Conclusies uit kosmische werkingen

 19 mei 1964

Op grond van de kosmische werkingen en de noodzakelijke vernieuwingen die daardoor op onze wereld zullen intreden kwam onze Orde, en met ons een reeks andere groeperingen tot de volgende conclusie.

  1. Bij het beëindigen van het Vissentijdperk dat materialistisch tendensen kende, moet de mens zelf geconfronteerd worden met zijn innerlijke wensen en mogelijkheden. Zijn gebondenheid aan milieu, aan geldende regels kan alleen dan zin hebben wanneer zij ook in hemzelf bevestigd worden. Een klakkeloos aanvaarden van ongeacht welk principe, welke regeling of wet ook, voert uiteindelijk tot een gedachteloos voortgaan waarbij de mens zelf meer en meer tot mechanisme wordt.
  2. Wij moeten niet vergeten dat de gedachte aan bezit als basis van de maatschappij in de laatste jaren een zeer gevoelige stoot heeft gekregen. Zij is langzaam maar zeker teruggevallen voor, zullen we zeggen, meer sociale tendensen, waarbij het recht van de mens op de eerste plaats wordt gesteld en bezit slechts een secondaire betekenis heeft, tenzij het zodanig groot is dat het in staat is een groot gedeelte van de masse te zijnen gunste te beïnvloeden. D.w.z. dat persoonlijke bezitsvorming steeds meer wordt afgeremd en persoonlijk begrip voor verantwoordelijkheid voor en streven naar ook in de materie steeds minder wordt. De conclusie is duidelijk; in de materie kan, gezien de sterke toename van wereldbevolking niet getracht worden terug te keren tot de uiterst materialistische toestand die in het verleden heerste. Terwijl ook patriarchale of zelfs maar polyarchische verhoudingen niet gewenst meer zijn in deze tijd. Er moet nadruk worden gelegd dus op de persoonlijke ontwikkeling van de mens en er moet hem een doel gegeven worden om naar te streven. Dit doel kan nimmer materieel zijn, omdat de materie in zichzelf teveel gebonden is, het zal een geestelijk doel moeten zijn en het nastreven van dit geestelijk doel zal evenveel mogelijkheden moeten bieden, maar ook evenveel offers moeten vragen, als de normale materiële bereiking. Dan moeten wij ons verder realiseren dat wetenschap op een bepaald ogenblik zo ver gaat dat zij het intuïtief moment, de erkenning a.h.w. van de geestelijke invloed terzijde staat. Vb. Het gebeuren van Pinksteren zou in deze tijden geen openbaring geweest zijn, ten hoogste een aanleiding tot een onderzoek der parapsychologen met als resultaat waarschijnlijk het vaststellen van hysterische verrukking, waarbij onderdrukte herinneringen tijdelijk naar voren traden.

Ik breng dit vb. om duidelijk te maken dat er iets kostbaars aan het verloren gaan is. Daarom moet de mens van heden ook gebracht worden tot een zelfstandig denken niet alleen, maar ook een zelfstandig experimenteren. Hij moet meer belangstelling krijgen voor zijn eigen intuïtie (of onderbewustzijn). Hij zal moeten trachten om zijn eigen leven niet meer aan te passen aan de stoffelijke noodzaken en behoeften, maar geheel aan te passen aan de geestelijke normen. Het zal u duidelijk zijn dat een mens alleen een dergelijke taak nimmer zal kunnen volbrengen. Wanneer er een kleine groep mensen is die onderling volledig één is en onderling een voldoende aansprakelijkheidsgevoel heeft, dan staat de mens al veel sterker. Zijn moment van onzekerheid dat vooral materieel vaak grote invloed heeft, wordt verminderd. Zijn vermogen tot het verwerven van geestelijke zekerheid wordt gelijktijdig vergroot.

Het zal u duidelijk zijn dat het vormen van dergelijke groepen van het allergrootste belang is, maar men zal niet kunnen volstaan in deze groepen met alleen het scheppen van een onderlinge materiële verbondenheid of materiële verantwoordelijkheid. Uiteindelijk, verzekeringsgezelschappen zijn er reeds voldoende. U kunt u assureren voor al wat u belangrijk lijkt. Neen, deze groep moet worden tot een geestelijke eenheid, een groep dus die gezamenlijk streeft naar een bepaald doel, zal over het algemeen veel meer presteren dan een aantal eenlingen van hoger begaafdheid die afzonderlijk werken. Wij moeten dit ook geestelijk van toepassing zien. Juist door de volledige gevoelens van gelijkwaardigheid, samenwerking zonder voorbehoud, zonder afzonderlijke rechten ten opzichte van eigen meningen of eigen werkzaamheden, dan degenen die door het doel bepaald worden, zal men sneller, beter en juister kunnen presteren. De vorming van dergelijke groepen zal onvermijdelijk zijn in de toekomst. Dat deze groepen niet zeer groot zullen zijn en dat hun aantal, althans voorlopig, nogal beperkt blijft, is duidelijk. Deze groepen zullen in hun karakter veel kunnen dragen dat doet denken aan het systeem van een loge. Maar zij mogen dit toch niet geheel worden, want er bestaat, ongeacht het feit dat men in de groep meerwaardig kan zijn door zijn prestatie ten opzichte van de eenling buiten, als eenling, volkomen gelijkwaardig. Het enig bepalende is hier het erkennen van het menszijn in de ander. U zult zelf wel inzien dat dit nogal moeilijkheden brengt. Want de mens met een miljoen of met 100 miljoen is niet meer waard dan de mens die nog maar een paar franken heeft. Zij zijn gelijk. De man die het heeft gebracht tot schepen, is niet belangrijker dan de man die werkt in de dokken. Zij zijn in wezen gelijk en slechts binnen hun taak kunnen zij hun eigen belangrijkheid bewijzen en ook verschillen scheppen. Verschillen echter die nooit voor het ik gelden, maar alleen voor de gehele gemeenschap.

