De aarde, de grote tol

uit de cursus ‘Verborgen krachten van de natuur’ – november 1970

De grote tol

De aarde kan men vergelijken met een grote tol. Zij draait razendsnel om haar as. Zwenkend naar links, naar rechts en terug raast zij met onbekende bestemming door de eeuwige ruimte. Nu is het voor ons niet zo belangrijk dat zij door de ruimte reist, maar wel dat zij draait.

De aarde bestaat uit verschillende bestanddelen. Wij hebben een heel zware kern die ten dele de balans houdt daarin o.a. veel nikkel, cadmium en wat ijzer voorkomen. Daar omheen is een laag die praktisch vloeibaar is. U moet niet denken aan een magma‑‑laag die overal doorloopt, maar aan een laag die bestaat uit gemengd metaal (de zwaardere elementen) en gesteenten. Deze laag is zoals gezegd praktisch vloeibaar door de grote druk. Dat wil zeggen dat de kern weer stabieler is dan de schaal die daar omheen loopt. Daarboven krijgen wij dan nog een aantal zgn. half‑vloeibare gesteenten die een taaie massa vormen en weer daarboven begint dan de eigenlijke aardkorst. In deze aardkorst zien wij dan weer holten en uitsparingen: de zgn. magma‑holten. De aardkorst is niet overal even dik, dat varieert van vele tot enkele kilometers.

Om dat alles heen vindt u de atmosfeer. De atmosfeer bestaat uit een dichte luchtlaag, maar ook uit een samenstelling van luchtlagen. In de troposfeer hebben wij uw normale ademlucht. Komen wij in de stratosfeer, dan is de samenstelling alweer wat anders en wat dat betreft ook de dichtheid.

Nu weet u misschien dat massa beweging heeft. Maar naarmate die massa groter is, zal de beweging stabieler zijn. Dat de aardkern ‑ zwaar als ze is ‑ voortdurend doordraait, is begrijpelijk. Maar dat een lichtere laag ‑ want de harde laag waarop u woont is in verhouding veel lichter en veel minder dicht ‑ niet geheel de eigen draaiing van de aarde bijhoudt, dat is ook begrijpelijk. Nu is de verschuiving niet zo groot. Wij zouden kunnen zeggen dat de omwenteling van de aardkern (ongeveer de middelste 70 à 80 kilometer, d.i. de zwaarste kern in het middelpunt van de aarde circa 1 1/5 is tegenover de draaiing van de buitenschil van de aarde is. Dat wil zeggen dat daar een verschil is. Dus ontstaat er een soort wrijving. Die wrijving wordt weer ten dele warmte, maar zij wordt ook wat anders.

Wrijving kan, zoals u weet, elektriciteit opwekken. Die elektriciteit noemen wij statisch, omdat zij niet als een stroom wordt uitgedrukt maar eenvoudig als een potentiaal. Dergelijke spanningen zijn in de aarde aanwezig. Maar omdat wij te maken hebben met een praktisch geheel vloeibare laag en daarboven weer met de taaie brij, die in zichzelf ook weer werking kan vertonen, bestaan er alleen in de aarde zelf reeds een aantal verschillende potentialen. Er zijn verschillende velden, verschillende spanningen aanwezig.

Voor de mens is dat niet zo belangrijk. Hoe diep komt hij? Laat hem 10 kilometer diep komen; dat is al heel veel in de aardkorst. Daar is dat verschil niet groot. Maar voor een wezen dat in de aarde leeft, is het natuurlijk anders. Zo kunnen wij zeggen, dat er in de aarde strata zijn, waarin wezens kunnen leven, doordat zich daar voortdurend een bepaalde spanning regenereert en als gevolg van die spanning tegenover andere spanningen er zelfs een bepaalde elektrische stroming en daarmede een soort gewijzigd magnetisch veld bestaat. De velddichtheid van het aardmagnetische veld is trouwens niet overal gelijk. Niet in de aarde en niet daar omheen.

In de aarde kunnen wij op die manier 3 hoofdfasen‑ of 3 lagen onderscheiden, die zo sterk van elkaar verschillen dat de wezens die daarin leven totaal andere levenscondities maar ook andere potentialen hebben, andere krachten, andere vermogens. De aardkorst, waarop u leeft, heeft wezens, die praktisch gelijk te schakelen zijn met de mens.

Een aardgeest, die in de aardkorst leeft, verschilt eigenlijk niet zo heel veel van een mens. Zijn krachten en zijn besef liggen heel dicht bij die van de mens, ook als zijn structuur anders is. Hier is dus begripsmogelijkheid.

Maar stel nu dat we dieper gaan en laten wij dan voor de aardigheid, omdat het daar tamelijk warm is vanuit uw standpunt, heter en heel druk is, zeggen dat het vuurgeesten zijn. Dan staat de vuurgeest weer veel verder van de mens af. Er zijn minder punten van aanraking. En omdat de potentialen (de spanning van de levensenergie) aanmerkelijk verschilt van die van de mens, is de vuurgeest altijd gevaarlijker voor de mens dan de aardgeest.

U wilt zeggen: de watergeest. De watergeest leeft in een ander milieu. Hij heeft veel gemeen met de aardgeest wat zijn potentiaal betreft. Maar aan de andere kant hebben de watergeesten ook bepaalde vluchtige eigenschappen, waardoor zij ook weer met de luchtgeesten in zekere zin verwant zijn. U zou hen kunnen beschouwen als wezens, die ‑ levende uit dezelfde energie als de mens ‑ door hun ander vorm‑ en zijnsbesef ook een sterkere verwantschap kunnen vertonen met de luchtgeesten.

Dan hebben wij de luchtgeesten. Dat is aardig. U zegt daar zijn luchtgeesten. Zij zweven door de lucht. Zij blazen de storm op. Maar er zijn verschillende lagen in de lucht. De laag die het dichtst bij de aardkorst ligt, is wel in beroering, maar die beweging wordt door zoveel factoren bepaalt dat de aardspin (draaiing v.d. aarde) zelf nog niet zoveel daarmee te maken heeft. De hogere luchtlagen draaien anders. Dat is een heel eigenaardig verschijnsel. Iedereen heeft wel gehoord van de jet‑stromen die er in de stratosfeer bestaan. En iedereen heeft gedacht: die permanente winden worden veroorzaakt door verschil in zonnewarmte: Maar dat is niet waar. De jetstroom gaat altijd in dezelfde richting. Hij ontstaat doordat er een draaiingsverschil is tussen een bovenlaag en een onderlaag. Het resultaat daarvan is a.h.w. een enorme turbulentie op de grens van die twee dichtheidslagen, waardoor er een luchtstroom ontstaat die zich kanaliseert. Het totaal van die wrijving komt tot ontlading in één kanaal met grote doorlaatbaarheid en daar beginnen dan de partikels lucht enorm versneld te razen. Dan zegt de mens: Daar ontstaat een stormwind.

