De achtergrond van de Babylonische kabbala

uit de cursus ‘Inleiding tot de esoterische magie’ 1961-1962

De achtergrond van de Babylonische kabbala

Er zijn twee scheppende krachten. Een kracht die het licht schept en een kracht die het duister schept. De kracht van het duister is rond ons. Zij is de scheppende Moeder, waaruit wij a.h.w. worden geboren. De lichtende kracht is meestal ver buiten ons bereik. We zien er enige afschaduwing van in de grote goden (zoals de maangodin, de zon), maar ver achter hen verbergt zich het werkelijke Licht.

Dit werkelijke Licht is het doel van de mens, want het totaal van de aarde is opgebouwd uit zeven sferen. Elk van die sferen geeft een fase van bewustwording aan.

Wij gaan achtereenvolgens door de tempels of hallen van de verschillende goden. Maar wanneer wij Bel dus de Heer van het Licht hebben bereikt, moeten wij vandaaruit nog naar het werkelijke Licht gaan. Dus we stappen a.h.w., van de top van de toren naar het onbekende. De toren van Babylon, waarover u veel hebt horen spreken, was een soortgelijke toren; en het idee dat deze moest reiken tot in de hemel lijkt mij eerder uit de mythologie en de esoterie van die tijd genomen dan uit de directe architectuur

Stel u nu verder voor dat het Licht zelf een groot aantal dienaren heeft. Deze dienaren vormen bepaalde en vaste groepen. Zij worden de letters van het hemel‑alfabet, of als u ze zo wilt noemen, de sterrenbeelden of ‑tekens.

Elk van deze krachten heeft ons iets te zeggen. Wij staan voortdurend met hen in contact, want hun licht bereikt ons. Zij tonen ons wat er aan klein gebeuren gaande is: het noodlot op aarde, hoe het met de oogst zal gaan, of er storm komt, dat leest men uit de hemeltekens. De zon zelf geeft ons het beeld van de opgang in het licht. Zij is het verblindende dat kenbaar maakt dat wat men niet ziet. De maan als tussentrap is het aspect van het scheppende, dus eigenlijk van het duister, dat lichtend wordt door de wijsheid.

Met deze eenvoudige achtergrond begint men dan bepaalde tekens vast te leggen als goddelijk. In zekere zin voert dat tot astrologie en tot wichelarij. Wanneer wij bv. de bekende kippenproef doen, waarbij een kip, (bij voorkeur een haan van een bepaalde kleur gekleurde korrels moet oppikken, dan kijken we niet naar wat er overblijft, zoals u misschien zult denken maar wij kijken welke “letters” hij overlaat. De gekleurde mais of gerst, die over de tafel is uitgestrooid, is eigenlijk niets anders dan een afbeelding van het firmament. En het dier zal daar zoveel uit wegpikken dat wat overblijft voor ons lettertekens gaat vormen. In die lettertekens lezen we wat er gebeurt.

Van een kabbalistiek met verwisselbare tekens en zo is natuurlijk nog geen sprake. Dat is duidelijk, want er is haast nog geen mens die kan lezen, dus hoe zou hij met dergelijke ingewikkelde dingen kunnen werken. Wat er echter wel is: een achtergrond van de eigen opgang die voortdurend aan de ingewijde wordt geleerd. En op deze achtergrond is ook de gehele esoterische magie van die tijd gegrondvest.

De gedachte is deze: Ik ga van de Moeder tot de Vader, van de aarde tot het Licht. Op mijn tocht ontmoet ik de goden, de grote krachten. Telkenmale dat ik in contact kom met een van die goden en her‑ onderga, zal hij mij zijn boden zenden. In mij is kenbaar het deel van de schepping, waarmee ik ‑ modern gezegd ‑ harmonisch ben. In deze harmonie heeft alles voor mij persoonlijk een juiste betekenis. Ik kan mijn eigen trap van bewustzijn a.h.w. bepalen; ik kan werken met de machten die bij een bepaalde god of godin behoren. Ik ben ook in dit bewustzijn gebonden aan haar of zijn verering, aan de tempeldienst en aan wat erbij behoort. Want het is niet het doel van de mens om onmiddellijk de grote Godheid te erkennen, maar om stap voor stap langs de verschillende boden die Hij zendt, een begrip van het geheel te verkrijgen.

Alle tekens die in Babylon magisch worden gebruikt, zijn op dit systeem gebaseerd. Ze behoren bij één der bepaalde huizen, de huizen van de grote goden. Alle diagrammen die worden gemaakt, zijn eveneens gebaseerd op de goden. Neem bv. Ishtar. Bij Ishtar vinden wij de duif en een soort kromzwaard, een sikkelvormig zwaard. Zij geven haar twee aspecten aan, nl. de vrede maar ook het geweld. Zeg dat ze oorzaak en gevolg heet. Gaan we kijken bv. bij Nabu, dan vinden wij een betrekkelijk kort, recht zwaard, een tweehandig zwaard en daarbij de sterrenmantel. Nabu is de god van de Wijsheid. De wijsheid kent alleen de rechte strijdwijze. Het is de kwestie van evenwicht, van harmonie, die overheerst. Zo heeft elk van die goden zijn eigen symbolen. En wanneer wij zo’n god aanroepen of wanneer wij een patroon maken op het huis van die god, dan komen die tekens erbij te pas.

U zult begrijpen dat de mensen zich op verschillende manieren kunnen wijden. In de wijding aan elk der zeven huizen maakt men een onderscheid tussen de mens die alleen maar leeft (dus slechts offert en verder op zijn eigen houtje voortgaat), de lerende (dat is de mens die het onderricht van de priesters volgt zonder zelf priester te zijn of te worden); de zgn. tempelslaaf (degene die zich door een gelofte bindt aan de godheid en aan de tempel en deel heeft aan een bepaalde reeks plechtigheden), hij is de primitieve magiër, de priester of priesteres ‑ dat ligt eraan of het een god of godin is; en ten slotte de zgn. stemmen. Een stem is een hogepriester of hogepriesteres en de profeten of profetessen die zich rond die figuur verder groeperen. U ziet dus dat er een vaste indeling is.

Nu zult u begrijpen dat we met die indeling in standen ook rekening moeten houden. Want het is niet redelijk dat wie alleen maar naar een bepaalde tempel gaat om er te offeren precies dezelfde rechten en mogelijkheden zou hebben als iemand die hogepriester is. Daarom komt in elk van die symbooltafels ook nog een stand bepaling voor. En dat gebeurt meestal met een eenvoudig gegrift teken. Als je het goed bekijkt, kun je dat zien. Voor de hogepriester: de staande mens met gestrekte arm. Voor de priester: de staande mens met vooruit gestrekte arm, alsof hij op het punt staat te duiken. Voor de tempelslaaf: de knielende mens. Voor degene die leert: de knielende mens, die buigt (er komt een streepje bij, dan zijn er dus twee. Voor de gewone mens ‑ dat is wel heel eenvoudig: alleen maar een streepje.

Omdat ze tekens gebruiken (spijkerschrifttekens), kun je tegenwoordig nog nagaan voor welke stand een bepaald amulet is gemaakt. Dat staat er altijd in gegrift. Ook al weet je verder niets, daaraan kun je weten dat het behoort tot deze of gene stand.

De magie van het oude Babylon was ook weer tweeërlei. Er bestaat de hemelmagie.

Wanneer de krachten uit de hemel ingrijpen, dan behoeft de mens dat niet te doen. Wanneer wij een orakel aanroepen en wij zijn doodgewone burgers, die echter de beschikking hebben over de juiste soort gierst en over de juiste vogel, de juiste tafel, dan kunnen wij volstaan met een eenvoudige aanroeping, want ook voor ons zal het geheim van de hemeltekens op de tafel verschijnen – als wij ze tenminste kunnen lezen. De andere is de zgn. persoonlijke magie.

