De arme Eros

8 april 1962

Ik ga praten over le pauvre Eros,  de arme Eros. Het lijkt een eigenaardig onderwerp, daarvan ben ik me bewust. Wanneer wij de ontwikkeling van de mensheid, de eigen instelling van de mensheid onderzoeken, worden wij steeds weer geconfronteerd met wat men verkeerdelijk wel eens de vraag van de seksualiteit noemt. In feite bestaat er n.l. een grote invloed, die altijd weer eenheid zoekt.

Als wij van bv. de oude mythen, de oude sprookjes uitgaan, dan kunnen wij natuurlijk komen tot een verklaring, waarbij wij stellen dat deze behoren tot de puberteitsriten. U weet allen wat dat zijn, nietwaar? In de oude tijd ondergingen de jongens en meisjes, wanneer zij de puberteit bereikten, deze riten in eenzaamheid en beproeving. Er waren zelfs stammen, waar één meisje in de eerste periode van haar vrouw-zijn helemaal buiten het licht van de zon moest zijn en zij mocht de aarde niet beroeren. In die periode waren er dan de mensen, die aan hen allerhande inwijdingsverhalen vertelden. Deze inwijdingsverhalen zijn de voorlopers van de sprookjes, zoals wij die later zien bv. in de volkssprookjes van Grimm.

Nu heeft men echter altijd getracht om de begrippen van Eros inwerking te beperken tot de mens, en het blijkt al zeer snel, dat dat onmogelijk is. Wij vinden nl. drie afzonderlijke fasen, die elk voor zich deel uitmaken van een groot geheel. In de eerste plaats natuurlijk Eros in zijn uitdrukking der direct menselijke verhouding. Maar onmiddellijk daarna zien wij precies dezelfde verhouding ontstaan tussen volkeren. Dat is dan een tweede fase, zodat wij niet alleen te maken hebben met de mens, die naar eenheid en daardoor naar zelfbehoud en zelfuitdrukking streeft, maar we hebben ook nog te maken met de volkeren, die t.o.v. elkander evenals de mensen zoeken naar een evenwicht en in elkaar ook een zekerheid, een voortzetting van hun wezen tot stand trachten te brengen.

Dan vinden wij de derde en meest geestelijke factor, die eigenlijk ook bij Eros kan worden ondergebracht. Dat is nl. de z.g. kosmische eenheid. In de kosmische eenheid moet de mens leren zichzelf te zien als het bijzondere deel van een groot geheel. En ook hierin speelt diezelfde behoefte van eenheid, deze functie van gebondenheid aan de bode Eros, een grote rol. Misschien dat ik u nu niet meer zozeer verbaas, wanneer ik uitga van een titel als: Le pauvre Eros, de arme Eros. Want wat wordt minder goed begrepen en verstaan door de mensheid dan juist deze drang naar eenwording, deze behoefte naar voortzetting van eigen wezen. Nu kunnen wij van uit de geest deze dingen natuurlijk eenvoudiger bezien en gemakkelijker uitdrukken dan de doorsneemens op aarde. Ik geloof echter, dat het een grote fout is, als men blind is voor de drievoudigheid van wat ik toch eigenlijk wil beschouwen als een soort polariteit of seksualiteit. Het verschil tussen deze beide waarden is nl. niet zo groot. Altijd weer vind ik in de eerste plaats de mens, die zijn contact zoekt met de medemens.

Want in elk leven moet je jezelf vollediger maken, en de jonge mens zoekt daarom zijn gezellen en gezellinnen. Hierin zoekt hij zekerheid en geborgenheid. En de zuivere seksualiteit volgens menselijke opvatting is eigenlijk alleen maar een uitdrukking daarvan. Het is een gevoelsmatige werking, zodat wij bij het kind, dat nog geen puber is, al de eerste drang zien tot een bijzondere vriendschap met enkele gelijken, met enkele kinderen dus waarmee het een apart wereldje kan vormen. Deze behoefte wordt voortgezet en komt dan door de grote inwerking van de natuur ten slotte tot wat wij noemen: de vorming van paren en het stichten van gezinnen.

Maar ook hierin kan een mens nooit een voldoende uitdrukking van zijn eigen wezen vinden. Wij kunnen zien dat twee mensen elkaar na enige strijd en aanpassing werkelijk volledig gelukkig maken. Maar zij zijn te labiel, ze hebben te weinig invloed op het geheel, zij staan a.h.w. eenzaam in een grote wereld en hun innerlijke geborgenheid in elkander wordt voortdurend verstoord door de grote wereld, en daarom zoekt diezelfde mens te behoren tot bv. de gemeenschap van een dorp, een stad, een volk. Er ontstaat daardoor een persoonlijk patroon, dat men cultuur noemt.