Die stormwinden kunnen een heel hoge snelheid bereiken, bv. tot 600 mijl per uur. Dat is heel gewoon. Als u dat eens uitrekent, dan kunt u ook begrijpen dat ook in de bovenste luchtlagen heel veel verschillen van wrijving en van potentiaal voorkomen, maar niet zoals op aarde verdeeld over de gehele laag. Want als ik zo’n jetstream heb, dan betekent dat, dat op een bepaald begrensd gebied deze lucht als een golfstroom in de atmosfeer met een enorme snelheid verder vliegt, daardoor wrijving veroorzaakt in de grensgebieden en daar wederom elektriciteit doet ontstaan. Elektriciteit die op haar beurt weer een veld schept dat binnen het aardmagnetische veld werkt, waarvan de dichtheid op die hoogte iets minder groot is en daardoor ook weer energie schept. In de atmosfeer is dus veel plaats voor zeer veel verschillende soorten wezens. Als wij dat willen uitrekenen, dan kunnen wij zeggen;

In hoofdklassen verdeeld zijn er twee hoofdsoorten. Maar als wij de tweede soort, die alleen in de hogere luchtlagen voorkomt, verder willen gaan verdelen, dan komen wij tot een twintigtal. Twintig verschillende entiteiten met verschillende levensenergie en verschillende mogelijkheden. Zij staan wat verder van de mensen af en zullen niet zo gemakkelijk op de mensen reageren. Maar zolang de razende tol van een wereld blijft doordraaien, zijn er voor die wezens perfecte levensmogelijkheden. Op het ogenblik dat de draaiing van de aarde verandert, veranderen ook alle potentialen, alle krachtsverhoudingen. Niet alleen door het verschil dat de kern wat langer doordraait dan de aardkorst bij een remming, maar ook omdat de luchtlagen t.o.v. elkaar anders gaan reageren. Er ontstaan verschuivingen van levensgebieden. Als je nu de levende krachten van de natuur probeert te onderzoeken, dan moet je dus niet helemaal blind zijn voor die mogelijkheid. Nogmaals, u moet dit niet zien als een Evangelium ‑ wij hebben dit in de inleiding reeds gesteld ‑ u moet dit werkelijk zien als een mogelijkheid, die u moet bezien.

Deze entiteiten hebben besef. Besef wil zeggen: men kan ervaring opdoen, men kan een verschil maken tussen zichzelf en het andere, men komt tot een besef van behagen en onbehagen. Nu zult u begrijpen dat behagen en onbehagen eigenlijk tussen een betrekkelijk smalle grens liggen. Laat ons eens de mens nemen.

Een mens vindt het heerlijk als de temperatuur ligt tussen de 55 en 75 graden Fahrenheit. Dan zegt hij: Nu kan ik leven! Dat laatste vind ik al rijkelijk warm. Het begint onbehagelijk te worden. Er zijn natuurlijk andere mensentypen die weer een andere graadverdeling hebben. De Eskimo’s bv. vinden het nog heerlijk weer als het maar 10 graden onder nul is. Maar als het 30 graden in de schaduw is, kunnen zij daar haast niet meer in leven, dan gaan zij daaraan te gronde. Ik heb echter de voor u geldende grens genomen.

Indien die grens wordt overschreden ‑ naar beneden of naar boven ‑ ontstaat er onbehagen. Als mens kun je dat onbehagen proberen weg te nemen door bv. als het kouder wordt je warmer te kleden of te stoken, een beschutting voor jezelf te bouwen. En als het warmer wordt op de een of andere manier een koeling te veroorzaken. Een entiteit kan dit over het algemeen niet zo gemakkelijk, omdat ‑ als je luchtgeest of als je aardgeest bent ‑ je leeft in een wereld waarin je de condities niet kunt veranderen en aanpassen. De mens kan dit wel Dat wil zeggen, wanneer een gebied waarin luchtgeesten leven op een gegeven ogenblik een te hoog of te laag potentiaal krijgt, zij dan zeggen: Wij voelen ons hier zo beroerd, wij gaan weg. En dan zoeken zij naar het best bij hen passende leefgebied. Maar dan gaat ook de bezieling mee.

De bezieling betekent ook kracht. Dit betekent een verandering van energieverhouding in de atmosfeer en daardoor een aantal verschijnselen die o.m. het weer, de wolkenvorming en al die dingen meer kunnen beïnvloeden. Het is dus niet zo eenvoudig als de meeste mensen denken. De wereld heeft een natuur en die draait volgens vaste wetten. Zodra er wezens met besef actief worden, zijn de wetten niet meer vast. Zij zijn variabel, omdat de factor die deze wezens met hun bewustzijn vormen, niet kan worden ingecalculeerd in de wetmatigheid die de mens stelt. Daarom zeggen wij;

Alle regels omtrent atmosferische stroming zijn een benadering van een nu bestaande werkelijkheid, waarbij wij rekening moeten houden met een zeer snelle en absolute ommekeer van omstandigheden. Hetzelfde kunnen wij ook zeggen ten aanzien van wateren. Misschien vindt u het vreemd dat een enkele dam ergens hier in het Kanaal niet het gehele patroon van warmte voor Europa zou kunnen veranderen. Maar dat ook alle voorkomende levensvormen en levensmogelijkheden worden veranderd. En wat meer is; het gedrag van de wateren, de bezieldheid ervan verandert. Er komen entiteiten die zich misschien meer thuis voelen in stilstaand water van lagere temperatuur in de plaats van de entiteiten die zich vooral in stromend water met een groot verdampingscoëfficiënt thuis voelen. Dat betekent andere levensvormen; dat betekent totaal differente reacties.

Nu zou men zeggen: Daar kan de mens weinig aan doen. Maar is dat wel zo?

Een van de geliefkoosde onderwerpen in deze tijd is lucht‑ en watervervuiling. Stelt u zich nu eens voor dat wij te veel olie op een wereldzee krijgen, een bepaalde oceaan. Wat gebeurt er? Er komt een filmlaagje op, de golfslag wordt minder, de deining neemt af (dat is een eigenschap van olie) door een andere cohesie‑coëfficiënt. Hierdoor wordt ook de temperatuuruitwisseling een andere. Zuurstofvoorziening uit de lucht (het inbrengen van vrije met in water gebonden zuurstof) is veel moeilijker aan de oppervlakte. Niet alleen de levensvormen veranderen, maar ook de levenscondities, ja, zelfs de potentialen, de energie die in het water zit en de ontlading die uit het water plaatsvindt veranderen en daarmee ook weer de leefgebieden van bepaalde watergeesten.

Er zijn wel degelijk bezielende krachten. Die krachten zoeken nu het hun passende milieu. Waar het milieu verandert, daar veranderen de optredende krachten en daarmee elke beïnvloeding van levensverschijnselen in die omgeving. Dat is iets, waarmee men rekening moet houden.

Hoe zit het nu met de aardgeesten? Aardgeesten zijn o.m. nogal gevoelig voor trilling. Wanneer er ergens een verkeersweg ligt, dan moet u er niet op rekenen dat daar goede aardgeesten in de buurt wonen. Dat is precies zo met een minister. Die gaat ook niet vlak langs een drukke verkeersweg wonen, terwijl achter zijn huis ook nog treinen voorbij daveren. Hij zegt; Dat is een onaanvaardbare levensconditie die wij gezien de toestand van de woningnood moeten aanvaarden. Maar hij zegt niet: Ik ga er zelf zitten. Zo gaat het met een aardgeest ook.

