Contacten tussen geest en stof

image_pdf

27 oktober 1961

Allereerst wijzen wij u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.  Heden wil spreken over: Contacten tussen geest en stof.

Wie vanuit de stof aan de geest denkt, zal daarbij haast altijd in de eerste plaats denken aan bepaalde geestelijke werelden, terwijl hij daarnaast zijn aandacht wijdt aan de acties, die vanuit de geest voor de stof ondernomen kunnen worden. In enkele gevallen realiseert men zich verder nog de mogelijkheid vanuit de stof door bepaalde seances bijstand aan de geest te verlenen vanuit de stof. De werkelijke en blijvende wisselwerking, die er tussen de werelden van stof en geest bestaat, onttrekt zich over het algemeen aan het kennen en voorstellingsvermogen van de mensen. Het is moeilijk deze materie eenvoudig uiteen te zetten. Een poging dit alles geheel duidelijk te maken, zou beginnen met een verklaring van de gedachte-uitstraling bij de mensen en een aanduiding van de daardoor opgewekte reflexen in de geestelijke voertuigen van de mensen. Daarnaast zou ik u duidelijk moeten maken, hoe dit een uitstraling van alle menselijke reacties kan betekenen in alle geestelijke sferen, zelfs die, waarvan de mens zelf geen kennis heeft en hij niet op geestelijk terrein contact met anderen heeft.

Een technisch juiste verklaring van deze waarden is zodanig ingewikkeld, dat zij niet alleen veel tijd, maar bovendien een vergaande opleiding van de toehoorders op gebieden als straling, elektronica en psychologie vergt. Wij stellen eenvoudig: Wanneer u op aarde denkt, is uw denken tot op zekere hoogte gericht. Is dit denken op de geest gericht, dan wel zal in de geest het denken van een bepaalde geest gericht zijn op uw stoffelijke wereld en de belangstelling, die u daarin ogenblikkelijk toont. Dan zal een zekere harmonie ontstaan, waardoor voor die geest een zeker deel van uw denken en doen als het ware kenbaar wordt. Wanneer vanuit de geest een contact met de stof moet worden opgenomen, is een zeker bewustzijn bij de geest wel noodzakelijk. Een enkel zich voorstellen vanuit de geest van stoffelijke omstandigheden en behoeften of genietingen betekent lang niet zeker dat men nu ook een bewust contact met de aarde en de daarop levende stofmensen zal verkrijgen.

Gaat de geest van eigen denken uit, dan schept zij eerder rond zich een soort droomwereld, die geheel uit het eigen ik voortkomt. De daarmee harmonische invloeden uit de stofwereld kunnen daarin dan fungeren als niet erkende of beheersbare prikkels, die binnen de droombeleving toch bepaalde reacties kunnen wekken.

Voorbeeld: Stel, dat iemand in de geest van bloemen houdt. Ook u houdt van bloemen en beschouwt juist een bepaalde soort vol aandacht. Stel verder, dat genoemde geest in een tussensfeer leeft en juist op dezelfde tijd zich bezig houdt met de wens weer eens bloemen te zien. De geest probeert zich de aardse bloemen weer voor te stellen. De geest meent nu, dat zijzelf zich een bepaalde bloem weer goed herinnert en zal zich er geheel niet van bewust zijn, dat zij uw gedachten afleest, zodat zij niet een eigen droombeeld aanschouwt, maar eigenlijk door uw ogen de bloemen aanschouwt, waarmee u zich juist bezig houdt. Hieruit blijkt wel, dat een zuiver bewust contact lang niet altijd noodzakelijk is, om een uitwisseling tussen de werelden van stof en geest mogelijk te maken. Voor ons is het geheel van de inwerkingen dan zo vaag, dat wij van een direct contact niet durven spreken.

Wanneer men op aarde zich niet bewust tot de geest richt, kan men toch wel vage impressies en vage gevoelens naar de werelden van de geest uitstralen, maar zonder een instelling van de geest zal van een verdergaand contact geen sprake zijn.

Voorbeeld: De mens concentreert zich op iets. Alleen de geest, die dezelfde instelling heeft, ondergaat de invloed hiervan. Beide partijen realiseren zich deze onderlinge beïnvloeding niet.

De geest is nu geconcentreerd op bepaalde waarden in de stof. De mens kan dit contact ondergaan als een soort gevoel, een sfeer, die tijdelijk rond hem hangt. Van de bron zal hij zich niet bewust zijn, terwijl ook het gevoel zelf door de mens in vele gevallen wordt genegeerd.

Toch kan een gelijktijdig geconcentreerd zijn op een bepaald onderwerp door stof én geest gelijktijdig een waardevol contact betekenen, waarbinnen, zelfs al wordt de bron niet beseft, men zekere gegevens van de geest in de stof en omgekeerd kan aflezen en gebruiken.

Eerste conclusie voor heden: Gericht denken en indien mogelijk zelfs grotere concentratie zijn noodzakelijk om zuivere en meer bewuste samenwerking tussen werelden van stof en geest mogelijk te maken.

Wij veronderstelden in het voorgaande, dat men van geen van de beide zijden trachtte bewust een contact met de andere wereld op te nemen. Nu zal men in de geest wel degelijk trachten om contact met de wereld van de mensen op te nemen. Als punten van contact zoekt men zich daarvoor zogenaamde sensitieven uit. Nu blijkt, dat de geest – om een enigszins juiste uitdrukking van haar wezen, weten, boodschap e.d. te bereiken – in de meeste gevallen een groot deel, of het geheel van het bewustzijn van de sensitieve mens weg zal moeten nemen of onderdrukken. Vanuit de geest moeten wij die sensitieven steeds weer hun eigen denken geheel onderdrukkend, of tenminste luid overstemmende, onze meningen en dergelijke kenbaar maken.

Bij mediamieke kwaliteiten op aarde is de geest de stimulerende factor, dat is waar. Zij zal in zeer vele gevallen in de eerste plaats bereiken en tot uiting brengen, wat wel in de persoon van het medium zelf bestaat, doch niet bewust in diens waakbewustzijn aanwezig is. Hetgeen zo tot uiting gebracht wordt zal door de ontvanger ook niet geheel meebeluisterd of meegedacht kunnen worden. Zelfs indien wij met zogenaamd meer bewust mediumschap te maken krijgen, zien wij het volgende zich afspelen: Op aarde stemt een mens zich bewust op de geest af. Hij zoekt een contact met een bepaalde sfeer, of zelfs met een bepaalde entiteit. Dit is een bewuste handeling, zodat deze mens zich hiervan geheel bewust is. Zodra de invloed van de geest overneemt, zal het eigen bewustzijn van deze mens toch tijdelijk teruggedrongen worden. Er is zelfs dan geen sprake meer van een bewuste samenwerking of wisselwerking, zoals wij deze bij gesprekspartners bv. zien. In de plaats daarvan komt een zich bewust en tijdelijk overgeven van het medium, gevolgd door een als instrument, als werktuig, hanteren van datzelfde medium door de geest.

