Contact na de dood / De schepping

image_pdf

22 juli 1966

Bij het begin van deze bijeenkomst moet ik u er, als gebruikelijk, op wijzen dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Het onderwerp:  Contact na de dood.

Het contact is na de dood niet meer gebaseerd op de op aarde eens bestaand hebbende relaties. Wanneer je op aarde leeft, zijn er vele sociale bindingen als bijvoorbeeld het behoren tot een zelfde gezin, het gehuwd zijn, enzovoort. Dank zij deze relaties beschouwen de mensen zich dan als bijeen behorende. In de geest is deze binding opgeheven. In de plaats daarvan regeren de wetten van een wereld waarin de gedachte suprême is. Dit betekent dat de contacten tot stand komen door de afstemming van eigen wezen en denken. Eigen bewustzijn en eigen gevoelswereld spelen hierbij natuurlijk een grote rol.

Men heeft op aarde nogal vreemde denkbeelden omtrent het contact na de dood. Zo denkt men bijvoorbeeld dat een geest in een hoge sfeer zo ongeveer zit te wachten tot hij een telefoontje krijgt dat er een kennis overgaat, waarna hij zijn koffer pakt, zijn zondagse aureool opzet en langs vele trappen afdaalt om de arme onbewuste ziel voorlopig in een soort transit-hotel te installeren. Hiervan is natuurlijk niets waar. Bij al die zogenaamde sferen is er sprake van een verschil in bewustzijn, niet noodzakelijk van wereld. Indien men de mensen op aarde in zou willen delen op dezelfde wijze waarop de mensen zich de indeling in sferen plegen voor te stellen, zou dit op het volgende neerkomen: Pastoors en dominees leven in een andere wereld dan een professor in de exacte wetenschappen, die op zijn beurt weer in een andere wereld leeft dan een gewone bakker. De wereld van de bakker heeft dan weer niets gemeen met de wereld van de putjesschepper. Men ziet dus de ‘standen’ van de geest als levende in geheel verschillende werelden. Ergens is daarvan wel iets waar, maar het grootste deel is onwaar. Het is begrijpelijk dat twee theologen met elkander dingen kunnen bespreken en begrijpen, waar een buitenstaander niets van begrijpt, ja, de argumenten niet eens kan volgen. Het is al even begrijpelijk, dat een prof in de exacte wetenschap een betoog kan gaan opzetten, waaraan niemand dan de specialisten van zijn eigen vak iets kunnen hebben. Zoals ook begrijpelijk zal zijn dat ook de putjesschepper er een eigen terminologie op na houdt en geheel eigen belangstellingen bezit, zodat zijn inzichten en motiveringen op een geheel ander niveau liggen dan die van de anderen.

Toch leven die mensen in de zelfde wereld en kunnen zij voortdurend met elkander in verbinding staan, net zoals dit in de sferen het geval is. Men is dus wel in contact met elkander, men leeft in dezelfde wereld en hoeft geen bijzondere grenzen te overschrijden in stoffelijke zin, maar zal wel in het contact beperkt worden door de grondwaarden van de uitgestraalde gedachten. Het is duidelijk dat een hoog bewuste geest gedachtebeelden kan uit stralen, die voor een gewone geest niet meer te volgen of zelfs maar op te vangen zijn. Wil iemand die tot een hogere sfeer behoort, zich in verbinding stellen met iemand van een ‘lagere’ wereld, dan is dit zonder meer mogelijk, doch degene die ‘hoog’ staat zal zijn uitgestraalde gedachten en beelden en gedachte-inhoud moeten beperken tot de gangbare associaties en voorstellingen van degene met wie hij contact maakt.

Er is dus geen noodzaak of behoefte om ‘grenzen te overwinnen!’, maar men zal wel alles moeten doen om elkander te kunnen verstaan. Nu zal een wederkerig begrip het eenvoudigste tot stand komen wanneer men wederkerig deel in elkander heeft. Vergelijk? Twee walkietalkies, afgestemd op dezelfde golflengte en ingeschakeld. Wanneer de één iets uitzendt, zal de ander ontvangen, reageren. Wanneer er twee zielen zijn, die, door liefde, haat, gevoelens van verplichting en dergelijke, met elkaar verbonden zijn, zal elke actie van de één een reactie in de ander tot stand brengen. Er is dus zonder meer sprake van een verbinding. Dat bij dit alles natuurlijk alleen de feiten gelden en niet de illusies, kan voor menigeen jammerlijk zijn, maar het is in ieder geval wel te begrijpen.

Er zijn bijvoorbeeld mensen die elkander huwen, maar in het huwelijk in feite alleen zichzelf zoeken. Zij vinden dan de partner meestal niet volwaardig, minder te appreciëren, zolang hij of zij leeft. Zij zouden waarschijnlijk zeer vele dingen anders willen in zijn, hebben en doen, maar zijn daarvoor bijvoorbeeld te fatsoenlijk opgevoed. Nu gaat de partner dood en wordt tot een herinnering. Eigen keuze moet nu gerechtvaardigd worden, zodat men al het onaangename uit de herinneringen wegvaagt. Men bouwt zich een beeld van een ideale mens, die zo goed was, altijd maar weer voor je klaar stond enzovoort. Zoals men zich deze mens dan ‘herinnert’, heeft hij of zij nooit bestaan. Soms begint men zelfs voor een dergelijke dode een soort ere dienst te drijven en heeft men zelfs wel de illusie hierdoor met die ander in contact te komen. Maar is dit daarom nog niet.

Om een contact te krijgen met een geest moet er ergens een harmonie zijn, in casu een persoonlijk contact, een voorstelling die gebaseerd is op de werkelijke mens, een afgestemd zijn op de werkelijke innerlijke waarde van die mens. Zonder dit, geen contact. Zonder deze afstemming ontmoet men elkander ook niet in de geest. Wanneer een moeder van haar kind alleen maar een soort verlengstuk maakt van zichzelf, waarbij het belangrijk is, dat dit verlengstuk alles zal beleven, doen en bereiken wat moeder in haar leven gemist meent te hebben, zo moet men niet denken dat dit tot een geestelijk contact tussen deze twee zal voeren na de overgang. Dit is een zelfprojectie, een zelfverheerlijking, die alleen een schijncontact geeft met eigen innerlijk. Het is echter ook mogelijk dat de moeder het kind ziet en aanvaardt, zoals het is en er toch van houdt, met alle feilen, fouten en mogelijkheden en eigenzinnigheden, met het zoeken naar eigen wegen in het leven, waarmee moeders het zelden eens zijn ook. Neem verder dat het kind zich aan de moeder gebonden voelt, niet door het feit, dat zij zorgt, maar eenvoudig omdat zij bestaat. Is het zo, dan kunnen er eeuwen of desnoods miljoenen jaren voorbijgaan, waarbij beiden in vele vormen leven en in vele verschillende sferen bestaan, maar deze twee zijn ergens deel van elkander geworden en zullen elkander dan ook steeds terug vinden. Het niveau, waarop deze beiden geestelijk staan, is niet van belang. Er is een innerlijke eenheid en deze kan door alle verschillen in bewustwording en bereiking niet verbroken worden.

Een dergelijke band zal, wanneer zij er eenmaal is, blijvend bestaan.

