De achtergronden van de verlossingsgedachte vanuit magisch esoterisch standpunt

18 december 1956

De verlossingsgedachte is n.l. niet, zoals men algemeen vaak aanneemt, een specifiek christelijke. De interpretatie van de verlossing zal weliswaar geheel anders zijn naarmate het volk, diens instelling en religie, maar de gedachte van de verlossing schijnt in elk menselijk wezen ingeboren te zijn. U enkele voorbeelden hiervan gevende wil ik allereerst aanstippen de ongetwijfeld aan u bekende Osiris-gedachte. Van Egyptische oorsprong toont zij ons de herboren mens na de overgang als een soort god, en in deze goddelijke functie verlost van zeer veel dingen, die hem op aarde nog kunnen kwellen. Om dat te bereiken moet hij antwoorden op de vragen van de rechters, 42 in getal, en elk van die vragen betekent het van zich afwentelen van een schuld, zodat er een schuldloosheid en daarmede dus een bevrijding en een vergoddelijking van het ik plaats kan vinden.

Het is opvallend, dat deze zelfde gedachte in de meest vreemde godsdiensten zijn plaats vindt.

Wanneer wij bv. nemen de Kali-Durga-verering, die in Achter-Indië een tijdlang de boventoon heeft gevoerd en thans nog hier en daar machtig is, dan vinden wij hierin ook weer een bevrijdingsgedachte. Want door te offeren aan de Kali-Durga bevredigt men haar verlangen naar bloed en in dit bloed is men zelf gereinigd. Vandaar dat bij de plechtigheden dus met het offerbloed ook elk der aanwezigen wordt aangeraakt, ongeveer als in de Katholieke kerk bv. bij een vormsel of zalving tot priester. Kali neemt – dank zij deze gewelddadigheid en het bloedoffer – dan haar gestalte als vruchtgeefster aan. Zij brengt vruchtbaarheid en openbaart zo aan de mens zijn eigen wezen. Een mystiek, die in de worger-romantiek en – dramatiek voor het Westen meestal verloren is gegaan Maar een gedachtegang, die toch wel zeer de moeite waard is. Zelfs hier in een zeer duister geloof, berustend op bloedige offers, is een bevrijdings-, een verlossingsgedachte, waarbij – als in elke godsdienst – de oorspronkelijke bevrijder van goddelijke oorsprong is.

Hetzelfde zien wij in het Mozaïsch geloof, waar de Messias dan nog wel niet is gekomen, maar toch voortdurend wordt verwacht. Ook hier het wachten op een verlosser.

Bij het Boeddhisme en zijn vele verschillende vormen is ook steeds weer de hoofdgedachte een verlossing door het “ik” los te maken uit de waan en te brengen tot de werkelijkheid. Dit is echter alleen mogelijk dank zij de kracht, die in de mens woont en die behoort tot de Algeest of de kosmos. Is eenmaal een toestand van begeerteloosheid bereikt en zo de waan overwonnen, dan zien wij ook hier weer een soort vergoddelijking optreden van degenen, die de bevrijding bereikt hebben.

Deze paar voorbeelden – ik zou ze nog kunnen aanvullen met Polynesische verhalen omtrent verlossers, Valest-Indisch yu-yu-geloof, een bepaalde demon-engel of bij verschillende negerstammen, kortom ik zou het met een hele reeks kunnen aanvullen – maar het toont ons toch al reeds, dat de gedachte aan verlossing bij praktisch elke mens, en voor zover wij kunnen nagaan in haast alle tijden, voortdurend weer een belangrijke rol speelt. Waarom?

Wanneer een mens gelooft in verlossing, dan moet hij geloven in ketenen, in banden. Want om verlost te worden moetje beroofd zijn van bepaalde dingen, die voor jou anders een volmaakte toestand zouden kunnen betekenen.

Op grond hiervan lijkt het mij aardig een stelling te poneren, die u – zo u wilt – kunt bestrijden. Elk wezen, dat het menselijk peil bereikt heeft, draagt ook in zich een goddelijk vermogen, maar is door omstandigheden of door eigen schuld nog niet in staat eigen goddelijkheid te hanteren en zo een te worden met de scheppende kracht.

Waar de mens zich van eigen vermogen bewust is, meent hij, dat de verlossing van buiten af moet komen. Dit is begrijpelijk, want zijn gehele bewustwording is – zolang hij in stoffelijke vormen verkeert – gebaseerd op een wisselwerking tussen “buitenwereld” en “ik”, waarbij hij de buitenwereld vaak ziet als dwingend ten opzichte van het ik.

Het is dan ook begrijpelijk, dat de verlosser steeds in de buitenwereld wordt geprojecteerd.

Het is echter evenzeer opvallend, dat bij de beste en de grootste godsdiensten, die er bestaan, deze verlossing is. De aanduiding van een weg plus het geven van een kracht terwijl de weg door degene, die verlossing zoekt, toch zelf moet worden gegaan. Klaarblijkelijk dus een bewustzijn, dat de mens niet door anderen bevrijd of verlost kan worden, maar dat hij uiteindelijk eerst zelf zijn verlossing dient te aanvaarden – dus daadwerkelijk deel daaraan moet nemen – voor zij voor hem een realiteit kan zijn.

Nu is het christelijk geloof opgebouwd op de leer van Jezus en op de verlossingsgedachte, die in zijn leven en sterven ligt. Met Kerstmis herdenkt de mens de vrede, die hij brengt door op aarde te komen. Men gaat dan verder met de feestdagen, zodat men herdenkt zijn laatste avondmaal, even als de glorieuze intocht in Jeruzalem, tenslotte ook zijn sterven, zijn dood dus, en zijn herrijzenis.

Indien ik deze verlossingsgedachte, de christelijke, wil gebruiken voor elke mens, dan moet ik haar natuurlijk gaan ontdoen van het specifiek christelijke. Daar kan ik niet omheen komen, want in het christendom wordt een zeer grote afstand geschapen tussen Jezus, de goddelijke verlosser, de enig geboren zoon van God en de mens. Maar vanuit de geest gezien stel ik: Een ieder, die incarneert, leeft in onvrede. Elke incarnatie is het resultaat van innerlijk verwachten en gelijktijdig een onvrede, een smart, die uiteindelijk resulteert in het kerstgebeuren, het geboren worden in de materie.

Wanneer de mens in de materie geboren is, wanneer dus geest en stof één zijn geworden, begint voor de mens het verlossingswerk. Want de geest, werkend in het lichaam, zal – evenals het Joodse volk eens t.o.v. Jezus, die de Messias was – vaak teleurgesteld zijn. Men had alles anders verwacht en anders gedacht. Maar de resultaten staan op een ander en eigenlijk veel hoger peil. Zoals Joden, die een wereldlijk vorst hadden verwacht en daarvoor in de plaats een leer kregen, die de mens kon vrijmaken van elke binding aan de wereld, zo gaat het ook de geest, die in de stof wordt geboren. Waar zij verwachtte een volheid van beleven te kunnen doormaken, die voor haar in intense vreugde uiteindelijk de oplossing van haar problemen zou betekenen, wordt zij geconfronteerd met nieuwe problemen, nieuwe vragen, met lijden en ondergang, met dood en leven, dat soms erger is dan de dood.

In deze confrontatie moet zij haar werkelijke verlossingsgedachte leren begrijpen. Leren begrijpen, dat de verlossing niet ligt in een uiterlijkheid, in een projectie. De verlossing in zijn simpelste staat uitgedrukt, is niets anders dan het wekken van een bewustzijn in het ik, waardoor dit ik zichzelf bevrijdt van de banden, waarmede het zichzelf had gebonden. De esoterische achtergrond van de verlossing is dan ook te allen tijde, overal Het zichzelf bestrijden van bepaalde waanbeelden, zichzelf ontdoen van banden en bindingen, daartoe geleid door een invloed, die uit hoger sferen stamt volbrengende uit eigen kracht maar steun vindende in het grote, dat is voorgegaan, om uiteindelijk te komen tot een vorige vrijheid, die tevens vrede betekent. Een verlosser is noodzakelijk gezien het vertrouwen, dat wij hebben t.o.v. ons eigen vermogen. Een verlossingsgedachte is voor ons noodzakelijk, opdat ons streven naar de volmaakte vrede een doel zal hebben. En de verlossing zelf komt voort uit ons bewustzijn, dat ons eigen wezen te zeer gebonden is door omstandigheden en toestanden om werkelijk zichzelf te kunnen zijn. Is er iemand, die tot zover iets heeft op te merken?

