De andere wereld

uit de cursus ‘Ontwikkeling’ (hoofdstuk 2) – november 1974

De andere wereld

Als je de historie van de mensheid doorkijkt, dan vraag je je af hoe de mensen eigenlijk aan al dat geloof komen. Altijd zijn er goden en al heel snel is er iets wat op een hiernamaals lijkt. De mens gelooft in een andere wereld. Hoe hij daartoe is gekomen, is moeilijk te zeggen. Zeer waarschijnlijk gaat dat al terug tot de tijd dat de nog dierlijke voor­lopers van de mens contact hadden met groeps‑ en geleidegeesten, die hun ontwikkeling a.h.w hebben voorbereid. Hoe het ook zij, de mens staat op een gegeven moment tegenover een wat wonderlijke wereld. Een wereld waarachter iets schuilgaat waarover vele legenden in omloop zijn en waar veel mensen iets van beleven en waarover ‑ en dat is misschien wel het meest wonderlijke voor de mensheid – niemand iets zinnigs weet te zeggen. Gaan we nu kijken wat er allemaal op die achtergrond leeft, dan moeten wij uitgaan van alles wat de mensen daarover hebben willen zeggen.

Als ik terugga tot de tijd van Ur, de tijd van de grote tempels van de maangodin, dan wordt er al gesproken over een soort godenwereld waarvan letterlijk wordt gezegd, en dat is interessant:

“Er zijn de Lichtenden. Zij bevelen de goden en de goden volvoeren. Maar hij, die de goden erkent zoals ze zijn, hij leeft voort, gelijke van de goden, en aanschouwt de Lichtenden.”

Wij kennen in andere opvattingen, die overigens grotendeels ook uit de Oriënt komen, iets wat we in het Nederlands vertalen met ‘de Heren van Licht’.

De heren van Licht, later tot Aartsengelen en Tronen omge­doopt, zijn eigenlijk de levengevende krachten. De mensheid behoort tot de stralen, die bezield worden door deze Heren van Licht. Je behoort tot een straal. Maar de straal zelf kan niet bestaan zonder dat de Heren van Licht haar voortdurend van energie voorzien. In dat denkbeeld is de mens in zekere wijze voorbestemd. Niet op een fatalistische manier zo­dat je zegt: wat gebeuren moet, dat gebeurt wel; maar in de zin van: ik behoor tot een bepaalde ontwikkeling. Ik maak deel uit van een aan­tal mogelijkheden en wat ik ook doe of hoe ik ook ben, daaraan ontkom ik niet.

Men gaat zelfs zo ver dat men in de Perzische gebieden legenden vertelt over verschillende hemelen, namelijk voor elke straal een aparte hemel; dat klinkt nogal vreemd, totdat je je gaat realiseren dat, als je op een bepaalde manier naar de wereld kijkt, je van die wereld een bepaalde indruk krijgt. Iedereen ziet hetzelfde maar dat wil nog niet zeggen dat iedereen dan ook hetzelfde beleeft of dezelfde betekenis vindt. Op die manier verklaard is het heel redelijk dat die andere wereld wordt verdeeld in een aantal sferen omdat elke mens nu eenmaal anders ervaart, tot een andere ontwikkeling behoort en dus de werkelijkheid van die andere wereld ook op een verschillende manier ondergaat.

De situatie is in die tijd nog heel rustig. Ook de hemelen zijn kennelijk nogal hiërarchisch en feodaal ingesteld. De heersers en de beroem­de mannen komen allemaal in het hiernamaals en dat onbelangrijke getei­sem (uitvaagsel) blijft gewoon dood want dood is dood tenzij je uitverkoren bent; uitverkorenheid ligt dan kennelijk in het waarmaken van je mogelijkheden, wat op zichzelf nog niet eens zo’n gek idee is. Want als je een heel leven niets hebt gedaan, dan kun je ook niet ver­wachten dat je na de dood plotseling een zeer bewuste en lichtende per­soonlijkheid zult zijn.

De filosofen en de priesters maken zich van deze stelling heel snel meester. Want, zeggen zij, verdienste bestaat niet uit de verdienste die je voor de mensen hebt alleen. Het is niet je macht of je grootheid, maar het is het offer dat je brengt aan de tempel. Dus is het zoiets als een plaats in de eeuwige zaligheid kopen door een erfenis na te la­ten aan de vertegenwoordiger van het kerkgenootschap. En daarmee begint de vertroebeling van die andere wereld.

Tot op dat ogenblik is ze een legende die een mens soms in een flits kan beleven, maar die toch eigenlijk niets te maken heeft met zijn eigen wereld. Maar ja, wat kan een gewone man doen met zo’n flits van beleving vol intensiteit waarmee hij verder niets doet? Neen, hij wil een wereld die lijkt op de zijne. De priesters zijn wat dat betreft heel be­reid de mens te geven wat hij wil hebben.

Er komen dan hiernamaalsvoorstellingen die eigenlijk alleen maar een geïdealiseerde versie zijn van de aarde zelf. Als u daarvan voor­beelden wilt hebben: De Egyptenaren hebben een dodenland waar het graan halmen heeft waar­van de aren tot aan de grond reiken. Ze zeggen er gelukkig niet bij hoe hoog die halmen worden, anders had iedereen begrepen dat het onmogelijk was. Gaan we kijken in het noorden bij de Vikingen, zij hebben een paradijs dat bestaat uit de hele nacht zuipen en hoereren waarna ze op de dag el­kaar gaan doodslaan tot het avondklokje luidt, waarop alle doden herrijzen en dezelfde cyclus opnieuw begint. Het lijkt mij een tamelijk ver­velende situatie om elke dag dood te gaan en dan weer te feesten. Die mensen hadden geen 40 uren werkweek en ook geen vakantie. Een beet­je vreemd! De Indianen zien het op hun manier. Voor hen is de hemel gewoon hun eigen land. Een land vol kudden waar alles rijkelijk te vinden is, waar­in je gelukkig kunt zijn en waarin je niet kunt sterven. Zo maakt ieder op zijn beurt voor zich die andere wereld tot een bijna stoffelijk geheel dat ontleend is aan de bekende werkelijkheid.

Toch zijn er mensen, die daar heel anders over denken. Mensen, die proberen op de een of andere manier te verwoorden wat er achter het be­kende stoffelijke bestaan gelegen is.

