De achtergronden van de Faust

De Faust is een volksverhaal. Oorspronkelijk waarschijnlijk gespeeld bij kerkmessen (later kermissen), daarna een poppenspel geworden dat in zijn eerste vorm bekend wordt in 1340 ‑ 1350. Het is dit verhaal dat vele malen is bewerkt en waarover uit de aard der zaak ontzettend veel te praten zou zijn. Wij zullen ons vanavond gemakshalve beperken tot de Faust van Goethe. We zullen zoveel mogelijk vermijden te citeren, u kunt het zelf lezen als u dat wilt, en voornamelijk ingaan op datgene wat erin verborgen ligt. In tegenstelling tot de oorspronkelijke theaterstukjes waarin vooral het kwaad van het contact met de duivel op de voorgrond staat en de demonie eraf straalt, hebben wij bij Goethe te maken met de ontwikkeling van een mens. Dat is veel interessanter vooral omdat Goethe zelfs twee delen van de Faust heeft geschreven. Het eerste deel gaat uit van het volksverhaal. Het tweede deel is het z.g. klassieke deel waarin vooral in de klassieke Walpurgisnacht allerlei alchemistische attributen komen opdagen. Zelfs op de weg daarheen ontmoet Faust homunculi die in hen flessen verder zweven. Een homunculus kan buiten een fles namelijk niet leven volgens de legende. Hij ontmoet de dwaallichten en zelfs krachten die eerder thuishoren in een alchemistische visie op het leven dan in een zuiver magische.

Het begin toont ons Faustus als een ontevreden geleerde. Een geleerde in de termen van zijn dagen wel te verstaan, hoofdzakelijk filosoof. In zijn behoefte om meer te weten roept hij verschillende geesten op. Er zijn bekende Griekse wijsgeren bij maar ook andere denkers. Aan het einde van deze experimenten besluit hij een demon te bezweren. Nu wordt heel vaak gezegd, dat de Jonker met de paardenvoet, zoals de heksen hem noemen, de Duivel zelf is. Maar dat is eigenlijk niet waar. Hij is kennelijk een kleinere demon. De manier waarop hij en zelfs zijn benadering wordt beschreven, laat ons iets zien van het denken van Goethe. Wanneer na Pasen buiten de stadswallen wordt gewandeld, ontdekt Faust op een gegeven ogenblik een hond. Die hond trekt cirkels om hem heen, het magische aantal cirkels. In een ogenblik ziet Faust wat er aan de hand is, maar hij kan het zelf niet geloven. Dr. Faustus merkt op: Sichst du nicht den feurigen Schweif” (zie je niet de vurige staart achter hem). Dan gaat alles weer verder, maar de bezwering is daardoor vastgelegd. Er zit een noodlot in. Door zijn wijze van denken, door zijn persoonlijkheid, zijn oproepingen is eigenlijk het contact met Mefistofeles tot stand gekomen. Als hij deze dan later bezweert, antwoorden van hem wil hebben, dan is Mefistofeles helemaal zo vriendelijk niet. Hij wil niet beantwoorden aan de eisen van de dokter. Neen, hij wil met de dokter een totaal nieuwe ontwikkeling doormaken. Het resultaat is dat Faust besluit om hem dan maar een tijdje in het pentagram te laten, bezworen en wel. En dat is de grootste stommiteit die hij kan begaan.