Het is in feite niet slechts een beschaving; het is een wijze van denken, van leven, waaruit dus niet alleen de gemeenschap haar geaardheid put en daardoor de enkele burger zijn innerlijke zekerheid binnen die gemeenschap, maar het is ook wel degelijk een uitdrukking van elementen, die wij mannelijk en vrouwelijk kunnen noemen.

Een zeer typisch voorbeeld van wat men zou kunnen noemen; een huwelijk der volkeren vinden wij tussen de Grieken en Romeinen. Rome is mannelijk, stoer, sterk, veeleisend voor zichzelf. Aan de andere kant ook met een ontzettend doorzettingsvermogen. Griekenland daarentegen heeft de andere wereld, de wereld van schone kunsten, van eigen inzichten, ontwikkeld. Zelfs de manier van strijden is bij de Romeinen en Grieken een totaal andere. De Grieken u kunt dat ook zien door de verhalen, die ze daarvan hebben overgeleverd hebben altijd gestreden met een zekere listigheid, met wat men onder mannen een soort gemeenheid zou willen noemen. Deze trucs zoals bv. het paard van Troje, zoals het verraad van de helden onderling zijn haast niet voorstelbaar in een zuiver mannelijke wereld. In Rome zou een dergelijk verraad eigenlijk worden beschouwd als een teken van volksseniliteit. Deze beide volkeren ontmoeten elkaar dan. Wat gebeurt er? Enerzijds legt Rome als man, geweldenaar zijnde, zijn eigen karakter aan de beschavingen van het Griekse schiereiland op. Het hele Griekenland wordt langzaam door de Romeinen veranderd. Maar gelijktijdig komt de cultuur (de gevoels- en de beleveniswereld van Griekenland) en zij verovert Rome zo volkomen, dat op den duur alleen de namen van de goden anders zijn, dat de gewoonten en de gebruiken van Griekenland, ja, zelfs de kunstopvattingen van Griekenland, Rome grotendeels beheersen.

Dit zou men dan een huwelijk van volkeren kunnen noemen. Wij zouden meer van deze eigenaardige verschijnselen kunnen opsommen, omdat men altijd weer deze vreemde afhankelijkheid ziet tussen twee machten, twee vormen van beschaving, die elkander dan ook onderling zeer sterk kunnen beïnvloeden. De mens kan daarin dus de idee krijgen, dat zijn cultuur verder leeft; zijn goden leven in andere landen en daarin kan hij een zeker geluk, een zekerheid vinden. Maar nog staat hij alleen, want buiten hem is de donkere hemel van de nacht, waarin ergens het leven is (de kosmische werelden van de goden) en nog voelt hij zich niet geborgen. Hij is nog altijd in zekere mate alleen en daarom zal hij wanneer hij eenmaal zijn plaats heeft gevonden in de maatschappij, wanneer hij eerst zelf in het leven een zekere stabiliteit heeft gevonden verder willen gaan en zoekt hij de eenwording met het kosmische, en dat is een van de moeilijkste vraagstukken, die voor de mens kan bestaan. Hij wordt geconfronteerd met een onbekende wereld en kan daarin – niet zoals hij dit in persoonlijke verhoudingen doet – en in beperkte mate binnen de verhoudingen der volkeren zijn eigen persoonlijkheid volledig uitdrukken. Hij is te onbelangrijk.

U weet het allen zelf; in het huwelijksleven, in de vriendschap der kinderjaren probeer je zelf de boventoon te voeren. Je zegt; “Hier ben ik met mijn persoonlijkheid, mijn eigenschappen.” In een volk kun je zeggen: “Ja, ik heb mijn eigenschappen, maar ik word eigenlijk door het volk beheerst.” Nu komt de kosmos; die is zo onmetelijk groot, je gaat erin teloor, je wordt het ene kleine deel van een onbegrepen veelheid. Toch moet de mens ook daarin voor zich een vaste band scheppen, een vaste verhouding, een vast inzicht. Want alleen op deze wijze kan hij voor zichzelf de vrede vinden, de innerlijke rust, die hem kan brengen tot een aanvaarding van het leven zelf. Een mens, die vijandig staat tegenover de kosmos, kan zich met alle volkeren één voelen en toch is hij altijd alleen, hij staat tegenover de vijandige wereld buiten hem. Maar de mens, die zijn band heeft gevonden met de zon, met de wereld buiten de aarde, die zich gaat voelen als een klein deel van een onmetelijk uurwerk, een goddelijk klokje a.h.w. waarop de oneindigheid wordt afgetekend, die heeft daarin vrede.