Dit geldt ook voor degenen, die alleen inspiratief werken of spreken. Ook deze kunnen eigen gedachten niet meer volgen en beluisteren vaak met verwondering de uitspraken, die zij doen. Waar wij vanuit de geest steeds weer aangewezen zijn op personen, die gevoelig zijn voor onze krachten, zijn de contactmogelijkheden, die vanuit de geest direct naar de stof bestaan, nogal begrensd. Wij kunnen maar betrekkelijk weinig wegen en middelen vinden om de mensheid te benaderen op een wijze, die haar van ons wezen en inwerken direct bewust maakt. Er blijft dan ook, vooral tussen de minder bewuste geest en de mens, een soort kloof bestaan, die alleen door toeval soms voor een ogenblik overbrugd wordt. Daartoe draagt vaak het denken van een mens bij.

Nu stel ik: De gedachten van één enkele mens is -vanuit de geest gezien – als één enkele dunne draad, die over de afgrond tussen onze werelden reikt. Zó dun is deze draad, dat het voor een geest vaak zeer moeilijk is zichzelf geheel langs die dunne draad in de stofwereld kenbaar te projecteren. Ook de mens, bv. de bergbeklimmer, zal niet langs een dunne draad over een afgrond heengaan, tenzij hem geen andere uitweg blijft. Pas wanneer er meerdere draden samenkomen en zo een kabel vormen, is er sprake van een grotere draagkracht, waardoor men over de afgrond met weinig gevaren heen kan gaan. Zal een dunne draad ten hoogste voor een enkeling – en dan nog alleen in noodgeval – bruikbaar zijn. Wanneer er een sterke kabel is, zullen meerderen achtereen van een dergelijke verbinding gebruik kunnen maken. Zijn er nu nog ook vele kabels ter beschikking, dan kan men daaruit een brug bouwen. Een eenvoudige brug kan worden vergeleken met de bruggen die inboorlingen uit lianen bouwen. Daarover kunnen reeds velen betrekkelijk snel gaan zonder gevaar of overbodige moeite. Een nog grotere brug zal grotere massa’s het mogelijk maken de afgrond zonder meer te overschrijden.

Stel nu: Elke gerichte gedachte, die vanuit de stof op de geest wordt gericht, is als één enkele draad. Een groep, die zich gezamenlijk concentreert – een groep, die seanceert bv. – vormt al een kabel. De draagkracht van de band is aanmerkelijk groter. Het contact kan vollediger zijn. Wanneer er een feest plaats vindt als bv. Allerzielen, zullen zeer vele mensen bijna gelijktijdig met genegenheid en liefde denken aan de geest. Daardoor ontstaat, zij het tijdelijk, een soort grote brug. Dankzij deze overbrugging van de verschillen tussen stof en geest is een veel intenser contact tussen beiden mogelijk. Vandaar dat vele mensen juist in deze dagen geheel onverwachte contacten met de geest zullen ervaren. Zijn deze mensen daarvan zich door een gebrek aan gevoeligheid niet direct bewust, dan zullen juist in deze dagen, sensitieven als helderzienden e.d., hen daarop wijzen. Het optreden van een zeer groot aantal ongewoon duidelijke waarnemingen, het ontvangen van meer boodschappen dan normaal, vaak ook duidelijker en gedetailleerder dan gebruikelijk, evenals het optreden van door de geest veroorzaakte fenomenen met ongewoon hoge frequentie en kracht, is dan ook op bv. Allerzielen normaal te noemen.

Het zal u duidelijk zijn, dat niet alle geesten, die zich via deze brug tot de mensheid begeven, van gelijke waarde en bewustzijnsgraad zijn, evenals ook, dat degenen die aan het tot stand komen van deze brug in de stof meewerken, in verschillende groepen uiteen vallen. Degenen, die vanuit de geest de weg naar de stof terug kunnen vinden, zijn ten dele bewuste geesten.

Sommigen onder hen beschikken ook over andere middelen om zo nodig de stof te bereiken. Want een groep geesten, die zich geheel van eigen wezen en mogelijkheden bewust is, kan ook vanuit de geest een soortgelijke brug bouwen, mits er een gunstig punt van aanknoping op aarde daarvoor te vinden is. Deze meer bewuste geesten maken van de geboden gelegenheid gebruik met meer dan normale krachtreserven naar de wereld te gaan, zodat zij zich gemakkelijker en beter dan normaal daar kunnen manifesteren, terwijl zij tevens bepaalde, veelal kracht vereisende taken, juist dan kunnen volbrengen.

Naast deze groep vinden wij de z.g. halfbewuste geesten. Deze weten weinig van hun eigen mogelijkheden en capaciteiten af. In de geest zullen zij zich wel redelijk gelukkig voelen, zij kennen het Licht reeds. Wanneer zij de aarde benaderen, denken zij over het algemeen, dat die aarde tijdelijk deel uit gaat maken van hun eigen wereld. De contacten die tot stand komen, bezien zij alleen vanuit zichzelf, zodat zij niet precies zullen beseffen, wat er in feite plaats vindt.

Voor hen zijn banden in de stof belangrijk, wanneer zij bijvoorbeeld samenhangen met oude verplichtingen, genegenheden enz.. De zakenman, die bv. bij zijn overgang nog schulden had, zal zich in deze dagen er vaak mee bezig houden en nagaan, of deze schulden wel afgelost werden. Indien dit niet het geval blijkt te zijn, zal hij vaak proberen een weg te vinden om deze aflossing alsnog plaats te doen vinden, of het door het niet aflossen ontstane verlies voor anderen, enigszins te compenseren. Vrienden, die elkaar door een verschil in sfeer of leven langere tijd niet konden benaderen, komen tijdens een algemene concentratie, die een brug tussen stof en geest – en vaak ook tussen verschillende sferen – vormt, weer met elkaar in aanraking. Natuurlijk zullen ook allen, die banden van grotere genegenheid hebben met mensen op de wereld, van de gelegenheid gebruik maken met hen opnieuw in contact te treden. Toch zijn al deze persoonlijke contacten in wezen van minder belang, dan u misschien zou denken.

Er is nog een derde groep van geesten, die van deze brug gebruik maakt. Deze groep vertoeft meestal in nevelland en verkeren in een toestand van onbewustheid. In vele gevallen erkennen zij zelfs niet de eigen toestand en weigeren te geloven, dat zij dood zijn. Voor hen is het plotselinge contact – vooral wanneer dit het hernieuwd beleven van banden van genegenheid en liefde omvat – schokkend. Zij worden tijdelijk uit hun eigen wereldje van nevel, verdoold zijn en verdwazing losgemaakt en zullen – door deze nieuw ontvangen impressie en de mogelijkheid opnieuw contacten met de wereld te verkrijgen – zich vaak hun eigen toestand realiseren.

Vandaar dat voor hen deze brug over de kloof, die men “dood” noemt, een bevrijding betekenen kan vanuit duister naar Licht, van onbewustzijn naar een eerste aanvaarden van de werkelijkheid.

