De achtergrond van het menselijk denken

image_pdf

19 februari 1962

Wanneer wij uitgaan van de menselijke gedachte, dan lijkt de verklaring van de denkprocessen eenvoudig. Een mens groeit op. Hij heeft dus bepaalde instincten. Deze instincten bepalen voor een groot gedeelte zijn handelingen. Daarnaast beschikt hij over redelijke processen, gebaseerd op zijn ervaringen in de wereld en hetgeen hij daarin heeft geleerd. Dus, zo concludeert men vaak wat lichtzinnig en lichtvaardig, is de achtergrond van het menselijk denken in feite de wereld, waarin hij leeft.

Tot mijn spijt moet ik opmerken, dat deze schijnbaar zo reële bewering niet juist is.
De mens denkt nl. heel anders dan hij feitelijk leeft. Dat is punt 1.
Punt 2: hij selecteert zijn ervaringen, verwerpt een deel ervan door ze niet te beschouwen en onderdrukt een ander deel, dat hij niet van zich kan afwerpen, op zodanige wijze dat het in zijn bewuste gedachteprocessen geen plaats meer heeft. Het zal u dus duidelijk zijn, dat de mooie slagzin, die vrij vertaald zou moeten luiden: “de achtergrond van het menselijk denken is het panorama van het menselijk leven”, moet worden omgezet in: “De achtergrond van het menselijk denken is de verwarring der menselijke opinies.” Ik hoop dit punt voor u aanvaardbaar te maken.

De totale reeks impulsen, die een mens ontvangt, is aangepast aan zijn levensbehoefte en zijn levensnoodzaak. Hij zal dus datgene, wat voor onmiddellijk behoud van zijn leven niet noodzakelijk is, gewoonlijk niet opmerken. Hij zal instinctief a.h.w. alleen datgene, wat volgens zijn eigen inzicht voor hem belangrijk is, selecteren. Deze belangrijkheid wordt niet bepaald door het totaal van het gebeuren of het totaal van zijn bewuste ervaringen, maar alleen door de belangrijkheid, die zij op dat ogenblik hebben. Dus wanneer de toestand op een bepaald moment zeer kritiek is, wordt deze vastgelegd en zal voortaan als referentiewaarde dienen, ook als zij onjuist werd verwerkt en zelfs als zij in feite slechts een klein fragment was van een voor de mens eigenlijk belangrijker gebeuren. Het overige wordt dan over het algemeen vergeten.

Een onderzoek naar de redenen voor dit eigenaardig selectief denken en deze eigenaardige ook selectieve reactie bracht mij weer naar dat bekende beginpunt: de mens leeft tussen angst en begeren. Ik heb getracht na te gaan wat deze factoren zijn. Daarbij kwam ik tot definitie van angst – in tegenstelling dus tot vrees – als een zich met een zekere vrijheid overgeven aan de redelijke of onredelijke drang de eigen vernietiging te aanvaarden. De vernietiging kan een klein stukje van het eigen ‘ik’ of een groot deel van het ‘ik’ omvatten.

In overtreffende trap wordt de angst tot paniek. Bij paniek wordt het gedachteproces, zonder realisatie van de werkelijke toestand in een bevestiging, let wel, van het gevreesde – dus van datgene waarop men die angst heeft gebaseerd – tot uitdrukking gebracht. Een mens, die door paniek is bevangen, verwerkelijkt de verwarde aanvaarding van een noodtoestand, die hij meent niet te kunnen bestrijden of verwerken, in een daadpatroon, dat zijn eigen vernietiging in de meeste gevallen bespoedigt. Op die manier heeft u er waarschijnlijk nooit over gedacht.

Dan de kwestie van begeerte. Wij weten dat het begeren is opgebouwd uit noodzaak, gedachtebeeld en/of de veiligheidsbehoefte. De noodzaak is duidelijk. Begeren kan voortkomen uit de behoefte om eigen leven, eigen bestaan zeker te stellen. Zij kan echter ook voortkomen uit een denkwijze of een opinie. Dan kan zelfs iets anders dan het eigen leven tot het centrale punt zijn geworden, maar men zal ook dit ten koste van alles blijven begeren, omdat men daarin een verwerkelijking voor zichzelf ziet. De ontleding is, naar ik aanneem, althans voorlopig voldoende.

Tussen deze beide fasen zullen natuurlijk ongetelde tussentrappen liggen. Zij zijn voor onze schets van een achtergrond niet zo buitengewoon belangrijk, omdat door het aangeven van bepaalde begrenzingen eveneens het gemiddelde gebied van het denken toch wel tot zijn recht komt. Wat is nu bij het menselijk denken de meest eigenaardige factor? Dat het menselijk denken – dus zijn begeren of zijn angst – niet op feiten is gebaseerd maar op erkenning of niet-erkenning.
Ik wil u hiervan een aardig voorbeeld geven: Een mens is bijgelovig. In zijn bijgelovigheid zal hij een geest ontmoeten. Dan kan hij, omdat hij door zijn bijgeloof een denkschema heeft, waarin het verschijnsel past, zich over het algemeen redelijk daartegen verweren, mits hij zichzelf daartoe in staat acht. Hij neemt dan bv. aan, dat hij inderdaad met een kruisteken een helse geest eenvoudig kan terugbannen naar de hel en ontkomt aan menig gevaar, dat in sommige verschijnselen voor hem kan zijn gelegen.

Stel nu, dat een mens niet bijgelovig is. Hij denkt dus volkomen rationeel en redelijk. Hij wordt geconfronteerd met een geest. Deze geest past niet in zijn denken. Wanneer deze geest hem niet op een te opdringerige wijze benadert, zal hij trachten het verschijnsel weg te redeneren. Hij wil zijn waarneming niet aanvaarden en bant haar uit zijn denken. Wanneer het verschijnsel niet werkelijk opvallend is, zal hij daaraan zelfs zonder het op te merken voorbijgaan. Zodra hij echter wordt geconfronteerd met een werking van een verschijning, die niet in zijn rationele wereld past, heeft hij daartegen geen verdediging. Het resultaat is: angst, die in vele gevallen snel tot paniek overslaat. Het resultaat is dus, dat hij sterker onderhevig is aan een dergelijke inwerking dan de bijgelovige mens, die toch in wezen primitiever lijkt te zijn.

Dit is een typisch verschijnsel, mijn vrienden, dat ons omtrent die achtergrond heus wel iets meer leert. Want klaarblijkelijk is in het denken : de aanvaarding van een al dan niet reëel verschijnsel, bepalend voor het vermogen om op dit verschijnsel te reageren, daarover na te denken, daaruit conclusies te trekken en dus ook zich daaraan te onttrekken, indien men dit wenst. Op het ogenblik echter, dat de mens tegenover het onbekende staat, is hij niet meer tot redelijke reacties in staat. Een belangrijk punt! Want in uw eigen denken wordt u ook vaak geconfronteerd met vragen die u niet kunt oplossen. Wanneer zo’n vraag onbelangrijk voor u is, gaat u eraan voorbij. U stelt haar terzijde en volgt daarmede – volgens menselijk en ook wel geestelijk standpunt – de meest redelijke weg.

Maar het kan zijn, dat een bepaald vraagstuk zich aan u blijft opdringen. U gaat met zo’n vraag worstelen. U kunt daarvoor geen werkelijke oplossing vinden. Het resultaat is, dat u door deze vraag bevreesd wordt, door deze vraag gebiologeerd wordt en in uw verlangen een oplossing te vinden, zult overgaan tot acties – dus uitdrukkingen van uw denken – die panisch ofwel onredelijk en bepaald thalamus zijn. Hier ligt dus voor ons een belangrijk punt. Klaarblijkelijk kan de mens in zijn denken alleen uitgaan van het bekende en het instinctief vererfde. Alles wat daarbuiten ligt, ook wanneer het niet-erkennen bewust is of uit emotionele redenen voortvloeit, ontneemt hem het vermogen op de juiste wijze te reageren, onttrekt zijn handelen aan de werkelijke beheerstheid, die noodzakelijk is voor zelfbehoud en brengt hem in de meest onvoorziene situaties.

Natuurlijk zult u nu zeggen: maar het instinct dan?

Het instinct van de mens wordt wel eens te veel uitgebuit als een verklaring voor al zijn impulsen. Er zijn verschillende punten – ik hoop, dat ik hier mag spreken tot volwassenen, in filmtaal dus tot hoorders boven de 18 jaar – die instinctief niet zijn vastgelegd. Om u een voorbeeld te geven: de persoonlijke contacten tussen mensen van verschillende sekse worden oorspronkelijk bepaald door de behoefte aan zekerheid van het vrouwelijk geslacht en door de behoefte aan nageslacht en bevrediging van de mannelijke zijde. Hierbij was het patroon over het algemeen zodanig, dat de aanwezigheid van het kind eventueel een bindende factor was. Daarnaast kwam ‘promiscuity’ – laat ons zeggen een zeer grote vrijheid op dit terrein – voor en de mens werd hier dus inderdaad bewogen door natuurlijke krachten. Het blijkt nu echter dat op de duur het contact tussen de seksen wordt vereenzelvigd met iets totaal anders. Men ziet daarin niet meer de op zichzelf eenvoudige bevrediging of voortplanting noch, van vrouwelijke zijde, het middel om een zekere geborgenheid te verkrijgen gedurende de periode, dat de vrouw voor zichzelf niet volledig handelend kan optreden. Neen, men ziet dit in een romantische waas. Men ziet daarin een zelfbevestiging.

Het typische is bv., dat oorspronkelijk het liefdeleven van de mens zuiver was gebaseerd op biochemische reacties. Later echter wordt ditzelfde liefdeleven gebaseerd op wederzijdse erkenning. De man, die in zich een zeker element heeft dat wij vrouwelijk kunnen noemen – een absoluut rechte hormoonverhouding komt zelden voor – voelt zichzelf niet vervuld. Hetzelfde geldt in omgekeerde zin voor de vrouw, die bepaalde mannelijke eigenschappen nu eenmaal altijd in zich blijft behouden. De man zoekt zichzelf in de vrouw. De vrouw zoekt zichzelf in de man. De beelden, die ontstaan, zijn niet meer die van het feitelijke doel: de voortplanting, maar van de aanvulling van het eigen ‘ik’. Hierdoor ontstaat een idealisering van de geliefde, die in feite berust – als ik het zo mag opmerken – op de behoefte een deel van het eigen ‘ik’ te idealiseren. Van enig contact met de werkelijkheid is hier geen sprake.

