De algemene bronnen van wijsheid

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 75

4 augustus 1957

Op deze bijeenkomst zullen wij dan weer trachten enkele punten te beschouwen uit de algemene bronnen van wijsheid die de mensheid op deze wereld ter beschikking staan. Allereerst geloof ik, dat wij de nadruk moeten leggen op de noodzaak voor elk wezen, mens of geest, om van uit zichzelf te streven. De nadruk wordt steeds gelegd op het feit, dat wij het Koninkrijk Gods in ons dragen, dat we onszelf moeten kennen, enz. Daarbij wordt vaak vergeten, dat de wereld buiten ons zo al niet even belangrijk zelfs vaak belangrijker is voor het totaal van onze ervaringen. Wie te sterk in zich keert, verlaat de wereld. Wie nu de wereld verlaat, leeft niet.

Deze opvatting klinkt wat vreemd in een groep als deze. Toch is het waar. Wanneer een mens de wereld zelve niet meer wil beleven, zich terugtrekt in kluizenaars eenzaamheid of kloosterlijke geborgenheid, dan kent hij niet meer de verantwoordelijkheid t.o.v. zijn omgeving, de noodzaak om voortdurend in harmonie en in samenwerking met anderen tot bereiking te komen. Het is juist dit “anderen voortdurend kennen en harmonie met hen bereiken,” dat voor elk wezen een stap nader is niet alleen tot het einddoel van het bestaan, maar ook tot het kennen van zichzelf. Het is daarom misschien verstandig verschillende toestanden hier achtereenvolgens uiteen te zetten.

Allereerst een spreuk van de oude Brahmanen, die zeiden; “Wie gevangen is in de veelheid der dingen wordt slachtoffer der demonen. Maar beter is het slachtoffer der demonen te zijn, dan niet gekend te worden door de goden.” Je kunt niet ondergaan in de wereld en eenvoudig alles van je afschudden. Zeker, wie leeft en de wereld accepteert, wordt geconfronteerd met strijd, met problemen. Strijd, problemen kennen we geloof ik allemaal, onverschillig waar wij zijn. Want strijd en het probleem, dat overwonnen moet worden, is de kwintessens van het levensproces op zichzelf.

Leven is beweging, activiteit. Daarom is het probleem voor ons noodzakelijk. Maar het probleem is gelijktijdig vaak strijdig met ons eigen wezen. Zijn wij niet in staat het probleem te overwinnen, dan worden wij tot slachtoffer daarvan en het wordt de demon in ons bestaan, een demon in de slechte betekenis van het woord. Want er zijn ook opvattingen van daemon, van demon, die goed zijn, zijnde de vertegenwoordiging van goddelijke kracht in het “ik”. In de zijn van het niet overwonnen probleem is en blijft de demon het wezen, dat ons naar duister en ondergang voert.

Maar let wel, wanneer wij geconfronteerd worden met deze waarden, hebben wij ook de mogelijkheid het licht te gewinnen; dus het probleem overwinnende, oplossende de vraag, voor onszelf verder te gaan en daaruit krachten te putten.

Een gezegde van de Lappen, misschien wat plastisch gezegd: “Wanneer men vijfmaal struikelt op de weg en toch zijn doel bereikt, is de trots groter dan wanneer men zonder meer het einddoel heeft verkregen.” Ze doelen daarmede op de vaak moeilijke reisomstandigheden, waarbij men door uitputting, soms ook door de uitputting van zijn dieren, eenvoudig de slede niet kan houden en neervalt. Dan toch de macht behouden over je rijdier, toch de macht behouden over de slede en over jezelf, niet neerzinken in de donzige zachtheid van een koude, die je niet meer voelt, maar verdergaan, dat geeft een innerlijke warmte, een groot gevoel van vreugde.

Ik geloof, dat voor alle mensen voor de geest weet ik het zeker, maar ook voor alle mensen een dergelijke vreugde bestaat, wanneer men een weerstand heeft overwonnen. Niet de strijd, die ons uitput, maar de overwinning, die ons nieuwe krachten geeft. Die kracht heb je nodig.