  • Aannemende de stelling, die u geponeerd heeft, dat iedere geest, die reïncarneert in een zekere mate van onvrede heeft geleefd, zou ik hieruit dus de conclusie mogen trekken, dat de Christus – voordat hij incarneerde als Jezus in de stof – zelf ook in onvrede was. Is dat juist?

Volgens onze stellingen niet en wel, omdat wij een sterke scheiding maken tussen Christus als in Jezus werkende, maar niet met Jezus identiek zijnde kracht, en Jezus, de mens. Gezien het feit, dat we deze scheiding maken, zou ik het dus zo moeten stellen: De mens Jezus werd herboren op aarde, incarneerde op aarde, omdat de geest Jezus niet in vrede was, maar – het lijden der mensheid ziende – wenst ook deze te verlossen. De daaruit resulterende ontevredenheid met zijn huidige toestand maakte voor hem de incarnatie, een soort van noodzaak. De Christusgeest incarneert niet, maar leeft op in de mens, die daarvoor geschikt is. Zij gaat dus niet in de stof, maar zij werkt door de stof.

  • Mag ik daaruit de conclusie trekken, dat de Christusgeest dus geboren is op het moment, dat Jezus voor ons gestorven is en voor ons Jezus heeft opgedragen aan God?

Neen. De Christusgeest is in Jezus gekomen op het moment, dat Jezus bewust zijn gehele wereldse bestaan verwierp en de taak aanvaardde om de leer van verloochening en liefde, die leidt tot het Goddelijke, te prediken op aarde. Dat ligt dus – wanneer wij ons houden aan de waarderingen van de evangelist – op ongeveer 30 jaar. En desnoods kunnen wij nog verder gaan en zeggen, dat het moment gelegen zou kunnen hebben op het ogenblik van de doop door Johannes de Doper in de Jordaan.

Dan komen wij aan het tweede deel van mijn betoog. Want ik heb gezegd, ik wilde niet alleen spreken over de esoterische maar ook over de magische betekenis van de verlossing. En de magische betekenis heb ik op het ogenblik nog niet besproken. Hoe kunnen wij magisch een verlossing beschrijven?

Wat is een magische verlossing?

Wanneer een magiër bv. een ziekte bestrijdt op magische wijze, dan is in feite hetgeen gebeurt het volgende: De magiër voelt zich zozeer een met zijn sujet, dat hij diens lijden en kwalen kan overnemen en in zichzelf vindt hij de kracht om deze te vernietigen, waarbij deze dus eerst wordt genomen van de lijder om door de genezer te worden overwonnen en eerst daarna is de genezing volledig.

Ik haal dit voorbeeld aan om u duidelijk te maken, dat er dus in de verlossingsgedachte – magisch gezien – aspecten zitten, die overeen komen met het Lam Gods, dat de zonden der wereld draagt. Het klinkt misschien wel erg vroom en kerks. Maar toch, de Christusgedachte bracht ons de weg tot God, de Weg der naastenliefde, die – ofschoon bekend op aarde – praktisch in het vergeetboek was geraakt. Het resultaat is, dat de Christusgeest via de mens Jezus in de eerste plaats zijn eigen wezen kenbaar maakt. Maar in de tweede plaats, dat er een magisch gebeuren plaats vond. Want een ieder, die zich tot Jezus bekent, wordt – leest u de evangeliën er op na – genezen, vindt zijn wensen vervuld, vindt een nieuw leven, een nieuwe kracht, een nieuw bewustzijn.

Dit kan men zeker niet uit zichzelf verwerven. Het is ook onmogelijk om dit zonder meer te geven. Wanneer Jezus hier – voordat hij de verlosser wordt in het oog der wereld – reeds als verlosser optreedt voor de enkeling, voor het individu, dan moeten wij zeggen, dat Jezus dus de kwalen van de mensheid op zich neemt en hun daardoor de vrijheid geeft de goede kant van hun eigen wezen verder te uiten en te openbaren.

In deze zin is verlossen dus eigenlijk gelijk aan een-zijn-met. Wanneer Jezus onze verlosser is – Jezus dan in de gedaante van Jezus Christus – dan kan hij dit alleen zijn door zijn eenheid met ons. En dan behoort daar volgens mij het magisch proces bij, dat Jezus onze schulden draagt en het kwaad, dat hij van ons neemt, in zichzelf overwint. Daardoor kan Jezus dus – logisch gezien – niet boven de mens staan, want hij is een met de mens. Maar door deze eenheid wordt zijn kracht, die wel boven de mens kan staan, gebruikt om in deze mens de ongewenste, de ziekelijke aspecten te vernietigen. Die verlossing zal zich niet alleen afspelen door de allergrootsten t.o.v. de kleinen. Het gaat niet alleen tussen Jezus en de mensheid. Het gaat tussen mens en mens. Verlossing wordt geboren op het ogenblik, dat een mens zozeer de zorgen, lasten en kwalen van een ander in zich opneemt, dat deze ander hierdoor in zijn lasten verlicht en zelfs ervan bevrijd wordt, terwijl degene, die de lasten op zich neemt,- deze voor zichzelf moet overwinnen, om zichzelf er opnieuw van te kunnen bevrijden. Nu ga ik dit….. o, laat ik eerst vragen of u tot zover iets heeft op te merken?

  • Wat bedoelt u met de Christusgeest?

Met Christusgeest bedoel ik een geestelijk bewustzijn, dat zichzelf op aarde niet in stoffelijke vorm manifesteert, maar desalniettemin met de aarde een is en vermoedelijk – ik zeg vermoedelijk – geacht kan worden één te zijn met het bewustzijn van de bezielende kracht der aarde. Is dat voldoende? Als het niet zo is, zegt u het maar rustig.

  • Het is voor mij onbegrijpelijk.

Het is onbegrijpelijk. Dan moeten we hier eerst duidelijk maken, waarom we Jezus Christus niet identiek stellen met de Christusgeest.

  • Dat begrijp ik wel.

Dat begrijpt u wel. Dan hebben we dus twee waarden. De een is geest, d.w.z. een bewustzijn.

Een bewustzijn, dat bestaat buiten het direct stoffelijke, ofschoon het werken kan in het stoffelijke. Is het zover duidelijk? Wanneer ik nu spreek over de Christusgeest, bedoel ik daarmede dit bewustzijn plus de kracht, waarmede het werkt in de materie, of elders, waar het werkzaam kan zijn. Dus zeg ik “Christusgeest”, dan bedoel ik hiermede een bepaald bewustzijn met een bepaald gericht streven en een bepaald vermogen en bepaalde kracht, dat werkzaam is op een zekere, voor ons aanvaardbare en vaak begrijpelijke wijze.

  • Maar niet gelijk aan God?

Niet gelijk aan God, maar een uiting van een groot gedeelte van het Goddelijke.

  • En, daarbij genoemd zoon van God?

Die term hebt u mij niet horen gebruiken in de zin van geloofsdogma. Maar als ik zeg: zoon van God, dan kan ik dat zeggen tegen al, wat uit God is voortgekomen en volgens mijn bewustzijn mannelijk is. Want alles is uit God. Zoals u hier zit, bent u ook kinderen gods, nietwaar? En ik ben ook een kind van God. En zelfs de meest duistere demon is ook een kind van God, want zij zijn uit God voortgekomen en uit God geboren. Het is Gods kracht, die ons in stand houdt. Maar wanneer wij nu aannemen, dat in de Christusgeest de erkenning van deze relatie tot het Goddelijke bewuster en zuiverder mogelijk is, dan kunnen wij als onderscheid t.o.v. het onbewust zijn van anderen esoterisch wel deze term gebruiken. Dan zeggen we dus niet “zoon, van God”, omdat hier het Vader-zoon-aspect mee bepaald wordt, maar het bewustzijn van het wezen, dat in God bewust en wetend zijn Vader, zijn Voortbrenger, zijn Originator ziet.