Persoonlijke magie berust weer op de godheid. Wanneer ik als priester namens de godheid optreed, dan neem ik de plaats in van de godheid en neem ik aan dat de godheid (dus dat deel van de goddelijke Kracht, dat ik Godheid noem) in mij zijn zeer speciale eigenschappen zal leggen. Komen wij tot een persoonlijke magie, die een bijna kosmisch karakter heeft, dan zien wij vreemd genoeg een verschijnsel dat later ‑ veel later ‑ opduikt ook weer bij de bepaalde Tao‑Boeddhisten en kabbalisten, vooral in het oosten. Er moet nl. een quorum zijn. En dat is in dit geval: er moeten 7 priesters aanwezig zijn, volledig gewijde priesters en wel van elke god van de 7 erkende één. Zeg maar een vertegenwoordiger van alle 7 sferen. Eerst wanneer dezen samen zijn, kan de hogere kracht spreken.

Elke mens draagt in zich ‑ en dat is het laatste, wat ik voorlopig hierover zeg ‑ de 7 sferen en de 7 woningen der goden. De mens is zelf als de grote ziggurat, als de grote tempeltoren. Hij draagt in zich de woningen der goden. Maar eerst wanneer zij in hem alle bewoond zijn (u zou kunnen zeggen: wanneer daarin leven is gekomen), kan hij naar de hemel uitreiken. En dan zegt men van hem dat hij zijn naam met sterren aan de hemel schrijft.

In dit eenvoudig overzicht krijgt u misschien een klein begrip van de denkwijze die men daar volgde. En dat is wel erg nodig. Want om te begrijpen wat de esoterische magie is, moeten wij ons absoluut ook bezig kunnen houden met deze theorieën, met deze gevoelswerelden van de oude volkeren. Daaruit zijn vele gebruiken en mogelijkheden van uw dagen en uw tijd voortgekomen.

Egyptische kabbalistiek

De goden van Egypte zijn vreemde goden. Dit blijkt al uit de beelden die men maakt. Zij hebben verschillende gestalten. Soms zijn het mensen met een dierenhoofd, soms dieren met een mensenhoofd. Zeker, wij vinden soortgelijke goden ook elders. Maar toch, de goden van Egypte hebben iets bijzonders. Het is alsof zij zich voor de werkelijkheid verschuilen en alleen wat eigenschappen tonen. De mens die dit niet begrijpt, die niet beseft hoe de symboliek van Egypte (een zeer ingewikkelde symboliek) dus wordt verborgen achter het wezen der goden, zal nooit kunnen begrijpen dat Egypte een soort kabbala kende en noch minder de denkwijze waaruit deze voortkwam.

Ook hier weer het optreden van hemelse krachten. Nu echter niet als letters die aan de hemel staan. Neen, de sterren schrijven door hun baan de tekenen neer. Dit ligt dus veel dichter bij de moderne astrologie dan de Babylonisch‑Assyrische opvatting. De gang van een ster langs een bepaald punt maakt die ster tot directe bode. Zij is een teken van het hogere of van het hoogste. Daarom is het ook begrijpelijk dat wij in het Christendom ook de ster met zoveel nadruk horen noemen. Want de ster als bode van het hoogste hebben de Joden ongetwijfeld ook reeds in Egypte leren kennen

Nu dan de opbouw.

Er zijn in de Egyptische gedachtegang geen 7 werelden, maar 3. Deze 3 grote werelden hebben elk voor zich een bepaalde rangorde van goden. Zij kunnen eenvoudig worden genoemd: de natuur, de onderwereld of negatieve natuur en daarboven de scheppende kracht. Binnen deze 3 ligt de gehele schepping.

Boven alles uit torent ‑ al krijgt hij ook zeer veel namen ‑ tenslotte Ptah, de Adem. De Adem des Levens gaat uit en beroert eerst de eeuwige velden. Daarom zijn zij vol vruchtbaarheid. Dan daalt hij neer op de aarde. En daar, waar hij een openstaand gemoed ontmoet, een vrije mens, een vrome en een getrouwe, brengt de Adem beelden (de droom), maar ook zegen (het wassen van het Nijlwater bv.; het rijpen van de oogst). Dan gaat deze Adem verder en komt in de wereld der duisternis. Daar wordt hij tot een vuur dat de weg van de zonneboot helpt verlichten. (De vuren langs de oever). De adem van de scheppende kracht zelf drijft a.h.w. het levensschip voort in een eeuwige cirkelgang.

“Onze weg,” zo zegt de Egyptenaar, “is een voortdurend gaan van het hoogste naar het laagste en van het laagste naar het hoogste. In het leven zijn wij in de dood; en in de dood zijn wij in het leven. Er is geen verschil, er is, alleen cirkelgang, rondgang.” Een verschil dus weer met de zo-even beschreven Babylonische gedachtegang die een vaste opgang behelst. Hier niet. Hier is een rondgang die ongetwijfeld een grote invloed heeft gehad op alle legenden en ook op de vele fragmenten van het Dodenboek

“Wanneer ik langs dit pad ga” zegt de Egyptenaar verder, “ontmoet ik vele raadselen”. Een raadsel dat misschien een sfinx kan lijken of een mens met een kattenkop of misschien een mens met een wolfs-kop, een hyena‑kop, een vos. Ze zijn er alle. Wij vinden overal weer die vreemde gestalten.” En nu zegt de Egyptenaar iets wat typisch oosters aandoet:

“Deze dingen zijn de lettertekens waaruit onze geest haar lot kan lezen. Ik moet deze beelden als werkelijkheid overwinnen. Ik moet ze a.h.w. terugdrukken tot een vlak beeldschrift dat mij niet beroert, maar dat tot mij spreekt. Zodra het beeld tot mij gaat spreken, ken ik daaruit mijn eigen leven, mijn eigen weg, mijn eigen leer (dus wat ik persoonlijk moet leren) en ik vind daaruit ook mijn eigen macht.” Het machtsbeeld speelt in het Egyptische geloof en ook in de kabbalistiek een grotere rol dan elders. Hij stelt dan:

“Macht heeft eenieder die de geheimen der aarde kent over alle werelden der geesten”. Want wie één is met de Adem, is zichzelf. Zijn leven is als de slang die zichzelf verslindt. Want steeds kleiner wordt de cirkel, maar steeds werkelijker zijn wezen in de Adem.” Typisch hier ook weer die ademgedachte.

De methode van werken van de kabbalist was dan ook wel om allereerst te proberen o.m. uit het beeldschrift (dat zich tot een soort lettergrepenschrift had ontwikkeld in de tijd dat de kabbalistiek werkelijk belangrijk begon te worden) te ontdekken, welke overeenkomsten er tussen de naam van een mens en een naam van een god bestaan. Nu is het begrijpelijk dat dit zelfs op de gewone mens invloed heeft. Wij kennen heel veel namen, waarin een godsbegrip of een godsnaam is opgenomen; Humenptah. Wij kennen zelfs Anupert, waarin Anubis eigenlijk wordt opgenomen enz, om niet te spreken van al de namen, waarin Re, Ra, Amon enz. voorkomen.

Er zijn zelfs mensen, die ‑ niet tevreden met hun eigen naam ‑ door hijgeloof hun naam laten veranderen. Ze laten die door de priesters inschrijven in de hoop dat daardoor ook in de hemel hun naam verandert. De gedachte dat een naam het wezen bepaalt en niet omgekeerd, komt hier sterk naar voren. Het is dan ook zeer belangrijk voor vele vormen van magie.

“Want” zo zegt men, “indien ik iets anders noem, zo zal het anders zijn. “Wanneer ik in het leven de mens met de dood confronteer, zal hij daardoor meer leven. Wanneer ik de droogte herdenk op het ogenblik van de hoogste vloed, zo zal het water overvloediger stromen.” Tegenstelling. Tegenstellingen, waarbij de naam en de werkelijkheid klaarblijkelijk magisch identiek geacht worden. Als u hiervan uitgaat, zult u ook begrijpen, waarom een mens steeds worstelt om nieuwe namen te krijgen.

Bij een inwijding van priesters wordt aangenomen dat een god heeft gesproken. En daarmee is heel wat onzin uitgehaald dat kunt u wel begrijpen. Maar het spreken van die god tot de ware ingewijde betekende dat hij een nieuwe naam kreeg. Een nieuwe naam, een nieuwe beschermer.