Er is b.v. een zekere Eukleides, een Griek (later is hij ook nog in de bouwkunde gegaan], een soort intellectuele duizendpoot van zijn dagen die zich daarmee bezighoudt en dan tot deze wonderlijke omschrijving komt:

“De andere wereld is als de stemming die ik ken, wanneer de avond valt. In mij is rust en rond mij is schoonheid. En mijn naar liefde hongerend hart verwacht kloppend het opgaan van de maan.” Heel dichterlijk. Maar hij zegt iets heel belangrijks: de andere wereld is een stemming.

Als we de ontwikkeling van de mensheid, en uiteraard van onszelf, in de gaten willen houden, dan zijn we hier op een kritiek punt gekomen. Want wat gebeurt er namelijk in die periode, ongeveer 100 ‑ 200 v. Chr.?

Er blijken plotseling overal denkers en filosofen op te staan, die proberen een einde te maken aan de hemellegende. Zij stellen daarvoor in de plaats een wereld die moeilijk is uit te drukken. Het is een we­reld die boven de sterren wordt gezien. De Grieken kennen in die tijd nog hun hemelsferen en ook de anderen zien de aarde als het centrum waar omheen de schil ligt die zich tussen de menselijke wereld en de bovenwereld bevindt. Maar allen komen tot de conclusie dat die wereld-era of sferen eigenlijk stemmingen zijn. Er is een betrekkelijk late Griekse denker (hij noemt zich Deutros) die wonderlijk genoeg, teruggrijpend naar de Heren van Stralen en de Heren van Licht, nu ineens dit zegt:

“De werkelijkheid van het leven is een licht dat in je schijnt. Het licht dat in jou wordt vervormd, vormt de wereld waarin je leeft. Wanneer je sterft, blijft dit leven voortgaan. In vele werelden trek je rond. In alle vind je slechts jezelf, totdat jij ‑ jezelf vergetend ‑ kunt uitstijgen boven jezelf (hij zegt eigenlijk boven je godheid, maar boven jezelf is vol­gens mij de juiste vertaling) en dan treed je voor de zon, voor het grote licht en je erkent de kracht waaruit je bent voortgekomen.

Hier krijgen wij voor het eerst een voorstelling in woorden die zegt: Sferen behoren eigenlijk ook nog tot de verschillende stralen. Maar op het moment dat wij boven onze eigen erkenning uitstijgen en onze begren­zing opzij zetten, staan wij voor het Licht.

Wonderlijk genoeg vinden wij iets dergelijks terug in Salamanca bij een Moors filosoof-dichter die, ofschoon hij helemaal behoort tot de wereld van de islam, filosofeert:

“Wanneer ik tot in de hemelen rijd, zo rijd ik in mijn gedach­ten, want de werkelijkheid is hier. Maar als de werkelijkheid hier is, zo ben ik deze wereld én de andere wereld. En als mijn wezen die andere wereld beseft, zo schrijd ik voort in mijn eigen wereld, maar ik zie in het verborgene en uit het verborgene haal ik waar­heid.”

Die man is overigens ook als tovenaar beschouwd en heeft het niet al te gemakkelijk gehad. Hij probeerde voor zich weer het denkbeeld op te bouwen van een gelijktijdigheid van werelden. Voor de gewone mensen was dat natuurlijk onaanvaardbaar. Mensen wil­len altijd graag dat alles achter elkaar komt en dan bij voorkeur het beste later, vooral als het huidige ook al goed is. Maar gewone mensen mogen dan dromen van hun hemel, of van hemel, hel en vagevuur, als ze dat willen, de tijd dringt steeds meer door tot een godswereld. Zijn sferen zijn geen replica’s van stukjes aards bestaan. Ze worden ont­daan van de illusie en ze worden inderdaad gemaakt tot een stemming, een emotionaliteit die gepaard kan gaan met een werkelijkheidsbesef waarin de essentie van de dingen wordt gevonden. Er zijn ook kerkvaders die zich daarmee hebben beziggehouden. Er is een zekere Ambrosius (die overigens hier en daar ook wat Griekse elementen in zijn denkwijze vertoont) die, ondanks het feit dat hij behoort tot het christendom van die dagen, heel rustig zegt:

“Hij, die ingaat tot God, verliest de uiterlijkheden. En zich verhullend in het licht van zijn Schepper, ontdekt hij de eenheid der liefde die is uit Christus, onze verlosser.” Een christelijke formulering, maar toch weer precies hetzelfde als in de oudheid.

Gaan zij nog wat verder kijken, dan komen wij in een periode van allerhande vreemde godsdienstige richtingen, die niet alleen ketters zijn en teruggaan naar een oerchristendom, zoals de Waldenzen en de Albigenzen hebben gedaan, maar die ook proberen terug te grijpen naar geestelijke werkelijkheden. En vanaf dat moment ontstaat er een wonderlijke wisselwerking.

In het Oosten leeft men in de godenwereld met meesters. Het is daar heel gewoon dat je als jongeling of als jonge vrouw wegtrekt om een lange tijd in de een of andere Ashram te leven en daar a.h.w. ingewijd te worden in de waarden van de godsdienst, maar vooral in die van je eigen bestaan. De andere wereld wordt dan versmolten met je eigen we­reld en je leeft anders en beter.

Misschien dat we hier de theosofie moeten aanstippen. Persoonlijk heb ik wel eens enige twijfels ten aanzien van hetgeen la belle Helene (Blavatsky) beweerde te zijn, te weten en te doen. Zeker is dat ze, on­danks haar stormachtig temperament en haar grote eigenzinnigheid, kans heeft gezien om de essentie van het oosters denken in een voor het Westen aanvaardbare vorm over te brengen. En zo wordt ook nu weer het Westen geconfronteerd met de meesters. De meesters, die altijd verborgen zijn geweest, die altijd op de achtergrond hebben gestaan, komen nu ineens op de voorgrond. Ze zijn de leiders van een menselijke era. Ze zijn de open­baarders van een nieuwe waarheid, de beheersers van de wegen van inwij­ding. Uit deze denkwijze komt men tot het besef van een geestelijk be­staan op een andere manier.

Het is opvallend dat wij moeten wachten tot het einde van de 19e eeuw om te horen zeggen dat je na de dood voortbestaat zoals je op aarde was. En toch is dat waar. Ik kan mijzelf niet veranderen. Ik ben gebonden aan hetgeen ik ben geweest. Mijn oude gestalte blijft mij a.h.w. aankleven, ik ben hier een persoonlijk voorbeeld daarvan. De straal van ontwikke­ling waartoe ik behoor, domineert het geheel van mijn ervaringen in de sferen en bepaalt zo ook mijn mogelijkheden om in die sfeer verder bewust te worden, dus uit te groeien boven allerlei beperkingen van voorheen. Daarmede komen we als vanzelf bij het spiritisme terecht.

