Contactmogelijkheden

uit de cursus ‘Praktisch occultisme’ (hoofdstuk 8) – mei 1974

Contactmogelijkheden

Contact betekent in de eerste plaats een wederkerige relatie. Dat betekent dus dat het niet voldoende is om van een kant te ageren. Er moet een antwoord daarop zijn. Om echter iemand te kunnen aanspreken, moeten wij hem eerst zien. Wij moeten hem kunnen bereiken. Het zijn deze factoren, die in mijn volgend onderwerp een heel grote rol zullen spelen. Laten wij eens nemen:

Het menselijk handschrift

U weet allen dat grafologen op zeer kundige wijze weten te ontra­felen wie en wat u bent aan de hand van enkele letters, die u heeft geschreven. Nu zijn er inderdaad wel dingen bij waarvan u kunt zeggen: Dat gaat praktisch altijd op, bijvoorbeeld.­

Als de lijn van het schrift de neiging heeft licht ophoog te gaan dan is die mens over het algemeen meer een optimist. Gaat het schrift wat naar beneden, dan is hij meer een pessimist.

Worden de letters vanaf de eerste letter kleiner, dan hebben wij gewoonlijk te maken met iemand die impulsief en haastig is. Is het schrift in grootte gelijkblijvend, dan hebben hier iemand die tamelijk schools is, om niet te zeggen wat bureaucratisch van aard.

Bij een schrift dat klein begint en groot uitloopt hebben wij te maken met iemand die traag denkt.

Onderbrekingen tussen letters, vooral tussen bepaalde letters zeggen ook iets.

De wijze waarop een letter wordt doorgestreept kan een aanduiding zijn voor een driftig karakter. Het kan ook een zekere timiditeit aangeven. Bluf wordt vreemd genoeg vooral kenbaar door grote uithalen beneden de letter (de lus van de g, of de onderste lus van de f).

Als wij dit zo bekijken, dan zeggen wij: We kunnen de mens kennen aan zijn schrift. Maar er is nog iets anders.

Een mens die schrijft moet nadenken. Dat wil zeggen: hij is geconcentreerd bezig met hetgeen hij neerschrijft. Naarmate de communicatie persoonlijker is, zal de concentratie toenemen. Die concentratie vloeit over in het papier, in de inkt. Als wij contact zoeken met een ander, dan kunnen wij dus persoonlijk geschreven mededelingen, vooral als die in een periode van enige spanning zijn geschreven, goed gebruiken als inductor. Wij zijn door dit handschrift in staat de persoon af te tasten, de trilling ervan over te nemen.

Er zijn mensen die zeggen: Dit is specialistenwerk. Neen. Indien wij zelf niet reageren – niet positief en niet negatief – dan zal de uitstraling van het schrift haast automatisch onze eigen uitstraling gaan variëren. Door deze variant ontstaat er een harmonie met de schrijver of schrijfster. Dat wil zeggen:

  1. dat wij over het algemeen telepathisch sterk op de persoon zijn gericht,
  2. dat onze gevoeligheid de gehele persoonlijkheid omvat en niet alleen het bovenste deel daarvan,
  3. dat wij door uit te zenden responsen zullen wakker roepen in de persoon die het geschreven heeft, maar dat wij gelijktijdig door onze verbinding daarmee die responsen waarnemen.

Het is misschien erg belangrijk voor u te beseffen dat de ander niet behoeft te antwoorden. Onze communicatie is in zoverre eenzijdig dat wij degenen zijn die uitzenden, maar gelijktijdig het resultaat van de uitzending ook observeren. En dit betekent dat al wat de ander is en doet op ons inwerkt. De ander behoeft dus niet bewust te gaan uitzenden. Hij is gewoon met ons verbonden Door die verbinding is een zekere wederkerige beïnvloeding en ook een mate van samenwerking of een aflezen van de persoonlijkheid mogelijk.

Het is een methode, die ook in de magie wel eens een rol speelt. Als u namelijk naar de magie kijkt, zoals die in oude tijden was, dan hoort u overal van spreuken en zegels die worden neergeschreven. Daarna wordt de inkt in water afgewassen en dat wordt gedronken. Een procedure die wij nu nog kennen in bepaalde delen van het Verre Oosten, maar die in Europa, o.a. ten tijde van Paracelsus gebruikelijk is geweest. Als wij nu zeggen dat het hier gaat om de inkt, dan is dat natuurlijk kolder. Wat men doet, is een deel van een denkbeeld absorberen. Het is de absorptie die belangrijk is.

Het is ook mogelijk om met grote concentratie iets schriftelijk vast te leggen en dan vanuit de ontvanger een communicatie tot stand te brengen. Zo iemand is neutraal. Hij aanvaardt dit met een zekere verwachting, die echter wordt gesuggereerd door de aard van het neergeschrevene. Door dit tot zich te nemen stelt hij zich niet alleen volledig open, maar neemt gelijktijdig ook een deel van de trillingen op die daarin zitten. Het resultaat is dat hij a.h.w. onbewust uitzendt. Indien de oorspronkelijke schrijver daarop is afgestemd, dan kan hij antwoorden en is er wederom een contact tot stand gekomen.

Dit is bij mensen begrijpelijk, maar nu zijn er ook nog geesten waarmee je een soortgelijk kunstje kunt uithalen.

Als ik namelijk bepaalde trillingen gebruik (dat kunnen klanken zijn, maar onder omstandigheden kan het ook een door concentratie vastlegging op schrift of in een tekening zijn), dan bereik ik ook daarmee een afstemming op een bepaald levensgebied. Dat levensgebied behoeft dus niet stoffelijk te zijn. Het is trouwens duidelijk, dat hetgeen ik heb gezegd in het voorgaande ook niet zuiver stoffelijk is. Het geldt voor het gebied van levensenergie en daarnaast van bepaalde mentale krachten, delen van de mentale wereld.

Als ik nu een voorstelling heb van een persoonlijkheid in de geest en ik ken daarvan een naam of ik ken daarvoor een symbool en ik schrijf dat neer, wat doe ik dan in feite?

Ik begin een absolute concentratie op een bepaalde persoonlijkheid. Misschien bestaat die niet precies zo, maar er zal altijd wel een per­soonlijkheid zijn ergens in de geest, die ongeveer met mijn voorstelling zal overeenkomen. Indien die overeenkomst groot genoeg is, dan is er resonantie; dus is er contact. Maar dan moet ik ook nog het gevoel heb­ben dat dat contact tot stand komt, anders ben ik daar niet ontvanke­lijk voor. U kunt wel een naam voor die geest neerschrijven, maar als u daarbij denkt er gebeurt niets, dan is dat alleen al een reden dat er niets zal gebeuren. Er komt dus meer bij te pas.

Wij zien in bepaalde streken van de wereld de neiging om dergelijke dingen te verbranden. Ook hier dus weer het denkbeeld: ik draag het over in rook. De rook lost zich op en gaat naar de geestelijke wereld toe. (Denk maar eens aan het “geestengeld” dat goedkoper is dan gewoon geld en daarom indertijd in China in zeer grote hoeveelheden naar de geest werd gestuurd, verbrand.) Hierdoor druk ik dus een verbinding uit. Maar als ik de verbinding met die geest uitdruk (ik geloof zelf daarin), dan betekent dit een openstelling voor die geest.