“Overal waar ik ben, gaat mijn beschermer met mij.” Of u nu luistert naar de overigens zeer mooie hymnen bv. die men opgedragen heeft aan Re of aan Amon, of dat u misschien meer naar het één-godendom toegaat (dat één enkele god verkondigt: Achnaton), het is steeds weer hetzelfde. Gij spreekt tot mij, Amon Re of Aton. God spreekt tot mij. En dit spreken is macht. Elk woord van een God, die in mij leeft en die met mij een band heeft, is macht. Tussen de mens en de God is die band, het begrip. Dit begrip is ongetwijfeld ook de achtergrond van vele wetenschappen welke in de kabbala worden opgenomen.

Wij vinden bij de inwijdingen nl. heel veel wat een beetje vreemd aandoet. Van rekenkunde af (men zou kunnen zeggen: Nu ja, een goed priester moet een goed handelsman zijn, want hoe moet hij anders aan zijn gelovigen verdienen, zeker in die dagen. Dus rekenen, schrijven, musiceren, bepaalde vormen van muziek maken, hoorden er ook bij, hoofdzakelijk ritmen, vormen van geneeskunde, ze zijn er alle deel van.

Wetenschap is macht. Geef de juiste naam aan de macht en je hebt de band met de godheid.

“Zo ik in mij,” zegt de Egyptenaar, “de naam vermag te kennen van de hoogste macht, zal ik niet gescheiden zijn.” Hij bedoelt: mijn Ba, mijn Ka enz., mijn lichaam, zij alle blijven bij elkaar; mijn voertuigen blijven een eenheid. En ik zal als een geheel gaan door de Hallen der Herinnering en door de Hallen der Wijsheid en ik zal gaan voor­bij de Rechters en ik zal zijn.

Dat is hun kabbalistiek. Vind de juiste naam, dan verkrijg je de juiste eigenschap. De juiste eigenschap geeft je het recht om aan alles wat voor gewone mensen bestaat, voorbij te gaan en te zien wat er is lichter, de kracht der goden.

Nu is het erg moeilijk hier duidelijk te maken waar deze kabbala, deze geheime leer eigenlijk, vandaan komt. De doorsneemens staart zich blind op al die goden, die met natuurkrachten zijn geassocieerd. Maar ook Egypte kent wel degelijk zijn goden van licht en van duister. En omdat Egypte die goden kent als tweelingbroers eigenlijk, neemt ze aan dat zij zichzelf voortdurend op de wereld herscheppen. Dat wil zeggen: de strijd Seth‑Osiris is niets anders dan een weerkaatsing van een grote kosmische strijd. Het wordt teruggebracht tot de aarde en de zon (Seth – Osiris) en vandaar tot het gevecht van bv. de krijgsman en de priester. En zo ga je steeds verder naar beneden. Alle strijd kan worden opgelost op het ogenblik dat het raadsel van de strijd is opgelost. Indien ik mijn strijd in mijzelf oplos, ben ik een geheel. Al het andere, wat in tegenstellingen bestaat, is half. Het hele regeert altijd het halve. Door geheel te zijn, kan ik dus alles regeren. Ik kan de goden bevelen, maar ik kan ook alle geheimen der verschillende goden gelijktijdig kennen.

Hierin zit een zekere rechtlijnigheid. De magie maakt hier dan ook niet alleen gebruik van deze naam invloeden maar ook weer van samenkomsten en uitbeeldingen, die alleen van belang zijn ‑ ongeacht wat het volk ervan denkt ‑ omdat zij tijdelijk tegenstellingen opheffen. Elke totale eenheid is belangrijker dan alle tegenstellingen. En nu is het eenmaal zo: voor de meer primitieve mens ‑ en dat waren de Egyptenaren ook in zekere zin ‑ is macht altijd belangrijk.

Er is later weleens opgemerkt dat de kabbala waarschijnlijk is meegekomen met de Aartsvaders en dat het Jozef zou zijn geweest (Jozef, zoon van Jacob), die dus in Egypte de kabbala gebracht zou hebben. Dat is gegarandeerd niet waar. Er zijn bepaalde overeenkomsten tussen het Joodse denken en het Egyptische denken; Maar er zijn ook grote verschillen. Een Egyptisch droomuitlegger had nooit Farao’s dromen zo kunnen uitleggen. Want volgens zijn gedachten was het niet de taak van de vorst om praktisch iets te doen, om dus graan op te slaan voor hongerige jaren. Het was zijn taak geweest om de jaren van overvloed om te zetten in arme jaren en de arme jaren in rijke jaren. Dan zou de vruchtbaarheid gelijkmatig zijn geweest. En daar zien wij de tegenstelling tussen de Egyptische voorstelling en de Joodse. Want de Joodse voorstelling is ook in de kabbala tenslotte praktisch: Ze gaat niet uit van het geheim op zichzelf. Neen, ze maakt de mens tot een bewust gehanteerd instrument dat hier volbrengt wat uit het geheim voortkomt.

U zult begrijpen dat voor een Egyptenaar een dergelijke opvatting altijd een beetje ketters moet hebben geklonken. Want hij zei dat het de taak was van de lagere goden (de natuurkrachten) om wonderen te doen door stoffelijke middelen, maar dat het geheim van de analogie, de overeenkomst, het grote geheim was van de werkelijk machtigen in Egypte.

Daarom kan de ziel ook door analogieën haar rijpheid en haar volledige eenheid bereiken. Daarom kan ook elk wezen herschapen zijn en op aarde wandelen en toch gelijktijdig in een hemelwereld wonen en ook nog in een hellewereld zijn. Want elk wezen is krachtens zijn naam of namen tot een bepaalde hoogte een met het Al.

Ik hoop dat hiermede een klein beeld is gegeven van het Egyptisch kabbalistisch denken

De Joodse kabbala

Ik wil als derde punt nog even teruggaan naar de zgn. Joodse kabbala. Vergeet één ding niet. Men zegt dat de kabbala Joods is, omdat zij door de Joden naar Europa is gebracht. Maar in feite is datgene wat voor kabbala doorgaat, een typisch en eigenaardig mengsel van denkwijzen uit vele volkeren; magische en esoterische opvattingen van de meest verschillende groepen van het oosten, samengebracht in een denken dat past binnen de zgn. Salomons geheimen, de geheimen dus waarover de grootste vorst Jizreël ooit zou hebben beschikt.

De hoofdgedachte is ook hier weer: “Ik wortel in de aarde, ik rijs tot de wolken.” De levensboom en in zekere zin de kandelaren, de toonbroden en zelfs de arabesken van bepaalde versieringstekens zijn daar ‑ naar mijn mening ‑ ook voor aansprakelijk Wij vinden nu nog bepaalde lettertekens in het zgn. Hebreeuwse alfabet die hiervan regelrecht schijnen te zijn afgeleid. Wij vinden er een letter die doet denken aan een in zich besloten vierkant dat echter met een lichte krul of uitloper naar boven, toch weer verder kan gaan. Ik wil er niet te ver op doorgaan, anders zou ik u Hebreeuws moeten leren. En ik weet niet of u daarvoor interesse hebt.

De groei van het “ik” gaat gepaard met contacten met Gods engelen. De rechte stam is de rechte verbinding van het begin der schepping naar het licht, naar het einde. Maar de zijtakken tonen ‑wanneer wij ver genoeg zijn uitgegroeid ‑ niet alleen ons reiken naar de hemel, maar ook het reiken van de hemel naar ons. Dat geschiedt hier door een reeks van Aartsengelen. En daar gebruikt men over het algemeen ook weer het getal 7 voor. Het lijkt mij eigenlijk een tikje overeen te komen met de Babyloniërs en de Syriërs wat dat betreft. Nu zal ik een bepaald punt van bewustzijn hebben bereikt en op dat punt ontspruit een tak van een bepaalde engel. Ik heb ‑als ik bewust leef – altijd een contact met God, maar op een bepaald punt van mijn levensweg bestaat er bovendien de invloed van een engel. Deze engel kan dus in mij werken. Wanneer ik nu door een andere geest word benaderd, is deze engel machtswoord en machtsnaam. De uitbreiding brengt ten slotte het aantal engelen (belangrijke engelen zelfs tot 12 x 12. Eerst 7 x 7, dan 12 x 12.