In het opleven van allerlei geheime inwijdingsgenootschappen, krijgt de andere wereld opeens een nieuwe gestalte. Voor steeds meer gewone mensen wordt de andere wereld gemaakt tot een beleving en niet meer tot een leven in een wereld waarin de ellende een beetje weggehaald is en de leuke dingen een beetje scherper zijn aangezet. Zelfs in de islam zien wij dat. De gedachte van het gaan over de Brug van het Zwaard (een oordeel) en het binnentreden in een wereld waarin de hoeren de helden vertroetelen, terwijl ze rusten onder de bomen in een tuin, ver­dwijnt een beetje. Misschien wel onder de invloed van de overname van deze eretitel (hemelse maagden) door niet zo maagdelijke dames op aarde, die stoffelijke geneugten uitdelen tegen ruime betaling. Hoe het ook zij, ook in de islam gaat men begrijpen dat dit een voorstelling is, dat het niet een tuin is, een paradijs in vorm, maar dat het de genoegdoening is die je op aarde ervaart in zo’n omgeving, die nu zonder verdere om­schrijvingen in een hiernamaals kan worden beleefd.

Als de 20e eeuw komt, deze eeuw vol materialisme en wetenschappelijk pogen de enge grenzen van het menselijk weten te omschrijven, dan houdt ook een nieuw denken zijn intrede in de wereld en begint de mens zijn tocht naar een werkelijkheid waarin de andere wereld wel anders is, maar niet meer sterk gescheiden van haar eigen stoffelijk bestaan.

Hiërarchie in de sferen

Als wij spreken over die andere wereld en we realiseren ons op hoe­veel verschillende manieren een bestaan ervaarbaar is, dan komen we al vanzelf tot het stellen van een relatie tussen de verschillende toestan­den die het ego in de andere wereld kan beleven. De schets die ik daar­van geef, is uiteraard zeer summier en daardoor eigenlijk in haar onvolledigheid soms bijna misleidend. Ik zal er commentaar bij geven op het moment dat ik die misleiding zie als te sterk en begin nu maar met de

Hoogste wereld

We hebben nog steeds de Heren van Licht. Wat zijn zij? Misschien iets wat doet denken aan de Drievuldigheid. Er zijn drie krachten bij het scheppend proces betrokken. Alle drie zouden we kunnen uitdrukken als energie die zich in de schepping uitwerkt door een soort straling.

Noemen wij de eerste Heer materieel‑creatief, dan zeggen we: Deze kracht is a.h.w. het station van waaruit alle energie kont die zich omvormt in materie en waardoor de geaardheid van de materie moge­lijk wordt.

De tweede Heer zouden wij dan moeten noemen het licht van de geest. Het is de bezielende kracht die hierin zit en eigenlijk de kern van het bezielde leven. Hieruit worden de ego’s opgebouwd, hierdoor worden ego’s in stand gehouden.

De derde Heer zouden we het best de Heer van het bewustzijn kunnen noemen. Hij is het namelijk die in alle krachten de tegenstelling schept waardoor ze kenbaar worden. Hij maakt de ervaring mogelijk. De wissel­werking tussen deze Heren vormt de kosmos inclusief alle sferen.

Nu is het echter niet mogelijk om zonder differentiatie die krach­ten uit te stralen. We krijgen dan a.h.w. het prisma van bewustzijn waar­door al deze krachten uiteenvallen in een aantal stralen, die we soms ook als kleuren omschrijven. Deze verschillende kleuren zijn niet zo erg belangrijk indien wij maar één ding beseffen: Elke kleur omvat het ge­heel van de Heren van Licht maar gefilterd tot een bepaald aantal mo­gelijkheden.

Deze mogelijkheden zijn bepalend voor het ‘ik’ in zijn stoffelijke vorm. Je kunt b.v. zeggen: Ik behoor tot de Heer van de blauwe Straal, daardoor zal ik lichamelijk beperkt zijn want mijn lichamelijke voorkeur, mijn reacties, sympathieën en eventuele harmonische mogelijkheden worden daardoor bepaald. Ik ben stoffelijk dus beperkt. Verder kan ik zeggen: In mij dragende de kracht van het licht, zal dit licht voor mij tot uiting komen door deze mogelijkheden. Denk maar ge­woon aan een lantaarn die u laat branden achter gekleurd glas, de uit­straling wordt door het omhulsel bepaald.

Dan is er het besef. Het besef is niet beperkt tot de kleur, het zal er wel door getint zijn. De voorkeuren van de bewustwording worden wel degelijk bepaald door de straal waartoe u behoort. Maar zo min als uw levenskracht kan worden gedefinieerd volgens de straal, zo min kan uw vermogen tot den­ken, tot bewust worden geheel worden beperkt en gedefinieerd door deze straal alleen. Het is dus een soort hiërarchie die wij kunnen opbouwen binnen een straal, mits wij begrijpen dat deze hiërarchie nimmer geheel bindend kan zijn voor degenen die in stoffelijke vorm door die straal beperkt worden in hun bewustwording.

In elke straal bestaan de volgende facetten:

Sfeererkenning. Dat is beleving zonder definitie. Het is misschien emotie maar dan een emotie die in zich een kennen bevat dat niet meer geuit behoeft te worden omdat die behoefte niet bestaat. In dit facet zien we dan een aantal figuren of krachten die verschillende richtingen en verschillen­de lagen hebben.

Daaronder zien wij de mogelijkheid om het licht te beseffen maar nu alleen door omschrijving van de emoties die wij in ons voelen.

Hier is dus de uitdrukkingsnoodzaak aanwezig. Ze is echter niet volle­dig logisch en tot op grote hoogte in deze persoonlijkheden eerder uit­drukking van gevoelens van zekerheid, van bereiking, van verbondenheid enz.

Pas daaronder treffen wij aan wat wij een rationeel kunnen noemen, een besef van samenhangen. In deze samenhangen krijgt in elke straal een persoonlijkheid gestalte die wetten uitdrukt. Die wetten zijn kos­misch. Ze bestaan dus overal maar worden binnen de straal op een be­paalde wijze gemanifesteerd en geformuleerd. Wie hier komt, ziet de wer­king van de kosmos maar hij formuleert het volgens de straal waartoe hij behoort.