Tot nu toe noemde ik slechts één enkel gedenkfeest. Andere feesten, waarbij men aan de geest, aan de overgeganen, pleegt te denken, kunnen een soortgelijke invloed hebben. In alle gevallen is er sprake van een bijna toevallig tot stand komen van de overbrugging, waar de mens uitgaat van menselijke gewoonten en gebruiken. Stel nu, dat de mens bewust wil trachten de geest te helpen en contact met die geest te krijgen. Dan kan hij daarbij natuurlijk uitgaan van een kleine en exclusieve groep. Tenzij de groep tevens een contactpunt betekent voor een veel grotere groei in de geest, die een brug tracht te bouwen, zullen dergelijke kleine groepen nooit een werkelijk belangrijk contact met de sferen van de geest tot stand kunnen brengen. Zelfs indien de geest meewerkt en de verbinding dus van haar zijde uit verstevigt en in stand houdt, zijn de resultaten nog miniem te noemen, in vergelijk met de grote verbindingsmogelijkheid op bv. Allerzielen. Dergelijke kleine groepen staan dan ook onder een gemeenschappelijke strenge leiding. Dit is noodzakelijk om te voorkomen, dat de niet zo sterke verbinding geheel zou afbreken.

Wanneer een grote groep mensen tot een gelijkgericht denken komt, dat in zich een binding en contact met de geest bevat, kan door de geest met volle kracht en zonder enige beperking gewerkt worden. De mogelijkheid tot ingrijpen, zowel vanuit de geest, als uit de stof, zal steeds het sterkst zijn, waar een groepscontact ontstaat; dit zal altijd waar zijn, ongeacht de achtergronden van dit contact. Het groepscontact is niet afhankelijk van de wijze, waarop men zich de geest, het contact met de geest e.d., voorstelt. Mensen, die binnen een Christelijk geloof bidden voor hen die heen gingen en misschien nu in het vagevuur vertoeven, dan wel een manifestatie van de Goddelijke kracht, of van een heilige, verwachten, hebben precies dezelfde mogelijkheid tot het bouwen van een brug als anderen, die bijvoorbeeld dansen ter ere van de doden, of misschien zelfs ter ere van een bepaalde primitieve Godheid. Overal waar grote menigten samenkomen met een geestelijk doel, wordt een brug geslagen. De mate van overgave in de menigte is daarbij van betekenis voor de uitingen via deze verbinding en de mate, waarin kracht enz. via deze brug in de mensenwereld geuit zal kunnen worden.

Is de menigte daarbij – vanuit geestelijk standpunt – nogal laag gestemd, zo zullen de geesten, die allereerst en in de grootste mate van de geschapen mogelijkheden gebruik maken, niet tot de meest Lichtende geesten behoren. Zelfs dan blijft ook voor de Lichtende kracht nog de mogelijkheid zich langs deze weg eveneens te uiten. Naarmate het geloof, of de gedachtegang, een hoger niveau bereikt en meer ethische waarden in zich draagt, sterker besef van de Goddelijke liefdekracht enz. omvattend, zullen ook meer Lichtende krachten zich op aarde via deze weg openbaren. Dit is onder meer een verklaring voor het feit, dat binnen bepaalde geestelijke gemeenschappen zelfs geestelijke genezingen voor komen, ongeacht het grote verschil in opvatting daaromtrent. Ook wordt hierdoor verklaard, waarom bezieling enz., in grote gezelschappen gemakkelijker pleegt voor te komen dan in kleinere groepen. Wat dit laatste betreft, kan men ten hoogste een uitzondering maken voor groepen, die het brandpunt vormen van een krachtige en door vele geesten gezamenlijk tot stand gebrachte verbinding. Ook paranormale verschijnselen zullen bij voorkeur daar voorkomen, waar een groter gezelschap in algehele aanvaarding en overgave, geleid door dezelfde gedachte, de kloof tussen stof en geest, tijdelijk heeft overbrugd.

Wij kunnen dan ook stellen, dat, waar eenmaal een brug aanwezig is en ongeacht het feit, hoe deze tot stand kwam, door het instellen van het eigen wezen en het daarin brengen van de meest juiste en harmonische gedachten, het contact met hogere geest en hogere kracht aanmerkelijk vereenvoudigd kan worden, terwijl de Lichtende krachten hierdoor de mogelijkheid vinden zich aan de mens op een buitengewoon sterke en overtuigende wijze kenbaar te maken. Indien in een grote menigte, die een brug bouwt, één enkele bewuste aanwezig is, zal dit reeds een aanmerkelijk sterker optreden van Lichtende krachten ten gevolge kunnen hebben. Dit geldt voor de stof, maar in even grote mate voor eventuele overbruggingen, die in bepaalde lagere sferen tot stand kwamen. Wanneer in Zomerland een groot aantal entiteiten samen komt om gezamenlijk de Schepper te loven, bouwen zij een brug naar hogere werelden, waardoor een Lichtende kracht – door hen soms een Lichtende zuil of pilaar genoemd, soms een Lichtende meester – zich binnen deze kring kenbaar manifesteert en de mogelijkheid heeft de aanwezigen naar eigen bewustzijn – al is dit maar tijdelijk – te doen delen in de krachten en de wijsheid van een hogere sfeer. Het is belangrijk, dat men overal waar een gemeenschappelijk denken ontstaat dat niet alleen stoffelijke waarden omvat, tracht vanuit zichzelf door zo scherp mogelijke concentratie en een zo goed mogelijke instelling, een contact met een hogere geest tot stand te brengen.

Ik maak van de gelegenheid gebruik u er nogmaals op te wijzen, dat de condities voor dergelijke contacten, in deze dagen toenemend gunstig zijn. Dit is te danken aan de gespannenheid van de mensheid, wijzigingen in de atmosfeer, lichte wijzigingen in het aardmagnetisch veld enz.

Wanneer u zo dadelijk het Allerzielenfeest gaat vieren, kunt u zich natuurlijk alleen met de arme – of meer gelukkige en door u persoonlijk gekende – overgeganen bezighouden. Maar, gezien het belang van het contact tussen stof en geest, dat in deze dagen steeds groter wordt, zou het verstandiger zijn uw gedachten ver boven de persoonlijke associaties en aspecten uit te breiden.

Het zou het beste zijn, indien u poogde voor de hoogste geesten de mogelijkheid te scheppen om zich direct en geheel actief op aarde te openbaren. U kunt dit doen door een zo hoog mogelijk principe, bv. Goddelijke liefde, het Licht Gods e.d. als doel van uw overwegingen te nemen. Stel u op deze waarden zo sterk mogelijk in. Tracht deze krachten werkzaam te zien op aarde en in lagere sferen. Pas wanneer u deze dingen in uzelf volkomen aanvoelt, mag u uw eigen overgeganen – en dan voornamelijk in verband met de kracht, waarover u mediteerde – herdenken. Daardoor brengt u voor de overgeganen, zowel als voor het gehele deel in de stof levende mensheid, veel meer tot stand, dan bij een zuiver persoonlijke herdenking bereikt kan worden. Vooral een herdenking, die vol herinneringen is, zal vaak zeer beperkt in haar werkingen zijn. Hoe sterker de mens de mogelijkheid schept voor de Lichtende geesten om op aarde in te grijpen, hoe juister het denken en de instelling van een zo groot mogelijk aantal mensen, hoe beter dit is voor de aarde, terwijl de mogelijkheden voor stof en geest tot een gezamenlijk handelen en streven in de komende tijd eveneens onvoorstelbaar toeneemt.