Een tamelijk idealistisch denken vanuit het huidig standpunt, dat echter gerealiseerd moet worden. Wij zullen ons verder moeten realiseren dat de mens een veel grotere affiniteit heeft voor de materie dan hij normalerwijze beseft. Het kan zijn dat een mens, alleen door zijn verbondenheid met een paar soorten materiaal bv. iemand die hout wil bewerken, in zijn gevoel van verbondenheid uit het hout een maximum aan waarde haalt, zelfs met een minimum aan arbeid. Terwijl anderen, theoretisch bekwamer, dit niet kunnen. Vb. hiervan zijn in het dagelijks leven te over. Het is duidelijk dat de mens die op een bepaald terrein een affiniteit kan gevoelen voor materie, in wezen ook gebonden is met die materie, die materie beter begrijpt en tot op zekere hoogte beheerst. In de wereld van vandaag zijn ontstellende ontwikkelingen aan de gang. Ik wil hier alleen maar wijzen op het praktisch gelijktijdig oplopen van de temperatuur in meer dan 130 verschillende magmahaarden, waardoor niet slechts voor het Verre Oosten, als voor steden in Zuid-Amerika, maar wel degelijk ook voor Europa en Afrika, ja zelfs voor Nieuw-Zeeland, vulkanische werkingen bijna onvermijdelijk zijn. Het hoogtepunt hiervan zal waarschijnlijk komen aan het einde van dit jaar of begin van het volgende jaar. Wanneer er mensen zijn die zich met die actieve materie verbonden kunnen voelen kunnen zij niet de uitbarstingen en bevingen ongedaan maken of onmogelijk maken. Zij kunnen echter wel, zoals een artiest die zijn materie beheerst, het geheel enigszins anders leiden en van die natuurlijke kwaliteiten en eigenschappen gebruik maken om hoofdzakelijk gunstige en niet slechts rampzalige gevolgen te verwerken.

U zult inzien dat ook hier een bijzondere opvoeding van de mens noodzakelijk is. Ik meen, hier kan ik echter niet met zekerheid spreken, dat een aantal regels, zowel voor de vorming van voornoemde groepen alsook het vinden van de juiste affiniteiten met materie en medemensen zullen kunnen worden gegeven en dat aan de hand hiervan een grote en soms beslissende activiteit door die enkele kleine groepen ontwikkeld zal worden.

Ik ben er verder van overtuigd dat de tegenstellingen in deze wereld groter worden en niet kleiner. De schijn van vrede is geen werkelijke vrede. En in plaats van een oorlog met wapens, strijdt u op het ogenblik een even kostbare oorlog waarbij het gaat om de gunst van mensen die nog niet in staat zijn een oordeel te vellen over datgene wat werkelijke beschaving of cultuur heet. Deze kostbare oorlog echter is ook gekomen aan de grens der mogelijkheden. Men zal nu moeten komen tot verovering van terrein, inlijving van landen bij blokken. Anders gezegd, politieke geschillen zullen uit de aard der zaak onvermijdelijk blijken en daarbij zullen vele tijdelijk terzijde gestelde problemen als aanleiding worden gehanteerd om deze politieke spanning in de ogen der massa te rechtvaardigen. Mensen die zich hierdoor laten meeslepen, worden betrokken in allerhande materiële tendensen. Zij komen tot oordelen en partij kiezen. Daardoor verliezen zij gelijktijdig de voor hen noodzakelijke objectiviteit en zo ook het vermogen om werkelijk krachten te putten uit het leven, om werkelijk kracht te vinden die niet slechts voor een doel, vernietiging of haat bruikbaar is, maar die ook bruikbaar is voor opbouw.

U zult begrijpen dat ook dit punt volgens mij belangrijk wordt, niet slechts in de acties die wij van de broederschap verwachten, maar ook wel degelijk in de richtlijnen die deze broederschap zal verstrekken. Dan blijkt verder dat de kwestie geloof langzaam maar zeker is geworden tot een formalisme en in sommige gevallen daarbij een ontvluchting van eigen werkelijkheid. De gedachte bv. dat er eens alleen een Pinksterfeest is geweest en dat dit zich in wezen niet meer kan of zal herhalen, geeft reeds blijk van de verstening van het werkelijk levende, want het geloof is niet slechts het leven volgens een bepaalde formule, het aanvaarden van bepaalde dogma’s, maar is en blijft in de eerste plaats een innerlijk contact met God, met het Hogere. Het zal u duidelijk zijn dat ook het geloof in de komende tijd veranderingen en vernieuwingen zal moeten ondergaan. Dit wil niet zeggen dat het wordt weggevaagd, het wil slechts zeggen dat het terug zal moeten keren tot zijn oude vorm, zijn oude kracht.

Ook de leefwijze van de mensen die grotendeels door de godsdienst mede bepaald wordt, zal daardoor naar ik meen, grote veranderingen ondervinden. Dat deze veranderingen eveneens hun schaduwen vooruit zullen werpen in de kleinere groepen, zowel binnen deze kerken als bv. mogelijk binnen deze gemeenschap, is een wet van Meden en Perzen.