De aardgeest zegt: Ja, de mensen hebben dat misschien wel nodig, maar mij niet gezien! Ik trek mij terug. Nu zijn dit wat wij noemen de vriendelijke aardgeesten. Dat zijn nl wezens, die op harmonie zijn ingesteld. Zou er nu voortdurend een gelijkmatige trilling zijn, dan zullen zij dat kunnen accepteren. Dat is een kleine verandering in klimaat, bij wijze van spreken. Maar een onregelmatige verandering van ruisintensiteit en trillingsintensiteit betekent voor hen net zoveel als een jankende hond voor iemand die niet kan slapen. Dat is op den duur niet meer te verdragen. Dus trekken zij weg naar die gebieden waar zij zo weinig mogelijk last ondervinden. Dat kan zijn een bergmassief waar zo’n enorme rotsmassa is, dat de trillinkjes er in verhouding gering zijn. Het is mogelijk dat zij zich terugtrekken ergens midden in een weidegebied waar zo twee keer per dag een boerenwagen langs komt, dat irriteert niet. Het goede dat zij kunnen brengen, dat brengen zij dan daar, want zij zijn harmonisch met de mens en daardoor werken zij inspirerend. Zij geven de mens inzicht in natuurlijke samenhangen, omdat zij uit de mens weer een begrip voor menselijke waarden ontlenen, zij zijn er een beetje in geïnteresseerd

Hun grootste belangstelling is vorming. Dat is begrijpelijk. In de aarde zelf vinden voortdurend omzettings‑ en vormingsprocessen plaats. Zo zijn zij dus ook geïnteresseerd in al wat daarmee samenhangt. Zij inspireren daardoor de mens heel vaak tot kleine uitvindingen en kleine verbeteringen. Zij helpen hem zijn werk gemakkelijker te doen. Niet als kleine kaboutertjes, die even met een houweel en “hei‑’zo” komen aanmarcheren om de akker te ploegen als de boer niet klaarkomt, maar wel door hem te zeggen: Daar liggen stenen. Pas op! Of, hier moet je eigenlijk schuin ploegen, want dat is beter voor de afwatering. En een boer die daarop reageert, krijgt dus in verhouding een betere opbrengst. U ziet dat de mensen die in steden of in heel drukke verkeersgebieden wonen dus een gunstige invloed ontberen. En dan kun je zeggen: Dat wordt wel weer aangevuld. Zeker, maar niet meer op een manier die met de levende natuur verbonden is.

Als u dergelijke inspirerende invloeden gaat missen en u gebruikt in de plaats daarvan de computer, dan heeft u geen denken meer dat is gebaseerd op de natuur zelf met haar feiten, maar iets dat is gebaseerd op een analogie met de natuur en is opgebouwd over zoveel jaren. U kunt wel nagaan wat daarvan het resultaat is. Voortdurend kleine afwijkingen t.a.v. de werkelijkheid, die voor een algemeen proces niet storend schijnen te zijn, maar die een zo cumulatief effect hebben, dat een steeds grotere verstoring van mogelijkheden ontstaat. Wat dit betreft is de grote Tol dus werkelijk wel met al zijn bezielingen een zeer interessant wereldje. Maar aan de andere kant ook een wereldje dat heel goed begrepen moet worden, omdat de harmonie in die wereld sterk afhankelijk is van het ongeveer gelijk blijven van condities en potentiaal.

Nu lijkt het of dit alles ook wel zonder de gelijkenis van de tol verteld had kunnen worden. Misschien heeft u in uw jeugd wel eens getold en herinnert u zich nog het verschil tussen de peertaats en de appeltaats. Een peertaats is een spitse metalen stift waarop de ‑ meestal uit hout vervaardigde ‑ tol kan draaien. Een appeltaats daarentegen heeft een afgeronde knop. De peertaats draait sneller en blijft langer draaien. De appeltaats draait wat langzamer, maar niet zo lang. Hij blijft veel mooier in evenwicht. Hij blijft nog doordraaien onder een hoek die voor de peertaats bijna ondenkbaar is geworden, zeker na enige tijd draaien.

De aarde gedraagt zich op het ogenblik ‑ vergelijkbaar ‑ als een appeltaats. Dat wil zeggen zij heeft zo nu en dan een wankel moment. Dat moment is niet zo groot. Met de huidige draaisnelheden van kern, korst en atmosfeer kan zij zich op dezelfde baan onder dezelfde hoek blijven handhaven. Maar in plaats dat zij een taats heeft, heeft zij een magnetisch veld.

Dat magnetische veld is eigenlijk datgene wat voor haar het baanvlak helpt bepalen door de onderlinge aantrekking en afstoting t.a.v. andere planeten en natuurlijk van de grootmeester van alles: de zon. Als wij nu een verandering krijgen in het aardmagnetische veld, die sterk genoeg is, dan krijgen wij een tijdelijke toename van magnetische dichtheid in de hoogste luchtlagen. Als dat gebeurt is het draaiingsmoment van de aarde niet meer stabiel zoals dat heet. In plaats dat de pool (de noordpool wandelt) zich langzaam verplaatst, zijn er zeer plotselinge verplaatsingen, Deze veroorzaken een verschuiving tussen lucht en water en ook de aarde zelf. Hierdoor ontstaat er een totale evenwichtsverandering en kan de aarde omvallen.

De aarde is niet helemaal rond. Zij heeft misschien wel iets van een Edammer kaasje, waarvan men de bovenkant en onderkant voor het beter stapelen heeft afgeplat; een beetje buikig ook om de equator. Het is de middelpuntvliedende kracht die daaraan heeft meegewerkt. Maar op het ogenblik dat de stand van de aardas verandert, verandert de totale druk in het binnenste der aarde. Het blijft dus niet alleen bij een zondvloed, een enorme storm of zoiets. Neen, er is wel degelijk een barsten en een zich hernieuwd zetten van de aardkorst. En dat betekent niet alleen een hergroepering van alle leefgebieden, maar ook en zeer snel vaak een totale verandering van klimatologische omstandigheden. Dat betekent een totale verandering van levenscondities, ook voor de mens en alle wezens, die evenals de mens op het oppervlak leven. Het is dus zeer belangrijk dat deze dingen niet voorkomen.

Nu is er geregeld (laten wij zeggen ongeveer eens per 140 jaar) op de zon een impuls die voldoende zou zijn om de aarde werkelijk te laten omvallen. Maar er is ook iemand die erbij staat; de aardgeest zelf.

De aardgeest heeft in de kern der aarde een enorme hoeveelheid energie die bestaat uit materie onder druk en ontladingsmogelijkheid. Nu weet u allen, als u aan het tollen bent, dan kunt u ook behalve de gewone handtol, de prik‑ of zweeftol gebruiken. Als je daar een tikje tegen geeft, begint hij weer wat sneller te draaien, tenminste als je hem op de juiste manier pakt: Even houdt de draaiing op, maar dat is een heel kort moment, daarna wordt zij versneld voortgezet. De tol blijft overeind.