Voor de mens is de moeilijkheid altijd dat hij en dat is de typische inwerking, die vroeger ook aan Eros werd toegekend eerst zichzelf moet verliezen. Wanneer je jezelf niet in een ander verliest, kan van een werkelijk bevredigende liefde, van een huwelijksverhouding enz. eigenlijk geen sprake zijn. Je kunt niet jezelf blijven, je moet jezelf verliezen. Je kunt niet in, een volk werkelijk gelukkig en tevreden leven, tenzij je jezelf in dat volk verliest aan dat volk. En zo kun je in de kosmos niet leven, tenzij je jezelf in het kosmische verloren ziet gaan. De overgave, die in de oudheid wel degelijk werd gezien als een groot element van Eros, is daarom bepalend voor de totale aanpassing van de mens aan het kosmisch bestaan.

Nu lijkt het u misschien, dat ik dit alles een klein beetje lichtzinnig opvat. Maar als ik uitga van de mythen en sagen van de volkeren, van de sprookjes, kom ik tot een zeer eigenaardige ontdekking en dat is nl. deze: Ik kan nu natuurlijk stellen dat alle sprookjes een gemeenschappelijke bron hebben, maar dan kom ik niet verder. Ik kan dit niet bewijzen, ik kan haar niet aantonen. Ik kan stellen dat een sprookje een autochtone schepping is, een schepping van het inheemse volk. Maar als ik nader ga onderzoeken, dan blijkt ook deze stelling niet houdbaar. Ik kan zeggen, dat zij voortkomt uit primaire eigenschappen van de mensheid, maar dan is zij onlogisch. Het sprookje is dan onlogisch, het ontbeert zoveel menselijke elementen en stelt zoveel ritueel, zoveel symboliek in de plaats van de menselijke gevoelswereld, dat wij ook niet kunnen zeggen: Dit hoort hier thuis.

Zou dit nu in een bepaalde cultuur wel naar voren gekomen zijn, dan zouden wij kunnen zeggen: Het is duidelijk, dit sprookje, deze hele sprookjeswereld is een mythologie, ze behoort tot een bepaalde beschaving. Maar zelfs dat is niet waar. Er bestaan sprookjes, die in Egypte zijn opgetekend zeg 1200 – 1600 v. Chr. En als u die sprookjes op het ogenblik leest, dan ontdekt u een vreemde overeenkomst, niet alleen met de oude sprookjes van de volksoverlevering maar met typische elementen uit bv. de periode van vertellers als Andersen, die toch zeker als een autochtone sprookjesschrijver mag worden gezien.

Wij ontdekken bij hem dezelfde motieven; de symbolen zijn anders gekozen, maar zij komen op hetzelfde neer. Ergens spreekt uit het sprookje dus niet alleen maar een beschaving, het kan ook niet enkel worden gezien als een spontaan geboren worden, maar het is kennelijk een poging van de mens om in symbolen zoals men vroeger in Bagdad heeft gezongen over de grote helden een aanpassing te beschrijven van zijn eigen wezen aan het Al. Er is bv. een typisch Egyptisch sprookje uit laat ons zeggen ongeveer 1200 v. Chr. Het afschrift dat daarvan bestaat is niet volledig. Het sprookje zelf kan nog tot ongeveer 2 á 3000 jaar vroeger gevolgd worden. Je zou het kunnen noemen: De Prins en de Koningszoon. Het is het verhaal van de zoon van een farao, die wordt geboren. Terwijl hij in zijn wieg ligt, komen de zeven Hathors (Hathors zijn een soort schikgodinnen, noodlotsgodinnen) en voorspellen dat hij aan zijn einde zal komen door een krokodil, een slang en een hond. (Eigenaardig, drie fasen.) De jongeman groeit op. En hij wordt beschermd tegen alles wat daar maar op lijkt. Maar wanneer hij ongeveer 14 jaar is (dat is in die tijd een zeer rijp mens, hij kan dan al vorst zijn), sluit hij vriendschap met een hond. Hij gaat met deze hond op stap. En hij speelt het klaar om naar boven, naar een van de eerste hemelwerelden te klimmen en daar de dochter van de vorst te huwen.