Aan het bouwen van dergelijke banden tussen stof en geest is nog een ander aspect verbonden. Wanneer een dergelijke brug gebouwd is en voor de geest bruikbaar blijft, is het duidelijk, dat de geest alles zal doen om deze verbinding zo lang mogelijk in stand te houden. Een contact tussen stof en geest, dat alleen op enkele dagen in het jaar redelijk tot stand gebracht kan worden, is, vanuit de geest gezien, niet direct bevredigend. Gezien de traagheid van de stofmens bij het herdenken van overgeganen is het aantal mogelijkheden zeer laag. Vandaar, dat wij vanuit de geest menen iets te moeten doen gedurende de periode, dat een algemeen contact tussen stof en geest mogelijk is. Het beste zou zijn deze brug in stand te houden, maar er zijn nu eenmaal omstandigheden, die dit moeilijk maken en vaak zelfs geheel onmogelijk. Wij zoeken daarom een andere oplossing. Wij zoeken op aarde in bepaalde mensen en groepen iets te leggen, dat ook bij het wegvallen van een directere verbinding, door resonantie tussen de geest en de geestelijke voertuigen van de in de stof vertoevende, een zekere mogelijkheid tot contact laat.

Dat klinkt misschien vreemd. Maar op aarde doet men ongeveer hetzelfde: Een zakenman gaat bv. naar Z. Amerika. Hij verkoopt daar zijn product, maar kan natuurlijk niet onbeperkt zich daar met deze verkoop bezig blijven houden. Daarom zoekt hij daar te lande een zo juist mogelijke vertegenwoordiging te vinden, die zijn belangen waarneemt. De contacten met deze vertegenwoordiging worden in stand gehouden door briefwisseling, terwijl ook de mogelijkheid bestaat, dat de vertegenwoordiger de mogelijkheid heeft zijn opdrachtgever in Nederland te bezoeken of elders te treffen. Door de eenheid van streven tussen de zakenman en zijn vertegenwoordiger zal het streven van beiden zozeer in overeenstemming zijn, dat met enige goede wil – zelfs bij gebrek aan een veel voorkomend contact – het doel bevorderd wordt op een wijze, die het streven van elk der beiden afzonderlijk verre overtreft en een meer rationele mogelijkheid schept zowel voor handel als productie.

De geest handelt ongeveer gelijk. Tijdens een periode, dat een algemene overbrugging tussen uw en onze wereld tot stand komt, zoeken wij mensen, die door hun wijze van leven, denken, enz., bijzonder geschikt zijn om als contactpunt op te treden. Zolang deze mensen niet in staat zijn tijdelijk de stof achter te laten en de geestelijke wereld bewust te betreden – waardoor een algehele geestelijke inwijding mogelijk wordt – kan een geestelijke inwijding reeds op deze wijze worden gegeven. De hoofdfasen van een dergelijke gedeeltelijke inwijding komen dan tot stand rond belangrijke gedenkdagen, of tijdens een belangrijke concentratie op het hogere door grotere groepen. Indien men dit proces in christelijke zin wil omschrijven, kan men dit mijns inziens het beste de doop door de Heilige Geest noemen. Ons werk – vanuit de geest gezien – houdt zich bezig met het scheppen van een kosmische harmonie. Een kosmische harmonie betekent niet meer of minder dan een gelijkheid van bewustzijn en bestreving. Deze gelijkheid wordt nimmer uitdrukbaar in actie, maar zal vooral betrekking hebben op intenties.

Niet de handelingen, maar het doel van de handelingen zal in dit geval bepalend zijn voor het optreden van een harmonie en het al dan niet kosmische karakter daarvan.

Vergelijk: Een fabriek maakt een ingewikkeld en samengesteld product, een auto, radio, e.d.. Er zijn vele arbeiders bij de productie betrokken. Elk van die arbeiders handelt enigszins verschillend; elk van hen heeft een andere taak te vervullen. Sommige taken lijken bij oppervlakkige beschouwing zelfs tegengesteld. Het is mogelijk, dat een arbeider kabels staat te lassen, terwijl iets verder een ander kabels staat door te knippen. Indien men beseft, dat het hier gaat om kabels met verschillende werking of bestemming, ongeacht een uiterlijke gelijkheid, kan men de zinrijkheid van deze tegenstrijdige handelingen beseffen. Zelfs indien men hiervoor geen begrip heeft, blijft het feit bestaan, dat deze vele schijnbaar tegenstrijdige handelingen gezamenlijk bijdragen aan het tot stand komen van het eindproduct. Vergelijk nu het streven naar kosmische harmonie en het tot stand komen daarvan met dit proces. De handelingen, die wij verrichten, de stellingen, die wij verkondigen, de krachten, die wij ontvangen en de krachten, die wij aan andere geven kunnen, kunnen vanuit stoffelijk standpunt tegengesteld zijn, zonder dat hierdoor de eenheid van geestelijk streven ook maar enigszins in het gedrang komt. In vele gevallen zal deze stoffelijke tegenstrijdigheid zelfs noodzakelijk zijn, omdat alleen daardoor de geestelijke eenheid, de begeerde harmonie, verwezenlijkt kan worden. Geestelijk gezien blijkt, dat elk van deze schijnbaar tegenstrijdige krachten en handelingen voor het bereiken van het doel werkelijk onontbeerlijk is. De contradictie is schijnbaar, omdat alle instellingen en handelingen in gelijke mate tot het bereiken van het begeerde einddoel bijdragen. Zover het de mensheid betreft, is dit einddoel: De realisatie van het Goddelijke Licht. Deze realisatie dient uiteindelijk alles te omvatten, wat als mens in de stof leeft, plus elke geest, die de menselijke bewustwordingsgang heeft doorgemaakt en zo in bewustzijn met de mensheid verbonden is. Deze erkenning van de Goddelijke liefde moet ook inhouden een erkennen van alle wetten, die uit het Goddelijke voortkomen en de rechtvaardigheid van de scheppende macht, die daardoor tot uiting komt. Een algehele aanpassing van menselijke wezens in stof en geest, evenals een werkelijke en voortdurende samenwerking kunnen hierdoor tot stand komen. Deze absolute en volledige samenwerking maakt het dan voor allen, die eens mens geweest zijn, mogelijk de openbaring van het Goddelijke binnen de mensheid geheel te leren kennen en beseffen. Om dit doel te kunnen bereiken, zullen wij uit de geest onze invloed steeds meer ook in de wereld van de stof en de lagere sferen kenbaar moeten maken. Vanuit de geest is er dus onnoemelijk veel te doen. Nu leeft in elke mens eveneens een geest. Indien deze geest – ongeacht de beperking, die voor haar voortvloeien uit het bestaan in de stof – mee weet te werken met de vrijere geest uit de sferen, kan zij haar eigen werk zowel als de taak van de geest aanmerkelijk verlichten. Daarnaast kan de mensheid in de stof ook op geestelijk gebied bepaalde taken van ons overnemen. Deze taken omvatten zowel hogere en Lichtende sferen, als contacten met dolende zielen in duistere en halfduistere sferen. Daarnaast is de geest in de stof natuurlijk in het bijzonder belangrijk en bruikbaar, wanneer het over ontwikkelingen op eigen wereld gaat. Uit het voorgaande volgt, dat u het ons gemakkelijker kunt maken de Lichtende krachten en de daarin liggende mogelijkheden op aarde kenbaar te maken. Misschien meent u, dat daarvoor reeds andere krachten werkzaam zijn. Ik vergeet niet, dat de Grote Broederschap op aarde al zeer lange tijd werkzaam is. Ondanks haar grote macht en haar vele mogelijkheden is deze alleen in staat algemene leiding en algemene inzichten te geven. Alles, wat in algemene zin geschiedt, betekent een werken met een gemiddelde. Dit gemiddelde maakt het noodzakelijk bepaalde offers te brengen. Van een deel van de mensheid zal de Grote Broederschap offers moeten vergen, terwijl zij voor anderen nog iets tekort schijnt te schieten. Let wel, dit is geen verwijt tegen de Grote Broederschap in de stof, die zich geheel geeft aan de bewustwording van de mensheid. Ook stel ik niet, dat deze onvolmaaktheden bewust gezocht worden. De beperkingen, die de Witte Broederschap zich op moet leggen bij de meer stoffelijke aspecten van haar taak en de benadering van de mensheid, komen voort uit bittere noodzaak. Als de mens en de geest tot een juister en verdergaand contact kunnen komen, een samenwerking op hoofdzakelijk geestelijk gebied, die steeds meer kan omvatten, zal naast de algemene leiding, die op het ogenblik aan het lot van de mensheid gegeven wordt, ook een meer persoonlijke leiding voor allen, die bewust willen streven, tot stand gebracht kunnen worden. Dit betekent onder meer, dat niet langer een groot deel van de mensen als passieve waarde zal worden beschouwd, als iets, wat gemanipuleerd moet worden, doch allen gelijkelijk bewust en volgens eigen kunnen en inzichten in het bewustwordingsproces van het geheel kunnen worden ingeschakeld. Deze mogelijkheid, plus het doel, dat de geest zich stelt, maakt het juist gebruiken van gedenkdagen enz. wel zeer interessant. Gezien de bijzondere aandacht, die de mens op Allerzielen aan de overgeganen wijdt, zal – zoals reeds opgemerkt – de meest directe en in veler ogen ook belangrijkste werking kenbaar worden bij hen, die op het ogenblik nog dolen en in het duister vertoeven. Als tegenstelling hiertoe kunnen wij het kerstfeest stellen, waarbij de algehele gedachtegang zich eerder richt op vrede op aarde, de Goddelijke liefde e.d.. Daardoor zal normalerwijze gedurende deze dagen een veel sterker merkbaar contact met hogere krachten tot stand kunnen komen. Het werken vanuit de Lichte sferen blijft in feite gelijk aan het werk dat ook op Allerzielen verricht wordt. Het verschil in resultaten is dan ook in de eerste plaats te danken aan het feit, dat de brug naar de geestelijke werelden op een enigszins andere wijze en zeker met de nadruk op andere geestelijke waarden, wordt geslagen.