Dan ga ik nu trachten het magisch principe toe te passen in een esoterisch beschouwen.

In ons ligt de waarheid. Wij kunnen niet zeggen, dat er buiten ons kracht of waarheid bestaat. Want alles komt tot ons en wordt in onszelf tot bewustzijn. Daaruit volgt wel, dat elke verlossingsgedachte zich in mij en nooit bulten mij kan afspelen. Verder dat elk verlossingsgebeuren even zeer een innerlijke kwestie is. En dat voor een verlossing, die ikzelf doormaak, als eerste vereiste kan worden geacht introspectie als een noodzaak.

Introspectie, het zien van het ik. En dat is heel begrijpelijk, want in onszelf kunnen wij onze waarheid – relatief als die ook moge zijn t.o.v. het Goddelijke – geheel kennen, begrijpen en beheersen. En nu spraken wij over de verlosser, de verlossingsgedachte, die overal heerst.

Dan wordt het logisch, wanneer we gaan zeggen “Alleen in zichzelf kan de mens de ketenen afwerpen, waarmee hij zich gekluisterd voelt in zijn wereld.” Je kunt nooit iets van buitenaf ontvangen. Wanneer dan toch van buitenaf de verlossingsleer komt voor ons (want eigenaardig genoeg zijn dat allemaal godsdiensten dat wordt ons van jongs af aan gepredikt, het beantwoordt tot op zekere hoogte aan verlangens, die in ons leven, maar het wordt van buitenaf gepredikt) dan moeten we zeggen, dat de stimulans, die de wereld buiten ons ons geven kan, ons bewuster kan maken van de behoefte aan verlossing in onszelf en de mogelijkheid tot verlossing.

Dan ga ik magisch gezien het proces der vereenzelviging als noodzakelijkheid voor de verlossing hierin mede betrekken. Dan zeg ik “Van buiten af kan niemand een worden met mij volgens mijn bewustzijn ik kan slechts zelf één worden met iets anders. En wanneer ik nu dus wil komen tot deze verlossing, deze realisatie en bewustwording van vrijheid en vrede, dan blijkt mij, dat ik voor mijzelf daarvoor iets moet doen. Ik moet voor mijzelf voortdurend deelnemen in het leven van anderen en ik moet de lasten van anderen dragen.”

Ze zeggen, van Jezus met onze schulden belast en beladen. Maar wij zijn geen waarlijke volgelingen van Jezus, zolang wij zelf niet evenzeer met de schulden en zonden van anderen belast en beladen zijn. Naarmate wij onze eigen verantwoordelijkheid uitstrekken over een groter gedeelte van onze wereld, naarmate wij sterker een zijn met deze wereld en intenser trachten om de feilen en fouten, die wij daar erkennen te corrigeren met onze eigen kracht, worden wij ons meer bewust van de krachten, die in onszelf schuilen. Worden wij ons meer bewust van al hetgeen er in de wereld schijnt te bestaan, maar in werkelijkheid ook in ons is. En daardoor en daardoor alleen kunnen wij komen tot een ware verlossing. Onze verlossing is, gelegen in het bezwijken onder de lasten van anderen, met een behoud van bewustzijn en in dit bewustzijn begrijpen, dat wij ons gericht hebben tot de uiterlijkheden en niet tot de kracht, die in alle dingen schuilt het Goddelijke. Het Goddelijke, dat ook in de mens aanwezig is. En dan krijgen we de laatste fase van de verlossing, de logische, de magische, de redelijke zelfs. Op het ogenblik, dat ik mij bewust word van het Goddelijke in andere dingen en in mijzelf, vloeit dit Goddelijke ineen tot een onverbrekelijke eenheid. En in deze eenheid is mijn wil in alle dingen en de wil van alle dingen in mij. Ik en volledig één hiermede en mijn bewust denken, gericht op de Vader, kan weliswaar mijn uiterlijke wereld nog niet veranderen, maar kan innerlijk een zodanig sterke en richtende impuls zijn, dat ik in werkelijkheid verlos, terwijl ik verlost word.

Dat is een heel belangrijk punt, dat ik probeer hier naar voren te brengen. Verlossing is dus een proces, dat voor degene, die verlost wordt, bestaat uit twee fasen: het anderen verlossen en het daarvoor zelf verlost worden. En dat is alleen te verklaren door de eenheid, die wordt bereikt, introvert, in het ik. En vanuit het ik gaande, het ik ziende in alle waarden, erkent, hoe er een band tussen deze bestaat. De kern er van is dezelfde levende kracht, die in ons en in alle dingen al tijd aanwezig moet zijn en deze noemen wij het Goddelijke.

Dus verlossing is het zelf werken voor het Goddelijke in de vorm, waar in je leeft, meteen gelijktijdige realisatie van het Goddelijke in jezelf en alle dingen. Hierdoor ben je vrij van alle problemen, die aan vorm gebonden zijn of aan sfeer, waar het totaal van het zijnde door jouw wezen heen vloeit naar alles, wat in de wereld rond je bestaat.

  • Dus u bedoelt de weg tot het zelf vinden.

Ja. Meer. Ik bedoel, dat de weg tot het zelf het begin is. Want in het zelf ligt het niet zelf. Ja, dat klinkt een beetje paradoxaal, maar niet zelfs het Goddelijke, d.w.z. het totaal der levende kracht, die niet kan worden ondergebracht in een persoonlijkheid of genoemd kan worden met een persoonlijkheid, maar die de kern vormt van elke persoonlijkheid. En indien de persoonlijkheid doordringt tot hetzelf, dus tot de kern van eigen wezen dan valt de ik-heid weg en komt daarvoor in de plaats de eenheid met alle dingen.

  • Met het Goddelijke?

Ja, goed, het Goddelijke.

  • Dat leer je ontdekken.

Ja.

  • Is dit hetzelfde principe, datje dus eerst moet geven om te kunnen ontvangen?

Ja, dat zit er ook wel degelijk in. Je zou het zo kunnen zeggen dat de beste gave, die ge ontvangen kunt, is het vermogen tot geven. Het is n.l. een eenheid. U moet dat goed begrijpen. Wanneer wij iets geven, ontvangen we. Ontvangen we n.l. een bewustzijn en een vreugde, die veel intenser is, dan we ooit kunnen verwerven uit een “krijgen”. En eerst wanneer dat ontvangen dus wordt het geven van deze vreugde aan anderen, is het een ontvangen en een geven tegelijk.

  • Dus het is de manier, waarop je het doet. Wat u zo-even gezegd hebt, is dat mogelijk om in een enkel mensenleven tot stand te brengen in jezelf? Dan zou je er zelf toch nog een ervaring bij moeten hebben van andere zijde?

Simpel menselijk gezien hebt u ongetwijfeld gelijk. Maar mag ik er tegenover stellen, dat een mensenleven onmetelijk is, omdat elk mensenleven in de kern een oneindigheid draagt. M.a.w. de wijze van uw beleven en niet de duur van uw leven zal bepalend zijn voor de bevrijding, die u vinden kunt Het ondergaan van de verlossing in uzelf en het worden van verlossend voor anderen. Het is altijd erg lastig om wat ik denk en weet hieromtrent precies in woorden om te zetten. Ik loop altijd zo erg het gevaar, dat ik in raadselen ga spreken en dat is toch niet mijn bedoeling.

  • Daar ben ik het niet mee eens. Het heeft bij mij juist zeer ingeslagen, aangeslagen, bedoel ik.

Als het bij u heeft aangeslagen, zal het bij u ook inslaan. Want als u aanslaat, dan beroert het u. Maar als het werkelijk u beroert, dringt het door tot de kern van uw wezen en slaat het dus in. En, wat meer is, wanneer het volledig is ingeslagen en de werkelijke kern van uw wezen bereikt, dan is hierdoor een kracht geschapen, die op zijn beurt weer zal aanslaan bij anderen. (dat is niet van mijzelf, maar ik meen wel zeer toepasselijk.) Zijn wij dus hier ook weer overheen?