In het occultisme zullen wij heel veel soortgelijke methode aan­treffen. Of wij nu kijken naar bepaalde vormen van spiritisme, of wij kijken naar orakels, naar profeten of ons willen bezighouden met dege­nen die werken met fetisjen en dergelijke of die door het werpen van staafjes, munten e.d. het lot proberen te herkennen voordat het werke­lijkheid is geworden, in al die gevallen hebben wij te maken met twee, soms drie factoren:

  1. het opbouwen van een denkbeeld: afstemming van de persoonlijkheid.
  2. het vanuit die verwachting scheppen van een verandering van toestand; dat kan zijn: neerschrijven, tekenen, werpen van staafjes, onverschillig wat. Hierdoor wordt het contact ook voor het eigen besef tot stand gebracht, zij het binnen de per­ken die tevoren omschreven zijn.
  3. een respons op datgene wat het contact in het “ik” teweeg brengt.

U ziet, het is helemaal niet zo vreemd om over communicatie te spre­ken in dit verband. U heeft dergelijke dingen ongetwijfeld zelf wel meegemaakt.

Wanneer er in u een bepaalde emotionele drang bestaat – onver­schillig welke – en deze is op de een of andere manier deel geworden van uw persoonlijkheid, dan zijn alleen deze behoefte- elementen, deze drang-elementen in u al voldoende om daardoor anderen, die soortgelijke elementen in zich dragen, naar u toe te trekken. Dat klinkt heel vreemd.

Maar let u eens op mensen op straat. Degene die een informatie wil heb­ben kiest dan altijd iemand uit om die vraag aan te stellen, vooral als er verscheidene mensen in de buurt zijn die een zekere respons schijnt wakker te roepen. Dat wil niet zeggen dat de ander het antwoord op de vraag weet. Het wil wel zeggen dat de persoon het gevoel heeft hier heb ik een communicatie; hiermee kan ik werken. Stel nu eens dat ditzelfde op geestelijk terrein gebeurt. Dan is er natuurlijk geen sprake van een directe reactie; dat kan ook niet. Maar er is wel sprake van een reactie. Ook hier is het een taxi met een bordje “vrij”. Degene die behoefte heeft aan een dergelijk voer­tuig, een dergelijke emotie, kan dan instappen.

Ik neem aan dat o.a. dat “zich afstemmen” of door omstandigheden “afgestemd zijn” aansprakelijk is voor heel veel van hetgeen er over incubi en succubi wordt verteld. Hier zijn het contacten, die een mens zelf wekt en waarop een zekere respons komt, wat hij dan op zijn eigen wijze weer verder vertaalt.

Als ik nu een geestelijke behoefte heb (een erkend tekort), dan kan de erkenning van dit tekort, plus de erkenning in mij dat elders die kracht of wat het dan ook aanwezig is, voor mij al een relatie beteke­nen. Die relatie is dan een vorm van communicatie, want ik zend uit “ik heb een tekort, ik heb behoefte aan…..” Het is een soort zoekadvertentie zoals men ze zo vaak in allerlei bladen ziet staan. Dan zul­len degenen die geïnteresseerd zijn daarop reageren. U doet dit heel vaak onbewust. Daarom is het belangrijk voor u te beseffen wat u doet.

Als u worstelt met een probleem, dan is die worsteling wel het stellen van de aanwezigheid van een probleem. Maar eerst op het ogen­blik dat u een oplossing daarvan elders veronderstelt en u zich daar­op een ogenblik concentreert, is de mogelijkheid groot dat in u het ant­woord inderdaad opkomt. Er ontstaat dus een communicatie tussen u en het andere, waarin het antwoord bekend is.

Nu heeft u in het begin van onze cursus het een en ander gehoord over de manier waarop je een mens een beetje kunt inschatten, iemand kunt kennen. Bij contacten onder mensen is dat belangrijk. Als u iemand kunt herkennen, bepaalde eigenschappen, bepaalde mogelijkheden in die mens kunt zien, dan zult u daardoor ook geestelijk een positieve bena­dering hebben. Want alles wat u ten aanzien van die persoon voelt en elke reactie van u zijn gebaseerd op die voorstelling. Als er nu geen voorstelling is (wij zijn dus volkomen neutraal), dan zijn wij sterk afhan­kelijk van de reactie van de ander. En dat is dan een van de lessen die men in het occultisme wel goed moet leren.

Elke poging tot contact zal, indien wij daarover enig gezag, enige beheersing willen hebben, van onszelf moeten uitgaan. Ook als wij voelen dat men contact met ons wil maken, zullen wij dit contact nog aan een voorstelling daaromtrent moeten binden. Elke voorstelling, die wordt gemaakt ten aanzien van niet stoffe­lijke contacten, is nl. gelijktijdig bepalend voor de aard van deze contacten en begrenst de mogelijkheden die een ander in dit con­tact zal vinden.

Hieruit blijkt dus dat u zelf een zeer grote kracht bezit. De meeste mensen denken: Als de geest komt, dan zal ik wel luisteren. Maar in dit berustend aanvaarden zult u gedomineerd worden door de an­der. Dat kan betekenen dat het niet altijd alleen een mededeling behoeft te zijn. Die ander kan u wel meenemen en u bv. als tachtigjarige dame doen gedragen, als een dronken matroos, of u als een jongen van twintig jaar laten rondhuppelen, als een oude zeerob, die niets anders meer kent dan vieze woorden en een pijp. U moet dus heel goed weten wat u doet.

Definieer uw contact.
Stel een voorwaarde voor elk niet-stoffelijk contact. Stel bij een stoffelijk contact de voor u aanvaardbare normen. Alles wat daarbuiten staat kunt u dan door een geestelijke afweer al voor een groot gedeelte onderdrukken.

Als wij naar iemand kijken, dan kijken wij naar de schedelvorm. Zien wij dan bv. bepaalde knobbels aan weerszijden van het voorhoofd, dan weten wij: dit zijn mensen, daarmee moet ik een beetje uitkijken. Zien wij mensen met een heel diep gesleten kin, dan weten wij: dit zijn persoonlijkheden die vele excessieve waarden in zich dragen. Die mensen zijn extreem rechts of extreem links, extreem vriendelijk of extreem vijandig. Een tussengebied bestaat voor hen eenvoudig niet. Als wij dus zoiets zien en wij stellen ons daarop in, dan kunnen wij de negatieve kant vermijden. Dan kunnen wij de vijandschap a.h.w. terugkaat­sen en zeggen: Die vijandschap neem ik niet van jou. En dan blijkt dat zelfs stoffelijke contacten door die geestelijke geaardheid worden bepaald.

Om met elkaar te kunnen spreken hebben wij een gemeenschappelijke taal nodig. Die taal is niet, zoals men wel eens veronderstelt, alleen naar het aaneenrijgen van begrippen. Als ik met u praat, dan luistert u naar mijn woorden. Maar daarbij let u op de intonatie van mijn stem, de wijze waarop ik iets breng. De een zegt: Dat zegt mij iets. Een ander zegt juist: Zo uitgedrukt zegt mij dat niets. Als het op een ander manier zou worden gezegd, dan zou het bij mij aanslaan. U heeft dus een gevoelsmatige re­actie op elk begripspatroon dat in woorden wordt uitgedrukt.

Als wij deze begripspatronen nu eens in woorden moeten gaan concretiseren, als er geen gemeenschappelijke taal is, wat moeten wij dan doen? U kent allen dat geval: U komt een Turk tegen en hij vraagt u de weg. Ja, hoe moet u hem dat duidelijk maken. U probeert het dan met han­den en voeten en de rest erbij misschien, maar als die man maar één of twee woorden Nederlands verstaat of misschien helemaal niets, dan zult u moeten zoeken naar een tussenweg. Die middenweg kan soms zijn, dat u een plattegrond neemt en aanduidt: daar moet je heen en zo kom je er. Er wordt dus een gestileerde taal geschapen.

