Consequent zijn

image_pdf

15 juni 1962

Aan het begin van deze bijeenkomst herinner ik u eraan, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Vandaag zou ik met u willen spreken over: Consequent zijn.

Wanneer een mens eenmaal een bepaalde gedachtegang heeft, moet deze ook tot een bepaalde handelwijze in de stof voeren. De wijze, waarop men handelt, de wijze, waarop men reageert t.a.v. de buitenwereld dient bepaald te worden door het gedachtebeeld, dat men heeft. Wie dit niet doet, is niet consequent en schept een groeiende verwijdering tussen gedachten en daadleven, met als gevolg een toenemend aantal ontsporingen. De wet van oorzaak en gevolg zal door de persoon in kwestie vaak niet begrepen worden, omdat hij voor zich niet toegeeft, dat deze strijdigheid tussen doen en denken bij hem bestaat. Men zal consequent moeten zijn. Maar de vraag, wat dit inhoudt, brengt een antwoord, dat veel verder gaat, dan men gemeenlijk wel veronderstelt. Voorbeeld: Wanneer ik stel, dat Nederland Nieuw Guinea prijs moet geven, omdat geweld niet aanvaardbaar is, zal ik ook moeten stellen, dat Nederland alle bindingen met UNO, NATO enz. op zal moeten geven. Samenwerken met deze groepen kan immers voeren tot geweld, waarbij wij direct of indirect betrokken zijn. Verder dient men het Nederlandse leger af te schaffen, indien men weigert geweld te gebruiken is het in stand houden van een leger zinloos.

Zo dient men uit te gaan van een doorvoeren van zijn denkbeeld tot in de uiterste consequenties. Dit zal in de praktijk wel niet altijd mogelijk zijn, maar aan de andere kant dient men toch te beseffen, dat halfheid gevaarlijker is, dan een volledig doorvoeren van zijn inzichten. Dit geldt natuurlijk ook, wanneer men stelt: Wij moeten onze beloften aan de Papoea’s houden.

Wij zijn verplicht voor de vrijheid van keuze op te komen en de vrijheid in de wereld met alle middelen te bevorderen. Dit betekent weer, dat men niet zal kunnen volstaan met het zenden van enkele soldaten, in dat geval zal men geheel het leger en alle middelen van het Nederlandse volk in moeten zetten. Maar indien ik stel, dat het mij alleen om de vrijheid van de mensheid gaat, zal ik eveneens bereid moeten zijn om voor de vrijheid van Berlijn e.d. te vechten. Dan zal men niet terug mogen deinzen voor een gewelddadig ingrijpen ten bate van de vrijheid, onverschillig, waar ter wereld dit zal plaats vinden. Wanneer men aanneemt, dat hiervoor een leger noodzakelijk is, zo zal men een leger moeten bouwen, dat onafhankelijk – dus als zelfstandige eenheid – kan functioneren, maar aan de andere kant in samenwerking met elke andere legereenheid van andere volkeren op kan treden. Ook is het dan dwaas beperkingen te stellen t.a.v. de bewapening: Wanneer ik een geweer aanvaard als wapen, dien ik uiteindelijk ook een atoombom te aanvaarden.

Het verschil is hier misschien kwantitatief in effect, maar zeker niet essentieel. De doorsnee mens zal weigeren de consequenties van zijn stellingen zo ver door te voeren. Dit zult u misschien nog met mij eens zijn, maar dit alles is zeer algemeen en beroert u uiteindelijk maar zeer indirect. Ik vraag mij af, of u bereid zou zijn even consequent te handelen in gevallen, die u meer persoonlijk raken. Stel, dat u de stelling aanhangt, dat men alleen voor zijn naasten moet leven. Daarbij maakt u geen enkel voorbehoud. Ik vraag mij af, of u dan, wanneer iemand in een café uw jas steelt, ook uit zult roepen: “Wat een geluk, dat het mijn goede jas was. Nu heeft mijn naaste vast plezier van de goede jas, die hij gestolen heeft”. Toch zou dit in feite de uiterste consequentie zijn van deze levenshouding. Wanneer men alles voor zijn naaste zegt te willen doen, dan zal men ook alles aan die naaste moeten gunnen en mag men niets uitsluitend voor zich opeisen. Wil men dit niet, zo zal men ook eerlijk moeten stellen, dat men zijn naaste niet onbeperkt wil dienen en de beperkingen omschrijven.

Er zijn mensen, die geestelijk alles willen doen om hun medemensen te steunen en te helpen, zodra zij daarvoor ook maar één enkele stap extra moeten verzetten, trekken zij zich terug.

Ook dat is niet consequent. Wanneer men niet bereid is de mensheid stoffelijk te steunen en te helpen, kan men net zo goed nalaten om dit geestelijk te doen. Want geestelijk helpen kan niet als vervanging dienen voor het stoffelijke of omgekeerd, maar beiden dienen steeds samen te gaan. Weigert men een van beide mogelijkheden in de praktijk te brengen, dan is alles, wat men doet, half werk en brengt onvoorziene gevolgen met zich. In de oudheid hebben wij vele resultaten kunnen zien van een niet consequent en blijvend aan een bepaalde stelling gevolg geven. Rome stelde, dat de sterkte van zijn legioenen de ruggengraat van het Imperium was. De Romeinen stelden steeds weer, dat het een zeer grote eer was in de legioenen te mogen dienen. Iedere burger van Rome diende trots te zijn op de mogelijkheden, die hem geboden werden om het Imperium te vergroten en te verdedigen. Zodra er een grotere welvaart kwam, voelden de eigenlijke Romeinen niets meer voor dit soldaat zijn. Zij lieten het vechten graag aan anderen over, maar verkondigden vol ijver nog steeds dezelfde leuzen.

Het resultaat was, dat macht – niet meer strijdvaardigheid en moed – bepaalde, wat er in en met Rome zou geschieden. De legioenen waren groepen huurlingen, die uiteindelijk de macht in handen kregen. Het Imperium ging onder aan de machtsstrijd, waarbij verschillende legergroepen en hun leiders de macht over Rome zochten te verwerven, daarvoor grote delen van het Imperium onbewaakt latende. Dergelijke vervalsingen van waarden en stellingen zien wij overigens steeds weer. In de christelijke gemeenschap stelde men, dat alle mensen broeders in Christus waren. Tot men begon er over te twisten, wie wel de oudste broeder was.

Zo ontstond een grote strijd, die ontaardde in een directe strijd om het primaat. Daardoor kwam men te twisten over de juistheid van de leer. Het gevolg was, dat reeds 300 jaren na Jezus dood in naam van de Goddelijke liefde mensen door hun mede christenen werden vervolgd, gedood, of aan de burgerlijke autoriteiten overgeleverd, verbannen enz. alleen maar, omdat zij de moed hadden het niet geheel eens te zijn met de denkbeelden van de machthebbende groepen omtrent de zin van Jezus leer. Het gevolg daarvan was, dat reeds 300 na Chr. de splijtzwam het christendom verdeelde en daardoor de mogelijkheid deed vervallen om het christendom tot een ware geestelijke weg tot God te maken voor een ieder, die in zich de band met God wilde zoeken. De christenen zullen het hiermee wel niet eens zijn, maar de feiten blijven bestaan. Deze christenen waren niet consequent.

Dus: consequent zijn betekent niet alleen tot werkelijkheid maken, wat er in je leeft, maar ook eerlijk toegeven, wat je wilt en gelooft. Het houdt in, dat je niet kunt volstaan met halfheid en bv. zondags zeer christelijk kunt zijn en onder de preekstoel zitten, om de rest van de week je als een zeer onchristelijk burger te gedragen. Men zal toe moeten geven, wat men in feite wil, gelooft, denkt en daaraan dan ook op elk vlak uitvoering moeten geven. Men kan niet volstaan met elke dag een kwartier over hoge geestelijke waarden te mediteren en de rest van de dag te leven, of deze dingen niet bestaan. Ook al kan men misschien tijdelijk dit alles nog wel doen, zo zal er toch een ogenblik komen, waarin een mens werkelijk consequent zal moeten handelen.

