De achtergronden van het boek Genesis

29 juni 1962

Aan het begin van onze bijeenkomst wijs ik u er op, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.  Voor heden  is mijn onderwerp:De achtergronden van het boek Genesis.

Wanneer wij in de bijbel het verhaal van de Schepping lezen, klinkt het alles miraculeus en wonderdadig. De doorsneemens aanvaardt het zo en zoekt niet verder naar verborgen wijsheid, die toen in dit boek – vaak uitermate poëtisch en met zeer korte en juiste omschrijvingen – aan het ontstaan van mensheid en wereld wordt gegeven.

Wanneer wij het begin bezien, wordt onze aandacht reeds onmiddellijk door een eigenaardige formulering getrokken: “In den beginne was het woord. Het woord was in God en het woord was God…..”  Bij enig nadenken zal men in deze formulering een strijdigheid ontdekken. “In den beginne was het woord”. Goed, het bestond dus. Ook in u bestaan woorden, die nog niet geuit behoeven te worden. “Het woord was in God”. Klaarblijkelijk bestond dit alomvattende woord dus in de Algeest, in de Schepper. “En het woord was God”. Dat lijkt mij niet juist. “Het woord was in God”. Dan was God dus reeds. God is groter dan het woord, want het woord was in God.

Deze strijdigheid kunnen wij verklaren door even na te denken: “Het woord was God”, betekent in feite: “Het woord werd geuit.” De Goddelijke macht komt zo tot openbaring. Op het ogenblik dat dit geschiedt is het woord voor de schepping het enig kenbare deel van de schepping.  “God is meer dan het woord, maar voor de schepselen is het woord God”. Menige christen zal voor deze ontleding huiveren, maar de uitleg maakt opeens een vergelijking mogelijk met stellingen uit hindoeïsme en boeddhisme. Ook daar leert men, dat er een grote kracht is, waaruit alles voortkomt, terwijl deze kracht zelf niet kenbaar is. Brahman is. Uit Brahman ontstaat Brahma, de geuite en scheppende Godheid.

Er zijn meer punten, die uitgelegd worden op een wijze, waar over men zou kunnen strijden. “God schiep de engelen”, maar wat die engelen nu werkelijk zijn, staat in de bijbel niet verder omschreven. Natuurlijk kunnen wij nu gaan stellen, dat engelen lichtende geesten zijn die nooit in de stof geleefd hebben, maar dat staat niet in de bijbel. Het is zelfs de vraag, of degene, die dit alles neer heeft geschreven, wel heeft willen zeggen, dat engelen zuiver onstoffelijke wezens zijn. Wel is zeker, dat zij in de hemelen leven. Dat kan evengoed doelen op andere plaatsen als in bepaalde sferen. Zeker is, dat zij bestaan voordat de mens leeft.

Ook de val van Lucifer doet bij enig nadenken vragen rijzen. Lucifer, Zoon van de Morgen, Prins van Licht, is het niet eens met de schepping van de mens. Hij wordt door de gewapende scharen van Michaël uitgedreven.

Wanneer het hier werkelijk over een sfeer, een onstoffelijke hemel, gaat, zal de aanduiding van deze strijd als een allegorie beschouwd moeten worden. Er is ook een andere uitleg mogelijk, die meer stoffelijk is. Hierbij is het gebruik van wapens, het uitdrijven in het duister enz., begrijpelijk en logisch in letterlijke zin. Stel; dat engelen meer bewuste wezens zijn, die de hogere macht door hun experimenten zullen helpen op aarde de stoffelijke mens tot stand te brengen. God is daarbij de leidende Kracht, die onstoffelijk, voor – hen allen kenbaar – hun wegen bepaalt en de experimenten geheel leidt, handelende door Zijn “engelen”. Het plan wordt dan aan deze engelen voorgelegd. De meesten zijn daarover enthousiast, maar enkelen denken iets verder na. Zij zien mogelijkheden, die de anderen ontgaan of zelfs deze kennende van minder belang achtende.

Vergelijk hier de houding van verschillende geleerden t.a.v. de atoombom. De voorzichtige stellen: Dit is te gevaarlijk. Deze wezens zouden even sterk of sterker kunnen worden, dan wij zelf zijn….. Hierdoor ontstaat een strijd, die eindigt met het wegtrekken naar een andere planeet, of zelfs ster van de verliezende partij. Dezen blijven de aarde gadeslaan en zullen trachten daarop in te grijpen, ondanks deze splitsing van de hemelbewoners in twee kampen, omdat zij in de mensheid een bedreiging zien van hun vrede, hun mogelijkheden, eenheid en macht.

Een dergelijke gang van zaken is aan de hand van het in de bijbel gestelde, evengoed denkbaar als de meer gangbare opvatting. Dit wordt nog duidelijker, wanneer men beseft dat in de tijd dat deze boeken geschreven werden door de Levieten onder leiding van Mozes, geen uitdrukking bestond, waardoor een verschil tussen de geestelijke hemel en de stoffelijke hemelruimte aan te duiden was. In deze tijd kende men reeds de loop dor sterren en hield men rekening met de banen der planeten, Er was een sterke associatie van de eenvoudige mensen uitgaande en in alle godsdienst weerkaatst, tussen deze hemellichamen en Goden, of engelen. Vooral in Egypte blijkt dit alles sterk ontwikkeld te zijn. Meerdere inscripties getuigen hiervan nog. En wij weten, dat Mozes priester van Egypte was.

Een volgend punt is de zin, dat God in zes dagen de wereld schiep en de zevende dag rustte “ziende, dat Zijn werk goed was”. In uw dagen is men het er wel over eens, dat met deze “dagen” nimmer eenvoudige omwentelingen van de aarde om haar as bedoeld kan zijn. Daarom spreekt men van tijdperken.

In het oosten vinden wij de voorstelling van een kosmische dag en een kosmische nacht. Dit is een periode, die naar ik meen rond 50.000.000 jaren omvat. Indien wij aannemen, dat met “dag” een dergelijk begrip wordt aangeduid wordt, plotseling de ontwikkeling van de wereld in 6 dagen denkbaar en is de genoemde periode 300.000.000 jaren zelfs aardig in overeenstemming met alles, wat omtrent het ontstaan van de aarde op wetenschappelijke basis wordt vastgesteld.

Aan het einde dus op de laatste dag der Schepping werd de mens geschapen. Nergens staat daarbij vermeld, dat deze mens gelijkt op de mensen van heden. Opvallend is daarbij de vermelding, dat deze mens is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Hij werd uit aarde gevormd en bezield door de adem Gods.

Hierbij denk ik onwillekeurig aan de Rode Adam, Adam Kadmon die het totaal der mensheid is. Volgens de legende zou deze Adam, in een rusten tegen de Goddelijke voorschriften in, een deel van zijn eigen wezen prijs geven aan de engelen der duisternis, die deze delen overal verspreiden. Nu dient de Adam Kadmon door de wereld te gaan om deze delen van zijn Ik terug te vinden. Eerst wanneer hij alle delen van zijn wezen heeft teruggevonden en met zijn wezen tot eenheid heeft gebracht, is hij weer waarlijk het beeld Gods en zal hij het eeuwige leven, dat hem door de Schepper is gegeven, waarlijk bezitten en de Goddelijke grootheid weer waarlijk kunnen beseffen.

Deze legende haal ik aan, omdat zij een verklaring zou kunnen geven voor de strijdigheid, die Adam vertoont voor en na de uitdrijving uit het paradijs. Ook over dit paradijs horen wij verschillende eigenaardigheden: De leeuw ligt bij het lam… M.a.w.: er is geen strijd. Nu zijn er twee omstandigheden in de natuur, waarbij werkelijke strijd tussen de dieren praktisch niet voorkomt, een periode van zo grote nood, dat zelfbehoud alle dierlijke instincten en lichamelijke behoeften van de dieren terzijde drukt. Ook in tijden van grote welvaart en verzadiging blijkt bij vele dieren geen behoefte aan strijd te bestaan.

Er is op deze laatste vaststelling maar één wezen dat een werkelijke uitzondering vormt: de mens. Wanneer een mens overvloed en welvaart geniet, waarbij al zijn werkelijke behoeften gedekt zijn zal hij strijden om zijn welvaart te vergroten ten koste van anderen, die reeds minder hebben dan hij.