Daaronder vinden wij een wereld waarin de uiting wordt gesplitst. De uiting is nu denken en gelijktijdig omschrijving, ze is ervaring en ze is weten. Deze dingen zijn niet meer een en hetzelfde, ze zijn niet met elkaar versmolten maar staan naast elkaar. We zeggen dan ook dat elk van deze facetten gepersonifieerd dient te worden.

Weer daaronder kennen we de wereld van omschreven tegenstellingen. Het is eigenlijk de wereld die het meest op de menselijke lijkt. Hier wordt de ervaring niet meer in het ‘ik’ beleefd maar zal elke ervaring zich manifesteren naar buiten toe. Wij spreken hier gewoonlijk over de 9 grote facetten die binnen elke straal bestaan.

Die 9 facetten houden in: de tegenstelling licht ‑ duister of goed en kwaad, de tegenstelling aanvaarden – niet‑aanvaarden, dus losstaande van goed en kwaad,  de tegenstelling van onderscheid en – gelijkheid,  de tegenstelling van inzicht en ‑ ondoorzichtigheid, een aantal werkingen die men misschien het best kan samenvatten als vormbeperktheden. Men zou ze ook dimensies kunnen noemen. Hier speelt voor het eerst de tijd ook een rol. Het tijdservaren wordt gevormd door een drietal van deze functies samen.

Daaronder vinden wij dan eindelijk de werelden die doen denken aan de andere wereld zoals men die altijd heeft willen zien: een Zomerland, compleet met zomerhuisjes, al dan niet perfect afgebouwd, al dan niet te duur. De eeuwige jachtvelden. De groene, gelukkige weiden van een Elyseum en misschien zelfs de met sterrenbloemen bezaaide vloer van de hemel waarin de engelen rondwieken in vreugde en gezang.

Ik kan niet met genoeg nadruk zeggen dat deze hiërarchische inde­ling, die ik schematisch voor u heb ontworpen, in elke straal afzonder­lijk bestaat. Wij kunnen niet zeggen dat het een en dezelfde kracht is omdat ze alle onder verschillende ervaringen, met verschillende beper­kingen werken. En zouden we kosmisch gezien geneigd zijn te zeggen: dat is toch wel een wereld, dan moeten wij menselijk gezien toch wel zeggen: er zijn grote verschillen. Die verschillen liggen wel in de ervaring, in de gerichtheid, in de beperktheid van het individu, dat is waar, maar ze zijn er. En daarmee zijn we, of we het willen of niet, weer op de aarde terechtgekomen.

Nu is dat voor een mens wel noodzakelijk. Een mens, die de aarde los­laat, weet namelijk niet meer waar hij is. De meeste illusies van de mens worden geboren uit het feit dat hij zijn eigen wereld teveel terzijde pro­beert te stellen. Hoe gebeurt dat nu op deze wereld?

Wij kennen de visionairen. Dat zijn degenen die visioenen hebben. Zij beleven bepaalde aspecten. van de hiërarchie waartoe zij behoren. Dus als u b.v. zegt: Dat is een goed helderziende, dan heeft u niet ge­noeg gezegd. U zou nog moeten weten tot welke straal die helderziende behoort, want voor de eigen straal zal de helderziende heel juist inter­preteren wat hij ziet. Maar als iemand tot een andere straal behoort, dan zal daar meestal wel het een en ander aan mankeren. En staan ze (helderziende en sujet) ver van elkaar af in de scala die door het prisma van het bewustzijn tot stand is gekomen, dan kan men zeggen: Die cliënt kan beter zijn geld in zijn zak houden en zijn geloof in z’n zak steken want wat hier wordt gezegd, past niet voor hem omdat beider wereldbeleving en mogelijkheid teveel uiteen liggen. En als men de ontwikkeling van het paranormale beschouwt, en dat doet men tegenwoordig op de wereld, dan is het wel erg belangrijk dat men ook hiermee rekening houdt.

Zeker, ik weet het, dit systeem is aanvechtbaar. Hoezeer het ook is gegroeid, door alle eeuwen heen, in de meest geheime leringen van de mens­heid, het is aanvechtbaar. Maar dat neemt niet weg dat het als beeld volledig hanteerbaar is, dat het als uitdrukking van de krachten, zo­als ze voor de mens bestaan, volledig aanvaardbaar is en dat we met de gevolgen (de implicaties ervan) rekening moeten houden.

Nu zeg ik dat elke mens paranormaal begaafd is. Ook dat begint men langzaam maar zeker te beseffen. Die paranormale begaafdheid is echter afhankelijk van zijn eigen persoonlijkheid. Als wij bedenken dat er door alle tijden heen groepen zijn geweest die magische en paranorma­le verschijnselen wisten te veroorzaken dank zij orgastische diensten, dan zeggen we: Nu, dat moet dan wel demonisch zijn. Neen, dat zijn mensen die behoren tot de rode straal. Die mensen leven in een actie. Hun emo­tie moet gebaseerd zijn op iets wat wij temperament noemen. Uit dat temperament komt nu die bekwaamheid. Maar wat voor de een werkt, is voor de ander absoluut taboe. Iemand van b.v. de blauwe straal die het zelfde probeert, gaat er ge­woon aan te gronde want die kan het niet verwerken en hij kan er niets mee bereiken. Iemand van de blauwe straal moet het juist zoeken in de meditatieve sfeer. Een mens die b.v. behoort bij het gouden of gele licht, zal het weer in de eerste plaats moeten zoeken in de daadwerke­lijkheid van vreugde, van liefde, die hij naar buiten brengt. De wissel­werking tussen de vreugde die hij uit en de kracht die hij daardoor in zichzelf ontdekt, stimuleert bij die persoon weer de begaafdheden.

 Het is niet zo gemakkelijk, zo’n ontwikkeling. Wij zijn wel eens geneigd, zeker in deze dagen, om elkaar schouderophalend te bekijken. En dan zegt degene die in de toekomst ziet: Nu ja, al die astrologen. En de astroloog zegt: Al die mensen zijn zo subjectief. Wij hebben een objectief oordeel. Die mensen behoren dus ook beiden tot een verschil­lende straal en daarin werken ze dan vaak nog op een verschillende ma­nier en zijn ze niet in staat te begrijpen waarom bij de een door een be­rekening een visionair vermogen ontstaat, terwijl het bij de ander eerder door een optische vermoeidheid komt.