Op dezelfde manier kan de aardgeest zijn eigen ontlading plotseling vergroten. Dat betekent een toename van bv. vulkanische activiteiten. Als u zich de moeite getroost, ‑ zult u zien dat er cycli lopen van grote vulkanische activiteiten, die fasen hebben van 50 tot 60 jaar, 142 tot 144 jaar, Door stof in de atmosfeer te brengen, verandert men de mogelijkheid van de atmosfeer, de geleiding, maar ook de elektrische potentialen die daarin ontstaan. Er worden hogere spanningen gewekt. Die spanningen compenseren de overdadige impuls die van de zon afkomt. Kan dat een keer niet, dan ligt de aarde op haar achterwerk. Dat is in de geschiedenis van de aarde al meermalen gebeurd en het zal heus nog wel eens gebeuren.

De aardgeest is dus degene, die probeert de hele zaak in balans te houden. En omdat de aardgeest zo’n enorme energie heeft en die periodiek tot uiting brengt, kunt u nagaan dat al die entiteiten, die in de natuur leven, juist omstreeks die periode een soort migratiedrang krijgen. Zij voelen het aankomen: de aarde gaat compenseren. Er wordt meer stof in de atmosfeer gebracht. Er is zelfs een verschuiving van velddichtheid aan de polen te zien. Op dat ogenblik moet ik meevluchten naar die strata van de aarde of van de atmosfeer waarin de voor mij belangrijke statische potentialen blijven bestaan. En zo krijgen wij dus gemiddeld om de 140 jaar een voortdurende herverdeling van natuurgeesten. U ziet, wij hadden de tol werkelijk wel even nodig om een analogie op te bouwen.

Door die herverdeling ontstaat er ook voortdurend een andere beïnvloeding van de aarde en van de mensen. U kent allemaal de verhalen van de Duizend‑en‑één Nacht. Misschien is het u wel eens opgevallen hoe vreemd het is dat daar de witte en de zwarte djinns tegenover elkaar staan. Als u zich nu realiseert dat sommige entiteiten langer blijven en daardoor in hun mogelijkheden eigenlijk een tikje vervormd worden. Zij hebben grotere moeilijkheden, zij moeten zich anders aanpassen, dan is het duidelijk dat de nieuwe bewoners in zo’n gebied daar inboorlingen aantreffen, wier neiging om zichzelf in stand te houden (nl. een verhoogde absorptie) tegengesteld is aan die van degenen die binnentrekken, die voldoende hebben aan de omgeving op zich. Het resultaat is dat wij elke keer na 140 jaar een soort strijd kunnen verwachten tussen natuurgeesten van ongeveer gelijke geaardheid.

Het is natuurlijk wel mogelijk dat ook vuurgeesten aan de oppervlakte komen en daar een rol gaan spelen. Maar als zij dit doen voor een enkel moment, misschien een maand, is dat maar heel zelden. Er zijn echter perioden waarin vuurgeesten werkelijk voor jaren naar de oppervlakte kunnen komen, maar dat zullen wij even uitsluiten. Dat betekent alleen dat een bepaald gebied zo vulkanisch actief wordt dat de mensen daar moeten wegtrekken.

Indien dat gebeurt met watergeesten, krijgen wij een verandering in het karakter van zo’n water.

Voorbeeld;

Wanneer de Zuiderzee een korte golfslag heeft, dan ligt dat aan de structuur van de Zuiderzee, de wijze waarop de wind daarop kan spelen. Maar dat de hakkende golfslag ook nog levensgevaarlijk kan zijn, is niet alleen te wijten aan het water zonder meer. Dat komt door de gemene dwarsstromingen die er onder zitten. Stromingen die je kunt proberen natuurkundig te verklaren, maar die je eigenlijk gemakkelijker kunt verklaren als je zegt: Dat is een reactie van iets op een onbekende factor: Anders zou de hele geschiedenis van de verandering van stroming bij Schokland, als we het over de Zuiderzee hebben, niet te verklaren zijn geweest.

Schokland was eerst een normaal eiland. Je kon er goed binnenvallen. Plotseling veranderden de stromingen, de grond werd weggevreten. Maar er gebeurde ook nog iets anders. Schepen, die daar wilden aanleggen, waren lange tijd in groot gevaar. Dat is in uw periode het meest actief geweest van ongeveer 1820 tot 1850. Daarna blijven de stromingen wel bestaan, de aanvreting blijft, maar het grote gevaar valt weg. Hier is kennelijk een verandering van entiteiten geweest, die zich bezighielden met de omgeving. Dat kan overal gebeuren. U zou op grond hiervan kunnen aannemen, dat wordt een soort Sargasso zee. De aard en ook de plaats veranderen, indien de entiteiten veranderen. Dat blijkt ook als u de huidige Sargasso zee beschouwt. Bij benadering bestaat deze 40.000 jaar, niet langer. Vóór die tijd was zij er niet. Maar in die periode was er in het noorden van de Atlantische Oceaan, zuidoostelijk van Groenland, wel een soortgelijke “Sargasso zee” als we het zo mogen noemen. Een windstil gebied, het middelpunt eigenlijk van allerhande draaiende stromingen, waarin alles wat dood en losgeslagen was (wieren e.d.) werden bijeengedreven. Het karakter kan dus veranderen. En op grond van deze karakterverandering kun je voor de mensen weer een paar regels stellen;

  1. De conditie, die op een bepaald terrein in de natuur bestaat, zal zelden langer duren dan 150 Jaar. Daarna ontstaat er een definitieve verandering in aard en karakter, die ‑ indien zij niet tijdig genoeg wordt erkend ‑ de mens voor grote moeilijkheden plaatst door een totaal differente reactie van bodem, van stroming, van water, zelfs van lucht en temperatuur.
  2. Als wij weten waar de voor ons belangrijke bezielende krachten van de natuur, van de aarde leven, dan kunnen wij ons daar terugtrekken, als wij iets meer van die natuur willen weten en willen doorvoelen. Bijvoorbeeld; U heeft levenskracht nodig. Gaat u dan naar een bos, waar het rustig is, waar maar heel zelden een vliegtuig overheen davert en het geruis, gezoem en getril van de verkeerswegen tot een heel ver ruisen op de achtergrond is teruggedrongen. En is het vochtig, neemt u dan maar wat en legt u het op de grond. Ga daar eens rustig liggen. Ontspan u volledig. Denk over niets na. Als u weggaat, heeft u totaal nieuwe gedachten; maar het zijn allemaal gedachten die ergens verband houden met de natuur. U bent doodgewoon harmonisch geworden met de voor de mens goede entiteiten uit de aarde, die uit de mens het een en ander hebben gepuurd omtrent zijn leven en denken en die als een ruil daarvoor iets van hun eigen gevoel van aangepastheid achterlaten en ook een erkenning van het fijne onderscheid in de natuur, die u gewoonlijk ontgaat. Het is zelfs zo dat levenskracht, vitaliteit, die bij de mens op een ongeveer gelijk niveau ligt als bij de aardgeest, door zo’n aardgeest wordt aangevuld, zodat u daar zelfs ook kracht kunt winnen. Maar u raakt er altijd ook wat denkbeelden kwijt. Daar wordt dus iets uit uw persoonlijkheid geput.
  3. Als ik weet dat een bepaalde wijziging in de natuur heeft plaatsgevonden, dan zal er altijd een aantal soortgelijke wijzigingen in de omgeving geschieden. Om u een voorbeeld te geven: Er zijn veranderingen geweest in Zeeland in 1953. Het resultaat is niet alleen geweest een mentaliteitsverandering in de omgeving, maar wel degelijk ook een totale wijziging van invloed, een zekere disharmonie met de natuur, die zich heeft afgespeeld in een straal van ongeveer 60 km rond Zeeland. Hieruit kun je weer nagaan, er zijn andere invloeden gekomen. En dat was nog erg onbelangrijk. Het is maar een klein stukje, daarin is weinig veranderd. Maar indien dat gebeurt met Europa, dan betekent dit dat de volkeren van Europa anders gaan denken, anders gaan leven, anders gaan reageren. Zelfs uw godsdienst en een deel van uw emotionele voorstellingen, alles wat eigenlijk tot het paranormale behoort, maar die wij dan ook nog kunnen herleiden tot de taboe’ s, de bijgelovigheden, de totems van een ver verleden, wijzigen zich, en wel betrekkelijk snel. Waaruit men de conclusie kan trekken dat een verandering van structuur van aardgeesten, luchtgeesten, eventueel watergeesten gepaard gaat met een mentaliteitsverandering in de mens.