In het paradijs heerst in ieder de vrede en harmonie. Dit paradijs wordt ons beschreven als een land van overvloed, dat door vier stromen wordt beïnvloed. In feite schijnen er twee rivieren te zijn geweest, die als diagonalen het land doorkruisten. Ook de zijden van het paradijs blijken begrensd te zijn, vermoedelijk door woestijnen of door land. In ieder geval is het een gebied, dat tegen de omringende wereld goed beschermd is. Het lijkt mij niet juist dit paradijs als geheel de wereld te beschouwen. Al even onlogisch lijkt het mij deze streek te beschouwen als een soort kosmische mensen incubator, door een kosmisch wezen in het bijzonder en alleen voor dit doel geschapen.

Men stelt wel, dat op deze plaats de eerste mensen hebben geleefd, dat er voordien geen mensen op aarde bestaan hebben. Dit lijkt mij niet logisch. Wanneer Adam en Eva uit het paradijs verbannen zijn, vermoordt Kaïn Abel. Dan vernemen wij, dat Kaïn vluchtte naar een ver land en zich daar een vrouw nam.

M.i. blijkt hieruit duidelijk, dat het paradijs niet het begin der gehele mensheid is. Andere volkeren hebben klaarblijkelijk buiten dit paradijs bestaan. Wanneer men niet tracht het eerste standpunt te verdedigen, maar eerlijk en open het verhaal leest, zo blijkt hieruit duidelijk genoeg, dat het hier niet gaat om het ontstaan van alle mensheid, maar eerder om het ontstaan van een meer bepaalde soort mens. Een ras van mensen, die God waardig zijn. Wanneer wij alles, wat er omtrent de wording van aarde, mens en mensheid bekend is geworden, bezien, zullen wij dit standpunt aanvaardbaar achten, want ergens ontstaat een mutatie, een vorm van het genus homo, die zich aan het dierlijke instinkt onttrekt. Alle voordien bestaande vormen benaderen wel de menselijke vorm, maar zijn in leven en werken nog dierlijk. Wanneer wij het menszijn afhankelijk stellen van een begrip voor hogere krachten en waarden, kunnen wij terecht zeggen, dat hier de eerste “mens” geboren werd, zonder daarbij de mogelijkheid van lagere vormen der zelfde soort uit te sluiten.

“De mens erkent zijn God, wordt bewust. Gods adem bezielt de materie”. Overigens lijkt het mij bedenkelijk geheel dit eerste boek van de bijbel letterlijk te aanvaarden. Dan zou immers elke vrouw niet meer of minder zijn dan een zelfstandig geworden mannelijk ribstuk?

Wanneer wij de leerstellingen van dogmatici op dit terrein moeten geloven, deed God Adam inslapen. Daarop nam Hij hem een rib uit het lijf en maakte hem daaruit een vrouw. Dit alles kan ook als volgt worden uitgelegd: Er is een ogenblik, waarop het dierlijke aspect in de paradijsmensen rust…. Nu werd in de oudheid, ook in de tempels van Egypte, de slaap, de sluimering, beschouwd als een middel om de geest vrijelijk uit te laten gaan en te laten dwalen in hogere werelden terwijl het dierlijke element is uitgeschakeld.

De compulsieve werking der instincten wordt bij Adam voor enige tijd uitgeschakeld. Wanneer hij ontwaakt, heeft hij geleerd de mens als gelijkwaardig wezen en als deel van zijn eigen wezen te beschouwen. Hierdoor zullen de verhoudingen tussen man een vrouw een sterke wijziging ondergaan. M.i. kunnen de woorden, die dit alles omschrijven, evengoed beschouwd worden als een aanduiding van een geestelijke verandering, waarbij het ingrijpen van de geest, de Goddelijke kracht, een nieuwe realisatie van het leven mogelijk maakt.

Voor mij is dit aannemelijker, dan een slordige operatie, waarbij God in stoffelijke vorm als de eerste chirurg op aarde optreedt. Misschien lacht u om mijn inzichten, maar wanneer wij de achtergronden van het boek Genesis willen beseffen, zullen wij toch ook wel zeer goed de moeilijkheden moeten overwegen van alles, wat daarin vermeld wordt. Daarbij zullen wij uit moeten gaan van de letterlijke inhoud, plus de mogelijkheid hiervoor een menselijk redelijke uitleg te geven, ons daarbij baserende op de opvattingen en kennis der mensen tijdens het ontstaan van dit boek.

Wij mogen niet uitgaan van alles, wat het geloof hiervan heeft willen maken. Dan dienen wij immers aan te nemen dat dit alles op de meest wonderlijke en omslachtige wijze tot stand is gekomen. De ervaring leert dat de eenvoudigste verklaring, die de meeste feiten op de meest logische wijze samenvat, meestal de juiste wijze is,

Bij een stellen, dat de Schepping bestaat uit een aaneenschakeling van buitennatuurlijke of zelfs met alle gekende wetten van de natuur strijdige, mirakelen, is volgens mij de juiste uitleg niet. Hier herinner ik u aan de uitleg, die men gaf toen fossielen gevonden waren, die ouder waren dan de wereld, volgens de berekening van de bijbelkenners, kon zijn. Men sprak toen; De almachtige God kan deze fossielen wel mede geschapen hebben in Zijn alwijsheid. Maar een logische uitleg is dit zeker niet. Het Boek Genesis vertelt ons dan verder hoe de mens op een gegeven ogenblik eet van de Boom van Kennis van Goed en Kwaad. Daartoe werd hij verleid door de slang. Deze slang, zo vertelt men dan, is de duivel. Maar is dit wel waar? De geest, de demon, nam de gedaante aan van een slang, maar dat die geest de duivel zelf is, staat in de oorspronkelijke tekst nergens.

In de oude tijd was de slang een symbool van wijsheid, van Goddelijke inspiratie. Wanneer de wijsheid de mens brengt tot het erkennen van het verschil tussen verschillende waarden, zodat hij een kennis omtrent goed en kwaad verwerft, oordeelt hij tevens over zichzelf en zijn paradijs. Hierdoor wordt hij uit het paradijs gedreven. De mens zelf, krachtens zijn bewustzijn verlaat het paradijs. Het lijkt mij een juistere en meer logischer uitleg, dan het verhaal van een wrede God, Die de mens voor een proef stelt, waarvan Hij als alwetend Wezen reeds tevoren weet, dat de mens zal falen, om dan, wanneer de mens dit voorziene falen uiteindelijk voor zich tot werkelijkheid maakt, de mens met een vlammend zwaard uit te drijven.

Juist dat vlammende zwaard doet mij trouwens denken aan de reden, die de mens gehad kan hebben om het paradijs te verlaten. Wij weten dat in de oudheid oliebronnen in brand raakten en aanbeden werden. Hiervan vinden wij vele voorbeelden. O.a. bij de perzische vuuraanbidders; maar ook vulkanen waren gevreesd en gelijktijdig aanbeden.

Stelt u, dat bv. een aardbeving de mensen doet besluiten, dat het beter is het paradijs te verlaten. Stel dat de oorzaak daarvan een vulkanische uitbarsting of zelfs maar brand in een of meer oliebronnen, optreedt. Dan is het begrijpelijk dat de mensen hiervoor verder zullen vluchten – uit bijgelovige angst – nooit meer op de plaats van hun paradijs terug zullen durven keren. Bij primitieve volkeren zien wij immers vaak een volksverhuizing beginnen na het optreden van dergelijke rampen en verschijnselen.

Conclusie: Het vlammende zwaard van het engel Gods kan zeer wel een natuurverschijnsel zijn. Ook een komeet met zijn zwaardvormige staart – zou tijdens of na deze verschijnselen – gezien kunnen worden, daarmede de legende van de engel met het zwaard, dat vlamde, bevestigen. De mensen moeten nu werken in het zweet huns aanschijns. Voor mij houdt dit het volgende in: de mensen hebben, gejaagd door hun paniek, de vruchtbare vallei van het paradijs verlaten. Zij zijn los geweekt uit het instinctieve levensritme, hebben wensen en stellen eisen. Dan zullen wij moeten werken, teneinde deze wensen te kunnen vervullen. Ook dit lijkt mij logisch.

Voor wij verder gaan, wil ik allereerst een conclusie geven: Met alles wat ik u tot nu toe heb voorgelegd, heb ik in feite gesteld, dat het boek Genesis niet alleen maar een miraculeus en onbegrijpelijk door God gegeven verhaal vol wonderbaarlijke gebeurtenissen is, waarin het ontstaan van de mensheid wordt weergegeven. Het boek Genesis is eerder, wanneer men de achtergronden gaat begrijpen, een verhaal van het werkelijke ontstaan van aarde en mensheid.