Haat kan ook een dergelijke band vormen. Wanneer je iemand zozeer haat en veracht en je je zozeer met zo iemand bezighoudt, dat je altijd weer aan hem of haar denkt, is er ook een contact en dringt men eveneens in het wezen van die mens door. De haat plus de gehate worden een deel van het eigen ik. Er zijn zelfs mensen, die niet verder kunnen leven wanneer men hen hun haat zou ontnemen. Dit is een geestelijke band. Wij kunnen zeggen dat het niet mooi is, dat het afkeurenswaardig is. Maar de band blijft bestaan, zodat dergelijke vijanden met elkaar in contact blijven, ook al leeft de één in de duisterste en de andere in de hoogste sfeer. Het eigenaardige is dat zij elkander hierdoor zoveel waarden overdragen, zoveel van elkander gaan begrijpen, dat zij op een bepaald ogenblik op elkander gaan gelijken. Laat mij een voorbeeld geven om te verduidelijken, hoe ik dit bedoel.

Er zijn mensen, die de nazi’s zozeer haten, dat zij in hun optreden tegen nazi’s dezelfde emoties kennen die eens de nazi’s bezielden tot hun daden, terwijl zij dezelfde rationalisaties en methoden gebruiken, die de nazi’s eens gebruikt hebben. Hiervan kan men nog heden steeds weer voorbeelden vinden. Deze anti-nazi’s en nazi’s vinden dus een (nog onbewuste) geestelijke verwantschap, waarbij methodiek en zelfs idealen (uitgezonderd in benaming en formulering misschien) dezelfde worden. Er zal dan een ogenblik komen, dat men voor zich toe moet geven, dat weliswaar het nationaal-socialisme fout was, maar dat de denkbeelden van bijvoorbeeld Hitler cum suis bruikbaar waren en zo gek nog niet klonken. De afkeuring moet hier eigen optreden vergoelijken, de erkenning van dat ‘er ook veel goeds in zat’ is een rationalisatie van eigen optreden. Indien u dit kunt begrijpen, zult u ook kunnen aanvaarden dat juist haat op een gegeven ogenblik kan resulteren in een zodanig onderling begrip, in een zodanige harmonie, dat van een werkelijke gelijkheid en op den duur zelfs van een wederkerige erkenning zonder haat sprake kan zijn.

Waarmede ik eigenlijk alles heb gezegd wat binnen het kader van dit korte, door u gestelde, onderwerpje van belang is. Want het contact in het hiernamaals, zowel met de dierbaren uit het laatste leven, als eventueel met dierbaren uit vroegere incarnaties, is alleen maar afhankelijk van de harmonie, die men met hen bezit. Nu is harmonie op deze wijze natuurlijk met zeer vele wezens in de kosmos mogelijk, ook wanneer wij hen niet kennen en misschien nooit zullen kennen. Maar zodra in ons een voorstelling of herinnering leeft, die ook in de ander bestaat, is er een middel tot bewuste afstemming. Er is nu een beeld, waarbinnen ongeacht alle verschillen van tijd en geestelijke ontwikkeling een wederkerige benadering, een contact en een begrijpen mogelijk is.

Om nog eens enkele punten uit te spreken: Wanneer u overgaat, zult u heus niet worden afgehaald door al degenen, van wie u het verwacht. U zult alleen worden ‘afgehaald’ door degenen, voor wie u in werkelijkheid betekenis hebt gehad, onverschillig of hierbij sprake was van een betekenis ten goede dan wel ten kwade. Hun innerlijke reactie op hetgeen er in u gebeurt, zal hen in uw nabijheid brengen. Dit is een soort natuurwet. U hoeft ook niet bang te zijn dat één van uw dierbaren met wie u een werkelijk contact had, zal zeggen: “Ik weet wel, wat er gaande is, maar ik heb eenvoudigweg geen tijd.” Want tijd bestaat voor de geest niet als werkelijke waarde. Men is. Zij zullen er zijn, omdat in en buiten de tijd de band deel uitmaakt van hun wezen en zij het contact en al wat daarbij komt, eenvoudig niet kunnen vermijden, zomin als zij kunnen vermijden zich van hun eigen bestaan bewust te zijn.

Berust het ‘contact met de overgegane’ op een illusie, een waanvoorstelling, dan bestaat de mogelijkheid dat men voor zich een astraal beeld creëert. Het beeld is echter niet bezield, leeft niet werkelijk, kan geen werkelijke antwoorden of krachten geven, geen inwijdingen verstrekken.

Het kan alleen de echo zijn, waarin de mens weerklinkt, die in jezelf bestaat. Degene, die zich dus voortdurend met overgeganen bezighoudt, zich daarover steeds fraaiere beelden schept en verwacht door hen te worden afgehaald, loopt het zeker niet denkbeeldige gevaar na de overgang voor eigen bewustzijn in een soort geestelijk panopticum terecht te komen. Hierdoor kan men langere tijd van de geestelijke werkelijkheid worden afgesloten.

De voorstelling dat wij bepaalde banden op aarde hebben gekend die dus worden voortgezet in het hiernamaals, is wel zeer simplistisch, maar daarom nog niet juist. Wat wij in feite voor anderen op aarde betekenen is bepalend voor de banden en contacten die kunnen blijven voortbestaan. Hierbij zijn veelvuldige en betrekkelijk intieme contacten in de stof van weinig betekenis. Ik geef een voorbeeld. In Amsterdam leefde iemand die steeds met een wagen vol negotie door de straten liep. Bij een bepaalde gracht, waar een zeer hoge brug is, ontmoette hij vaak een jonge man die niets zei, maar hem eenvoudig met enkele stoten over de ‘bult’ heen hielp. Deze twee mensen wisselenden nooit een woord. Toch kenden zij ergens elkander. De man met de wagen overleed het eerst. Toen de jonge man overging, heeft hij waarschijnlijk niet bewust aan dit mannetje dat hij in het verleden wel eens had geholpen, gedacht. Toen de dood echter zeer nabij was, dacht hij opeens, zonder te weten waarom, weer aan de brug en het kleine mannetje met zijn wagen. Deze laatste bevond zich onder degenen, die de overgegane ‘afhaalden’. Er was door de hulp tussen hen een band gegroeid, waardoor na de dood contact en hulp mogelijk was. Mensen, die de jongeman vereerd had en die hij meende heel wat beter te kennen, als bijvoorbeeld zijn vroegere baas, waren echter niet aanwezig. Want daar had hij de werkelijkheid niet aanvaard. Hij had in die baas niet de kleine tiran gezien, die om onbenulligheden ruzie maakte met zijn vrouw en steeds weer onzeker was. Hij had in hem alleen een zelfverzekerde man van zaken gezien, die in feite niet bestond. Contact met deze laatste was, door een geheel van de werkelijkheid afwijkende voorstelling, niet mogelijk. Had de jonge man op deze baas ooit na de dood een beroep willen doen, dan zou er geen sprake zijn geweest van een werkelijk contact, maar zou hij ten hoogste geconfronteerd zijn geworden door een herinneringsbeeld, een uit eigen denken ontstane schijngestalte. Daar de jongeman echter dergelijke illusies niet koesterde, kwam hij na de dood in contact met degenen, waarmede hij een werkelijke harmonie, een grote of kleine gemeenschappelijke waarde bezat, zodat zijn overgang juist hierdoor veel beter verliep dan men zou menen te mogen verwachten.