Dit alles breng ik niet zonder redenen naar voren. De laatste tijd heeft u ons horen zeggen: Vrienden, het is laat. Zo dadelijk is er geen gelegenheid meer je aan de nieuwe tijd aan te passen, zonder daarbij grote schade te lijden en grote strijd door te moeten maken. Men heeft u zelfs het waarschijnlijke verloop van de komende jaren geschetst, compleet met aanduiding van komende omwentelingen, revoluties enz.. Het is niet voldoende, wanneer men een dergelijke vernieuwing beseft en theoretisch wil aanvaarden. Juist degenen, die bij de theorie stil blijven staan, zijn geneigd te verlangen naar de voltooiing van de vernieuwing. Zij verwachten daaruit voor zich een zekere voldoening te verkrijgen, al is het maar de waardering van hun omgeving, die dan wel toe zal moeten geven: “Je hebt gelijk gehad! Je hebt toch altijd wel geestelijk zeer hoog gestaan”. Zij vergeten daarbij, dat voor degenen, die alleen zich met de theorieën bezig houden, maar de praktijk daarvan vermijden, de vernieuwing niet reëel kan zijn. Zij zijn in feite gevangen in een stroming, die aan hun eigen verwachtingen tegengesteld is. Met alle mooie geestelijke gedachten, met alle mooipraterij zullen zij uiteindelijk niets tot stand kunnen brengen.

Men beseft onvoldoende, dat deze tijd voornamelijk behoefte heeft aan consequent zijn, aan herstellen van daden. Toch zal een ieder mij toe moeten geven, dat een slag in het gelaat van Vieten meer heeft gedaan voor de bescherming van dieren, dan vele betogen over de noodzaak goed te zijn voor alle hondjes en katjes. Heel vaak zal in deze dagen één enkele bewust gestelde goede daad voor de wereld meer betekenen, dan jarenlang mediteren, terwijl men weigert met de daad achter zijn inzichten te staan. Het is tijd, dat allen, die een redelijk bewustzijn van de geestelijke werkelijkheid en de heersende geestelijke tendensen hebben, metterdaad aan de vernieuwing mee gaan werken.

Nu zal u ook duidelijk zijn, waarom men consequent dient te zijn. Als eerste en voor deze dagen meest belangrijke punt zien wij dan naar voren komen: Daadwerkelijke naastenliefde, gebaseerd op verdraagzaamheid, geen beperkingen aanvaardende op basis van geloof, ras, huidskleur enz.. Dit laatste is belangrijk. Naastenliefde dient harmonie te scheppen. Wanneer u meent te mogen stellen: “Negers zijn ook mensen, maar mijn dochter mag niet met een neger omgaan”, zo maakt uw vooroordeel tegen het ras – want dat is het – een groot deel van uw streven naar harmonie al weer waardeloos. Naastenliefde betekent een ieder helpen, waar dit mogelijk is. Op het ogenblik, dat u weigert iemand te helpen, omdat deze een dief, een oplichter e.d. is, heeft u tegen de naastenliefde gezondigd. U bent niet consequent en bevordert door uw selectief zijn in feite verdeeldheid en strijd.

Dit geldt overal: Wanneer u mensen genezen wilt, maar alleen, wanneer zij u sympathiek zijn, is er geen sprake meer van werkelijke naastenliefde. Dan helpt u anderen alleen, om uzelf te bevredigen, of uzelf boven anderen te kunnen verheffen. Verdraagzaamheid is een noodzakelijk bestanddeel van werkelijke naastenliefde. Ten tweede dient men steeds zo reëel mogelijk te leven en te denken. Wees vrij in uw denken en leven, zie de werkelijkheid en laat u niet door geldende menselijke opvattingen en beoordelingen misleiden. Indien men consequent wil leven, zal men de werkelijkheid moeten beseffen. Daartoe dient men objectief te zijn. Wanneer u zegt: “Daar lopen weer 2 meisjes gek te doen. Het is toch wat met die jeugd van tegenwoordig”, zo zondigt u tegen de objectiviteit, in deze enkele zin reeds meerdere malen. Om het zelfde reëel en objectief uit te drukken, zou men moeten stellen: De twee jonge meisjes daar lopen in de straat volgens mijn maatstaven gek te doen. Zij verschillen van alle andere levende wezens op aarde, want zij hebben een eigen persoonlijkheid. Ik mag dan ook wel zeggen, dat er – gezien vanuit mijn eigen standpunt en begripsvermogen – onder de jeugd van heden elementen zijn, die ik niet begrijpen kan…. Wanneer u het zo zegt, voorkomt u, dat u gaat generaliseren en zo de werkelijkheid verder van u afwerpt.

Om consequent te zijn zal men ook zelfstandig moeten denken. Wanneer u hoort, dat een bekende figuur iets gezegd heeft, dan neemt u over het algemeen aan, dat dit inderdaad geheel waar is. Maar heeft die mens dit nu ook werkelijk gezegd? Heeft hij, hetgeen hij zei, ook werkelijk bedoeld, zoals men dit weergeeft? U weet het niet. Eerst wanneer u zich realiseert, dat er voor die woorden wel 10 verschillende uitleggingen mogelijk zijn en alleen aan de hand van verdere feiten de, uws inziens, meest juiste neemt, heeft u een redelijke basis voor uw eigen reacties. Indien u nu nog toegeeft, dat u zelf op zeer persoonlijke wijze op dit alles reageert, zult u zeer dicht bij de werkelijke inhoud van die woorden staan. Dan is uw reactie juist en kunt u werkelijk consequent uw inzichten in daden om gaan zetten.

Een mens, die consequent wil leven, dient ook te beseffen, dat in het verloop van de tijd de waarden en mogelijkheden in de wereld rond hem veranderen. Wanneer u stelt: X is een beest…. zo kunt u op het ogenblik gelijk hebben, maar morgen is dit reeds minder waar. Stel daarom: X is een beest in juni 1962…. Want u weet niet, wat X in 1970 zal zijn. Daarom kunt u een consequente houding nimmer bepalen aan de hand van personen en hun eigenschappen, maar alleen t.a.v. vaste waarden. De basis van alle mogelijkheden in deze nieuwe tijd zijn gebonden aan een consequent handelen en denken, waarbij het punt van uitgang steeds de toestand in het heden dient te zijn. In het heden dient men consequent volgens eigen weten en inzichten te reageren. Nimmer mag men door de verhoudingen en mogelijkheden in het heden al nu zijn houding en mogelijkheden voor morgen vast leggen. Daardoor wordt een werkelijk consequent zijn onmogelijk, tenzij men zich op waan wil baseren. Ook zal men op deze wijze nimmer werkelijk vrij in denken en handelen kunnen zijn, maar steeds gebonden blijven aan een reeks van waarden, die misschien vandaag reëel zijn, maar morgen reeds niet meer als deel van de werkelijkheid bestaan. Hieruit vloeit verder voort, dat men in het heden steeds onmiddellijk en zonder enige reserve of aarzeling het nu juiste zal moeten doen. Te stellen, dat men het morgen zal doen, houdt reeds in, dat men niet meer aan de werkelijkheid beantwoorden zal.

In uw dagen, waarin door kosmische en andere invloeden zovele en plotselinge veranderingen op kunnen treden, zowel in wereld omvattende zin als persoonlijk – humeur bv. – is dit van het allergrootste belang. Vergeet hierbij nooit, dat men alleen consequent kan blijven, indien men zich blijvend baseert op de werkelijkheid. Want alleen in de werkelijkheid kan men, geheel afgaande op de wetten van oorzaak en gevolg, volgens eigen wezen juist handelen en zo lering putten uit alles, wat er in eigen leven gebeurt, zonder daardoor met het eigen ik in strijd te komen, of zich een vals beeld van de wereld te scheppen, waardoor men in een wereld van waan komt te leven.

Het lijkt mij nuttig hier het begrip werkelijkheid eens nader te bezien. Voor het ik geldt: De werkelijkheid is de feitelijke toestand van het heden, door mij vastgesteld aan de hand van mijn ervaringen, waarbij ik mijn beelden aanvul met mijn weten, zover dit in het heden onmiddellijk gemanifesteerd kan worden. Ik zal alle, door mij niet te onvoorziene, factoren hierbij moeten uitsluiten. Deze werkelijkheid geconstateerd hebbende, zal men volgens het beste weten onmiddellijk daarop reageren met woorden, gedachten en daden. Alleen op deze wijze is de werkelijkheid voortdurend te volgen en te hanteren. Op het ogenblik, dat men weigert op de werkelijkheid consequent te reageren, zal men deze werkelijkheid voor zich vervalsen.