Het verhaal vertelt niet zozeer van wonderlijke en ogenblikkelijke Scheppingsdaden, als wel van een lange ontwikkeling, die – via het dierlijke – tot het de mens voert en deze mens waarschijnlijk door rampen dwingt tot werken, tot zelfstandig denken, tot een zich verzetten tegen zijn omgeving. Ook de wijze, waarop de mensheid zich verder ontwikkelt, is logisch en in overeenstemming met de geschiedkundige ontwikkelingen weergegeven, zodra wij niet alleen de woordelijke betekenis, maar vooral de achtergrond, de waarheid, die achter symbolen verscholen is, trachten te begrijpen.

Abel is een herder. Hij staat in directe tegenstelling tot de primitievere jager Kaïn. Historisch is aan te tonen, dat grotere conflicten zich hebben afgespeeld tussen stammen, die nog jagende nomaden waren en de reeds meer gevestigde herdersvolkeren, die bovendien reeds op zeer beperkte schaal landbouw beoefenden.

Wie het boek Genesis werkelijk begrijpt, de achtergronden ervan beseft en zich niet laat verblinden door de z.g. letterlijke heiligheid en waarheid ervan, vindt daarin dan ook niet alleen de Schepping zelf beschreven, maar zal daarin tevens de ontwikkelingen van de mensheid kunnen aflezen, zoals dit alles onder de wijzen in de oudheid reeds bekend was.

Velen houden zich in de eerste plaats bezig met de vraag, waar het paradijs nu wel gelegen was. Vaak horen wij Mesopotamië noemen als meest waarschijnlijke omgeving. Wanneer wij rekening houden met alle mogelijkheden en feiten, daarbij ons vooral baserende op paradijsverhalen van andere oosterse volkeren, zouden ook verder in het noorden, in de omgeving van de Himalaya en in de woestijn Gobi, inderdaad paradijsachtige streken hebben bestaan, waarin hogere beschavingen leefden.

Opvallend is verder, dat deze beschavingen altijd weer als uitermate vreedzaam worden beschreven, terwijl hun ondergang wordt geweten aan geweld, dat, door hebzucht en wraakzucht gewekt, de mensheid uit het paradijs verdreven heeft.

Het is hier moeilijk een definitieve keuze te doen. Wel kunnen wij stellen, dat van vader op zoon, ongetelde geslachten lang, deze verhalen warden overgeleverd. Het is m.i. deze kennis, die een uitdrukking vindt in de mystieke beeldspraak van Genesis, het Boek der Schepping.

Stellen wij, dat het inderdaad oude wijsheid is, die in beeldspraak werd weergegeven, dan valt ons verder de uitermate boeiende en juiste keuze van beelden op. “Het Woord”. Wat kan er vluchtiger zijn dan het woord? En toch: wat kan in de mens meer blijvende sporen nalaten dan juist het woord? Wanneer ik een woord spreek, zo is het met het vergaan van de laatste galm verdwenen, maar in u leeft het voort. Daar, waar een woord weerklank vindt, is het in feite oneindig in zijn werkingen. Toch is het gelijktijdig niet meer uiterlijk kenbaar en zal het moeilijk zijn alle gevolgen tot dit verklonken woord te herleiden.

Wat kan een mooiere omschrijving zijn voor God en Goddelijke krachten in de Schepping, dan juist deze uitdrukking “Het Woord”? Bedenk, dat een woord is samen gevoegd uit vele verschillende klanken en neergeschreven gevormd wordt door vele verschillende letters. Toch vormt het één geheel en drukt het een bepaalde waarde uit.

De God, Die wij kennen is opgebouwd uit vele, door ons gekende en niet gekende, eigenschappen en kwaliteiten, die tezamen dat ene geheel vormen, dat toch deelbaar blijkt te zijn: onze God. Wie denkt aan de in de oudheid gebruikte symbolen, denkt bij ’t horen over de vier stromen, die het paradijs doorkruisten, onwillekeurig aan het getal 4, dat in de oudheid vaak werd gebruikt om het dierlijke element weer te geven.

Adam wandelt met God, maar hij leeft niet werkelijk van zich en zijn mogelijkheden bewust. Hij heeft geen oordeel, maar aanvaardt slechts, hij leeft volgens de hem ingeschapen wetten. Hij wordt a.h.w. door God geleefd. Een soort hoger dier. Overigens doet mij dit weer denken aan de oergoden, die vroeger zo vaak vereerd werden: Apis, Basht, Anubis en vele anderen. Ik herinner mij dan ook opeens, dat bepaalde dieren als symbool van bepaalde werkingen golden, terwijl de tijd zelf persoonlijkheid had.

In de kabbala vinden wij nog namen voor elk uur van de dag afzonderlijk, alsof het een eigen persoonlijkheid zou hebben, terwijl de aartsengel beurtsgewijs optreden als de heersers van deze uren.

Wanneer men aanneemt, dat alleen maar een geschiedenis werd weergegeven, waarin Adam als mens wordt uitgebeeld zonder meer, lijkt men de kennis omtrent deze symboliek bij Mozes en de zijnen die priesters waren in Egypte, vergeet dat niet schromelijk te onder schatten. Voor de Egyptenaar is het vereenzelvigen van een dier met een Goddelijke waarde normaal. het wandelen met God is een term, die men bv. bij de erkenning van een nieuwe Apis gebruikt: het niet bewuste dier draagt in zich de Goddelijke kracht en is daarvan een onbewust werktuig. Al te veel vergeet men, dat het schrijven van de eerste 5 boeken van de Bijbel werd ondernomen onder leiding van twee mensen, die priester waren: Mozes en Aaron. Zij maakten deel uit van een priestergenootschap en waren in de geheimen van de priesterkasten ingewijd. Het is logisch te stellen, dat deze mensen hun kennis en inzichten hebben vastgelegd in deze geschriften en zeker ook de beelden hebben gebruikt, waaraan zij als priesters gewend waren.

Hun priesterlijke opleiding heeft tevens met zich gebracht, dat zij hun geheimen niet wilden profaneren, zodat de wijsheid zeker niet zo werd neergeschreven, dat een ieder onmiddellijk kon begrijpen, wat er in feite werd bedoeld. M.i. hebben zij – zoals in die tijd gebruikelijk was – achter beeldspraak en dubbele betekenis van woorden, achter symbolen, het feitelijke tempelgeheim, de waarheid, zoals zij die kenden of leerden, verhuld.

Voorbeeld: Adam = 4 letters. Eva = 3 letters. Tezamen 7,  4 het dier, 3 is de openbaring, 7 is de mens, de bewuste mens. Kabbalistisch: ADAM = 1 + 4 + 1 + 4 = 10 de mens, die voor God treedt. EVA = 5 + 6 + 1 = 12, de geopenbaarde Schepping. ADAM + EVA = 22 = 4, het dierlijke. Dierlijk is de basis van de mens. Door zijn vrijwillig aanvaarden van verplichtingen en het bewust voortbrengen van nageslacht, kan hij leren waarlijk mens, waarlijk beeld Gods te zijn. Dit alles is zelfs in de getallen vast.

Wanneer ik u spreek over mogelijke rampen of dreigingen, die de mens uit het paradijs verdreven hebben, zo is men geneigd dit alles naar het rijk der fabelen te verwijzen. Maar de natuur zelf heeft in zich de bewijzen bewaarde, dat er de dagen van de eerste mensen verschillende grote rampen plaats gehad hebben. Daarbij wijs ik er verder op, dat bv. in de Karakorum wel degelijk vulkanen gewerkt hebben, al zijn zij ook ongetelde eeuwen niet meer werkzaam. In het gebied van de Eufraat zijn nog enkele warme bronnen. In de woestijnen vindt men plaatsen, waar vroeger klaarblijkelijk geisers gewerkt hebben enz. enz.

Het is aannemelijk te maken dat het oordeel over de eerste mens, plus het vlammende zwaard, voortkomen uit: begrip en oordeel bij de mens, die aan het dierlijke stadium ontwast en de dreigende tekenen in de natuur ziet. Hij denkt en handelt zelfstandig en staat dus niet meer volledig onder invloed en bescherming van zijn groepsgeest. Hij gaat alleen, volgens eigen besef. Terwijl hij nog vlucht, geschiedt reeds de ramp, die hij vreesde.