Ik weet, dat men stelt, dat liefde in sommige gevallen een zuiver geestelijke band is en ik ben ervan overtuigd, dat dit – zelfs in het emotionele vlak doordringend – vaak het geval kan zijn. Maar in het menselijk denken is de geestelijke verklaring veelal een uitvlucht voor een op zichzelf niet aanvaardbare liefdestendens in het eigen ‘ik’. Wederom één van de typische achtergronden van het menselijk denken: een rationalisatie van een poging tot zelfverwerkelijking en zelfuitdrukking. Ik hoop, dat ik u hiermede niet heb geschokt. Maar een onderwerp als dit kan nu eenmaal niet zonder wat schokkende en soms zelfs provocerende verklaringen redelijk worden ingeleid. Er zijn nl. nog meer punten:

De mens tekent zijn verhouding tot de wereld over het algemeen als een nuttigheidsrelatie. Hij meent dus, dat hij van zijn omgeving in de eerste plaats een zeker nut of een emotionele voldoening kan verlangen. Vreemd genoeg blijkt bij een ontleding van het eigenlijke gedachtespel, dat andere tendensen een grote rol kunnen spelen. In de meeste gevallen bepaalt de mens zijn relatie tot en waardering van zijn omgeving niet door de doelmatigheid of nuttigheid daarvan voor hem, maar door het gevoel van grootheid of macht, dat hij daaruit verkrijgt. Een heel typisch verschijnsel.

Want waarom begeert de mens macht? Macht is in feite zekerheid. Een middel tot zelfverheffing. Een middel om t.o.v. een wereld, die men misschien niet zo gemakkelijk kan beheersen, zijn eigen gevoelens van meerwaardigheid te handhaven. Dit gevoel van meerwaardigheid is noodzakelijk, want alleen daardoor kan de mens situaties aanvaarden en op den duur dus ook beheersen en begrijpen, die hij zonder dit gevoel van meerwaardigheid niet zou kunnen meester worden. Behoefte aan macht, hoe vreemd het ook klinkt, wordt zelfs uitgedrukt in de behoefte tot verwerven.

Iemand, die emotioneel zeer onzeker is, blijkt angst te hebben voor het leven. Deze angst voor het leven kan worden omgezet in een panisch effect (ik probeer het zo duidelijk mogelijk uit te drukken), dat leidt tot een dwang tot diefstal, een dwang tot verkrijging van niet tot het ‘ik’ behorende voorwerpen, een doelloze en nutteloze bereiking of verrijking van eigen wezen, waarover men zichzelf in meer nuchtere ogenblikken grote zorgen kan maken. De mens is dus zeker niet zo redelijk als hij wel denkt. En wat meer is, zelfs in zijn redelijke processen is hij beperkt.

Nu zou het niet juist zijn om de achtergrond van het menselijk denken alleen maar te schetsen als deze eigenlijk op dierlijke waarden gebaseerde verhouding tussen angst en begeerte, de keerzijde van één en dezelfde medaille: het zelfbehoud. Er treden nl. in het menselijk leven andere minder stoffelijke maar daarom toch wel bepalende factoren op als bv. geest. Het is vandaag mijn taak niet het wezen van de geest en van de ziel voor u uiteen te zetten.
Wel echter moet ik de nadruk leggen op het feit, dat elke geest georiënteerd incarneert. Dat wil zeggen, dat zij een eigen richting van leven en denken heeft bepaald. Deze richting van leven en denken wordt – laat ons zeggen van praktisch de 4e maand af – op de wordende mens geënt, zodat een predispositie ontstaat, een voorkeur a.h.w. voor bepaalde gedachteprocessen. De geest bepaalt een groot gedeelte van de begrenzingen, die in de mens bestaan en vooral de wijze, waarop hij deze begrenzingen zelf interpreteert. Zou een mens niet gehouden zijn aan een soort woorddenken – dus het voor zichzelf uitspreken van de gedachte – dan zou ongetwijfeld deze geest feller en juister tot haar recht kunnen komen. Maar de mens denkt in woorden, zelfs als hij meent dat hij zijn gedachten niet in woorden uitdrukt. En zelfs wanneer het woorddenken een ogenblik weg valt, treedt daarvoor in de plaats een zeer schematisch beelddenken, dat ongeveer dezelfde betekenis heeft. Namelijk: het absoluut met elkaar in verband brengen van eigen innerlijke spanningen en behoeften – ook op geestelijk terrein – langs de stoffelijke weg en aan de hand van de door die mens als juist erkende feiten en verder niet.

Zou een zuiver emotioneel denken ontstaan, waarbij aan het denkproces dus geen directe uitdrukking op bewust plan wordt gegeven, maar het geheel kan dienen tot ogenblikkelijke verwerkelijking in daad of reactie, dan zou de geest dus veel meer kunnen doen. Zij zou n.l. in haar intenties, die van het stoffelijke standpunt gezien vaak enigszins abstract zijn, niet belemmerd worden door het denken en zij zou de omschrijving daarvan niet behoeven te geven.
De geest is a.h.w. het licht dat het landschap beschijnt. Het landschap zelf is de achtergrond voor het denken. Het denken is de impuls der beweging, die door de mens zelf in het totaal van het landschap werd uitgevoerd. Het feit dat het gehele denken, beredeneren, ja, zelfs redelijk constateren afhankelijk is van het licht – ofwel de geest – en van de achtergrond gelegen tussen de uitersten van zelfbehoud, uitgedrukt door angst en begeren, doet de mens in zijn denken altijd afwijken van de werkelijkheid. Er bestaat geen enkele werkelijkheid, mijn vrienden, die voor u bepalend is volgens uw redelijk denken dan die werkelijkheid, welke gij voor uzelf hebt geschapen. Omgekeerd: geen enkel redelijk denken is in staat om de feitelijke werkelijkheid – onverschillig of dit materieel is uitgedrukt of op andere wijze – te beseffen.

Het gepredisponeerd zijn, het a.h.w. vooraf bepaald zijn van het denkproces leidt ons tot eliminatie van feiten. Wanneer wij het landschap van het leven bezien, treedt kleurenblindheid op. Deze kleurenblindheid kan algemeen aanvaarde waarden betreffen en in dat geval krijgen wij te doen met een mens, die overigens volgens menselijke opvatting redelijk denkt, maar bv. amoreel, asociaal is ofwel bijzonder strikt en streng, zodat het woord kwezelachtig slechts een onvolkomen omschrijving is van zijn gedachteprocessen. Hier is het ontbreken van een bepaald bewustzijn, het weglaten van een bepaalde factor uit de gedachtewereld, bepalend voor het totale gedachtebeeld.

Om de achtergrond van het denken te begrijpen moeten wij ook inzien, waarom dergelijke verschijnselen terzijde kunnen blijven. Nu moet u goed begrijpen, dat de geestelijke intentie altijd zo volledig mogelijk wordt vastgelegd. Wanneer ik in het begin van mijn leven een aantal ervaringen heb van voor mij gelijksoortig effect – dus inwerking op mijzelf ‘ dan vloeit daaruit voort, dat ik voortaan al deze ervaringen als de meest belangrijke zal beschouwen, zelfs indien ik dit niet bewust doe. Wanneer een te grote nadruk op bepaalde aspecten van het leven valt, zullen andere zodanig verzwakken dat het bewustzijn eenvoudig weigert deze waar te nemen. Dus wanneer moraal moet worden gezien als een uitdrukking van menselijke waarde in een menselijke wereld – wat slechts onder zeer bepaalde omstandigheden volledig juist is – dan zal door de redelijkheid van de wereld rond dit ‘ik’ niet te beseffen dit ‘ik’ eenvoudig het bewustzijn van elke morele waarde doen wegvallen en als vervangende waarde daarvoor slechts vrees en begeren in een meer directe uiting stellen. Wanneer ik de gemeenschap zie als iets, dat voor mij noodzakelijk is en ik leer in mijn jeugdjaren op die gemeenschap voortdurend te vertrouwen, dan zal ik altijd een sociaaldenkend mens zijn. Vreemd genoeg is het hier niet de uiterlijke ervaring maar eerder de emotionele inhoud, welke met de beleving gepaard gaat, die beslissend wordt.

Een voorbeeld: een kind wordt regelmatig door anderen geslagen. Maar het vindt daarin voor zichzelf een zekere rechtvaardiging en het gevoelt, voor zichzelf deze bestraffing in zekere mate als een bevrediging. Wij krijgen dan toch een sociaaldenkend mens. Maar stel, dat in een soortgelijk geval een kind geregeld wordt geslagen en dat het zich niet schuldig gevoelt, terwijl niemand het een juist bewustzijn van de reden bijbrengt, of nog erger, dat het zich voortdurend bedreigd gevoelt, zonder dat het daarvoor maar enige aanleiding of zelfs maar enige oorzaak kan vinden, dan wordt deze mens in zijn denkprocessen asociaal, omdat hij elk sociaal proces uitsluitend beoordeelt volgens zijn eigen inzichten: dus alweer in overeenstemming met zijn angsten en begeerten.