Dergelijke zogenaamde kleine harmonieën kunnen op aarde door de kleinste, de onwaarschijnlijkste dingen ontstaan. Men ziet elkaar alleen. Er wordt misschien een blik gewisseld, men herinnert zich dit zonder te beseffen hoe of waarom. Dan is het reeds mogelijk dat hierin een wederkerige erkenning is gelegen, die een contact in de geest mogelijk maakt. Na de overgang kan zelfs een dergelijk klein harmonisch aspect reeds betekenis hebben, daar men elkander dan, zeker wanneer men een ongeveer gelijk geestelijk peil in het leven bereikte, zal ontmoeten. Aan de andere kant is het dus mogelijk jaren lang met mensen samen te leven zonder hen ooit werkelijk te zien, werkelijk contact met hen te kennen. Men beschouwt hen dan als projectie van eigen wil of wensen, een vervulling van eigen eisen aan het leven, een ideaal en dergelijke. Na de overgang blijkt dan van een contact met deze mensen geen sprake te kunnen zijn. Alleen wat je aan werkelijke banden met mensen tot stand brengt in het leven, zal na de overgang kunnen worden gerealiseerd.

Met dit alles meen ik, dat ik een aantal vaak rijzende vragen mede beantwoord heb, als bijvoorbeeld de vraag: Hoe vinden wij elkaar dan? Men zou even goed kunnen vragen, hoe twee helften van één en dezelfde boon elkander vinden. Zij zijn in wezen samen, omdat zij in een en hetzelfde velletje steken. Waar harmonie bestaat, kan men zeggen dat men op soortgelijke wijze steeds met elkander verbonden is. Geestelijk gezien kan er van een werkelijke scheiding geen sprake zijn.

Aanvaardt men dit, dan zal tevens duidelijk zijn dat de zogenaamde scheiding door de dood, zover het de werkelijke persoonlijkheden betreft, er slechts één is van bewustzijn, niet van feitelijke verwijdering. Je ziet als mens iemand die overgegaan is, niet meer als een levende invloed. Je denkt dus, dat hij niet meer werkelijk bestaat. Omdat je dit denkt, is dit voor u ook juist en zal zolang deze voorstelling domineert, het stoffelijk bewust ervaren contact met de ander verbroken zijn. Tijdens en na de dood is er echter geen sprake meer van een zogenaamde werkelijkheid die tegenover de innerlijke werkelijkheid gesteld kan worden, zodat dan alle bestaande contacten ook weer gerealiseerd kunnen worden. Het antwoord op de vraag hoe men elkander dan wel weervinden en ontmoeten kan, is dus nogal eenvoudig: Er is geen sprake van een werkelijke scheiding.

De vraag, hoe het dan gaat wanneer men tot geheel verschillende sferen behoort, kan nu ook beantwoord worden. Er zijn natuurlijk vele sentimentele verhalen in omloop, als bijvoorbeeld het verhaal van de jonge man, die slecht had geleefd (of de dochter die het verkeerde pad op ging) en uiteindelijk stierf. Moeder kwam toen terug uit haar hoge sfeer en bleef bij haar kind, vertroetelde en verzorgde de arme geschonden ziel, waarop alles weer in orde kwam. Dergelijke verhalen zijn sprookjes die alleen qua inhoud van bijvoorbeeld Sneeuwwitje verschillen.

Symbolisch kan er waarheid in schuilen, maar dan moet je de achtergronden en zeker niet de woordelijk aangeduide ontwikkelingen als werkelijk beschouwen. Wanneer u in het duister komt, maar innerlijk contact hebt met iemand die in het Licht leeft, zal er ook, zij het beperkt, Licht in u zijn. Er is dan een sprake van een verschil in sfeer of een afdalen: Wanneer in het verhaal de band tussen moeder en kind wederkerig is zullen zij elkanders waarden delen, zodat het kind, zelfs wanneer het thuis zou behoren in de chaos, nog deel zou hebben aan het innerlijke Licht van de moeder, zover deze aanvaard wordt. Dank zij dit (gedeelde) Licht, zal het ‘kind’ zich dan, zelf in de chaos, positief kunnen oriënteren. Het is één met de moeder en zal misschien niet alles begrijpen wat in de moeder bestaat (het begrip gaat immers slechts zover als de wederkerige aanvaarding geldt) maar er is een contact, waardoor op een bepaald punt de wereld van de moeder ook voor het kind openstaat. Om het eenvoudig te zeggen: zelfs in de eigen duisternis kan het kind dankzij het contact met de moeder een stukje hemel beleven.

Er bestaan vele legenden waarin het contact met de andere wereld, meestal als gevolg van bepaalde geloofsstellingen, verkeerd wordt voorgesteld. Het contact in en met de wereld die men op de aarde ‘de wereld der doden’ noemt, maar die ik eerder de wereld der levenden wil noemen, is niet gebaseerd op bepaalde voorstellingen, maar op harmonieën, op het vermogen iets van jezelf en je wereld met anderen te delen.

Ten laatste nog de vraag wat wij in dit verband moeten denken van heiligen. Nu is ‘heilig’ maar een term, die men echter niet alleen in de rooms katholieke zin van het woord kan bezien. Men mag hierbij ook denken aan geestelijke leiders, grootmeesters enzovoort. Wij kunnen natuurlijk over de waarde van dergelijke termen en de daaraan verbonden denkbeelden denken wat wij willen. Maar wanneer wij met het goede dat ergens in een mens of geest leeft, geheel verwant, verbonden zijn, is deze voor ons een heilige. Het is het goede deel van zijn werkelijkheid, dat ook voor ons voort bestaat, een vorm van bewustzijn, die voor elk contact in elke sfeer, in elke wereld, blijvend zal bestaan.

Ons contact hoeft dus niet de gehele persoonlijkheid en al diens waarden te omvatten. Degenen, die voor ons een heilige is, kan dus toch wel (om het eens gewoon te zeggen) op de rand van de eeuwige braadpan zitten. Met het eventueel kwade hebben zij echter niets te maken, wij zijn met het goede in die persoon verbonden, dit goede is voor ons werkzaam, de harmonie met het goede, het Lichtende is in dit geval het enige wat voor ons betekenis kan hebben. Wij kunnen in contact staan met iemand die wij meester noemen, terwijl hij in feite te dom is om voor de duvel te dansen. Dan zal in die mens, naast alle dwaasheid, één enkel belangrijk begrip schuilen, één enkele wijsheid. Indien wij met deze wijsheid harmonisch zijn, zullen wij daaruit kunnen putten en zullen wij deze, ook volgens de normen van een andere wereld dan de onze, kunnen beleven.

Ook na de overgang zullen wij niet in contact komen met de dwaasheden van die meester, maar in contact komen met het facet wijsheid, waarmede wij harmonisch waren.

Zo breidt onze wereld zich uit. Wat wij van binnen zijn, wat wij van onszelf en onze wereld maken, bepaalt met wie wij contact zullen hebben. Er is dan ook geen enkele slagzin of geloofswaarde waardoor dit veranderd kan worden. Ook niet wanneer men zegt te geloven in een leven na de dood, waarin wij in contact zullen komen met de dierbaren, die ons voorgegaan zijn. Want ook deze slagzin heeft alleen zin en betekenis wanneer wij onder ‘dierbaar’ verstaan: Degenen, met wie wij geestelijk in contact stonden.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

De schepping

De schepping is de illusie van de mens omtrent de eeuwigheid van de goddelijke schepping, terwijl de goddelijke schepping slechts een realisatie is van de goddelijke gedachte, gekend in een ogenblik en geheel volledig, omvattende alles, wat wij ruimte en tijd noemen, alle geslachten en mogelijkheden, ook die welke door de mens niet gerealiseerd worden of voor hem niet realiseerbaar zijn.