Ten laatste nog het volgende. Vaste regels zijn wel niet te geven, maar één ding kan ik u wel zeggen, dat men ook in deze groep niet verder zal kunnen komen voor men geleerd heeft te offeren, en ook de offers van anderen te begrijpen en op werkelijke waarde te beseffen. Want hierdoor alleen is de juiste samenwerking mogelijk. Iemand die slechts tracht te verwerven, zal niets bereiken. Iemand die niet tracht te verwerven maar tracht te zijn, beantwoordt aan de grotere concepten van kosmisch bestaan en leeft zo, mijns inziens, in een grotere kosmische waarheid.

Ik meen dan ook dat een van de stelregels zeker zal zijn: Het doel van het zijn is “zijn”, is leven, en niet streven of bereiken zonder meer. Ge zijt uzelf, eeuwig, en als zodanig bestemd. Gij kunt u van uzelf meer bewust worden, gij kunt in een oneindige werkelijkheid met vele keuzemogelijkheden het pad dat gij voor uzelf bewust gaat, aanmerkelijk wijzigen. Gij kunt vooral uw eigen begrip van de Hogere Krachten en Waarden van het scheppingsschema zozeer vergroten dat gij in alle dingen, ik wil niet zeggen gelukkig zijt, dat is een onvolkomen uitdrukking, maar laat ons zeggen, vervulling vindt die alle dingen te boven gaat.

Dit als lering zal steeds meer moeten worden gevolgd door de praktijk. Niet wat ik denk te bereiken, is belangrijk, zo zult ge uzelf moeten voorhouden en niet datgene wat ik meen het nageslacht na te laten. Belangrijk is dat ik nu, in de meest volledige zin van het woord, mijzelf ben volgens mijn beste innerlijk erkennen en mijn grootste geloof. U zult mij moeten vergeven dat ik gezien de omstandigheden het hierbij laat.

Begrip verantwoordelijkheid

Het begrip verantwoording en verantwoordelijkheid kan allereerst gedefinieerd worden als het dragen van lasten, uitgaande, ook buiten eigen wezen, waardoor die relatie tussen eigen wezen en de wereld, uw eigen wezen en God, wordt vastgelegd. Wij kunnen verantwoordelijkheid dus zien als een aanvulling van de verantwoording die wij moeten afleggen. Wij zullen (zo zegt mening geloof) eens geoordeeld worden. Of wij daarbij nu gaan langs de elf zuilen tot de hal van het gerecht in de oude Egyptische leer, dan wel komen voor de rechterstoel volgens een ander en moderner geloof, in alle gevallen zullen wij moeten tonen wie en wat we zijn.

Maar kunnen wij verantwoordelijk zijn voor datgene wat wijzelf niet zijn. Ouders zijn ervoor verantwoordelijk dat zij hun kinderen opvoeden. En ten opzichte van hun pogen en streven in deze zin, zouden zij dan ook ongetwijfeld verantwoording moeten afleggen. Maar zij zijn daarnaast niet verantwoordelijk voor hetgeen die kinderen doen. Zolang dit niet voortvloeit uit een bewust falen van de ouders, zou ik zeggen: neen. Zij zijn slechts verantwoordelijk zover hun eigen plicht, hun eigen taak voert. En in het geval van het voortbrengen van nageslacht betekent dit het nageslacht in staat stellen de kennis te aanvaarden waardoor dit nageslacht in de wereld zich zal kunnen bewegen. Zolang ouders kinderen hebben, gezamenlijk dus, dan zullen die man en vrouw ten opzichte van elkaar ook een zekere verantwoordelijkheid hebben. Zij zijn nl. verplicht gezamenlijk die kinderen groot te brengen. Kinderen die uit hen geboren werden, door iets wat toch wel een eigen wilsakte, of desnoods een eigen onbeheerstheid zou mogen heten. Zolang deze relatie dus bestaat is men niet verantwoordelijk voor de daden van zijn partner, zoals men dat weleens stelt, maar is men voor eigen daden verantwoording schuldig aan de partner, maar men is verantwoordelijk voor de handhaving van het milieu, van de geborgenheid a.h.w. waarin het kind kan opgroeien. U ziet dat hiermede in een algemeen gekend begrip de werkelijkheid ver ligt van de gevoelswereld. Hoeveel moeders en vaders zien kinderen niet als een deel van hun eigen wezen en zullen bewust of onbewust, daarbij ook de volledige verantwoordelijkheid voor dit leven op zich nemen. Want ge kunt niet gelijktijdig stellen dat een kind een waar en blijvend deel van jezelf is en stellen dat je voor de daden van dit kind niet aansprakelijk bent. Het resultaat is vaak een grote gevoelsverwarring voor zulke mensen. Wij moeten komen tot een scheiden van de feiten. Een scheiden vooral van de feiten van sentimenten.

En dan kunnen wij voor de verantwoordelijkheid als volgt stellen: Op het ogenblik dat ik vanuit mijzelf en vrijelijk een verplichting op mij neem, ten opzichte van anderen, is er een verhouding ontstaan welke eerst na de volbrenging van de opgenomen taak ten einde komt. Zolang deze verplichting bestaat uit een prestatie en niet uit een gevoel, blijft men aansprakelijk.