Een zeer pessimistisch wijsgeer zei eens; “Hier ben ik, eenzaam en belaagd door heel de wereld, alles mijn vijand, en ikzelf niet wetend of ik niet mijn eigen vijand ben.” Een pessimisme, dat veel te ver gaat, maar ons laat zien, hoe sommige mensen leven. Niet alleen dat ze de hele wereld rond zich zien als een pool van zondige gedachten, dat zij alle bestaan zien als iets demonisch, als iets waardoor je lijden moet en waarin je je niet moogt verheugen; maar gelijktijdig nog twijfelend aan zichzelf en vaak menend, dat hun eigen streven nog zondiger is dan dat van de wereld.

Dwazen. Wie kan leven zonder doel, zonder de zekerheid, dat ergens een lichtpunt is, ergens een doel, dat je bereiken moogt en kunt, iets dat goed is? Anders vervallen wij tot de duivelswaan, de ondergang. Wij moeten zeker zijn, dat er iets goeds is. En ik geloof, dat ik hier dan heel veilig een stukje uit Jezus’ leringen mag citeren, die helaas niet alle gepubliceerd zijn, zoals U weet.

Jezus zegde tot zijn leerlingen: “Ziet, ik leef niet om mijzelf, maar om de Vader in mij, Die mij de grootste vreugde is,” Jezus had geen reden om zo te leven. Maar in hem was een kracht, die hem dit leven niet alleen deed aanvaarden, maar het tot een vreugde, tot een zending maakte. Zoals wij in onszelf de kracht dragen, die ons in stand houdt.

Zelfs indien men zegt: “Stof tot stof, as tot as, dood is einde van het leven,” dan nog moet er iets zijn, dat betekenis heeft. Ik kan toch het hele Al niet zien als een zinloos spel van ongebonden krachten, die door toeval een mens creëren en weer ten onder brengen. Wie zo het leven ziet, heeft geen doel in het leven, kent geen inhoud. Maar indien je gelooft, dat er ergens een leidend vermogen is, ergens iemand, al is het maar een grote poppenspeler, die zijn marionetten op aarde beweegt, dan begint er inhoud te komen in je leven. Dat je zo leeft, dat je zo bent, heeft een doel. Het is niet aan jou dat doel na te gaan; maar in je is deze kracht, in je is dit wezen.

Wij gaan verder, zoals U weet. Wij stellen, dat wij in feite déél van dit wezen zijn, onverbrekelijk tot eenheid daarmee verbonden. Bevangen door de waan van afzondering en persoonlijkheid misschien, maar toch deel van God. Dan is er in óns leven een goed doel: de God in ons. De God, Die in ons leeft en in alle dingen. Dan hebben wij een reden om te leven en te strijden. Dan hebben wij een reden om ons te verheugen, om ons lijden te dragen. God in ons is de reden van ons leven. God in ons is de reden, dat wij ons in het leven mogen, ja, moeten verheugen.

Ook Jezus ging soms verder in zijn verwijten, dan de huidige tijd zich realiseert. Zo sprak hij eens over een bepaalde kaste der Joden, niet alleen als gepleisterde graven, maar scherp omschreven als geraamten van eigenwaan, die zich bekleden met wereldleed, omdat zij niet weten, waarheen te gaan. Bekwaste ezels, wier gedachten alleen vervuld zijn van hun eigen schijn en die de werkelijkheid niet erkennen.

Als een mens in de wereld alleen maar leeft voor uiterlijkheden, wanneer hij geen vreugde kent in het leven, niet de vreugde durft accepteren van het bestaan, wanneer hij niet zoekt naar het licht, naar de zon op zijn weg, dan is hij niet veel meer dan een ezel; ja, minder. De ezel in zijn beperkingen heeft nog intelligentie genoeg om zich te verheugen. Het is de mens, die de zwartheid, de droefheid, de rouw van het bestaan op de voorgrond zet. Zo doet een dwaas. Verloochent deze niet alle werkelijkheid? Verloochent hij niet voor alles de grote werkelijkheid, de goddelijke kracht, die in heel het leven tot uiting komt? Verwerpt hij niet met de wereld de Schepper? Wij mogen, wij kunnen niet ontkennen, dat het leven waarde heeft. Wij mogen en kunnen niet ontkennen, dat ware vreugde het doel is van ons bestaan.