Nu blijkt dat dat in de menselijke gemeenschap heel vaak is gebeurd. Denk maar eens aan pidgin English. Dat is een mengelmoesje van talen, nog aangevuld met bepaalde intonaties en in zeker gevallen ook met ge­baren. Dergelijke mengelingen zijn vaak zeer gestileerd, terwijl gelijk­tijdig de feitelijke woordinhoud tot een minimum beperkt blijft. Je hanteert dus in plaats van honderden begrippen er misschien maar vijftig of zestig, die echter door de wijze waarop je ze zegt, door toevoegingen van gebaren en desnoods van alleen maar klanken, zo kunnen variëren dat het lijkt alsof je een vocabulaire van vele honderden woorden ter be­schikking hebt. Ik neem aan dat u dat verschijnsel kent. Ook dat is voor ons weer belangrijk in het occultisme.

Neem nu eens bepaalde plechtigheden. In India bestaat er een plech­tigheid voor een huis dat wordt gewijd. Kijken wij nu wat dat is, dan is het een soort liefdesmaaltijd en wat dat betreft gaat het soms wat verder dan een maaltijd ook. Bij die maaltijd wordt er door de mensen een kring gevormd. Die kring is van tevoren aangegeven. Het is niet altijd een vol­ledige kring, ze heeft soms een bepaalde figuurafwijking. Men noemt dat wel mandala of mandala’s.

Wat doet nu de priester? Deze spreekt vele woorden, die eigenlijk weinig of geen betekenis hebben. Maar hij zegt ze in een bepaald ritme, op een bepaalde toon. Hij brengt dus bepaalde trillingen voort. Zo schept hij een vreemde, een wonderlijke sfeer. Een sfeer waarin de aanwezigen mede worden opgenomen.

Wat gaat hij nu doen? Nu gaat hij met die woorden het voedsel betrek­ken in het geheel. Hij neemt nu van alle gewijde spijzen een beetje en consumeert dat. Daarna treedt hij buiten de kring en vanaf dat ogenblik is het: eten wie kan.

In feite heeft die man echter iets opgebouwd; en ook deze opbouw is een vorm van communicatie. Hij heeft in de eerste plaats een fi­guur gebruikt. Het kan een cirkel zijn, maar daar worden ook andere figuren voor gebruikt. Een figuur, die symbolisch is voor de mensen en een bepaalde gevoelsinhoud plus een bepaalde begripsinhoud vertegenwoordigt. De priester heeft daarnaast – en dat is ook heel erg belangrijk – geprobeerd om met zichzelf als middelpunt, de gehele kring te doen tril­len in harmonie met de plaats; dus a.h.w. een uitstraling naar de materialen die daar aanwezig zijn. Hij heeft daarnaast geprobeerd om uit te stralen naar de geesten die er zijn. Hij heeft dus ook aan die krachten een behoefte aan harmonie, aan zegen overgebracht. Ten laatste, en zeker niet ten leste, heeft hij in allen het gevoel gewekt dat nu alles in orde is: er kan ons hier geen kwaad bedreigen. Ook dat is erg belangrijk, want daardoor worden alle negatieve invloeden geestelijk afgewezen.

Deze man heeft een contact gemaakt met de materialen en hij heeft die a.h.w. afgestemd op de mensen, op de bewoners van het huis. Hij heeft contact gemaakt met hoofdzakelijk die geestelijke krachten en sferen, welke vlak bij de aarde liggen en hij heeft daarin de behoefte aan bescherming, en aan zegen duidelijk gemanifesteerd, zodat een respons mogelijk is. Voorts heeft hij – en dat is door het gebruik van het gewijde voedsel – het denkbeeld overgebracht dat deze band bestaat tussen de aanwezigen (vooral de bewoners) en de geesten. Ten slotte heeft hij de suggestie geschapen dat onaantastbaarheid bestaat. Er is dus geen angst voor het kwade. En waar geen angst is voor het kwade, is dit betrekke­lijk machteloos.

Nu neem ik niet aan dat u dergelijke dingen zult gaan doen. Er bestaat in Europa nog wel iets wat daarop lijkt. Sommige genootschap­pen kennen een soort agape (liefdemaaltijd). Ergens anders noemen ze het “servetje”. Daar wordt in de gemeenschappelijke maaltijd nog wel iets der­gelijks uitgedrukt, maar als wij nu zien wat de priester doet, dan blijkt dat de man daarvoor geen speciale begaafdheid heeft. Hij heeft alleen een kennis, die de anderen niet bezitten. Als u die kennis heeft, dan kunt u dus soortgelijke dingen zelf doen. En dat betekent dat u alleen door uw eigen uitstraling, door het gebruik van bepaalde symbolen daar­bij die voor u van betekenis zijn, uw relatie tot de omgeving van uw huis of uw tuin kunt veranderen. Als uw tuin erg onvruchtbaar is, dan kunt u misschien proberen de sfeer ervan te veranderen door een soortgelijke rite, want een rite blijft het.

Als u een tuin of een stuk grond op deze manier wilt zuiveren van kwade invloeden, dan kunt u de aarde daarvan niet veranderen. U kunt echter wel zorgen dat de positieve waarde in de aarde sterker tot uiting komt, dan de voor u negatieve waarde. Om dat te doen is het belangrijk dat u met anderen samen bent. U kunt dat doen met drie of meer mensen, maar niet met z’n tweeën.

U gaat dan rustig theedrinken in die tuin, als u maar zorgt dat – wan­neer u de thee uitschenkt – u zelf staat in een cirkel of op een kruis, als u dat een mooier symbool vindt. Daarmee symboliseert u het uitschen­ken van het goede voor uzelf. Uw woorden moeten dan ook goedkeurend zijn; bv:” Dit is nu een extra lekker kopje thee”. Het behoeft dus helemaal geen gebed te zijn of een formule. Het moet de uitdrukking zijn van iets positiefs en vooral iets positiefs waarop zoveel mogelijk antwoord ver­wacht kan worden van de andere aanwezigen.

Als u dat nu heeft gedaan, dan is het enige wat u verder nog moet doen, gewoon iets aan de aarde toevoegen. Dat kan een zaadje zijn of een appelpit dat u erin duwt. Doe het maar als een grapje en zeg erbij: Nu zul je zien, dit wordt een appelboom. Nu wij hier thee hebben gedronken, is de tuin ineens veel prettiger, veel mooier geworden. Dan moet u eens erop letten hoe alles nu gaat groeien. De anderen zullen erom lachen, maar als u het ernstig heeft gemeend, dan heeft u op die manier een communicatie met die grond tot stand ge­bracht. De aarde kan niet denken, maar ze kan reageren op uw trillingen en daardoor een deel van haar reacties een heel klein beetje wijzigen en dat is dan meestal al voldoende.

Het is een aardig tipje voor iemand die een tuin heeft waar het niet zo best gaat. Als je plantengoed wilt laten groeien, zit je ook met zoiets. De meeste mensen denken die heeft een groene duim, een ander niet. Het is doodgewoon de een is positief in zijn contact met de plant en de ander niet. Als u tegen een plant zegt – of u het nu hardop doet of in gedachten: Wat ben je mooi. Wat zul je hier lekker groeien, dan voelt die plant dat aan. De plant begrijpt niet in menselijke zin, maar ze absorbeert en zet dit om in een poging om met de omgeving dat waar te maken. Ze wordt dus vanzelf mooier.