Zodra er sprake is van een sentimentsverhouding echter, bestaat er geen werkelijke verantwoordelijkheid en is daarover ook geen werkelijk “verantwoording afleggen” mogelijk. Wanneer u mij niet kwalijk neemt dat ik deze termen gebruik, niet slechts de hartstocht zoals velen denken, maar ook de genegenheid, de liefde, de verering is in vele gevallen, zo niet in alle, het gevolg van fysieke en niet van psychische reacties. Er is nl. een werking van chromosomen, er is een afscheiding van verschillende stoffen waardoor een mens ertoe kan worden gebracht een ander in adoratie te aanzien, terwijl hij dit niet waardig is. Liefde is blind. Zolang liefde niet voortvloeit uit een redelijk erkennen, of uit een gevoelseenheid, maar slechts is een kwestie van sentimenten kan zij geen enkele werkelijke verplichting inhouden. Wanneer wij, onder drang van deze illusies, van deze stoffelijke drijfveren die ook het denken beïnvloeden als mens, echter een verantwoordelijkheid aanvaarden en daardoor het leven van een ander wijzigen, zal onze verantwoordelijkheid blijven bestaan, in zoverre het die wijziging betreft, en niet verder.

Wij kunnen ook zeggen: wij zijn aansprakelijk voor onze eigen daden. Maar is deze aansprakelijkheid wel volledig reëel? U doet zeer vele dingen, niet omdat ge ze wilt, omdat ge deze bewust stelt, maar alleen omdat het de eenvoudigste reactie is, een bijna automatisch reageren op de wereld rond u. In dit geval kan niet gesproken worden van een feitelijke aansprakelijkheid, van een persoonlijke verantwoordelijkheid en zal men daarover geen verantwoording afleggen. Maar op het ogenblik dat ik bewust een daad heb gesteld, wetende wat ik deed, en wetende waartoe het zou kunnen voeren, ben ik voor de gevolgen daarvan volledig aansprakelijk. D.w.z. ook voor alle effecten op anderen daarvan maar niet op de gevolgen die door een eigen reactie daaruit eerst voortkwamen.

Dan geloof ik dat we kunnen beginnen met enkele eenvoudige vaststellingen. In de eerste plaats, waar een persoonlijke aansprakelijkheid bestaat voor elke bewuste eigen actie, is het belangrijk dat men dit zich realiseert wat men wenst en wat men doet. Slechts hij die zichzelf een doel stelt, zal in staat zijn de aansprakelijkheid te dragen voor al wat daaruit voortkomt. Wie een doel aanvaardt van anderen, zonder het persoonlijk te erkennen, kan deze verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid niet dragen en zal als gevolg daarvan, zowel emotioneel als geestelijk, vele verwarringen doormaken.

Dan komen we aan punt 2. Er kan nooit sprake zijn van een verantwoordelijkheid, van een aansprakelijkheid, ten opzichte van andere mensen zolang niet een actie van onszelf daaraan vooraf is gegaan. Ons eigen besef alleen en geen enkele andere regeling, of regel, kan uitmaken wat deze banden in feite zijn. Daarbij moet worden aangemerkt dat, naarmate wij een grotere afhankelijkheid van ons eigen wezen scheppen voor anderen, wij grotere aansprakelijkheid voor deze anderen dragen.

Ten derde. Men is volledig verantwoordelijk voor elke onjuiste, gewild of niet, weergave van eigen wegen en denken tegenover de wereld, want elke misrepresentatie komt voort uit een bewust doel, ook al realiseert men zich dit niet. Het doel nl. een ander te schijnen dan men is, een waardering te ontvangen die men misschien niet feitelijk verdient, van de wereld voorrechten af te dwingen die men, zonder deze misleiding, niet zou verkrijgen. Men is voor alle gevolgen daarvan aansprakelijk. Dit betekent dat elke misleiding voert tot een vergrote binding met de buitenwereld, en een vergrote verantwoordelijkheid voor deze buitenwereld.

U ziet uit deze regels reeds dat wij moeten leren de dingen te scheiden en dat wij daarbij tenminste twee, mogelijk drie zijden in ogenschouw moeten nemen. Wij kennen dan allereerst de feitelijke verhouding. De feitelijke verhouding is die tussen ouder en kind. Ongeacht al datgene wat er verder bestaat, bestaat deze verhouding krachtens een eigen actie. Zij is materieel en reëel en impliceert zonder meer ’t verband tussen het ik en de afhankelijken. De ouders zijn, of zij dit wensen of niet, volledig aansprakelijk voor hun kinderen tot deze kinderen in staat zijn hun eigen weg te gaan. Dit is dus feitelijk.

Wij kennen dan verder de emotionele gebondenheden, waarbij het element aansprakelijkheid toch nog op de voorgrond kan komen. Op het ogenblik dat ik, door mijn emoties mij laat voeren tot een handeling die mede het leven van anderen beïnvloedt, zal ik niet voor mijn emotie maar wel voor het daardoor ontstane streven verantwoordelijk zijn. Dan hebben we de geestelijke waarde die op het ogenblik misschien niet zo buitengewoon in tel is, in vele gevallen telt een grotere winstmarge meer dan een meer christelijk leven, maar wij zijn dus ook geestelijk wel degelijk met een zekere verantwoordelijkheid beladen. Wij zijn aansprakelijk voor datgene wat wij doen nl. voor onze geestelijke mogelijkheden. Wat die geest precies is, ach daarover wordt nog weleens gestreden. Vanuit ons standpunt weet u het. Het is een reeks van voertuigen van niet stoffelijke geaardheid waarbinnen het ik bestaat. Andere eveneens aardige en goede definities kunt u o.m. vinden in de laatste werken van Jung.

Stel dat ik geestelijk, dus vanuit mijn erkennen van de kosmos, de juistheid van streven, een zekere harmonie, weet wat ik moet doen, dan ben ik tevens aansprakelijk geestelijk en door het geestelijke ook materieel, dat ik dit maak tot een werkelijk deel van mijn eigen leven. Menige mens beseft niet dat hij zichzelf schaadt en grote verantwoordelijkheden op zich laadt door zijn weigering, zijn droom in zijn leven sterker te doen leven. En toch is uw droom in uw bestaan vaak buitengewoon belangrijk. Zij betekent nl. wat voor uw geest en uw stoffelijk “ik” de mogelijkheid tot harmonie is. Iemand die deze middelen en mogelijkheden terzijde schuift zal daarvoor verantwoording schuldig zijn.