Dan wil ik erop wijzen, dat het gedachteschema van de mens, dat toch voor zijn daden medebepalend is, nog op een andere wijze van de door u erkende werkelijkheid pleegt te verschillen. Er is een schrijver geweest, die zeer ondeugend opmerkte, dat sommige wijken van zijn stad – het was Parijs – weliswaar naar ‘het vlees’ werd gezondigd, maar dat de zwaarste zonden naar de geest meestal voorkwamen in de dromen van de kloosterlingen. Voor de juistheid van zijn bewering wil ik niet instaan. Maar het is een feit, dat menigeen in zijn droom, fantasie en gedachteleven compenseert voor datgene, wat hij in feite als een levensnoodzaak gevoelt, maar niet als zodanig durft erkennen en tot uiting brengen.
Nu zult u zeggen: dit fantasieleven is toch maar een bewust dromenspel. Neen. Het is een voor jezelf vocaliseren of schetsmatig in beeld stellen van waarden, die je in je leven noodzakelijk acht. Datgene, wat u steeds droomt, zal in feite uw handelingen mee beïnvloeden. En zelfs als u het als een bewust spel beschouwt, zal de achtergrond van het denken altijd ook deze waarde volledig bevatten, zodat de belichting van het landschap – althans in deze richting – scherper is dan men uiterlijk zou aannemen.

Hiermede heb ik dan een poging gedaan om u enkele afwijkingen van wat men aanneemt weer te geven. Wij kunnen zeer weinig bevestigen van wat de normale mens meent, dat de achtergrond van zijn denken is. Zeker, de mens heeft begrip voor goedheid. Maar goedheid is over het algemeen: het erkennen van zichzelf in anderen, uitgedrukt door een zichzelf inzetten voor die anderen. Hij heeft een illusie van eerlijkheid. Maar eerlijkheid, volslagen eerlijkheid kan alleen voorkomen, wanneer een volledige identificatie van het ‘ik’ met anderen mogelijk is. Waar dit zelden geschiedt, kunnen wij stellen, dat de eerlijkheid, die menigeen in zijn eigen denken meent te zien, in 9 van de 10 gevallen zelfbedrog is en voortkomt uit angst om bepaalde waarden te erkennen, bepaalde handelingen te begaan, bepaalde risico’s te nemen. Waar dit in de rede is vastgelegd, zal men dus al hetgeen buiten deze vermeende goedheid, eerlijkheid enz. ligt, eenvoudig niet willen zien, ook wanneer het het eigen ‘ik’ betreft.

Zelfkennis wordt zeer bemoeilijkt door het niet juist beseffen van de achtergrond van eigen wezen. Er is één zeer voorname denkfout, die rechtstreeks in verband staat met de achtergrond van het werkelijke leven. Wij zijn bang voor bepaalde dingen in het werkelijke leven, zoals ik u zo even reeds heb uitgelegd en deze bangheid kan zich ontwikkelen tot angst. Iets vrezen is niet zo erg. Het is het vaststellen van een mogelijkheid, die je eventueel niet zou kunnen bestrijden of overwinnen. Zodra echter de vrees verandert in angst, aanvaard je je nederlaag reeds. En wordt het paniek, dan handel je, volgens het begrip van nederlaag: nl. door datgene, wat je rond je ziet zelf te versterken. Meestal onder het voorwendsel van zelfbehoud of door amok, een soort razernij.
De kwestie is nl. deze: wanneer wij nog durven erkennen, dat wij niet werkelijk goed of werkelijk eerlijk zijn, durven erkennen dat sommige dingen niet werkelijk slecht zijn, dan geven wij toe dat onze subjectiviteit in beoordeling, onze behoefte tot rationalisatie en onze zelfverheffing ons parten spelen. Wij zullen dan gemakkelijker in staat zijn om althans verschijnselen en feiten te constateren. Het denken kan meer in overeenstemming worden gebracht met de werkelijke wereld.
Hoe steviger men zich echter vasthoudt aan zijn eigen oordelen, vooroordelen en beperkingen, hoe meer men zich bedreigd gevoelt, hoe subjectiever dus het denken is, hoe groter het doel van de werkelijkheid en de werkelijke verschijnselen, die ontkend en afgewezen worden.
Alles wat door de mens niet wordt gekend of erkend en hem desalniettemin benadert, is voor hem identiek met het redeloze. Wanneer dit redeloze hem persoonlijk en niet alleen in zijn gedachtewereld benadert, ontstaat de waanzin: hij vlucht in een volslagen fantasiewereld om toch maar te voorkomen dat hij zijn eigen bewust beperkte achtergrond zou moeten uitbreiden. Is de benadering niet zo intens, dan krijgen wij te maken met b.v. oneerlijkheid, gebaseerd op eerlijkheid: geweld gebaseerd op vredelievendheid enz.

Het wordt geloof ik tijd, dat ik al deze details ga samenvatten, opdat mijn inleiding niet te veel tijd vergt. Ik kan mij voorstellen, dat alleen reeds in het voorgaande voor u meer dan voldoende redenen tot protest – als u daartoe tenminste de moed hebt – of aanvullende vragen – vooral als u ze misschien anoniem kunt stellen – zijn gelegen. Het laatste is geen hatelijkheid: het is een vaststelling van feiten.

De achtergrond van ons denken is datgene, wat wij omtrent onszelf weten, niet wat we menen te weten, wat we werkelijk weten: datgene wat wij wensen, dat men omtrent ons weten zal, datgene wat wij menen te kunnen: en datgene wat wij menen dat voor ons niet mogelijk is. Het klinkt een beetje vreemd, maar het is volkomen waar. Want dat, wat ik omtrent mijzelve werkelijk erken, is de motivering van mijn daden. Het bepaalt dus mijn eigen interpretatie van leven en verschijnselen en eveneens de reactie daarop. Datgene, wat ik verlang dat anderen in mij zullen erkennen, betekent de omweg die ik moet maken, zowel redelijk als met de daad, om datgene wat ik dus werkelijk ben tot uitdrukking te brengen.
Het betekent a.h.w. de kompasafwijking t.o.v. de rechtlijnige daad en de rechtlijnige gedachte. De gehele reactie van het ‘ik’ wordt dus verder bepaald door wat ik meen te kunnen en dat waartoe ik mijzelf onkundig of niet in staat acht.
Datgene wat ik meen te kennen, durf ik te lijf te gaan. Iemand, die denkt dat een cobra een paling is, hanteert het dier zonder enige schade. Iemand, die denkt dat een paling een cobra is, heeft veel kans om – weliswaar zonder slangenbeet en vergiftiging – aan een lichte hartverlamming te overlijden. Wat ik dus zie in de dingen, is bepalend.
Acht ik een leeuw gevaarlijk zonder meer en vrees ik dit wezen, dan ben ik altijd zijn slachtoffer. Acht ik het ongevaarlijk, dan is de kans groot dat ik de leeuw beheers, omdat mijn processen zijn afgesteld op een domineren, dat door het dier eenvoudig wordt aanvaard. Maar als ik het gevaar ken, dat in de leeuw schuilt en ik mij bewust ben van mijn eigen meerwaardigheid, dan zal ik daardoor de leeuw geheel naar mijn eigen wil kunnen dwingen.

Dit is het geheim van bv. een goede dompteur, maar ook van een goede politicus. Want hij kent de fouten van zijn volk, hij kent zichzelf en hij weet op welke punten hij meerderwaardig is en dientengevolge leidt hij zijn volk op de juiste manier volgens zijn standpunt.

Meent men iets niet te kunnen, dan ontstaan allerhande dubieuze situaties. Kort geleden brak ergens in een groot warenhuis brand uit. Drie dames hadden zichzelf kunnen redden, door zichzelf te kunnen overtuigen van het feit, dat zij over een balk van toch meer dan 25 cm breedte hadden kunnen lopen naar een nabije dakgoot.
Enkele anderen waren hun voorgegaan. Zij meenden dit niet te kunnen doen. Het resultaat was, dat de enige van hen, die in doodsangst – nadat één der anderen reeds stervend was neergevallen – probeerde het te doen, neerstortte. Zij bezat het lichamelijk vermogen hiertoe, maar zij dacht er niet toe in staat te zijn en schiep daardoor automatisch voor zichzelf die afwijking van de werkelijkheid, waardoor het haar werkelijk onmogelijk werd.
Voorstellingen zijn al bepalend. Wat ik in deze voorstelling voor mijzelf denk en doe, zal bepalend zijn voor mijn mogelijkheden. Anders gezegd: ook wanneer ik mij niet precies realiseer, hoe ik tegenover het leven sta, is toch die achtergrond, door mij geschetst, de meest belangrijke. Want hierdoor wordt vastgesteld en niet door stoffelijke mogelijkheden en redelijke processen, wat ik volbreng en niet volbreng. Iemand, die zegt dat een bepaalde vernieuwing onmogelijk is, zal deze vernieuwing nimmer tot stand brengen.

Waarom acht hij deze vernieuwing onmogelijk? Het kan zijn, dat hij de mogelijkheid uitsluit, omdat zij tegen zijn persoonlijke belangen, zijn zelfbehoud of belangrijkheid zou ingaan. Het kan ook zijn, dat de mens zichzelf om andere redenen niet capabel acht en vreest door deze vernieuwing zichzelf in een toestand te brengen, die voor het alomvattend begrip van zelfbehoud niet aanvaardbaar is. De mens weigert te reageren op de feiten.
Hij zal altijd reageren op zijn illusie. Zijn illusie, komt voort uit de noodzaak zichzelf als een belangrijk individu te beschouwen, uit zijn behoefte een zekerheid van bestaan voor zichzelf te erkennen: uit de noodzaak het gevreesde te kunnen ontgaan dan wel te overwinnen. Deze factoren bepalen al zijn gedachteprocessen en zijn het leidsnoer waarlangs de rede – de rationalisatie – dus een naderhand komende a.h.w. redelijke verklaring opbouwt. Maar de reactie is altijd eerste.

Wie dit alles heeft gehoord, zal misschien erg pessimistisch worden. Daartoe is geen reden. Wanneer wij de feiten erkennen, kunnen wij ons eigen gedrag en daarmee vele vragen omtrent ons wezen en gedrag eveneens verklaren. Wanneer wij onszelf aan onszelf kunnen verklaren, ontstaat een objectieve realiteit, die de uitsluiting van elementen uit de achtergrond van de ervaringen en zomede geestelijke invloed minder goed mogelijk maakt en op de duur onmogelijk.
Op het ogenblik dat wij de totale scala van het leven zien, die voor ons, wanneer we in de stof zijn begrensd wordt door de angst en het begeren, dan hebben wij voor ons eigen leven alle denkprocessen omschreven, die feitelijk noodzakelijk zijn. Krachtens deze gedachteprocessen kunnen wij tot bewustzijn komen, kunnen wij ervaringen opdoen, die geestelijk van groot belang zijn, kunnen wij eventueel ook inwijdingen, inzicht in andere werelden verwerven.