Hier krijgen we een stukje achtergrond van natuurlegenden welke in die tijd nog sterk gelden en ongetwijfeld ook indirect aanspelen op bv. de geneeswijzen van Theophrastus Bombastus von Hohenheim (Paracelsus): de macht die het duister heeft over het ongedierte. De demon roept muizen, spinnen kakkerlakken, torren tot zelfs mieren op, kortom alles wat hij maar kan krijgen. En terwijl hij een slaapliedje zingt waardoor Faust zijn waakzaamheid verliest, knagen de dieren een opening in het pentagram en de duivel is vrij. Nu zoudt u zeggen: Daarmee begint het drama werkelijk. Neen, het drama begint in feite met sociale kritiek. Op het ogenblik dat Faustus weg is (hij heeft dan al contact en bijna een contract met Mefistofeles) komt er een jongeman binnen. Deze weet niet beter of dat is dokter Faustus, dus begint hij hele verhalen aan Me­fisto te vertellen die hem dan de raad geeft om vooral veel te pochen, veel te liegen en dat de waarheid er niet op aan komt, omdat de mensen toch niet daarop letten. Misschien dat we daarin de visie kunnen zien van een mens die teleurgesteld is met zijn leven. Goethe heeft een hoge positie, hij is een hoge ambtenaar en alle intriges om hem heen brengen hem onwillekeurig tot deze uitspraak. Maar hij kan het zelf niet zeggen, daarom legt hij die Mefisto in de mond. Mefistofeles vraagt dan eindelijk aan Faust wat hij wil hebben. Faust besluit: hij wil de jeugd hebben. Die vraag om jeugd is eigenlijk het vragen om tijd. De mens die oud is ziet voor zich nog zoveel mogelijkheden om kennis te verkrijgen, zoveel mogelijkheden tot nieuwe belevingen en ervaringen dat hij de dood zou willen terugdringen om zijn leven vollediger te maken.

Mefisto antwoordt met een lichte grijns; hij weet: als het lichaam jonger wordt, dan zijn er bepaalde klierwerkingen die eveneens een grote rol gaan spelen. En zonder te zeggen, dat Faust onmiddellijk een grote klier wordt, is hij toch wel op zijn reizen voortdurend bezig te zoeken naar het onbestemde. Mefisto weet waar het hem aan ontbreekt en laat hem het portret zien van een schone vrouw. Dit wordt dan later de liefdesrelatie die we o.a. terugvinden in de opera Faust van Gounod en in La Damnation de Faust van Berlioz.

Zo is er wel een doel, maar dat bevredigt niet. Het is niet mogelijk gelijktijdig een magisch levend mens te zijn en toch werkelijk en volledig lief te hebben. Je kunt juwelen uit de lucht plukken, maar dan ben je nog niet rijk. Deze tegenstelling wordt bijzonder scherp geëtaleerd. Faust moet ervaren dat hetgeen de magie brengt eigenlijk illusie is. De magiër kan wel iets voor een ander waarmaken ‑ hij doet dat ook enkele keren ‑ maar hij is niet in staat om voor zichzelf iets tot stand te brengen. Dit brengt hem dan tot het tijdelijk afzweren van zijn demonische gezel. Hij gaat bij een kluizenaar rusten. Als hij daar een hele tijd heeft vertoefd, dan roept toch de wereld weer, want je kunt jezelf niet ontkennen. Nu begint het wonderlijke. In het tweede deel van het verhaal trekt Faust rond en zoekt hij erkenning. Hij wordt een soort Gagliostro ‑ een wonderdokter – die inderdaad magische fenomenen vertoont. Dat wat eens de demon voor hem heeft gedaan, doet hij nu voor anderen. Wanneer hij aan het hof van de keizer is, zegt hij: Ik zal u laten zien wie gij wilt. En als ze dan kiezen voor de schone Helena van Troje, dan verschijnt zij ook inderdaad en iedereen is verbaasd. De mens die lang werkt met bepaalde krachten, wordt er onwillekeurig het slachtoffer van. Of moet ik het anders formuleren: oorzaak en gevolg beheersen het leven. Eén stap, één gedachte kan het begin zijn van een ontwikkeling, zoals die bij Faust heeft plaatsgehad waardoor hij de hele wereld doortrekt, waarin hij alle teleurstellingen doorproeft, waarmee hij steeds denkt te bereiken en ten slotte datgene wordt wat hij heeft opgeroepen.

Maar dat wat je hebt is niet alleen maar slecht. De duivel is het kwade, zeker. Maar hij is niet het kwade in ons zonder meer. Hij is wel degelijk de mogelijkheid in ons. Op een bepaald ogenblik (wij zien dat in de klassieke Walpurgisnacht voor het eerst optreden en daarna steeds sterker worden) wordt Faust zich bewust van zijn macht over zichzelf, hij verandert zichzelf. Maar alleen jezelf veranderen en toch iets blijven wat magisch tot stand is gekomen, is onaanvaardbaar. Hij keert terug tot zijn oorspronkelijke status …. en sterft.