Maar daar moet u zich niet te veel mee bezighouden. Het is niet belangrijk dat wij de namen van die engelen kennen, dat kan alleen hier en daar uit magisch oogpunt interessant zijn. Het is belangrijk dat wij beseffen, hoe ze op ons inwerken en wat dus onze samenwerking of ons samengaan kan voortbrengen.

Wanneer wij een stem willen horen ‑ u zou het spiritisme noemen – zodat de stem Gods (profetie) weerklinkt, hebben we tenminste een quorum, een zeer bepaald aantal mensen nodig. Die mensen moeten behoren tot hetzelfde geloof en ‑ als het even kan ‑ ook tot hetzelfde ras. Zij moeten zoveel mogelijk een eenheid vormen in denken. Zijn er een of twee bij, die niet 100 % zijn, dan is dit niet zo erg, maar het merendeel moet bestaan uit wetenden. Want tot elke mens die zich bewust is, spreekt niet slechts de Heer, maar ook Diens bode, de engel. Het spreken van vele engelen is een macht, die de stem Gods hoorbaar maakt, of in andere gevallen demonen verdrijft en terugwijst naar het duister.

U ziet, dat er heel wat anders dan allen maar het verwisselen van letters en het tekenen van diagrammen bij komt. Want het gaat hier ook om een bepaald contact met het hoogste. Wat je met letters en lettertekens doet is eigenlijk zoeken welke contactmogelijkheden er bestaan,  zoeken om achter de waan, achter de verblinding de werkelijkheid te vinden. Maar zelfs als ik haar heb gevonden, moet ik van de aarde opgroeiende tot de hemel, geleid door alle krachten die in rij samengroeien, uitgroeien. Begrijpt u? Ik moet zelf gaan.

Het magisch concept van de naam treffen wij ook hier weer aan. De naam geeft de aard weer en vaak ook het lot. Maar dat kan alleen, als wij aannemen dat er ergens een kracht is, die zorgt dat de naam juist is.

En dan vinden wij een heel groot aantal verschillende zienswijzen.

Ik heb het u indertijd in de eerste les al gezegd dat er heel veel ver­schillende opvattingen zijn geweest. Het verschil tussen de Hamburgse en de Parijse school bv. is op zichzelf al ontstellend. En wanneer je dat met de Chassidische school gaat vergelijken, bv. van Warschau, dan zeg je: dat zijn drie verschillende werelden. Toch zijn het allen kabbalisten. Dus ik kan u geen karakteristiek geven die alles omvat, maar ik kan mis­schien wel de hoofdgedachte aangeven.

Ik werk van uit mijzelf. In mijzelf ben ik zwak, maar ik word voort­gebracht uit de aarde. Ik heb niet mijn eigen ontstaan gewild noch veroor­zaakt. Wanneer ik groei, is er voor mij maar één vreugde: het Licht of God. Ik groei zo uit de chaos en de strijd door beschouwing en erkenning naar de verlichting. De verlichting brengt mij harmonie. De harmonie brengt mij de eeuwige vrede, het vredesrijk. In verschillende groepen wordt dat op een andere manier vertaald. De in­houd echter kan altijd warden teruggebracht tot hetgeen ik nu heb gezegd. In mijzelf kan ik bepaalde vormen van harmonie bereiken. Ben ik zelf harmonisch met de mensen, dan zal ik van die mensen de waarheid vinden en niet alleen maar de uiterlijke schijn. Ben ik harmonisch met de mens en de geest, dan zal de geest mij niet alleen die mens onthullen, zoals ik hem zie, maar elk contact dat in mij bestaat, alles wat krachtens mijn begrip en mijn naam met mij verknoopt is, voortdurend aan mij onthullen, zodra het voor mij belangrijk is. Ben ik vol‑beheerst, dan dragen mij alle krachten (de lage zowel als de hoge, daarheen waar ik wil gaan. Dan is er slechts een kracht, die mij kan remmen, beheersen of sturen, nl. de kracht van het Licht zelf, waardoor ik leef en waarheen ik dus strevende ben.

Er zijn heel wat boeken over geschreven en er zijn heel wat mensen die geprobeerd hebben deze Joodse kabbala, die later een meer algemene naam kreeg, te maken tot iets meer dan een zuivere mysterieschool. Geloof mij, alle kabbalistiek is in feite mysteriescholing. Het mysterie moet worden begrepen en doorvoeld; dan pas krijgt alles, wat er magisch en praktisch toe behoort, zin. De mensen die de kabbalistische berekeningen maken, maar nog niet weten welke engelen zij op hun pad vinden, welke verbindingen a.h.w. in hun levenskracht en levensboom rijzen en dalen, die kunnen nooit wat bereiken. Zelf harmonisch zijn is noodzakelijk. De invloeden van het verre verleden kunnen de interpretatie wijzigen, dat geef ik graag toe. Maar wanneer de kabbala dan niet meer specifiek Egyptisch, Babylonisch of Joods wordt genoemd (of wat dat betreft misschien vroeg‑Chinees, want ook daar bestond iets dergelijks), dan zal de mens zeggen: Mijn innerlijk beschouwen, mijn innerlijke zelfkennis en de banden die ik door mijzelf met de kosmos vind, zijn voor mij bepalend. Zij zijn het punt van uitgang voor alle werktuigen, die ik ga gebruiken.

Praktisch gebruik.

De praktijk van alle kabbalistische beschouwingen en magie moet terugkeren tot de bron. De bron is de mens zelf. Ik kan nimmer alleen door rekenen en bestuderen iets bereiken. Maar wanneer ik in mijzelf iets ken en erken en dit buiten mij vastleg, dan is het in mij werkelijk en kan het buiten mij tot werkelijkheid worden gemaakt. Wanneer ik de doodsengel vrees en ik draag in mij de kracht van de levende God, dan zal ik door de namen te schrijven en de tekens te griffen een amulet maken. Een amulet, die de doodsengel terugwijst, bv. van het kraambed. Dan is dit krachtens het leven van God in mij.

Wanneer ik als kabbalist in de praktijk zoek naar de inhoud die gelegen is bv. in de eerste boeken van het Oude Testament, of in namen of begrippen, dan moet ik uitgaan van hetgeen in mij bestaat. Als in mij God leeft, maakt de omzetting van letters en cijfers het mij mogelijk te kennen wat krachtens de God die in mij leeft, in mij bestaat, Een groot gedeelte van de magie is zelferkenning en het naar buiten brengen van delen van het “ik”, opdat deze actief kunnen zijn. En als dit nu voor ons normaal is, als wij dat kunnen aanvaarden, dan mogen wij ook stellen dat de praktijk van de kabbala niet alleen is gebonden aan de zuiver kabbalistische rituelen, maar dat het een methode van denken en leven is, die door elke mens op zijn manier kan worden gebruikt. Wees je van jezelf bewust. Draag dat bewustzijn over op onverschillig welke manier zo, dat wat in je als een symbool bestaat, buiten je komt te staan. Schrijf het neer, boetseer het, teken het, schilder het. Zolang in jou die kracht bestaat, blijft in wat je hebt geschapen, diezelfde kracht bestaan, als het je wil is dat die kracht daarin ligt. Zo zal uit jouw wezen (en niet uit de amulet of het zegel zelf) de kracht blijven spreken en ze zal steeds dat wat in jou is, elders manifesteren.