Het heeft geen zin te trachten buiten het kader van deze omlijning te gaan. Men kan zich niet bewegen daar, waar de angst overheerst. Waar de angst panisch wordt, dus absoluut schrikwekkend, is een terugkeer tot natuurkrachten en natuurlijk instinct ontstaan, die niets meer te maken heeft met menselijke bewustwording en menselijk leven. Daar, waar het begeren wordt tot de hartstochtelijke begeerte, die alles overweldigt en terzijde stelt, is eveneens het redelijk aspect teloor gegaan en zal de mens geen werkelijke ervaringen kunnen opdoen maar alleen oorzaak en gevolg voor zichzelf scheppen.

Dus nog even kort samenvattend:

Punt 1: de enige belangrijke achtergrond van eigen denken is voor de mens dat deel van het zijn, dat door hem wordt begrensd door zijn angst en zijn begeerte.

Punt 2: zijn levenscondities en omstandigheden, eventueel gestimuleerd of zelfs geleid en versterkt door de geest, bepalen voor welke delen van dit leven hij in feite blind zal zijn. Deze blindheid maakt het hem onmogelijk tot een objectieve waarneming en reactie te komen.

Punt 3: elke geestelijke bewustwording vloeit voort uit de erkenning van het eigen wezen. Want wie het eigen wezen kent, ziet niet slechts eigen achtergrond, maar de achtergronden, die voor heel de mensheid het gedachteleven beperken. Ongeacht de verschuiving van de factoren begeren en angst zal aan de hand van dezelfde regels voor alles een verklaring mogelijk zijn. Deze verklaring zal ten dele gevocaliseerd kunnen worden.

Punt 4: de voor de mens bestaande noodzakelijkheid om te denken in, aan de menselijke wereld ontleende klankenreeksen of woorden, dan wel veelal schetsmatige beelden of lijnen, maakt het hem onmogelijk andere dan zuiver stoffelijke waarheden in zijn denken redelijk te verwerken. Indien hij tracht zich tot dit redelijke te bepalen, zal hij elke andere ook zuiver menselijke invloed vertekend zien en tot zelfbedrog komen.
Slechts daar, waar de gevoelswereld gepaard gaat met de poging tot redelijke uitdrukking, kan de mens althans enigszins zijn achtergronden overzien. Daar, waar hij in staat is sentiment en emotie, innerlijke ontroering en reacties gescheiden te houden van zijn redelijke processen en beide categorieën slechts in zijn handelingen gezamenlijk werkzaam te doen zijn (dit laatste is bijna altijd een automatisch proces), kan hij zijn eigen wereld volledig redelijk beseffen en daarmede dus ook bewust denken, terwijl hij door zijn emotie gelijktijdig een achtergrond voor dit denken schept, die verder reikt dan de beperkingen van vorm, lijn en bewustzijn, zoals die in zijn stoffelijke wereld bestaan.

Ik heb hiermede opzettelijk een inleiding gehouden, vrienden, die grote controversen tussen u en mij mogelijk maakt. Ook heb ik opzettelijk vele elementen van geestelijke invloed erbuiten gelaten. In deze eerste inleiding zijn zij niet verhelderend maar eerder vertroebelend voor een juist begrip. Ten slotte heb ik getracht met voorbeeld en uitspraken u een beeld te geven van de onvolkomenheden, die de menselijke gedachteprocessen aankleven. Na de pauze zal ik allereerst op uw vragen hieromtrent ingaan en zo er tijd overblijft kort besluiten met de kosmische achtergrond te schetsen, waartegen wij door het denken in mijn wereld – dat eveneens beperkt is – het menselijk leeft dienen te beschouwen.

Als u meent, dat u objectief kunt waarnemen, zou ik u het volgende ter bespreking eens willen raden:

Wanneer ik mijn redevoering was begonnen met: good evening, my dear friends en in het Engels gedurende enkele alinea’s was doorgegaan, dan vraag ik mij af, of u mij zou hebben aangezien voor: een Engelsman, die in Nederland doorkomt, een geest, die zich vergist in haar omgeving of dat u zich zou hebben gerealiseerd, dat het misschien bewust werd gedaan om uw reacties te testen? Een aardig punt ter overweging, indien u verder misschien ondanks alles geen gesprekstof hebt voor de pauze, waarmee u naar ik hoop, thans op aangename wijze de eerstkomende 25 minuten kunt doorbrengen.

Vragen

  •  Wat verstaat u onder thalamisch denken? Waarvan is dit woord afgeleid?

Dat is afgeleid van thalamus, één van de secretie veroorzakende organen. We zouden dus kunnen zeggen, dat thalamisch denken in feite een denken is, waarbij lichamelijke en instinctieve reacties alle redelijke processen overheersen en de redelijke processen slechts een reactie vormen op het thalamisch tot stand gekomen gedragspatroon.

  •  Wat is het gevolg, als men zich niet belangrijk acht?

Dat ligt eraan in welke zin u zich niet belangrijk acht. Er zijn nl. mensen, die uitgaan van het standpunt: ‘ik ben niets waard”. En omdat zij dat standpunt innemen, menen zij dat zij recht hebben op het respect van de gehele wereld. Met andere woorden: het begrip van waardigheid en van belangrijkheid is niet altijd gelegen in de uiterlijke expressie, die men daaraan geeft, maar kan in vele gevallen het resultaat zijn van een innerlijke associatie.
Naar ik meen, is er bijna geen enkel mens, die zichzelf niet belangrijk acht. Een mens, die zichzelf werkelijk niet belangrijk acht, moet nl. menen, dat hij in de kosmos niets betekent: voor zijn medemensen niets betekent: voor zichzelf geen enkel belang heeft en daarom zijn bestaan volledig redeloos en nutteloos ziet.
Op het ogenblik, dat ik aanneem dat mijn bestaan zinrijk is, ben ik reeds belangrijk. Maar daarmee is de vraag, niet beantwoord. Wanneer iemand zich niet belangrijk acht,  kan dit in vele gevallen een poging zijn om zichzelf te onttrekken aan een aansprakelijkheid. Wanneer ik zeg: “ik ben niet belangrijk”, dan bedoel ik daarmee: ik ben klein, ik ben toch maar onmachtig, ik ben machteloos. Laat een ander het dus maar doen.
En dit vind ik een zeer nadelig gevolg, omdat het leidt tot een absoluut negatieve levenshouding. Wanneer men stelt: ik ben persoonlijk niet belangrijk, dan kan dit impliceren dat men het eigen streven en werken voor een bepaald doel zeer belangrijk acht. Mits dit doel is gebaseerd op stoffelijke feiten zowel als innerlijke geestelijke erkenning, kan dit voeren tot een opofferend en zeer positief leven. In dit geval is de formulering “ik ben niet belangrijk” – de bedoeling is dus, niet belangrijk als persoon maar wel als factor in het geheel – zeer aanvaardbaar en is in vele gevallen goed.
Tenslotte kan ik natuurlijk ook nog stellen: ik ben niet belangrijk in de zin van “niemand vindt mij belangrijk.” Iemand, die dat stelt, lijdt eigenlijk een klein beetje aan een minderwaardigheidscomplex en komt er daardoor niet toe te proberen althans voor iets of iemand belangrijk te zijn. Het kan een ontvluchting zijn van consequenties, inderdaad. Maar in vele gevallen wordt daardoor een zekere sfeer van mistroostigheid geschapen, waarbij men aan eigen positieve mogelijkheden voorbijgaat en daarnaast – ik zou haast willen zeggen – vooral weigert aan te nemen, dat men positief belangrijk kan zijn. En dat is toch voor iedere mens waar.

  • De resultante van angst en begeerte lijkt mij de behoefte aan zekerheid. Wij vinden dat in ons stoffelijk leven, de drang tot zelfbehoud: maar bestaat die behoefte aan zekerheid niet eveneens in onze geest? (Zekerheid niet bedoeld als een zeker weten maar als een geborgenheid.) Is dit verlangen niet een ernstige rem om tot een eerlijk zelfonderzoek te komen? En als dit verlangen ook in onze geest bestaat, waaruit is dit dan ontstaan? En hoe kunnen we het overwinnen?

Dit is wel een klein compendium t.a.v. belangrijkheid. Wanneer wij zeggen, dat de behoefte tot zelfbehoud dus de voornaamste resultante is van begeerte en vrees – wat op dierlijk niveau inderdaad waar is – plus behoud van gewoonte – eveneens op dierlijk niveau – dan ontkennen wij daarbij de menselijke – geestelijke invloed.
Een mens, die zichzelf beseft, kan niet aan zijn eigen eindigheid geloven. Wie niet aan eigen eindigheid gelooft, heeft niet meer de drang tot zelfbehoud, welke bv. in het dier kan bestaan. Hij zal op een gegeven ogenblik het zelfbehoud kunnen opofferen aan andere z.i. grotere belangen. Hiermee wijs ik u op het feit, dat zelfbehoud een oorspronkelijk dierlijke factor is, die alleen en dan ook uitsluitend op het eigen ‘ik’ betrekking heeft.
Iets anders wordt het, wanneer het zelfbehoud niet uit de behoefte om eigen wezen in stand te houden voortkomt, maar uit bepaalde denkbeelden omtrent eigen wezen. In deze zin komt de drang tot zelfbehoud bij de mensen dan ook veel meer voor en kan zij ook in vele geestelijke sferen bestaan.
Wanneer wij nl. een beeld omtrent onszelf hebben ontworpen, dat voor ons bevredigend is, dan zal het afstand doen van illusoire, ons door onszelf toegedichte eigenschappen, kwaliteiten en mogelijkheden, ons een gevoel van verminking geven, niet van eindigheid. Wij wensen dit niet te aanvaarden, om de doodeenvoudige reden, dat wij de waarheid – zelfs als wij haar beseffen – pijnlijk achten.
Dan is er sprake van een angst voor de pijn voortvloeiend uit het ware inzicht in het eigen wezen – en dat kan vaak pijnlijk zijn – welke angst overgaat in een paniek: dus een onredelijk angstig handelen, waarbij men zich afsluit voor alles, wat niet met eigen illusies overeenstemt en juist daardoor zichzelf dwingt eigen illusies op de duur als zodanig te erkennen. Vooral in de duistere sferen komt dit dus veel voor.