Als u zich bezighoudt met de ontwikkeling van de mens, dan valt u telkenmale weer op hoe die indeling, welke ik u summier heb gegeven belangrijk kan zijn voor begrip. Want als we denken dat wij allemaal het­zelfde zijn en hetzelfde zouden moeten kunnen, dan lopen we vast. Elke mens heeft dezelfde mogelijkheden ten aanzien van het paranormale, maar hij behoort tot een bepaalde straal van werken en denken. Hij be­hoort tot een bepaalde methode van beleven. En als hij op die wijze werkt, dan openbaart het zich ook altijd weer volgens zijn eigen wezen, volgens de werelden waartoe hij behoort. Eerst als hij door al die fasen heen zelf voor het licht treedt, kan hij zich manifesteren gelijk aan alle anderen.

Ontwikkeling van volkeren

Nu ik u dit alles heb voorgelegd, zult u gaan begrijpen dat er niet alleen ten aanzien van het paranormale maar ook ten aanzien van geloof, van voorstelling, van gevoelsleven grote verschillen in de mensheid be­staan en bestaan hebben. U kunt nu ook gaan begrijpen waarom verschillende volkeren in het verleden met een in de grond gelijke geloofs‑ of ontwikkelingsbasis zo sterk divergerende uitwerkingen daarvan vertonen. Want zoals mensen behoren tot stralen, zo behoren volkeren tot ontwik­kelingen. Ik weet het wel, de Nederlanders zullen het niet prettig vin­den als ik zeg dat ze eigenlijk met een deel van het Duitse rijk, een deel van België en een deel van Scandinavië (voornamelijk Denemarken) onder een heerser samenvallen. Maar dat is nu eenmaal zo. Het is dus een kracht die hier de tendensen bepaalt. Deze kracht bepaalt weer het volkskarakter en het volkskarakter is wederom een beperking.

Onthoudt u dit: U behoort tot een bepaald volk. Dat is een achter­grond, dat is een cultuurpatroon, dat is een beschaving. Daardoor komt u tot een bepaalde vorm van beleven en uiten. De meeste mensen denken dat ik gek ben ‑ ik heb het nl. wel eens meer gezegd ‑ als ik beweer dat de Hunnen onder Attila vaak hoogbewuste mensen waren. Men zegt: Dat kan niet; roven, moorden, branden Maar zij behoorden tot een aantal nomadenstammen, bovendien nog met Mongoolse inslag, die een totaal andere voorstelling hadden van leven, de waarden van het leven en de betekenis van het beleven dan de westerse mens. Ook zij geloofden in een hiernamaals. Ook zij geloofden in de mogelijkheid hogere krachten tot zich te trekken en tot uiting te brengen. Ook zij hadden hun profeten, hun helderzienden, hun orakels. Er is dus geen verschil tussen de Hunnen, de Romeinen, de Grieken, de Egyptenaren dan alleen op basis van cultuurpatroon. Want binnen die volkeren zien wij dezelfde schake­ring van persoonlijke begrensdheden en mogelijkheden, die wij overal elders aantreffen. Dan is liet ook niet verwonderlijk dat een en hetzelf­de geloof in delen van India en Pakistan (het vroegere Brits India ) een heel andere vorm van wreedheid kennen dan eenzelfde geloof dat zich in de buurt van Nicaragua heeft gevormd. Wat is nu het geval?

In beide gevallen wordt de dood gezien als het tweede gezicht van het leven. Het doden is een offer aan het leven, maar het is gelijktijdig het terug schenken van het leven aan de dood. In het ene geval doe je dat door mensen met een zekere wreedheid te offeren, in het andere geval doe je het door de meestal bloedloze sluipmoord zoals bij de Thuggi. Maar in beide gevallen is de basis van het begrip idem dito: er is geen wer­kelijke dood. Als ik iemand dood, dan breng ik hem over naar een andere wereld. Breng ik het met een bepaalde bedoeling over naar die andere wereld, dan zal hij niet anders kunnen doen dan, gedreven door die be­doeling, in die andere wereld zijn bestemming vinden. Dit is misschien een beetje menselijk, maar de manier waarop wordt weer bepaald door de groep, door de cultuur, kortom, door de geest die een dergelijke groep beheerst.

Men vraagt zich wel eens af waarom de wereld altijd zo wreed is ge­weest. De mensheid is nog even wreed, alleen op een andere manier. Vroeger hakte je de dief een hand af. Tegenwoordig sluit je hem op en geef je hem TBR. Je hebt de fysieke verminking vervangen door een psychische. Die wreedheid blijft ergens omdat de mensen elkaar niet be­grijpen. Het wederkerig begrip is zo volkomen onmogelijk omdat de mensen tot verschillende werelden, verschillende stralen behoren en dezen met hun eigen begrenzingen menen dat de ander identiek moet zijn zonder te begrijpen dat de ander alleen aanvullend kan zijn.

Mag ik nog even voor mijn genoegen terugkeren naar de oudheid.

Het is opvallend dat wij beschavingen kennen die alle een zeker ambtelijk karakter hebben. Waar nu de Gobiwoestijn ligt, hebben eens machtige beschavingen geleefd, priesterbeschavingen. En waar de priester voorgaat, komt niet alleen de duivel, maar ook de ambtenaar er vlak achter aan. Diezelfde vorm vinden wij terug in het Inca-rijk, dat in zich het verval van het overgeorganiseerde representeert van volkeren die een veel groter geestelijke veerkracht hadden. We vinden datzelfde ook terug in een soort ambtelijke priesterregering in de periode dat de Bosjesmannen en de Zoeloes tot op zekere hoogte ook een aanvaarding van priesterbewind kennen. Wij zien dat verschijnsel in Babylon. Wij zien het ook veel later en bijna op dezelfde manier in Tibet. Andere vormen, andere gebruiken, maar es­sentieel hetzelfde. Daaruit zou men volgens mij de conclusie moeten trekken dat elk volk, elke groepering, behorende onder een entiteit in een bepaalde reeks ontwikkelingen komt waardoor de zuiver priesterlijke, de profetische, de godsregering overgaat in de bureaucratische regering, die op haar beurt overgaat in de krijgsmansregering, die op haar beurt weer overgaat in de koopmansregering en die op haar beurt weer resulteert in de meerwaardigheid van de landbouwers welke dan, als ze welvaart bereiken, gaan geloven en in hun geloof de priesters weer aan het gezag brengen. Het is een kringloop. Bij elk volk een beetje anders, maar bij elk volk bestaand. Daaraan wil ik nu mijn gevolgtrekkingen verbinden.