Dit is al wat men zo in het werk kan vinden. Nu heeft Goethe in dat geheel zeer veel van zijn eigen kennis neergelegd. De magische riten die daarin worden beschreven zijn in overeenstemming met de magische gebruiken van zijn tijd. Hij citeert bepaalde gegevens die we ook in een wat vroegere periode in Frankrijk aantreffen. Wanneer hij de heks ten tonele voert, dan heeft ze een aap (een meerkat, een halfaap) bij zich. Zij brouwt haar brouwsels als in de beste overleveringen. Shakespeare had het hem niet kunnen verbeteren. Dan komt op een gegeven ogenblik das Hexeneinmaleins. Als u dat wilt bestuderen, dan moet u dat doen in de Duitse taal, omdat in de vertaling iets verloren gaat. De heks komt tot de conclusie: één is niets, maar twee is drie. Als je dat toepast op menselijke relaties: één God is niets. Een geopenbaarde God in al zijn aspecten echter is twee (tegenstelling) maar gelijk drie: Vader, Zoon en Geest. Zo brengt Goethe eigenlijk een heel groot deel van de magische esoterie van zijn tijd onder in een betrekkelijk klein vers. Het heeft in zijn geheel, ik meen, 30 korte regels van gemiddeld 3 à 4 woorden. Hij maakt duidelijk wat hij gelooft. Als u de Faust leest, moet u hem ook lezen als een soort geloofsbelijdenis. Maar u moet wel begrijpen, dat de schrijver al schrijvend, denkend, zichzelf verandert. En daardoor verandert eigenlijk ook Faust. Faust is in het volkstheater gewoon een figuur die zich aan de duivel verkoopt de rest komt van buitenaf op hem toe. Hij kan er zich niet aan onttrekken. De Faust van Goethe is een mens, die ook begint met zich aan de duivel te verkopen, die zich overgeeft aan datgene wat hij denkt nodig te hebben om zijn kennis en zijn mogelijkheden te perfectioneren, maar die al levend leert, die voortdurend innerlijk verandert en daardoor ook zijn gehele denken ziet veranderen. Dat alles klinkt mee in de strofen, in al de spelingen van begrippen en woorden die voornamelijk tussen Mefisto en Faust zelf heen en weer vliegen.

Wat is het magische geheim waar hij voortdurend in het eerste gedeelte mee bezig is? Het is eigenlijk zo eenvoudig als tweemaal twee is vier en misschien dat hij daarom wel een “Hexeneinmaleins” heeft geschreven. Als we naar de kosmos kijken, dan blijkt alles te bestaan uit evenwichten. Een absolute eenheid kan er voor ons niet bestaan, maar in het spel met de evenwichten krijgen wij macht, kunnen wij de verandering veroorzaken en regelen. Door het samenvoegen van de bestanddelen zijn wij in staat vorm te geven aan de wereld. Maar door dat te beseffen zijn wij ook in staat om ons eigen evenwicht en daarmee onze mogelijkheden te veranderen. En als we dan verder gaan van beleving naar beleving, desnoods naar de Blocksberg, dan worden wij alleen maar geconfronteerd met al datgene wat in ons leeft. Het is alsof ergens Goethe zegt: Mens, begrijp het nu goed. Als je bezig bent met deze dingen, spreek je niet over iets wat buiten je ligt, maar wat in je ligt. De hele Blocksberg‑scène op zichzelf is traditioneel. Zo zou zo genomen kunnen zijn uit de een of andere protocolondervraging tijdens een examen. Maar Faust blijft buitenstaander. Hij is a.h.w. de waarnemer.