Een ander punt, dat we hier toch ook mogen aanstippen, is de behoefte om eigen verhoudingen met de wereld op een bepaalde wijze te zien. Hierbij is het zelfbehoud in feite het behoud van een zekere centrale belangrijkheid, ongeacht op welk terrein, waardoor men zich het knooppunt of verbindingspunt voelt met anderen, hetzij van de eigen wereld, hetzij zelfs van een andere wereld. In dit geval zal een weigering hiervan afstand te doen tot misleiding voeren en dus tot een foutieve interpretatie.
Zoals ik nu, naar ik meen, wel duidelijk heb gemaakt, is het dus geen gewenste eigenschap. Deze te overwinnen is net zo eenvoudig als bv.- voor degenen, die het wel eens hebben geprobeerd – de mazelen. Met andere woorden: het vergt een zeer grote realiteitszin en wilskracht, een vermogen om zelfbedrog te erkennen en te bestrijden. Maar meer dan dit ook niet.
Want op het ogenblik, dat ik stel, dat ik zelf ben, dat ik besta van begin tot einde en al hetgeen, dat niet met dit essentiële zijn heeft te maken, onbelangrijk is, kan ik tevens stellen: dat ik verantwoordelijk ben voor mijn daden en vooral in mijn eigen leven door mijn denken en opvattingen voortdurend dien te streven en kan streven.
Het handhaven van mijn innerlijke, emotioneel erkende en deels redelijk omschreven werkelijkheid is daarbij op dit ogenblik het meest belangrijke, zonder deze zelf als veranderlijk te zien. Hier kom ik tot een zelferkenning, die de zelfbeperking, dus het zoeken naar zelfbehoud en belangrijkheid, aanmerkelijk vermindert. In de plaats daarvan treedt een reëler en objectiever leven, dat op den duur het eigen denken ook verheldert. Men kan nl. heus wel met twee voeten op de grond staan en toch de neus in de wolken steken, ook wanneer die wolken toevallig tot een andere sfeer behoren.

In de tweede plaats: het maakt het de mens mogelijk om uit eigen initiatief juist te handelen, zonder zich daarbij te sterk aan de wereld gebonden te voelen. De gebondenheid wordt anders beseft nl. als een persoonlijke verantwoordelijkheid tegenover het zijnde, voortvloeiend uit de oneindigheid van eigen zijn. In deze gevallen is er geen sprake van werkelijk zelfbehoud, noch een werkelijke drang daartoe: er is slechts een voortdurende zelfuiting en wel op een zo redelijk en zo hoog mogelijk niveau. Dit is de juiste wijze om elke verkeerde drang tot zelfbehoud – laten we het zo noemen – te verwijderen en eigen begeerten en angsten los te maken van het begrip ‘zijn’

 Ik dacht dat bij liefde voor, d.w.z.: waardering van de ander in de liefde het gevolg is, dat door een frustratie een angst ontstaat, gevolg van elke machteloosheid. Deze angst predisponeert voor de waan. Daarna schept men een doekje voor het bloeden om de idealisering, zodat men het verkregene hoog acht en het niet-verkregene van geringer waarde acht. De werkelijke of vermeende afhankelijkheid, alle omstandigheden, die pleiten voor het bijeen blijven, zijn redenen tot hoogachting.

Wanneer dat nu werkelijk waar zou zijn, wat zouden de huwelijken op aarde dan ideaal zijn! Mag ik van mijn kant constateren, dat over het algemeen het verworvene minder wordt geacht dan het niet verworvene. Dit geldt niet alleen in de liefde, maar het geldt op elk terrein, nl. wat men niet heeft, heeft waarde: dat wat men bezit, verkrijgt pas weer waarde, wanneer men het verliest.

In de tweede plaats: hoogachting voortkomend uit behoefte is absoluut niet waar. Juist de vrouw, die voor haar zekerheid het sterkst aan haar man is gebonden, zal – tenzij zij in die man zichzelf erkent en zich dus daarmee kan identificeren – hem verachten, juist om de afhankelijkheid, waarin zij t.o.v. hem verkeert. Het gestelde is dus niet juist. Het begrip ‘liefde’ heb ik hier dus hoofdzakelijk behandeld vanuit het standpunt van de menselijke gedachte en de achtergronden daarvan. De erkenning van jezelf in de ander (identificatie) is ook de aanleiding tot de idealisering. In de gevallen dat men elkaar niet kent, is het gemakkelijker zichzelf te idealiseren en in de ander te projecteren, dan wanneer men elkander wel kent. Dit pleit ook weer voor de aantrekkelijkheid van het onbekende.

Dan wil ik er nog op wijzen, dat liefde uit dit standpunt bezien en dus uit het denken komend altijd een eindig, een vergankelijk iets is, omdat nl. – tenzij weer het eigen ‘ik’ zich in de ander bevestigd ziet en dat komt niet zo heel vaak voor –  de waarderingen zich voortdurend wijzigen en vaak in de plaats van wat men liefde noemt gewoonte ontstaat. Men blijft deze dan ook wel liefde noemen, maar ze heeft toch een totaal andere inhoud.
De liefde echter – alle stoffelijke aspecten daarvan buiten beschouwing latend – kan voortkomen -en dit moeten we hier dan even constateren, omdat het punt is aangesneden – uit een volkomen zielsverwantschap. Zij is niet afhankelijk van eventuele verschillen of gelijkheid van sekse, zij is evenmin afhankelijk van huwelijksbanden of mogelijkheden daartoe, noch van een al dan niet stoffelijke verwerkelijking van deze liefde volgens menselijk inzicht. Zij bestaat uit een zodanige zielsverwantschap, dat men elkander aanvoelt, zonder dat daarvoor woorden of contacten noodzakelijk zijn. Een dergelijke genegenheid ligt echter buiten het stoffelijk niveau, is niet redelijk omschrijfbaar of verklaarbaar en zal door menigeen niet eens liefde worden genoemd maar eerder zielsverwantschap.
Deze liefde is de vorm van gebondenheid met het Al, die voor de geest pas werkelijk kan worden op het ogenblik dat zij elke vormwereld achter zich heeft gelaten en heeft geleerd te bestaan in een zuivere uitwisseling van indrukken met het totaal zijnde: zij dient gelijktijdig elke indruk, die zij ontvangt en welke met haar eigen wezen op redelijke wijze correspondeert. Met redelijk bedoel ik dus, dat zij voor meer dan 50 % de eigen opvattingen dekken. Ik hoop, dat dit voldoende is maar als u commentaar heeft, ga uw gang,

  • Wat denkt u van: aanhankelijkheid is het gevolg van afhankelijkheid?

De schijn van aanhankelijkheid kan een gevolg zijn van afhankelijkheid. Maar de meest afhankelijke wezens zijn kinderen, nietwaar? Deze kinderen tonen een grote aanhankelijkheid, maar blijken bij nadere beschouwing soms een intense haat te hebben niet alleen voor het feit van hun afhankelijkheid, maar ook voor degenen van wie zij afhankelijk zijn. Dit wordt helaas in de pedagogie te weinig erkend en schept daardoor allerhande vergissingen omtrent kinderliefde, bloedbanden  etc. Ik hoop dat ik hiermee niet weer een ontgoochelende opmerking maak. Er kan een ware liefde bestaan. Maar ook tussen ouders en kind, volwassene en niet volwassene, is zij gebaseerd op een onderling begrip en eigenaardig genoeg, wanneer dit begrip aanwezig is, praktisch niet verder afhankelijk van de stoffelijke situatie.

Liefde als gevolg van afhankelijkheid en volledige gebondenheid speelt daarom zelden een rol, omdat het onderlinge begrip, de zo ontstane verwantschap, het kind zelf brengt tot een nabootsing en een absolute onderwerping op terreinen, waarop dit werkelijk niet noodzakelijk zou zijn en ook niet wordt geëist. Hier ligt dus op de achtergrond de behoefte zich één te voelen met anderen. Dit éénvoelen wordt klaarblijkelijk niet door een stoffelijke afhankelijkheidsrelatie bepaald, maar eerder doordat men voelt, dat men begrepen wordt en ook omdat men zelf een zeker begrip heeft voor anderen.

  • De verhouding van ouders tot kinderen is soms als een strijd op leven en dood.

Ik vind het tamelijk sterk uitgedrukt. Ofschoon ik ervan overtuigd ben, dat kinderen voor de ouders soms dodelijk afmattend kunnen zijn en volgens het standpunt van de kinderen de ouders soms dodelijk ouderwets, stijfhoofdig, koppig en onredelijk kunnen zijn. Maar daar wil ik het ook bij laten. Er is nl. – a priori gesteld en dus niet in afzonderlijke gevallen van toepassing – geen sprake van een strijd op leven op dood. Er is eerder een strijd, die in vele gevallen wordt veroorzaakt door de behoefte van het kind zichzelf te zijn en zichzelf te uiten. En dat komt dan naar voren, omdat de ouders de behoefte hebben om het kind te vormen als een beeld van zichzelf, dat de onvervulde wensen van hun ‘ik’ zal kunnen verwerkelijken. Het resultaat daarvan wordt dan een identificatie met het kind, die sommige schoonmoeders soms met moeite ervan weerhoudt met hun dochter op de huwelijksreis mee te gaan. Ik geloof, dat de karakterisering ‘op leven en dood’ dus onjuist is.