Dan staat er, dat de mens zijn naaktheid bedekte uit vrees en schaamte……Ik vraag mij af, of ook dit wel geheel stoffelijk moet worden gezien. Algemeen meent men aan dat Eva zich bedekte even als haar echtgenoot met een vijgenblad. Weet u wel; wat voor een betekenis de vijg heeft in vele oosterse landen? Wanneer een vrouw u daar een rijpe vijg aanbiedt, is dit eigenlijk een soort huwelijksaanzoek. De vijg is een vruchtbaarheidssymbool en wordt ook door de Joden in bijbelse tijden als symbool hiervoor gebruikt.

Zou het dan niet beter zijn te stellen, dat de mensen, ontkomen aan de zuiver instinctieve drang, zich bekleden met de realisatie van eigen wezen, eigenschappen en mogelijkheden, gelijktijdig eigen tekorten en fouten beseffende? Realisatie van eigen wezen, bewuste paring enz. lijken hier een betere verklaring, dan een plotselinge schaamte voor naaktheid, die immers natuurlijk was voor hen en alles rond hen.

Direct in samenhang hiermede lijkt mij de vloek te staan: Gij zult onder pijnen baren enz. een dier, dat zich geen zorgen maakt over komende pijnen, maar alleen het heden beseft, zal grotere pijnen kunnen verdragen, dan voor een mens mogelijk schijnt. Belangrijk is hierbij niet in de eerste plaats een verschil van zenuwstelsel enz., maar de psychische factor het dier houdt zich niet bezig, met wat gaat komen. Wanneer het dit al aanvoelt, reageert het grotendeels onbewust. De mens houdt zich vooral bezig met wat nog komt. Daardoor is de mens niet zo ontspannen als het dier. Het vooruit weten omtrent het gebeuren, de vraag ook, wat er zal gaan gebeuren, zal de oorzaak zijn, dat de mens intensere pijnen lijdt.

Wanneer daarbij de zorg voor het komende kind spanningen geeft, zal ongetwijfeld de wordende moeder meer lasten en bezwaren dragen. Zij zal in pijnen baren.

Nog iets valt op: In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood verdienen. Eigenaardig doet hier het woord “brood” aan. In het paradijs voedden Adam en Eva zich met vruchten. Brood is een verwerkt product. Er zou hier een directe samenhang kunnen zijn tussen het overgaan van een uitsluitend gebruiken van door de natuur gegeven voedsel naar het zich voeden met bereide producten en het zweet des aanschijns.

M.i. heeft men in het verhaal van Adam en Eva de ontwikkelingen willen schetsen van een ras, dat ontkomende aan de overheersing der instincten door een groepsgeest zich bewust wordt van zichzelf en een zelfstandig leven begint. Er zijn meer interessante punten, wanneer zij worden bezien in verband met legenden en overleveringen zowel als net hetgeen in Genesis zelf vermeld staat. Adam is eenzaam en bidt God om een vrouw. Nu pleegt men aan te nemen, dat deze eenzaamheid op het dierlijke slaat. Adam had geen wijfje. Het gebruikte woord is echter “gezellin” en kan ook een andere betekenis hebben. Nu wordt in het geheel van deze hoofdstukken de nadruk gelegd op geestelijke waarden. Adam wandelt met God, geeft namen aan dieren enz. Wij zouden evengoed mogen stellen, dat Eva een vrouw is, die niet alleen aan de stoffelijke, maar ook aan de geestelijke behoeften van Adam tegemoet kan komen. Een vrouw, die niet alleen het dierlijke element vertegenwoordigt. Het is niet onmogelijk, dat er meer menselijke wezens in het paradijs geweest zijn dan Adam en Eva. Indien dezen immers nog instinctief leefden zonder meer, zouden zij onder de dieren gerangschikt kunnen worden. De legende vertelt ons, dat Adam reeds een stoffelijke vrouw of een verstoffelijkte geest, een succubus zou hebben gekend vóór Eva kwam. Zeker is wel, dat alleen Adam en Eva worden genoemd als uitgedreven uit het paradijs.

Reeds 500 v. Chr. treffen wij bij bepaalde gemeenschappen een zonderlinge vorm van de Lilithlegende aan. Daarin wordt gesteld, dat Kaïn geboren zou zijn in het paradijs en de zoon van Lilith was. Abel zou eveneens in het paradijs geboren zijn, echter uit Eva. Volgens deze legende zijn de slang en Lilith identiek. Het is niet zo vreemd, als het op het eerste gehoor lijkt, want een zoeken naar kennis zou voort gekomen kunnen zijn uit een strijd om Adam tussen Lilith of de meer bewuste, maar daarom ook meer jaloerse, Eva.

Te bewijzen is dit alles natuurlijk evenmin als het Scheppingsverhaal zelf. Toch is het aardig erop te wijzen, dat bepaalde esoterische richtingen ook nu Kaïn wel “de zoon van een weduwe” noemen, omdat hij de zoon is van de vrouw, die Adam in het paradijs zou hebben achtergelaten. Zo kan men gebruik makende van legenden, plus de gegevens van Genesis nog meer vreemde ontdekkingen doen; Kaïn was een jager. De legende zegt hierbij:….en was bekwaam in het vervaardigen van wapens. Want wie zou anders zijn wapens vervaardigd moeten hebben? Dan was hij een handwerkman, zowel als een doder en heeft tussen ’n beheersen en vormen van de materie en een uitleven van zijn dierlijke instincten gedurende de jacht. Hij wordt ons als ruw en afgunstig voorgesteld.

De legende vertelt, dat de twist tussen de broeders ontstond, toen een deel van het jachtgebied van de één, door de ander met zijn kudden in beslag genomen word. Wederom: waarschijnlijk. Dergelijke drama’s hebben zich immers nog in de farwest afgespeeld? Kaïn bedreef bovendien landbouw en offerde de vruchten des velds. De situatie wijzigt zich: de landbouwer-jager zal nu eens te meer redenen hebben om zijn broeder, de herder, te haten, het eindigt met doodslag.

Kaïn trekt weg naar een ver volk en neemt zich daar een vrouw. Dit impliceert o.m.: Adam en Eva moeten meer kinderen gehad hebben, waarvan wij niets weten. Anders zou de stam zijn uitgestorven, waar Abel gedood en Kaïn gevlucht was. De gemeenschap, waarin Adam en Eva leefden, had een structuur, waarin landbouw en veeteelt, plus jacht een grote rol speelden. Er waren andere gemeenschappen. Kaïn zoekt een nieuwe stam. Hij zal daarbij de voorkeur hebben gegeven aan een stam, die jacht en landbouw bedreef. Maar als jager of boer zal hij voor een dergelijke stam niet veel waard geweest zijn. Als handwerksman, als maker van wapens en werktuigen, zal hij bij elke stam meer dan welkom geweest zijn. Het feit, dat hij zich een vrouw neemt terwijl vrouw en het eigendom zijn van de stam in die dagen en te koste van alles verdedigd worden doet dan ook vermoeden, dat hij, dank zij zijn bekwaamheden, een vrouw kreeg.  Dit is nog bij vele primitieve stammen een wijze, waarop men ’n vreemdeling aan eigen stam tracht te binden,

Er ontstaat een splitsing in de mensheid, die met de historie overeenkomt een deel zwervende herders, een deel van de mensheid, dat door landbouw en jacht aan een bepaalde streek sterk gebonden is. De herder is mysticus, de boer, handwerksman ongetwijfeld in de eerste plaats practicus. De bijbel volgt alleen de herders. Dit blijkt ons uit de verhalen over de aartsvaders, eveneens in Genesis vermeld. Dezen zijn zwervende herdersvorsten en heersen over kleine stammen, die alleen incidenteel zo nu en dan aan landbouw doen.

De controverse tussen herders en landbouwers blijkt ook in Mozes’ tijd en nadien nog voort te bestaan: het uitroeien van de stammen in Kanaan. De grootste bezwaren blijkt men te hebben tegen de steden en de mensen, die een handwerk uitoefenen Pas wanneer het volk der Joden zelf een gemeenschap van landbouwers is geworden, wijzigt zich dit inzicht enigszins. Maar steeds nog minacht de herder-boer de praktische handwerkman, die op zijn beurt spot met het onredelijke geloof van de boeren.