Ik hoop met dit betoog u duidelijk te hebben gemaakt, dat het contact tussen stof en geest niet alleen een zuiver persoonlijke kwestie is. Natuurlijk bestaat er een persoonlijk contact tussen mens en geest; er zijn mogelijkheden tot het zuiver persoonlijk beleven van geestelijke waarden, een persoonlijk ontvangen van leringen. Daarnaast bestaat het kosmische doel van de mensheid en het streven van de bewuste geest juist dit over de gehele linie te verwerkelijken. Het gaat in de eerste plaats om het bereiken van een bewuste harmonie met een bewuste samenwerking in het grote Licht, het Lichtende bewustzijn van de Alkracht in allen. Het feit, dat dit laatste sterk bevorderd kan worden door het denken van de mensen op bepaalde gedenkdagen, is voor ons van groot belang. Wanneer wij dus eenmaal geen verdere aandacht wijden aan Allerzielen, betekent dit zeker niet, dat wij dit als geest van weinig belang achten.

Zie ons overgaan tot andere onderwerpen niet als een zijdelingse verklaring. Wij hebben al zo vaak gesproken over Allerzielen, wij zullen het nu maar verder vergeten. Eerder is de oorzaak gelegen in het feit, dat wij, gezien het karakter der tijd en de daarin optredende verschijnselen, het belangrijker achten andere waarheden met u te bespreken en lessen te geven, die op het ogenblik van groter belang en meer van toepassing zijn dan een herdenking, die overal elders plaats vindt en u dus heus niet zal ontgaan.

Mijn betoog van heden komt voort uit de hoop, dat u ook binnen de meer massale vormen van contact met de geest, de Lichtende invloeden zult helpen versterken en – als het even kan – overal waar mensen met een niet zuiver stoffelijk doel samen zijn of werken, uw gedachten zult laten gaan in de richting van de Lichtende en kosmische harmonie, zo het werk van de geest bevorderende. De geest kan voor de mensheid nog veel meer doen, dan haar door de mensheid op het ogenblik vergund wordt te volbrengen. Door de Goddelijke wetten is er namelijk een bepaalde harmonie noodzakelijk, vooraleer vanuit de geest een werking naar de stof kan uit gaan. Help ons dus de juiste contacten te leggen, opdat wij – en alle Lichtende geesten met ons – in staat zullen zijn u stoffelijk en geestelijk verder te brengen op het pad van de bewustwording. In deze tijd vol verwarringen, spanningen en moeilijkheden kan de geest u helpen op de juiste wijze ook binnen de stof tot vernieuwing te komen. Er zijn vele mogelijkheden. Gebruik dus elke mogelijkheid, die u gegeven wordt om het contact met de geest te versterken, zelfs indien dit voor u niet een persoonlijke beleving inhoudt.

Daarmee wil ik voor heden volstaan, ofschoon natuurlijk nog vele andere facetten onmiddellijk met dit onderwerp samenhangen.

Esoterie

In dit gedeelte willen wij trachten een deel van de esoterische weg en de daarin gelegen mogelijkheden wederom iets nader te beschouwen. Ik zal zo vrij zijn u dit alles vanuit mijn eigen standpunt voor te leggen, mede in de hoop, u daardoor een ander inzicht te geven in denkwijzen, die op aarde nog bestaan.

Alle innerlijke bewustwording is een gevolg van een groter wereldbegrip. Men kan zichzelf niet beter leren kennen, wanneer men niet tevens de wereld, het Al, beter leert kennen. Men kan in zich zijn God niet bereiken, wanneer men niet geleerd heeft die God eveneens te erkennen in alles, wat buiten het eigen ik bestaat. Nu zal elke ziel, die op aarde incarneert, reeds op een eigen wijze enige binding met het Goddelijke bezitten en een – zij het vaak beperkt – begrip omtrent eigen wezen eveneens bereikt hebben. Aan de hand van deze bereikingen kan men tot een indeling op aarde komen, waarbij alle leven in verschillende groepen van bewustzijn kan ondergebracht worden. Daarbij vinden wij enige groepen van mensen, waarvoor het begrip “esoterische bewustwording” een uiterlijk geheel verschillende inhoud kan hebben.