Omdat de ontwikkeling van een groep mee door geestelijke krachten wordt geleid, zal elke groep een aantal fasen of ontwikkelingen door­maken die tot deze entiteit behoren. Nu is de vraag alleen maar: tot welke straal zullen degenen behoren die in een bepaalde fase in dat volk leven? Het blijkt namelijk dat, of we nu te maken hebben met de theocratie, de bureaucratie, de krijgsmansmaatschappij, de koopmansmaat­schappij of welke andere ook, het eigenlijk de wijze van wereldbeschouwing is van degenen die daarin samenleven, die het cultuurpatroon maar ook het ontwikkelingspatroon bepaalt.

Er zijn theocratieën, die zo vrij zijn dat ze beter zijn dan elke democratie. Aan de andere kant zijn er democratieën (een democratie is in feite een koopmansgouvernement; een boer begint altijd met een dicta­tuur) die alleen goed kunnen zijn indien men uitgaat van eer, vrijheid waarbij men voor anderen zo weinig mogelijk bescherming biedt en voor zichzelf zo weinig mogelijk bescherming eist. Dit is een concurrentie­maatschappij. Zijn de mensen niet in staat om dat waar te maken, dan krijgen we een verzanden van de zaak. Dan wordt het burgeroorlog, moord en doodslag en zo’n volk gaat ten onder. Zijn ze wel in staat dat klaar te spelen, dan zal de volgende fase over het algemeen de landman wel weer naar voren brengen, maar gelijktijdig zien wij dat de kunsten zich ontplooien. Er is wel een bepaalde mentaliteitsdictatuur maar de kunst en de wetenschap gaan bloeien. Is de samenwerking er niet, dan krijgen we de tijd van de maraudeurs, de bonjoueurs en dergelijke, de op­stand waarin de boer in het verbrande land tracht zichzelf te handha­ven en het slachtoffer wordt van zijn behoefte om anderen te overtref­fen. Dat is onontkoombaar. Ook deze kringloop is belangrijk.

Als ik kijk naar de wereld van vandaag, dan moet ik zeggen dat wij niet, zoals u misschien meent, in een bureaucratie zitten ‑ die tijd is alweer voorbij ‑ maar dat we op dit moment feitelijk in een handels­regering zitten, en dat geldt voor een groot gedeelte van de westerse wereld. Hier zien wij dat de neiging om zichzelf zeker te stellen, een machtsevenwicht heeft geschapen waardoor verstarring ontstaat.

In die verstarring kan een bevrijding komen wanneer de mensen weer gaan beseffen dat een normalisering van actie en reactie voor de mens onmoge­lijk is, tenzij men hem gelijktijdig zijn geestelijke uitingsmogelijkheden ont­neemt. Want de mens behoort tot een bepaalde straal en hij kan de we­reld niet op gelijke wijze zien als alle anderen, hij heeft mogelijkheden die het hem onmogelijk maken om op precies dezelfde manier te denken, te reageren, kortom, om in zijn wereld te bestaan. Nu zal moeten worden uitgemaakt waar dat op uitloopt.

Ik voel ergens nu reeds de revolutie van wat men dan toch de boe­renstand moet noemen, de mensen die meer met de aarde verwant zijn. Ik voel ook de dictatoriale neigingen die daarmee gepaard gaan, aan alle kanten opkomen. Indien de mensen van vandaag in staat zijn om hun inner­lijk besef te handhaven, dan zullen wij binnenkort weer overal de stem van profeten en orakels kunnen horen. Dan zullen wij binnenkort weer kunnen zien hoe wonderen gebeuren, omdat de mens weer één gaat worden met de krachten, die hij innerlijk kan bereiken. Er kan een grote groei zijn, maar dan moeten wij wel één ding onthouden:

Je kunt nooit datgene veranderen wat je voertuig, gevormd onder de heerschappij van een straal, je als beperking oplegt. Je kunt geeste­lijk daaraan ontsnappen, maar alleen indien je blijft uitgaan van je eigen beperkte mogelijkheden. Je kunt in de maatschappij, de werkelijkheid leven en beleven en tot uiting brengen indien je je eigen beperkingen beseft en daarbij je gebonden­heid aan de gemeenschap. Je kunt je er nooit tegenover stellen omdat je tenslotte wordt geregeerd door diezelfde groepsgeest, die geeste­lijke invloed die het geheel helpt bepalen.

Een laatste conclusie:

Als je geestelijk verder wilt gaan, moet je leren, juist voor het geestelijk streven, je eigen weg te zoeken. Vraag dan niet: Tot welke straal behoor ik? Vraag je af welke mogelijkheden heb ik? Wat zijn mijn persoonlijke eigenschappen? Wat is mijn persoonlijke benadering? Dat is het belangrijke.

Wie zo met zichzelf werkt, zal binnen de beperktheid van zijn stof­felijke mogelijkheden ‑ ten aanzien van harmonie ‑ het maximum be­reiken aan geestelijke vermogens en begrip. Hij zal zelfs geestelijk de brug kunnen slaan tussen zichzelf en degenen die tot andere stralen behoren en zo achter de zuiver stoffelijke beperkte uitingen een geeste­lijke uiting kunnen vinden, die weerklank vindt in alle stralen.

De weg van de meesters

Het zal u bekend zijn dat er volgens de overleveringen altijd wegen van inwijding zijn geweest, die op bepaalde plaatsen beginnen en waarmee je door een zuiver lichamelijke tocht in contact kunt komen met degenen die inwijding geven. Dit is niet geheel onjuist, ofschoon de laatste poorten van inwijding (in India in de Karakorum) gesloten zijn en nu el­ders op de wereld weer geopend zijn. Als we een dergelijke weg van inwij­ding beschouwen, dan ontdekken we het volgende:

In de eerste plaats, degene die deze weg bereikt en contact krijgt met de inwijders, is altijd iemand die allereerst zijn eigen instelling zodanig harmonisch heeft gemaakt, dat hij deze contacten aanvoelt.

In de tweede plaats, degene die de inwijding krijgt, wordt tot de weg aangetrokken als een magneet tot de pool. Hij kan er niets aan doen. Hij wordt gewoon gericht op deze gebeurtenissen en alle verschijnselen rond hem schijnen samen te werken om hem het contact te geven dat voor hem belangrijk is.

Het eerste contact is over het algemeen een beperkt leercontact en bevat eerder een aantal vragen dan een inwijding waardoor je bepaalde dingen verneemt. De mens leert denken. In dit denken wordt hij gecon­fronteerd met oude kennis en hij moet zelf een oplossing vinden voor de vragen, die daaruit voortvloeien.