Iets dergelijks vinden wij bij Dante waar een gids iemand meeneemt naar de Onderwereld, door het Vagevuur omhoog leidt tot aan de Hemelvelden om hem dan weer op aarde te deponeren. Ook dat is niet alleen maar een reis in een fabeltjesland. Het is een reis in jezelf, in je gedachten, je reacties. En beter dan Dante, die in zijn werk onwillekeurig al zijn voor en afkeur tot uiting brengt, weet Goethe zich te bepalen tot het onderwerp zelf. Mijn visie op de wereld verandert, dus ik verander. De kracht, die ik erken in mij verandert, mijn mogelijkheden en mijn optreden in de wereld veranderen. Er is een evenwicht. Er is een voortdurende wederkerigheid, een wisselwerking. Maar als ik zover ben gekomen dat ik ervaringen heb opgedaan, dat ik mijzelf heb gezien in de volte van de steden, in de volheid van het genot, in de eenzaamheid van een hermitage, dan komt het ogenblik dat ik zeg: Dit bevredigt mij niet. Dan is de enige methode mijzelf te veranderen. Haast onwillekeurig kruipt het begrip transmutatie – zij het niet helemaal genoemd ‑ de strofen in. Het is alsof Faust dan opeens alles anders ziet. Als hij waarneemt, dan zijn het ongetwijfeld de wangedrochten van het menselijke magische streven. Maar hij beschouwt het anders. Hij gaat nog mee naar een bijeenkomst op de een of andere Olympus waar goden heersen. En in de ontmoeting met die goden, zo goed als in zijn ontmoeting met de Grote Bok, is hij weer buitenstaander. Hij kan zich niet overgeven aan het geheel. Hij doorstaat, maar hij doorleeft niet. In elke strofe waarin hij zelf een rol speelt, keert iets terug van dit kritisch zijn: is dit een werkelijkheid? Wat ben ik? Deze vraag blijft doorklinken zo sterk, dat op een gegeven ogenblik Faustus niet meer de geleerde is, maar de bewuste.

Dat mocht natuurlijk in die tijd niet zo gezegd worden. Het is duidelijk dat in een periode dat het christelijk geloof alle denken beheerst, alles moet worden bemanteld. En toch, als we Mefistofeles horen beschrijven als “Der‑Junker mit dem Pferdefusz”, dan is hier Junker niet alleen maar jonge man, het is wel degelijk ook Junker in de zin waarin wij het later in Duitsland gebruikt zien worden, namelijk een vertegenwoordiger van de macht van een oud geslacht. Het is alsof Mefisto eigenlijk de wedergeboorte is in een nieuwe vorm van de saters die eens onder leiding van de Grote Pan in de klassieke wouden gestoeid zouden hebben. Het is natuurkracht, natuurgeest. Het is niet “duivel” in de zin van diepste demonie. Neen, het is: natuur, natuurverbondenheid, een besef van alle waarden die buiten de illusiewereld van de mens om gaan. In het hele gedrag van Mefisto zien we dat natuurelement steeds weer opdoemen. Hij is niet de ‘ja‑man’ zonder meer, die alleen maar beantwoordt aan de eisen die hem worden gesteld. Neen, hij verrijkt alles. Hij geeft zijn sarcastische commentaren. Het is alsof hij Faust steeds wil wijzen op de belachelijkheid en beperktheid van de menselijke wereld waarin hij zich beweegt. Zo bezien komen we dus al een heel eind verder. De mens, die de menselijke wijsheid van het verleden niet meer kan verwerken, die geen weg meer weet met zichzelf, probeert het dan maar met de krachten van het onzienlijke. Maar het onzienlijke kan niet beantwoorden aan de illusie. Door de illusie vormt Faust eigenlijk de gestalte van Mefisto. Als je dat in de gaten hebt, dan blijkt dat een groot gedeelte van het verhaal eigenlijk de tweespraak is die de mens met zichzelf voert.

Het is een verhaal over bewustwording, over inwijding. En wie de oude traditionele inwijdingsverhalen kent en weet hoe ze vaak ook in christelijke vorm zijn neergeschreven, zal ongetwijfeld worden getroffen door het aantal fasen waardoor Faustus langzaam maar zeker tot zijn bereiking komt, tot zijn thuis‑zijn. En dat thuis is dan zijn oude “ik”, maar nu beseft voor wat het is en dat wordt aanvaard en beleefd voor wat het is. Het is geen verandering. Faustus keert tot zichzelf terug. Dan hoort daar eigenlijk een verdoeming of een redding bij door goddelijke genade. Maar is dat eigenlijk geen komedie? Het is Faustus die in de gevangenis terecht komt, die aan hoven verkeert. Het is de mens die voortdurend wankelt tussen zijn werkelijke mogelijkheden, zijn werkelijke kracht en zijn lotsverbondenheid en lotsgebondenheid waaraan hij zich niet meer weet te onttrekken, waardoor hij de wereld en eigenlijk wat hij zelf is niet meer kan aanschouwen.