O, vergis U niet. Met ware vreugde kan niet bedoeld worden een reeks van onbenulligheden, genietingen, de korte roes, die op aarde vaak onder die naam doorgaan. Een Chinees wijsgeer heeft dat eens betrekkelijk cru, maar m.i. zuiver omschreven. Hij zegde: “De vreugde leeft niet in de wijn, maar in het delen van de wijn met anderen. De vreugde leeft niet in het bed, maar in de tweeheid, die geschapen wordt tot eenheid. De vreugde ligt niet in de zon, maar in de zon die in ons zijn weerkaatsing vindt. De vreugde ligt niet in de oogst, maar in de vervulling van ons wezen van uit de aarde.”

Hij gaat dan verder met zijn betoog, waarbij hij de voorvaderen enz. mede in het geding brengt. Dat is niet belangrijk. Maar daar ligt eigenlijk de zijn van de vreugde, Vreugde is zeker niet alleen maar genieten. Degenen, die vreugde en genot als één beschouwen, zijn dwazen. Want het genot brengt zijn rouw, zijn terugslag, zijn kater. Maar de ware vreugde kent geen terugslag. Vreugde is kracht, die in jezelf leeft.

Nu wil ik proberen aan deze zuiver op aardse beschouwingen gebaseerde rede ook wederom enkele geestelijke elementen toe te voegen. Ik hoop, dat U in staat zult zijn deze normaal te verwerken en te begrijpen op zijn ware betekenis. Bij ons zegt men n.l.: “Wie de vorm nog kent, beleeft zijn vreugde aan de vorm. Wie de vorm verliest, beleeft zijn vreugde aan de bevrijding.”

Er zijn grenzen van vreugde en van bestaan. Er zijn bepaalde ogenblikken, dat je eigenlijk dichter bij de grond moet staan, geestelijk gezien. Er zijn ogenblikken, dat je als geest dwaalt door tuinen, dat je droomt van steden vol schoonheid, dat je zingt in machtige koren. En het is maar een vraag, of ze werkelijk zijn. Maar het is voor ons vaak noodzakelijk, omdat wij ons vreugde, bewust vreugdig bestaan, niet anders kunnen realiseren. Maar ontkomen wij eraan, dan weten wij, hoezeer de werkelijke inhoud van ons wezen bevrijd is uit de vorm en daardoor intenser geniet.

Ik zal trachten een voorbeeld te geven, misschien dat het dan duidelijker is. Wie van U is in staat geweest zijn innigste gedachten in woorden uit te spreken? Elk woord, dat U daarover spreekt, is een openbaring, maar gelijktijdig een verhulling van het “ik”. Zo is elk vreugdig beleven, dat aan vorm gebonden is, voor de geest zeker een openbaring, een vreugde, maar gelijktijdig een verbergen van het wezen der vreugde, dat eerst in het vormloze tot uiting komt.

Ik heb dit citaat aangehaald (want het is ook een uitspraak zij het uit onze wereld) om U duidelijk te maken, hoe noodzakelijk het is, dat wij graden kennen. Graden van vreugde, graden van aanvaarding, graden van beleving, ja, zelfs graden van goed en kwaad. Niet dat de wereld ons die oplegt. Een kosmische vreugde bestaat altijd. Maar voor onszelf moeten wij een doel stellen, dat binnen ons bereik valt. Wie in het beleven der woorden zou hunkeren naar het vormloze, dat hij niet begrijpt, zou de vreugde van het vormloze nooit kunnen ervaren door gebrek aan beleving; terwijl hij gelijktijdig de vreugde van het gevormde voor zichzelf verwerpende in een ledig niet verzinkt.