Mijn conclusie ligt voor de hand. Genesis omschrijft slechts een deel van de menselijke ontwikkeling en is gebaseerd op een bepaalde fase in de menselijke ontwikkeling. Een tweede mogelijkheid tot ontwikkeling, landbouw en jacht, ofwel Kaïns deel, wordt geheel buiten beschouwing gelaten. Deze strijdigheid wordt opgelost door ’t als wereldomvattend voorstellen van de zondvloed.

Bedenk nu, dat, indien men zich alleen bezig houdt met een bepaald deel van de mensheid, waarschijnlijk zelfs een bepaalde stam, men rustig kan stellen, dat er geen mens op aarde overbleef na deze ramp, behalve Noach en de zijnen, want de andere volkeren en rassen worden eenvoudig niet als mens beschouwd. Opvallend is hierbij, dat, zij het op selectieve wijze, gebruik is gemaakt van oud chaldeesche en egyptische symboliek, terwijl ook perzisch-syrische elementen o.m. uit Babylon een rol schijnen te spelen.

Overleveringen van andere volkeren zijn kennelijk mede in het Scheppingsverhaal verwerkt. De oorspronkelijkheid van bepaalde delen is wel degelijk aanvechtbaar op grond van z.g. heidense inscripties en tafelen, die van vóór Mozes’ tijd stammen. Dit behoeft niet te betekenen, dat Genesis onbelangrijk is. Integendeel. Het is vanuit het standpunt van het joodse volk en de trekkende stammen uit de woestijnen, een korte, juiste en kernachtige omschrijving van alles, wat sedert het bewust zelfstandig leven op aarde gebeurde.

Indien men dit boek juist interpreteert, geeft het vele feiten weer, waarvan de waarheid eerst in de laatste jaren vermoed of aangetoond werd. Het boek toont zij het onopzettelijk duidelijk aan, dat er sprake is van een splitsing in de mensheid, die niet slechts berust op beroep, maar op mentaliteit.  Eenvoudig gezegd: een splitsing tussen mensen, die in de eerste plaats streven naar beheersing van de materie en mensen, die in de eerste plaats een God dienen. Er zijn, zoals hier duidelijk wordt, twee stromingen onder de mensen.

De eerste tracht de stoffelijke wereld geheel te begrijpen en te overmeesteren, de tweede groep tracht vanuit de stof daarbij gedragen en gedreven door een God de hoogste geestelijke waarden te beleven. Ook wordt heel duidelijk aangetoond in het verdere deel van de bijbel, dat geen van beiden alleen tot een voltooiing kan komen. Degenen, die zich oorspronkelijk op God baseren, laten immers hun onderzoek naar geestelijke waarden rusten en worden tot slaven van de materie, die zij nimmer leerden beschouwen als iets, wat bewust gebruikt en beheerst moet worden. Overblijfsel van deze ontwikkeling is de mysticus Noach met zijn gezellen, dieren en dronkenschap.

Nu vraagt men zich misschien af, waarom men in de bijbel de voorkeur aan bepaalde beelden heeft gegeven. Ik wijs er in dit verband op, dat oude overleveringen een grote rol spelen, niet alleen in het Oude Testament, maar zelfs in voorspellingen als bv. de Apocalyps.

Er is een periode geweest, dat de aardas kantelde. Daardoor “werd het winter, waar het zomer was en zomer, waar het winter was”. Niet alleen zijn dergelijke verschijnselen een verklaring van bv. het stilstaan van de zon op voorbed van Jozua, de regen van stenen, die Israëls vijanden versloeg, de zondvloed en vele soortgelijke rampen, door andere volkeren gemeld maar het geeft ons ook een beeld van hetgeen de ziener bedoelt, wanneer hij stelt, dat het laatste oordeel zal aanbreken, “wanneer de zomer tot winter en de winter tot zomer zal zijn geworden”. Kennelijk een aanspeling op een herhaling van een oude gebeurtenis. Nu rest ons nog de vraag, of Genesis werkelijk door God geïnspireerd is. Gaarne wil ik dit aannemen, maar stel, dat in ieder geval in dit boek een reeks van oude overleveringen en mystieke beelden van andere volkeren zijn opgenomen.

Of God geheel verantwoordelijk is voor het tot stand komen van dit werk zoals Mozes zijn volk vertelde en de kerken nog heden beweren, ofwel het geheel eerder als mensenwerk moet worden bezien, zeker is, dat hierin oude waarheden en leringen uit tijden, die lang vóór Mozes liggen, duidelijk en kernachtig hierin worden verwerkt. De symbolen, die gebruikt worden, wijzen duidelijk in de richting van bepaalde hindoe-overleveringen en egyptische geheimscholen. Bij de hindoes vinden wij op een bepaald ogenblik het neerdalen van Godenkinderen en devi’s uit een stoffelijke wereld, die de wereldzeeën willen karnen. Wij vinden er de boze, de God, die de wereldzeeën vergiftigt en Indra, die het wereldgif drinkt.

De strijd tussen goede en kwade Goden is bv. een beeld van de strijd, zoals wij die in de bijbel omschreven vinden tussen God en Lucifer. Beter nog tussen Michaël en Lucifer. Toch zijn er altijd weer verwarrende elementen, waardoor het niet mogelijk wordt een duidelijk beeld te verkrijgen. Bv. waarom wordt Kaïn in de bijbel allereerst als boer, in de legenden allereerst als jager en dan pas als boer omschreven?

Indien wij de waarheid over het boek Genesis alleen zouden willen vinden, zouden wij alle oude culturen moeten onderzoeken, alle overleveringen moeten ontleden, die tot de vorming van het joodse geloof en het joodse volk hebben bijgedragen. Dat is zeer veel. Dat Egypte een belangrijke rol gespeeld moet hebben in de vorming van de joodse opvattingen en indirect waarschijnlijk aansprakelijk is voor delen in de bijbel, weten wij zeker. Want in de tijd van de aartsvaders, zowel als later, was het joodse volk vele malen gedeeltelijk of geheel in Egypte, soms als handelaars, soms als gasten, soms als slavenvolk.

Ook weten wij, dat de Joden in Babylon en Syrië gevangen waren, terwijl de aartsvaders dit gebied op hun tochten gekruist moeten hebben, zodat zij ook hier overleveringen zullen hebben overgenomen. Verder veten wij, dat Abraham uit Ur stamde en waarschijnlijk ook vandaar reeds overleveringen vanuit India heeft meegebracht. De wijze, waarop hij een mensenoffer wil brengen zijn zoon Isaak wijst op indische en syrische invloeden. De vervanging door een dier doet ons hierbij denken aan bepaalde gebruiken bij de Kaliverering. M.a.w. wij kunnen niet slechts wijzen op de overeenkomst tussen z.g, heidense overleveringen en de bijbel, maar ook de bronnen aangeven. Misschien, dat ik hiermede in Uw ogen de bijbel ontluisterd heb, iets van de glans dor Goddelijke Openbaring heb aangetast, of zelfs weggenomen. Dit was niet mijn doel, maar ik wilde u een waar beeld geven, dat rekening houdt met de feiten, zoals deze op aarde zijn en de redelijke processen, waarvan de mens op aarde gebruik dient te maken, zolang het geen gebieden en aarden betreft, die zich aan zijn menselijk denken onttrekken.

Ook in uw dagen zijn er nog voortdurende geschillen, is er nog steeds strijd tussen de mystiek denkenden, die hun waarheid ten koste van alles onaangetast willen zien, zelfs indien zij daarvoor alle menselijke denkvermogen moeten ontkennen en onderdrukken om de practici, die slechts het redelijk kenbare willen erkennen en alle andere waarden bespotten en vernietigen, waar zij kunnen. Waarlijk het nageslacht van Abel en Kaïn. Eerst wanneer deze groepen tot een eenheid worden, samenwerkende tot beter begrip en hogere bewustwording, zal er van een werkelijke mensheid sprake zijn, die harmonisch leeft. Alleen wanneer mystiek en rede samen leren gaan elk hun eigen terrein bestrijkende, zal er een waarlijk menselijke bewustwording kunnen ontstaan. Dan kan de Goddelijke vrijheid op aarde geopenbaard zijn en zal de mens, bewust van zich en zijn wereld, wederom bewust ook met zijn God kunnen wandelen over die wereld. Alles, wat er gebeurt is en nog gebeurt zeker in de laatste 50 jaren is kennelijk op dit doel gericht. Steeds weer zien wij hoe alles wordt gedaan om de mensheid van haar eigen fouten en willen te verlossen. Zoals dit geschiedde volgens de bijbel door middel van een zondvloed, wegvoering, slavernij en gevangenschap.