Ik weet het wel, u had waarschijnlijk heel veel citaten verwacht. Maar hoe kun je met een paar citaten een verhaal weergeven dat frase na frase uitgewerkt, verklaard punt na punt een aantal lezingen zou vergen van 10 tot 20 uur. Ik heb maar één klein uur. Dan is het wel geen klein uur U, maar klein uur Faust. Je moet echter wel zien hoe je de essentie kunt overbrengen. Laten we Faust een ogenblik loslaten en ons bezighouden met de achtergrond.

Bent u tevreden met uzelf? Hoe meer u beseft, des te minder tevreden u bent met uzelf. De onvrede ontstaat door de erkenning van uw onvermogen. Anderen behoeven dat niet te zien. Voor anderen kunt u geëerd, groot en sterk zijn, maar zelf beseft u dat u niets bent. Op dat ogenblik moet u verder gaan of uzelf prijsgeven, opgeven, a.h.w. laten verdampen in het niets. Het geheim nu is de erkenning van de andere wereld. En dan niet op een spiritistische, christelijke of andere manier. Neen, gewoon de erkenning dat er een andere wereld is. Er is méér. En onwillekeurig zult u proberen dat meer te bereiken. Op het ogenblik echter dat u te maken krijgt met de geest, bent u dan bereid die geest te erkennen voor wat ze is? Zij moet beantwoorden aan wat u van haar verwacht. Als die geest spreekt of schrijft, dan hoort of leest u daaruit wat u zelf wilt horen. Zo wordt die geest eigenlijk uw leidsman door een groot aantal belevingen die u zelf bepaalt. De geest is geen dictator, geen Meester die u zonder meer geleidt. De geest is een soort spiegel waarmee u te maken heeft. Die geest kan haar waarheid alleen maar spreken tot u, indien u die waarheid kunt verstaan. Dat is de grote moeilijkheid. Het is duidelijk dat, als we eenmaal beginnen die andere wereld te accepteren, het contact daarmee een grote rol gaat spelen. Faust wil ook wel een paar wonderen doen. En als die wonderen dan een vreemde gedaante krijgen, dan maak je je daar niet te druk over. Alleen de gevolgen die je niet hebt verwacht, kun je niet verwerken. Misschien herinnert u zich de opera. Daarin komt de beroemde duelscène voor waarin de broer van het meisje een duel uitlokt met Faust en deze een ogenblik aarzelt. Dan staat de demon achter hem en zegt: “Val aan, ik pareer”. Kijk, de demon is de verdediging. De innerlijke kracht is de verdediging die je hebt. De innerlijke wereld wordt tot een zekerheid die onaantastbaar is. Maar als je uit die onaantastbaarheid wilt opereren als mens in een menselijke wereld, dan kun je niet anders dan ongelukken maken. Je bent dan misschien wel onaantastbaar geworden, maar elk slachtoffer dat je maakt is toch weer een belasting voor je bewustzijn. Magie is alleen hanteerbaar, indien ze geen slachtoffers maakt. En dat kan alleen, indien ze defensief en niet agressief is.