De laagste groep is over het algemeen een groep van entiteiten, die zich voor deze incarnatie ternauwernood als vrij wezen heeft leren gedragen. Bindingen aan groepen en groepsgeesten zijn voor deze geïncarneerden nog zeer dichtbij. Een definitie van de werkelijke waarden van het leven is in deze toestand moeilijk te geven. Hier zoekt men vooral buiten zich naar het bovennatuurlijk verschijnsel, dat dan tevens een verklaring vormen moet voor het eigen innerlijk. De esoterie van deze groep bevat hoofdzakelijk pogingen om het eigen Ik in de wereld te verklaren en alle gebeurtenissen op een voor dit ik aanvaardbare wijze uit te leggen. De bewustwording, die hieruit voortkomt, is wel degelijk een belangrijke fase van het innerlijke pad. Zij brengt de mens tot een juistere harmonie met zijn omgeving, een uitbreiding van bewustzijn omtrent het Goddelijke wezen, de Goddelijke waarden en werkingen.

Aan het einde van die ontwikkeling staat het bewustzijn van het ik als een zelf verantwoordelijk wezen, dat zijn banden met de Schepping en Schepper dient te realiseren door eigen streven.

Naar buiten toe blijkt van deze esoterie weinig. De mens, die zich in deze fase bevindt, kan niet werkelijk abstract denken, zonder tevens de rede voor een groot deel prijs te geven. Hij is zelfs niet in staat geest en stof als van elkaar te onderscheiden waarden te zien, ofschoon hij wel stellingen pleegt te huldigen omtrent een voortbestaan van de geest na de dood.

Meen nu niet, dat deze groep alleen uit wilden bestaat. Daaronder zult u velen aantreffen, die volgens de wereld waarin u leeft, grote intellectuelen en zeer belangrijke mensen zijn. Zij zijn ofwel mensen van de feitelijke wetenschap, die alleen met bewijsbare feiten rekening willen houden en al het andere ook voor zichzelf geheel verwerpen, dan wel fetisjisten, die alle heil van een bepaalde waarde verwachten, hoewel dit redelijk niet verantwoord is. Onder hen vinden wij vaak politici e.d. Hun fetisj kan evengoed wetenschap, stelling, godsdienst heten, als ook een meer primitieve vorm van geloof omvatten. De laatsten zijn geneigd alle aansprakelijkheid af te wentelen door zich te beroepen op de juistheid van hun fetisj, zonder deze ooit op de proef te stellen. Deze typen vinden wij overal. Het behouden, van wat bestaat, is voor hen uitermate belangrijk, want slechts daarin kunnen zij zichzelf nader definiëren, slechts daaruit kunnen zij innerlijk verder groeien. Deze dagen zijn voor hen bijzonder zwaar, omdat de gevestigde waarden van stof en geest, waarop zij plegen te bouwen, veranderen, of zelfs teniet dreigen te gaan.

Een volgende groep incarneert op aarde met een redelijk begrip omtrent zichzelf en een zekere vrijheid van keuze en denken. Deze groep begint over het algemeen in het leven met een poging de volmaaktheid te bereiken. Daarom zijn deze mensen veelal in opstand tegen alles rond hen.

In zich hebben zij de droom van volmaaktheid, maar kunnen deze niet realiseren, omdat zij deze volmaaktheid alleen buiten zich zoeken. Voor hen begint de esoterie als een zoeken naar harmonie tussen het innerlijke leven en de uiterlijke wereld. Zij wordt hen helaas vaak tot een vlucht voor de niet te overwinnen onvolmaaktheden van het uiterlijke leven in innerlijke voorstellingen, die met de werkelijkheid weinig of niets te maken hebben. De wijze, waarop men zichzelf dan denkt te kennen, is van de werkelijkheid ver verwijderd. Men ziet zichzelf als een centraal wezen, edel, wijs en lichtend, maar erkent nimmer, dat men in feite zijn aansprakelijkheden in de stof, zijn gefrustreerd idealisme e.d. zoekt te ontwijken in voorstellingen, die, zelfs voor eigen redelijk denken in feite niet meer aanvaardbaar kunnen zijn. In dit geval zoekt men vaak een toevlucht in een strenge godsdienstige gemeenschap. In vele gevallen zullen deze typen hun angst voor teleurstellingen in het leven, of hun angst voor het leven, ontwijken door zich te binden in zo besloten mogelijke kloostergemeenschappen. In meer gunstige ontwikkeling blijkt hier een esoterisch zoeken te ontstaan, dat uitgaat van het menselijke weten, maar door filosofie en innerlijk beschouwen inderdaad een redelijk begrip voor eigen wezen mogelijk

maakt. De derde groep bevat de geest, die bij haar incarnatie op aarde reeds enige wijsheid bezit en waarschijnlijk reeds enige levens achter zich heeft. Haar inzicht in mensheid en menselijke problemen is groter dan bij de vorige groepen. Gelijktijdig is het gevoel van eigenwaarde vaak onredelijk groot. De neiging bestaat om alle leven als beneden het Ik liggende te zien. Men plaatst zich gaarne op een voetstuk en kan dit ten dele nog waar maken door zijn geestelijke gaven. De geest heeft in dit geval moeilijkheden, wanneer zij zich dient te identificeren met de lager-bewusten. De groep streeft naar boven. Zij heeft vaak voldoende innerlijk bewustzijn om reeds tijdens het stoffelijke leven een contact met het Goddelijk Licht te bereiken. Wat deze groep ontbreekt, is het vermogen de uitingen van het Goddelijke Licht in alle dingen ook te aanvaarden. Wanneer leden van deze groep zich positief ontwikkelen, worden zij al snel tot geestelijke leiders in hun omgeving. Zij hebben dan ook weinig respect voor de bestaande regels, die in deze omgeving gelden.

De drie opgesomde groepen moeten worden beschouwd als mogelijk behorende tot de stoffelijke esoterie. Bij hen is alles, wat zij esoterie noemen en wat voor hen de innerlijke weg aanduidt, een reactie op alles, wat buiten hen bestaat. Daarom zijn zij, met uitzondering misschien van de meer positieven van de laatste groep, in deze dagen van betrekkelijk weinig belang. Voor hen allen geldt, dat zij – juist, waar het de innerlijke weg betreft – teveel door hun wereld worden beheerst, worden geregeerd en beïnvloed, terwijl zij zichzelf te weinig regeren.

Naast de drie genoemde groepen treffen wij nog enkele incarnerende groepen, die – ofschoon in aantal beperkter – hogere innerlijke waarden en soms zelfs de kosmische werkelijkheid kunnen bereiken. Allereerst noem ik hier de groepen van hen, die incarneren, terwijl zij zich innerlijk bewust worden van een taak en hun leven besteden aan de vervulling daarvan. Voor hen is het besef van alles, wat in hen leeft, alle weten omtrent het eigen ik – hoe beperkt dit vooral in de jonge jaren ook moge zijn – tevens een realisatie van alles, wat zij in zich erkennen en buiten zich voelen te moeten betekenen. Zij trachten steeds weer hun innerlijke wereld en vooral de God, die zij in zich vinden, naar buiten toe te representeren. Soms worden zij daardoor tot priesters en gewijden, soms treden zij op als leraren. In vele gevallen zijn zij occultisten en filosofen. Hun handelen berust op het innerlijke besef van een harmonie, die ergens bestaat en nooit meer verbroken kan worden. Verder streven zij naar en erkennen soms reeds een harmonie, die het innerlijke ik met de Godheid verbindt, terwijl daardoor tevens het innerlijke ik en al zijn uitingen in een vaste verhouding aan de wereld gebonden wordt. Onder deze verwachten wij in de komende dagen velen die, zij het misschien nog niet geheel bewust – tot Lichtdragers en leermeesters voor de anderen kunnen worden, te midden van de komende omwentelingen.