Dan heb ik eigenlijk nog maar een paar dingen te zeggen. Want ik wilde dit onderwerp behandelen, zoals u weet, juist omdat wij in de kersttijd leven en het belangrijk is, dat we de achtergronden en de kern daarvan leren weten. En nu is dat Kerstfeest ongetwijfeld te vereenzelvigen met Jezus leven. Want het is een herdenken van het ogenblik, dat Jezus op aarde geboren werd. Maar het Kerstfeest zelf heeft nog een heel andere betekenis, een betekenis, die schijnbaar zeer extrovert, zeer uiterlijk is. Zo dadelijk klinken overal de koorzangen weer en zingen de kinderkoren, dan neuriën de mensen, dan branden de kaarsen, dan speelt er een golf van klokkengelui over de hele wereld. Dan zegt men: Het is Kerstmis.

En of dat nu gaat met een kerstboom of een Santa-Claus, of het is in de tropen met verstikkende hitte of in de noordpool met zijn kou, het beroert iets in de mens. Het wekt in de mens een gevoel van verlangen naar vrede en een voornemen om ook vrede te geven. Een stemming van verdraagzaamheid en vrede. Met Kerstmis, ja, dan kun je toch eigenlijk geen vijandschap koesteren, vindt menigeen. Wat speelt zich dan hier af?

In de eerste plaats zou ik zeggen, is hier sprake van een vereenzelvigingsproces. Dus een proces, dat eigenlijk magisch is. Want in deze dagen gedenkt de mens Jezus zozeer, dat hij tracht met Jezus een te zijn. Vandaar zijn streven naar verdraagzaamheid, vandaar zijn pogen om in de wereld, althans deze paar uren, vrede te scheppen en vreugde. Dat magisch proces heeft geestelijk heel wat meer te betekenen, dan u stoffelijk zou denken. Want er wordt een impuls geschapen, die blijft doorklingen.

Zeker, op de eerste Kerstdag sluit je vrede met je buren, op de tweede dag kijk je elkaar scheef aan en zo al een derde kerstdag wordt gevierd, dan is dat zeker de dag, waarop de veldslag opnieuw begonnen wordt. Maar je hebt het voornemen gehad je hebt je gerealiseerd, wat vrede kan zijn.

Wanneer u hier in die kerstnacht luistert zo dadelijk, u hoort in de verte om 12 uur misschien voor de nachtmis een klok roepen, of u hoort misschien in de vroege ochtend de stappen door de holle straten gaan van mensen, die een kerstmis gaan bezoeken, of u komt in de ochtenduren voorbij een kerk en u hoort de gedragen gezangen, de kerstliederen, naar buiten komen.

U hoort een orgel preluderen, dan weet u wat Kerstmis is, wat het betekent. Dan zoudt u voor uzelf zeggen “Och, was het eigenlijk maar altijd zo op de wereld.” Kijk, daar heb je nu de uiterlijke uitdrukking van een innerlijk gevoel. Kerstmis is nog steeds de tijd, dat in de mensen een gevoel van eenheid wakker wordt, ja, wat meer is, dat zij trachten zich de eenheid te realiseren en te bevestigen – zij het dan ook op de onvolmaakte en stoffelijke manier, waarop dat meestal gaat. Het resultaat is dus het vastleggen van een geestelijke impuls, die nog weken, ja soms maandenlang kan voortduren. Gelijktijdig wordt er voor het ik door het bewustzijn van de vrede, het zoeken naar de vrede, een geheel andere innerlijke gesteldheid geschapen.

Niet iedereen, dat geef ik dadelijk toe, is in staat om van deze gesteldheid gebruik te maken. Er zijn mensen, die dat afreageren door het zingen van kerstliederen, het lezen van het kerstevangelie. Maar er zijn ook mensen, die een degelijke stemming de ware weg al beginnen te vinden. Die dan een ogenblik de ogen dicht doen, alsof ze zouden gaan zitten bidden. Maar ze bidden niet, ze beleven alleen maar, heel intens. En in die intensiteit van beleven dat ogenblik van ondergaan in vrede, wordt er iets van eenheid bevestigd met het grote levensprincipe.

Ik weet niet, of ik u duidelijk kan maken, hoe belangrijk dat is. Dat heeft ets meer te maken met sferen en krachten. Dat is een magisch gebeuren. Ik kan het niet anders noemen. Het is net, alsof je een hele wereld, die gespikkeld is in alle kleuren, voor een ogenblik helder wit kunt maken. Zuiver en rein. Even alle bijbedoelingen laten wegvallen, enz. En daarin kun je voor jezelf soms het aanrakingspunt vinden met het waarlijk Lichte, met het waarlijk Goddelijke.

Ik geloof, dat ik het beste doe, wanneer ik hier even een filosoof, een schrijver aanhaal, die zijn beleven in de kerstnacht een keertje, ja, hoe moet ik dat zeggen, in een soort van essay heeft neergezet, een soort van proeve van eigen denken. Wij moeten er wel rekening mee houden, dat deze man een monnik was. Dus zijn uitdrukkingen liggen in het nog een beetje middeleeuws-christelijke. Het katholieke zelfs. Toch raakt hij voor mij de snaar hier zo zuiver, wanneer hij schrijft: “En toen, terwijl op het altaar de mis werd opgedragen en ik dacht over het kind in de stal, was het me, of ik verzonk in een zee van licht. Ik hoorde de zang en ik zong mee. En toch was ik het niet meer. Ik zong met duizend monden, ik zag met ongetelde ogen. De hele wereld zong en ik zong in heel de wereld. Toe zei ik tot mijzelf. Ziet, de mensen van goeden wille, in hen heeft God een welbehagen. Ik zeide tot mijzelf: Ik ben van goeden wille, maar ik kon het niet over mij verkrijgen te zeggen. En dus heeft God in mij een welbehagen. Toen zei ik tot mijzelf: Ziet, ik ben van goeden wille en zo vind ik in God mijn welbehagen. En toen was het licht zo fel, dat ik meende te bezwijken. Mijn ogen zagen niet meer en mijn mond zweeg. De zilveren schel van de consecratie doorbrak de stilte nauwelijks. En toen wist ik waarlijk: Ziet de zoon Gods is geboren.”

Nu zou ik iets willen toevoegen aan dit geschrift. Ik zou achter “is geboren” willen zeggen “in mij”. Want in deze mens werd in een ogenblik van geestverrukking een eenheid met de schepping gevormd, die uiteindelijk kwam tot een eenheid met het licht, de werkelijkheid.

Daarom “ik meende te bezwijmen”.

Logisch. Wat kan er overblijven van menselijk of geestelijk bestaan, wanneer je een bent met het Goddelijke? Het is vreemd, dat juist een dergelijk iets de mens leidt tot zijn uren met God.

Hij heeft er ook later over geschreven, hoe hij hele gesprekken had met God. En voor een leek doen ze wat belachelijk aan misschien. En toch zit er diezelfde intensiteit in. Het is alsof deze mens met zichzelf spreekt, want hij geeft zelf antwoord. En toch is hij ver boven de wereld verheven. Dit is het grote geheim van de verlossing.

Natuurlijk kunnen wij onszelf niet bij de haren omhoog trekken uit het moeras. Dat gaat niet. Maar wij kunnen wel onze weg zoeken, vertrouwend op de krachten, die ons leiden. En wanneer we dat doen, dan komen we ook aan de wal, dan zijn wij ook uit een moeras van allerhande onbegrepen impulsen. Dan gaan we recht en zuiver op ons doel af. En dan weten wij ons geleid door het licht.

Dat weten alleen is al veel waard. Want door de verinnerlijking van alle beleven krijgt elke handeling, elke gedachte, elke daad, een nieuwe betekenis, een nieuwe waarde en vormt voor ons een nieuwe, onbegrijpelijk nieuwe rijkdom van weten en begrijpen. Zo groot, dat je dat niet meer zeggen kunt. Je kunt het alleen maar beleven. En in deze intensiteit van beleven vind je dan je eigen verlossing, je eigen bevrijding. Door een vereenzelviging met de wereld en uiteindelijk een erkenning in de wereld zowel in jezelf van God.