Het klinkt misschien gek. Maar indien wij contact hebben met God, werkelijk contact, dan staan wij, zolang dit duurt, boven de tijd. Wij kunnen echter niet boven de tijd staan, zonder ook boven de beperkingen van de ruimte te staan.

Tijd en ruimte zijn aan elkaar verwant. Wij moeten staan boven de flux, die bepalend is voor stoffelijke erkenningen en mogelijkheden en die zelfs geestelijke werelden deels zal bepalen. Wij moeten één zijn met God.

In God is alles als het ware gelijktijdig. Door de gelijktijdigheid in God kunnen wij, in éénheid met Zijn wezen, alle delen van tijd en ruimte beleven naar eigen believen, wij kunnen de delen daarvan bezien in elke door ons gewenste volgorde.

Het is dus bij wijze van spreken mogelijk om eerst naar een filmopname van Buster Keaton te gaan kijken, om daarna op bezoek te gaan bij Marcus Antonius en ten laatste nog even zelf na te gaan of Helena van Troye nu werkelijk zo mooi was. Daarbij is elk contact een beleven van de werkelijkheid, waaraan men echter niet persoonlijk deel heeft, doch dat men slechts observeert vanuit een soort ontruktheid.

De schepping zoals de mens deze beziet, bestaat uit een opeenvolging van ogenblikken, momenten. Stel nu echter, dat alle momenten reeds aanwezig zijn terwijl de tijd niet langs de mens trekt, maar de mens zich door de tijd beweegt en daarbij de reeds bestaande momenten voor zich als werkelijkheid beleeft. Zou dit praktisch niet hetzelfde effect vertonen als de stormende tijd, wanneer wij vanuit de menselijke waarneming en erkenningsmogelijkheid uitgaan?

De mens kan uitgaan van het eerste erkennen en eindigen bij het laatste erkennen en zo stellen, dat er een begin en eindfase is. Maar dit is een stelling die berust op het ik, niet op de feitelijke omstandigheden. Indien wij overigens uitgaan van de natuurkundige en religieuze stellingen die nu op aarde bestaan, zullen de verschillende begin- en eindfasen toch zeer dicht bij elkander liggen. Algemeen gezegd komt het hierop neer: De beginfase is een totale potentie, een rust, die door een werking of gedachte verstoord wordt. De eindfase, waarin men gelooft, is een in zich terugkeren van de gedachte, waardoor de actualiteit weer tot potentie wordt en de rust herontstaat. Deze punten van begin en einde zijn dus in betekenis en waarde in feite gelijk. Alles kan uiteindelijk herleid worden tot een fase in een kringloop.

Nu zeggen de mensen: De schepping moet zin hebben. Zeker. Maar vanuit welk standpunt? Het menselijke of het goddelijke? Als mens ben je al snel geneigd om alles wat zin heeft in het leven te ontlenen aan de wet van oorzaak en gevolg. Men probeert dan een soort ‘loon voor het goede en straf voor het kwade’ filosofie op te bouwen.

Indien je wandelt in een park, zal de keuze van de paden bepalen wat voor planten je passeert, bloeiende, uitgebloeide of misschien zelfs verlepte. Toch kun je niet zeggen, dat de bloeiende of verlepte planten ontstaan door de keuze van pad. Zij zijn er altijd. Iedereen heeft de mogelijkheid een keuze te doen, maar zal dan voor zich alleen het reeds bestaande zien, werkelijk maken.

Ik stel: Wij bewegen ons door de tijd. Dus niet: Wij worden door de tijd bewogen. Wij ondergaan de schepping. Maar de mogelijkheden van het leven worden door de eeuwigheid bepaald, waarin alle keuzes die denkbaar zijn, als feit bestaan. Wij realiseren dit aan de hand van onze eigen inzichten en mogelijkheden. Willen wij deze beperking van de mogelijkheden uit het goddelijke nagaan, dan ontdekken wij, dat de eerste beperking is gelegen in de zogenaamde wereld van oervormen.

De oervorm, voor de mensen ook wel de ‘Rode Adam’ genoemd, bepaalt het deel van de goddelijke werkelijkheid, dat voor een mens realiseerbaar is. Bij deze Rode Adam zien wij dan vele beperkende inwerkingen die wij wel de hiërarchieën noemen, die elk weer een verdere beperking van keuzemogelijkheid en zo een juistere definitie van het voor het Ik mogelijke scheppen. Aan het einde van de reeks staat, vanuit ons standpunt, het ik. Wij zeggen dan: Dit is mijn taak en mijn leven.

Wij geven dan weliswaar persoonlijke waarden weer, maar zeggen daarmede niets over al het mogelijke. Het concept van ‘licht’ en ‘duister’ betekent in dit verband dat men kan komen tot een wat ruimer besef en daardoor ruimere keuzemogelijkheden of kan afdalen tot een grotere gebondenheid waarbij steeds minder van de mogelijkheden in het geheel voor het Ik realiseerbaar zal zijn. Bezien wij de schepping vanuit een geheel menselijk standpunt, dan lijkt het mij een negatieve evolutie te omvatten, waarbij de voor de mens ideale toestand ligt in het aardse paradijs, in vergelijking waarmede de huidige situatie wel heel dichtbij de chaos ligt.

Vanuit een zuiver menselijk standpunt gaat men van het gerichte naar het chaotische toe, opdat het eenvoudige overgaat in het veelvoudige. Menselijk gezien is eenvoud altijd het ideaal, omdat daarbij een minimum aan eigen besluiten en eigen acties of overwegingen noodzakelijk zal zijn.

Ik kan echter ook zeggen: Eenvoud omvat slechts een zeer beperkte keuzemogelijkheid . In casu was de keuze in feite alleen: Wel of niet eten van de boom van kennis van goed en kwaad. Hoe ingewikkelder de wereld echter wordt, hoe groter ook de mogelijkheid van keuze wordt, hoe meer men dus door de goddelijke werkelijkheid kan dwalen volgens eigen wezen en keuze. Het grotere aantal van mogelijkheden dwingt tot meer besef en geeft zo geestelijk de mogelijkheid meer en meer volledig één te zijn met een groter deel van de goddelijke totaliteit.

Een enkelvoudige keuze die zich beperkt tot ja en nee, zal meestal door omstandigheden bepaald worden, niet door wil. Naarmate een keuze echter meer en meer gedifferentieerde mogelijkheden omvat, zal de keuze een beter geestelijk begrip eisen en zal een besluit dus meer erkenning vergen. Hierdoor is voor de geest ook de mogelijkheid tot het erkennen van delen van de goddelijke werkelijkheid toegenomen.

Een complexe wereld is niet beter dan een eenvoudige omdat zij complex is, maar omdat het ego daarin wordt geconfronteerd met keuzemogelijkheden, die een steeds bewuster reageren en beslissen eisen. Men zal dus een zuiverder beeld van eigen mogelijkheden en noodzaken verkrijgen, waardoor weer eigen functie en aandeel binnen de goddelijke uiting duidelijker kenbaar zal worden.