Wie zelf harmonisch is met de hoogste kracht, is meester over alle geesten. Wanneer ik een zegel gebruik (bv. Salomo’s zegel, waarover wij het hadden, of een tetragram of een pentagram), doe ik dit niet alleen maar, omdat zon zegel nu eenmaal mode is. Ik gebruik het rituele symbool, omdat het, gemakkelijker is. Wanneer ik daarin ben opgegroeid en dat heb geleerd, dan heb ik hier een vast symbool dat ik steeds terug kan vinden en kan beschouwen en dat altijd gelijk blijft en altijd dezelfde uitdrukking geeft aan bepaalde krachten, die in mij leven. Maar als ik datzelfde teken ga omschrijven en vullen met geheel andere betekenissen, als ik in plaats van geheime godsnamen ‑ zelfs de naam, die niet wordt uitgesproken ‑gewoon schrijf: “Hij die is”, dan is dat precies hetzelfde. Als ik schrijf: “De Grootmachtige of de‑ Barmhartige” en ik weet: dat is God, dan is de werking van het zegel precies gelijk. Als ik een zwaard teken, omdat ik weet: dit is de verdediging tegen het duister, dan is het goed en dan werkt het als een zwaard. Maar als ik in mijzelf eerder een straal licht zie of een bliksemflits als verdediging en ik leg die neer in een enkel symbool, iets wat in mij leeft, dan is het ook werkzaam.

Wat in mij bestaat kan ik buiten mij brengen. De kabbala geeft mij een methode om mijzelf langs bepaalde wegen te kennen, om de verschijnselen die in mij zijn langs een bepaalde weg te benoemen. Maar ze kan mij niet geven datgene wat niet in mij leeft. En dat heb ik allereerst nodig om tot een praktisch resultaat te komen. Stel ik. “Hier in deze kracht leg ik mijn wezen neer en het lichtende” dan kan het duister komen en dan kan komen wat wil, als er in mij licht is, dan ligt hier het lichtende nog steeds.

Er is geen vaste waarde. In een kabbala zien wij dat die waarde gebonden is aan de geboden die Mozes heeft gekregen op de berg. Maar ik kan ook andere geboden invullen, zolang zij voor mij de geboden Gods zijn en als zodanig beleefd en gedacht worden. Maar neem ik dan een symbool (bv. de Tafelen der Wet) en ik zie daarin de goddelijke wet, dan is dit mij een verdediging en een bescherming tegen al wat de wet aantast. Maar gelijktijdig is het mij een verwijt en een bestraffing, wan­neer ik zelf die wet aantast.

In de kabbala heeft elke magie a.h.w. twee aangezichten. Want ik schep krachtens iets wat in mij leeft. Maar zolang het in mij bestaat en ik zondig, zal dat wat ik buiten mij heb gesteld ook mijzelf bestraffen en niet alleen een ander die zondigt. Wanneer ik goed handel, zegent het niet alleen hem, voor wie ik het heb gemaakt, maar ook mijzelf. Want wie de kracht van het grote ‑ hoe beperkt ook ervaren‑ voor zich overdenkt en vastlegt, bevestigt hiermee de banden die hij heeft met duister en met licht, met de scheppende materie, de adem van de ziel, en met de werelden van de geest. Er bestaat geen uitzondering.

In vele gevallen ontplooit deze kabbalistiek zich verder. Ze wordt soms tot een poging om de oude tempelbouw symbolisch te doen herleven. Zolang dat symboliek blijft is het waardeloos. Maar als het magisch wordt, is het wat anders.

Wanneer ik mensen heb en ik zeg; “Zie, deze nu is de galerij ten oosten en hij is de galerij ten westen en hij is de poort en hij is de trap”, dan kan ik verdergaan. Uit mensen die elk voor zich voldoende inzicht hebben, is het mogelijk a.h.w. de oude tempel van Salomo te herbouwen.

Maar wat staat er van die tempel geschreven? Dat God Zich daarin onmiddellijk openbaarde aan Zijn volk. En dat is het waarom het gaat. Wanneer een gemeenschap op de juiste wijze samenkomt en samenwerkt, dan openbaart God Zich daarin. Dat is niet alleen maar een dwaas bijgeloof van bepaalde Chassiden. Dat is waarheid en dat geldt voor eenieder. Maar om deze opbouw weer tot stand te kunnen brengen is het noodzakelijk dat wij begrip hebben van wat wij wederzijds doen. En het lijkt nu misschien nuchter en koud om de rollen te verdelen voor een magisch gebeuren; maar eerst dan kan eenieder volgens zijn wezen en kracht daartoe bijdragen. Waar nu velen samen zijn, kunnen zij meer tot stand brengen dan één.

Maar ‑ en dat leert ons de kabbala ook weer ‑ zij behoeven niet allen lijfelijk aanwezig te zijn. Het is mogelijk dat een zeer kleine groep van drie (dat is het minimum) de vertegenwoordiger is van 10.000, die hetzelfde bewustzijn hebben en in de geest met elkaar zijn verbonden. Dan ontstaat de kroon van Licht, waaruit ‑ zoals men zegt ‑ de waarheid wordt geboren. De kroon van Licht is dan ook de macht over de dieren, over de demonen; het erkennen van de natuurkrachten, zodat de wateren daar opwellen, waar men ze wil hebben (denk aan de wonderen in de woestijn bv.) dat de natuur der dingen verandert om in overeenstemming te zijn met de goddelijke waarde die in de lichtende kroon heerst.

U zult nooit alleen water in wijn kunnen veranderen, tenzij u in uzelf de lichte kroon volledig draagt. Maar draagt u die kroon, dan kunt u niet slechts water in wijn en stenen in brood veranderen; dan kunt u dood en leven met elkaar verwisselen zoals u wilt. Dan kunt u de hellewereld tot een hemelwereld maken en de hemelwereld tot een hellewereld. Dan is geen enkele uiting meer veilig voor u. En alleen uw eigen bewustzijn bepaalt, hoe u uw macht gebruikt.

Iemand, die minder bewust is, draagt niet de kroon, maar is er bewust een deel van. Deze kan bv. uit eigen macht zieken genezen. Hij kan uit eigen macht wateren doen opwellen. Hij kan door bepaalde gebeden en rituelen ook voedsel brengen. Maar hij kan het niet uit zichzelf doen. Verschil: Hij, die de kroon draagt, doet het uit zijn eigen kracht en de kracht die hij erkent als de Lichtende, de kracht des Vaders zou u zeggen. Degene, die deel is van de kroon, doet het door te smeken aan de hoogste kracht en te willen volgens de kracht der kroon en te wachten op het antwoord daarvan.

Zo is de groepsmagie een zeer belangrijk deel geworden van de praktijk der kabbalisten. En zij, die onderling verbonden waren en samenwerkten in een perfecte broederschap, konden veel tot stand brengen. Maar zij, die te veel gebonden waren aan de menselijke dwaasheden, wilden niet meer in die gemeenschap leven. Daardoor zijn de belangrijke scholen eigenlijk ten gronde gegaan en is er alleen maar overgebleven een klein beetje oud ritueel, oud geloof, zonder de lichtende kroon van macht, die de kabbalist toch behoort te dragen of waarvan hij deel behoort te zijn.

Elke mens, die in zich een band weet met de wereld en zijn God, kan deze dingen uit zichzelf herscheppen. Onthoud dat goed: Elke mens! Maar wee hem die ze zoekt als een middel tot het duistere.

Als u dit goed overdenkt, dan zult u hierin reeds de aanwijzingen vinden zowel voor de weg van licht als voor die van kracht.

Harmonieën

Het woord harmonie wordt op aarde nogal eens vaak gebruikt, zowel voor het weergeven van menselijke verhoudingen, kosmische verhoudingen en relaties, als voor het samengaan van bepaalde geluidstrillingen, kleuren e.d. Ik geloof niet dat de meeste mensen zich precies ervan bewust zijn dat wat het woord harmonie omschrijft, eigenlijk op de mens zelf van toepassing is. Ik zal trachten dit hier in een kort bestek te doen.

Allereerst: Onder een harmonie wordt verstaan een aanvullende samenwerking van verschillende factoren die ‑ niet gelijk zijnde ‑ gezamenlijk een complex vormen dat meer waard is dan elk der afzonderlijke factoren op zichzelf. Een harmonie is dus altijd iets wat sterker is dan haar bestanddelen.