Iemand, die de werkelijkheid in een opzicht voor zichzelf vervalst, kan terug keren tot die werkelijkheid, mits hij eigen feilbaarheid aanvaardt en bereid is elk falen, dat hij in zich erkent, met woorden, gedachten en daden zo goed mogelijk te herstellen. Op het ogenblik, dat men in daad, woorden, of gedachten, een voorbehoud maakt en weigert eigen falen volledig te erkennen – indien men dus inconsequent is – zal men hieruit voor zich de noodzaak scheppen het ik steeds weer van de werkelijkheid te verwijderen. Men begint met een enkel klein punt te ontkennen. Daaruit vloeit een toenemende reeks van afwijkingen van de werkelijkheid voort, die op den duur een gehele berg van op zich onbelangrijke ontkenningen van de werkelijkheid vormen, waarachter de werkelijkheid schuil gaat. Tussen het Ik en de kosmos heeft men dan een barrière opgericht. De Goddelijke werkelijkheid is voor het Ik niet meer kenbaar, ofschoon zij voortdurend in, rond en met het ik bestaat. Een waarheid, een consequent leven, moet steeds gebaseerd zijn op de nu bestaande en voor mij kenbare werkelijkheid. De enige werkelijkheid, waarin harmonie bereikt kan worden, is een werkelijkheid, die voor allen gelijkelijk bestaat. Dit zal een Goddelijke werkelijkheid moeten zijn. Elke handeling, die consequent is, zal zijn waarde kunnen putten uit de Goddelijke werkelijkheid. Immers, de mens, die consequent handelt binnen de Goddelijke werkelijkheid, zal – de Goddelijke krachten daardoor in en vanuit zich manifesterende – zijn eigen beeld als deel van het kosmische geheel, steeds duidelijker leren kennen, omschrijven en tot uitdrukking brengen, terwijl het consequente van zijn handelwijze de eenheid van alle dingen steeds sterker zal bevestigen. Nu zullen slechts weinige mensen zich van de Goddelijke werkelijkheid, zelfs binnen de beperkingen van eigen tijd en wereld, bewust zijn. Een terugkeer naar de kosmische werkelijkheid, die een voortdurend bewust en consequent denken en handelen vergt, zal voortkomen uit het erkennen van de vele wegen en mogelijkheden, die in alle punten van de Schepping op elk ogenblik aanwezig zijn.

Dit is vooral belangrijk, omdat uw eigen houding in het leven bepaald zal worden door de wijze, waarop u deze mogelijkheden beseft en alleen in geval van zekerheid een definitieve keuze daaruit, maakt. Stel, dat een mens uw hulp nodig heeft. Dan kunt u stellen: Deze mens wordt mij uit de geest gezonden….. Maar evengoed kunt u zeggen: Dit is het gevolg van mijn karma, of: het is een zuiver toeval. Eveneens kunt u stellen, dat dit alles door omstandigheden buiten uw kennis en beheersing bepaald werd, of dat dit nu eenmaal niet anders kon zijn. Al deze mogelijkheden – en misschien nog meerdere, die ik niet noemde – zullen in dit geval bestaan. Wanneer u nu voor het helpen van die persoon een mogelijkheid dient te zoeken, zo zult u zich van het wezen en de werkelijke mogelijkheden en behoeften van die andere persoon moeten vergewissen. Wanneer u een vreemde noodzaak, een gebondenheid ervaart, zo kunt u verder aannemen, dat hier karma een rol speelt. Is er een inspiratief element kenbaar, zo kunt u stellen, dat de geest hier ingreep enz. enz.. Dan kunt u de verhouding tussen u en die andere mens vaststellen. In het begin vergt dit veel tijd en denken, maar iemand, die gewend is op deze wijze te werk te gaan, doet dit op den duur haast automatisch. U zult begrijpen, dat een band met iemand door karma heel andere consequenties met zich zal brengen en dus een andere handelwijze zal vergen, dan een helpen van iemand, die alleen door een toeval op uw pad kwam. Indien immers de ontmoeting deel is van uw karma, zo kan wel met zekerheid gesteld worden, dat het eerste contact niet het laatste zal zijn. Daarom zult u er goed aan doen dit alles voorlopig te beschouwen als deel van een blijvende opbouw. U zult er rekening mee moeten houden, dat de maatregelen, die u in dit geval gaat treffen, dus mogelijkerwijze een langere tijd zullen moeten voortbestaan. Is er alleen maar sprake van een toeval, zo heeft u alleen vandaag te doen, wat mogelijk en noodzakelijk is, terwijl u rustig mag stellen, dat morgen alles weer voorbij is, wat voor uw eigen reacties en mogelijkheden wel een groot verschil uitmaakt. Toch zult u zich steeds moeten bepalen bij alles, wat in het heden gedaan en gesteld kan worden. Bepaal ook in het geval van een vaste verbinding reeds nu, wat u morgen – of over enige tijd – zeker zult doen en beleven. Ook bij alles, wat u beleeft en ziet, is het nuttig na te gaan, wat de werkelijke omstandigheden zijn.

Voorbeeld: Een jongetje valt met zijn fiets op straat neer. U zult natuurlijk helpen. Maar wat is de oorzaak? Is de fiets niet in orde? Kan het kind niet goed fietsen? Reed het te hard? Heeft een ander schuld aan de val? In alle gevallen zult u dezelfde hulp moeten brengen, maar daarbij zult u – door uw kennis van feiten – uw eigen instelling tijdens deze hulp aanmerkelijk kunnen wijzigen. Wanneer het kind zelf oorzaak is van het ongeval, zal men tijdens het verlenen van de hulp, dit aan het kind en/of aan anderen duidelijk trachten te maken. Is een ander aansprakelijk voor de val, dan zal men na trachten te gaan, wie het is, opdat de ander zich niet aan zijn aansprakelijkheid en verplichtingen t.a.v. het kind zal kunnen onttrekken. Hierdoor zal uw wijze van helpen worden aangevuld en doelmatiger zijn. Door de wijze, waarop ik met alle mogelijkheden rekening houd en aan de hand van feiten eerst een keuze doe uit de verschillende mogelijkheden, zal ik meer werkelijk leven en reageren. Indien ik consequent mijn eigen denkwijze wil uitdragen, zal ik dit aan de hand van de werkelijke omstandigheden beter kunnen doen enz. enz.. Dit zijn eenvoudige en zuiver stoffelijke voorbeelden. Stel u nu eens voor, dat u met de geest samenwerkt. De krachten uit de sferen, ja, God zelf is met u. Dan heeft dit een bepaalde zin. Wat u uiterlijk beleeft, wat er in u omgaat, de gedachten, die u overheersen, ontstaan niet zo maar. Dit alles heeft zin. Welke verklaring is hiervoor mogelijk? Zoek dan naar de verschillende verklaringen, die voor de band tussen het ik en het hogere mogelijk zijn. Zeg niet zonder meer: Dit is een gave, maar vraag u af waarom. Indien u uit de vele mogelijkheden geen keuze kunt doen, ga dan aan de hand van eigen reacties en mogelijkheden na, wat de meest waarschijnlijke verklaring is. Daarmee dient men voort te gaan, tot men zo juist mogelijk de relatie tussen ik en de geest, tussen ik en God, heeft verklaard en beseft. Het onwerkelijke element, dat in zo menige band met de geest gelegen schijnt te zijn valt dan weg. Er is nu een element van waarheid in gekomen, een besefte werkelijkheid, die het mogelijk maakt eigen instelling t.o.v. deze krachten te bepalen en consequent te blijven in zijn aanvaarding van alles, wat vanuit deze krachten gegeven wordt of geëist. Eenmaal erkend hebbende, wat het ik stuwt, wat de eenheid met de hogere krachten tot stand brengt, kan men zeggen: Dit is mijn taak, dit behoort tot mijn plichten, maar dat andere gaat mij niets aan…

Dan zal men aan de hand van dit begrip ook kunnen stellen: Zo moet ik leven en werken. Dan weet je, wat op het ogenblik je levensdoel is en besef je, wat waarlijk belangrijk is….. Uit het erkennen van de werkelijke samenwerking met God, de werkelijke samenwerking met geestelijke krachten, zowel als een besef van eigen werkelijke mogelijkheden en plaats in de wereld, kan men tot een opbouw geraken, die alle leven en wereld voor het ik tot een  harmonische eenheid samenvoegt. Wanneer men zijn eigen relatie tot hogere krachten wel erkent, maar niet tracht de oorzaak en redenen ervan na te gaan, zal men geen besef van de waarheid verwerven. Eerder zal men het geheel overgieten met een saus van menselijke sentimenten, menselijke vooroordelen, waarin de waarheid slechts als onsamenhangende kleinere delen kan bestaan, maar nimmer een aaneensluitend geheel wordt, waarop men zich in alle omstandigheden, sferen en tijden zonder meer kan baseren. Wie zich niet baseert op een gerealiseerde werkelijkheid – hoe beperkt deze ook verder moge zijn – leeft niet bewust, maar maakt van alle gebruik van geestelijke krachten enz. een soort kansspel, waarbij men roekeloos inzet zonder te weten, welke kansen van slagen men heeft, welke gevolgen dit alles met zich brengt. Let wel: Dit betreft de innerlijke erkenning, niet de verschijnselen. Want de wereld van de verschijnselen, die op het ogenblik op uw wereld aan de gang zijn, zijn van ontstellende omvang. Het is m.i. in deze omstandigheden niet meer mogelijk zich verder te baseren op zuiver stoffelijke maatstaven. De waarden in de stof veranderen zo snel, dat men op den duur alleen nog maar alles kan ondergaan en aanvaarden, wanneer men geen inzicht heeft in geestelijke waarden en daardoor meer blijvende samenhangen. Op de wereld is de vriend van vandaag de vijand van morgen, de held van gisteren is de schrik van vandaag enz..