En dan is er weer een logische conclusie. Er zullen belangrijke mentaliteitsveranderingen bij een volk kunnen voorkomen met een tussenruimte van 144 jaar. Zijn de 144 jaar voorbij en is er geen mentaliteitsverandering geschied, dan ontstaat er een ander brandpunt van verdere ontwikkeling door stimuli die uit de natuur komen. In al die gevallen kunnen wij zeggen dat de opstandigheid, de verandering die de mens dan op dat moment afdwingt, voortkomt uit een behoefte ergens weer een grotere harmonie met de natuur te krijgen.

Gaat u het maar na. En dan behoef t u heus niet alleen naar Rousseau te kijken. Kijkt u naar al die mensen met hun ideeën van “terug naar de natuur”. U zult zien dat daar een bepaalde regelmaat in zit. Als die regelmaat bestaat, dan moeten wij aannemen dat elders dergelijke denkbeelden weer met dezelfde regelmaat naar voren komen en een aantasting van het gevestigde patroon betekenen. Je kunt dus omtrent de samenleving iets veronderstellen, indien je weet wat er gebeurt.

Iemand, die precies zou weten hoe de potentialen in de aardkorst zich aan het veranderen zijn, kan ook zeggen welke mentaliteitsverandering bij bepaalde volkeren ‑ althans in bepaalde gebieden ‑ zullen plaatsvinden in de komende periode. Zover heeft men het overigens nog niet gebracht.

Een geest, een wezen zoals ik ben, heeft ook zekere harmonieën nodig om zich op aarde te uiten en daarnaast ‑ en dat moogt u niet vergeten ‑ ook energieën. Energieën, die hij wel uit de mens put, maar die hij ten dele ook van buitenaf kan ontlenen. Dan kunnen wij zeggen:

Als er een verhoging van energiegehalte plaatsvindt in een bepaald deel van de wereld, zal in diezelfde periode de uitingsmogelijkheid voor de geest gemakkelijker worden. Wat meestal ook betekent, dat de geest het sterkst kan ingrijpen en hot sterkst tot uiting kan komen in gebieden die mede door natuurlijke oorzaken veroorzaakte revoluties ondergaan. Dat betekent dus eigenlijk dat vernieuwing en harmonie in de natuur samengaan.

Dit alles zou doodeenvoudig zijn, indien wij niet te maken hadden met de groeps‑rassen en volksgeesten. Dezen hebben wel degelijk een bepaalde ontwikkeling op het oog en zijn niet geneigd door een wijziging van natuurlijke omstandigheden zich te laten afbrengen van hun vooropgestelde ontwikkelingsmogelijkheid die zij nastreven. Het resultaat is dat rassen en groepsgeesten en soms ook hogere entiteiten uit de sferen proberen compensaties te vinden voor deze veranderingen van spanning in de natuur. Daardoor zien wij dan ongelooflijk vreemde en snelle ontwikkelingen zich in zeer korte tijd voltrekken.

Hier is geen sprake van de mens die plotseling een reuze stap moet doen; want de mens verandert eigenlijk niet. Maar om hem een voortgaan in een bepaalde richting mogelijk te maken, moeten op korte termijn zeer snel grote wijzigingen tot stand worden gebracht. Dat betekent een aanpassing aan een ander niveau van natuurharmonie, een verandering van een klank met bepaalde lagen, met eigen potentiaal. Het betekent het veranderen van de functie van bepaalde luchtgeesten t.a.v. de mensheid en van de atmosfeer zelf.

Deze aanpassingen kunnen wij uit de aard der zaak niet in deze inleiding bespreken. Wij zullen daarop later moeten terugkomen. Toch is het erg belangrijk dat u begrijpt dat de gewone natuurgeest (elementaal) vaak door zijn behoefte wordt gedreven tot veranderingen en reacties, welke voor de rest, die vormend voor de mens ingrijpt, niet aanvaardbaar of niet welkom zijn.

Zo is er een voortdurend zoeken naar een nieuw evenwicht, een nieuwe synthese en daarbij speelt de draaiing van de grote Tol, die Aarde heet, een bijzonder belangrijke rol. Want zij zal zelf niet veel veranderen, indien haar draaiingsmoment of haar afstand zich wat wijzigt. Maar het leven dat op haar mogelijk is, verandert wel. En zo is het de draaiing van de aarde en de daaruit voortkomende energie, die voor de denkende en de natuurlijke functies in het milieu bepalend kunnen zijn.

Noot

Op grond van het voorgaande zult u zich bewust zijn geworden van de mogelijkheid dat er rond u enorm veel bezielde krachten actief zijn.

U ben zelf een wezen, dat ‑ al leeft het stoffelijk op een bepaald potentiaal (in een begrensd aantal mogelijkheden) ‑ gelijktijdig tot geestelijke werelden behoort, waarin totaal andere mogelijkheden te realiseren zijn. De harmonie die voor de mens mogelijk is, geeft hem de kans zich aan te passen aan de energiegebieden van bepaalde elementalen en gelijktijdig om harmonisch te zijn met bv. zekere rassen‑ of volksgeesten of ook hogere geesten die zich op aarde op de een of andere wijze openbaren.

De mens, die vanuit zijn eigen harmonie probeert een hoger beleven te vinden, zal een dergelijke aanpassing van node hebben. Maar hoe zou u zich kunnen aanpassen, indien u niet weet wat de vele invloeden zijn, waaraan die aanpassing mogelijk is? Aan de hand van hetgeen ik hier heb gezegd, zal het voor u al eenvoudiger worden te ontdekken of u harmonisch bent met elementalen, met betrekkelijk kleine geesten of met hogere geesten. En als wij klaar zijn met de lessen, ongetwijfeld ook of u iets weet van rassen‑ of groepsgeesten. Door uw persoonlijke harmonie daarmee kunt u uw mogelijkheden binnen eigen milieu vergroten. Maar u kunt ook uw mogelijkheid bepalen om een uitgebreider milieu te verdragen:

De mens kan zijn mogelijkheden door het bewust wijzigen van zijn innerlijke harmonieën voor een zeer groot gedeelte sturen in de door hem gewenste richting, zelfs onafhankelijk van de bestrevingen van groeps‑ en rassengeesten, zonder ooit te worden geplaagd door een te felle tegenstand van allerhande meer elementale, bezielende krachten van de natuur.