Al deze dingen behoren dus onder het hoofd “communicatie”.

Wij bestaan in verbinding met alle krachten, met alle werelden. De mensen denken vaak wij hebben geen contact met bv. de lucht of met de regen. Dat is er gewoon. Maar er is niets “gewoon maar”. Alles be­staat in relatie tot al het andere. U bent deel van al dat andere. Indien u dus in staat bent om te visualiseren wat er aan mogelijkheden bestaat en in die mogelijkheden een sterke voorkeur tot uiting brengt, dan verandert de uiting in de natuur.

Het beste voorbeeld voor een dergelijke soort communicatie is de ingewijde, die op een rots staat en regen laat neerkomen op een bepaald stuk grond. Dit is een kunstje dat tegenwoordig niet zoveel mensen meer beheersen en dat natuurlijk afhankelijk is van bepaalde omstandigheden in de atmosfeer. Maar als nog net niet het kritieke punt van neerslag­vorming of druppelvorming is ontstaan, dan kunt er voor zorgen dat dit wel gebeurt en daardoor de regen doen vallen. U kunt er verder voor zorgen dat de luchtverplaatsingen in die omgeving dermate gering worden dat een bepaald gebied die neerslag inderdaad krijgt.

Hoe doet zo’n ingewijde dat nu? Wij kennen allen het beeld van de wijze, die op de rots staat en bezwerende woorden roept. Dan flitst de bliksem en het begint te gieten. De werkelijkheid is dit:

  1. Ik voel aan (ik moet die lucht dus aanvoelen) ik ben deel van de lucht en deze lucht is deel van mij.
  2. Ik heb een voorstelling van een mogelijkheid die er in de lucht is en ik wacht tot daarop een respons komt.

Als ik denk aan regen, dan moet ik die regen zien, ook als er helemaal geen regen kenbaar is. Ik moet de regen zien in de lucht. Die regen gaat vallen. Dan antwoordt de lucht “ja” of “neen”. Het beeld verbleekt of het keert terug. Het is alsof het nadruk krijgt, alsof het kleur krijgt. In het laatste geval behoef ik alleen maar te zeggen “nu moet de regen vallen”, ik visualiseer de plaats waarop dat gebeurt en ik laat de gehele kracht van mijn wezen uitgaan naar de lucht, opdat de regen zal vallen. En dan valt de regen.

Er zijn mensen die op zo’n manier ook wolken kunnen verdrijven. ­Maar dan moet u weer weten:

  1. ik ben deel van het geheel,
  2. als deel van het geheel kan ik mijn beeld van het geheel aan dat geheel overdragen,
  3. die wolk wil ik hier niet zien. Ze moet weggaan naar links of naar rechts; zoek dat maar uit.

Kijk dan sterk geconcentreerd naar die wolk. Zend uw kracht uit en ga dan rustig zitten wachten. Dat duurt wel 5 minuten, want een wolk is zo vlug niet. Kijk dan weer naar boven en u zult met verbazing zien hoe die wolk inderdaad aan het veranderen is, hoe ze wegdrijft, en wel in de richting waarin u dat wilt. Alleen als u probeert om haar tegen de heersende windrichting, dus tegen de gang van de wolken, in te laten gaan, dan zal die wolk niet in de door u bepaalde richting gaan, maar zal zij zich in flarden oplossen. Haar tegenstand aan de wind betekent dan dat zij wordt verspreid.

Dat zijn dingen die elke mens zou kunnen doen. Dat is helemaal niet een mirakel. Je moet alleen weten hoe je deel bent van alle din­gen. Als je met materiaal werkt – onverschillig of het nu hout is of ijzer en wat dat betreft zelfs kunststoffen – en je hebt het gevoel dat je deel bent van die materie en je ziet wat daarin moet gebeuren, dan is het net alsof de materie zelf meehelpt. Voorbeeld:

U snijdt in een blok hout. U wilt er een figuur uit halen. Normaler­wijze splintert dat nog wel eens verkeerd af. Maar als u nu een duidelijke voorstelling heeft van wat er uit dat blok moet komen, dan zult u zien dat als er scheurtjes komen ze een verbetering betekenen. Daardoor kunt u de vorm er gemakkelijker uit krijgen. Probeert u echter worstelend met het blok diezelfde vorm uit dat hout te hakken, dan blijkt dat de scheur­tjes en splijtingen net iets te ver gaan of net niet ver genoeg en dan heeft u er extra werk aan.

Het is goed om ook dat te begrijpen. Een mens leeft te midden van een kosmos. Daarin bestaan heel veel verschillende wezens, structuren en toestanden. De mens is versatiel. Hij kan zich heel gemakkelijk om­schakelen van het een op het ander. Indien die omschakeling in hem – ook al is het voor een korte tijd – volledig genoeg is om zich met een van die gebieden of met een enkele persoonlijkheid verbonden te achten, dan is een antwoord onvermijdelijk, dan is er een contact en dan is er een antwoord. Dat antwoord zal dan in overeenstemming blijken te zijn met de grenzen welke die mens voor die tijd heeft gesteld.

In het gehele leven is het belangrijk te weten; niet in de vorm van een theoretische kennis, maar een praktisch weten. Datgene wat voor mij kenbaar is, wat voor mij duidelijk is, kan ik overal terugvinden. Waar ik het terugvind, bestaat een relatie en waar een relatie bestaat, is een wederkerige beïnvloeding mogelijk. Je gaat dan ook beseffen dat je niet al-beslissend bent. Alles is een kwestie van samenwerking.

Er zijn uit de aard der zaak heel veel verhalen en legenden in omloop die allemaal ten doel hebben iets dergelijks te verkondigen. Soms zien wij zelfs dat heel wonderlijke oude situaties en toestanden worden omgezet in legenden, die dan weer een verwachting wekken. Maar omdat de mensen dan niet meer precies weten wat zij verwachten en waarom, haalt het niets uit.

Neem “Het rijk van de Koning der Wereld”. Voornamelijk een Tibetaan­se legende, maar ook weerkaatst in de Berg waarin Barbarossa zit te wachten en in al die andere onderaardse verblijven waarin volkeren ver­toeven.

U moet zich realiseren dat er in een ver verleden grote rampen zijn gebeurd met de aarde. Die rampen waren heel groot en soms te voor­zien. Er zijn volkeren geweest (stammen zouden wij tegenwoordig zeggen), die zich hebben teruggetrokken in de holen van de toen hooggelegen bergen of op een andere wijze onder de grond zekerheid hebben gezocht tegen het geweld der elementen en soms ook tegen de inslag van allerlei af­val uit de ruimte dat de aarde trof. Een deel van die mensen is nooit meer te voorschijn gekomen. Soms hebben zich zelfs in die grotten machtsstructuren gevormd die er belang bij hadden om de anderen vooral niet naar buiten te laten gaan, want dat betekende het teloor gaan van macht. Zo’n maatschappijtje was erg uitgebalanceerd. Als er een man teveel was, dan was dat net zo schadelijk als er een man te weinig was. Die groepen hebben inderdaad een lange tijd bestaan.

Er zijn bepaalde legenden, vooral uit Zuid Amerika, waarin dat te­rugkeren uit holen en grotten in het diepst van de aarde een grote rol spelen. In al die legenden wordt duidelijk gemaakt dat de mens inder­daad ergens onder de aarde is geweest en dat hij vanuit die grotten en krochten weer naar boven is gekomen. Het is een verhaal dat feitelijke achtergronden heeft. Maar de mensen van vandaag begrijpen dat niet meer.