Zo vrienden, nu heb ik op mijn manier een betoog afgestoken, dat naar ik meen enerzijds past bij uw kring en anderzijds bij de tijd, bij de gedachte. Ik kan me zo voorstellen als u over de straat gaat en u ziet overal kerstbomen staan en kerstversieringen in de winkels, dat u ook aan Kerstmis denkt. En daar zit ook weer een heel eigenaardig punt aan. U denkt aan Kerstmis als aan een feest. Hoeveel mensen denken nu werkelijk aan Kerstmis als het begin van Jezus lijden? Dat is typisch menselijk. De mens denkt altijd aan de geboorte als het begin van het leven, niet als het begin van sterven. Toch zijn beide dingen evenzeer waar. Omdat leven en sterven, lijden of verlossen, eigenlijk identiek zijn. In al deze dingen is geen werkelijk verschil.

En zolang dat er in ligt, vrienden, dat ons beleven nog verkeerd is, maar wij voor onszelf reeds weten, dat het leven op zichzelf goed is, ik geloof, dat we dan de weg vinden, die wij verlangen. En in die eenheid God. Zodat we dan als innerlijk levende mensen in de wereld buiten ons een kracht zijn, die leidt tot het innerlijke en tot God.

Hebt u nog iets te zeggen, gaat dan uw gang.

  • Ik heb mij dikwijls afgevraagd: Waarom moest het leven van de mens Jezus eindigen in zon groot lijden? Is het, omdat het lijden meer spreekt tot de mensen? Of was dit een karma? Dat kunnen wij toch eigenlijk niet zeggen in dit geval?

Waarom niet? Als u het begrip karma gebruikt, moogt u het niet gebruiken met een uitzondering. Dan is karma een wet. Dus kun je ook zeggen. Het was zijn karma. Maar laten we het zo stellen: Het feit, dat de mens Jezus zich overgaf aan de Christusgeest, betekende voor hem het einde van het leven op het ogenblik, dat hij zijn openbaar leven begon. Dat is een punt.

Ten tweede: Toen de leer was uitgesproken en bevestigd moest worden, kon zij niet beter bevestigd worden dan door de vernietiging van het uiterlijk teken daarvan. Want daardoor werd het in de gedachte vereeuwigd en was het niet meer het symbool, dat de mens volgde, maar de gedachte. En daarom moest deze mens lijden, en sterven. Zijn lijden en sterven zijn de bevestiging van de leer in de ogen van alle mensen, waardoor de leer kon leven in de harten van de volgelingen i.p.v. in hun stoffelijke verwachtingen, wat tot op dat ogenblik het geval was geweest. Dat is toch logisch? Dat is ook karma. Anders gezegd: Wanneer de mens Jezus niet geïncarneerd was om de mensheid te helpen, wanneer de mens Jezus zich niet had overgegeven aan de Christusgeest, wanneer de mens Jezus tezamen met de Christusgeest niet op deze wijze gewerkt had, zou Jezus niet op deze manier gestorven zijn. Het een volgt uit het andere voort. En zo bevestigt zich de goddelijke wet juist in degenen die de goddelijke wet trachten uit te drukken in alle mensen als een bewuste, een reële factor. Nietwaar?

  • Ik vind het een heel belangrijk ding, want ik heb hieruit begrepen, dat Jezus, de mens Jezus, in zijn leven als mens de Christusgeest tijdens zijn aardse leven heeft gekregen en aanvaard. En hieruit zou ik de conclusie willen trekken – ik weet niet of dit juist is – maar dat hij dus gedurende zijn leven als mens eigenlijk voor zichzelf deze verlossing heeft gehad. Is dat juist?         

Ja.

  • Want door het aanvaarden van deze Christusgeest als mens heeft hij zich toch eigenlijk van zichzelf verlost.

Van het menselijke. Inderdaad. Dat is ook wel zeer belangrijk, maar het belangrijkste is wel, dat wat voor de mens Jezus gold, ook voor u geldt. Op het ogenblik, dat u bereid bent uw gehele leven op te offeren met al wat dat betekent, alles wat u meent, dat uw verantwoordelijkheid of uw eigendom is, uw recht, uw plicht, voor een idee, een idee, die zetelt niet in de wereld, maar in het bewustzijn in jezelf, dan komt er een ogenblik, dat deze idee, deze gedachte tot rijpheid komt. Eerst moet je zelf a.h.w. bereid zijn om te sterven. Dat is het eerste test. Je moet dus bereid zijn je lot te ondergaan. Je moet bereid zijn de kracht te aanvaarden, die tot je komt, en dan groeit ze langzaam in je. Om maar weet een doodgepraat symbool te nemen het is alsof een lotus in je openbloeit en daardoor nieuwe krachten je gaan beheersen. En dan ben je niet meer de redelijke mens. Dus dan ben je eigenlijk niet meer mens. Je leeft, maar de intensiteit van dit leven is zodanig anders, dat er van iets werkelijk menselijks slechts terloops sprake is. De werkelijke drijfveer is een andere. Je zult ongetwijfeld nog ogenblikken hebben dat je jezelf bent. Maar het grootste gedeelte van de tijd voel je jezelf gedragen door een nieuwe kracht. En die kracht is in je ontwaakt, doordat je door dit leven a.h.w. over te geven, te verloochenen haast en het innerlijke te stellen boven al het uiterlijke, de kracht, die reeds in je aanwezig is, de mogelijkheid hebt geboden om zich door je te uiten.

Zo kan de Christusgeest zich in elke mens uiten. Ook al gebeurt dit niet altijd, met als besluit een kruisiging in het openbaar. Heel veel van die mensen worden stilletjes gekruisigd, heel onopvallend, door hun medemensen. Soms in een gekkenhuis, of in een gevangenis. Soms alleen maar door misachting en verwaarlozing. Maar die kruisiging zegt niet veel. Want voor dat beetje uiterlijk lijden is er zoveel innerlijke rijkdom, dat er geen vergelijk meer mogelijk is.

Het belangrijkste voor u is misschien, dat Jezus dit bereiken kon tijdens zijn leven dat hij het bereikt heeft. Voor mij is het belangrijkste, dat de conclusie logischerwijze is, dat ditzelfde voor ons allen mogelijk is, indien wij zijn weg willen volgen. Zo is dat.

o-o-o-o-o

DE OUDE GODEN

De goden, waarover ik in de eerste plaats zou willen spreken zijn de Baäls. De Baäls, de Heren der Schepping, die wel worden geleid (b.v. bij de Babyloniërs) door Bel Herachte. Bel Herachte is de heer der zon. Hij is een machtig en groot schepper en tezamen met verschillende andere grote Beren regelt hij het geheel van al wat er gebeurt op aarde. Hij heeft natuurlijk zijn medewerkers, en onder die medewerkers valt ons op een god van de dood, een god van de wijsheid en een godin van vruchtbaarheid. Er zijn in het geheel zeven goden met deze Bel Herachte aan de top. Dat ik u Heer Simo de god der wijsheid noem, en de god des doods als degene, die onmiddellijk op hem volgen, is gelegen in de eigenaardige leerstellingen, die men reeds in de oude tempels verkondigde. Men zeide daar n.l. zo: De grote Heer van het licht leeft in het licht. En wanneer hij voor een ogenblik met een zeer flitsende bliksemstraal de aarde beroert, zo is hij reeds weg, voor het mensenoog zich heeft gerealiseerd, dat hij er is.

Toch wilde hij zijn schepselen leiding en kracht geven. En zo schiep hij twee krachten, die gezamenlijk het totaal van alle wijsheid en alle begrip uitmaken de god der wijsheid en de god des doods.

De god der wijsheid bevat in zijn wezen het totale van alle weten, de god des doods het totaal van alle begrip. Deze twee samen bevatten dan ook al, wat Bel ooit aan de mensheid heeft gegeven of geven kan, ja, zelfs het grote geheim van zijn schepping en het Al. Deze geheimen worden dan in een geheime school uiteengezet. En ik geloof, dat het u zal interesseren te horen, hoe men zich deze taakverdeling tussen de dood en de wijsheid voorstelde.

Er is een mens in deze, gelijkenis en deze mens wordt door die beiden beschouwd. Dan zegt de god der wijsheid – Simo heet hij in dit verhaal -: ” Ziet, deze mens zal ik alle kennis geven, die op de wereld bestaat. Hij zal meester zijn van alle magie, hij zal weten wanneer de wind waait, wanneer de zon schijnt. Hij zal weten, wanneer hij moet oogsten en wanneer hij moet zaaien. Hij zal de gehele wereld beheersen.”