Gaven, ach, dat gebeurt zowel bij Goethe als ook in de opera. Je kunt natuurlijk vele gaven uit de geest verwerven en doorgeven. Maar weet je ook wat die gaven betekenen? Het is erg belangrijk dat je niet alleen geeft wat je ontvangt, maar bewust wetend wat je ontvangt geeft wat voor de ander van toepassing is. En als je dat zo bekijkt, dan is het eigenlijk helemaal een kwestie geworden van bewustzijn. Praktisch de gehele Faust is een pleidooi voor bewustzijn, een omschrijving van de bewustwordingsgang van de mens. Maar als je je eenmaal bewust bent van die macht, hoe kun je haar dan gebruiken? Je kunt haar delen met anderen. Zeg niet tegen een ander: Ik zal u gezond maken, maar geef de kracht waardoor hij zelf gezond kan worden. Zeg niet tegen de ander: Ik zal uw zorgen wegnemen, maar geef hem de kracht en het besef waardoor hij zelf zijn problemen te lijf kan gaan. Dat is eigenlijk de lering die erin ligt. Maar als je verdergaat, zeg je: Ik kan eigenlijk niet het hoogste licht aanschouwen zonder het diepste duister ondergaan te hebben. Ook dat zit erin. Faust, die zo graag tot het Goddelijke bewust zou willen opklimmen, vinden we tenslotte in het gezelschap van heksen, spoken en andere demonische figuren bij de aanbidding van de Grote Bok, bij de verering van de oude goden. Hij is er bij. Hij moet weten, hij moet beseffen wat er is: Het enige dat hij nog niet beseft op dat ogenblik is dat de Bok een illusie is en dat de goden een illusie zijn. Niet omdat ze niet bestaan, ze bestaan door de mensen en voor de mensen. Ze zijn een rijk dat de mens zelf heeft gecreëerd, maar daarachter schuilt een geestelijke kracht. Het gaat om die kracht, niet om de verschijningsvorm. En aarzelend, heel aarzelend zal de mens op den duur beseffen dat de vormen waarin de macht optreedt niet belangrijk zijn, maar dat de kracht op zichzelf, de spontaniteit waarmee ze zich positief kan ontladen het belangrijkst voor hem is. Als je dat hebt bezien, dan wordt ook begrijpelijk waarom er een ogenblik komt dat Faust zegt: Nu wil ik rust. Er komt een ogenblik van bezinning. Dan moet je kunnen zeggen: Al wat ik heb gedaan, laat ik achter mij. Het heeft mij gevormd, het zal mij zo dadelijk misschien weer opeisen, maar nu moet ik beseffen, ik moet rusten, ik moet harmonie vinden. Dan ben je zonder harmonie.

Wanneer dan de Jonker met de paardenvoet weer komt opduiken, wanneer de natuur met al haar krachten, de magie met al haar mogelijkheden weer op je aanstormen, dan heb je toch wel een wat andere visie daarop. Dan zijn de eisen die je stelt anders. Dan zijn de pogingen die je doet anders. Dan wordt het geheel bijna een spel, een experimenteren met je mogelijkheden. Dat is een fase die elke mens in zijn bewustwording zal doormaken. Maar als je eenmaal experimenteert met je mogelijkheden, dan moet je ook wel degelijk beseffen dat je dit alleen ten goede kunt doen, indien je kunt afrekenen met de illusie omtrent je eigen omstandigheden.

Het is alsof Faustus eigenlijk in zijn strijd, tegen de illusie langzaam maar zeker het besef van die omvorming krijgt. Hij beseft dat zelfs de transmutatie zowel van innerlijke kracht als van stoffelijke kracht twee kanten heeft. Aan de ene kant de omvorming van het “ik” waardoor dit “ik” de essentie van waarheid zelf begint te worden. Aan de andere kant het krampachtige zoeken naar macht, het creëren van leven, van het levende goud, van de Steen der Wijzen. Hij kan er niet omheen, maar hij blijft spelen zoals alle mensen blijven spelen. Goethe zegt eigenlijk: Je kunt je niet aan jezelf onttrekken, en dan moet je wel leren jezelf juist te gebruiken. Dat is nu iets waar de meeste mensen moeite mee hebben. Een noodlotsgang, zo heb ik het in het begin al omschreven. Maar een noodlotsgang is meer dan alleen maar het zeggen van de juiste frasen op de juiste tijd, gedwongen door het onbekende totdat het doek valt en de wereld je een ogenblik beweent of applaudisseert om vervolgens over te gaan tot de orde van de dag.