Op het ogenblik dat een wezen een verantwoordelijkheid op zich heeft genomen tegenover een zo groot gedeelte van de wereld, of een zo zware last tegenover een deel van de wereld, dat hij deze niet meer dragen kan, zal dit “ik” zijn levenskracht verliezen, een aantasting van levenskracht eventueel gevolgd door dood, al dan niet door middelen van buitenaf die men zelf gebruikt of althans in zijn nabijheid plaatst, dan wel door eenvoudig tenietgaan. Dood en sterven zullen dus steeds meer voorkomen daar waar mensen in hun verantwoordelijkheid tegenover zichzelf en de wereld tekortschieten. Dit betekent dat zeer velen die hun verantwoording niet meer beseffende, door misleiding trachten nog hun eigen plaats te handhaven, in niet al te lange tijd zullen heengaan. Het betekent ook dat degenen die niet meer in staat zijn de verantwoordelijkheden van het leven te dragen, zoals zij tot het “ik” komen, geestelijke, emotionele eventueel materiële, op een bepaald ogenblik zullen worden weggenomen. Dit is geen pleidooi voor het doden van degenen die tekortschieten. Het is slechts een vaststellen van het feit dat de stoffelijke, de materiële of lichamelijke levenskracht, afneemt naarmate het conflict tussen het “ik” en wereld, de last van verantwoordelijkheid en eigen vermogen, toeneemt. Dan moeten we ook gaan begrijpen dat onze eigen keuze van het allerhoogste belang kan zijn. Wij behoeven vele verantwoordelijkheden niet op ons te nemen. Vb. Het is niet noodzakelijk dat u deelneemt aan het gemotoriseerde verkeer. Wanneer u echter verkiest dit te doen, bent u medeaansprakelijk geworden voor alles wat eruit voortkomt. U bent niet slechte aansprakelijk voor het houden van de regels in het verkeer. U hebt aansprakelijkheid voor de zekerheid van iedereen, ongeacht zelfs zijn eigen fouten, want u hebt u bediend van een middel dat een moordwapen kan worden in de handen van een dwaas, dat de anderen onherstelbare schade kan toebrengen. Het resultaat is dat uw aansprakelijkheid volledig blijft bestaan, zeker geestelijk en daarnaast ook, naar ik meen in toenemende mate, stoffelijk.

Op deze wijze zal mede gezegd worden: al datgene wat je in de materie je aan macht toe-eigent en aan macht middelen, brengt een aansprakelijkheid met zich mee. Deze aansprakelijkheid, deze verantwoordelijkheid die men draagt tegenover zich en tegenover allen die door dit middel in contact zijn, zal zich wederom op eigen wezen ontladen. Het houdt niet slechts in dat een stoffelijke dood het gevolg kan zijn, maar ook dat men geestelijk aan deze verantwoordelijkheden en vooral in het tekort schieten daarvan, zozeer gebonden kan zijn dat, een langere tijd het “ik” met de aarde in contact moet blijven en geen vrijheid vindt, tot een werkelijk geestelijk bestaan. Ik geloof dat het goed is om ook dit te begrijpen. Men behoeft dus die verantwoordelijkheid niet op zich te nemen. U behoeft niet met een geweer te schieten, in een auto te rijden. U behoeft niet een ander een zeker risico voor u te laten dragen. Wanneer u het echter doet, bent u daarvoor volledig aansprakelijk, en deze volledige aansprakelijkheid, laat ons dat niet vergeten, moet ons ertoe brengen zeer goed te overwegen wat wij doen voor wij ons van dingen buiten het “ik” bedienen. Nog een laatste opmerking:

Alle mensen hebben een mogelijkheid tot harmonie, ook al betekent dat niet dat een werkelijke harmonie met allen bereikt kan worden. Zoals u misschien weet bestaat er een systeem waarbij elke 12 huizen of hoofdgroepen verdeeld worden in 12 subgroepen zodat men komt zelfs tot totalen van 144 verschillende richtingen, terwijl getallen als 63 eveneens voor alles gebruikt worden. Zonder mij over het al of niet juist zijn hiervan uit te laten, het is een betrekkelijk ingewikkeld probleem waarbij de formulering van het allerhoogste belang blijkt te zijn en dus eigenlijk theorie sterk op de voorgrond treedt, wil ik opmerken dat u dus alleen met een bepaalde groep in harmonie kunt zijn. Nu is harmonie een verrijking van uw eigen leven, gelijktijdig een verrijking van het leven van anderen. Oorspronkelijk zal het vaak blijken dat men veel moet prijsgeven. Maar 2 jonge mensen geven ook veel prijs om iets anders te winnen. Op dezelfde wijze zal de mens die een zekere harmonie zoekt en een gemeenschap vindt waarin deze harmonie mogelijk is, zeer veel prijsgeven. Hij zal die offers ongetwijfeld brengen omdat hij daarmee zijn geluk dient. Dat is voor onze aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid niet zo belangrijk. Wel echter dat het feit dat wij tegenover onszelf tekortschieten, wanneer wij nooit en in geen geval harmonie zoeken of aanvaarden, wij minder bewust, minder gelukkig, minder belangrijk a.h.w. leven. Het zoeken naar harmonie is één van de verantwoordelijkheden die voor de mens bestaan. Wanneer hij dit niet beseft kan hij niet aansprakelijk worden gesteld. Zodra hij echter beseft dat harmonie in zijn eigen leven van het hoogste belang is, zal hij ook tevens aansprakelijk zijn voor het zo goed mogelijk nastreven en tot stand brengen ervan.