En dat eerder moet worden gezegd, dat de strijd, die tussen kind en ouders altijd bestaat, de strijd is om de uiting en erkenning van eigen persoonlijkheid. Maar dat deze strijd door het begrip overbrugd kan worden tot een perfecte samenhang met en zelfs een zekere onderlinge afhankelijkheid van elkander. Begrip is hier noodzakelijk: als dit bestaat, is er van een strijd praktisch geen sprake.

  • Eerlijkheid behoeft dunkt mij niet altijd te berusten op de angst voor de consequentie van diefstal.

Ik geloof niet, dat ik het zo sterk heb gezegd dat het berust op de angst voor de consequentie van diefstal. Nu zien we slechts één bepaalde vorm van eerlijkheid. Maar dat eerlijkheid in vele gevallen gebaseerd is op angst in plaats van inderdaad eerlijkheid te zijn, rechtlijnigheid, dat zal u naar ik hoop niet ontkennen.

Er zijn mensen, die gevonden geld terugbrengen alleen maar omdat ze bang zijn, dat zij, als ze het houden steeds meer zullen gaan stelen, ook al beseffen zij dit niet.

Er zijn mensen, die eerlijk zijn t.o.v. hun firma etc. etc. alleen maar omdat ze bang zijn, dat als ze zouden doen wat zij wilden en het ontdekt zou worden de consequenties daarvan onaanvaardbaar zouden zijn. Er zijn mensen, die hun God trouw dienen alleen uit angst, dat zij anders in de hel zullen terechtkomen.

Er zijn mensen, die de wet trouw dienen alleen omdat ze bang zijn anders in hechtenis zullen worden genomen.

Deze vormen worden echter vaak rechtschapenheid en eerlijkheid genoemd. En de doorsnee mens – ook wanneer zijn eerlijkheid is gebaseerd op dergelijke angsten voor consequenties, innerlijk dan wel uiterlijk – zal dit zeker niet willen erkennen en de eigenschap als onvoorwaardelijk stellen. Maar daarmee verdringt hij dus een erkenning, van zijn wensleven, de erkenning zowel van zijn vrees voor consequenties als van de kronkelpaden, die hij dan gaat om eerlijk te kunnen blijven. Eerlijk blijven is dan een zeer eigenaardige kwestie geworden.

Mag ik u een voorbeeld geven van verwrongen eerlijkheid? Jantje heeft op school iets lelijks gedaan. Hij is het geweest, die een lekkend flesje rode inkt in de lessenaar van de juffrouw heeft gezet, waardoor zij niet slechts rood schoeisel en rode beenbekleding maar zelfs rode lichaamsdelen heeft gekregen. Jantje wéét, dat het donderen wordt.
En Jantje weet ook dat – wanneer dit alles helemaal wordt uitgevochten de klas op haar duvel krijgt, Jantje van de klas op z’n duvel krijgt, het hoofd constateert dat Jantje op z’n duvel krijgt, de juffrouw daarvan op de hoogte stelt, die weer het hoofd zal inlichten, waardoor Jantje toch zijn straf van die kant niet zal kunnen ontlopen.
Jantje zegt nu: “ik ben eerlijk” (met veel branie), hij stapt naar voren en zegt: “dag juffrouw, dat heb ik gedaan.” Hij denkt: Liever een pak slaag van pa en de kosten dragen van een paar nieuwe nylons – al kost het me m’n zakgeld – dan van school te worden gestuurd en wie weet wat nog meer. Maar Jantje zegt tegen zichzelf, dat hij toch maar dapper is, want dat hij niet alleen de dingen doet, maar er ook rond voor uit durft komen.
Typisch is verder, dat Jantje naar verontschuldigingen gaat zoeken. Het flesje was eigenlijk niet omgevallen en het stond niet in het kastje van de juffrouw. Maar de juffrouw kan dat toch niet weten. Dus zegt Jantje, dat het er wel was, dat het omgevallen was en dat hij het alleen maar eventjes iets meer heeft opengedraaid. Verder voelt Jantje er niets voor om alleen de verantwoordelijkheid te dragen, dus Pietje heeft hem zo eens een keer iets gezegd: “het zou wel leuk zijn.” En daardoor is hij ertoe gekomen. En als de juffrouw hem niet voortdurend had geplaagd, had hij het vast niet gedaan. Maar als hij iets niet weet, krijgt hij net altijd een beurt. Hier heeft Jantje zijn eigen schuld trachten te verkleinen door vele leugentjes, die hij niet wil erkennen, beroemt zich op zijn eerlijkheid, zijn oprechtheid en z’n moed en heeft in feite alleen maar meer gevreesde consequenties vermeden, zodat hij slechts onder druk der omstandigheden tot een bekentenis is gekomen.

Dit is een voorbeeld dat wat kinderlijk ligt. U kunt voor uzelf elke willekeurige situatie bedenken, waarin mensen ‘eerlijk’ zijn, omdat ze moeilijk anders kunnen. En u kunt dan ook nagaan, hoe zij voor zichzelf hun schuld toch weer weg rationaliseren. Wanneer u daarvan een zeer typisch voorbeeld wilt hebben, dus van deze wijze van denken, deze oprechtheid – misschien dat het u gemakkelijker ligt als het wat sensationeel is – leest u dan eens de memoires, die Eichmann zelf heeft geschreven. Deze memoires zijn of worden binnenkort gepubliceerd.
Wanneer u deze leest, kunt u zien, hoe hij voor zichzelf, al wat hij heeft gedaan als een gevolg van de verwerpelijke invloed van anderen ziet, die hij, de eenvoudige, rechtlijnige en gehoorzame mens moest gehoorzamen, zodat het hun schuld is en dat hij tenslotte alleen maar heeft gedaan wat hij moest doen, voorts dat hij door sommige feiten toe te geven zelfs nog bijzonder lofwaardig en eerlijk heeft gehandeld. En vraagt u zich dan eens af, hoe vaak op minder belangrijk en sensationeel terrein u zelf op soortgelijke manier eerlijk bent geweest, in uw jeugd en in deze dagen. Ik geloof, dat ik daarmee kan volstaan?

  • Ook bij afwezigheid van welk gevaar ook is de mens gebonden door de sleur.

Dit is een vaststelling. Zeer interessant. Ze is waar. Maar waarom is de mens gebonden aan de sleur? In feite omdat hij zichzelf buiten die sleur niet vertrouwt, zodat de sleur zelf over het algemeen het resultaat is van een zekere innerlijke angst. Verbreken van sleur betekent het aanvaarden van andere consequenties dan de gewende: men weet niet, of men dit aandurft, aan kan en blijft in zijn sleur. Dit wordt zelden gerealiseerd.
Gewoonte ontstaat ook bij het dier. En het dier komt tot deze gewoonte, omdat het zich binnen dit gewoontepatroon gerechtvaardigd voelt, binnen dit gewoontepatroon meent alle gevaren aan te kunnen, maar al wat daarbuiten ligt niet aanvaardbaar acht. Er zijn roofvogels, die een nest hebben en langs een vaste luchtcorridor naar een verder gelegen jachtgebied trekken om daar te jagen en langs precies dezelfde route terug te vliegen.
Zij zijn angstig, onrustig en vaak ook gevaarlijk, zodra dit gewoontepatroon wordt verbroken, zodat wij bv. kunnen zien, dat een havik, die buiten zijn gewone luchtroute komt, zeer agressief wordt en dan veel schuwer is dan anders. Zijn aanvallen zijn niet meer gericht op voor hem noodzakelijke voedingsmiddelen – daarmee verbonden dieren – maar vaak ofwel op al wat zich beweegt,  wat nog meer voorkomt op dode voorwerpen.
De dieren doen zichzelf daardoor vaak grote schade. Dit komt voort uit een onzekerheid, die door het breken met de gewoonte ontstaat. Eigenaardig is, dat op het ogenblik dat een trek – dus het algehele prijsgeven van eigen jachtgebied – optreedt, deze onzekerheid verdwijnt en het dier in alle vreemde terreinen, zelfs tegenover de beheersers daarvan, volledig redelijk – vanuit dierlijk standpunt – handelt.
Zonder de mens met een valk, een havik of een uil te willen vergelijken, meen ik toch wel dat tussen het gewoontepatroon van de mens en dat van deze dieren een grote overeenkomst bestaat. Zolang men nog belangen en banden heeft, die binnen de gewoonte liggen, is men bang deze gewoonte te veranderen, omdat men niet weet, of men dan ook deze banden nog kan handhaven en welke consequenties dit zal hebben. Daardoor is men buiten het gewoontepatroon vaak niet redelijk en zal men bij een algeheel prijsgeven van al wat de gewoonte vormde weer vrij zijn, normaal kunnen handelen en zich – over het algemeen dan weer zeer snel – aan andere gewoonten houden.

  • U zei: als de dieren aan de trek beginnen, valt de angst weg. Maar is dit niet, omdat ze dan in massaal verband een grotere zekerheid voelen?

Mag ik erop wijzen, dat havik en valk niet in troepen trekken? Het is het trekken van het ene jachtgebied naar het andere. Het gebeurt meestal in of voor de paartijd. En verder gebeurt het vaak als een trek achter de zwermen aan, waarbij de roofvogels ten opzichte van elkaar nog vaak optreden als leiders en concurrenten en toch volkomen redelijk zijn. Massaal verband heeft er niets mee te maken.
De mens baseert zijn gewoonte overigens ook niet, zoals u misschien denkt, op de gewoonte van de massa, maar op de zekerheid van datgene, wat hij in de massa eenmaal heeft en hoopt te behouden.

  • Welk belang had uw slotvraag i.v.m. de Engelse woorden, die u bezigde?

Ik hoop, dat niemand hier zich gechoqueerd zal voelen, en dat hij het ook niet zal zijn door mijn antwoord. Wanneer ik mij op het ogenblik de moeite getroost een Chinees accent na te bootsen – het gaat me niet zo goed af, geloof ik – een Engels accent aan te nemen of met een Duits accent te spreken, dan gaat u automatisch zeggen: “O, dat is die en die.”