Eén van de belangrijkste oorzaken van een te eenvoudige en daarom verkeerde waardering van het leven en zijn mogelijkheden is mijns inziens gelegen in gangbare godsvoorstellingen. Men heeft te veel getracht zich zijn God kenbaar voor te stellen als een soort supermens. De God die men op aarde eert, is waarlijk een supermens met super menselijke eigenschappen, waardoor deze God wreder is dan enige mens ooit zou kunnen zijn, goedertierender dan enig mens zou kunnen zijn, willekeuriger in beslissing, wetgeving en handelingen dan enig mens zou kunnen zijn. Dit beeld van God is echter geen waar beeld.

Indien ik uit een geheel boekwerk zeven woorden bijeen haal en groepeer tot zij zin schijnen te hebben, om dan te verklaren dat u hier, met de woorden van het boek de inhoud van het boek hoort, zult u mij uitlachen. U beseft zeer wel dat, zelfs indien de grove inhoud zo weergegeven zou kunnen worden, toch de essentie, het eigen karakter van het boek, geheel zal ontbreken.

Indien ik echter uit de totaliteit van de schepping, uit al het geschapene, uit alle krachten, die geopenbaard zijn en de vele mogelijkheden die in het leven bestaan, er enkelen uit kies en zo een karikatuur vervaardig die enigszins aan het droomleven van een mens beantwoordt, dan zegt men onmiddellijk: “Dit is mooi. Ja, zo is God, dit is God”. Zolang wij God willen beperken tot het menselijke, zullen wij zijn oneindigheid niet begrijpen en zullen zelfs onze hoogste idealen teruggedrongen worden tot de beperktheid, de bekrompenheid van ‘het geloof’.

Ik geef u enkele vragen, om eens over na te denken: Indien wij geloven in een bewuste, liefhebbende en rechtvaardige God (zoals vele mensen doen) kunnen wij dan aannemen dat God bepaalde dingen heeft geschapen om de mensen daarmede te plagen, daar de mensen zijn ingeschapen deze dingen steeds te willen gebruiken, terwijl deze God gelijktijdig zegt dat zij dit niet mogen doen? Is dit goddelijke rechtvaardigheid, goedertierendheid, vooral wanneer een handelen volgens de ingeschapen waarden een eeuwige verdoemenis betekent, terwijl een opvolgen van de bevelen betekent dat men ten onrechte in het leven zeer veel zal moeten lijden?

Is een God liefdevol of rechtvaardig, die het mogelijk maakt, dat er 10.000en beelden van Zijn Wezen kunnen worden gemaakt om dan, zonder werkelijk en voor allen geldend bewijs te eisen dat men slechts een enkel, door hem bepaald beeld zal aanbidden en (wederom) allen die een andere vorm van godserkenning of voorstelling volgen, eeuwig verdoemt?

Zou God in alle mensen de mogelijkheid leggen van grote en kleine verschillen in denken, leven, uiterlijk en innerlijk bestaan, om dan te bepalen dat er slechts één standaardnorm, die niemand waarlijk ingeschapen is, de enig ideale is en dat slechts zij, die aan deze niet in de schepping aanwezige vormen beantwoorden, toegang zullen hebben tot het koninkrijk der hemelen?

Zou een God heus zo dwaas zijn (pardon, dat mag ik natuurlijk niet zeggen) zo willekeurig zijn om een boek te laten schrijven gedurende vele honderden jaren, om opeens te zeggen: iedereen die dit boek kent en niet woordelijk gelooft wat daarin staat (ook al is daarvoor geen werkelijk bewijs aanwezig) zal niet in mijn hemel binnen treden?

Wanneer je ziet wat een willekeurige, tirannieke en onlogische figuur de mensen van hun ‘enig ware’ god maken, zou je haast geneigd zijn om te zeggen: wanneer zo iemand in de hemel regeert, is er wel iets te zeggen voor de verblijven van de gestelde tegenpartij in de eeuwigheid. Maar ja. Een werkelijk abstract godsbeeld kunnen de mensen zich niet voorstellen. Daaraan kunnen zij zich niet zo gemakkelijk onderwerpen, daaruit kunnen zij zichzelf niet zo eenvoudig rechtvaardigen. De mens zoekt in God in feite een aanvulling van eigen onvolkomen wezen. Dit is hun goede recht, wanneer zij t.m. beseffen, dat deze door hen gezochte en begeerde aanvulling van eigen wezen niet de totaliteit van God omvat. Dat er nog meer eigenschappen en mogelijkheden in God bestaan buiten die van hun zeer persoonlijk concept van zijn wezen. Een concept dat hen overigens eerder tot een vollediger realisatie van hun ego zal brengen dan tot een contact met God.

Kunnen wij de abstractie aanvaarden van een God die buiten tijd en ruimte bestaat, die in alle dingen aanwezig is en toch een vorm of persoonlijkheid kan hebben, die ergens van al het kenbare los kan staan (zoals een mens ondanks alles nuchter kan zijn en los kan staan van zijn dagdromen) dan meen ik dat wij de werkelijkheid benaderen. Wij hebben dan niet te maken met een God die voortdurend bezig is mensen te plagen, te bedisselen, ingrijpende in de persoonlijke keuze van zijn schepselen uit de door Hem geschapen mogelijkheden.

Ik geloof in een God, die alle dingen heeft geschapen en zonder Wie niets kan bestaan. Een God, die zijn schepselen de mogelijkheid geeft om (afhankelijk van hun wezen en bewustzijn) uit het geheel der schepping persoonlijk waar te maken wat zij wensen, hen zo de mogelijkheid gevende van een steeds sterker bewustzijn van eigen werkelijk ego, waarbij een verdergaan van vorm tot vorm en wereld tot wereld slechts een zelferkenning is. De veelheid van mogelijkheden voert het schepsel tot een zelferkenning, waarbij uiteindelijk wordt beseft: Ik ben deel van een geheel en dit geheel is God, het totaal van ruimte en tijd en alle energieën, die ons schijnen te sturen of te beperken.

Deze enorme potentie is het totaal van wat ik leven noem. En meer. Als je dit beseft, heeft de Schepping zin. Zij is zinrijk en niet de willekeur van een onbegrijpelijke schepper of een duel tussen een god en een duivel. Dan is de schepping de bewuste uiting van een bewust wezen en tevens voor ons het middel om bewust tot onze bron terug te keren, onafhankelijk van toeval.

Dan ook blijkt dat al hetgeen wij kosmische wetten plegen te noemen, niet veel meer is dan een richtingwijzer waarop de mogelijkheden staan aangegeven als bijvoorbeeld hier naar de speeltuin en daar naar het terrarium.

Dit is misschien niet alles even gemakkelijk te begrijpen maar wanneer je zo kunt en durft denken over de schepping, dan krijgen alle dingen weer zin. Dan blijken de zogenaamde degeneratieverschijnselen, wreedheid, lijden en oorlog, vreugde, perfectie naast elkander en gelijktijdig bestaan. Dan blijkt zelfs, dat deze dingen naast elkander moeten kunnen bestaan, omdat zonder dit de goddelijke gedachte niet volledig uitgedrukt zou kunnen zijn, terwijl wij voor onszelf steeds weer kiezen wat wij voor onszelf waar maken uit de ongeteld vele mogelijkheden.