De grote kunstenaar van vandaag is morgen de grootste knoeier die er leeft en omgekeerd. Vaste maatstaven van redelijke levensduur bestaan niet meer. Tenzij men de werkelijkheid terzijde stelt om zich alleen met theorieën bezig te houden, biedt dan ook het stoffelijk gebeuren van heden de mens geen werkelijk houvast meer. Alleen indien men beseft, wat de kosmische werkelijkheid is, die achter al deze veranderingen van inzicht enz. schuil gaat, zal men een betrouwbare maatstaf bezitten. Ofschoon groei en verandering ook in de kosmische werkelijkheid voor ons bestaan, zal hierin altijd weer de vaste lijn van de Goddelijke Schepping tot uiting komen. Wanneer men op deze Goddelijke lijn terug kan grijpen en eigen leven met deze, vanuit het Goddelijke voortvloeiende, groei in overeenstemming kan brengen, zal men ook een vaste weg van leven en streven vinden. Men vindt voor zich in het leven, ongeacht de veranderingen in de wereld, een vaste taak, die tussen het ik, de wereld en de hogere bestaat, ongeacht de veranderingen van denken en inzicht in de mensen, een vaste samenhang.

Een inzicht in deze kosmische werkelijkheid kan alleen voor de ontwikkeling van het ik werkelijk betekenis bezitten, wanneer men bereid is alles, wat men als noodzaak en waarheid erkent, daarin ook stoffelijk te uiten en – ongeacht de gevolgen in zuiver stoffelijke zin – door te voeren. Zou men zich in bepaalde aspecten oorspronkelijk vergissen, zo zal men – juist door dit consequent handelen en de werkingen van oorzaak en gevolg, die daaruit voortkomen, evenals de kenbaar wordende inwerkingen van de wetten van evenwicht en harmonie – de onjuistheden kunnen ontdekken en zo een wijziging van eigen inzichten en handelwijze kunnen bereiken.

Uit de gevolgen, die het consequent handelen in de stof met zich brengt, blijkt immers, dat de stelling, die men huldigt, niet geheel juist is. Herzie dan de stelling en ga consequent verder.  Op deze wijze kan men alles in het eigen denken, dat met de kosmische wetten en werkelijkheid niet strookt, elimineren. Op deze wijze vindt men het enige richtsnoer, het enige houvast, dat in alle tijden, in alle werelden en sferen, even bruikbaar is. Dit is de staf, die een ieder, die daarop steunt, helpen kan om de weg van de bewustwording zonder grote dwalingen ten einde toe te gaan. Indien men weigert de Goddelijke werkelijkheid te zoeken, indien men weigert uit geloof, innerlijk weten en overtuiging, de uiterste consequenties te trekken, dan zal men stellingen blijven huldigen en uit blijven gaan van ideeën, die in zich reeds strijdig met deze werkelijkheid en voor eigen leven en werken onjuist zijn. Men schept dan dus voor zich en de anderen, die rond dit ik leven, een steeds grotere afwijking van de werkelijkheid en de daarin tot uiting komende waarden. Naarmate de afwijking van de werkelijkheid groter wordt, zal de invloed, die de stellingen e.d. op uw eigen wezen hebben sterker worden. Ook de omgeving ondergaat deze in toenemende mate. Hieruit ontstaat strijd, bedrog, zelfbedrog en leed, terwijl de bewustwording van de mens aanmerkelijk wordt vertraagd, of zelfs tot stilstand komt.

U ziet, dat mijn pleidooi voor een consequente houding niet alleen stoffelijke, maar wel degelijk ook hogere geestelijke achtergronden heeft. Het is duidelijk, dat het geen zin heeft nu alleen maar verwijtend uit te roepen: Vrienden, de mensheid verwijdert zich steeds meer van de kosmische werkelijkheid, begin vandaag nog geheel als realist te leven en de consequenties van uw geloof en weten in de praktijk om te zetten. Een dergelijke groei zal vaak langere tijd vergen, omdat men één voor één zijn onjuiste inzichten en stellingen zal moeten herzien, terwijl men zijn gevoelens moet leren beheersen en oude gewoonten moet weten te overwinnen. Bovendien heb ik nog niet duidelijk genoeg gezegd, dat consequent zijn de mens vaak tot inzichten en handelwijzen zal voeren, die veel verder gaan dan de doorsnee mensheid aanvaardbaar acht. Hierbij denk ik aan het geschil tussen Prins Bernhard en de heer Lunshoff. De Prins zei dingen, die – protocollair – niet gezegd hadden moeten worden, maar hij kwam voor zijn mening uit. Daardoor hebben de beide heren hun geschillen kunnen regelen en elkaar kunnen begrijpen. Het gevolg zal zijn, dat zij elkaar meer achten, dan voordien mogelijk scheen en meer belangstelling voor elkaar en elkaars werk zullen hebben, dan zonder dit geschil mogelijk geweest was. De resultaten zijn goed, zelfs indien het gesprek tussen deze beiden niet zo onverdeeld vriendelijk verlopen is, als volgens de – protocollair gestelde – mededelingen zou kunnen worden afgeleid.

Nu wil ik u nog wijzen op een invloed in deze dagen, die een consequent handelen, zowel als een erkennen van de Goddelijke werkelijkheid vaak belemmert: het gedrukte woord. Menigeen stelt: Wat gedrukt is, is waar, terwijl een ander aanneemt, dat alles, wat gedrukt is, wel een leugen zal zijn.

Kosmisch gezien is alles beperkt waar, omdat elk woord, wanneer het maar juist wordt begrepen, een deel van de Goddelijke werkelijkheid uitdrukt. Maar de samenhang van woorden kan soms meer betekenen, dan de inhoud van de woorden zelf. Wanneer u ergens leest, wat iemand gezegd heeft, weergegeven met enkele citaten, aangevuld door de beschouwing van bv. een redacteur, dan leest u niet, wat de persoon in kwestie werkelijk gezegd heeft, maar alleen het beeld, dat de redacteur zich daarvan maakte. Wanneer door taalkundige correcties de eigen woorden dan nog verder worden verminkt, zal zelfs een gedrukte verklaring, die geen enkele verdraaiing van feiten inhoudt, ten hoogste in zeer beperkte zin als waar beschouwd kunnen worden. U maakt een fout, wanneer u in dit verband alleen aan de dagbladen denkt.

Denk op deze wijze eens aan de bijbel, aan de evangeliën. Daar vindt n.l. precies hetzelfde plaats. De evangelist beschrijft, wat – naar zijn besef – Jezus heeft gedaan en gezegd. Hij zei het niet precies met dezelfde woorden, waarmee Jezus heeft gesproken, maar zal toch omstandigheden buiten beschouwing hebben gelaten, die toch van groot belang waren voor alles, wat door Jezus werd gedaan en tot stand gebracht. Daarna heeft een vertaler deze woorden naar zijn beste weten geïnterpreteerd en omgezet. De vertaling vond plaats naar het beste inzicht van de vertaler, maar deze werd hierdoor bewust beïnvloed door zijn geloof.

Latere vertalers werden onbewust beïnvloed door vroegere vertalingen. Hieruit kan men opmaken, dat veel van de hogere betekenis, de werkelijke inhoud van Jezus woorden teloor gegaan zal zijn door de wijze, waarop deze later werden neergeschreven en vertaald. De woorden zullen dan nog grotendeels hetzelfde zijn als eens, toen zij gesproken werden, maar hun betekenis kan toch aanmerkelijk veranderd zijn.