Als ik nu een aanroeping richt tot die Koning der Aarde, dan kan ik dat niet meer doen tot mensen die feitelijk onder de grond leven. Dat is gewoon een illusie. Maar ik kan wel wat anders doen. Ik kan mij de kracht van het leven in de aarde voorstellen zonder het in meer men­selijke vorm te personifiëren. Maar dan wordt het een deel van de totaalkracht van de aarde. En nu blijkt de legende ineens te zijn geworden van een vaag verhaal over een vaag en ver verleden, tot een voorstelling waarin harmonie mogelijk is met krachten in de aarde. De eigenschappen de mogelijkheden die ik veronderstel, zijn belangrijker dan het al of niet feitelijk aanwezig zijn van een dergelijk rijk.

Voor u betekent dit dat er heel veel machten en krachten kunnen be­staan die niet reëel zijn, die er nooit geweest kunnen zijn en die ook niet bestaan daar waar u denkt dat ze te vinden zijn, of dat nu een sfeer is, een hemel of een plaats ergens op aarde. Belangrijk is het niet, want wat u doet, is u afstemmen op een begrip.

Die afstemming op een begrip moet in overeenstemming zijn met uw persoonlijkheid, dat is duidelijk. U kunt zich niet afstemmen op iets wat vijandig is met uw persoonlijkheid, want dan zult u ofwel eraan te gronde gaan, dan wel het contact niet kunnen bereiken omdat u het instinctief toch weer afwijst. Maar een voorstelling ervan is voldoende.

Nu bestaat er een aardig beeld van het leven van de mens. Dat is een kringloop, een spiraal in feite, een soort kundalini-vuur, waarin drie kleurveranderingen optreden waarvan men zegt dat de ontwikkelin­gen door de vier elementen gaan. Elke nieuwe ontwikkeling begint trou­wens in het element vuur dat in de oude tijd als het oer-element werd beschouwd. Zij zeiden: Hier ga ik door een bepaald element heen, maar gelijktijdig onderga ik een bepaalde ontwikkeling. Ontwikkeling en ele­ment vallen samen. Indien dat het geval is, dan betekenen ontwikkeling en element samen ook instelling, harmonische mogelijkheid. U kunt daar­van voorbeelden zien.

Een materialist kan nooit met een idealist praten op een manier waarop beiden het met elkaar eens kunnen worden. Beiden zullen misschien een beperkte samenwerking met succes kunnen aangaan, maar nooit zullen ze tot een volledige samenwerking kunnen komen, omdat ze eenvoudig geen begrip hebben voor hetgeen de ander denkt of beoogt, ook al menen ze vanuit zichzelf natuurlijk dat dit wel het geval is. Nu geldt bij deze voorstellingen een heel wonderlijk gezegde:

“Mijn kleur (dat is dus de kleur van de omloop) plus het element vormen mijn band met de eeuwige Kracht.”

Hier wordt dus een beperking gemaakt: ik kan niet gelijktijdig in het aardelement leven met een bepaalde kleur en werken op de krachten die bv. tot het water behoren, waarin ik later zal komen. Mijn ontwik­keling is bepaald voor mijn harmonische mogelijkheden. Verder verschuift mijn harmonische mogelijkheid voortdurend, daar mijn ontwikkeling gelijk­tijdig harmonieën onmogelijk maakt achter mij en voor mij nieuwe mogelijk­heden schept.

In het occultisme is dit beeld in zoverre van belang dat wij niet alles even goed kunnen doen. Wij voelen ons nu eenmaal getrokken tot bepaalde harmonieën, bepaalde krachten, bepaalde voorstellingen en denkbeelden. Daar, waar wij ons getrokken gevoelen, is communicatie met alle soortgelijke krachten het eenvoudigst.

Communicatie met andere krachten is altijd beperkt en vanuit ons standpunt niet betrouwbaar, omdat wij eenvoudig niet een volledig weder­kerig begrip tot stand kunnen brengen, alleen maar een beperkt. Waar ik werk met krachten die mij niet eigen zijn of waarmee ik mij niet verwant gevoel, moet ik dus teruggrijpen naar een zo eenvoudig mogelijke voorstelling en naar een zo schematisch mogelijke conversatie. Ik kan vanuit mijzelf zeggen: Die kracht, daarmee voel ik mij verwant. In die kracht kan ik precies duidelijk maken wat ik ben en wat ik wil. Ik zal dan antwoord krijgen, want hier is een antwoord mogelijk. Dat antwoord is volkomen betrouwbaar. Ik voel dat; het is een deel van mijzelf.

Je kunt het ook proberen, als je behoort tot bv. een beginnende vuur cyclus. Je zegt: Nu wil ik met de aard-cyclus contact hebben. Maar dan kun je nu wel zeggen: Ik wil met de aard-cyclus contact heb­ben, maar dat kun je alleen bereiken door jezelf te beperken. Daar waar communicatie plaatsvindt tussen ongelijke waarden zal een be­perking van uitdrukking en een tot schema herleiden van het gewenste of het bestaande grotere resultaten geven dan een volledige uitdrukking. Dit in tegenstelling tot wat men in de magie vaak leert: de volledige voorstelling is het belangrijkst. Maar dan moet u de voorstelling kunnen opbouwen. Dat kunt u niet met dingen die vreemd zijn, dus grijpt u terug naar de eenvoudigste voorstellingen en dan komt u als vanzelf terecht bij het symbool.

Het symbool is voor ons de gebrekkige taal waarmee wij krachten aanspreken die in wezen niet met ons verwant zijn, maar waarmee wij op bepaald terrein een tijdelijk contact kunnen verkrijgen. Antwoorden en reacties kunnen alleen op dit terrein en alleen binnen de beperking van onze eigen wil plus de eigenschap van hetgeen wij aanspreken wor­den verwacht. Een vergelijking als voorbeeld:

Een mens is anders dan een tijger. De mens ziet de tijger als een gevaarlijk dier en als een mooi dier laten we aannemen. De tijger ziet de mens als iets waar je een beetje bang voor bent en wat gelijktijdig toch een aardige maaltijd zou zijn. Nu is er één relatie denkbaar tussen die twee: de tijger heeft een zekere angst, een zekere terughoudend­heid t.a.v. die mens. De mens heeft een zekere angst, een zekere terug­houdendheid t.a.v. de tijger. Als ik mij nu baseer op de vrees en zeg: “Die vrees bestaat niet”, dan zal ook bij de tijger die vrees vervallen. Maar nu het wonderlijke: dan zal ook de voorstelling die wederkerig bestaat, ineens veranderen. De tijger zal denken: hé, die mens ziet er wel vreemd uit voor een tijger, maar tenslotte schijnt het goed volk te zijn, familie te zijn. De mens denkt: die tijger reageert menselijk. Maar indien u nu zult uitgaan van honger, dan zult u hoogstens kunnen bereiken dat de tijger een beetje harder loopt om u op te vreten.

Ik hoop u hiermee duidelijk te hebben gemaakt hoe communicatie eigenlijk een heel grote rol speelt in alle soorten occultisme. Het is namelijk de relatie, die wij kunnen scheppen tussen ons en het andere en daarbij zullen beide waarden een inbreng moeten geven.

Zelfs de aarde, die stom is, heeft haar grondeigenschappen. Als wij contact opnemen met de aarde, dan zal ze haar eigenschappen naar ons terugzenden. Zij zal ons duidelijk maken wat ze is, alleen door het reflecteren van wat wij hebben uit gezonden.