Nog hoger staat een groep van hen, die geleerd hebben altijd weer in zich het Goddelijke Licht te verwerkelijken. Hun incarnatie, die in vele gevallen tevens hun laatste menselijke vorm is, wordt beheerst door dit innerlijk beleven. Voor hen zijn occultisme, wetenschap en filosofie slechts een middel om tot uitdrukking te brengen, wat zij in zich erkennen en beleven. Zij spreken niet meer van een taak als een belangrijke waarde in het leven. Voor hen is de taak reeds een natuurlijk deel van het leven geworden, zonder welk men zich het Zijn niet eens meer indenken kan. Men kent voor de taak dan ook geen dankbaarheid meer in deze groep, doch ergert zich ook niet aan de conflicten, lasten en moeilijkheden, die uit het vervullen van die taak voortspruiten. Men beleeft het leven en in het leven steeds weer het Goddelijke Licht, dat een erkennen van eigen ik mogelijk maakt en steeds duidelijker ook de relatie tussen dit Ik en de scheppende kracht doet beseffen. De leden van deze groep plegen niet naar buiten toe op te treden als leraren e.d.. De leden van deze groep verbergen zich onder alle standen en leven onder alle volkeren.

Ofschoon zij vaak occult geschoold zijn en over vele grote gaven plegen te beschikken, plegen zij hun begaafdheden voor de buitenwereld te verbergen. Alleen wanneer het direct tot hun taak behoort, doen zij bepaalde gaven of waarden ook naar buiten toe blijken. Voor hen is het innerlijk Licht het belangrijkste. Dit zal ook de manifestatie zijn, waardoor zij op aarde geleid worden en waardoor hun eigen werken bepalend is. Hun eigen aansprakelijkheid en inzicht is van groot belang en kan voor hun prestaties en optreden mede bepalend zijn.

Boven hen staat de groep der incarnerenden, die – zich van eigen wezen bijna geheel bewust en in zich het Goddelijke Licht, maar ook bewuste en beheerste functies van het Goddelijke Licht kennende – op aarde komen met een nauw omschreven doel. Zij kennen de Goddelijke wetten en zijn zeer goed op de hoogte van de mogelijkheden en ware werkingen in hun eigen wezen.

Het zijn vooral deze incarnerenden, die – binnen de beperkingen van hun eigen ik – de volledige uiting op aarde kunnen zijn van de Godheid. Zij worden tot grote geestelijke leraren en meesters. Veelal werken zij in het verborgene. Wanneer zij in het openbaar werken, zullen zij bewust een deel van hun weten en inzichten voor zich behouden.

Er is nog een groep van incarnerenden: de ingewijden. Hun incarnatie op aarde is geheel vrijwillig. De ingewijde kent zichzelf in alle sferen, leeft gelijktijdig in alle sferen en bezit alle mogelijkheden daarvan, ook in zijn stoffelijk voertuig. Wanneer iemand uit deze groep in zich schouwt, erkent hij het totaal van eigen levenspad. Alle samenhangen van dit ik met verschillende werelden worden geheel beseft. Het leven op aarde is slechts een uitdrukken van dit geheel volgens de kosmische wetten en in het ik bestaande behoeften.

Ik hoop met deze korte uiteenzetting van de verschillende groepen die op aarde een esoterisch streven kennen, een nader inzicht gegeven te hebben in het volgende: Men gaat uit van de innerlijke God en de innerlijke wijsheid, die tevens een besef inhoudt omtrent de beperkingen en die aan het ik – krachtens Goddelijke wetten en de kwaliteiten van dit ik – zijn opgelegd. Men stelt dan ook steeds weer: de esotericus moet vrij zijn. Juist hij, die het innerlijke pad gaat, moet ongebonden en vrij van alle uiterlijke beperkingen zijn innerlijk wezen, in alle werelden, waarin hij bestaat, tot uitdrukking kunnen brengen. In zich draagt de esotericus de wet en het leven. Wie gebonden is, is slaaf. Wie tracht te heersen, is eveneens slaaf, maar nu van de macht, die hij verwerft. Wie vrij is, zal zijn innerlijk wezen uitleven, het steeds weer tot uiting brengende en zo in en buiten zich steeds weer dezelfde waarden erkennende.

De bereikingen, die wij bij het volgen van het innerlijke pad nader voelen komen, zijn uiterlijk vaak onbelangrijk. Zij uiten zich soms door wat inspiratie, enig inzicht, wat kracht, die men anderen mag schenken. Zelfs is een innerlijke bereiking in zijn uitingen soms beperkt tot het vermogen in eigen lijden en leven de kosmische werkingen te erkennen, of het vermogen om het lot van een gemeenschap in het eigen ik bewust te dragen. In vele gevallen brengt de innerlijke bereiking voor de esotericus in de stof ook een voortdurende strijd met bepaalde elementen van zijn persoonlijkheid, want juist de mens, die – esoterisch strevende – de vrijheid, heeft aanvaard, zal in een voortdurende worsteling met zichzelf gewikkeld zijn. Hij moet de beperkingen, die in hem zijn, voortdurend respecteren, ook tegen alle uiterlijke waarden en het oordeel van anderen in. Deze mens mag geen stoffelijke beperkingen aanvaarden, die niet in het ik eveneens bevestigd zijn. Een zich baseren op stoffelijke beperkingen, die innerlijk niet erkend worden, zou immers de zoeker terug kunnen houden van een voortschrijden op het innerlijke pad. Wie zich aan de uiterlijkheden van zijn wereld te sterk bindt, wordt vaak op afwegen gevoerd, die een vertraging van bewustwording, of zelfs het teniet gaan van bepaalde bereikingen met zich kan brengen.

Elke mens zal beseffen, dat men, indien men een algehele innerlijke vrijheid ook in de wereld buiten zich gaat uitdrukken, de vraag rijst, of dit voor anderen – vooral voor minder-bewusten – geen schade met zich kan brengen. Daardoor ontstaat voor de esotericus de vreemde toestand van wankelbaarheid en twijfel moedigheid, waarbij men in feite niet weet, wat te doen. Innerlijk aanvaardt men een bepaalde waarde, uiterlijk voelt men zich verplicht een geheel andere waardering te aanvaarden en te handhaven. Dit kan voeren tot een daadloosheid, waarbij noch aan de stoffelijke noodzaken, noch aan de innerlijke behoeften tegemoet gekomen wordt. Juist het vinden van de juiste weg in deze punten, het vinden van een weg, die men – zonder schade voor anderen, maar ook zonder zichzelf te verloochenen – kan begaan, is een van de grootste opgaven op het levenspad. Om hierbij enige leiding en steun te ontvangen kan men zich baseren op enkele, direct uit het Goddelijke voortspruitende wetten en regels, die elk voor zich vaak een beslissen vereenvoudigen, zonder aan de innerlijke wereld, of het uiterlijke leven tekort te doen.