Ook zullen wij dan kunnen aanvaarden dat het vooral ons beperkt besef is van de mogelijkheden, die wij in God bezitten, waardoor wij zo weinig bereiken van hetgeen wij verlangen.

0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Vragen

  • Hoe denkt men aan gene zijde over reïncarnatie?

Om eerlijk te zijn nogal verschillend. Ik geef daarom eenvoudigheidshalve de visie zoals deze in onze groepen bestaat.

Wij zien reïncarnatie niet als noodzaak, maar als een mogelijkheid. De drang tot incarnatie komt voort uit besef van hiaten in eigen vermogens tot geestelijk bewustzijn. Wij menen dan ook, dat reïncarnatie voor velen voortdurend op zal treden en spreken zelfs van groepsincarnaties en incarnatiecycli, doch weten dat incarnatie geen onvermijdelijke noodzaak is, zodat elk individu zich op elk ogenblik door eigen wil en actie aan de noodzaak tot reïncarnatie kan onttrekken.

Indien gewenst bestaat dus ook wel een mogelijkheid om geestelijk verder te gaan in de geestessfeer. Bewustzijn is over het algemeen eenzijdig gericht. Dit veroorzaakt onevenwichtigheid. In een geestelijke wereld heeft men voor een uitbreiding van bewustzijn (op geestelijk vlak) een zekere evenwichtigheid nodig. Men kan natuurlijk wel zijn bewustzijn naar een enkele zijde enorm vergroten, doch indien men in zich geen tegenwicht kan vinden, zal men ondanks het bereikte bewustzijn het bestaan in de sfeer niet langer aankunnen. De enige mogelijkheid om tot evenwicht terug te keren is dan een opzien van indrukken op een ander vlak, in een andere wereldsfeer. Komt men uit de stof, dan zal de eenvoudigste handelwijze wel een reïncarneren zijn. Wenst men echter voort te streven in de geest, dan kan men gaan werken in een andere sfeer, die iets lager ligt dan de eigene en daarbij zal men zich moeten richten op de maatstaven en methoden van andere entiteiten, zo nieuwe criteria ontvangende, die een nieuwe interpretatie van eigen inhoud mogelijk maken. Het gaat er dus om, ervaringen op te doen die niet gebonden zijn aan eigen inhoud, voorstellingsvermogen of bestaande bewustzijnswaarden.

  • Wilt u een definitie geven van : entiteit en ego.

0nder entiteit verstaan wij: Een in vorm uitdrukbare persoonlijkheid, die in zich t.m. het vermogen bergt zich als denkend wezen te uiten, in het bezit zal zijn van een voor de persoonlijkheid en ik-realisatie kenmerkende persoonsomschrijving en zichzelf als ik-heid erkent. Van ego spreken wij, indien wij het hebben over het ik, dat dus niet in zijn geheel geuit, voorstelbaar of kenbaar behoeft te zijn. Het ego is dus de totale inhoud van het wezen, waarbij de entiteit hiervan een gedeeltelijke of zelfs misschien volledige, uiting kan zijn. Het bestaan van een entiteit geeft aan, dat hierin een ego actief is, zonder daarbij echter noodzakelijk ook tot uitdrukking te brengen in hoeverre dit ego zich van zichzelf bewust is of in hoever de totale ik-heid in de vorm wordt geopenbaard.

  • Beschouwt u de Witte Broederschap als onfeilbaar in hun beslissingen?

Ik zal wel uitkijken. Wanneer ik zeg dat iets of iemand onfeilbaar is, dan moet ik aannemen dat een kennis van het totaal goddelijke aanwezig is. Het feit dat de Witte Broederschap nog streeft, duidt er voor mij reeds op, dat zij het totaal goddelijke niet kent. Ik neem wel aan dat zij in haar besluiten en bij het vaststellen van haar richtlijnen wel kundiger is en zo juister en reëler zal handelen dan de doorsnee mens of geest. Maar ben er ook van overtuigd dat zij fouten kan maken in haar beslissingen, bij haar interpretaties en dat ook dit hiërarchisch geestelijk lichaam (zo mag ik de Broederschap wel noemen) dus goede kansen voorbij zal kunnen laten gaan en naar slechtere kansen zal kunnen grijpen. Verlies hierbij niet uit het oog dat zelfs de hoogste geesten niet onfeilbaar zijn en zich dus kunnen vergissen. Deze vergissingen zullen niet zoveel uitmaken in het lot van een mens. Wel zal men zich ervoor moeten hoeden ooit te denken, dat iets (buiten God zelf) onfeilbaar zal zijn. Wanneer iets of iemand God representeert, zal men geneigd zijn ook hier onfeilbaarheid toe te kennen. Of dit echter terecht is, blijft een vraag. Want degene die God representeert, zal dit nog altijd via eigen persoonlijkheid en wezen doen en zo een persoonlijke uitdrukking en inhoud geven, zelfs aan datgene wat God openbaart. Wat betekent dat een onvolledige weergave mogelijk is en dit betekent dus weer dat er fouten op kunnen treden.

  • De begrippen evolutie en eeuwigheid schijnen met elkaar in strijd te zijn, daar evolutie aangeeft dat er een begin en een doel is, terwijl eeuwigheid betekent dat er geen begin en geen einde is. Welk van deze twee begrippen is het meest in overeenstemming met de realiteit?

Ik zou zeggen: beiden evenveel. Eeuwigheid is een ringlijntje, waarbij de reiziger spreekt van evolutie wanneer hij na ingestapt te zijn op een bepaald station, in de richting van zijn eerst besefte of gekozen doel vordert. Wat misschien wel diplomatiek gesteld is, maar daarom nog niet minder juist is. Eeuwigheid is een begrip, dat de mens op aarde (en misschien ook in de geest) niet kan omvatten. Daarom zal men dus niet met het oneindig onveranderlijke rekenen maar met de tijd. En in die tijd ziet men wel degelijk bepaalde lijnen van ontwikkeling.

In het kader van een lijn van ontwikkeling zien wij verschillende fasen optreden. Deze fasen noemen wij de verschijnselen der evolutie. Wat het mijns inziens voor een mens logisch maakt te spreken over evolutie, zelfs over een innerlijke evolutie.

Maar dit betekent nog niet, dat de evolutie onbeperkt verder gaat. Op het ringlijntje komt er een ogenblik, dat men weer de oude bekende delen van het traject gaat passeren. Dan weet men, wat er gaat volgen en kan men zijn aandacht dus juister gaan verdelen. Belangrijk is dat men, wanneer men de reis rond de ringlijn meerdere malen heeft gemaakt, niet alleen meer een bepaald punt kan bepalen ten aanzien van het punt van vertrek, maar dat men ook de positie van het bereikte punt in verhouding tot alle andere punten van de ring kan bepalen.

  • Kan worden aangenomen, dat bewust geestelijk leven op andere planeten in de soort gelijk is aan dat op aarde?

Zegt men in soort gelijk dan wordt (in dit geval overigens onjuist) aangenomen dat men zal bedoelen: In menselijke vorm. Waarop een ontkennend antwoord onvermijdelijk is.