Dan staat de god des doods daarbij en dan zegt deze “En indien gij hem dit alles geeft en mijn tijd komt, dan zal ik hem slechts een ding leren, n.l. dat het leven het enige is, wat belangrijk is. Dat kunt gij hem niet leren, god der wijsheid.” De god der wijsheid antwoordt en hij zegt: “Gij waarde vriend der duisternis, wanneer ik deze mens leer zijn wereld te beheersen, zo kunt gij hem misschien die wereld te waarderen. Maar wanneer ik met hem spreek zal hij luisteren uit angst voor u. Doch wanneer hij in uw rijk is en ik spreek met hem, zal hij niet luisteren om de wijsheid te winnen, waarmede hij uw boeien verbreekt?” Dan lacht de god des doods. Dan zegt hij “In mijn rijk zijn er geen banden dan de banden, die de mensen zichzelf aanleggen.”

Hier ligt het verhaal in van de oude goden. Ik zou het in duizenderlei, vorm kunnen herhalen, maar in dit ene voorbeeld vindt u de gedachtegang van de oude mensheid, van de oude wijzen.

Het leven is er om het weten te vinden, maar het weten op zichzelf smeedt banden.

Wanneer Simo, ook wel Anoe genoemd, opeen gegeven ogenblik al zijn wijsheid in een mens kan gieten, dan kan hij daarmede niet beletten, dat deze mens sterft. Want het weten is niet voldoende om de dood te overwinnen. Wanneer de dood deze mens neemt, dan leert hij deze mens slechts een ding, de heiligheid van het leven. Meer niet. Maar indien hij dit weet en dus begrijpt, wat de werkelijke waarde is in het leven, dan zal de god der wijsheid in staat zijn hem te leren vrij te zijn, zich te bevrijden van de god der wijsheid – evenzeer als alle anderen – de banden des doods noemt.

In dit verhaal, dat betrekkelijk lang verder gaat met een zeer avontuurlijke tocht van deze begenadigde mens, komt dan het einde. De god des doods komt en zegt “Zeg vaarwel aan dit leven en volg mij.”

Dan zegt de mens “Maar in uw duisternis ken ik niets.” “Kent gij niet uzelf?” zegt de god des doods. “Ja, maar dat is het enige”, zegt die mens. Dat kan hij best begrijpen. Hij is alleen, er blijft niemand over. Dan komt de god der wijsheid. Die zegt “Ben je vergeten wat ik je geleerd heb?” “Neen,” zegt de mens, “vergeten niet, maar ik heb niets meer, buiten mij bestaat niets meer.”

De god der wijsheid “Wanneer er niets buiten je bestaat, schouw op wat te in je draagt.”

Dat doet deze mens. En dan staan twee goden allebei verbijsterd, de god des doods en de god der wijsheid. Want waar zo-even nog een mens en een bewustzijn waren, een geest dan tenminste, is niets meer.

Dan gaan ze naar Bel Herachte en onderweg komen ze Ishtar tegen. Ze zeggen dan “Moeder, ga met ons. Want ziet, een ziel is verdwenen uit het rijk des doods en de wijsheid kan haar niet meer vinden.” Dan kijkt Ishtar en zegt “En ook in de vruchtbaarheid leeft deze ziel niet.”

Dan gaan ze naar Bel Herachte. Zij komen daar aan het hof, ze vragen toegang en eindelijk zal de machtige Bel zich verwaardigen met de lage goden te vergaderen. Dan vragen ze hem: “Heer, hoe kan het, dat deze mens is verdwenen?” Dan lacht Bel Herachte en zegt: “Ziet gij de stralen van het licht niet, die rond mij spelen?” “Ja,” zeggen die andere goden. “Nu”, zegt Bel Herachte, “dit licht, dat van mij komt en tot mij keert, bestaat uit zielen en een daarvan is de ziel, die gij zoekt. Maar indien gij kunt kiezen uit het licht dat mij omgeeft, de kracht, die eens deze mens was, ik zal u deze ziel teruggeven voor uw rijk.”

Dan druipen de goden af en blijft er alleen nog maar over het homerisch gelach van Bel, die vanuit zijn grote hemel en zijn zuiver licht neerlacht en over de wijsheid en over de dood.

De ouden zagen dus de goden niet als werkelijk goden of almachtigen. Er was er een, die de machtigste was, de grootste. Het eigenaardige is, dat deze grootste god altijd geïdentificeerd wordt met licht, met de zon, met alle leven. Zeker, hij heeft zijn tegenpolen. Hij heeft Ishtar, die het ene ogenblik de verschrikkelijke is, de hartstocht, het andere ogenblik het zachte element, de werkelijke liefde en in deze beide gevallen de vruchtbaarheid van de wereld vertegenwoordigt. Daar zijn de goden van wijsheid, van rijkdom, van krijg, maar al deze goden, zij zijn aparte kleine wezens. Wanneer zij komen in dit grote licht, dan moeten zij zich laten aanmelden dan moeten zij heel voorzichtig zijn. Dus de kleine goden onder een grote God.

In al die kleine goden zijn de aspecten van de mens uitgebeeld. Wij stellen ons zo graag voor, dat al deze goden aspecten zijn van het Goddelijke, geprojecteerd op de bewuste mens. Maar dat is niet waar. De vroegere primitieve mens heeft juist voor zichzelf een reeks beelden geschapen, waarin elk zijner eigenschappen op de meest volmaakte wijze werd uitgebeeld.

Wanneer er toorn is, dan is er een god des toorns. En hij is zo verschrikkelijk, dat hij alles wegvaagt van de wereld.

Wanneer er een godin van de liefde is, dan verteert zij alles, hetzij met haar hartstocht of met haar liefde gaat, zij neemt het in zich op en beheerst het. Is er een god van de wijsheid, dan is er geen enkel geheim voor hem. Dit zijn de verlangens van de mens.

En na zou ik, graag een stukje – ja, voorlezen is niet het juiste woord – maar willen voordragen uit de oude inwijdingsgeschriften uit die tijd, waarover ik spreek. Daar staat n.l. zeer opvallend, dat dit boekje later verdwenen is. Het was gegrift, het waren 70 tafelen, kleitafelen.

Er staat geschreven:  “Zo wanneer ge spreekt tot een god, spreekt gij tot een vervolmaking van uzelf. En wie gaat tot de goden, gaat tot zichzelf. Maar boven alle goden is er een Macht, zoals er boven alle leven een Macht is. Deze Macht is de grote Onveranderlijke, de Levengever, die alle krachten bezit en beheerst. Uit Hem zijn alle dingen. En uit de mens komen de goden, die de aspecten – de vertaling is niet helemaal juist – maar de aspecten en aangezichten van de grote god vertalen voor de mens. Zo schouwt de mens in zichzelf een god. En indien gij gaat tot de goden om hun eer te bewijzen, weet dit wel. Gij zijt het, die uzelf aanschouwt in dit beeld. Gij offert uzelf en, gij smeekt u zelf. Doch terwijl ge offert voor uzelf en uzelf smeekt, werkt gij met de krachten der eeuwigheid en keert ge tot het licht. En de Heer des Lichts, die uw ware Meester is, zal u regeren maar ook behoeden en u leiden tot een bewustzijn – ook weer geen juiste vertaling – (het woord houdt het midden tussen bewustzijn, begrip en weten) dat het u mogelijk maakt te zijn in alle goden en te zijn alle goden en toch uzelf te zijn. En hebt ge dit bereikt, zo verlaat de tempels der mensen, want ziet, deze wereld heeft u niets te bieden. Maar de werkelijkheid uit het Goddelijke doordringt u.”

Ik probeer in deze vertaling zo goed mogelijk dit oude geschrift weer te geven. Om dit te doen in de dichtregelen, waarin het geschreven staat, lijkt mij enigszins brutaal te zijn. Ik kan dat niet zo mooi. Er is dus voor ons alle reden voor deze oude wijsgeren te achten. Ik heb u al eens eerder gesproken over het oude Egypte. Ik zou u nog meer kunnen vertellen over Egypte-land en dergelijke, maar ik wil liever wat verder terug gaan in de tijd. Er is een tijd geweest, dat een mens geloofde in twee goden. De ene god, die in zojuist mogelijke klankvertaling Anjoe hete, de tweede, die Binanjoe heette. Deze beiden waren een volledige tegenstelling. Anjoe bouwde en voortdurend metselde hij aan een ark. Maar wanneer hij vermoeid was en rustte, kwam Binanjoe. Deze brak alles af, wat Anjoe had gebouwd.