Elke Chinees of elke persoon met een Indisch accent heet bv. in kringen als deze voor menigeen Ho Song, een andere spreekt over Ahmed. Iemand, die op mijn manier spreekt, heet in 9 van de 10 gevallen Arthur. Iemand, die een beetje spitsvondig hatelijk is, enz. enz.. Met andere woorden, de conclusie wordt nimmer getrokken uit de betoogtrant bv. en de inhoud, maar wordt steeds op grond van uiterlijke verschijnselen getrokken.
Wanneer ik zou zijn begonnen in het Engels, zoals u dit dus voorstelde, dan zouden velen onder u hebben gezegd: “Dat is vast een Engelsman”. En toch heb ik mijn – laat ons zeggen – bijna academische vorming zonder graad – dus als een schoongemaakte haring – verworven in de nabij gelegen Sleutelstad. Ja, dat ik de graad niet heb gehaald, lag natuurlijk aan twee dingen. In de eerste plaats, dat ik altijd heb gedacht dat je wetenschap op alcohol goed conserveert; in de tweede plaats, dat kort voor de middelen van mijn ouders mij tot een laatste poging zouden aanzetten, ik het leven heb gelaten in een wat te vrolijke jool en in een wat stinkende stadsgracht overigens, maar dat doet minder ter zake. Ik heb het al overwonnen. Nu hoop ik dat dit laatste u er niet toe brengt om te zeggen: “Nu, dat was een rooie spreker, er zat een luchtje, aan” Maar dergelijke eigenaardige associaties komen voor.

Ik heb dit vermeld om u duidelijk te maken, hoe zelden de mens afgaat op de feiten, hoe vaak hij zich op grond van oppervlakkige en vaak zelfs onbelangrijke observaties meningen vormt die totaal van de werkelijkheid kunnen afwijken. Wanneer dit geschiedt, gaat men aan de hand daarvan interpreteren. En die interpretatie is dan vaak allerellendigste. Men interpreteert dan bv. een op zichzelf volledig nuchter Nederlands en westers bedoelde dichterlijkheid als oosterse symboliek, gaat aan de hand van oosterse symbolen daarvoor een uitleg zoeken en ziet er tenslotte uit als iemand, die uitging om spruitjes te kopen en met een kreeft thuiskwam. En als je het zelf niet weet, dan zit je tussen de scharen voor je het weet. Ik hoop, dat ik ook dit punt duidelijk heb gemaakt.

  • Vindt u dat nu zo erg?

Ik vind het op zichzelf niet erg. Maar het werpt een eigenaardig licht op de gedachtewereld van de mens, wanneer hij de belangrijkheid van het gesprokene – en dat gebeurt maar al te vaak – gaat bepalen naar gelang van zijn persoonlijke mening omtrent de spreker. Wanneer dus een Chinees doorkomt – mijnentwege een van koude overleden pinda-chinees – en hij spreekt tot u met een Chinees accent en hij hangt praatjes op, dan zullen er zijn, die zeggen: “Dat is Ho Seng. Ik begrijp wel niet, wat hij ermee bedoelt, maar het moet vast wel van hoge waarde zijn.” En daarmee, geachte vriend en broeder, is eigenlijk het doel der toespraak teloor gegaan.
Want wij trachten altijd een klakkeloze aanvaarding te voorkomen. Dat is één van de redenen, waarom ik een paar knuppels in het hoenderhok heb geworpen. Met alle excuses aan de dames, die ik natuurlijk nimmer voor hoenders wil uitschelden. Hier heeft u persoonlijk mijn opinie. Wanneer een mens bepaalde woorden waardeert wegens de persoonlijkheid, die naar hij meent spreekt, maar over die persoonlijkheid zelf niet veel weet en verder ook niet eens weet, of het wel deze persoonlijkheid is, is een dwaas.

  • We hebben nooit geweten, dat u met imitators werkt.

Wij werken niet met imitators. Maar wij hebben beperkte mogelijkheden en in de loop der tijden zijn vaste patronen in het medium ontstaan. Dat wil dus zeggen, dat wanneer iemand zich als oosterling uitdrukt, een bepaald vast patroon gaat meewerken in de hersenen, dat is een soort gewoonte, die gevormd is. En dan is het gemakkelijker deze dus eenvoudig in te schakelen en te laten lopen, dan daaraan nog een sterk persoonlijk accent te geven. De persoonlijke verschillen zijn dan vaak zeer klein.

  •  Het gaat ons toch om wat er gezegd wordt.

Zolang dat het geval is, is het goed. Maar wanneer ik nu even de opmerking mag maken bij wijze van vergelijking, wanneer iemand nu hier staat en zegt: “Citoyens de France”, dan zijn er een hele hoop, die zeggen: “Nou, dat is toch niks.” Maar stel je nu eens voor, dat het iemand is die een stem heeft als Charles de Gaulle. En die begint heel deftig: “Citoyens, citoyens de France, je vous demande ” dan zeg je: “Dat is De Gaulle! Dat is belangrijk.” En als er dan iets wordt gezegd – neemt u me niet kwalijk – over het aanleggen van nieuw sanitair in Oost-Duitsland, dan zeggen ze: “Wanneer De Gaulle dat zegt, dan betekent het, dat hij de F.L.N. naar Oost-Duitsland zendt.” En met dergelijke conclusies, die jammer genoeg ook t.o.v. geestelijk werk voorkomen, kan ik het helaas niet eens zijn. Mijn bezwaar berust dus daarop.

  • Dus uw betoog komt daarop neer, dat de achtergrond van het menselijk denken terug is te brengen tot angst en begeerte?

De achtergrond van het stoffelijk menselijk denken is terug te brengen tot een voortdurende wisselwerking met vele variaties tussen de twee belangrijkste factoren van zijn wezen – dus door de dierlijke kant mede in het verstand gegrift -: angst en begeerte. Daarbij komt de geest, die aan dit spel binnen het kader van angst en begeerte een bepaalde richting geeft, zodat er een bevooroordeeldheid ontstaat. Door deze bevooroordeeldheid ontstaat een valse interpretatie van feiten – althans deze is mogelijk: terwijl verder – zoals ik geloof ik heb duidelijk gemaakt – door idealisering en weigering om in de plaats van het ideaal de werkelijkheid omtrent zichzelf en anderen te beseffen, eveneens vertekeningen ontstaan. Daarbij blijft weliswaar de maatstaf van begeerte en angst in feite gehandhaafd, maar door het verschuiven van de waardering t.o.v. het algemeen gangbare schijnt het, of deze tijdelijk zijn teloor gegaan.

  •  Is dit dan over de gehele mensheid terug te brengen?

Nu, als je drie mensen hebt, zijn ze het al niet eens. Maar als u zegt: is dit bepalend voor het menselijk denken? Ja, natuurlijk. Omdat ik het menselijk denken als geheel, dus het denken van alle mensen op de wereld heb genomen. En ditzelfde dus ook in zekere mate tot uiting zal komen in groepsdenken en al wat daarmee samenhangt.

  •  Maar dan :so what?

Wel, wanneer u zegt: “So what”, dan moet u ook zeggen: dan blijf ik dus irreëel denken. En dan blijf ik mijn hoofd en andere lichaamsdelen voortdurend aan de werkelijkheid stoten. Dan laat ik mij voortdurend kwetsen, doordat mijn irreële wereld der mensen wordt geconfronteerd met de onveranderlijke werkelijkheid van goddelijke wetten en krachten en de werkelijkheid van het bestaan op deze aarde. De consequenties daarvan zijn groter dan u denkt. En omdat dus de mens beter leeft, sneller geestelijk bewust wordt, grotere mogelijkheden bezit t.o.v. zijn eigen persoonlijkheid (ontwikkeling van eigenschappen, vermogens enz.) zowel als in zijn juist optreden t.o.v. de wereld, achten wij dit onderwerp wel belangrijk.

  • Maar als wij inderdaad zo gehandicapt zijn als mens.

Mag ik corrigeren: onszelf handicappen is beter uitgedrukt.

  •  …..dan is het ontzettend moeilijk om eruit te komen.

Iedereen, die voor het geheel van de mensheid iets wil bereiken, zal tot de conclusie komen, dat hij is als een kind, dat naar de maan grijpt. Het is niet de bedoeling, dat de mensheid als geheel streeft. Het is de bedoeling dat de mensen als individuen bewust worden en streven en daardoor de gezamenlijke mogelijkheden van de mensheid uitbreiden en op hoger vlak brengen. Maar dat kan alleen door de eenling, nimmer door het totaal. Maar begrip voor het totaal is vaak noodzakelijk, wil de mens in zijn persoonlijk streven en zijn persoonlijke ontwikkeling de juiste weg kunnen vinden.

  • U zei: de geest geeft een bepaalde richting aan die achtergrond van angst en begeerte. Is dat alleen het geval zolang de geest nog niet in staat is tot een volkomen onbevooroordeeld zijn ? Heeft zij dan zelf nog afwijkende inzichten?

Als een chauffeur een perfect chauffeur is, neemt hij dan zijn handen van het stuur en laat hij zijn wagen maar karren? Dat is toch dwaas, hé? Wat is de persoonlijkheid? Dat is toch de geest? Dus dan zal de geest altijd richting moeten geven, omdat de mogelijkheden van de stof altijd aan beperkingen onderhevig blijven, zeker t.o.v. de geest. Bevooroordeeldheid of onbevooroordeeld zijn van de geest doet niets ter zake. Ten hoogste zou een onbevooroordeeld zijn een anders richten van in de stof bestaande mogelijkheden betekenen. Maar richten blijft het.

  • Zonder mij achter anonimiteit te verbergen moet het mij van ‘t hart, dat ik uw betoog eerst in schrift zal bestuderen, voor mij aan overijld vragen te bezondigen. Ik vond de verschillende punten nl. rijkelijk moeilijk en ingewikkeld en – misschien doordat mijn aandacht hier en daar beneden peil daalde – ook tegenstrijdig. Zover mijn commentaar zonder een bepaalde vraag.