Transformatie magie

De transformatie magie is al heel oud. Wij vinden daarvan verschillende voorbeelden in het geloof van bv. de Noord-Amerikaanse indianen. Deze mensen gingen een vastenperiode houden van 30 à 40 dagen in het woud. En als zij bijna waren verhongerd, zagen zij hun totem, hun persoonlijke beschermgeest (een dier, waaraan zij dan verder waren toegewijd). Zij meenden dan ook dat zij de eigenschappen van dat dier zouden bezitten en gedroegen zich in vele gevallen, alsof zij een beer, een adelaar of wat anders waren. Dit is een zeer algemene vorm. Ze is gebaseerd op een persoonlijke identificatie met een bepaalde diersoort.

Men heeft dit veel verder doorgevoerd in vele streken van Afrika.

In Afrika heb je te maken met leeuwmannen, luipaardmannen, allígatormensen. Mensen die niet alleen een bepaalde diersoort nemen als teken van hun macht en bestaan, maar die ook proberen zich uit te rusten, alsof zij een leeuw, een luipaard, een alligator waren. Zij hebben zelfs bepaalde moordmethoden ontwikkeld die volledig zijn aangepast aan hun eigen beschermdier.

De grote moeilijkheid voor de westerling om dit te begrijpen is dat men niet beseft hoezeer men zich anders dan een mens gaat voelen. Elke offerplechtigheid wordt vaak voorafgegaan door het gebruik van soorten bier, het roken van bepaalde bladeren. Men komt magisch bijeen. Het kan zijn met 2 of 3 mensen, het kan zijn in een officiële vergadering waar misschien honderden mensen aanwezig zijn. Het verloop is altijd hetzelfde.

Je begint met een roes op te bouwen. Als je je roes hebt opgebouwd, dan komt daar een suggestie in. Je roept de grote geesten van de grote Luipaard, de grote Alligator, de grote Leeuw enz. Door je voortdurend daarmee bezig te houden krijg je op een gegeven ogenblik het gevoel dat dit wezen werkelijk in je midden staat en een opdracht geeft Die opdracht is dan de behoefte om als dit dier te reageren.

Zodra de opdracht komt, wordt bv. de luipaard‑man niet alleen het vel omgehangen (dat heeft men tijdens de bijeenkomst al gedaan); maar de stalen klauwen, die aan de poten bevestigd plegen te zijn en soms ook los bewaard worden in een tasje, worden dan in de handen gehouden. Vanaf dat ogenblik ben je een luipaard. En door je te gedragen als een luipaard, krijg je alle macht en alle mogelijkheden van het luipaard. Is het luipaard moeilijk te verschalken, je zult niet gevangen kunnen worden. Is het luipaard bijzonder snel, je zult snel zijn. Zo ziet men dus de heerschappij zinnebeeldig in het dier uitgedrukt overgaan op zichzelf. De transformatie magie is dus in de eerste plaats het overdragen van eigenschappen aan een mens. Er bestaan methoden waarbij geen diersoorten worden gebruikt. Als wij ingaan op bepaalde gebruiken van de voodoo, dan kennen wij de bijeenkomsten midden in de natuur op afgesloten geheime plaatsen. Daar zijn meestal de elementen aanwezig als bv. een waterval of water. Er is een steen. Daar is in vele gevallen bovendien een vuur of men maakt vuur. Indien je deze elementen bij elkaar brengt, kun je je daarmee vereenzelvigen.

De mens, die één wordt met het water, kan de heerschappij uitoefenen over alles wat met water in verband staat. Hij, die één wordt met een rots, is even onverzettelijk; hij heeft het vermogen alles te weerstaan. Hij kan zijn gedachten a.h.w. op anderen neerleggen als een zware steen, waaraan zij zich niet kunnen ontworstelen.

Het vuur heeft de eigenschap van verteren. Als ik een haat heb en ik kan één worden met het vuur, dan kan ik mijn gedachten uitzenden. Die zijn dan als de vlammen, die van het vuur uitgaan, zij grijpers hun slachtoffer.

Deze methodiek heeft dus ten doel de mens meer waar te maken en hem gunstig te stemmen tegenover een wereld, waarin hij anders onderdanig aan de elementen moet zijn. Men kiest daarvoor altijd de eigenschappen die in de eigen omgeving indruk maken. U zult nooit van een luipaard‑man horen in een omgeving waar geen luipaard is: U zult zelden horen over watermagie, waarbij de identificatie met bv. een stroom of een bron niet kan plaatsvinden

De gebruiken op zichzelf zijn natuurlijk zeer afwijkend. Denken wij aan bv. een alligator‑man. Deze brengt zichzelf in een roes en gaat dan lange tijd in modder liggen. Van de modder, waarin hij heeft gelegen, neemt hij ‑ wanneer de impuls komt ‑ handenvol mee en gebruikt die om zijn slachtoffer daarmee te verstikken.

Wanneer de luipaard‑man op de plaats waar de roes optreedt de klauwen aandoet, dan zijn die het symbool van het luipaard‑zijn. Zij worden ter plaatse gevonden in de magische ceremonie en moeten dan ook worden gebruikt. Je kunt niet meer terug.

Indien ik mij vereenzelvig met vuur, kan ik mijn gedachten uitzenden. Maar heb ik dat gedaan, dan kan ik het vuur niet blussen, het zal moeten uitwoeden. Op deze manier is eigenlijk de identificatie- en de transformatie‑magie, want die is daarmee verwant, geworden tot het middel van een mens om zich geestelijk te projecteren in mogelijkheden en eigenschappen, die de mens vreemd zijn.

Als een Zoeloe werkelijk niet meer weet waar hij het spoor moet zoeken, dan zegt hij niet: Ik moet opnieuw zoeken Hij staat stil en zegt; Ik ben het kind van de wind. Elke zucht van de wind zal mij vertellen wat er gebeurt. En hij speurt over zeer grote afstanden wat er gebeurt. In Nieuw‑Guinea hebben wij een zgn. gras‑magie. Het gras leeft en kan spreken. Zo zegt men: Ik ben één met het gras. Ik pluk het gras, dit geeft mijn levenskracht. Dit ben ik. Ik bind dat gras aan een speer. Of een pijl. Ik hoor de speer. Ik schiet de pijl gewoon af. De richting waarin hij valt, toont mij waar iets is dat ik moet zoeken. Dat heeft het gras mij vertelt. Ik ben dus één met een deel van de aarde.

Als ik wild nodig heb, dan kan ik mij dat wild voorstellen, zoals de holenmensen hebben gedaan, Maar zolang ik mij alleen maar dat wild voorstel, is dat niet voldoende. Dus wat doe ik? Ik maak er een beeld van. Of ik neem de huid van een soortgelijk dier en leg die over een rotsblok of een stuk klei. Ik begin nu met een paar mannen de jacht uit te beelden. Een daarvan is het dier. Deze man, die de geluiden van het dier maakt, die a.h.w. de strijd van het dier moet uitbeelden, is degene die kan zeggen waar de jachtbuit moet worden gevonden. Op deze manier heeft de mens geleerd zijn geest te werpen.