Uit deze geschiedenis van het volk der Joden en de leringen van Genesis kunnen wij dan ook een conclusie trekken voor deze dagen: Slechts daar, waar schijnbaar strijdige elementen elk eigen gaven en bekwaamheid willen inzetten, dit vrijwillig aan anderen offeren om zo tot samenwerking te komen, kan de mensheid waarlijk in vrede leven. Alleen in harmonie, berustende op geestelijk inzicht en werkelijke vrede, zowel als kennis van de materie, omvattende gebruik van alle materiële middelen, zowel als gebruik van alle hoge geestelijke krachten en waarden, kan de mensheid hernieuwd een werkelijk en intens contact met zijn God beleven. Al, wat bereikt is, alle grootheid der mensen, die was, is als niets, zolang zijn doel niet bereikt is, de mensheid is op het ogenblik niet zoveel verder, dan de mensen, die uit het paradijs worden uitgedreven. Alleen stoffelijk heeft men enige vooruitgang geboekt.

Zodra men dit begint te beseffen en de mensheid als heel begint te zoeken naar eenheid en samenwerking, naar broederschap en harmonie in besef van de mogelijkheden en de schoonheid der Schepping, aanvaardende een hogere of Goddelijke rechtvaardigheid, die ook de mens zijn wetten stelt en men uitgaat van ware broederschap en de kosmische liefde, die de mensheid tot een waar geheel samen kunnen smeden, zullen wij kunnen zeggen:

Nu is het boek der Schepping waarlijk voltooid. Dan is de tijd van worsteling zonder God, de dag, dat God rustte, ten einde. Wie weet, begint er dan een achtste dag der Schepping.

  • Men poogt toch reeds heden een toenadering tussen oost en west tot stand te brengen?

Pogingen als dezen zien wij geheel de geschiedenis door. Zij gaan nimmer uit van een vrijelijk schenken van al wat men is en bezit aan de ander, maar bevatten eerder een reeks eisen t.a.v. hetgeen de ander reeds bezit. Ook op dit ogenblik is dit zo. Wat er op het ogenblik t.b.v. de eenwording der mensheid geschiedt, is dan ook niet in de eerste plaats het werk van de mensen zelf. Het is het werk van grote geestelijke krachten, van de Witte Broederschap en het Goddelijke licht, dat de aarde beroert en de mensheid vaak tegen zichzelf beschermt.

  • Wat houdt eigenlijk de regenboog in, die Noach zag?

“En als een teken van zijn verbond stelde God de regenboog aan de hemel”. God telde alle kleuren, die de mens kan zien, gezamenlijk als een brug over de wereld, die van horizon tot horizon ruikt, als teken van het verbond tussen Hem en de mensheid. Zoals het licht van alle geestelijke sferen en krachten gezamenlijk en uitdrukking kan zijn van de band tussen de bewuste geest en God, de eenheid, die de eenvoudige mens reeds met het kosmische kan vinden mits hij zich niet vermeet te eisen, dat de boog aan de hemel allen uit zijn kleur zal bestaan.

  • Het was toch een teken, dat voor Noach deze zondvloed nooit meer zou komen?

Voor Noach zou er nimmer een dergelijke zondvloed meer komen. Toch is er sindsdien menige overstroming van gelijke omvang op de wereld geweest. Wij zien deze overstromingen niet meer zo wereldomvattend, als Noach de zijne zag. Het verbond betekende: Eenheid in volledige aanvaarding. Eenheid met God in een aanvaarden van het totaal der Schepping, zonder enige uitzondering. God stelt a.h.w.: Mits gij Mij aanvaardt, zoals Ik ben, niet uw eisen en voorwaarden stellende, maar Mijn wezen belevende, omspan Ik uw horizon, uw begrip en vermogen. Dan stel Ik u de openbaring van Mijn licht en kracht, dat Ik met u bent, dat gij geborgen zijt in Mijn wezen. Zolang gij dit doet, zal Ik u alle rampen en ondergang besparen.

Dat mag ik eigenlijk niet zeggen, want dit is geen zuiver bijbelse interpretatie, juist is zij wel.

De 7 kleuren, waaruit de regenboog zou zijn gebouwd, waren vroeger de symbolen van de 7 bekende bewegende sterren of planeten. Als zodanig waren zij tevens het symbool van de 7 aartsengelen en de zeven krachten, die het werk Gods op aarde voltooien. In de geheime leerstellingen staan deze kleuren bovendien nog voor de openbaring voor de 7 wegen, die de mens kan gaan op zijn weg tot God. Later werden deze begrippen verrijkt en sprak men van 9 wegen en de 11 wegen, die vast liggen en van waaruit de mens zijn bewust zijn gewinnen kan. Klaarblijkelijk is het beeld van de regenboog uit de indische geheimleer genomen, waar men ook de kleurenmagie kende en het verenigen van alle kleuren als buitengewoon belangrijk beschouwde. De regenboog van 7 kleuren omvatte verder de gehele kosmos in de babylonische voorstelling: het totaal der 7 kubussen, die opeengestapeld de ware ziggurath vormden, elk hun eigen kleur kennende en een eigen God tonende, daarbij gaande van Bel tot Nergal.

Ik neem aan, dat dergelijke beelden en gedachten ook doordringen tot degenen, die Genesis op schrift stelden. Dan is het verbond een belofte, dat de aarde nimmer meer door de wateren overspoeld zal worden, maar eerder een belofte, dat God allen zal beschermen en behoeden, die de kosmische harmonieën aanvaarden.

Heeft u wel eens over nagedacht, dat de eerste leiders van het joodse volk magiërs waren en gebruik maakten van egyptische en ook andere vormen van magie?

Mozes slaat water uit een steen de wichelroedelopers in de woestijn. Hij richt een koperen slang op in de woestijn en geneest zo zijn volk egyptische tempelmagie, die later o.m. door de Grieken werd overgenomen enz..

Wij moeten dan ook m.i. de regenboog in dit verband bezien en heb – naar ik meen – een zo juist mogelijke interpretatie gegeven.

o-o-o-o-o

Vanavond zou ik gaarne met u  willen spreken over de praktische achtergronden van de magie. Zoals u zich ongetwijfeld herinnert, hebben wij reeds gesteld, dat esoterie alleen een werkelijke betekenis kan hebben, wanneer zij stoffelijke en geestelijke waarden gelijktijdig omvat. Ik illustreerde dit voor u met enkele spreuken uit het verleden.

Wanneer wij deze stellingen verder nagaan, blijkt ons, dat een willekeurig doen samengaan van stoffelijke en geestelijke waarden voor de innerlijke bewustwording slechts schadelijk kan zijn. De esotericus moet wel degelijk een keuze weten te maken uit de vele mogelijkheden, die het leven hem geeft.

Ik ben brutaal genoeg om  als illustratie hoofdzakelijk naar lessen te grijpen, die niet op aarde, maar in andere sferen werden gegeven, Misschien zijn zij niet onmiddellijk in de gegeven vorm van toepassing op uw eigen omstandigheden en mogelijkheden. Zo goed mogelijk zal ik dit verhelpen door daaraan verdere uitleg te verbinden.

Allereerst vraag ik uw aandacht voor deze les:

In u leeft een licht. Gij kunt dit licht zelf niet beoordelen op zijn ware kracht. Voor u is het de Zon des Levens. Alles, wat uit zon leeft en door deze zon voor u kenbaar wordt, is deel van uw bestaan. Richt u daarom steeds op alles, wat gij innerlijk erkent, of uit dit licht erkennen kunt, opdat het licht zo sterk mogelijk in uw wereld voor u geuit moge zijn en uw leven moge regeren. Hebt gij dit licht eenmaal voor uzelf ook buiten u tot werkelijkheid gemaakt, zo zult gij u afvragen: Is dit reeds waarlijk mijn God?

In bepaalde sferen leeft men met vormen, die de eigen gedachte schept. Sommige andere geesten kan men onmiddellijk en geheel verstaan, terwijl andere personen en krachten niet te benaderen zijn en geen begrip mogelijk maken. Ondanks alle streven blijven deze waarden u ver. Daarom wordt hier geleerd, dat in de eerste plaats en band en samenwerking gezocht moet worden met alle waarden en personen, waarmee men een innerlijk contact heeft. Ook in de mens leeft de Goddelijke kracht. Maar de Goddelijke kracht erken je niet in alle dingen. Je bewustzijn laat dit niet toe. Waar je die kracht van het Goddelijke in je buiten jezelf erkent, onverschillig in welke vorm, is het noodzakelijk met deze kracht samen te werken. Heeft men deze samenwerking eenmaal bereikt, dan dient men zich af te vragen, of dit waarlijk reeds god was.

