die de elite van het volk vertegenwoordigt. Of wij nu kijken naar de falangisten of naar de Duitse nationaalsocialisten of een blik slaan op de hogere standen van Japan, op de Peronistische opbouw die in Argentinië tot voor kort bloeide (en nog lang niet dood is), steeds weer wordt erop gehamerd: “Wij zijn méér. Onze groep en onze groepering is de beste.”

De grondslagen van het nationaalsocialisme en het fascisme zijn op zichzelf niet zo dwaas. Maar zij gaan uit van het standpunt dat een menigte niet in staat is zichzelf op de juiste wijze te regeren. Dit is niet zonder reden, want de zgn. democratische regeringen falen inderdaad vaak onopvallend. Maar zij vergeten één ding, dat het niet mogelijk is om voldoende sterke mannen te vinden, die allen even goed op de hoogte zijn van de feiten om een regering enige continuïteit te kunnen geven.

Indien er in een fascistische maatschappij twee sterken zijn, zullen ze ongetwijfeld tegenover elkaar staan en niet elkaar helpen. De regel van de democratie van het gemiddelde is langzaam, traag. Haar verbeteringen komen haast gedwongen, met een steunend toegeven dat het dan maar moet. Haar ambtenarij is overweldigend. Maar er staat tegenover dat ze continu is. Juist door de veelheid der elementen en de voortdurende wisseling daarin is een opbouw op democratische basis niet zo snel te vernietigen tenzij de staatsvorm door revolutie of geweld ten onder gaat. Deze dingen zal een fascist zich nooit kunnen voorstellen. Hij zoekt naar een onmiddellijke oplossing. In zoverre is hij dan ook sterk verwant aan de communist en menig andere extreme richting. Hij zoekt nu naar de oplossing die voor hemzelf en voor het land op dit ogenblik de gewenste verbetering brengt. Hij vraagt niet naar de stabiliteit ervan. Hij neemt aan dat wat bereikt is, behouden kan worden. En dat is een grote fout. Toch ‑ aan de andere kant ‑ is het een streven dat op zichzelf misschien niet te veroordelen is. Wat zullen we zien, indien een dergelijke‑ partij zich gaat vormen? Degenen die de meeste drang in zich hebben om zich te laten gelden, zullen doorgaans niet behoren tot de oprechtsten, de bekwaamsten, de geestelijk meest evenwichtigen.

Om het met een Duits woord te zeggen “Geltungsdrang” komt voort uit innerlijke onzekerheid. Dat brengt met zich mee dat in een dergelijke maatschappij degenen die van zichzelf en de eigen capaciteiten niet geheel zeker zijn, de leiding nemen. Zij zijn daardoor niet in staat ‑ zoals dit ook bij de communisten voortdurend het geval is ‑ de eigen fouten toe te geven. Ja, sterker, in vele gevallen zullen ze trachten de eigen fouten tot deugden te verheffen. Hierin zijn zij de navolgers van vele vorsten in de oudheid. Hierbij ontplooien ze dezelfde onverschilligheid voor het leven van anderen als de grote tirannen die ooit hebben bestaan. Niet kwaad bedoeld, maar zij hebben dan toch de juiste denkwijze, de juiste overtuiging. Is het dan niet logisch dat als resultaat hiervan al het andere moet wijken voor hetgeen zij goed achten? Hierdoor krijgen we een overheersende laag die op den duur meer en meer haar contact met de werkelijkheid verliest.

De wijze waarop dan ook zowel bij de communisten als ook bij de fascisten en de nationaalsocialisten een beroep wordt gedaan op het volk, pleit reeds voor het gebrek aan redelijk bewustzijn. Te allen tijde is dit een spelen op de emoties. Het is de irrationele oproep om het land te verdedigen, niet tegen dreigend gevaar maar tegen de mogelijkheid dat het misacht zal worden. Het is de oproep je te herinneren hoeveel je hebt geofferd, zonder te vragen waarvoor die offers noodzakelijk waren. Het is het voortdurend hameren op het recht van de arbeider, zonder daar tegenover de plichten van de arbeider zuiver te definiëren, behalve als men de macht in handen heeft. En dan praat men nog slechts over de plichten en niet over de rechten van de arbeider.

Deze kwaliteiten brengen voor het fascisme een even sterke ondergangsdrang als we in het communisme zien. De God van de communist is de wereld van de toekomst. De God van de nationaalsocialist (of hij het beseft of niet) is zijn leider. Ook hier komt het religieuze element sterker en sterker naar voren. Gebrek aan be­reiking, gebrek aan zekerheid, gebrek aan directe mogelijkheden wordt op­gevangen in rituelen, in fantastische benoemingen en titels, die buiten alle verhouding staan tot de eigenlijke taak van hun dragers. Dergelijke groeperingen vindt men ook onder andere namen. Tenslotte is de drang van iemand om zich gouwleider of hoofd van afdeling zus en zo der N.S.B. te noemen niet veel groter dan die van de boekhouder in de Ver. Staten, die de grote wizard is van de één of andere geheimzinnige groepering, die in het duister vergadert. Hij lijdt aan dezelfde persoonsverheerlijking en ook aan dezelfde behoefte tot maskerade.

Een kenteken van een dergelijke maatschappij is ook altijd de overheersing van het uniform. Ik zou veel kunnen zeggen over het kwaad dat is gedaan door het nationaalsocialisme. Ik zou kunnen spreken over de dreiging dat het toch weer zal terugkeren. Ik geloof echter deze beide beschouwingen te mogen overlaten aan de velen die zich daarmee ‑ al of niet tendentieus – dag in dag uit bezighouden in dagbladen en tijdschriften.

Ik zou iets anders willen vaststellen: Extremisme ‑ links of rechts ‑ is het product van geestelijke onzekerheid. Het is het product van een lichamelijk besef van minderwaardigheid. Het is de uitdrukking van eigen onvermogen om binnen de bestaande maatschappij jezelf te handhaven. Als ik hiermee kort, een thans niet zo acuut gevaar in deze maatschappij heb geschetst, meen ik hiermee voor deze maal te kunnen sluiten.