In die dagen waren er ook reeds wit-magiërs en tegelijk wijsgeren. En ook hier zijn bepaalde verhandelingen overgeleverd, waarin dit tweeheidsprincipe van het Goddelijke werd uiteengezet. En ook hier vinden wij een betrekken van de eigenschappen der goden op die der leerlingen. Het staat hier geschreven (beter gezegd geschreven in de harten der mensen en het kosmisch geheugen) Anjoe is in u het goede, wat ge wilt, en Binanjoe is in u het slechte, wat ge doet. Want altijd zal het lot der mensen zijn, dat hij het ene verlangt en het tweede bezit. Het ene wenst en het tweede doet. Zolang er in de mens deze verdeeldheid is, zal hij in het goede bouwen en in het slechte breken, wat hij gebouwd heeft. Zo blijft het Al gelijk en zal het nooit volmaakter worden, dan het is. Zo blijft de mens gelijk en zal hij steeds de mens blijven van het begin tot het einde.

Maar wanneer wij deze beide krachten laten en boven deze beide gaan in de wereldgeest, dan vinden wij een kracht, die Anjoe regeert en Binanjoe in toom houdt. En in deze kracht zien wij dat beide elkaar aanvullen, zodat het brekend en bouwend principe gezamenlijk zijn de eenheid, waardoor een wereld kan zijn, In deze wereld, die kan zijn, moeten wij onszelf kennen.

Kennen wij onszelf, zo heersen wij, zowel over hen, die breken als hen, die bouwen en als meesters gaan we boven deze wereld en scheppen voor onszelf datgene, wat wij noodzakelijk achten. En zo wij onze schepping hebben, zal onze schepping zich ontwikkelen, maar Binanjoe zal leven in ons en breken zodat blijft wat wij wensen, niet meer en niet minder.”

Dit is aardig, omdat hier eigenlijk de evolutieleer op een merkwaardige manier wordt tegengesproken door zeer primitieve denkers. Zij zeggen: “Er kan geen evolutie zijn, omdat evolutionair principe met zich meebrengt een vooruitgang, die op zichzelf een chaotisch principe wekt, zodat wording en ondergang in evenwicht blijven.” Dit geldt voor deze leer eigenlijk alleen daar, waar van materie of vorm sprake is. Boven de vorm is het absolute bewustzijn, dat scheppend vermogen geeft en een beheersing mogelijk maakt over alle factoren en invloeden, die optreden in de wereld. Maar buiten het vormelijke.

En het is juist deze stelling die ik naar voren wil brengen als aanvulling en misschien een kleine kritiek op hetgeen de eerste spreker heeft gebracht.

Zolang wij een vorm kennen, zijn we gehouden die vorm in stand te houden. Want in dit erkennen van de vorm ligt een beperken van ons eigen wezen, ons eigen vermogen. Door deze beperkingen dwingen wij onszelf te blijven, die wij zijn. Op het ogenblik, dat wij een leer stellen en scherp formuleren, zullen wij door deze leer te blijven handhaven voor onszelf een verdere ontwikkeling, dus een groter bewustzijn of een grotere beheersing onmogelijk maken.

Op het ogenblik, dat wij voor onszelf onze eigen positie of toestand, ons eigen begrip omtrent wezen en karakter, te scherp formuleren, houden wij ons vast aan een stelling en blijven wij voortdurend aan het werk om die stelling te handhaven. Wij hebben geen tijd over voor verdere ontwikkeling en bewustwording.

Zo is het het bij het Christendom ook. Wanneer men de leer van Jezus ziet als een voortdurende ontwikkeling, dan zal deze leer zich met de wereld verder ontwikkeld hebben en zal dus het Christendom van heden een ander moeten zijn dan vroeger. Het is niet zo, dat de weg van Jezus veranderen kan, maar de wijze, waarop die weg gegaan wordt, zal veranderen van mens tot mens, van tijd tot tijd. Wie de oude weg volgt in deze dagen, maakt volgens mij een fout, die niet kan worden goedgemaakt. Want zich houdende aan een wet, aan een reeks van regelen, die niet meer precies passen in eigen wezen en tijd, zal hij zichzelf voortdurend moeten beperken binnen zijn wereld en in deze beperking de kracht verliezen om vooruit te gaan.

U ziet, mijne vrienden, enige kritiek is zeker aangebracht. Vooral omdat deze kritiek uiteindelijk overeen komt met hetgeen reeds de oudsten onder de leraren, de denkers van de mensheid, hebben gezegd. In ons zijn Anjoe en Binanjoe beiden voortdurend werkzaam. Wij bouwen met onze gedachten luchtkastelen en wij breken met onze daden in stof en geest deze kastelen weer af door te zeggen “Maar dit is te ver gegrepen. Wij kunnen het niet verwerkelijken, want zo ben ik.” Met dit “zo ben ik” breken wij.

Laat ik het voor mezelf vertalen in andere termen. In ons leven is de goddelijke stuwkracht, dat is het Allerhoogste. Maar deze goddelijke stuwkracht openbaart zich in ons in twee dingen.

Een doelstelling en een zelfbegrip. Wanneer het zelfbegrip scherp wordt geformuleerd, is het onmogelijk de doelstelling te volvoeren. Een doel volvoeren, vervullen wat je je voorstelt als het besten kun je alleen doen door jezelf te vergeten. Blijf je denken aan jezelf, dan zul je je zozeer beperken in al, wat je bereikten kunt, dat je je doel nooit kunt verwezenlijken. Dat nu toegepast op Christendom. Zolang een mens meent Christen te zijn, wanneer hij aan bepaalde wetten gehoorzaamt, wanneer hij meent, dat Christendom is gelegen in een bepaalde wijze van leer en zelfs handelen i.p.v. een bepaalde instelling tegenover de wereld, dan zal hij nooit een waar Christen kunnen zijn volgens het ideaal, dat hij zich stelt.

En wanneer wij dan spreken over Jezus en de Christusgeest en alles, wat u in de eerste helft hebt gedaan, dan voel ik in mij nog een volgende kritiek opkomen. Wanneer n.l. zo over Jezus leer wordt gesproken, dan komt men in de verleiding aan te nemen, dat dit een vaststaande leer is, een dogma. Maar wat Jezus geleerd heeft was geen dogma. Het was een moraal, een zedenleer. De zedenleer is aanvaardbaar, wanneer wij ze toepassen op ons eigen wezen, volgens de kennis van het eigen ik. De zedenleer is nuttig, want zij geeft ons een richting, waardoor wij ons eigen wezen sterker kunnen beheersen en gelijktijdig ons vormbewustzijn en eigenschapsbewustzijn verminderen tegenover een vervulling van de stellingen, die wij als ideaal erkennen.

Mijne vrienden, misschien is deze kritiek voor u wat hard, ik weet het niet. Maar wanneer zij hard mocht zijn: bedenk, het is een niet-Christen, die ze uitspreekt. Wanneer u zult zeggen: “Ge hebt gelijk”, dan zou ik u willen voorhouden “Bedenk dan wel, dat niet het verwerpen van de vorm voor u nuttig is. Want wie een vorm schept daarmede weer een bepaald patroon„ Maar laat u leven door innerlijke kracht in u en aanvaard het doel als de hoofdzaak. Indien u de rest verwaarloost, dan hebt u bij uzelf de strijd tussen Anjoe en Binanjoe uitgeschakeld en hebt ervoor in de plaats gekregen, de verwerkelijking van het scheppende, waardoor uzelf schept. Maar realiserend, dat al, wat gij voortbrengt, geestelijk en stoffelijk, in zich wederom het tweeledig principe zal dragen Anjoe en Binanjoe. Uiteindelijk zal het zich misschien verder ontwikkelen, totdat gehele reeksen van goden zich rangschikken onder de God des Lichts. Dan zult gij misschien ook spreken in uw wezen – al noemt gij dat anders – van een godin der vruchtbaarheid, van een god der wijsheid, van een god des doods. Maar hoe gij ze ook noemt, het komt steeds weer voort uit de splitsing der dingen in twee waarden. Zolang er verschil is tussen gedachten en daad, zolang er een verschil is tussen begrip en verwerkelijking, is het voor ons een onmogelijkheid om iets te bereiken Op het ogenblik dat begrip en voorstelling, gedachte en daad, kortom, al in ons wezen een is in een voortdurend streven, waarin de gehele persoonlijkheid zich voortdurend uitdrukt en richt, zijn wij de ware scheppers. Als ware scheppers kunnen wij een zijn met de Grote Schepper. En een met de Grote Schepper vervullen wij de volmaaktheid en volbrengen wij voor onszelf ons levensdoel.