Van een werkelijke transformatie is nooit sprake bij die magie. Het is niet zo dat een mens zich verandert in een slang, een oeros, een hond of welk dier dan ook. Hij wordt één daarmee. Hoe kan deze eenheid worden verklaard?

Elke soort heeft haar eigen overkoepelende geest. U zegt: rassen‑of groepsgeesten. Deze geest leeft op een niveau, waarop ook mijn eigen geest kan bestaan. Als ik mij ga gedragen als het dier, dan breng ik mij op het peil waarop de groepsgeest staat. Uit die groepsgeest put ik dan het totale besef over de groep. Ik kan dus uit het verkregen besef op de gehele groep inwerken of ik kan de troep vinden.

Deze vorm van magie is later in sommige landen een beetje beschaafder geworden. Als wij naar de voodoo kijker, dan kennen we daar het gooien van knekels of van steentjes. Zoiets als het bikkelspel dat de kinderen in hun jeugd hebben gespeeld. Zo werpt men de botjes om iets door te krijgen. Maar de botjes staan weer voor een bepaalde entiteit die kan weten. Als ik één word met die entiteit, weet ik wat die entiteit weet. Dus spreken de botjes voor mij niet alleen door het toeval, maar zij geven mij ook de impuls om uit het toeval, het geheel aan te voelen en daardoor te komen tot de juiste verklaring. Vandaar dat men vaak de vingerkootjes van mensen voor zoiets gebruikt. Want die zijn deel van mensen en mensen zijn weer deel van een groep. Indien ik één ben met de groep, kan ik weten wat een mens overkomt. Ik ken het verloop der dingen.

De situatie in bv. China wordt weer wat anders. Daar heef men de wichelboeken (I Tjing) en krijgt men het gebruik van de wichelroeden. Ook wel duidt men dit aan met penningen. Toen er eenmaal munten waren, gebruikte men daarvoor ook een aantal munten. De hele geschiedenis lijkt nu een eenvoudig rekensommetje. Ik werp iets en daarmee druk ik dan uit welk nummer en welk vers ik in het boek moet opzoeken. Maar dat is niet de werkelijkheid. Het is zo ontstaan.

Er was een primitieve levenswijsheid. In een vast gevormde maatschappij zijn een groot aantal mogelijkheden ingebouwd. En China was zo’n vast gevormde maatschappij. Als ik de situatie uiteenzet en ik werp een aantal munten en ik denk aan de principes van die maatschappij dan zal ik één zijn met die maatschappij en daardoor de juiste keuze kunnen doen in het boek. Later heeft men de oorsprong ervan vergeten. Er waren alleen ook bepaalde priesters die dat beginsel goed kenden.

Op dezelfde manier is ook het werpen van de runenstaven oorspronkelijk ook te verklaren uit die aanbidding. Germanen hadden die aanbidding voor bomen; de heilige eik en de heilige beuk. De beuk was soms ook heilig. De runen zijn gesneden op staven behorend tot heilig hout. Het heilige hout is de weergave van de godheid, die de levenskracht en de vruchtbaarheid bepaalt. Als ik de runen werp, terwijl ik mij daarbij vereenzelvig met het heilige hout, dan zal ik daardoor de levenskracht van het heilige hout, de stroming van die kracht kennen en ik zal de oplossing voor mijn problemen vinden, want ik weet waar de mogelijkheden zijn. Zo heeft de mensheid altijd gezocht ergens één te zijn met wat anders, zich te identificeren daarmee en dan te doen alsof hij dat andere zou zijn. Nu gebeurt dat ook in deze dagen. Er zijn meisjes die helemaal niet op een filmster lijken, maar zij proberen zich te gedragen als een filmster. De drang om zich met de vereerde of als hoog erkende personen één te voelen bestaat in uw maatschappij nog steeds. Alleen heeft ze een ander karakter gekregen. Nu imiteert men bewonderde mensen. Vroeger probeerde men één te worden ‑ en ze ook na te volgen ‑ met onbegrepen krachten in de natuur. Het bijgeloof is daarbij natuurlijk ontstellend groot. Als ik geloof in Thor, in Donar en ik heb een bliksembuis gevonden (een steen ontstaan uit zand door het inslaan van de bliksem), dan kan ik, indien de steen in zijn geheel (dat was voor het geloof noodzakelijk) wordt bewaard, daarvan een soort toverzwaard maken. Als ik dat zwaard heb, kan ik gebaren als de godheid, wanneer hij de bliksem werpt. Als ik dat doe, ben ik één met de kracht (de godheid) die de bliksem werpt. Die godheid kan meer dan een mens, zo kan ik op dit moment meer dan een mens. Dit alles lijkt voor de moderne mens van deze tijd bijgeloof. Maar is dat helemaal waar? Wij weten dat imitatie niet alleen een blijk is van bewondering, maar wel degelijk een aanpassing van de eigen kracht. En als je lang genoeg iemand imiteert, dan word je een beetje aan hem gelijk. U kent allen de komische tekeningen van de oppasser in de dierentuin. De oppasser van de apen ziet eruit als een overjarige orang‑oetan. Degene die bij de walrussen werkt, heeft een grote snor en kijkt melancholiek met ronde ogen. Dat wat ik voortdurend zie en waarmee ik mij één gevoel, maak ik na, ook in mijzelf en van mijzelf. En zeggen mensen niet: Als je lang en gelukkig met elkaar getrouwd bent, dan ga je op elkaar lijken, alsof je familie bent. Ik bedoel bloedfamilie, niet door huwelijk. Als ik dus op dezelfde manier met een natuurkracht omga of ik vereenzelvig mij met een godheid ‑ hoe groot of hoe laag die verder ook kan zijn ‑ dan is het zo, dat in mij een zekere gelijkenis daarmee ontstaat. Die gelijkenis betekent ook veel grotere gevoeligheid voor capaciteiten. Ik kan wel degelijk een nieuwe capaciteit putten uit de manier waarop ik doe alsof ik een ander ben. Ik bestuur mijn lichaam anders, mijn denken wordt anders en daardoor mijn macht, mijn vermogen. De hele primitieve magie die wij kunnen terugvolgen tot de oerdagen, waarin men zich alleen één wilde voelen met de dieren die men jaagde of waarvoor men bang was, tot in deze dagen waar deze magie nog wordt toegepast door het maken van een poppetje van was (het maken van een gelijkenis) om daardoor macht te krijgen over een mens, is eigenlijk de weerkaatsing van een mogelijkheid, die men voelt om met het andere één te zijn. Op grond van dit alles kunnen we dan een paar stellingen geven;

  1. Indien ik mij volledig één gevoel met iets of iemand, zal ik de eigenschappen ervan tijdelijk overnemen en ik zal een begrip krijgen voor alle mogelijkheden die daarin schuilen; vaak kan ik de mogelijkheden zelfs gebruiken.
  2. Daar de mens niet alleen een lichaam is maar ook een ziel en een geest heeft, is hij in staat om een eenheid te bereiken ook met geesten, die grote invloed hebben op de scheppingsprocessen of de ontwikkeling op aarde. Is die eenheid bereikt, dan wordt niet alleen de ontwikkeling voorzien en heeft men deel aan de plannen van zo’n geest, maar men begrijpt ook hoe hij werkt. Weet men hoe hij werkt, dan kan men ook de kracht die hij hanteert tot uiting brengen binnen de limiet van die eigen persoonlijkheid.
  3. De transformatie‑magie betekent niet de omvorming van de mens tot iets anders al lijkt het daar soms op. Het is het veranderen van je eigen geestelijke inhoud en mogelijkheid, daar je uitgaat van je persoonlijkheid kun je een richting geven aan alle krachten en eigenschappen die je in een geheel ontdekt, waarmee je tijdelijk één bent. Zelfs kun je een geheel dirigeren vanuit een beperkt menselijk besef. Dit wordt dan ook gebruikt.