In de tweede plaats: Harmonisch zijn betekent niet slechts dat je een bepaalde instelling moet hebben. Het betekent ook wel degelijk dat er tussen u en andere krachten of mensen, wat voor factoren dan ook een samenwerking moet bestaan. Er moet dus in het “ik” een bepaalde wil tot werkzaamheid zijn en deze moet overeenstemmen met een elders bestaande werking of werkzaamheid, zodat men met die andere factor gezamenlijk een doel nastreeft.

In de derde plaats: Harmonie kan niet worden beschouwd als iets wat op één terrein afzonderlijk kan bestaan en op andere terreinen niet. Wanneer een mens harmonisch is, is hij dit met heel zijn wezen. Ge kunt niet in een bepaald deel harmonisch zijn en dan zeggen dat ge krachtens deze beperkte harmonie in harmonie verkeert met onverschillig welke andere kracht.

Ik geloof wel dat het menselijk aspect van harmonie u het meest interesseert en zoals u merkt ga ik daarop dan ook in het bijzonder in.

Wij zijn geneigd te denken dat harmonie iets is, wat ‑ eenmaal bereikt ‑ blijvend is. Dat kan natuurlijk ook al niet, want wijzelf veranderen voortdurend. Wij zouden dan alleen blijvend harmonisch kunnen zijn met een andere waarde die ‑ ongeacht de bestaande verschillen ‑ reeds in het begin met ons in wezen en in streven harmonisch is en een gelijke reeks veranderingen in een volkomen gelijk tempo doormaakt. Dit komt zelden voor. Daarom moeten wij harmonie eerder zien als een voortdurend streven onszelf te combineren met de juiste krachten.

Ik wil proberen hier de werking uiteen te zetten uitgaande van de oude muziekleer. Wanneer ik een bepaalde toon heb, dan kan ik deze combineren met een willekeurige andere toon. Wanneer deze twee tonen samenklinken echter, zal een derde toon die daarmee harmonisch is, reeds meer select moeten zijn, er zijn minder mogelijkheden. Naarmate het aantal factoren dat binnen een harmonisch verband optreedt, groter is, wordt de keuzemogelijkheid meer beperkt t.a.v. elke bijkomende factor. Een kleine harmonie is betrekkelijk eenvoudig te bereiken; een grote of zgn. kosmische harmonie zeer moeilijk.

Er bestaan mogelijkheden voor een mens om desondanks toch harmonie te bereiken. Want op een bepaald ogenblik kunnen wij met hart en ziel als het ware opgaan in een bepaald denkbeeld, in een bepaald streven. Op dat ogenblik kunnen wij dan met een ander ‑ ongeacht de verschillen, maar gelijk denkend en gelijk strevend ‑ een perfecte harmonie vormen. Wanneer deze harmonie gelijktijdig in daad en denken bestaat, is zij vanuit een kosmisch standpunt beschouwd, hoe beperkt dan ook, volmaakt. Zij gaat voorbij.

Indien tussen bepaalde mensen of bepaalde factoren zo’n harmonie meermalen ontstaat, ontstaat een steeds beter op elkaar verkregen afstemming. Op den duur kunnen zo bepaalde mensen wat je noemt “een vastliggend akkoord” vormen. Dit vastliggend akkoord is niet permanent. Het kan zelfs zijn dat bepaalde tonen daarin wegsterven en eventueel door andere worden vervangen, of dat bepaalde wegstervende tonen later weer terugkeren. Er is geen sprake van een blijvend iets. Er is steeds sprake van een wisselend iets. Harmonie is een beweging, niet een vaste toestand of status.

Ik hoop niet dat dit een teleurstelling is. Want er zijn mensen die zeggen: We hebben een harmonisch huwelijk. Sta mij dan toe op te merken dat het harmonische van dit huwelijk ten hoogste een uitspraak kan zijn over het geheel, omdat in bepaalde fasen van het huwelijk ongetwijfeld strijd en ruzie is voorgekomen. Maar als het aantal momenten dat men wel als een eenheid kan werken, kan reageren, overheerst over het aantal niet‑harmonische elementen, dan zeg je: Het huwelijk is harmonisch.

Een kring is harmonisch. Laat ons zeggen dat deze kring op dit ogenblik harmonisch is. Dan hebt u dus een zekere gelijkgerichtheid van denken en van streven. De kring is bereid daarvoor andere persoonlijke aspecten tijdelijk te vergeten. Er is een wil en  door het luisteren in zekere mate ook een daad. Dat duurt voor een kort ogenblik. Nu ga ik zo dadelijk iets anders zeggen. Een enkeling is het er niet mee eens, een ander is het er wel mee eens: de harmonie is weer verbroken. Als ik echter voldoende harmonische verschijnselen opeen kan stapelen, dan ontstaat een werking, een uitstraling. En deze uitstraling heeft dan weer volgens een bepaalde wet invloed op anderen. Deze wet is nl. als volgt: Bij harmonische aspecten zal altijd de zwaarst trillende of de meest actieve factor (en dat is tevens de meest bewuste in de mens) overheersen op elke lichtere of minder‑bewuste factor.

U kunt dit misschien gemakkelijk begrijpen (wanneer u even van de begrippen hoog en laag afstand doet t.a.v. het trillingsgetal), als u een toon op een vleugel aanslaat. Sla een: lage toon aan, behoorlijk krachtig en luister hoeveel snaren er meetrillen. Dit is een veel groter aantal dan bij een even krachtige aanslag van een hoge toon. De grotere lengte van de snaar bepaalt het groter aantal snaren, dat kan meetrillen en versterkt dus a.h.w. het effect.

Wanneer wij dus voor onszelf krachtig en bewust zijn en wij hebben een harmonisch streven en denken, dan zullen wij eenieder, die niet direct tegengesteld gericht is aan deze harmonie en krachtens zijn wezen gevoelig is voor hetgeen wij uitstralen, kunnen mee betrekken in die harmonie. Wij kunnen een harmonische sfeer scheppen, waarbij ons eigen bewustzijn echter bepalend is en wij als dwingende factor alleen t.o.v. veel lagere bewustzijnsvormen kunnen optreden. Voor onszelf geldt weer dat op het ogenblik dat een hogere kracht of vorm harmonisch is en wij daarmee voldoende verwant zijn, deze ons in een harmonie kan brengen, die blijft voortbestaan zolang wij niet uit onszelf bv. kritisch of eigenzinnig gaan optreden.

Nu zult u wel begrijpen dat deze kwestie van harmonie kan worden overgezet op elk terrein. De theorie hiervan luidt: Overal, waar een trilling of een daarmee vergelijkbaar verschijnsel optreedt, zullen harmonische aspecten kunnen optreden en deze kunnen door de erkenning van de harmonische wetmatigheden beheerst worden veroorzaakt. Dat is begrijpelijk, nietwaar?

Wanneer ik dus hier op een gegeven ogenblik de richting van een incantatie wil uitgaan, dan kan ik beginnen met een heel eenvoudig zinnetje: “0, gij almachtige God, sta ons bij, opdat ons werk moge slagen.” Dat kan ik dan op verschillende manieren doen. Maar wat heb ik nodig? Ik heb om een maximaal resultaat te krijgen nodig een zodanige geluidsvorming dat die trilling zoveel mogelijk voorwerpen en mensen mee beroert. En dat kunt u dan een beetje benepen doen, bv. “Almachtige God, sta ons bij in ons werk en maak ons de gezochte bereikingen mogelijk.” Het is wel mooi, maar het zegt weinig. Maar nu zal ik trachten dit om te zetten in een vibratie. Ik ga nu mijzelf instellen. Wat heb ik nodig? Ik heb iets nodig dat domineert, dat overheerst. Nu ga ik de geluidssterkte van mijn stem dus zoveel mogelijk aanpassen aan die behoefte. Wanneer ik een harmonie sterk wens, kan ik niet zachtjes gaan praten. Dat is goed voor een kleine incantatie die ik voor mijzelf zeg, maar niet als ik de omgeving moet meenemen. Want ik moet in de omgeving dezelfde trilling opwekken. Dan ga ik die stemkracht zoeken en dan zeg ik: “Almachtige God.” (Hoort u het? Dat klinkt, dat zingt al mee. “Almachtige God, Gij die met ons zijt, maak ons dit werken en dit bereiken mogelijk” (Krachtig en bezwerend, gesproken). Dan klinkt het gevoel eruit, het klinkt ergens mee. (Nu kun je dit nog gewichtiger doen Maar dat wil ik niet, want het gaat hier om de demonstratie en niet om de aanroep.) Dan heb ik dus een dwingend element. Wanneer wij hier nu met 5 personen bij elkaar zouden zijn en wij zouden allen zo’n incantatie inzetten, dan zal het duidelijk zijn dat degene die het meest intens kan voelen en omzetten, domineert. De anderen worden ongeacht hun eigen intenties,  ofwel meegesleept, dan wel ze worden overdonderd.