En dan geloof ik ook, dat wij uiteindelijk de laatste richting geven aan al wat zijn moet, n.l. in al het levende de invloed neerleggende – en hier kom ik dan in overeenstemming met de Christusgeest die ik niet wil zien als een goddelijke factor zonder meer, maar als een deel van het geschapene, dat geleefd hebbende vanuit het Goddelijke werkzaam is – dan krijgen we dus de invloed, die al hetgeen nog verdeeld is in tweeheid tot eenheid opheft en zo een maakt met het Al-scheppende. Totdat op de duur de wereld zich terugtrekt in duisternis en slechts de potentie daarvan voor het bewustzijn blijft bestaan, maar het wezen zelf aanwezig blijft in volledige vrede.

Daarmede heb ik dan voor mij ook een kleine rede uitgesproken. Indien er onder u zijn, die menen deze bepaalde punten te mogen aanvallen (ik zou mij dat kunnen voorstellen) of om te vragen, hoe ik dit of dat bedoeld heb, dan kan ik alleen maar zeggen: “Vrienden, ik zal zeker met grote nederigheid naar uw kritiek luisteren en met ware vreugde trachten mijn stellingen verder te belichten, indien u dit nodig acht.”

  • Mag ik u iets vragen? Wij leven in de tijd van de Christusgeest, zou ik haast zeggen. Maar komt het er op aan, hoe wij die noemen? Wanneer de kern een streven naar waarheid is, dan hindert het toch niet of het ‘n naam heeft?

Noem iets eend, kip, bamboe, rijst, rijst zal het blijven. Noem waarheid leugen of wijsheid of wat u wilt, het blijft waarheid. Noem de kracht, die tot bewustwording drijft en tot eenheid en vrede Christusgeest of anders zins, zij zal zich zelf blijven. Een naam is niet belangrijk. Het wezen alleen is belangrijk. Naarmate dit wezen minder gevormd is in ons voorstellingsvermogen maar meer een impuls is voor ons streven, is het voor ons meer waar en meer belangrijk.

  • Ja, omdat u zo-even zei u bent geen Christen. Maar dat doet er toch eigenlijk niet toe, of wij het wel zijn of niet…. Dat wil ik alleen maar even vaststellen. Het is geen kritiek, het is alleen…

Neen, ik kan u begrijpen. Sta mij toe een opmerking te maken. Dat waar het misschien in werkelijkheid en geestelijk onbelangrijk is, het voor uw wereld vaak zo belangrijk is, of iemand Christen is of niet, of iets anders. Ik heb zelf horen zeggen, dat het soms zeer belangrijk is, of je al of niet P.v.d.A. bent, K.V.P., Communist of iets anders. M.a.w., men kijkt niet meer naar de mens maar naar het etiket, dat er is opgeplakt. Juist daarom heb ik mijn eigen etiket even nader bepaald.

  • U wilt er dus die scheiding mee trekken.

Neen. Een scheiding trekken doe ik zeker niet. Wat dat betreft zal de wereld gelukkig zijn, waarop de enige mens, die nog scheiding tracht te maken, de kapper is.

o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o-o

Meditatie

 Eenheid

 Eenheid. Wij zouden ook kunnen zeggen ongedeeldheid. Want een-zijn is het werkelijk wezen van al, wat er bestaat. Er is maar een God, een Kracht, één leven. En al wat bestaat is een deel van die eenheid, onverbrekelijk ermede verbonden, niet te scheiden.

Maar wanneer ons bewust zijn deze eenheid verwerpt, dan bestaat er nog een vermogen van opgaan erin. Wij kunnen dan, al kennen wij die eenheid niet bewuste de ongedeeldheid met de schepping ervaren, Doch komen wij op het punt, waar wij voor onszelf zeggen “Ziet, hier ben ik en daar is het andere”, dan hebben wij gescheiden en gedeeld in ons bewustzijn en is de eenheid verloren. Dan zal de harmonie nooit kunnen terugkeren. Daarom zou ik eenheid als volgt willen omschrijven.

Eenheid. Het grenzeloze wezen, dat zelf alle leven is, het ontvangen en het geven, het zelf dus steeds te allen tijde. ‘t Is eenheid en ook eeuwigheid.

God is eenheid, alle dingen, door Hem gebonden, door alle tijd, zijn onverdeeldheid binnen Zijn wezen worden door Zijn kracht geleid. En in Zijn bewustzijn is hun streven eenheid met Zijn wezen. Eenheid, wonder van de ziele, die plots in zichzelf ontwaakt en gedeeldheid en verdeeldheid van bestaan en wereld wraakt. Eenheid, kracht van ‘t ware leven, bron van ‘t werkelijk bestaan, waarin alles de eenheid gevend, de eenheid in jezelf vindt als kracht, waarmee ook alle streven en al ‘t verlangen wordt voldaan.

Eenheid, woord vol harmonieën, de volmaaktheid zonder grens, geborgen in ‘t kleinste schepsel, levend ook in elke mens.

Eenheid, raadsel aller tijden eens ontraadseld ook door mij. Eenheid, heb ik u gevonden, ‘k ben een met God, ‘k ben zelf vrij.

Eenheid laat geen scheiding toe. Waar een eenheid reëel is en bestaat, daar kan geen ware scheiding, geen begrenzing meer aanwezig zijn. Zo is het tussen ons en God, tussen ons en alle schepping.

Wij moeten dit aanvaarden en verwerken, deel maken van ons eigen leven en bestaan, voordat wij zelf zullen ontwaken tot dit nieuwe, dit volle leven, waarin één zijn met God de kracht is, de bron van het bestaan. En het bewustzijn, zich uitbreidend met alle weten, met alle begrip en wijsheid, weet en ziet “Dit ben ikzelf. En zelf zijnde ben ik een met al wat leeft, wat leefde of wat leven zal, een met alle kracht. Niets was ik alleen, maar in de eenheid ben ik – bewust van het ene, wat ik ben – alles, omdat ik een ben met mijn God.

Zo zou ik de eenheid willen beschrijven, vrienden. Eenheid is een innerlijke toestand, niet anders. Eenheid kan niet worden uitgedrukt met stoffelijke feiten of met woorden. Ze moet worden beleefd en aangevoeld. En in dat beleven en aanvoelen zult ge – daar ben ik van overtuigd – eens zelve begrijpen, waarom het noodzakelijk is, dat alle grenzen vallen, dat ons hele wezen opgaat in het ware leven.

Misschien zult gij dan ook terugkeren, trachtend woorden te spreken, om de eenheid duidelijk te maken en ge zult weten, dat ge niet slaagt. Maar ook zult ge weten, dat deze onvolledige uiting van de eenheid meer waard is dan alle zuivere en scherp omschreven persoonlijke uitingen, dan alle wijsheid en alle kracht. Want slechts een met het Oneindige zijn we zelf werkelijk. Slechts verloren in de oneindigheid zijn wij alle dingen een met God. En zo deel der grote eenheid, bewust van ons eigen doel en wezen, onze oorsprong en ons einde, kortom van al, wat thans nog ons zo vaak bezwaart.

 Bedenk wel: Eenheid voor nu een waan, wordt later deel van uw bestaan en brengt u tot een werkelijkheid, waarin ge – van uw ik bevrijd – met God, in God, bewust zult leven.

Print Friendly, PDF & Email