Dat toont U ook de wereld. Hoeveel mensen verwerpen niet sommige vreugden en scheppen daardoor een vacuüm, waarin ze verdrogen. Ze komen tot geen enkele levende gedachte, geen enkele impuls meer van edelmoedigheid, van hartelijkheid.

Maar ik ga verder in onze eigen sfeer, vrienden. De vreugde is het wezen van de grote beleving. Vreugde kan niet in jezelf alleen besloten zijn. Het is een deelgenootschap. En eerst dit deelgenootschap geeft gewicht aan de beleving en aan de ervaring. Hoe groter dit delen van emotie, van gevoel, van wezen wordt, hoe groter de mogelijkheid tot bewustwording. En hoe groter ook de intensiteit der vreugde, die allen gezamenlijk opbrengen.

De gedachte van één is niets. De gedachten van twee wordt een kracht. Met de gedachten van drie wordt reeds veel volbracht. Maar de gedachten van allen, allen tezaam, zijn de schepping. Ze schrijven Gods heilige naam

Het gaat hier natuurlijk over de gedachten van het bewustzijn, dus bevrijd van stoffelijke en laag geestelijke normen. Maar in feite is het altijd zo geweest. Alleen, ingekapseld, afgezonderd van de mensheid, ken je geen vreugde, ken je geen mogelijkheid tot leven en beleven. In een tweeheid komt er een kracht; d.w.z., de beleving als zodanig wordt mogelijk, er komt intensiteit in het beleven. Maar eerst wanneer wij leren dit uit te breiden, tot wij eindelijk meeleven in de vreugde, in de beleving, in de intensiteit van het bestaan van al het zijnde, komen wij tot de realisatie van het Goddelijke, de realisatie van volmaakte vreugde, de realisatie van een waar bestaan.

Deze dingen klinken misschien voor U op aarde nog wat raadselachtig en onvoorstelbaar. Onvoorstelbaar vooral, omdat bv. dit laatste geen stoffelijke verwerkelijking geeft. Het is een zuiver geestelijke werking; het is een geestelijk beleven, dat zich onttrekt aan stoffelijke begrippen. Toch heb ik het voor U aangehaald, het geciteerd. Ik hoopte daarmede af te ronden wat ik U aan de hand van de stoffelijke citaten had gebracht.

Ik wil het geheel nog kort samenvatten voor ik het woord overgeef aan een volgende spreker. Vertrouw op één ding: “Alle wijsheid van het leven ligt in de tweeledigheid van ons bestaan en in de erkenning daarvan. In ons is een goddelijke kracht, in ons is het doel van het leven, het doel van alle zijn, van alle strijd. Buiten ons is de wereld, waarin wij deze kracht kunnen leren erkennen, zodat wij in de wereld de kracht vindende, die Al regeert, onszelf kunnen benaderen. Het wezen van deze kracht is volmaaktheid. Volmaaktheid kun je voor de onvolmaakte wezens niet anders uitdrukken dan door vreugde. Vreugde tot in het onuitsprekelijke.”

Vreugde of zo U wilt, geluk, is datgene, wat een ieder nastreeft. Om dit te bereiken moet men echter kunnen delen met de wereld en gelijktijdig in zichzelf voortdurend het doel ervaren van het bestaan. Naarmate de gedachten intenser deelnemen aan het totale leven, het lijden van mensheid en geest, zal de gemiddelde waarde, die de volmaaktheid is, steeds nauwkeuriger worden uitgedrukt in evenwichtiger verhoudingen en daardoor voor ons steeds groter vreugde mogelijk maken.

Misschien heb ik U niet veel nieuws gezegd. Maar misschien heb ik U toch iets kunnen geven van hetgeen U op zo’n zondagmorgen verwacht: wat lering en ook wat wijding.