Wat zijn echter de hoofdwaarden van het geestelijk bestaan van het wezen, dat wij mens noemen? Erkenning van eigen wezen ten opzichte van de schepping, erkenning van eigen wezen in relatie tot de schepping en een innerlijke erkenning ofwel een vermoeden omtrent de waarde van de Totaliteit voor het eigen ik. Indien wij deze eisen plus de vrijheid tot ageren en reageren bepalend achten voor het begrip mens, zo zou ik zeggen dat de gehele kosmos door mensen bewoond wordt. Wij vinden op vele werelden vreemde wezens en levensvormen, die zelfs niets meer te maken hebben met wat u als leven beschouwt (onder andere kristallijne vormen, die een eigen leven voeren via uitstraling van energie en de weerkaatsing daarvan) die aan deze eisen toch voldoen en als zodanig als mens mogen worden aangesproken. Waaraan wij toe kunnen voegen: De gemiddelde ontwikkeling van de ik-heden die van zo een volk deel uitmaken, bepalen de bewustwordingsmogelijkheid die op een bepaalde wereld aanwezig zal zijn. Eigen innerlijke bereiking en bewustzijn zullen dus uitmaken, of men eventueel binnen een dergelijke gemeenschap zal kunnen incarneren of niet.

  • Hebben leden van de Witte Broederschap of de ODV nog de wens om te incarneren?

Een vraag, die ik niet algemeen durf beantwoorden. Indien ik echter mijzelf naga, zo geldt: Wanneer het absoluut niet te vermijden zou zijn, zou ik natuurlijk incarneren. Maar als ik zie, wat de mensen op het ogenblik van de wereld maken, ben ik blij het voorlopig nog wel als geest af te kunnen. U hebt het niet zo slecht en bent niet zo slecht, als men wel eens denkt. Maar er zijn op uw wereld nu eenmaal ontwikkelingen, die voor mij persoonlijk onaanvaardbaar zijn. Ik was vroeger en voor mij nog enigszins, een vrijbuiter. In uw maatschappij komende zou ik ongetwijfeld een revolutionair worden. Zoals u weet, zijn revolutionairen in uw wereld steeds schuldig, tenzij zij het winnen. In dat geval veranderen zij in dictators, die voor zich en anderen zeer scherpe richtlijnen geven, wat ik niet begeerlijk kan vinden. Ik kan mij echter voorstellen dat een andere entiteit, die geestelijk misschien veel hoger staat dan ik, op een gegeven ogenblik juist van uw wereld zou denken: Dit is nu een ontwikkeling waarbinnen ik tekorten in mijn wezen aan zou kunnen vullen. Bovendien zal ik onder deze omstandigheden de mogelijkheid vinden bepaalde waarden die ik in mijzelf ontdekt heb, eens praktisch op de proef te stellen….. Zo iets is mogelijk. Reïncarnatie, en vooral de wens daartoe te komen, is bij ons nu eenmaal een van die onderwerpen, waarover men gemeenlijk niet met anderen spreekt. Vandaar, dat ik uw vraag niet in het algemeen en absoluut kan beantwoorden. Al lijkt het mij toe, dat er niet velen zullen zijn onder de meer bewusten, die een incarnatie in deze tijd op aarde zouden ambiëren.

  • In het boek ‘Wijzen uit het Oosten’ beweren deze ‘wijzen’ dat zij de dood hebben overwonnen en minstens 300 jaren oud zijn. Is dit mogelijk en komt deze ouderdom heden nog voor?

Het gaat hier over de lichamelijke dood. Het lichaam is voor zijn juist functioneren afhankelijk van een voortdurend evenwichtig en juist reageren van de interne secreties plus een stofwisseling, waardoor alle afvalstoffen in het lichaam inderdaad kunnen worden afgevoerd.

Zolang dit geschiedt zal het lichaam blijven functioneren. Theoretisch kunnen ook bijvoorbeeld beenderweefsels worden afgebroken en vervangen, zodat eveneens theoretisch het lichaam onbeperkt levensvatbaar zou blijven. Het menselijk organisme pleegt echter niet ideaal te functioneren, waarbij afwijkingen als spanningen in het zenuwstelsel, problemen, onjuiste voeding, niet aangepast zijn in het milieu, optreden. Hierdoor worden slijtage en verslakking veroorzaakt en worden de levensmogelijkheden verminderd. Zou iemand in staat zijn, zijn interne wezen bewust te beheersen en daarbij alle spanningen en onjuistheden van leefwijze te vermijden, dan is een leeftijd van 300 jaren zeer wel haalbaar. Geestelijke ontspannenheid, sereniteit is noodzakelijk, opdat alle psychische spanningen en problemen binnen de perken zullen blijven. Men kan verder met kunstmiddelen veel bereiken.

U leeft onder slechtere condities dan uw voorouders, maar beschikt over betere hulpmiddelen en kennis. Daarom is uw gemiddelde leeftijd 2 maal die van uw voorouders. Het is niet denkbeeldig dat alleen door juiste hulpmiddelen en leefwijze binnenkort velen een leeftijd van gemiddeld 160 tot 170 jaren zullen bereiken. Daar dit reeds nu binnen het bereik van normale mensen gaat komen, zal het u niet verwonderen dat ik stel dat er ook nu mensen, met een zeer hoge leeftijd (zelfs in de grootorde van het door u genoemde cijfer of oude) op aarde bestaan. Ook al zijn dit er, in verhouding tot de wereldbevolking, weinigen.

  • Op welke wijze maken geesten zich voor elkander verstaanbaar?

Wij maken ons niet verstaanbaar. Wij denken gewoon naar elkaar. Een gedachte omvat alles: Beelden, klanken, gevoelens, alles door elkaar veel meer dan een woord ooit kan omvatten. Denk ik, daarbij mij richtende op een ander, dan kan deze dus alles wat ik zo uitzend, verstaan. Men kan dus zeggen dat wij een gemeenschappelijke taal hebben, die in wezen de gedachte is. Daarbij moet ik nog wel opmerken dat het natuurlijk mogelijk is, aan een ander deel te hebben in je gedachten, te weigeren. Indien deze geestelijk sterker is dan jij bent, kan hij zich toch wel een weg banen, waardoor hij je gedachten af zou kunnen lezen. Maar dit doet men zelden of nooit. Het is als het ware ‘niet netjes’. Eigen bewustzijn of inhoud is, evenals bij het horen van andermans woorden, bepalend voor de wijze waarop men dezen interpreteert. Is mijn bewustzijn beperkt en spreek ik met iemand die veel hoger staat, maar zich in zijn beeldkeuze niet aan mij aanpast, dan zal ik hem wel ‘verstaan’, maar zijn beeldkeuze en associaties omvatten dan veel wat ik niet kan begrijpen of verkeerd uitleg. Hierbij speelt de neiging om, indien men een bepaald begrip niet kent, het daarop het meest gelijkende beeld uit eigen wezen in de plaats te stellen, een grote rol.

  • Volgens een Amerikaanse schrijver zou de beschaving van het negerras circa 200.000 jaren ten achter zijn bij de westerse beschaving. Is dit volgens u juist?

Het lijkt er eerder op dat de negerbeschaving de westerse op vele punten vooruit is, aangezien bijvoorbeeld de negers duizenden jaren geleden al de dansen dansten, die tegenwoordig als nieuwste rage de balzalen van het westen overspoelen. De relletjes van jongelui, zowel als de wijze van betogen en zelfs rechtspraken ‘in het belang van de stam of de staat’ treffen wij eveneens reeds ver voor Christus geboorte bij de negers aan.