Deze communicatie is mogelijk met elke wereld, met elke sfeer, met elke geest, met elke levensvorm. De middelen, die wij gebruiken om een communicatie tot stand te brengen, kunnen zeer gevarieerd zijn. Er zijn duizend en één mogelijkheden. Het enig belangrijke is niet de juiste vorm, maar de voor ons juiste vorm, datgene waarin wij de relatie, het contact erkennen en voor onszelf kenbaar maken, suggestief of anders­zins. Daar waar wij het voor onszelf kenbaar maken, zal het andere altijd reageren.

De kiem

In elke mens ligt de kiem van al datgene wat hij zou kunnen zijn. Dat wil zeggen, dat elke mens een groot aantal mogelijkheden bezit waarvan hij gewoonlijk slechts ongeveer 1/10 activeert en ongeveer 1/50 volledig realiseert. Dat klinkt een beetje pessimistisch, naar zo lig­gen de zaken nu eenmaal..

Een mens is bv. geneigd tot occultisme, tot bepaalde mystieke geloofsvormen. Hij is geneigd tot wat hij noemt realisme; wat meestal een ontvluchting is van al het niet waarneembare enz. De mensen maken zich er vaak gemakkelijk van af. Vooral bepaalde occul­tisten zeggen: Nu ja, dat is een kwestie van je reïncarnatie. Als je geboren bent om varkenshoeder te worden, dan zul je nooit als mijnheer pastoor op de kansel staan. (Ofschoon een pastor eigenlijk een herder is). Deze opvatting zou ik graag willen bestrijden.

Als je geboren wordt, dan heb je in je een complete gevoelswereld voor zover er geen hereditaire beschadigingen zijn. Deze laatste kunnen dan bij de keuze van lichaam gezien zijn of verworpen zijn. Maar je kunt je ook bij vergissing in een beschadigd huis vestigen, dat is logisch. Hier komt nu de bewoner en hij moet uit die woning maken wat hij zelf wil. Iemand die zelf timmert, kan zijn eigen meubeltjes erin zetten. Iemand die is aangewezen op wat er op dat ogenblik in de meubelzaken te koop is, heeft bepaalde mogelijkheden niet. En zo gaat het met de mens en de opvoeding ook.

Er zijn mensen, die bv. orthodox gereformeerd worden opgevoed en die daadoor in hun jeugd zo’n verkleving aan de bijbel en aan al wat daarmee samengaat ervaren, dat zij niet hun neiging naar mystiek willen volgen, die hen eerder naar een katholiek geloof zou voeren. Hier im­mers zouden ze wel hogere ervaringen hebben, maar dat zou duivels kun­nen zijn. Hun angst houdt hen dan terug.

Er zijn mensen, die zeer sensitief zijn en die vele geestelijke waarhe­den ervaren, maar die opgevoed zijn in het besef dat men zich eerst moet bezighouden met de zuiver stoffelijke waarden en dat al dat andere maar wat humbug en onzin is. En als dezen dan een waarneming doen, verdrin­gen ze die. Opvoeding speelt dus een grote rol.

Maar wat zien wij nu? In die gemeenschappen waar de opvoeding, vooral in de eerste tien levensjaren, veel vrijer is geworden blijkt de neiging om zich in de richting van het mystieke of het occulte te oriënteren groter te zijn. Dus zal het feit dat veel mensen tot op he­den niet daartoe zijn gekomen, voor een deel te wijten zijn aan de maat­schappelijke dressuur, die zij in de jeugdjaren hebben ondergaan.

De gevoeligheid voor occulte waarden berust bovendien vaak – en dat mogen wij ook niet vergeten – op een zekere onevenwichtigheid.

Een goed medium kan niet evenwichtig zijn. Een schijn van evenwich­tigheid kan bewaard worden, er kan een grote zelfbeheersing zijn, maar de basisfactor van een emotionele onevenwichtigheid is noodzakelijk.

Voor helderzienden geldt hetzelfde. Iemand die als helderziende goed wil functioneren, zal over het algemeen verwaandheid aan fanatisme proberen te paren, ongeacht de verschijningsvorm die hij naar buiten toe a.h.w. acteert. Deze eigenschappen zijn noodzakelijk, omdat men leeft in een maatschappij waarin deze verschijnselen niet als normaal worden aan­vaard.

Een medium, dat evenwichtig is volgens de maatschappelijke normen, kan geen boodschappen ontvangen omdat het te sterk gebaseerd is op de normen van die maatschappij. Een helderziende en magiër of onverschillig wie, die zich laat beïnvloeden door de gemeenschap waarin hij leeft, kan niet presteren. Want de gemeenschap met haar regels en opvattingen houdt zich nu eenmaal aan de zichtbare verschijnselen en aan een aantal theorieën, die – ofschoon ze met de praktijk niets te maken hebben – als verklaring voor die praxis gelden.

De gevoelswereld van de ene mens kan verschillend zijn van die van een ander mens. Maar laten wij dan eerst constateren, dat veel van de menselijke gevoelens het gevolg zijn van conditionering. Hoe komt het anders dat een Zeeuw van alikruiken houdt, terwijl een Groninger er misselijk van wordt. Deze mensen wonen niet eens zo ver van elkaar af geografisch gezien. Maar bij de een is het van jongs af aan een lekkere spijs en bij de ander is het een vieze slak. De Fransman houdt van zijn wijngaardslakken. Een rechtgeaard Nederlands burger walgt bij het idee dergelijke dingen te moeten nuttigen.

Als dat zo is, wat smaak betreft, dan zal dat geestelijk ook precies hetzelfde zijn. Wij hebben nu eenmaal een reactie, die door conditionering voor een groot gedeelte tot stand is gekomen. Bepaalde dingen zijn goed, bepaalde dingen mogen wij en die zijn prettig. Andere din­gen mogen wij niet of mogen wij alleen conditioneel. Als ze niet aan de voorwaarde beantwoorden, zijn ze in wezen onprettig. Ze wekken spannin­gen in ons op en wij kunnen dat niet verwerken. Dat heeft weer niets te maken met een geestelijke gevoelswereld. ­Het is een conditionering waardoor de lichaamssappen gaan reageren. Die lichaamssappen bepalen dan weer stemmingen, zenuwspanningen en al wat erbij komt. Toch is ook zuiver geestelijk gezien niet iedereen op gelijke wijze gevoelsrijp.
Er zijn mensen die sterk op zichzelf georiënteerd zijn. Hun gevoels­leven zal sterk afhankelijk zijn van de positie waarin zij zichzelf zien of kunnen voorstellen. Het voor hen voorstelbare wekt emoties. Het voor hen niet in samenhang met zichzelf voorstelbare of beleefbare wekt geen emoties. Zo iemand kan een ander zien sterven onder pijnlijke omstandig­heden, maar zal zich niet kunnen indenken dat hij dit zou kunnen zijn. Het gevolg is, dat het hem niets doet. Omgekeerd bestaat het natuur­lijk ook: iemand ziet in een ander zichzelf en ondergaat daardoor emotioneel alles wat die ander ondergaat.

Je kunt nu wel zeggen: Je moet je naaste liefhebben gelijk jezelf. Maar de meeste mensen weten niet eens of zij zichzelf wel liefhebben. Zij weten alleen maar dat ze alles alleen volgens hun eigen maatstaf be­palen. In deze zin zijn er grote verschillen in gevoelsleven en in gevoeligheid. En die zullen zeker invloed hebben op de occulte relaties die mogelijk en denkbaar zijn.

Iemand die niet gevoelig is voor wat een ander ondergaat, kan een heel goed magiër zijn. Zijn magie zal echter tot de zwarte of hoog­stens tot de grijze zone behoren. Het zuiver wit magisch werken, waarbij de sympathie een zeer grote rol speelt, bestaat voor zo iemand niet en is ook niet bereikbaar.