Weet U, wijding is toch eigenlijk niets anders dan een zoeken naar wat innerlijk geluk, waardoor je stil wordt en het leven beter kunt aanvaarden. Wijding is dus innerlijke vreugde en daardoor innerlijke kracht. Ik hoop, dat U die in mijn betoog toch zult kunnen vinden.

o-o-o-o-o

Na dit statige en indrukwekkende betoog, waarbij het ene woord volgt op het andere, alsof het aan touwtjes hangt, kom je wel eens voor problemen te staan, als je er over nadenkt. Want de woorden zitten bij ons soms niet aan een touwtje, maar de gedachten wel. Je kunt vaak hun loop niet eens verbreken. Als je A hebt gezegd als eerste gedachte, dan komt er B, C, enz. soms tot Z toe allemaal achter aan. En dat doet je dan toch denken aan een vastgesteld patroon, aan een wet, een soort natuurlijke reactie, waaraan je niet kunt ontkomen. Ik zou haast zeggen, een hoop gedachten doen denken aan een atoombom. Zolang hij niet ontstoken is, ziet hij er onschuldig uit, maar op het ogenblik, dat hij begint, houdt hij ook niet meer op, voordat hij volledig al zijn werking naar buiten heeft gebracht.

Ik breng dat zo naar voren, omdat ik eigenlijk een paar punten over die vorm wilde aanhalen. Er zijn zo heel veel dingen, waarbij die vorm naar voren komt. Neem nu bv. sneeuw. Wanneer ze naar beneden komt “als duizenden kristallen, die warrelend dalen als een witte droom, aarzelend de aarde kussend als bevangen door schroom,” dat klinkt mooi zo; maar het belangrijkste is: kristallen. Entiteiten a.h.w. En het komt allemaal uit de hemel en slaat neer. Ze zijn volkomen symmetrisch met de mooiste vormen en fonkeling. Geen juwelier haast die het zo mooi, zo fijn kan maken als wat kou en een beetje waterdamp samen presteren.

Maar we gaan verder. Ze komen bij elkaar en worden vlokken. Dan krijg je zo de stijl van: “En gedempte, zware vlokken dekken heel de aarde stil met een lijkwade voor het leven, zo oneindig warm en kil toch om te zien. Maar de sneeuw spreekt in zichzelf: Het is het leven, dat ik geef. Want onder deze wade verborgen groeit reeds nu der lente pracht en gewint uit stilte ook weer nieuw bewustzijn, nieuwe kracht.’“ (Een aardig kinderspel dat rijmen)

Maar al die vormen gaan teloor, komen tot een andere totale vorm met een heel ander wezen (een andere bestemming eigenlijk) op het ogenblik, dat de individualiteit teloor gaat. Met andere woorden de sneeuw gehoorzaamt aan verschillende wetten. De eerste wetten zijn zuiver individueel, kristallen als juwelen. Welnu. U kunt zeggen: de bewuste mens is ook een juweel, U hebt het misschien wel eens voorgesteld gezien als iemand, die a.h.w. op zijn voorhoofd een schijnwerper heeft en die in zijn trekken tot en met is verfijnd; het edelste wat U zich kunt voorstellen. Dat geldt dan voor de ingewijde, de bewuste, de Bodhisattva, enz., zoudt ook kunnen zeggen: zo’n mens is eigenlijk niets anders dan het bewustzijn, dat in de normale mens gasvormig, verstrooid leeft, nu gekristalliseerd in een symmetrie, die het ervaarbaar maakt.

Dan ben je er nog niet. Want als het hele kristal gevormd is, komt er een ogenblik, dat het met andere tezamen gaat flonkeren. En naarmate het meer naar de wereld daalt, wordt het een steeds grotere vlok en wordt het steeds meer één met het sneeuwdek. En het is het sneeuwdek zelf, dat een belangrijke functie heeft. Het sneeuwkristal op zichzelf is mooi, gehoorzaamt aan wetten, maar het doel wordt eerst tot uiting gebracht in die sneeuw, die daar de zaak zo mooi bedekt.