Wanneer men dit beseft, zal men zijn beelden omtrent de waarheid niet bij voorkeur baseren op alles, wat in boeken e.d. is neergeschreven. Eigen ervaring is in deze gevallen de beste maatstaf. Daarnaast zullen wij zoveel mogelijk af moeten gaan op hetgeen wij van anderen persoonlijk vernemen. Vooral wanneer wij de spreker kennen, geeft ons dit de mogelijkheid tot een persoonlijke reactie op de feiten en woorden. Wanneer wij de gevolgtrekkingen, die wij uit deze woorden maken, dan consequent omzetten in daden, zullen wij door oorzaak en gevolg gecorrigeerd worden en zo de werkelijke verhoudingen binnen de kosmos en de werkelijke verhoudingen in de eeuwigheid kunnen leren kennen, zoals deze voor ons volgens bewustzijn nu reeds kenbaar zijn en bestaan. Wij zullen de kosmische werkelijkheid natuurlijk altijd op een persoonlijke wijze beleven en vanuit ons eigen standpunt beschouwen. Maar zij is eeuwig en waar. Dit alles is moeilijker, dan het lijkt. De mens – en ook de geest – heeft voortdurend behoefte aan kennis. Deze kennis omvat innerlijk weten, maar ook wel degelijk stoffelijk weten en wetenschap. Indien men zich aan theorieën houdt, die nimmer op de proef worden gesteld, ontstaat de mogelijkheid tot de meest waanzinnige vergissingen. Wanneer prof. C in 1782 een fout heeft gemaakt, die – omdat dit theorie was en dus niet op de proef werd gesteld – door een ieder zonder meer wordt overgenomen, komt men tot het aanvaarden van waarden, die, naar men aanneemt, waar zijn, terwijl zij in feite met de werkelijkheid geheel strijdig zijn.

Eerst wanneer men tracht van de gegevens een praktisch gebruik te maken, blijkt ergens een fout te schuilen en zal men – door alles na te gaan – uiteindelijk ontdekken, waar deze vandaan komt. Het is zelfs meermalen voorgekomen, dat drukfouten in een bepaalde studie, door anderen zonder meer in hun werken werden overgenomen. Het resultaat was, dat in leerboeken een foute stelling werd verkondigd en leerlingen, die zelfstandig dachten en een juist antwoord gaven, hun werk zagen afgekeurd en zelfs voor examens niet slaagden. Beschouw daarom alles, wat u van anderen leert, niet als een verworven bezit, maar slechts als een middel, waardoor men in staat zal zijn eigen ervaringen in de wereld te toetsen en te verklaren.

Slechts indien kennis, proefnemingen enz. stroken met uw persoonlijke ervaringen daarvan, zullen zij voor u persoonlijk betekenis hebben. In het laatste geval houden zij de mogelijkheid in om eigen leven en denken aan te passen aan de werkelijkheid en tot een wijze van werken en leven te komen, die consequent voort kan worden gezet. Het grootste gevaar ligt hier in de mens zelf, die om gevoels-redenen in feite strijdige waarden met elkaar in overeenstemming brengt en niet beseft, dat zijn verklaringen en daden strijdig zijn met elkaar. Wanneer wij stellen, dat wij geheel op de Goddelijke liefde vertrouwen, terwijl wij gelijktijdig voorzorgen nemen tegen een mogelijk falen daarvan, geloven wij niet volledig oprecht. Een zoeken naar zekerheid, terwijl men zegt op God te vertrouwen, is niet alleen een bewijs, dat de mens eigen onvolmaaktheid en onmacht beseft, maar toont tevens duidelijk aan, dat hij niet zo volmaakt in God gelooft, als hij wel zou willen doen voorkomen. Daardoor zal hij ongevallen tot stand brengen, die bij een perfect geloof zeker niet zouden voorkomen.

Wanneer wij een geloof hebben, ook al is dit persoonlijk en betekent het maar heel weinig, dat volgens ons eigen besef werkelijk waar is, zo zullen wij zonder enige aarzeling en voorbehoud die waarheid om moeten zetten in de praktijk en ons gehele leven daarop moeten baseren. Dit zonder aarzeling en bij voortduring, geen zorgen treffende voor de mogelijkheid, dat ons geloof toch eens niet het juiste zou zijn. Wanneer, wat ik geloof, geheel waar is, zullen alle feiten daarmee in overeenstemming zijn. Dan zal ik geheel naar dit geloof moeten leven.

Blijken de feiten niet met mijn geloof in overeenstemming te zijn, dan zal ik mijn geloof moeten wijzigen. Ook dit is een deel van het consequent zijn, waarover wij spreken.

Bovendien: Men zal op deze wijze een geloof vinden, dat volgens alle bekende feiten geheel waar is en ons daardoor nader tot onze God brengt. Ook de God in ons, de God, die zich door ons uit, de God, die wij met zoveel moeite en gemartel zoeken en soms kunnen vinden. In feite is hier sprake van een harmonie met de kosmische werkelijkheid, waaruit voor ons een innerlijk weten voortspruit, dat wel omschreven kan worden als een Goddelijk weten, een Goddelijke wijsheid, geuit in ons en door ons zelf geïnterpreteerd. Ook hier geldt weer: door consequent onze interpretatie op de proef te stellen, zal het ooit mogelijk zijn vast te stellen, of wij ons in onze interpretatie van de Goddelijke wijsheid misschien vergist hebben. Door aan de hand van onze ervaringen ons geloof te wijzigen tot het met alle bekende en waarneembare feiten strookt, zullen wij ooit de directe weg tot God kunnen vinden. Alleen zo zullen wij de volledige waarheid Gods in onszelf kunnen ontvangen en kunnen uitdragen. Daarom wil ik mijn betoog beëindigen met de woorden:

Mens, wat je ook doet, denkt, gelooft, ga steeds uit van het standpunt, dat de waarheid daarin bewijsbaar is en de waarheid daar uit zal blijken, wanneer men maar bereid is de consequenties uit eigen denken, geloven en handelen, maar ook eigen ervaren te trekken. Aan de hand van de gevolgen, die – gewekt door ons bestaan en handelen – ons treffen, zullen wij ons denken, geloven en handelen steeds weer kunnen wijzigen, tot de harmonie tussen ons en de kosmos een perfecte is en geen verdere veranderingen meer noodzakelijk zijn. Dit alles tezamen vormt een weg van bewustwording, die juist in uw tijd begaan kan worden, de aanwijzingen, die ik u heb gegeven, zijn in uw dagen kostbaar, omdat zij praktisch de enige mogelijkheid inhouden om op snelle wijze bewust te worden. Bovendien: Dit is de enige weg, die op het ogenblik door een ieder begaan kan worden, zonder dat hij door zijn zoeken bijdraagt tot de algemene verwarring in de wereld.

0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • Is het als mens mogelijk consequent te zijn?

Ik geef toe, dat hetgeen de mensen consequent handelen noemen, in zich vaak een inconsequentie inhoudt. Menige mens handelt consequent aan de hand van stellingen, die waar bleken te zijn in 1920. Op het ogenblik, dat men deze stellingen zonder wijzigingen toe wil passen in 1960, is men niet meer consequent, omdat geen rekening wordt gehouden met de ontwikkeling van 40 jaren, liggende tussen het ogenblik, dat de stelling waar was en het heden. Men is dan wel consequent in het aanhangen van zijn stellingen, maar zal deze consequentie in de praktijk niet kunnen volhouden, omdat de gewijzigde omstandigheden en wetenschap dit niet meer toelaten. Zou men afstand willen doen van zijn vooropgezette meningen en uit willen gaan van de nu kenbare werkelijkheid, plus de erkenningen, die deze met zich brengt, dan zou het hem wel degelijk mogelijk zijn om consequent te zijn. Er is nog een andere hinderpaal. Wanneer een mens werkelijk consequent moet zijn, dient hij te handelen volgens zijn beste inzichten en gedachten zonder zich daarbij af te vragen, wat mogelijkerwijze de gevolgen daarvan voor hem zelf of zelfs anderen zou kunnen zijn. De resultaten van het consequent zijn blijken vooral in het begin, wanneer immers nog geen volledige aanpassing aan de werkelijkheid van nu bestaat, nogal onaangenaam.

Daarom stelt men wel, dat consequent zijn voor de mens onmogelijk is. Mijn antwoord luidt dan ook: De mens kan wel degelijk geheel consequent zijn in denken en handelen, maar vertikt het eenvoudig. De mens gaat uit van zijn eigen stellingen en wil de feiten niet zien, zoals zij werkelijk zijn. Hij weet op gevoelsgronden tegenstrijdigheden voor zich aannemelijk te maken en komt dan tot eigenaardige leuzen als: Toenemende bewapening en meer atoombommen zijn noodzakelijk om de vrede op aarde te handhaven. In feite is deze leuze kolder.

Mijn conclusie: De mens kan wel degelijk consequent zijn, maar wenst dit eenvoudig niet te zijn. Iedereen wil zijn koek opeten, bewaren, belenen en bovendien nog eens aan de hoogste bieder verkopen, zonder haar te verliezen. Dit is onmogelijk. Het gevolg is, dat men zichzelf voor spiegelt, dat dit wel mogelijk zal zijn en zijn koek op eet op een ogenblik, dat het beter zou zijn haar te bewaren of te verkopen. Dit verwart men wel met “welvaart”. Want men moet wel consequent durven doordenken en alle mogelijkheden van eigen handelen overzien om in staat te zijn de juiste maatregelen te nemen, de juiste weg in te slaan en zonder zelfbedrog de werkelijkheid te aanvaarden. Wanneer de mensen uit blijven gaan van alles, wat zij dromen, van alles, wat zij waar zouden willen hebben, brengen zij zichzelf en hun naasten aan de rand van de ondergang.