Samenvattend: het geheel van het menselijk bestaan is gebaseerd op de relatie tussen het “ik” en de wereld. Alle aansprakelijkheid voor datgene wat uitgaat van het eigen “ik” of voortvloeit van het eigen ik, wordt door dit “ik” alleen te dragen. Gedachten die deze aansprakelijkheid willen vervangen door een genade, vergeving van schulden e.d. gaan, misschien wel door een zekere emotionele prikkeling, te ver. Er zal geen verhouding van schuld meer bestaan misschien, maar zal wel degelijk nog een ten uitvoer brengen van datgene waarvoor men verantwoordelijk is, voor een corrigeren van datgene wat men veroorzaakt onder eigen verantwoordelijkheid, blijven bestaan. Genade kan u helpen om meer uzelf te zijn. Ze kan u de kracht geven misschien om uw tekorten op te heffen, maar zij zal u niet ontheffen van de aansprakelijkheid voor uzelf. Gij zijt niet slechts verantwoordelijk voor uzelf tegenover God, maar ook tegenover het totaal van zijn Schepping waarbinnen gij uw plaats inneemt. Naarmate de geestelijke wetten en krachten op deze wereld sterker tot uiting komen, zullen deze problemen van verantwoording, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor uzelf steeds meer actueel zijn. En het is mijns inziens dan ook belangrijk dat men reeds in deze dagen voor zichzelf formuleert welke aansprakelijkheden in wezen bestaan. Waarvoor men in wezen verantwoording kan en wil dragen. En vooral ook wat men krachtens het verleden reeds aan verplichtingen op zich heeft genomen en in hoeverre deze verplichtingen waarlijk uit het “ik” voortvloeien, behoren tot de werkelijke taak van het “ik” in de wereld.

  • Aan de ene kant wordt gesproken van de verantwoording tegenover de kinderen. Hoe stelt u daartegenover de uitspraak van Jezus, “verlaat vrouw en kinderen en volg me”?

Vrouw en kinderen, dat is niet alleen zoals u stoffelijk misschien denkt, uw gade en uw kinderen, maar dat zijn ook de producten van eigen denken, uw eigen methode van leven en gewoonten, zult u terzijde moeten stellen. En dat is heel begrijpelijk en duidelijk want u hebt daar tegenover geen werkelijke verantwoordelijkheid in het emotionele vlak. U bent aan een kind, ook wanneer het uw eigen kind is, in wezen niet meer verschuldigd dan aan alle kinderen, zodra ge de kosmische harmonie en de uiting van het Goddelijke binnen de mens erkent. Er bestaat een wet die ge misschien hiernaast zou kunnen citeren: “bemin uw naasten gelijk uzelf”. Uw kinderen zijn ongetwijfeld uw naasten, maar zij zijn dit niet in meerdere of mindere mate dan alle andere mensen waarmee u contact hebt. En daarin ligt hier het feit van de aansprakelijkheid, van de verantwoordelijkheid. U bent slechts zover verantwoordelijk voor uw kinderen als gij verantwoordelijk zou zijn voor iedere andere mens die a.h.w. onder uw leiding of onder uw dictie zou opgroeien. Op het ogenblik dat een taak die voor het geheel van groter belang is optreedt, zult ge dus de relatie met uw kinderen, met uw echtgenote e.d. moeten doen terugtreden. Het is eigenaardig dat de mensen dit wel aanvaarden bv. wanneer er oorlog is, maar nimmer schijnen te willen aanvaarden wanneer het gaat om geestelijke waarden. Men zegt dat een soldaat om zijn vaderland te verdedigen vrouw en kinderen moet achterlaten, uittrekken en desnoods sterven, en toch schiet hij daarbij zeker tekort in zijn verantwoordelijkheid tegenover zijn vrouw die hij immers heeft beloofd te onderhouden, die hij liefde zou geven en die hij nu verlaat, volgens de menselijke gedachtegang. Hij schiet te kort tegenover zijn kinderen want de vaderlijke bescherming, het mannelijk element, dat in de opgroei zo belangrijk kan zijn, is er niet. Maar wat stelt men daar tegenover? Het belang van de gemeenschap is groter dan dat van de eenling. Wanneer wij niet eerst de gemeenschap verdedigen zullen vrouw en kinderen in elk geval ondergaan. Is het dan zo vreemd dat ditzelfde op geestelijk terrein kan worden gesteld. Het belang van de gemeenschap van het werkelijk geestelijk werk, van de grote geestelijke harmonie is belangrijker dan bv. de band die u hebt met uw kinderen. En pas wanneer deze belangrijkheid voor u geheel voorbij is, zult u tot deze kleinere aansprakelijkheid terugkeren, zonder u echter daaraan gebonden te achten, zodat uw eigen geestelijk streven of werken daardoor ooit in het geding komt. Mag ik u eraan herinneren dat Jezus zelf meerdere malen zijn moeder heeft afgewezen, wanneer het erom ging zijn taak te volvoeren. “Vrouw wat heb ik met u vandoen”. “Vrouw ik ken u niet”. En dat diezelfde Jezus, wanneer het hem mogelijk was, volledige kinderlijke eerbied en tederheid tegenover diezelfde vrouw, diezelfde moeder betoonde. Hij wist echter het verschil te vinden tussen het alomvattende, het werkelijk belangrijke en datgene wat secondair was. De emotie is daarbij niet het belangrijkste. De emotionele verhouding, of zelfs maar de gebruikelijke verhouding is daarbij niet belangrijk. Belangrijk is datgene wat men in het geheel betekent. En eerst wanneer die betekenis ten volle is gewonnen en vervuld, het “ik” zijn aansprakelijkheid daar tegenover heeft gedragen, zal zover dit mogelijk is de aansprakelijkheid tegenover die anderen ook nog in het bijzonder worden volvoerd, zover men die menselijk in zichzelf erkent.