Enkele van deze regels wil ik opsommen in de hoop, dat ook dit u behulpzaam zal kunnen zijn bij het erkennen van uw eigen ik en het juist gebruik van de mogelijkheden daarvan.

De Goddelijke wet stelt in de eerste plaats: Voor de mens is de aanvaarding – i.c. de niet persoonlijke liefde – de belangrijkste factor in het leven. De niet-persoonlijke liefde betekent namelijk een realisatie van de eenheid, die in het geheel van de Schepping bestaat en biedt de beste mogelijkheden tot het erkennen en verwerkelijken van eigen wezen. Alles, wat in liefde wordt volbracht, is goed. Maar een liefde, die anderen uitsluit, of tot schade van anderen wordt, is ten alle tijde onaanvaardbaar en schadelijk voor de bewustwording.

De kosmische krachten en wetten worden voor ons het meest juist omschreven door de stelling, dat oorzaak en gevolg voortdurend op ons inwerken, stoffelijk, zowel als geestelijk. Indien wij bij het zoeken naar bewustzijn, of het stellen van een daad, uitgaan van ons huidig standpunt en weten, mogen wij – volgens deze wetten – een keuze doen. Indien deze keuze volgens eigen begrippen verantwoord is, zullen onverwachte, of niet begeerde gevolgen, slechts tot lering strekken en geen schuld of beperking van bewustwording inhouden.

Een beslissing nemen en toch niet verwerkelijken, dan wel een beslissing verwerkelijken zonder van de volledige juistheid daarvan overtuigd te zijn, is schadelijk voor het ik en voert tot vele onaanvaardbare ontwikkelingen.

Verder mogen wij stellen, dat alle verschijnselen tijdelijk zijn, terwijl elke Goddelijke waarde eeuwig is. De mens, die zich bindt aan tijdelijke verschijnselen, zij het in voorwerpen, personen, of toestanden, verwijdert zich van het Goddelijke, of maakt het zich onmogelijk dit Goddelijke verder te benaderen.

Wie elke beleving als op zich staande, onafhankelijk van het geheel en alleen dienstig tot verdere erkenning van het Goddelijke beschouwt, zal in elke daad en gedachte, innerlijk en uiterlijk, zijn eenheid met het Goddelijke kunnen vergroten.

Ten laatste is het belangrijk u te realiseren, dat wij, krachtens de Goddelijke wetten, die de Schepping beheersen, ín onszelf steeds de op het ogenblik voor ons heersende en geldende wetten, zullen dragen. Ons wezen zelf, ook wanneer het innerlijk niet geheel gekend is, ook wanneer wij eigenlijk nog onbewust zijn, bepaalt reeds, wat wij mogen en kunnen doen.

Indien wij deze innerlijke wetten niet willen aanvaarden, zullen wij ons verzetten door bitter tegen de wereld rond ons te protesteren, de erkende innerlijke wet en waarheid verminkende tot deze onherkenbaar geworden zijn. Hieruit wordt waan geboren, die slechts moeizaam bestreden en overwonnen kan worden. Aanvaarden wij volledig de innerlijke wet, dan voert zij ons door haar richtlijnen en beperkingen, die juist bij ons wezen en ogenblikkelijk peil van bewustzijn passen, tot de juiste en harmonische belevingen, die de innerlijke bewustwording helpen voltooien en het mogelijk maken de beperkingen van stoffelijke en sfeerbepaalde levensvormen voorgoed achter ons te laten.

Ik hoop, dat u ook dit heeft kunnen volgen. Wij mogen natuurlijk menselijk denken, zolang wij mens zijn. De wereld, waarin wij leven, is voor ons een noodzakelijke beleving. Zonder noodzaak zullen wij ons nimmer in een bepaalde vorm van leven, of zelfs maar een bepaalde situatie bevinden. Alle noodzaak wordt uit onszelf geboren. Elke maal, dat voor ons een uiterlijke beslissing noodzakelijk wordt, betekent dit, dat eveneens een innerlijke realisatie noodzakelijk is. Wij kunnen uiterlijk leven en innerlijk leven alleen scheiden door een onderscheid in de betekenis daarvan te zien. Het uiterlijk kunnen wij steeds vanuit ons standpunt als voorbijgaand zien, terwijl het innerlijke voor ons eeuwig is. Verdere scheidingen zijn niet mogelijk. Daarom moeten wij als geest en als mens steeds leven naar de waarheid die in ons bestaat. Deze waarheid moeten wij zo direct en reëel mogelijk voor onszelf uiten. Het heeft weinig zin onszelf te bedriegen. Wie zichzelf bedriegt, al is het maar omtrent eigen motieven, zal in zich weigeren een deel van het ik te erkennen. Dit betekent een vermindering van bewustwording en een verminderde mogelijkheid om met het Goddelijke de juiste harmonie te bereiken.

In dit verband wijs ik op het voorgaande, dat bestaat tussen innerlijke waarheid en de krachten, die men beschermgeesten, geleidegeesten, of Goden noemt. Zolang wij harmonisch zijn met een bepaalde kracht, zal deze kracht voor ons gemanifesteerd in het leven naast ons kenbaar zijn. Wat naast ons direct bestaat aan Goddelijke waarden en geestelijke leiding, bestaat eveneens in ons innerlijk, is deel van de innerlijke weg en dient geheel beseft te worden. Dit laatste is van groot belang, omdat deze krachten tevens deel uitmakende van het eigen kosmische ik, het ons mogelijk maken onszelf beter te leren kennen en de Godheid in onszelf te realiseren. Alle geestelijke krachten, die u als mens ontmoet en alle stoffelijke werkingen, waarmee wij als geest te maken hebben, zijn deel van het innerlijke pad, mits wij ze als zodanig beseffen en aanvaarden.

Het is mogelijk om bv. als mens in het leven vele dingen te doen, die met het innerlijk leven niet samenhangen. Zij zijn dan waardeloos, voorbijgaand en hebben voor onszelf geen enkele betekenis, ook niet in de sferen. Sommige punten, die in de stof onbelangrijk schijnen, maken wel deel uit van de innerlijke weg en zullen van groot en blijvend belang blijken te zijn. Het zijn herinneringen, die zich vast schijnen te vreten in het geheugen, terwijl deze dingen voor eigen geest een haast overdreven betekenis schijnen te gewinnen.

Onthoudt, dat deze punten, die veelal een probleem voor ons betekenen, het innerlijke pad tot een verdere ontwikkeling, het bewustzijn tot een verdere inwijding kunnen voeren. Deze kunnen ertoe bijdragen, dat wij alles wat wij omtrent onszelf erkennen, op de juiste wijze samen voegen, waardoor een waar beeld van het eigen ik verkregen wordt. Bedenk dit alles en realiseer u, dat juist op het innerlijke pad niets zo schadelijk is, als een weten van vele dingen omtrent het eigen ik, zonder dit alles ook tot een beeld samen te kunnen voegen.

image_pdf