  • Een ideaal aan te hangen van bv. 20 jaren geleden zou dus ook inconsequent zijn?

Volledig, tenzij het ideaal aan de huidige mogelijkheden en omstandigheden voortdurend werd aangepast. U leeft nu onder andere maatschappelijke verhoudingen in de maatschappij en nu bestaan er andere spanningen dan 20 jaar geleden. Er bestaat een ander politiek en sociaal evenwicht. Het verwerkelijken van een ideaal uit 1920 in het jaar 1960 kan volledig strijdig zijn met alle werkelijke waarden, mogelijkheden, of belangen van 1960.

Wanneer men weigert dit in te zien, is men bepaald inconsequent. Daarom zou ik willen stellen: Een ideaal, dat zich niet voortdurend verandert, aan de feiten aanpast en zich aan de hand van omstandigheden en mogelijkheden voortdurend corrigeert, is geen werkelijk ideaal, maar eerder een illusie.

Voorbeeld: De methoden, idealen en opzet van een arbeidersbond in 1890, vergeleken met de in 1930 bestaande mogelijkheden en condities, daarnaast vergeleken met de mogelijkheden en noodzaken van 1962. Wanneer u dit alles nagaat, zal u blijken, dat – al blijven de theorieën en zelfs de woorden, waarmee men zijn idealen verkondigt ongeveer gelijk, de praktijk geheel veranderd is. Wanneer – zoals op het ogenblik vaak het geval is – het verkondigde ideaal strijdig is met de noodzakelijk geworden praktijk, zal alles, wat men tot op heden bereikte, kwetsbaar worden. Er wordt een vals beeld geschapen, dat zo zeer van de werkelijkheid verschilt, dat de idealisten zelf vaak, hetgeen zij konden bereiken, zullen vernietigen. Zij doen dit door eisen te stellen, die onder de huidige omstandigheden niet meer vervuld kunnen worden, of methoden te gebruiken, die vroeger enthousiasme brachten, maar nu slechts weerzin kunnen wekken. Ook zullen dergelijke idealisten geneigd zijn aan de mensen eisen te stellen en van hen offers te vergen, die zij onder de nieuwe omstandigheden niet meer op kunnen brengen. Erger wordt het nog, wanneer een idealist zo zeer de verwerkelijking van zijn eenmaal gestelde ideaal nastreeft, dat hij alle nieuwe feiten, alle gemaakte vooruitgang, teniet wil doen, alleen om zijn oude ideaal toch nog in werkelijkheid om te zetten.

Ook een mens met een ideaal moet consequent zijn. Een ideaal is geen doel in zichzelf. Het is een streven naar iets, wat men voor zich zowel als anderen tracht te verwerkelijken. Dit dient altijd te geschieden met de middelen, die nu beschikbaar zijn en binnen omstandigheden, die nu regeren. Vele idealen zijn slechts illusies. Neem bv. het begrip democratie. Men heeft hiervan een ideaal gemaakt. Maar om heden een democratische staatsvorm op redelijke wijze op te kunnen bouwen, dient men het volk omtrent de handelingen van zijn regeerders te misleiden en een uitspraak van het volk onmogelijk te maken, zeker een ingrijpen van het volk met alle middelen te voorkomen. In de praktijk komt het er op neer, dat degenen, die aan het bewind zijn, bepalen, wie in feite zal regeren, terwijl het volk daarop slechts zeer weinig invloed kan uitoefenen. Ook niet door stemrecht. De huidige democratie is dan ook in feite een groepsdictatuur, welke door de menigte niet wordt beseft en dus als een gevolg van eigen keuze wordt beschouwd.

Wat denkt u van het volgende: Er zijn op het ogenblik bepaalde sterke partijen aan het roer.

Weet u, dat sedert 1959 reeds drie keer maatregelen werden getroffen om hun meerderheid in de kamer te verzekeren en het ontstaan van nieuwe partijen aanmerkelijk te bemoeilijken?

Dat is geen democratie meer, hoe logisch ook de beweegredenen zijn, die hiertoe voerden.

Hoe moeilijker het wordt voor een groep haar vertegenwoordigers in het parlement te brengen, hoe meer er sprake is van een dictatuur van de regerende partijen.

Nog een punt: wanneer er een verkiezing op komst is, belooft men u van alles. Iedereen weet, dat deze beloften – en zelfs de getoonde strijdvaardigheid – voor zeker 3/4 komedie zijn. Men

kan degenen, die de beloften deden, niet ter verantwoording roepen. De doorsnee kiezer gaat op de gedane belofte af. Dus u kiest in wezen mensen, die bewust iets beloven, wat zij weten niet te kunnen volbrengen, althans niet te kunnen volbrengen in de vorm, waarin zij het beloven. In feite kiest u oplichters. Bent u nu werkelijk zo dom? Of laat men u uiteindelijk geen andere mogelijkheid dan deze mensen te kiezen, of eenvoudig niet te kiezen en zo te laten bestaan, wat bestaat? Indien u met mij eens bent, dat dat laatste grotendeels gebeurt, dan zult u met mij moeten spreken van een beperkte groepsdictatuur. Daarom zeg ik nogmaals: Kijk naar de feiten. Pas je steeds aan bij de mogelijkheden van het heden en ken jezelf zo goed mogelijk. Wanneer je eenmaal ontdekt hebt, dat, volgens alle feiten en gedachten, een wijze van handelen goed is, dient u haar ook door te voeren. Doe wat u meent te moeten doen en doe het heden. Wees consequent en stel niets uit.

  • Wie niet bekwaam is tot handelen, zoekt een dictator.

Zeg liever: wie de verantwoordelijkheid voor eigen daden niet wil dragen, zoekt een dictator, die voor hem de verantwoordelijkheid dragen zal, terwijl hij – zij het direct, zij het door zich met de dictator te identificeren – toch alles bereiken kan, waarvoor hij zelf geen aansprakelijkheid durft aanvaarden. Dan doet men in de naam van een ander alles, wat men voor zich reeds wilde, maar niet durfde. Tot het te laat is en men gedwongen wordt om in naam van dezelfde dictator veel te doen, wat men werkelijk niet verlangt.

Voor ik ga, pleeg ik nog enkele definities.

Politiek: Is het spel van de illusies, waarachter een werkelijkheid schuil gaat, die men niet openbaar durft te maken en zelfs vaak weigert zelf te beseffen.

Geloof: Is in vele gevallen niet een erkennen van Goddelijke waarden en Goddelijke kracht, maar eerder een afwentelen van eigen aansprakelijkheid en eigen onvolmaaktheden op een kracht of hulpbron, die – naar men voor zich wenst aan te nemen – de fouten, die men maakt, altijd weer zal herstellen.

Bewustwording: Is in de ogen van menigeen een meer worden dan anderen. In feite is zij: Een meer jezelf worden, zodat je meer aan het feitelijke doel van je eigen wezen kunt beantwoorden.

Een lezing van de Orde: Een poging om in algemene en zo mogelijk enige beroering wekkende termen bepaalde kosmische waarheden zo te zeggen, dat zij – verguld door het omringende – door de menigte kunnen worden aanvaard en eerst later, wanneer men niet meer samen is en gezamenlijk kan protesteren, worden beseft. Dit alles in de hoop, dat men – door dit besef in zich – tot een aanpassing zal komen aan de Goddelijke werkelijkheid en een wijze van leven, die volgens ons inzicht de meest juiste is.

 0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Esoterie 

In dit tweede deel houden wij ons weer bezig met de esoterie. Maar al te vaak vergeet men daarbij, waar deze esoterie vandaan is gekomen.

Rond 40.000 jaren terug vinden wij het allereerste begin van de esoterie. In deze periode hebben wij te maken met de z.g. Witte Priesterschap. De vorm is nog wel niet precies in overeenstemming met uw huidige opvattingen omtrent het uiterlijk van priesters en hogere wezens, maar toch vindt deze priesterschap reeds de mogelijkheid met hogere sferen bewust contact op te nemen. Ook beschikt de Orde der Witte Priesterschap over een mate wetenschappelijk denken en kennis, die, in vergelijk tot de omringende mensheid, zeer groot is.