M.a.w. Vraag u af, wat er nog te kort schiet hier. Zo wordt ons ook geleerd.

Uit vele fasen van leven zijt gij, tot het heden gekomen. In ’t heden herleeft gij vaak fasen van het verleden, ofschoon gij dit niet altijd zult kunnen beseffen. Wat gij nu volbrengt, dient gij dan ook te volbrengen vanuit uw huidige wezen, uw huidig bewustzijn, maar bovenal uit uw huidige erkenning van de Goddelijke liefde, die alle dingen samenkomt, samenvoegt en gezamenlijk doet groeien tot een volmaaktheid.

Hieruit volgt, dat een ieder, die in de stof of geest het leven niet zo maar eenvoudig kan aanvaarden, voor zich zal moeten gaan zoeken naar de vormen, waarin die God beleefd kan worden, want God is liefde. Maar die liefde kan ik alleen in het heden en in mijn huidig bewustzijn ondergaan. Wat heb ik aan die liefde wanneer ik haar werkelijke inhoud en wezen niet besef? Wat helpt het mij wanneer ik hoe intens dan ook het onbelangrijke in God liefheb, terwijl ik aan de krachten binnen de Goddelijke liefde, die voor mij van werkelijke betekenis zijn, voorbij ga?

Een waar esotericus zal zijn naastenliefde in de eerste plaats op de mens richten. Hij zal allereerst trachten in de mensen een deel van het Goddelijke licht te zien, voor hij er toe overgaat dit licht voornamelijk in dieren of planten te zoeken. Wie op mag stijgen in een andere wereld, zal daar allereerst moeten zoeken naar de lichtende geesten en krachten, waarin God Zich voor hem/haar het sterkste openbaart. Daaraan zal men dan zijn wezen en genegenheid geven daaraan zal men zichzelf openbaren. Al het andere is van later zorg,

Bedenk, dat, wat in de sferen geldt, ook voor u van kracht is. Ook gij zult te kort schieten, wanneer gij Uw God alleen ver weg wilt zoeken en de waarheid alleen wilt zoeken ver buiten alle menselijke waarden. De grote waarheden liggen juist het dichtst bij u. Daaruit is God voor u meestal ook het sterkste kenbaar.

Zo wordt ons geleerd: Eens waart gij een wezen vol eenvoud, slechts wetende dat gij bestond. Nu zijt gij geworden tot het meervoud van levensbewustzijn, waarin werelden kunnen leven en sferen hun bewustzijn kunnen weer spiegelen. Al wat in u leeft, is uit God, zonder enige uitzondering. Erken dit en erken boven alles: alles wat ik beleef, is deel van mijn wezen; al, wat ik ben en beleef, is deel van mijn ego. Zo beleef ik mijn God in alle fasen van leven en in alle vormen, Zo erken ik mijzelf in elke fase van leven in waarheid en kom ik tot een waar begrip van verbondenheid met de Eeuwige, dat geen sfeer of grens meer kent, doch slechts nog eenheid met de Ene Kracht.

Hier wordt de leerling duidelijk gemaakt, dat men in de praktijk der zelferkenning dient uit te gaan van het grote begrip der kosmische eenheid. Op het ogenblik, dat gij bepaalde dingen uitzondert van Uw aanvaarding en beschouwt als niet uit God zijnde, of, bepaalde waarden in anderen erkennende dezen niet tevens beschouwt als mogelijkheden in uw eigen wezen, zult gij immers een deel van de werkelijkheid verwerpen. Indien gij slechts alles beschouwt als één geheel, daarin het lichtende, dat voor u het meest juiste begrip van God is, wilt doen zegevieren, dan zult gij uzelf leren kennen. Op de duur zult gij daardoor ook ontsnappen aan de binding met een bepaalde wereld.

God is oneindig. De vermogens, die in u sluimeren, zijn al evenzeer oneindig, indien gij dit durft beseffen.

Misschien zijn deze regels en hun uitleg voor u toch wat abstract en raadselachtig. Laat mij dan dit beeld aanhalen: Een jongeling ging naar het graf van zijn voorvaderen om hen te eren. Daar komende zag hij de bloemen en de bomen, doch de graf heuvel was verzonken en niet meer zichtbaar. Toen vroeg hij zich af “Waar zouden mijn vader en mijn grootvader wel vertoeven?” Opeens verscheen hem de gestalte van zijn grootvader en sprak tot hem: “Ik leef in de bomen, in de bloemen en het gras. Ik leef in het graan, in alle dingen die zijn; want ik ben mij bewust van de krachten des hemels, die mij doen bestaan in stof en geest door alle tijden”.

De jongeling antwoordde ontsteld maar beheerst: “Maar grootvader, hebt gij dan niet een eigen plaats? Is er geen eigen bestemming voor allen in onze familie?” De grootvader antwoordde: “Wij moeten vanuit onze eigen plaats in het Al, die wij eerst moeten leren kennen en aanvaarden, zoeken naar een eenheid met alle dingen. Want slechts hij, die boven alle grenzen staat, zal de waarheid en volheid der 4 hemelstreken erkennen, vrijelijk gaan door de hemelse tuinen en het wezen van de hemelse keizer mogen aanschouwen”

Deze eenvoudige gelijkenis behoort tot een reeks van mystieke verhalen, die door filosofen werden verteld rond 400 v. Chr. in zuidelijk China. Hier werd een poging gedaan om duidelijk te maken, dat de mens vaak te ver zoekt.

De jongeling zocht zijn voorvaderen weg ver en meende hen te moeten zien als met een zeer bijzondere taak belast in verre werelden. De voorvaderen waren in China zeer belangrijk. De zich manifesterende grootvader maakt hem duidelijk, dat de zaak anders ligt. Hij zegt: “Ik ben ook hier, bij jou op de akker. Ik leef in de bloemen, die hun voeding uit mijn stof eens geput hebben. Ik leef in bomen en planten, want hiervan ben ik deel. Ik ben hier, zo goed als elders”.

De krachten des levens zijn alomtegenwoordig. Wanneer gij aan een leven ooit deel gehad hebt, zult gij altijd voortbestaan.

Voor de esotericus en ook voor u is dit een belangrijk punt. Gij dient te beseffen, dat gij zelfs wanneer gij in andere en hogere werelden vertoeft nimmer zult kunnen zeggen; “Nu ben ik geen deel meer de stoffelijke wereld.”

De wijze, waarop gij aan die wereld deel zult hebben, verandert, maar gij blijft er deel aan hebben. Elk deel van het leven, dat gij waarlijk leert kennen, waaraan gij waarlijk deel hebt, dat gij waarlijk hebt leren begrijpen, bereikt dan ook uw eigen wezen.

Zegt niet een oude wijsgeer reeds: De bewuste is als een wereld, vol paleizen en tempels, een wereld, waarin de bloemen vol schoonheid zijn en de vogels pronken in vele kleuren en wondere liederen zingen, als waren zij hemelse geesten. Want hij, die een is met al het lichtende en goede, dat hij erkent, hij is een wereld. En wie een wereld is, kan in die wereld zijn God gespiegeld zien, zo zichzelf en zijn God gelijktijdig erkennende.

Wie zichzelf en zijn God heeft erkent in waarheid, verheft zichzelf boven elke begrenzing. Deze is een met al het zijnde daadloos onwetend, volmaakt.

Hier ligt a.h.w. de grens van het menselijke wezen duidelijk omschreven. Wanneer gij zegt: “Ik ben wel dit, maar dat ben ik niet”, hanteert gij menselijk verstandig een maatstaf. Maar wat gij werkelijk niet zijt, zal voor u niet kunnen bestaan. Dit erkent, begrijpt en beseft gij niet. Alles, waarvan gij deel zijt, elke kleine daad, gedachten, in bijeenkomsten als deze, of gesprekken tussen mensen, is een doel van Uw leven, dat u voort draagt. Besef dan ook steeds, wanneer iets tot u spreekt, iets u beroert, gij iets doet of erkent: Ook dit ben ik.