Ik dank u zeer. Ik moet zeggen, dat dit één van de reacties is, die mij persoonlijk het meest bevalt. Allereerst, schijnbare tegenstrijdigheden. Wanneer u interpreteert, zult u vele en zoveel u wenst tegenstrijdigheden kunnen ontdekken. Wanneer u de interpretatie terzijde laat en de woordbetekenis laat spreken, zult u zien dat de tegenstrijdigheden, die u in de tekst meent te ontdekken, in feite de tegenstrijdigheden van de mens zijn die t.o.v. elkaar geformuleerd werden. Ik hoop, dat u dit bij uw studie mede in ogenschouw zult nemen.

in de tweede plaats vind ik het erg prettig, dat u het wilt bestuderen. Moeilijk waren mijn formuleringen niet, maar zij weken, opzettelijk, ver van het gebruikelijke vlak af. Ik heb daarbij zelfs voorbeelden genomen, die men in het algemeen – en zeker in groepen als deze – pleegt te vermijden of – zo men ze niet vermijdt – ze met een romantisch vergeestelijkt waas pleegt te omhangen. Ik heb verder geprobeerd om een controverse te scheppen: ik heb dat al meermalen getracht te doen.
Dat wil zeggen: ik heb getracht om enkelen onder u te verleiden tot het verdedigen van een bepaalde stelling. Dit is in één geval gebeurd: onze vraagsteller daar achteraan. Misschien zijn vragen, die een half verweer waren, niet geheel tot u doorgedrongen, maar ik mag constateren dat zij van zijn standpunt uit juist en goed geplaatst waren, ook wanneer ik het persoonlijk met zijn innerlijke stelling niet geheel eens kon zijn.

Als wij hiermede aan het einde van de vragen zijn gekomen, dan hoop ik dat u mij zult toestaan met een korte beschouwing te eindigen.

Want ik heb nl. nog iets, wat ik graag even te berde zou willen brengen. Een mooie uitdrukking: te berde brengen. Op de baar leggen. Je legt op de baar: kazen van Alkmaar, gewonden, zieken, doden. Laten we hopen, dat mijn toelichting op deze achtergrond van het menselijk denken niet een dode of een zieke is na uw bestudering. Aangezien deze voor discussie minder geschikt is, heb ik haar opzettelijk tot het laatste bewaard.

Wij kunnen nl. de mens ook in zijn stoffelijke vorm en met zijn materieel denken, zijn instinctmatige gedrevenheid niet los denken van het kosmisch bestel. Dit is een geloofspunt en voor de mens niet redelijk aanvaardbaar, dat geef ik graag toe. Voor de geest echter wordt het kosmisch patroon, het scheppingsplan, wel zeer belangrijk. Naarmate men verder stijgt, voelt men ook duidelijker de dwang, die door dit patroon in bepaalde fasen van schepping en tijd wordt uitgeoefend. Daarom zou ik ten opzichte van de mensheid op aarde en haar denken nog graag als aanvulling het volgende stellen :

Mens zijn betekent op een bepaalde plaats staan in de schepping en de invloed ondergaan van zeer bepaalde krachten en entiteiten, ook wanneer deze grotendeels op stoffelijk en laag geestelijk vlak liggen, zover zij als dwang kunnen worden beschouwd. Deze invloeden beperken dus de mogelijkheden van de mensheid. De achtergrond van het menselijk denken is dan ook niet alleen door de mens zelf beperkt, verengd, geplaatst in een nauwe lijst van bepaalde emoties. Deze beperking vloeit voort uit de ontwikkeling van de mens uit de krachten, die kosmisch aan zijn vorming hebben meegewerkt en zelfs ook aan die, welke op zijn wereld nu eenmaal invloed hebben, kortom de krachten, die zijn milieu en zijn mogelijkheden voor hem bepalen.

Ook wanneer wij de werkelijkheid beseffen, zullen wij in onze menselijke gedaante niet kunnen ontsnappen aan een zekere behoefte tot zelfbehoud, daar deze een deel is van het lichaam. Een lichamelijke drang tot zelfbehoud kan zelfs door de geest niet geheel worden verloochend. En mag de rede deze misschien – door haar eigen wereld superieur te stellen – tijdelijk onderdrukken, het lichaam zal erop reageren en het denken zal de invloed ervan ondergaan. Wij moeten dus niet trachten de mens en het menselijk denken door het juiste begrip van de kosmische achtergronden vrij te maken van elke beperking. Wij zijn geplaatst in onze wereld. En wanneer ons bewustzijn naar een andere wereld groeit, dan betekent dit dat we ook daarin onze plaats hebben. Ons bewustzijn is bij die plaats aangepast. Onze bewustzijns- en bewustwordingsmogelijkheden zijn volgens de rol, die wij in de schepping, niet krachtens wil en weten maar krachtens het vermogen van de oerkracht – het scheppend vermogen zelf – vervullen, begrensd.

Het is belangrijk, dat u dit beseft. Want het panorama van de wereld met al zijn persoonlijke zienswijzen en interpretaties, kan nooit volledig objectief worden gezien, voor men in staat is alle kosmische werkingen en krachten in hun ware wezen en gedaante te kennen. Dit kan slechts worden bereikt, wanneer men bovenmenselijk is geworden of zich bv. slechts van een menselijk voertuig bedient als uitdrukkingsmiddel voor een bewuste geest, die haar eigen bestaan hoofdzakelijk elders voert. Een beperkte objectiviteit is het doel, nimmer meer. En juist deze goddelijke Kracht, deze kosmische wetten, die ons dus beperken en een deel van onze weg bepalen, zullen voor ons de mogelijkheid scheppen, de voor ons gepaste objectiviteit te vinden. Verder dan dit kunnen wij nooit gaan.
Het gevoelsleven niet, het z.g. weten dat vaak door scholing ontstaat, maar het innerlijk doorvoelen van krachten is in zeer vele gevallen een zuivere richtlijn om tot objectiviteit te komen. Wanneer deze innerlijke objectiviteit kan worden uitgedrukt in een juist erkennen van middelen, wegen en consequenties binnen het redelijk vlak, dan is voor de mens reeds zeer veel bereikt. Aan een kosmische wet kunt ge niet ontkomen, aan een goddelijke kracht evenmin. Dat kunnen wij in de geest ook niet. Gij zijt daar enigszins aan gebonden. Maar binnen die gebondenheid staat het u vrij de harmonie te winnen door te erkennen wat op de achtergrond van uw denken schuilgaat.

Het is niet goed om eigen daden te verklaren met kosmische wetten of met de wil Gods. Maar evenmin is het goed – ja, het is zelfs dwaas – om al wat geschiedt te zien als eigen aansprakelijkheid en eigen verantwoordelijkheid. Eigen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, eigen deelgenootschap in de schepping kan nimmer worden gebaseerd op het menselijk redelijk denken; evenmin kan het gebaseerd worden op de achtergrond, die bepalend is voor het streven in dit ogenblik en in deze tijd. Slechts kosmisch gezien is de absolute eenheid van de mensheid of van de schepping mogelijk, nimmer van een menselijk standpunt uit. Tracht daarom deze dingen reëel te zien. Begrijp, dat er beperkingen zijn. Begrijp, dat er een leiding is in u; maar dat die leiding toch moet worden teruggebracht tot een zo objectief mogelijke erkenning van wat nu bestaat, wat nu de consequenties zijn, wat nu de uitdrukkingsmogelijkheid is. Realiseer u daarbij altijd weer, dat elk streven door uzelf geschiedt, dat elke werkelijke verdienste en elke bereiking alleen door uw pogen reëel kan zijn. Want niemand is in staat om, zelfs ook maar de achtergrond, de gedachtewereld van de ander te kennen.
Ja, zelfs de gedachten zelf blijven vaak troebel en onbegrijpelijk. Wij moeten uitgaan van onszelf, maar door eigen streven volgens het positieve en goede, dat wij erkennen op een zo reëel mogelijke wijze: daarbij wetende welke consequenties wij aanvaarden en trotseren, wanneer wij door angst of begeerte gedreven misschien onze eigen mogelijkheden of vermogens schaden. Reeds het weten hieromtrent is belangrijk.

Denk nimmer, dat ge met anderen gezamenlijk iets kunt opbouwen. Gij kunt alleen zelf opbouwen, zo mogelijk in harmonie met anderen en dan kan kosmisch gezien inderdaad een gezamenlijk bouwwerk ontstaan. Maar dat is nooit mogelijk, wanneer u probeert met anderen te bouwen. Bouwen doe je zelf, zowel innerlijk als uiterlijk. De doorsneemens realiseert zich dit weinig. Hij probeert zijn eigen gedachtewereld, zonder zelfs maar de achtergrond daarvan te beseffen, op de mensheid te projecteren. Hij probeert zijn God, zijn geloof, zijn angst voor het duister – uitgebeeld in demonische of satanische vorm – aan anderen op te leggen en als maatstaf te gebruiken, waarmee je werelden meet. Maar je moet je eigen innerlijke wereld beseffen. Je moet beseffen, waar je desnoods kronkelwegen gaat, waar je bepaalde consequenties vreest, waar je bepaalde dingen negeert of begeert, ook al kan daaraan verder niets worden gedaan.

Alleen dan, mijn vrienden, en alléén dan kunt u innerlijk verdergaan. Alleen dan kunt u voor uzelf en de mensheid bereiken, wat er te bereiken is. En wanneer gij spreekt over het Koninkrijk Gods en de Christusgeest, dan zeg ik u: dit is de enige waarheid. Wie uit zichzelf verwerkelijkt en de kracht schept, wie innerlijk zoekt naar waarheid en zelf streeft, terwijl hij de achtergrond van zijn denken en leven beseft, die kan voleinden. Voor ieder ander, vrienden blijft het een gebondenheid aan illusie en waan, zoals ik deze avond met u heb besproken.

image_pdf