  • Als u zegt; u zijt verantwoordelijk voor uw daden en niet God, dan stelt u het “ik” apart van God. Ik zie het niet zo.

Dat is uw volste recht. Maar wanneer uw “ik” niet van God gescheiden zou zijn, dan zou u alle tijden en alle ruimten moeten kennen, die kent u niet. D.w.z. dat u misschien niet in de kern van uw wezen of uw levenskracht, want deze erken ik als voortkomend uit God en door hem in stand gehouden, maar wel degelijk in uw bewustzijn en bestreving, gescheiden bent van God. Het is dwaas om dit niet te erkennen. En de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheden en verantwoordelijkheden niet te aanvaarden.

U denkt misschien morgen dat u Julius Caesar bent en u brengt daardoor misschien Brutus in de verleiding om u te vermoorden, daar bent u aansprakelijk voor, ook al is het uw illusie. Uw illusie die u ertoe brengt om te handelen alsof iets feitelijk is, houdt in dat alle daaruit voortvloeiende aansprakelijkheden voor u evenzeer feitelijk zijn als de illusie. U kunt niet enerzijds je leven in werkelijkheid, en anderzijds de verantwoordelijkheid die dat leven in werkelijkheid met zich brengt, van u afschuiven om te zeggen dit is alles een illusie. Slechts indien U leert te leven alsof dit al een illusie is, en deze, zoals bij illusies mogelijk is, door eigen wil of ingrijpen weet te wijzigen en dichter bij de waarheid te brengen, kunt u zeggen hiervoor ben ik niet verantwoordelijk. U bent verantwoordelijk voor uw eigen bewustzijn, voor uw eigen wezen. God is misschien verantwoordelijk voor de instandhouding ervan. Wij kunnen zeggen dat God misschien verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de uiteindelijke mogelijkheden die voor uw wezen bestaan, want hij heeft u geschapen en daarmede ook uw uiteindelijke bereiking a.h.w. gepredetermineerd. Maar de manier waarop u ze bereikt is nog steeds uw zaak. De wijze waarop u met desnoods deze illusie werkt, is toch wel degelijk uw zaak. Het is daarom niet slechts dwaas maar soms zelfs misdadig, om te vertrouwen dat God voor ons datgene zal volbrengen wat wij zelf zouden moeten en kunnen doen. Het is dwaas en misdadig om aan te nemen dat een andere kracht de wonderen zou volbrengen die wij zelf kunnen volbrengen. Het is dwaas aan te nemen dat datgene wat in ons leeft en ligt, zinloos is, omdat het misschien niet de totale waarheid is. Ook binnen de totale waarheid zal het zijn zin en betekenis hebben en waar wij gescheiden van die totale waarheid bestaan, zullen wij, althans tegenover onszelf, en dat is belangrijker dan u denkt, volledig aansprakelijk zijn voor datgene wat we zijn, wat we betekenen en wat we tot stand brengen.

  • U heeft gesproken over het belang van onze dromen. Kunt U nader toelichten?

De droom is voor de mens over het algemeen de selectie gemaakt door zijn onderbewustzijn en soms door zijn geest of delen van zijn geest en die uit het totaal van zijn kennis , ervaring en bewustzijn daarbij uitdrukking gevende aan de tekorten, zowel als aan de angsten, overvloeden en begeerten van zijn eigen wezen. Anders gezegd, de droom geeft de mens vaak onbewimpelder en werkelijker weer dan hij zich waakbewust kent. Zijn fantasie en droombeelden die hij als onbelangrijk beschouwt zijn eveneens een projectie van dit ik en zij zijn als zodanig een omschrijving van zijn eigenschappen en zijn achtergronden. Ook diegenen die hij verborgen houdt, niet tot uiting brengt, of op een ander wijze aan de mensheid of aan zichzelf pleegt voor te spiegelen. Een mens moet echter in de eerste plaats waar zijn omdat hij slechts met een aanvaarding van zijn werkelijke persoonlijkheid kan leven en werken, nimmer met een ten dele verdringen van zijn persoonlijkheid of ontkennen hiervan. De droom is voor ons zeer belangrijk. Hij geeft ons aan, wie en wat wij zijn. En wanneer wij weigeren die erkenning op te nemen in onszelf, weigeren te beseffen hoe belangrijk deze dromen met zijn tendensen zijn voor het reële bestaan in de stof en zelfs in sommige van de sferen, zullen wij tekortschieten tegenover onszelf, maar gelijktijdig tekortschieten tegenover anderen omdat wij niet onze werkelijke persoonlijkheid, maar slechts een deel daarvan, naar buiten toegeven. Het is of wij in staat zijn een volledig medicijn te verstrekken, enkele delen met een minder aangename naam eenvoudig terzijde zetten, omdat we niet beseffen wat ze zijn. Wanneer u omwille van uiterlijkheden tracht in uw eigen vrezen vaak essentiële en belangrijke waarden te onderdrukken, deze niet wilt erkennen, dan zult u daardoor aansprakelijkheid op u laden tegenover uzelf en zelfs tegenover de wereld, omdat u niet slechts tegenover uzelf maar tegenover de wereld te kort zijt geschoten.