En nu denkt u misschien dat dit alleen het geval is met zo’n incantatie die u spreekt. Maar als ik een gedachte heb die ik sterk uitstraal, dan zal de intensiteit van die gedachte bepalen, hoeveel anderen daarop reageren. En de felheid waarmee ik deze gedachte a.h.w. naar buiten slinger, zal de verstaanbaarheid bepalen, de invloed die ervan uitgaat.

Zo gaat het met alle dingen. Hoe je ook bent en wat je ook doet, hoe je werkt en leeft, harmonie kan altijd bestaan. En die kan er zijn op eenvoudig stoffelijk niveau en ze kan hoger klimmen; maar ze kan nooit bestaan als ik een deel van mijzelf er niet in leg. Wanneer ik op dezelfde manier zo’n bede ga zeggen, maar ik geloof niet in God, dan is de werking weg. Dat is gek. Dan is de klankvorming schijnbaar precies dezelfde en toch ontbreekt die ene vibratie, die daaraan leven geeft.

Op dezelfde manier, kun je zeggen, is het ook, wanneer je contact hebt met de geest. Harmonie met de geest is wel degelijk mogelijk. Maar wanneer ik een geest heb, die bewuster is dan ik, dan kan ik nooit bepalend zijn voor die harmonie. Ik kan voor mijzelf wel zoeken naar een kracht, waarmee ik harmonisch kan zijn, maar dan moet ik aan die kracht een zekere leiding overlaten. Ik moet tegen die kracht zeggen: “Kijk, doet u het nu. Ik heb het mijne gedaan om die harmonie te scheppen, openbaar haar. Ik wil met u samengaan.”

En dit ligt eigenlijk ook in het Christendom besloten. Neem dat heel bekende woord van Jezus: “Vader, niet mijn wil maar Uw wil geschiede.”. De overgave aan het Hoogste, nadat het contact ermee bereikt is, dat is het best voor harmonie. Wij kunnen dat misschien niet alleen bereiken met de Vader. Maar er zijn altijd voldoende lichtende geesten die ‑ hetzij langere hetzij kortere tijd van de aarde weg zijnde ‑ toch enigszins met ons eigen wezen overeenstemmen. Die ergens in denken, in streven en voelen iets met ons gemeen hebben. Dan kunnen die geesten dus met ons harmonisch zijn. Hoe sterker die harmonie is, hoe beter natuurlijk. En daarom, hoe minder persoonlijk deze harmonie wordt opgebouwd, hoe minder persoonlijke elementen, wensen enz. erbij zitten, hoe groter het aantal entiteiten dat binnen zo’n harmonie kan optreden.

Een mens, die op aarde leeft, kan op die manier het brandpunt worden van een groot aantal geestelijke krachten, die gezamenlijk streven. En nu het vreemde: De kracht binnen die gemeenschap wordt dus ook binnen die mens gemanifesteerd. Indien de mens nu het stoffelijk voertuig is, dan wordt hij op dat ogenblik tot een werktuig van deze groep, zolang hij zijn eigen wil daarbij niet laat meespreken. Op het ogenblik dat hij zegt: “Ik wil” is het afgelopen.

Dat is dus wel een wat eigenaardige situatie. Zodra wij in harmonie zijn met iets wat boven ons is, moeten wij afgaan op hetgeen dit hogere in ons legt, zonder kritiek, zonder vragen; zo is het en anders niet. Wanneer wij daarentegen staan tegenover het lagere, waarmee wij harmonisch zijn (of dat nu planten zijn, dieren of misschien geesten die in het duister zijn, die minder bewust zijn dan wij, dan moeten wij altijd het initiatief nemen en houden. De hoogste kracht, d.w.z., de sterkste kracht binnen een harmonisch geheel, is gelijktijdig de richtinggevende kracht. Zolang ik boven mij geen sterkere harmonische kracht erken, ben ik dus zelf aansprakelijk voor het scheppen van elke tendens die binnen de harmonie tot uiting moet worden gebracht. Dat is iets wat de meeste mensen ook niet begrijpen. Ze denken dat harmonie een heerlijk gezellig dobberen is op de zee van eenheid. Neen. Wie zich niet bewust is van een sterkere, die boven hem staat ‑ en dat moet iets zijn, wat je in jezelf als een zekerheid voelt en niet alleen maar iets, wat je graag zou willen ‑ is aansprakelijk voor elke koers die hij inslaat binnen die harmonie; wat je beleeft, wat je doormaakt, wat je ziet, wat je denkt.

Harmonieën behoren nu eenmaal tot de grotere machten. Ze spelen binnen de magie een rol.

In de esoterie spelen de harmonieën een heel grote rol, als u zich bv. gaat bezighouden met al die grote geestelijke krachten, die de zogenaamde paden of wegen zijn. Harmonisch zijn met een bepaalde kracht betekent allereerst de weg vinden tot die kracht; dan één‑worden in en met die kracht en daardoor het bewustzijn daarvan overnemen; en dan pas verdergaan. Overal treft u precies hetzelfde.

Harmonie is een verschijnsel, waarbij wij uitgaan van een eenheid. En deze eenheid moet, zodra wij een vrije wil hebben, bewust worden gezocht. Zij moet bewust worden verwerkelijkt. Wij moeten overal, waar wij niet een leidend initiatief erkennen en een behoefte aan harmonie bestaat, zelf het initiatief nemen. Wanneer het niet mogelijk is ‑ onthoudt u dat goed – die harmonie te verwerkelijken zoals u het had gedacht, dan zal vanzelf blijken dat daar door de een of andere oorzaak geen voldoende eenheid tot stand komt. Dan breekt dat vanzelf.

U kunt nooit een harmonie opleggen daar waar ergens nog verschillen zijn. Maar waar een harmonie bestaat en u a.h.w. de sterkere bent en de ander de zwakkere, daar kunt u haar opleggen. En daarom moet ge, waar u denkt dat een harmonie kan bestaan, erop afgaan.

Dan wil ik er nog op wijzen dat binnen die harmonieën (dus kosmische, geestelijke of menselijke nog een ander element bestaat. Dat is nl. dit: Een van de meest harmonische verschijnselen op aarde is wel de werking van de groepsgeest in de groep entiteiten die hij in een lager lichaam leert leven. Een dier gehoorzaamt aan deze groepsgeest zeer direct en vraagt zich nimmer af waarom of hoe. Toch heeft het dier wel degelijk een voorstelling van hetgeen het doet en gaat doen. Het voelt ook wel een reden aan, al is deze niet beredeneerd.

Wanneer wij met het hogere harmonisch zijn, dan moet er een ogenblik kunnen zijn dat wij even onszelf uitschakelen. Dat wij zeggen: Ik heb in mijzelf het gevoel dat deze kracht, waarmee ik harmonisch ben, goed is, lichtend is en sterk. Goed, laat het dan maar komen. Wat daar ook van komt, ik ga niet vragen waarom of hoe, ik volbreng, ik onderga, ik beleef.