Heeft hij dit bereikt, dan zal de volgende fase zijn: het verkrijgen van bepaalde antwoorden die gepaard gaan met een harmonie van denken. Dus een eenheid van denken met meesters die in de geest of in de stof kunnen bestaan. Hierdoor ontstaat er een psychische verandering en een grotere gevoeligheid. Vanaf dit moment zijn er contacten mogelijk met de meester langs telepathische weg. Over het algemeen kunnen daarbij zelfs verschijnselen voorkomen die doen denken aan een spiritistische bijeenkomst. Deze contacten hebben ten doel de mens te oriënteren in zijn eigen wereld. Hij leert die wereld opnieuw beschouwen. Hij moet ook zijn eigen leven herzien en de praktijk van zijn leven aanpassen aan hetgeen hij als harmonisch in zichzelf erkent.

Heeft hij ook dit bereikt, dan gaat hij over naar de volgende fase waarin een contact met meestal afgezanten van een inwijdingsmeester plaatsvindt. Deze afgezanten brengen hem dan een aantal belevingen; in de meeste gevallen is het ook een confrontatie met het paranormale of het magische. Heeft dit plaatsgevonden, dan moet men leren deze krachten ook zelf te gebruiken. In deze periode leert menig inwijdeling contact opnemen met b.v. natuurgeesten en soms zelfs het beheersen daarvan .

Daarna gaat hij verder en komt tot uittredingspraktijken, die hem eerst met en dan zonder hulp naar een bepaalde sfeer voeren. Heeft hij de eerste trap doorstaan, dan wordt het contact met de mees­ter intenser en gaat hij naar een volgende, hogere geestelijke beleving toe, naar een nieuwe geestelijke wereld waarin hij wederom hulp krijgt. Is die hulp voldoende, dan komt er een ogenblik dat hij dit op eigen kracht kan bereiken.

Er is dan een rustpauze waarin hij van deze bereiking geniet en waarop het contact wordt hernieuwd. Dit geschiedt viermaal waarna de hoogste sfeer, die voor de inwijdeling bereikbaar is, betreden kan worden zon­der dat hulp van anderen daarbij nodig is.

Hier ontstaan dan de droombelevingen waarin het geheel van proble­men, disharmonieën, harmonische mogelijkheden wordt uitgebeeld op gees­telijke wijze en in een geestelijk beleven. In deze fase is men aan enorme spanningen onderhevig. Degenen die dat niet volhouden, keren terug naar de wereld en zijn dan over het algemeen tamelijk agressief tegen alles wat hen niet bevalt. Degenen die het wel kunnen volhouden, vinden een harmonie met alles op de wereld en kunnen alles op zijn eigen waarde a.h.w. aanvaarden en beleven. Ze beschikken dan ook over grotere mogelijkheden, al hun chakra’s zijn geopend. Ze hebben de mogelijkheid anderen te stimuleren en te helpen.

In deze fase (de laatste) komt het werkelijke contact met de meester tot stand. De meester treedt nu niet meer op als geleider maar eerder als gezel. Er ontspint zich in de meeste gevallen een soort discussie, zij het telepathisch, waarin de persoonlijkheden worden vergeleken en afgewogen en er zo een beeld ontstaat van eigen mogelijkheden en van de bestemming van de wereld in een bepaald tijdperk. Waar dit bereikt is, kan je zeggen: ik ben adeptus major, ik ben vol-ingewijde geworden.

Deze beschrijving moge op zichzelf interessant zijn, maar het zegt betrekkelijk weinig over de mogelijkheden die een normaal mens heeft om deze inwijding te vinden. Ik kan u alleen dit zeggen: Iedereen die de wegen der inwijding wil gaan, wordt beroepshalve door bekenden, door toevallige gebeurtenissen, door geschriften die hem bereiken, langzaam maar zeker gebracht tot een patroon van denken. Het is een soort mandala, opgebouwd uit gedachtekracht waarin de persoon voor zich voortdurend een zekerheid vindt, een harmonie en van waar­uit hij voor zich de juiste uiting en reactie op zijn wereld steeds weer kan vinden. Wanneer dit gebeurt, is het verdere proces automatisch. U kunt dus niet zeggen: Ik krijg inwijding doordat iemand mij komt opzoeken. Dat is lang niet zeker. U kunt wel zeggen: Op het ogenblik dat ik in mijzelf bepaalde denkwijzen heb gevonden plus een wereldaanvaarding, kan ik van­uit die denkwijzen mijn wereld benaderen en zal door de benadering van mijn wereld voortdurend meer krachten tot mij trekken, die steeds harmo­nischer worden met mijn wezen en daardoor ook steeds grotere mogelijkhe­den voor mij zullen scheppen. Er zijn enkele dingen die ik u over deze fase mag vertellen.

  1. U zult in deze fase vaak komen tot een verwerping van uw leven of van een groot gedeelte daarvan. Tracht dit te voorkomen. Probeer uw gehele aandacht terug te brengen tot alle harmonische facetten. Er zijn in elk mensenleven dingen die niet gemakkelijk aanvaardbaar zijn en die u wat moeilijk kunt verwerken. Maar als u zich kunt terugtrekken in de rust van uw eigen gedachten, zult u die problemen voor een groot gedeelte kunnen oplossen en voor een ander deel zult u ze onbelangrijk kunnen maken door de grotere ener­gie waarover u beschikt.
  2. U kunt een inwijding nooit zoeken door alleen u innerlijk te concentreren en voortdurend met uzelf bezig te zijn. Elke vorm van inwijding op deze wijze berust op een wisselwerking met de wereld. En in deze wisselwerking moet u proberen uw eigen krachten zo po­sitief mogelijk maar geheel volgens uw eigen aard en denken te gebruiken.
  3. Denk niet, dat zwaarwichtige lectuur altijd inwijdingswaarden bevat. In heel veel gevallen kan ook lichte lectuur of een toeval­lige opmerking inwijdingsbetekenis voor u hebben. Het is namelijk een bouwwerk dat uit de gedachten van de wereld in u wordt opge­richt. Naarmate dit bouwwerk het voor u mogelijk maakt uw eigen wereld a.h.w. geruster en harmonischer te beschouwen, zult u als vanzelf daardoor ook over krachten beschikken die u dichter bren­gen bij de begeerde contacten.
  4. Als ik u wijs op de verschijnselen bij het begin van een telepathische inwijding, dan doe ik dit om u duidelijk te maken dat u niet ontmoedigd behoeft te zijn als er geen duidelijke impressies komen. De meeste mensen denken: in mij moeten visioenen ontstaan of zeer duidelijk woorden worden gehoord. Dat is zeker in het begin niet waar. De telepathische elementen van een inwijding maken zich al­tijd kenbaar door vage voorstellingen, vage dromen en vaak ook door tegenstellingen, die men in een droom moet oplossen. Indien men daartoe in staat is, zal men als vanzelf daarin een zekere vorm, een zekere harmonie zien komen. Een van de tekenen is vaak het ritme waarin ze voorkomen. Als u kunt zeggen: Ik heb dergelijke droomgevoelens of dergelijke afwijkende stemmingen regelmatig en wel om de zoveel tijd, dan zit hier een element in van telepathische beïnvloeding. Is het harmonisch of kan ik het voor mijzelf harmonisch maken, dan zal het ongetwijfeld bijdragen tot inwijding. Wacht dan niet op uitgesproken mededelingen maar werk rustig in en aan uzelf.