De eerste priesterschap ontdekt weldra, dat niet alleen een vaste procedure, een bepaald ritueel, bepalend is voor het contact, dat men bereikt, maar dat eigen wezen daarbij een zeer belangrijke rol speelt. Zij gaan dan ook bij hun inwijdingen uit van de stelling, dat iedere mens slechts voor één bepaalde taak geheel geschikt is en voor geen enkele andere taak dezelfde mogelijkheden zal hebben. Daarom dient de inwijding niet op meer algemene kennis en bereiking gericht te worden, doch zullen de neofieten in zich dienen te ontdekken, wie en wat zij zijn. Door de verkregen zelfkennis – en eventueel bepaalde tekenen uit de Godenwereld – zal men dan tijdens de inwijding het juiste contact krijgen met de geestelijke krachten.

De eerste esoterie is zuiver een zaak van eigenbelang. Tegenwoordig kennen wij dezelfde regels nog wel, maar zij zijn duidelijker en meer omvattend geformuleerd, o.m. in wetten van harmonie, harmonische schakels en banden. “Ken u zelf” is reeds in deze tijd de leuze. Later tracht men de mens meer vrij te maken van vele stoffelijke belemmeringen. Daarin slaagt men wel niet geheel. Toch vinden wij in de stellingen van deze ontwikkeling nu nog gekende waarheden terug, waarvan de voornaamste wel luidt: Er is een hogere werkelijkheid, die belangrijker is dan alle uiterlijk gebeuren. Vanuit de hogere werkelijkheid zullen wij alles kunnen overzien, wat er op aarde plaats zal vinden, alle krachten, die noodzakelijk zijn om iets op aarde tot stand te brengen. Hier komt dus de magie om de hoek kijken. Hieraan wordt later de stelling toegevoegd, dat men door zelfkennis en beleven van een hogere werkelijkheid innerlijke vrede zal kennen, waardoor men na de dood voort zal kunnen leven. Dan neemt men nog aan, dat gewone mensen, wanneer zij sterven, eenvoudig dood zijn. Zij worden uitgeblust. Wanneer men een voldoende innerlijke harmonie bezit, voldoende macht en inzicht, zal men tijdens het stoffelijke leven een eenheid met de hogere wereld of werkelijkheid bereiken en daarin later voort leven, wanneer men op aarde sterft. Het incentive bij de eerste esoterici is dus kennis, macht en voortbestaan na de dood.

De derde periode ligt rond 7.000 jaar geleden. De mens heeft dan reeds een magische ontwikkeling doorgemaakt, maar is esoterisch op ongeveer hetzelfde punt blijven staan als 20.000 jaren geleden. Oorspronkelijk meent men, dat eenheid met een hogere wereld noodzakelijk is, om voort te leven na de stoffelijke dood en macht en kennis te verwerven. Men ontdekt echter, dat men niet alleen harmonisch is met een hogere wereld, maar ook in harmonie kan zijn met zichtbare waarden in de natuur. In deze periode vinden wij de eerste stellingen omtrent het hemelschrift, terwijl de Godenwerelden steeds meer aan de natuurverschijnselen gebonden worden. Men beseft de tweeledigheid van de dingen – ook van de mens – en zal trachten deze ook op aarde uit te drukken. Tot dan wordt het ik als een onscheidbaar geheel beschouwd. Men kan geestelijk leven, maar blijft aan hetzelfde stoflichaam verbonden en kan alleen via dit lichaam zich in de stof manifesteren. Dit gaat men nog anders bezien: Alles heeft twee waarden. Zelfs in elke God schuilt het dier – de natuur en het hogere – de kracht. Zo schuilt in elke mens de levende ziel en een meer dierlijke kracht. Terwijl in magie en godsdienst de verschillen tussen deze waarden een hoofdrol gaan spelen, wordt de esoterie gebaseerd op de eenheid van deze waarden.

Niet voor niets zien wij dan ook juist in deze periode overal beelden en voorstellingen van Goden, waarin een mensenlichaam een dierenkop draagt, dan wel het lichaam van een dier met een mensenhoofd is gekroond. Deze symboliek, die nog ruim 5.000 jaren in gebruik blijft, gaat op den duur zelfs uit van het esoterische begrip van eenheid. De waarden van stof en geest zijn onderling te verwisselen. Wij kunnen de krachten uit de geest stoffelijk en direct kenbaar maken, terwijl wij omgekeerd alles, wat stoffelijk kenbaar is, om kunnen zetten in geestelijke waarden, zeggen de esoterici in die dagen. Juist in deze periode houden vele wijsgeren zich dan ook bezig met transmuteren, vertalen, omzetten van krachten enz.. Een ogenblik lijkt het, of de esoterie daarmee tot deel van de magie is geworden. Al snel blijkt, dat ook dit maar een fase is.

Ongeveer 5.000 jaar geleden ontstonden de grote inwijdingsscholen. Hier erkent men voor het eerst, dat de mensheid niet alleen een contact met hogere krachten kan bereiken, maar dat hij een directe relatie heeft met de oerkracht zelf, met God. Deze relatie is niet meer afhankelijk van de eenheid tussen stof en geest, harmonie of iets dergelijks, maar wordt gesteld als in alles voortdurend aanwezig zijnde.

Voor het volk betekent dit, dat men voor het eerst kan gaan geloven in een latere opstanding. Dood blijft nog dood, maar ergens – al weet men niet wanneer, aan het einde der tijden of zo – zullen alle mensen – ook zij, die dus tot dan toe gesluimerd hebben – weer opstaan. Deze gedachten vinden wij overigens in het heden nog terug bij de christelijke geloofsbelijdenis.

Verder neemt men aan, dat het ik, wanneer het op de juiste wijze met God in contact komt, niet alleen maar Goddelijke krachten zal verwerven, maar ook zijn eigen wezen en krachten geheel met het Goddelijke zal vereenzelvigen. Er ontstaat een wisselwerking tussen het Ik en het Goddelijke op het ogenblik, dat de mens geschapen wordt. Waar de mens zichzelf aan het Goddelijke prijs geeft, zal hij vervuld worden van een hogere kracht, terwijl gelijktijdig de periode van lager bestaan, van een meer in eigen wereld en besloten zijn, beëindigd wordt. Uit deze dagen stamt het beeld van de Poorten der Inwijding. De inwijding zelf wordt meer dan voordien in de tempelbouw gesymboliseerd. In sommige tempels van deze tijd treffen wij tussen ingang en het allerheiligste tenminste 7 verschillende ruimten aan. Het getal 7 wijst op de invloed van de astrologie, die de bewegende planeten als een tegenstelling tot de rest van de sterren als bijzondere krachten of verpersoonlijking van de Goden beschouwt. “Ik ga”, zo zegt de esotericus, “telkenmale door een poort, wanneer ik een deel van het geheel, dat ik “ik” genoemd heb, erken als een feitelijk deel van het grote. Ik geef steeds meer delen van mijzelf prijs, maar ik word gelijktijdig meer één met God. De gedachten, de daad, die uit mijn wezen voortvloeien, zijn de gedachten en daden van God. Hoe minder ik daarom de bewuste handelingen en impulsen van mijn wezen beperk, hoe bewuster ik zal zijn, hoe groter de eenheid met God zal zijn, waarin ik leef”.

Rond 3.000 jaren terug ontstaat een school, die tracht aan de hand van haar ervaringen de verhouding tussen God en mens uit te drukken. Men stelt: God is het Zijnde, het werkelijke Leven. De uiting van de levende kracht is een geuite gedachte, het Woord. Het Woord is voor ons God, maar wij zijn tevens deel van deze geuite gedachte. Omdat het woord niet deelbaar is, zal het in ons geheel aanwezig zijn. Wij dragen in onszelf God, zijn aan God gelijk, zodra wij de menselijke beperkingen achter ons gelaten hebben. Dit is terug te vinden in Genesis: “God schiep de mens naar Zijn beeld en gelijkenis”. Dit is een formulering, die ongetwijfeld stamt uit de begintijd van genoemde scholen. De relatie mens-kosmos wordt beseft, maar kan nog niet duidelijk omschreven worden. Men heeft al grote vorderingen gemaakt.

Eens meende men, dat men alleen in staat was de wil van de Goden te ondergaan. Nú beseft men reeds, dat de mens tenminste het beeld van God, de voorstelling van het scheppende Wezen, uiteindelijk ook in zich zal kunnen bevatten en dit bewust erkennen. Voor de mensen blijft het geheel erkennen van het Goddelijk wezen een theorie. Men komt zo ver niet. Daarom tracht men tussenstations te vinden, een wel te bereiken punt, van waar de Goddelijke werkelijkheid beter beseft kan worden. Men stelt in de plaats van de vroegere Goden nu, dat een aantal wezens als onmiddellijke uiting van de oergod, tussen deze God en de mens staan. Deze krachten kunnen tijdens het menselijke leven gerealiseerd worden. De vele Goden, die worden geëerd, worden voor de esotericus tot eigenschappen van de werkelijke Godheid, die zich in een eigen persoonlijkheid openbaren. Men komt zelfs tot een vaste hiërarchische verhouding tussen deze eigenschappen in Godengedaante. Hier ontstaat voor het eerst het beeld, dat later – in de vorm van de kringloop des levens en de levensboom – door ongetelde esoterische scholen gebruikt zal worden.