Als je verschillende acteurs hetzelfde stuk ziet spelen en ze spreken allen dezelfde tekst, dan kan de een met een geweldige kracht en sterke uitstraling de mensen denkbeelden ingeven. Hij kan ze meeslepen totdat de werkelijkheid wordt vergeten en de kijkdoos langzamerhand de wereld is geworden. En een ander, die precies hetzelfde zegt, hetzelfde kostuum draagt, dezelfde gebaren maakt, blijkt alleen maar een bleke schim te zijn, alsof je in de kijkdoos van een kind kijkt en tot je verbazing ziet dat een paar van die één of tweedimensionale figuurtjes bewegen alsof ze leven. Dat is het verschil.

Het is alsof Goethe wil duidelijk maken dat onze betekenis niet ligt in datgene wat we zijn in ons leven, dat zal voor een deel vastliggen, maar in de manier waarop wij het zijn. Het is alsof hij wil duidelijk maken dat de krachten die in ons spelen ons niet kunnen veranderen, want de gestalte die we hebben kunnen wij niet zonder meer terzijde schuiven. Maar de betekenis ervan kan veranderen. De kracht die door ons werkt wordt groter en sterker: Wij sublimeren a.h.w. al datgene wat zich in ons afspeelt tot een levende kracht die nadruk geeft aan hetgeen wij zijn ‑ ongetwijfeld ‑ maar vooral de wereld schokt door datgene wat ze tot stand brengt. Communicatie noemt men dat tegenwoordig.

Goethe is in veel van zijn boeken bezig geweest met mystiek, met het innerlijk gebeuren van de mens, ook met de onvermijdelijkheid van emoties en daarnaast met de sublimatie van de beelden die in de mens leven. Of je nu Wilhelm Meister neemt of de Farbenlehre het komt allemaal overeen. Maar voor de mens het meest kenbaar heeft hij dit in Faust neergelegd. Als we alles wat hij daarin zegt samenvatten, dan komen we tot de verbazingwekkende conclusie:

Goethe was kennelijk een ingewijde in de verschillende vormen van magie waaronder de natuurmagie. Hij moet toegang hebben gehad tot bepaalde esoterische denk‑ en leefsystemen. Ik wil niet zeggen dat hij Rozenkruiser of Maçon of iets anders is geweest, dat mogen anderen doen. Maar hij had toegang tot die systemen waarbij het belangrijk is dat de mens zichzelf ontdekt en zichzelf vormt. Als wij zien wat hij aan raad geeft zo tussen de regels door, dan luidt die onder meer: Besef het licht dat jezelf bent en laat dat licht werken en uitstralen zonder het door je gedachten al teveel te beperken. Hij zegt tot de mens: Besef, dat machteloosheid schijn is en dat de leiding die je aanvaardt meestal de misleiding is die je jezelf oplegt. Hij roept de mens toe: Wees jezelf. Probeer je juiste vorm, je juiste vermogen, je juiste krachten te vinden. Hij zegt niet: Leef zonder einde, al lijkt het soms of zijn held daar op uit is. Hij zegt: Als je je bewust bent geworden van wat je leven betekent, dan zul je blij zijn om het te kunnen beëindigen, want dan weet je dat in het einde van het ene het begin van het andere ligt.

Als u zo de Faust leest met deze achtergronden in gedachten, dan is het plotseling een vindplaats geworden voor alles wat u maar wilt op occult gebied. U kunt er mystieken in aantreffen, magie. U kunt er esoterieën in aantreffen. U kunt er zelfs praktische raadgevingen in vinden voor de wijze waarop u met natuurkrachten en bepaalde geestelijke mogelijkheden zelf iets tot stand kunt brengen. U vindt het beeld van de menselijke dromen, de menselijke angsten en begeerten afgezet tegen een werkelijkheid waarin liefde voor God, voor de mensheid, voor de mens eigenlijk de sleutel is waarmee het ware “ik” kan worden bevrijd. Goethe zegt in feite:

Uiterlijkheden zijn onbelangrijk, want ze gaan voorbij. Tijd is een illusie die alleen wordt bepaald door ons beleven. Maar de werkelijkheid in ons is de verbondenheid die we vinden met de kosmos of net een deel daarvan. Het is die verbondenheid waaruit ons bewustzijn, onze kracht, onze mogelijkheid en onze finale gang naar het licht voortkomen.