 Bij u zijn er mensen die zich bezighouden met het abstracte. Als ik zeg “vaderland, dan zeg ik eigenlijk iets wat niet bestaat, want mijn vader kan wel geen land hebben gehad. Mijn eigen vader had land, maar dat had hij gehuurd van iemand anders. Je kunt zeggen moederland. Maar mijn moeder had helemaal geen land. Zij had er vaak het land in, omdat mijn vader zo weinig land had. Zo zijn die woorden eigenlijk niet waar. Het is een begrip dat niet volledig omschrijfbaar is, maar dat bij de mens, een emotie wakker maakt. Nu kun je zeggen; Vaderland is iets wat niet bestaat. Maar als je zegt “vaderland”, dan zijn veel mensen plotseling innerlijk bewogen. Zo kun je daarmee één maken wat niet bestaat, vormen door de mensen emotioneel daarmee een te maken.

Er zijn andere begrippen; zoals vrijheid, democratie. Dingen die niet werkelijk kunnen bestaan, maar die je kunt maken tot een symbool waarop de mens reageert. En nu krijg je het wonderlijke. Als ik zeg ”vaderland”, dan is dat ook zelfzucht. Het is het egoïsme van de mens, zo goed als zijn behoefte aan zekerheid. Door daarop een beroep te doen, kan ik de mens beïnvloeden. Maar dan is er ook geestelijk of astraal een invloed opgebouwd, die vaderland, moederland, democratie, vrijheid vertegenwoordigt., Ik kan op deze astrale kracht een beroep doen. Ik kan niet de waarheid vinden, want die bestaat niet, maar ik kan de kracht vinden die mensen in deze idee beroert. Ik kan op grond van het begrip “vrijheid” zien wat de mensen daaronder verstaan. Ik kan hun een leugen verkopen over vrijheid en zij zullen mij volgen. Ik kan vinden wat de invloed is van dit zoeken naar vrijheid. Ik kan daaruit kracht putten en haar gebruiken om mijzelf vrij te maker, ook als ik daardoor anderen tot slaven maak. En dit gebeurt in uw tijd.

Vroeger was het de onbekende wil van de goden en de direct bewuste magie, waardoor men probeerde zich om te vormen tot iets anders. In deze dagen is men zich niet zozeer daarvan bewust ‑ behalve de enkeling die aanvoelt dat een begrip op zichzelf geen inhoud heeft, indien het niet onmiddellijk zichtbaar is op aarde,

De gedachten die mensen daarover hebben, zijn een middel om de kracht van de mensen te gebruiken om vanuit het begrip zelf de mensen te motiveren en in een bepaalde richting te brengen. Zo is in deze dagen de identificatie van mensen met de abstracte begrippen in feite even magisch als vroeger het voelen één te zijn met de oeros, met de tijger of het luipaard. Zo gezien bestaat identificatie en transformatiemagie nog steeds.

De mens die alleen uitgaat van zijn eigen denkbeeld over het ideaal, over de abstractie, zal nooit wat bereiken. De mens die begrijpt wat de abstractie als levende kracht (astraal) is voor alle mensen kan iedereen beïnvloeden, zelfs indien hij niet gelooft in het denkbeeld dat hij verkondigt of dat hij zegt voor te staan. Zo zijn vele raadselen van uw tijd op te lossen. Niet alleen de raadselen van de verschillende grottekeningen uit een ver verleden, maar ook de eigenaardige gedragingen van vele mensen in uw dagen.

Eenheid met een grotere groep of met iets wat een grotere groep wordt, geeft mij macht over de groep en geeft mij de kracht te putten uit de groep. Hoe ik dit doe en of ik dit mensenliefde, werkelijkheidszin, economische noodzaak of alleen maar politiek inzicht noem, dat maakt geen verschil. Het is en blijft transformatiemagie, waardoor ik mijzelf tracht te maken tot iets wat anderen vereren of om deel te zijn daarvan en waardoor ik werk vanuit het beginsel dat in die anderen leeft.

Voor uzelf zijn deze dingen misschien moeilijker waar te maken dan voor de specialisten die veel daarvan afweten. Maar ook u kunt een zekere eenheid vinden met een abstract begrip. U kunt daaruit niet alleen voor uzelf kracht of macht putten, maar u kunt ook wel degelijk daaruit de mogelijkheid krijgen de anderen via uw gedachtekracht in beweging te brengen. Daarbij is er een ding waar u goed aan moet denken.

Als ik eenheid zoek met een bestaande entiteit (de groepsgeest van dieren bv.), dan ben ik gebonden aan deze groepsgeest en haar inhoud. Als ik een abstractie naga, waarin mensen geloven zonder dat zij een werkelijke omschrijving daarvan kennen, kan ik mijn interpretatie in dit beeld leggen en kan ik beheersend optreden over het geheel.

Ik hoop u daarmee duidelijk te hebben gemaakt hoezeer juist uitstraling van denkbeelden en abstracties in uw wereld een grote rol spelen, hoe de oude magie alleen nieuwe vormen heeft gekregen en hoe uit de oude vormen vaak een geloof ontstaat dat op zichzelf dwaasheid is, maar dat zich bewijst door de enkeling die zelf het geloof toepast.

Roes

De wereld verandert. Er is vergetelheid. Ik ben mijzelf niet meer en voel mijzelf toch, maar ik ben een ander. Ik vergeet al wat ik eens heb gezien als feit en daardoor verlies ik een groot gedeelte van mijn illusies en mijn waan, ze vaak vervangend door een ergere en minder algemeen gedeelde waan.

Indien ik echter in de roes de waan, die ik op de wereld ken, kan verliezen zonder gelijktijdig mij een andere fantasie, een andere waan op te bouwen, dan zal meer van de werkelijkheid tot mij kunnen doordringen. En naarmate meer van de werkelijkheid mij beroert en bereikt zal mijn ervaring van de werkelijkheid groter zijn.

Als de roes voorbij is, als het lichaam zich misschien beklaagt over de gevolgen van de roes, dan blijven mij nog de denkbeelden over, die ik in het moment van waarheid heb gevonden. En vanuit dit moment van waarheid kan ik dan opbouwen, een nuchtere, een gezonde werkelijkheidsbenadering en daarmee een persoonlijke bereiking die niet alleen de mensenwereld, maar ook de geestenwereld betreft. Want de roes, hoezeer zij ook wordt betreurd of wordt verworpen door de mensen kan wel degelijk nuttig zijn. Zij kan de sleutel zijn tot de openbaring van eigen werkelijk wezen, een erkenning van de werkelijke wereld en als zodanig een hervinden van eigen harmonie met alle geestelijke waarden, waarvan men deel uitmaakt.