Weet U, wetten en regels moeten er zijn, zegt men. Maar wetten en regels hebben geen zin, tenzij er een uiteindelijk doel mee wordt bereikt. En het doelbewuste moet overal bestaan, zowel in de geest als in de stof. Daarom ga je zeggen: Er is ergens een doel, dat ons allemaal eerst doet leven, ons doet vormen, kristallisatie dus, menszijn, ons doet neerslaan (dood) en als geest eventueel ondergaan in de massa, individu blijvend, maar toch een functie met anderen tezamen vervullend. Dan zou je zo kunnen zeggen: “Gevormd door de stof, verlicht in de geest, overwin je hetgeen, dat steeds wordt gevreesd de kracht, die is de kille dood; de onrust van de mens, de stille nood van al wat duister is. De mens verwint en de geest moet ondergaan; maar geest en geest kunnen bestaan om eeuwig leven weer te geven en zo de dood niet te weerstreven maar te maken tot een kerend leven, om daarna meer en meer bewust gericht het licht te geven.

De eenheid van de geest, van de geestelijke krachten vooral, dat is belangrijk. Per slot van rekening: de stof is veranderlijk. De vormen veranderen. Maar het gekke is, dat de gedachten van de mensen zich niet zo veel wijzigen. Of je nu gaat kijken naar de oudste filosofen of naar de nieuwe, ze verschillen alleen in de basis van hun redenering: bij de een is het zoeken simpeler of in geheime stellingen, terwijl de ander zich baseert op wat de wetenschap nu eenmaal tot uiting heeft gebracht. Maar het denken bleef in vele opzichten gelijk. De gedachte is de schakel om a.h.w. de oermens te koppelen aan de moderne mens. Dat kun je zelfs op aarde nagaan. En moge dan vroeger de man met zijn knots en een lichte verdoving zijn vrouw hebben gewonnen, terwijl dat op het ogenblik vaak gebeurt met een auto en een trouwring, dan is het verschil toch niet zo groot in het verlangen, dat er aan ten grondslag ligt. De vormen veranderen, maar het wezen blijft gelijk. Het wezen van de mens, ontdaan van zijn uiterlijkheden,is hetzelfde gebleven,

Er bestaat zo’n aardige karikatuur van. De wereld is een poppenkast en ieder speelt zijn rol. En rollen vraagt een ieder vaak. De poppenkast staat vol van hen, die spreken over deugd en slechts bedoelen wraak. Want onder ’t mommend poppenkleed schuilt steeds dezelfde vreugd, hetzelfde leed. En de gebaren, die de menigte voldoening schenken, verbergen slechts zeer primitief een algemeen en zelfde denken.

Het is eigenlijk waar. Het gaat om de gedachten. En nu kent U allemaal het bekende gezegde, dat gedachten krachten zijn. Niet dat je met gedachten iets kunt doen. Ik bedoel, ik heb nog nooit gezien, dat iemand met gedachten een ander bewusteloos sloeg. Maar ik heb wel gezien, dat iemand een ander alleen door zijn denken kon veranderen; a.h.w. zijn wezen een nieuwe vorm geven, een nieuwe prikkel geven in zijn leven, een nieuwe gedachte. Neem nu maar een gewone psychiater. Hij doet niets dan luisteren, luisteren; maar hij geeft de achtergrond van eigen gedachten aan de problemen van zijn patiënt. En wanneer het een goede psychiater is, gaat de patiënt weg met iets van de sterkte van het denken van de psychiater, terwijl deze misschien maar heel weinig heeft gezegd. Het ging niet om de vorm, maar het ging om de gemeenschappelijke beleving a.h.w., waar de kracht uit voortkomt.

Wanneer je nu nog even gaat denken over die sneeuwkristallen, dan kunt U zich voorstellen, dat de eenheid van deze dingen er het wezen aan geeft. Dat is met de gedachten ook zo. Dus de eenheid van de gedachten geeft het wezen aan de mens.

Dan zeg je al heel gauw: “Wanneer ik dan aan het doel, dat ik heb, wil beantwoorden, moet ik dat doen door een gemeenschapsmens te zijn. En later nog veel meer.”