Een mens kan zich één gevoelen met een bepaalde mentaliteit en daarop emotioneel zeer sterk reageren, terwijl hij niet kan reageren op feiten. Ook iets dergelijks is denkbaar.

Dan kunnen wij te maken hebben met iemand, die een heel goed medium kan zijn voor het gesproken woord, maar die als genezend medium absoluut niet kan functioneren.

Er bestaan natuurlijk kruisingen; er zijn allerlei tussenfasen.

In elk van die fasen liggen de mogelijkheden anders. Wil men een rooster maken van een aantal typen dat denkbaar is in deze emotionele en daardoor ook magische structuur, dan komt men tot een indeling van 144 typen en wel in 12 hoofdtypen met elk 12 onderverdelingen. Het is te uitvoerig om dat alles hier te behandelen. Laten we een paar hoofdtypen aangeven en wat zij ten aanzien van het occulte en van andere zaken in het leven aan mogelijkheden in zich dragen en niet ofwel zullen realiseren.

De materialistische mens

Een van de typen die het meest voorkomt is de zintuiglijke mens. Zo iemand wordt sterk bepaald door de indrukken die hij uit de wereld in zich opneemt. Zijn emoties zijn dus volledig gebonden aan zijn zintuiglijkheid. Andere emoties zijn voor zo’n mens niet gemakkelijk denk­baar. Ook door voorstellingen zal hij zelden tot ontroering worden ge­bracht.

Deze mens kan zeker magisch werken, als hij eenmaal de eerste proeven van magie heeft geleverd. Hij zal er dan zelfs door bezeten kunnen geraken. Naar hij zal niet geneigd zijn om bepaalde verschijnselen van de geest zonder meer te aanvaarden en zal bovendien al zijn redelijk denken, gebaseerd op zintuiglijke waarnemingen, steeds stellen boven elke inspiratie.

Wij kennen bij de materialisten nog een tweede type het:

Stoffelijk emotionele type

Deze mensen worden sterk bepaald door lichamelijke begeerten en angstverschijnselen. Voor hen is een bevrediging – onverschillig van welke aard – een positieve beleving. Een niet bevredigd zijn is altijd negatief. Angst is altijd de angst voor het verlies van hetgeen men bezit of voor het niet bereiken van hetgeen men begeert. Een der­gelijke mens werkt wel degelijk met denkbeelden, want zijn voorstellingen beantwoorden zelden aan de volledig zintuiglijke werkelijkheid. Maar die denkbeelden zijn hem heilig, omdat ze voor hem de emotie van bevrediging en ook de emotie van angst, van onderdrukking in zich dragen. Zo iemand zal verschijnselen kunnen veroorzaken. Hij zal bv. een goede telekineet kunnen zijn, maar hij zal zelden in staat zijn inspiratief te werken. Hij kan geen medium zijn en zal helderziende waarnemingen,- zo deze al optreden – met een enkel gebaar terzijde schuiven.

Dat zijn twee typen. Er zijn er nog een paar meer in deze indeling. Elk van die typen kent een groot aantal gradaties, waarbij uit de aard der zaak de mogelijkheden geestelijk verschillen.

Het instabiele intellectuele type

Intellectueel, omdat het denken en het gedachteleven het voor­naamste is.
Instabiel, omdat een sterke beïnvloeding van buitenaf ten aanzien van eigen gedachteleven en denken voor zo iemand bijna onvermijdelijk is. Dergelijke mensen zijn gemakkelijk te suggereren. Zij reageren zeer sterk op hetgeen een ander als werkelijkheid voorstelt, ongeacht de vraag of het ook werkelijk zo is of kan zijn.

Zij zijn een goed medium, want ze zijn niet kritisch. Indien ze kritiek hebben, dan is dat een kritiek die voortdurend door onzekerheid wordt gekenmerkt. Dergelijke mensen zullen bv. stellen vanuit een geloofsstandpunt: Geesten zullen wel uit de duivel zijn. Ze kunnen ook niet uit de duivel zijn, maar dat kunnen wij niet weten en daarom zullen we zeggen dat ze uit de duivel zijn.

Ik geef dit als voorbeeld voor de redenering van zo’n type. Deze mensen zullen inspiratief sterk gevoelig zijn, maar zullen zelf vaak aarzelend staan tegenover de bron van hun inspiratie. Zij kunnen een heel goed medium zijn, maar zullen als medium tevens proberen op de een of andere manier een afstand te scheppen tussen de mediamieke kwaliteiten die ze bezitten en dat wat ze beschouwen als hun dagelijks leven of hun persoonlijkheid.

Dergelijke mensen hebben een gevoelsleven dat voor sommigen ge­voelsarm is. Ze zijn namelijk juist door hun overgevoeligheid op vele gebieden geneigd om een ongevoeligheid te tonen. Zij laten zich niet bewegen door hetgeen buiten hen gebeurt, omdat ze het gevoel hebben: indien ik mij hierdoor laat beroeren, dan kan ik mijzelf niet beheer­sen en dan weet ik niet waar ik terecht kom. Deze typen zullen in vele gevallen dan ook bijzonder veel helderziende waarnemingen doen. Zij zullen gevoelig zijn voor gebeurtenissen en ontwikkelingen in de toekomst en hebben vaak ook het vermogen om een medemens af te lezen. Lang niet allen maken gebruik van deze mogelijkheden.

Het intellectueel stabiele type

Hier hebben wij te maken met een mens die in zich een bepaalde mate van kennis en vaak ook van wijsheid heeft vergaard en deze beschouwt als een vaste basis van waaruit het geheel van het bestaan kan worden beleefd. Ook deze mensen zijn over het algemeen sterk sensitief.

Hun sensitiviteit openbaart zich echter niet in mediamiciteit, terwijl ook helderzien en dergelijke kwaliteiten door hen meestal terzijde wor­den geschoven, bewust of onbewust. Voor hen speelt echter het inspira­tieve element een heel grote rol, omdat ze dit zien als een verschijn­sel van hun eigen persoonlijkheid en als zodanig tot opvallende presta­ties kunnen komen. Het zijn vaak zeer goede inspiratieve kunstenaars. Onder hen vinden wij verder ook veel mensen die wederom redelijke telekineten zijn en ook zeer goede mensenkenners. tenminste, dat zeggen zij zelf, in wezen zijn ze eerder redelijke telepaten.

De z.g. vrije mens

De vrije mens – in deze context althans – is de mens die vrij is van vooroordelen anders dan door eigen beleving veroorzaakt. Deze mens staat open voor alle zaken. Zijn gevoelsleven wordt echter sterk gebonden aan zijn persoonlijke ervaringen. Het is iemand die niet bang is voor het donker, tenzij hij in het donker zijn hoofd heeft gesto­ten. Hij zal dan altijd, als het donker is, bang zijn om zijn hoofd te stoten. Deze mensen kunnen op elk gebied van het occulte werken, maar ze be­zitten vaak weinig zelfvertrouwen en zullen indien ze eenmaal op dit gebied hebben gefaald daardoor zichzelf lange tijd een werken op gelijk niveau onmogelijk maken. Onder hen zijn er echter wel die bijzon­der scherp helderhorend zijn. Zij horen zeer duidelijk boodschappen, ofschoon ze die lang niet altijd zullen overbrengen. Hun gevoelsleven wordt sterk bepaald door hun persoonlijke relatie met andere mensen.