Zo wordt gij langzaam maar zeker bewust van uw wezen en maakt gij uw innerlijk tot een complete wereld, waarin mensen kunnen streven en spreken, een wereld, waarin het winter is en zomer, zowel als lente een wereld, waarin geoogst en gezaaid wordt.

Dan zijt gij een wereld, die een weerkaatsing is in uw wezen van het Goddelijke scheppingswerk.

Wanneer gij in alle dingen steeds weer zoekt naar het goede, ’t juiste, het lichtende, zo schept gij uzelf een wereld, die kennelijk het goede, het volmaakte en lichtende in zich draagt.

Indien gij dan erkent, dat dit alles een deel van uw eigen wezen is, zo zal er een stem kunnen spreken uit de eeuwigheid; zo zal er een grote kracht zijn, die in uw wereld regeert uit naam van de Schepper. Ontken deze waarden niet, ofschoon gij geneigd zult zijn te stellen “Dit althans is geen deel van mij.” Het heeft geen zin het lagere te beseffen om voor het hoogste te vluchten.

Zo leert men in de sferen wel: Zij zijn er en zij zijn negen of zo gij buiten eigen weg beseft 10, die men de poorten der oneindigheid noemt. Elk van hen is een scheppend wezen. Elk van hen is ook een eigenschap en verleent zijn eigen wezen aan het geschapene. Elk van hen is een deel van God en blijft toch een persoonlijkheid, een wezen met eigen rechten en eigen mogelijkheden. Zo gij een zijt met deze krachten, vindt gij een poort tot wijdere werelden.

Eerst indien gij delen zijt van hen allen en zo hen alleen beseft in de eenheid, waaruit zij voortkomen, zult gij waarlijk het leven kennen. Eerst wie het leven waarlijk kent, kent waarlijk zowel zichzelf als de levende kracht, die hem geschapen heeft. Gij, mijne vrienden, meent zo vaak, dat er maar een enkele weg is, of naar één enkele juiste richting, één enkele juiste wijze van denken, een enkele weg, waarin de wijsheid zich openbaart.

Geloof mij, er zijn vele wegen en al deze wegen zijn gelijkwaardig. Om het met menselijke woorden te zeggen: Nimmer kan werkelijke bewustwording of zelfkennis worden gekregen uit eenzijdigheid. Het is de synthese van vele waarden, die tot een kosmische begrip voort en de mens kan verheffen boven alle menselijke beperkingen. Het is de synthese van alle waarheden en wegen, die de geest vrijmaakt van haar kluisters en de eeuwige waarheid openbaart, zowel in uzelf als in de wereld.

Ik zou u graag nog het volgende voor willen houden: Waar ik werk en waar ik leef, is mijn bestaan, daar is mij een taak gegeven, die deel is van de kosmos en deel van het wezen, dat ik nog niet besef, maar in kosmische zin reeds ben, mijn ware Ik, want in God ben ik een enkele en blijvende kracht en niets kan mij verdelen. Mijn bewustzijn beseft dit niet, maar elke wereld, waarin ik leef, brengt mij een taak. Deze taak is steeds weer het Goddelijke, dat in mij leeft, verwerkelijken volgens mijn huidig bewustzijn en mijn huidige vermogens.

Daarom dit wordt in de sferen gezegd, vergeet dat niet dient gij uit te gaan en licht te brengen in het duister, maar ga ook uit naar het hogere en drink u daar zat aan licht en kracht. Openbaar, wat gij zijt en leef, wat gij zijt, opdat de Schepper in waarheid door u geopenbaard zij.

Ook dit is vanuit menselijk standpunt gezien misschien een wat vreemde stelling, want men zal als mens uitroepen: Zijn er dan geen wetten en beperkingen? Zijn er dan voor de esotericus geen wetten en regels, die hem dwingen bepaalde beperkingen te aanvaarden en bepaalde mogelijkheden buiten beschouwing te laten?

In algemene zin is dit niet waar. Slechts zolang gij God nog niet in alle dingen waarlijk kunt erkennen, slechts zolang gij in bewustzijn en aanvaarding nog beperkt zijt, zult gij een bepaald pad gaan, maar daarbij zult gij ook uw eigen mogelijkheden en taak beperken, zodat gij niet volledig zult kunnen beantwoorden aan datgene, wat gij in uw eigen wereld moet zijn.

Eerst wanneer gij in alle dingen God ziet en zo in alle dingen God aanvaardt, eerst wanneer gij waarlijk een broeder of zuster zijt voor geheel de wereld, bewust, wetend en oprecht, kunt gij een deel van de werkelijkheid zijn. Dan bestaan er geen banden en geen wetten meer, Gij zult als mens willen stellen, dat er dan toch ook dingen zijn, die kwaad zijn.

Laat ons dit anders stellen: Er zijn dingen, die gij als deel van uw leven en taak ziet en dingen, die gij daarvan geen deel acht. De enige regel, die men werkelijk kan geven, is: Wat volgens uw innerlijk weten en gevoelen niet tot uw wezen of taak behoort, laat dat aan anderen, want deze dingen zullen, indien zij noodzakelijk zijn, door de Schepper verwerkelijkt worden door een ander wezen, of in ’n leven, nu of in de toekomst. Maar wat gij erkent als God in u, als deel van uw leven in stof en geest, zult gij volledig moeten aanvaarden en verwerkelijken, zonder te spreken over goed en kwaad.

Alle regels zijn slechts hulpmiddelen. Het is niet mogelijk ’n eenvoudige regel te stellen, die altijd en voor iedereen past, zonder dat zij tevens en Goddelijke wet is. En Goddelijke wetten lijken de mens zo ver af te staan en zo algemeen te zijn.

Vrienden, toch zou ik willen trachten enkele praktische regels te stellen, die tenminste voor velen bruikbaar zijn.

  1. Erken wat in het leven uw directe taak is en vervul deze zo goed gij kunt.
  2. Oordeel niet en veroordeel niet, doch dien, waar gij kunt, in een aanvaarden van al het Zijnde, vervullende het goede en lichte, in uzelf het duistere en slechts overwinnende, waar gij maar kunt.
  3. Vraag voor uzelf niets als recht of eigendom, stel nimmer, dat dit aan u alleen is voorbehouden, of dat gij uitverkoren zijt, doch tracht uzelf te zien als deel van een groot geheel, waarin God Zijn wezen waarlijk openbaart. Al wat ik bezit is deel van het Goddelijke en zo niet waarlijk mijn eigendom. Daarom zal ik het geven aan andere delen van het Goddelijke, zo dit mogelijk en noodzakelijk is. Stel: zo ik uitgekozen worden voor een taak, werden anderen voor andere taken uitgekozen. Wij zijn elkaars gelijken. Stel: het recht dat ik opeis en voor mijzelf wil bezitten, is gebaseerd op een onrecht, dat ik anderen aandoe. De rechten die mij werkelijk toekomen, behoef ik niet op te eisen; deze geeft mijn Schepper mij.
  4. Indien gij streeft naar innerlijke kennis, moogt gij nimmer tot uzelf zeggen: ik ben anders dan deze of gene. Zeg steeds: In die ander leef ook ik, in die ander erken ik mijzelf en uit die ander zal ik mij verheffen tot een beter begrip, hem zowel als mij omvattende, dat voor ons allen de Goddelijke waarheid duidelijker openbaart.
  5. Indien gij waarlijk naar innerlijke en kracht streeft, dient gij te beseffen, dat gij – om uw taak juist te kunnen vervullen, de juiste krachten te kunnen bezitten – zoveel mogelijk bewust deel van God moet zijn. Aan God is het u te doen rusten, of te doen streven. Stel geen eigen wetten en zoek niet naar de krachten, wanneer de kracht u dwingt te rusten,  doch rust, wanneer gij rusten moogt en streef, wanneer ’t noodzakelijk is om te streven is in de wetenschap, dat alle, voor vervulling van uw taak noodzakelijke, kracht u reeds gegeven is, zodat gij deze niet behoeft te verwerven. Al het noodzakelijke en meer zult gij bezitten, zodra gij – harmonisch in en met de kosmos werkende – uw taak vervult.

Zo levende, zult gij beseffen, dat daar, waar gij uw krachten vindt, uw taak ligt; terwijl, waar in u de krachten niet tot uiting kunnen komen, ook niet uw taak gelegen zal zijn. Zo zult gij leren uw weg te vinden en daarmede de werkelijkheid omtrent eigen wezen.