Dan moet u daaruit nog een andere consequentie trekken. Het leven van de mens is, wanneer hij hier op aarde is, alleen maar een klein brokstukje uit zijn werkelijke leven. Het werkelijke leven is dus de cirkelgang van onbewust uit God en bewust tot God. Dit kleine stukje is natuurkijk met alle voorgaande fasen verbonden. Wij noemen die band veelal karma of oorzaak en gevolg. Nu kan het dus zijn dat er in die oorzaak‑en‑gevolgwerkingen (of zo u zegt karma een reeks consequenties ligt opgesloten, waarvan wij in dit leven de zin niet geheel begrijpen. Wij kunnen nl. heel moeilijk met ons werkelijke “ik” harmonisch zijn, zolang wij menselijk of stoffelijk denken. Daarom zou ik de mens willen aanraden: Probeer voor jezelf te ervaren (niet door stoffelijke beredenering of wenselijkheid maar door innerlijk gevoel, of hetgeen je ondergaat redelijk is. Of het ergens iets lijkt, wat toch weer lichtend en goed is. Is dat zo, verzet u er dan niet tegen, Onderga het. En maak het eerder zelf tot een middel om een bepaalde bewustwording te verkrijgen. Beredeneer de zaak niet. Je kunt als mens soms sterk harmonisch worden met je eigen werkelijke “ik”, ook al kun je dit in menselijke hersenen niet helemaal bevatten en begrijpen. Op het ogenblik dat je dat hebt, ben je ook in staat om harmonie te wekken met ‑ let wel ‑ alle sferen, waarin dat “ik” ooit bestaan heeft en/of bestaan zal. Want dat “ik” is in al die dingen. Bewust of onbewust, maar het is er.

Wij kunnen zo door een zekere harmonie in onszelf aan te kweken en ook oorzaak en gevolg te ondergaan‑ niet met een verzet of een poging tot beredenering maar met een aanvaarding (dus helemaal los van de stoffelijke rede; de stoffelijke rede heb je nodig om te leven, niet om je gevoelshouding tegenover het leven te bepalen) vaak ontdekken dat we zeer sterke banden hebben met geestelijke krachten, bepaalde delen van de schepping, bepaalde soorten van dieren, mineralen en God weet wat al meer. De harmonie die dan tot uiting gaat komen, zal heel vaak in staat zijn om alle kwade gevolgen om te zetten in iets wat vruchtbaar is en wat zelfs gelukbrengend is en lichtend.

Harmonie kun je alleen vinden, als je weet op welk ogenblik ook dat je je moet onderwerpen. En dat is altijd het geval als je voor jezelf de zekerheid hebt: hier zijn hogere krachten dan ik aan het woord. Krachten, waarmee ik mij op de een of andere manier één voel, maar die ik voor mijzelf niet kan beredeneren of kan overzien. Daar past overgave. En die overgave mag dan voor de mens onmiddellijk worden gevolgd door een nuchtere beredenering van mogelijkheden en middelen, maar niet van oorzaken. De oorzaak mag niet beredeneerd worden; de tendens mag niet beredeneerd worden, die moet gevoeld worden.

Ik weet dat dit in sommige opzichten gevaarlijk is. Dat ben ik direct met u eens. Maar wanneer wij werkelijk harmonie zoeken, dan moeten wij ons op een gegeven ogenblik vrij kunnen maken van de menselijk‑redelijke wereld. Die menselijk‑redelijke wereld bestaat uit een reeks beperkingen door de mens geschapen, goed; maar die tevens het “ik” van hogere geestelijke krachten, van eigen verleden en vaak ook van eigen toekomst afsluiten.

Ik hoop dat ik met dit overigens korte overzicht u weer een paar aspecten meer van harmonie heb leren kennen en iets meer omtrent harmonieleer heb doen inzien in meer kosmische zin.

Harmonie

Wie kan zeggen, hoe zich het licht der sterren mengt met het ruisen van de wind?

Wie kan vertellen, hoe het licht van de maan en de bleekblauwe schaduwwerking uit een wereld van onwerkelijkheid tezamen vormen een droom van werkelijke waarden, verborgen achter de dag?

Harmonie is het haast niet kenbaar samengaan van de meest onverwachte krachten en waarden. Het is een flits van een gedachte, samengaande met een herinnering, geboren misschien uit een onverschillige daad en voerende tot een gevoel dat omgezet wordt in een eenheid met het Hoogste

Harmonie is het dromen. Het dromen, waarbij alle werkelijkheid en alle grenzen zijn weggevallen. Een eeuwig kabbelende en golvende zee, als een licht bewegende spiegel, liggend onder een oneindige koepel, waarin geen ster en geen licht te zien is; en die toch oplicht uit zichzelf.

Waarbij golf tot golf gaat spreken en waar de hemel plotseling toch weer het licht van de zee in zich weerspiegelt en de zee het licht van de hemel in zich gaat dragen.

Hoe kan ik u de vreemde tegenstrijdigheden van harmonie verduidelijken?

Harmonie is een band. Een band die je in jezelf aanvoelt en die op de juiste wijze wordt weergegeven. Want een harmonie is zo snel gestoord. Ze is soms als een blokkentoren, opgebouwd door een kind, wankelend en onevenwichtig en toch vol schoonheid. Maar een enkele onvoorzichtige stoot, een verkeerd gebalanceerd blok en alles valt ineen.

Harmonie is soms zo teer. Ze is het tere, onbegrepen geheim dat in ons schuilgaat. Ze is het geheimzinnige dat inhoud geeft aan het gehele bestaan; dat voor de sterren hun baan tekent en ons misschien doet dromen van meer dan sterren.

Wij willen harmonie zoeken, daarvan ben ik overtuigd. Maar wij kunnen die harmonie nooit zoeken met de rede. Want er bestaat geen enkel recept, waaruit de harmonie voortvloeit. Uiterlijkheden? Ja, uiterlijkheden kun je bepalen. Maar vorm het schoonste landschap dat ge wilt, kunt gij de wolken bevelen? Kunt ge tot de zon zeggen; schijn? Of tot de regen: verfris en val neer? Kunt ge de wind zeggen, hoe zacht hij moet blazen of hoe hard en uit welke richting?

Ge kunt van uw leven een park maken van onvergelijkelijke schoonheid, vol met lichtende daden, met bloeiende naastenliefde en vriendelijkheid. Maar indien gij meent dat alles zich aan u moet aanpassen, waar blijft dan uw harmonie?

Harmonie is een samenwerking, een overgave, een versmelting, waarbij je toch jezelf blijft. Het is het neerschrijven van iets eeuwigs in begrippen, die je kunt voelen en nooit kunt zeggen.

Harmonie is: In ons voor een kort ogenblik iets van de werkelijkheid vinden waarin God leeft en wij in God leven, bewustzijn van Hem, zonder einde.

Harmonie is het einddoel van ons bestaan. En elke flits die wij daarvan mogen ondergaan, elke bewuste of onbewuste poging die ons tot grotere harmonie brengt, is een kostbaarheid. Het is de kracht, waaruit wij leven. Het is het besef dat wij niet nutteloos en doelloos zijn. Het is het weten dat onze eenzaamheid verdrijft en daarvoor in de plaats geeft een lichtende aanvaarding, die niet slechts is berusting.

Weten dat er harmonie bestaat en die soms voor een kort ogenblik in jezelf dragen als een lichtend baken van de eeuwigheid, dat is meestal het lot van mensen. Maar wie het baken in zichzelf mag dragen, die weet waarheen de wegen voeren, die wordt getrokken tot het steeds fellere en steeds grotere licht, waaruit eens alle kleuren terug krimpen tot het wit, het wit versmeltend met het duister. De luister van de eeuwige harmonie, het perfecte evenwicht: de grootse rechtvaardigheid, waaruit de goddelijke Liefde zich openbaart.

Wees harmonisch als je kunt en zoek harmonie; waar het je mogelijk is. Niet om daardoor krachtig te zijn of sterk, maar om voor een ogenblik te weten, waarheen je pad voert en een ogenblik te ervaren: Ziet, het, leven is zinrijk en goed. Want achter de sluier van onbegrip en disharmonie ligt reeds nu voor mij verborgen de volmaakte versmelting met alle dingen; waarin het geluk, de vreugde en de vrede samen versmelten tot een harmonisch geheel, waarvoor de mens geen woorden heeft.