Trouwens, dat woord beschaving in deze context bevalt mij ook helemaal niet. Er bestaat geen volk- of rasbeschaving. Dit is eerder cultuur, een vorm dus. De uiterlijke vorm heeft niets uitstaande met beschaving, die een innerlijke kwestie is. Of meent u dat wijn in een ronde fles beter van kwaliteit is dan dezelfde wijn in een vierkante of driehoekige fles? Is die wijn goed? U kunt op dit laatste geen antwoord geven? Ik ook niet. Omdat de vorm van de fles, zoals wij alle weten, de kwaliteit van de wijn niet bepaalt, zelfs al kan die vorm soms een aanwijzing zijn voor de soort wijn die erin zit. Dus, het gaat niet om de fles, maar om de inhoud. Wel, indien wij de uiterlijke vormen eens verwaarlozen en kijken naar de inhoud aan menselijke waarden, zo geloof ik, dat er onder de negers in verhouding evenveel of meer mensen te vinden zijn, die edelmoedig, goedmoedig, goedmenend zijn, als onder de blanken. Ik constateer verder, dat wij bij de negers diepere overtuigingen en vooral een dieper beleefd geloof vinden dan bij de blanken, wederom in verhouding. Ook wat eerlijkheid, hulpvaardigheid en moed betreft, geloof ik dat de negers niet achter staan bij de blanken.

Kies ik dan een ander punt van uitgang als genoemde schrijver, zo kan ik met evenveel recht beweren dat in vele opzichten de blanken duizenden jaren achter staan bij de negers. Wil men echter eerlijk zijn, dan zal men stellen dat negercultuur en beschavingsvormen sterk afwijken van de gebruiken, gewoonten en cultuurpatronen van de blanke wereld. Door het vaak dwingende contact van de neger met de blanken is zijn cultuur, maar grotendeels buiten zijn schuld, geperverteerd. Hier is echter sprake van een verval, dat door de blanken werd veroorzaakt en is zeker geen eigen fout van de negers, doch eerder het schadelijke en onherstelbare gevolg van een te agressieve cultuur van het blanke ras. De schrijver, die deze stelling verkondigde, is volgens mij een exponent van deze agressieve blanke cultuur en heet alles wat blank is, waarschijnlijk goed, terwijl hij tegen alle andere cultuurvormen bezwaren zal hebben. Hem en zijn soortgenoten wil ik er alleen maar aan herinneren, dat alles, wat in de laatste paar honderd jaren op deze wereld gebeurd is, erop wijst, dat de blanke beschaving maar een vernisje is en de menselijke waarde van de blanken eerder een persoonlijke dan een sociaal culturele waarde is.

  • Kijk nu eens wat er in Afrika gebeurt. Men heeft ze losgelaten en nu vreten zij elkander op….

Inderdaad. Het logische gevolg van een blanke cultuur, die hen als uiterlijke waarde ook in hun vrijheid wordt opgelegd langs economische en politieke wegen, terwijl de daarin liggende eisen en waarden geheel vreemd zijn aan de eigen cultuur en moraal van de negervolkeren. Deze nieuwe landen worden, geregeerd volgens systemen die van de blanken worden afgekeken of geërfd. Men wil optreden volgens, en leven volgens de normen van het Westen. De regeerders van deze volkeren zijn in vreemde landen of t.m. in unicaioscholen opgevoed, spreken een vreemde taal vaak even goed of beter dan de taal van hun stam. Zij hebben andere levensgewoonten aangenomen en zijn van de werkelijke moraal en leefwijze van de echte negerstammen eenvoudig geheel vervreemd. De stam- en familiebindingen, die onder de negers al bepalend zijn voor gewoonte en recht, werden door de blanken nimmer als wettige maatstaf erkend en ook de nieuwe regeerders wensen dergelijke vormen, deze normen en gebruiken niet meer te aanvaarden, daar zij zouden betekenen dat hun handen meer gebonden zouden zijn en hun verplichtingen groter zouden worden, terwijl hun rechten kleiner zouden zijn.

Het resultaat van deze aanpassing bij het Westen en het ingrijpen van het Westen dat in de bevrijde koloniën nog steeds een grote rol speelt, betekent vaak dat de slechtsten, degenen die het minste de werkelijke geest en belangen van het volk vertegenwoordigen, aan het bewind komen. Zelfzucht viert bij de jonge regeringen de boventoon. De eenvoudige en eigenlijk waardevolle figuren uit de eigen inlandse wereld echter vinden geen erkenning bij het Westen, al is het maar, omdat zij weigeren zich volgens Westerse gebruiken te voeden, te gedragen en Westerse talen te spreken. Of om het eenvoudiger te zeggen: De blanken steunen vaak met alle middelen mensen of families, die in hun greep naar de macht niet gedragen worden door zorg voor hun volk, maar alleen door de behoefte aan macht. Of erger nog, die een hoge post begeren, omdat zij daarop snel rijk kunnen worden.

Vergeet hierbij niet dat een winstmotief, zoals de Westelijke wereld dit overal heeft ingevoerd, in de gewone negermaatschappij oorspronkelijk niet bestond. Misschien wilt u wijzen op de vele wreedheden, die in Afrika plaats vinden. In verhouding maken die kleine staten het nog niet zo dwaas, zij moeten hun vorm nog vinden, maar Engeland was reeds lang een imperium, toen het in de Kaap zijn concentratiekampen stichtte en vrouwen en kinderen van boeren door ziekten en dorst liet omkomen. En Duitsland was een beschaafd land, geroemd om wetenschap en bijdrage aan de wereldcultuur, voor er ooit sprake was van een Auschwitz of een Bergen-Belsen. U kunt het natuurlijk ook van een andere kant bezien en aannemelijk maken, dat de negers toch in vele dingen (Westerse wel te verstaan) tekortschieten, terwijl diezelfde negers dan toch maar weinig respect tonen voor de Westerse beschaving, waarvan zij alle vruchten wel wensen te plukken.

Maar dan kan ik antwoorden, dat het grootste verschil niet is gelegen in een bijna gewetenloze neiging zoveel mogelijk te profiteren, maar vooral, dat de westerling zichzelf beschaafd en cultureel volwaardig noemt, terwijl zelfs de meest verwestelijkte neger nog wel toe wil geven, dat hij volgens Westerse normen niet volmaakt beschaafd en geheel cultureel ontwikkeld is. Kortom, ik acht het oordeel onjuist, vooral wanneer een groot deel van de argumenten is gebaseerd op rassenkenmerken en een niet geheel passen in het Westerse wereldbeeld. Terwijl men daarbij liever maar vergeet dat deze mensen uit een misschien economisch primitievere wereld door de blanken werden gedwongen hun eigen waarden en mogelijkheden prijs te geven, terwijl vaak zelfs het recht op een eigen levensvorm en cultuur hen ontzegd werd. Ik ben het dus niet met de schrijver eens, acht hem sterk bevooroordeeld en zou hem voor willen houden: Oordeelt niet te hard, opdat het oordeel dat u velt, niet uw eigen veroordeling mede omvatten gaat. Ik wil het hierbij laten.

image_pdf