BESLUIT:

U kunt misschien terecht zeggen dat ik te weinig heb gereageerd op Faust zoals Goethe die geschreven heeft. Ik heb praktisch niets geciteerd. Ik ben voorbijgegaan aan de opbouw en samenhang van het verhaal in zoverre dit niet noodzakelijk was om even in een korte inhoud het verloop duidelijk te maken. Ik heb zelfs betrekkelijk weinig aandacht besteed aan de vele pa­rallellen die er te trekken zijn. Parallellen bv. tussen de gebeurtenissen in de kluizenaarshut en die in de studeerkamer. De invloeden, die op een gegeven ogenblik optreden, wanneer Faust de stad in gaat en datgene wat er gebeurt, wanneer hij aan het hof van een vorst is. Feiten die allemaal hun eigen betekenis hebben, ongetwijfeld. Die parallellen zijn er alleen om een vergelijking mogelijk te maken, om ontwikkelingen aan te duiden. Maar het gaat over de achtergronden van de Faust. Laat ons die achtergronden dan nog kort samenvatten:

Een oude volkslegende. Een man met zeer veel magische, zeer veel esoterische kennis en ongetwijfeld ook veel kennis die tegenwoordig zou behoren tot verschillende geheime genootschappen. Een man die gevangen zit in het keurslijf van ambt en onderlinge beleefdheid en zich daaruit niet helemaal kan losmaken. Een man die zijn dromen neerschrijft in boeken, vaak vol kleurig sentiment. Het is deze man die de Faust ontwerpt. Deze man die zijn eigen gespletenheid, maar ook zijn kennis van de magie, zijn kennis van de esoterie, kortom, zijn kennis van de totale ontwikkeling van de mens tracht weer te geven in een verhaal, dat uitmunt door schoon taalgebruik en een perfecte plotontwikkeling. Dit woordenrijk geheel is niets anders, meen ik, dan de weemoed waarmee de schrijver inwijding en bewustwording benadert. Ik heb getracht daarop de nadruk te leggen. Nadruk op die dingen die voor u belangrijk zijn.

Ik heb u een achtergrond willen geven waartegen het geheel van alle verzen en ontwikkelingen van de Faust, zoals Goethe deze heeft neergeschreven, moeten worden gezien. Een reliëf waarin je in het wezen ervan kunt doordringen, waardoor bepaalde schijnbare woordspelingen opeens een magisch geheim worden, waardoor bepaalde gangen opeens méér zijn dan alleen maar een wisseling van scène en decor, maar in feite een aanduiding van een verandering van innerlijke processen. Ik heb getracht die achtergrond te geven, want dat was mijn onderwerp.

Ik heb geprobeerd mijn taalgebruik althans enigszins aan het onderwerp aan te passen. Ik ben mij ervan bewust dat in mijn proza en zelfs met mijn korte pogingen om dichterlijk te zijn, ik zeker niet deze grote dichter heb kunnen benaderen. Maar ik heb iets willen uitstralen van de sfeer die hij oproept. Iets willen geven van de kracht, die achter het werk schuilt waardoor hij bij de meeste mensen nog het meest bekend is geworden. Ik heb U willen bevrijden van het schone schouwspel en klankbeeld van de opera om terug te keren naar de geestelijke strijd en waarheid van het eigenlijke werk. Ik heb u duidelijk willen maken hoe een stuk, dat opgevoerd wordt door potsenmakers met kerkelijke goedkeuring en dat later zelfs in een soort poppenkast wordt gespeeld, de basis kan zijn voor een uiteenzetting waarin zeker hoge geestelijke, morele en andere waarden duidelijk naar voren komen. Alles kan het begin zijn van een bewustwording. Maar elk begin vereist een consequent verder leven en zoeken tot het eeuwige antwoord in het “ik” zelf wordt gevonden. Dat heb ik u willen geven.

Ik hoop, dat ik u met deze uiteenzetting  ‑ hoe summier ook ‑ niet heb teleurgesteld. Is dat toch het geval, Goethe’s Faust is in elke bibliotheek te vinden en waarschijnlijk in elke goede boekhandel ook nog wel te koop. Verdiep u erin en probeer dan uw eigen waarde terug te vinden in dat wat de dichter heeft uitgebeeld.