Een geest, die contact zoekt met anderen, moet a.h.w. de gedachten maken tot de dragende kracht van het bestaan. Ik moet mijn denken zien als een eenheid, die verder gaat dan ik met woord of gebaar of iets anders kan uitdrukken. Ik moet mijn denken daarop inrichten.

Een heel bekende spreker in de U.S. leidde een andere spreker in met de volgende opmerking: “Vrienden, U gaat nu luisteren naar een spreker, die ongetwijfeld veel belangrijks heeft te vertellen. Maar ik weet, dat velen van U de biefstuk belangrijker vinden. En daarom zou ik dit willen zeggen: ‘Denkt U aan deze spreker maar als aan een stuk beaf.” Het was eigenlijk een grapje, maar onbewust bracht die speaker daar iets naar voren, wat belangrijk is: de associatie in het denken. Want hij verkondigde daar zo even zijdelings; Wanneer je nu erg veel van biefstuk houdt, zoek dan naar de biefstuk in die spreker en je zult ongetwijfeld ook zijn rede kunnen verteren, die U anders wel eens zwaar op de maag zou kunnen liggen.

Laten wij dat principe nu eens even doorvoeren, vrienden. (Ik hoop, dat u mij niet vervelend vindt; ik ben geen dominee en ik houd niet van wijding.) Maar de idee, die er achter zit, is misschien wel belangrijk voor u. Wanneer je zo eens in het leven rondkijkt, zijn er heel veel dingen, waarvan je zegt: Die hangen mij ellen de keel uit. (Wanneer het waar zou zijn, zou het lastig voor je zijn, hoor!) Maar toch wanneer je daar nu eens in zoekt naar dingen van je eigen leven, die jezelf belangrijk vindt; als je zoekt in anderen dat te erkennen wat jou interesseert, wat belangrijk is, zou dan de wereld niet interessanter en mooier worden? En als je zo op de wereld begint, dan school je je denken dus op een harmonie met anderen. De doorsnee mensen erkennen de strijdigheid. Wanneer je naar de uiterlijke verschillen kijkt en niet naar de innerlijke kracht, naar de innerlijke overeenkomst, dan is de zaak fout.

Stel nu eens, dat je begint met die overeenkomst overal te zoeken. Te zoeken naar contact met de dingen. Dan kan ik mij best voorstellen, dat de een zegt: “De appelbloesem bekoort mij,” terwijl een ander zegt; “Wat ziet die appel er lekker rijp uit,” Dan heeft voor allebei de appelboom een ander aspect, maar ze komen beiden tot een appreciatie en zien dus een appelboom staan onverschillig in welke toestand en appreciëren de schoonheid, die zij ervan kennen.

Zo moeten wij met de mensen doen. Wanneer wij op aarde zijn moeten wij bij alle leven, alle mensen, alle dieren zoeken naar een overeenkomst, zoeken naar datgene wat voor ons belangrijk is. Gooi de verschillen maar opzij en zoek naar de overeenkomst. Daar heb je een band, daar kun je een kracht maken, daar kun je de wet a.h.w. vervullen. Anders blijf je in je centje steken. Nu kun je door het contact met anderen worden tot een vlok, een vlok die daalt in neerslag; maar niet naar beneden toe, maar naar de vervulling van je doel. En ga je eens over, dan heb je dus dit zoeken naar een contact met anderen en niet naar tegenstellingen. Door dit contact met anderen kom je tot eenheid, tot harmonie, tot kracht.

Om alweer een voorbeeld te geven: Een spoorwagen staat op de rails, geen locomotief erbij, wel een stel mensen, het spoorwegpersoneel. Die wagon moet twintig meter verreden worden. Nu ja, iedereen wil wel aanpakken. Ze staan er omheen en ze duwen, maar het ding komt niet vooruit. Eindelijk krijgt er een een helder idee. Die zegt: “Hallo. Hoepla! …douwen! En omdat ze allemaal tegelijk aanzetten, komt er beweging. Hij geeft nog eens zo’n kreet en de wagen rolt sneller. En wanneer hij niet heel gauw opgehouden had, was de wagen zijn doel voorbijgereden.