Ik heb hiermee, en naar ik hoop, voldoende duidelijk het een en ander gezegd over de wegen van inwijding. Besef dat er vele verschillende wegen zijn. Er is niet één weg, tenzij wij die weg willen omschrijven als een harmonie die mee de wereld in zich bevat, dan kunnen we over een weg spreken. Maar de omschrij­ving in formaliteiten, in denkwijzen, in theorieën is niet te geven dan in vele verschillende en schijnbaar strijdige vormen. Als wij een cirkel hebben, dan kunnen we op elk punt van de omtrek be­ginnen en toch in een rechte lijn naar het middelpunt gaan. Dit geldt voor een inwijding even goed als voor de mathematische figuur.

Denk niet dat de weg die voor u de juiste is, voor iedereen de juiste is. Ga uw eigen weg, maar ga hem in harmonie met uw wereld.

Denk niet dat een geloof of een leerstelling beter is dan een an­dere reeks stellingen. Het is de harmonie die belangrijk is. De stelling is bijkomstig.

Besef verder dat weten in de zin van wetenschappelijk en redelijk weten in een inwijding pas op de laatste plaats komt. Het is eerst het ontwaken van het geheel van uw wezen, het beschikken over het geheel van uw mogelijkheden en vermogens en dan kan er misschien pas een weer­kaatsing daarvan komen in het gebruik van uw redelijke vermogens en zo in uw logische, redelijke en menselijke benadering van de wereld. Zoek niet teveel naar wetenschap, zoek eerder naar besef .

Bespiegeling

Een spiegel. Wat zie ik in de spiegel? Ik zie de wereld omgedraaid. Ik zie mijzelf zoals ik mijzelf niet ken en toch meen dat ik ben en voortbesta.

De spiegel is een middel om nader te komen tot datgene wat onbe­reikbaar lijkt. Met de spiegel kan ik om een hoekje kijken. Met een spie­gel kan ik groter worden en verder zien. De spiegel is een middel waar­van ik mij bedien om zo meer te zijn, meer te worden, meer te weten dan zonder dit voorwerp bestond. En voor de spiegel was uitgevonden, voor het gepolijste zilver ooit bestond waarin de schonen droomden over eigenwaan van schoner worden, waren er de wateren die in een ogenblik van stilte de wolken weerspiegelden. En zij lieten zien hoe op aarde kan bestaan wat aan de hemel drijft.

De mens, die in een bespiegeling zoekt naar werkelijkheid, schrijft eigenlijk op zijn eigen wereld neer wat in het hoogste leeft. Hij herziet, beziet zichzelf en weeft van ‘ik’ en hemelrijk iets wat op aarde kan bestaan. Hij maakt van het spiegelbeeld een waan, een werkelijkheid door om te zien. Want zegt niet reeds de filosoof: “Onze werkelijkheid is slechts het schaduwbeeld, geworpen door de vlam van eeuwigheid op de muur van de grot waarin we rusten. Maar draai­en wij ons om, wij zien de vormen niet, maar wel het vuur. En het uur waarin het licht wordt gezien, is het ogenblik waarop de bespiegeling wijkt en een werkelijkheid voor het eerst volledig wordt ervaren.”

Zoek naar uzelf. Zoek naar het zijn en spiegel u in al wat leeft. Maar besef dat dat waardoor uw spiegel antwoord geeft, de werkelijkheid is waaruit gij, zoals de kosmos en al wat ge ooit kent, bestaat.

Ik hoop u een paar denkbeelden te hebben gegeven. Het is niet belang­rijk wat wij zeggen. Het is belangrijk wat u erover denkt. Blijf dan niet staan bij de bespiegeling alleen maar doe eens wat aan praktische alche­mie, dan zult u soms verwonderlijk snel in inzicht, in kracht en in levens­vreugde kunnen stijgen.

Herfststormen

Wanneer de wolken jagen en de takken breken, wreken zich gebreken van het verleden en de zomer. De dromen van de lente zijn voorbij en de dreiging van de winter lijkt een sterven aan te kondigen. Maar toch is het slechts het verwijderen van het ongezonde, een breken van het zondige, om te vinden het nieuwe wonder van de vrijheid, van natuurlijk opengaan. De herfststorm is de bezem die de straten reinigt voor de stoet waarlangs de lente straks moet gaan.

En wie de herfststorm van zijn eigen leven vreest en in de zilveren draden sneeuw en kille winter ziet, beseft maar al te vaak nog niet hoe juist in deze tijd zich fouten uit ‘t verleden wreken en oude banden plotseling breken omdat het nieuwe leven voort moet gaan en voor dat nieuwe leven zorg en verliezen samen breken vrij baan, opdat men bewust weer van zichzelf zal wezen op ’n nieuwe baan.

U denkt misschien aan herfststorm als gevaar. Wie de stormen vreest, kan de storm niet bedwingen. Maar wie verstaat dat in het huilen van de wind een zingen klinkt van nieuwe tijd, die wordt door herfststorm niet bedreigd, maar eerder stil en strak bekoord. Hij zoekt het woord dat in de wind meeklinkt, zingt, als van ‘n nieuwtje omtrent komend zijn, een andere tijd. De herfststorm is een teken van de eeuwigheid die nog voorbij raast aan de mens die niet kan stilstaan. Maar ben je stil, dan moet de herfststorm zwijgen, dan is de winter plotseling voorbij, dan wordt de lente plotseling goud. Want uit de stilte van ‘t stille zijn is de oneindigheid gebouwd, die wij verwerven moeten met ons streven onze normen door te breken.

En dat breken in het leven bezorgen weer late stormen, die rond een leeftijd, ach, de mens zo vaak ellende geven.