  • Die dromen is dat bepaald dat die meerdere malen moeten voorkomen?

Dat is niet bepaald dat zij meerdere malen moeten terugkomen, dat is alleen ten aanzien van precognitie, dus een uitwijken buiten de normale tijdsnorm van de mens. In dergelijk geval plegen wij te zeggen: wanneer de droom zich herhaald, is hij belangrijk voor het “ik”. De droom als zodanig moet niet bezien worden op haar waarde alleen, maar op haar inhoud. De tendens van de droom is dus voor de erkenning van het “‘ik” en de daarin levende eigenschappen vaak belangrijker dan de herhaling. Zich herhalende dromen geven slechts uiting, ’t zij aan problemen die het ‘ik” in het bijzonder ernstig belagen, dan wel aan precognitie zeer vaak zelfs in symbolen uitgedrukt, die voor het ik belangrijk zijn ten opzichte van het toekomstig gebeuren.

Gastspreker

In deze dagen van veranderingen en spanningen zal ik u gaarne het volgende onder het oog willen brengen:

Harmonie kan slechts bestaan waar een volledig wederkerige ontvangst en overdracht mogelijk is. Eenzijdige harmonie is geen harmonie.

Hij die streeft en werkt kan nimmer meerdere doelen gelijktijdig nastreven, meerdere werken gelijktijdig voltooien zonder zichzelf en zijn taak daarbij te schaden.

Wie een geestelijke taak erkent in deze dagen zal deze taak dus allereerst moeten volbrengen. Eerst daarna zijn verdere taken.

Wie de Kracht van de Goddelijke liefde erkent, zal niet alleen als een theorie deze mogen huldigen, maar zal deze tot een werkelijk deel van zijn wezen moeten maken en in zijn volledige overgave daaraan, en vertrouwen daarop, zich geheel moeten richten op het Goddelijke en zonder enig voorbehoud door zichzelf.

In deze dagen worden besluiten genomen die verder reiken dan de mensheid beseft. De gevolgen daarvan zullen zich in de komende jaren steeds sterker openbaren. Laat u dus niet misleiden door de schijnbaar geleidelijke veranderingen, doch besef dat soms in één jaar meer geschiedt dan anders in vele eeuwen.

Uit dit begrip en besef zoek uw eigen relatie tot de nieuwe krachten en wetten tot de regels die gesteld zullen worden. Een regel blijft bovenal bestaan en zal gehandhaafd blijven tot het einde der tijden. Erken uzelf als de gelijke van eenieder, en erken eenieder als gelijke van uzelf, zonder voorrecht of privilege. Erken dat deze gelijkheid ligt in het gezamenlijk bestaan binnen de Goddelijke Waarheid, het leven, gezamenlijk uit dezelfde Goddelijke Kracht. Zoek in uw medemensen uw God en niet uzelf. Wie dit beseft en volbrengt, kent de grondregels die ook in de komende tijd alle besluiten van de Grote Broederschap, alle Krachten op de aarde gericht, ontwikkelingen binnen de mensheid, zal geven.

Ik wil u erop wijzen dat veel misleiding in deze dagen mogelijk is. Zowel zelfmisleiding als misleiding uit andere bronnen. Zoek daarom de waarheid in uzelf en ervaar slechts dat als waar wat gij in uzelf zonder voorbehoud, als zodanig kunt erkennen. Geloof niet wat men u zegt, tenzij het u door de feiten bewezen wordt, maak zelfs dan een voorbehoud. Geloof niets van hetgeen men u verklaart tenzij gij innerlijk de waarheid daarvan zozeer aanvoelt dat gij geheel en zonder voorbehoud durft te handelen daarnaar.

Indien gij onzeker zijt, aanvaardt uw onzekerheden. Wie een onzekerheid erkent kan een zekerheid vinden. Wie haar ontkent verliest zichzelf en zijn vermogen tot bewustwording, voor enige tijd.

Ten laatste: Al datgene wat zal worden gedaan, zowel datgene wat geweld of ramp voor uw wereld, als datgene (en dat zal veel zijn) wat voor de mensheid vreugde en nieuwe mogelijkheid betekent, wordt u gegeven uit een vol begrip van eenheid en liefde. Aanvaardt dit als zodanig.

Velen van u hebben gewacht, soms vele jaren op een gebeuren. Indien zijzelf de eerste schreden doen in de tijd die komen zal, die bijna gekomen is, zo zullen zij de juistheid of de onjuistheid van hun verwachtingen niet slechts zien, maar aan den lijve ondervinden, de verwerkelijking van hun vroegere dromen, verwachtingen en erkenningen. De werkelijkheid verschilt vaak van de gedachten.

Wees niet ontmoedigd of teleurgesteld wanneer dat we ge verwacht hebt nu weinig lijkt. Want wie aanvaarden kan wat hij in het verleden heeft opgebouwd, zal in deze dagen steeds sneller leren gedachten en werkelijkheid één te maken en strevend in de juiste harmonie, daardoor ware vrede en waar geluk, de juiste dienstbaarheid aan mensheid en God vinden.

Uit de naam van de Broederschap zeg ik u verder nog: Wanneer de uitstorting van Kracht plaats vindt, zo zult gij allen op deze wereld bewust of niet bewust hieraan deelhebben en zo gij bewust zijt, zeg ik u: Werk uit deze kracht want zij is blijvend en bepaalt het aanzien van de komende jaren. Ik wens u sterkte, inzicht en vrede op uw wereld. Ik wens u toe begrip voor uzelf en een besluit zonder aarzelen, dat gij uzelf waardig moogt leven.