Ik wil maar zeggen, vrienden, zo gaat het met die gedachten, met die krachten van ons ook. Wat een ieder voor zichzelf zonder meer probeert te bereiken, daarmee krijg je de grote dingen niet gedaan, daar krijg je de grote belevingen niet mee. Maar als je allemaal de overeenkomst zoekt, dus de harmonie in het streven gaat zoeken, het leven gaat erkennen, daar het doel uit ziet groeien, dan kun je veel bereiken. En geestelijk is dat nog veel belangrijker, omdat de geest, ontdaan van de stoffelijke beperking bij een zoeken naar harmonie, de individualiteit a.h.w. boetseert in een vorm, die binnen die gemeenschap past, binnen die gemeenschap belang krijgt, De geest, die op zo’n manier tot eenheid komt, stijgt zoals het hier heet. Maar het is eerder een je uitbreiden. Want door dit je boetseren, dit je vormen als individu tot eenheid met anderen, heb je deel aan al die andere dingen en is je bewustzijn vergroot met alles, waarmee je in harmonie bent. En is dat bewustzijn vergroot en kom je tot een zuiver erkennen, dan wordt voor jou de mogelijkheid geschapen om ook geestelijk het doel van het leven te vervullen en daartoe de vreugde van je bestaan te ervaren in de volheid, die ergens verborgen ligt.

Ja, en vraag nu niet: Waar? Want dat weet ik niet. Anderen schijnen het wel te weten, ik niet, Ik weet alleen, dat in mij een voortdurende belofte ligt van groter vreugden, blijer bestaan; en ik weet, dat deze weg ertoe leidt. En wat daarachter schuilt, ach vrienden, dat vraag ik niet eens. Ik weet het ook niet. Maar zelfs het gevoel deze belofte kennelijk in je te dragen, dat is al zoveel waard, dat U ongetwijfeld verstandig zoudt doen, wanneer U de kleine moeite zoudt nemen om te zoeken naar de overeenkomsten met anderen en zo naar de eenheid en harmonie, die noodzakelijk zijn.

0-0-0-0-0
VREUGDE

De lach van de zon kaatsend in ’t water. De dans van een vlinder van bloem tot bloem. De belofte van ’t heden, de vervulling van later. De zekerheid van bereiking en roem.

Een tocht door het leven, voltooid in de vreugde. Voorbij nu het streven, voldaan alle vraag. Geen snelheid meer, die ons dwingt te bewegen. Geen remming meer, die ons loom maakt of traag.

Bevrijd van je banden, gedragen door krachten, als licht zo wordt het leven volbracht en zo keert de vreugde tot ’t werkelijke leven, de vreugde waarnaar je streeft en steeds hebt getracht.

Wie zoekt naar de vreugde, beseffe, dat vreugde ons werkelijk wordt als zij in anderen leeft. En zo ons de vreugde is al in het leven, wat ’t eigen wezen aan anderen geeft.

Wie zoekt naar de vreugde, begrijpe, dat vreugde een kracht is, die staat buiten ruimte en tijd. Ze is toestand – niet leven, of werken en streven – een deel van de grote eeuwigheid.

Daarom wil je werkelijk vreugde ervaren en zoek je de vreugde, vraag niet waarheen. Maar geef aan de wereld wat je kunt geven, streef samen met anderen, streef nimmer alleen.

Te geven wordt vreugde, te ontvangen wordt krachten, wordt ons tot hemel dit alles tezaam. Vreugde in het leven, dat wij volbrachten. Een vreugde om God en Zijn heilige naam.

Vreugde is een begrip, dat alle dingen omvaamt, die goed zijn. Ware vreugde is de kern van ons wezen, vervuld van de kern van alle krachten, Het is het gezamenlijk werken en streven. Het is het voelen, dat je geaccepteerd wordt door anderen en het zelf kunnen accepteren van al, wat rond je is, dat vreugde schept. Daarom denk niet, dat vreugde het voorrecht is van enkelen. Dat vreugde een verdienste is of een loon. Vreugde is de ware toestand van ons aller wezen.