De stelling wordt nu: Ik moet trachten harmonisch te zijn met en uiteindelijk te worden met een bepaalde eigenschap van het Goddelijke. Is deze eenheid eenmaal bereikt en erken ik deze eigenschap in zijn ware betekenis, dan zal ik vandaar uit verder gaan. Oorspronkelijk stelt men, dat er 7 wegen zijn, langs welke men zijn bewustwording kan beginnen. Zeven eigenschappen van God, waarmee men één kan worden. Rond 2500 jaar geleden kwam men tot de conclusie, dat het toch eigenlijk anders moest worden gezien. Men had toen al langere tijd gewerkt met het magische getal 3. Het aantal wegen ter bewustwording werd gesteld op 3 x 3 x 3, aangevuld met de 3 waarden van de menselijke wereld en de 3 waarden van de oerwereld of Goddelijke wereld. 27 + 6. Hier ontstaat de grote esoterische verwarring. Een ieder gaat op eigen wijze zoeken en acht de weg van de anderen niet. Denkers beseffen niet, dat de fout is gelegen in het afwezig zijn van vaste verhoudingen. Er is een systeem noodzakelijk, waarbinnen de erkende Goddelijke eigenschappen op voor de mens aanvaardbare wijze kunnen worden ingedeeld. Het willekeurig streven naar het in zich erkennen van een bepaalde Goddelijke eigenschap zonder zich met de samenhangen tussen deze eigenschappen bezig te houden komt vooral aan de ontwikkeling van paranormale eigenschappen ten goede. Maar aan de andere kant wordt het moeilijk te beseffen, wat men bereikt heeft.

Langere tijd zoekt men naar een systeem, waarbinnen alle verschijnselen van de natuur en alle verschijnselen, die de esotericus in zichzelf erkent, kunnen worden uitgedrukt. Via de in deze tijd plaats vindende uitbreiding van de z.g. hermetische leringen komen wij bij de pythagoristen. Deze vinden de oplossing: In symbool en lijnen, in cijfer- en lettersymbolen kan men uitdrukking geven aan waarden, die men niet kan omschrijven en deze zelfs vergelijken met andere, meer gekende waarden. Men kan zelfs de verhoudingen berekenen en de werkingen van de natuur herleiden tot wetten van kosmische omvang. Het woord, de muziek en de rekenkunde spelen hierbij een grote rol: door middel van deze kan het Al voor de esotericus omschreven worden. In formules drukt hij zijn verhouding tot God uit, in het woord beleeft hij de inspiratie van het Goddelijke, terwijl hij door middel van de muziek de opbouw vast kan leggen van alles, wat met woorden niet gezegd kan worden.

Veel wat voor die tijd alleen instinctief door esoterici werd aangevoeld en gedaan, wordt nu bewust gekend. Het is duidelijk, dat deze fase een zeer grote invloed zal hebben op alle denkers van deze periode, zowel in de richting van Griekenland als Perzië. Indirect beïnvloed deze school van esoterisch denken de gehele westerse beschaving en zelfs – zij het minder sterk – de Boeddhisten en zelfs China. De esotericus komt er toe zijn innerlijk wezen en denken uit te drukken en het Goddelijke niet slechts in gedachten, maar ook in de natuur te beleven. Hij bereikt dit door al het zijnde te beschouwen als een deel van de Goddelijke kracht en te veronderstellen, dat alles, wat buiten hem bestaat, ook binnen hem mogelijk is. Alles in de wereld, is deel van het Ik. De eenheid tussen de delen van het Ik en alles, wat er in de natuur bestaat, geeft bv. aanleiding tot het geven van zeer eigenaardige recepten om ziekten te genezen. Recepten, die – vreemd genoeg – werkzaam zijn.

Daarnaast horen wij van de Bronnen van het Eeuwige Leven, van de Steen der Wijzen, het Levenswater enz.. Men beschouwt dit alles als magisch, want de doorsnee mens beseft niet, wat daarmee feitelijk wordt bedoeld.

De Steen der Wijzen is een begrip, dat wij in Thessalië – Griekenland – 200 n. Chr. aantreffen. Men meent, dat dit een werkelijke steen is, maar in feite is dit een esoterisch begrip, dat de harmonische samenvatting van geestelijke krachten en alle harmonische waarden in de stof weergeeft. De Steen der Wijzen is de uitdrukking voor kosmische harmonie, bereikt binnen een menselijk voertuig. Geen wonder, dat aan deze steen zeer bijzondere eigenschappen worden toegeschreven. Later zullen velen, waaronder de alchemisten, die niet begrijpen, en daardoor naar de Steen der Wijzen zoeken in de smeltbeker, in plaats in eigen wezen te zoeken.

Dergelijke misvattingen zijn aansprakelijk voor het ontstaan van de chemische industrieën van heden. De esotericus heeft eindelijk een systeem. Hij is niet meer een mens, die in den blinde zoekt naar wat harmonie, maar de onderzoeker van een innerlijke wereld, waarin hij de weg kan vinden. Op het ogenblik, dat de mens een redelijke harmonie bereikt heeft met het Al, zal hij niet slechts offeren, zich aan het Goddelijke prijsgeven, maar zal gelijktijdig vanuit eigen weten en eigen persoonlijkheid dit Goddelijke op zijn eigen wereld volgens eigen bereiken en besef kunnen openbaren. De Christusgedachte – die overigens reeds 300 v.Chr. op sommige plaatsen bestaat, maar eerst door het christendom een grotere en meer algemene verbreiding geniet – wordt in de esoterie een van de belangrijkste factoren. Zij houdt de overwinning in van de elementen, van de onbeheerste natuur. De Christusgedachte voert tot een overwinning van al het lagere, niet om dit hierop te onderdrukken, maar om er één mee te kunnen worden op bewuste en harmonische wijze.

Dergelijke gedachtegangen vinden wij terug in de Mithrasdienst, Dionysius leer en in de mysteriën van Poseidon. Het offer zonder meer maakt plaats voor zelfkennis en zelfoverwinning, waardoor harmonie bereikt kan worden. In de mysteriën van Mythras zal degene, die inwijding zoekt, de elementen moeten overwinnen om uiteindelijk – zoals de God zelf – de zon te overwinnen en zo tot zon te worden, die de wereld leven geeft en het leven beheerst en leidt. Dit alles voert tot de moderne esoterici.

Overal komen wij de noodzaak tot het verwerven van zelfkennis tegen. Naast de gedachten aan innerlijk bereikte harmonie met de kosmos komt ook de behoefte aan samenwerking in de stof op harmonische wijze naar voren. Ieder leert het op zijn wijze, maar de eindconclusie is gelijk, wij worden, zij het door eigen streven, zij het door de wetten van het Al, op den duur naar een bepaalde plaats in de kosmos gedreven. Daarnaast stellen allen: Wij hebben naast het op aarde gekende ik nog een werkelijk ego, dat alles moet omvatten. Niet alleen de wereld van de geest, maar ook alle werelden, die daarboven liggen, die wij niet kennen. Onderwereld, menselijke wereld, geesteswereld, hoogste werelden en zijnsvorm, zijn allen binnen dit ego vertegenwoordigd.

De belangrijkste ontwikkeling is de volgende: Men beschouwde de kringloop des levens, het levenspad, langere tijd als de werkelijke levensweg. Nu komt men tot de conclusie, dat wij met de weg des levens gaan, maar dat wij de weg zijn, die door de kracht die zich er langs beweegt, zich van zichzelf bewust kan worden. God leeft a.h.w. door ons! Wij zijn slechts een samenstel van lijnen binnen Zijn Schepping, die Hij zelf beseft, waarin Hij Zichzelf erkent. Met deze ontdekking is de vorige periode afgesloten.

De mens streefde oorspronkelijk om macht te verwerven, eeuwig te kunnen leven, later om de harmonieën, die tussen ik en andere krachten in het Al bestaan, te leren zien. Nu beseft de mens, dat hij de weg is, maar niet het leven zelf, dat hij deel is van de Goddelijke kracht.

Alles, wat u op esoterisch gebied geleerd wordt, zal uiteindelijk voeren tot een steeds juister begrip van de Goddelijke krachten, die in uw wezen leven. De band met het Al zal beseft worden. God is de kracht, die – mij levende – mij brengt tot de eenheid met alle dingen.

Mijn vrijheid is het al dan niet opnemen van het begrip, dat de Goddelijke kracht tijdens zijn tocht mij geeft, waardoor ik mij van mijzelf en mijn God bewust kan worden.

image_pdf