De gebonden vrije mens

De definitie hiervan binnen deze context: een gebonden vrije mens is iemand die vrij staat ten aanzien van alle gebeuren, maar die – hetzij door conditionering, hetzij door eigen gebreken – bepaalde gebieden van het leven als bijzonder belangrijk is gaan beschouwen. In zijn emotioneel leven bestaat dus een sterk gerichte voorkeur voor bepaalde ontwikkelin­gen, voor bepaalde gebeurtenissen. Ook zijn droomleven is vaak eenzijdig. Deze mensen hebben vaak bijzonder goede magische kwaliteiten. Onder hen vinden wij zeer goede genezers. Zij zullen ook in vele gevallen zeer be­hoorlijk als helderziende kunnen functioneren. Bij hen wordt het geheel van hun uitingsmogelijkheid en ontvankelijkheid echter bepaald door de aandacht, die zij zelf op bepaalde levensgebieden richten. Het komt dus hierop meer: als iemand bv. een gebrek aan de benen heeft, dan zal zijn belangstelling op zeer grote beweeglijkheid zijn gericht. Alles wat daarmee samenhangt zal hij dan goed kunnen verwerken. Wanneer hij met anderen in contact komt, dan zal zijn genezingscapaciteit vaak de richting uitgaan van het genezen van beschadigd zenuw­stelsel of het verdrijven van zekere reumatische verschijnselen.

De non communicatieve mens

Dit is de mens met communicatiestoornis, althans volgens de termen van deze wereld. Deze mens wordt sterk beroerd door eigen beleving en eigen contact met anderen. De beroering van een kiezelsteen zegt zo iemand meer dan een hele lezing van een hooggeleerde heer. (Niet dat dat bij ande­ren niet bestaat, maar dit als voorbeeld). Deze mensen zijn vaak blind voor bepaalde begrippen die in de wereld worden gehanteerd. Nevenverschijnselen zijn – vooral in de jeugd-  een zekere woord- en leesblindheid. Een dergelijke mens is bijzonder gevoelig voor aardstralen en voor de uitstraling van huizen. Plaatsen waar aardgebonden geesten zijn worden door hen beleefd en vaak brengen ze automatisch dergelijke entiteiten tot manifestatie. Hun schijnbare onvolwaardigheid compenseren ze over het algemeen door de grote blijmoedigheid waarmee ze hun contact beleven. Deze mensen zijn zeker niet ongelukkig. Hun omgeving zal hen zelden als volwaardig be­schouwen. Dat is erg jammer, want zij zien en voelen veel meer van de krachten van de natuur en van de geest die rond alle mensen actief zijn dan de doorsnee-mens.

Ik heb hier slechts enkele typen weergegeven uit de aard der zaak.
Maar als u deze verschillen eens beschouwt, dan wordt u duidelijk dat gevoelsleven voor een deel wordt bepaald door geboorte. Het laatste geval kan ook het gevolg zijn van een prenatale emotionele beschadiging.

De moeder heeft sterke emoties ondergaan. Laten we zeggen: kort voor de geboorte is haar man doodgereden of iets dergelijks. Dan kan het resultaat dus deze eigenaardige non- communicatieve waarde in het kind zijn, een zich voor een deel afsluiten voor de redelijke communicatie.

Daarvoor in de plaats komt meestal het openstaan voor emotionele communicatie.

We kunnen stellen dat bij reïncarnatie een dergelijke keuze moge­lijk is, inderdaad. Iemand die volledig bewust is, kan een dergelijke vorm van een mens plus de daaraan verbonden occulte mogelijkheden en capaciteiten zeker kiezen. Maar het is niet zo dat de geest deze bepaalt. Het is ook niet zo dat door de eigenschappen of de kwaliteiten of de schuld, berustend in een bepaalde geest deze in zo’n voertuig gebannen zal worden. Dit betekent zeker ook niet dat de genoemde typen niet de mogelijkheden hebben om andere kwaliteiten te ontwikke­len. Wij zullen slechts zeggen dat ze – gezien hun emotionele achter­grond, de scholing, de conditionering vaak ook – zich in deze richting plegen te manifesteren.

Noot
Een zichzelf liefhebbende mens is in beginsel eigenlijk elke mens. Want de mens, die zichzelf niet liefheeft, kan niet leven. Maar er zijn mensen, die vanuit zichzelf alles op zichzelf betrekken. Zij zijn derma­te sterk egocentrisch dat zij – al weten ze dat misschien niet – hun emoties beschouwen als maatstaf voor de waarde van alles wat buiten hen bestaat. Dit is dus geen zuiver narcistische instelling. Het is eerder gewoon, alles alleen zien in relatie tot jezelf zonder je ooit af te vragen wat in het andere bestaat. Dit komt veel meer voor dan u denkt. De zichzelf liefhebbende mens is – in deze zin althans – een mens die niet in staat is tot naastenliefde, omdat hij niet zichzelf liefheeft als deel van een geheel, maar in zijn eigenliefde alleen zichzelf be­schouwt als maatstaf voor het geheel.

Eenheid

Een zijn met alle dingen. Dat is ook jezelf zien als deel van alle dingen. Maar hoe kun je jezelf zien als deel van alle dingen, als je sommige dingen vreest en andere verwerpt of veracht?

Het is moeilijk die eenheid werkelijk te bereiken. De eenheid waar­in de gezonde niet méér is dan de melaatse, waarin geen rein en onrein bestaat. Een wereld, waarin alle mensen deel zijn van hetzelfde wonder­lijke spel van de scheppende Kracht. De eenheid waarin zelfs God niet méér is of minder dan wat Hij in u heeft gelegd. Indien ik mij beroep op een God, die ver van mij af staat of die ver boven mij staat, dan deel ik immers de wereld, dan maak ik mij bewust los van de kosmos waarvan ik deel ben. Slechts indien ik besef dat de totaliteit in mij is en door mij kan werken zoals ze kan werken en kan zijn in alle dingen rond mij, dan is er iets van eenheid en eenheidsbesef.

Wij zijn allen één. Ook als wij uiterlijk tegenstellingen tot stand brengen en wij niet beseffen hoe wij verbonden zijn, dan nog zijn wij allen één. Want er is één scheppende Gedachte waaruit wij allen zijn voortge­komen. Er is één Kracht waardoor wij allen in stand worden gehouden. Er is één Zijn dat ongeacht de schijnbare loop der tijden ons allen met al wat wij zijn, geweest zijn en zullen zijn omvat.

Wij reizen langs de lijnen van de tijd niet beseffend dat we reeds gefixeerd zijn in de schets van de eeuwigheid waarin de Schepper iets van zichzelf heeft uitgedrukt. Laten wij beseffen dat wat gisteren was en wat morgen komt een eenheid is dat het niet los van elkaar kan worden gezien, dat het niet belangrijk is het in te delen, maar om het te begrijpen als eenheid. Zo goed als het belangrijk is onszelf, de we­reld rond ons en alle sferen rond ons en de krachten waarmee wij worden geconfronteerd te zien als een eenheid, niet als iets wat onderschei­den moet worden van elkaar.

Als wij die eenheid voelen, dan zullen wij – ongeacht de uiterlijke verschillen die er bestaan – voortdurend een beroep doen op de kracht die in alle dingen gelijk aanwezig is en daardoor de eenheid beleven, die voor ons misschien nog niet geheel in het bewustzijn te realiseren is, maar die wij reeds nu kunnen aanvoelen en die ons kan brengen tot die toestand van verrukking waarin wij het totaal zijnde ondergaan en niet meer vragen naar verschil of rangorde.