De hond gaat met hem mee. Doch nu moet hij naar zijn eigen wereld terug. De eerste dag dat hij beneden komt, ziet hij plotseling een grote vloed, hij moet die doorwaden. Er zijn krokodillen. Die bedreigen hem, maar een reus grijpt in en vermorzelt de krokodil. De koningszoon wil de reus danken, maar ziet hem niet meer. Hij trekt dan verder met zijn hond. De volgende dag rust hij. Hij legt zich neer onder een boom en daar komt een enorme slang. Die begint hem te omwinden en zou hem verpletteren, als op dat ogenblik niet wederom de handen van een reus komen, die de slang doden en haar van hem afnemen. En dus denkt hij dat hij de gevaren doorstaan heeft, want de hond is zijn vriend.

Maar wat gebeurt er nu? Hij komt op de derde dag dat is de dag, voordat hij thuiskomt een leger van Nubiërs tegen. Ze vallen hem aan en de hond wil hem verdedigen; maar daardoor loopt deze te dicht voor hem uit, hij struikelt en zal worden doodgestoken. En nu het typische: De speer raakt hem. Op het ogenblik dat de speer hem raakt, wordt hij zelf tot de reus, die hem tweemaal bevrijd heeft; de hond groeit plotseling en ontpopt zich als een gezel. Zo keert hij als vorst naar zijn eigen land terug, laat zijn vrouw komen en leeft lang en gelukkig. Als u de elementen van dit sprookje beschouwt, dan zit in de eerste plaats het element drie erin. De drie fasen van bewustwording van de mens, de drie invloeden van Eros.

En in de tweede plaats; tweemaal wordt een mens eigenlijk van zichzelf van zijn eigen dwaasheden, als je het goed beziet gered door de grote kracht, die in hem woont. Maar om zijn kosmische eenheid te vinden, zijn werkelijke verbondenheid met de godenwereld, moet hij sterven. In de erkenning van het sterven echter komt hij tot het aanvaarden van zijn kosmisch bestaan; hij is de reus.

En nu wordt de vriendschap, die hij eerst met de hond had, plotseling omgezet in een andere relatie. Want nu kan hij met de hond spreken; hij is zijn gezel geworden en niet alleen maar een dierlijke vriend. En zo bewijst zelfs dit oude sprookje, dat nu bijna vergeten is misschien bestaat hier of daar in een museum nog een stukje ervan op een potscherf of zoiets eigenlijk al, hoe de mens in de vroegste jaren dit alles heeft overdacht.

U moet dus eigenlijk alle zaken in hun juiste verband zien, dat leren wij uit deze mythen en sprookjes. De geboorte van het eigen wezen is laten we het Griekse beeld gebruiken uit Kronos, uit de tijd. Uit de tijd zijn wij geboren, maar gelijktijdig geïsoleerd, want de tijd is onze vijand. Wij kunnen niet feitelijk iets zijn, voor wij erfgenamen van de tijd zijn geworden. Wij zoeken de eeuwigheid, doordat wij ons een doel stellen dat naar ons eigen inzicht erg hoog ligt. Maar dit hoge doel blijkt ons ten slotte te verderven, want wij kunnen met ons hoge doel alleen niet verder komen.

Wij moeten eerst goed begrijpen wat wij feitelijk zijn. Wij moeten begrijpen dat een mens (of een geest) niet zo maar eenheid met de kosmos kan vinden of zich zo maar kan ontworstelen aan zijn noodlot. Zeven Hathors; en in die tijd stond voor elke Hathor ook een planeet aan het hemelruim, meer dan zeven planeten kende men toen niet. Wij worden door het noodlot gedwongen. Maar wij kunnen het noodlot overwinnen, als wij beseffen dat de overgave van eigen wezen, dat in het menselijk bestaan komt of dat later kan ontstaan in de gedachtewereld, ten slotte maar een begin is.

Het is niet de voleinding der dingen. De kosmische eenheid, die ik in mijzelf erken en in mijzelf voel, moet ik omzetten in mijn leven en denken. Daarom moet ik eerst mijzelf prijsgeven, zoals ik mijzelf zie. Ik kan nooit de mens zijn, die van uit zichzelf tot de kosmos gaat. Ik moet mijn kosmisch wezen in mijzelf realiseren en dit dan op elk niveau uitdrukken. Wij zijn geschapen voor een zeer grote, een wonderbaarlijke beleving, een wonderbaarlijk doel en dat kunnen wij niet vinden in het menszijn. Wij kunnen dat niet vinden in onze gedachtewereld met al haar duisternis. Wij kunnen dit alleen vinden in het verlies van ons persoonlijk besef van belangrijkheid, van ik-zijn en een accepteren van het deelzijn van het grote. Wie zichzelf beseft als deel van het grote, wordt het grote.

Op het ogenblik, dat je jezelf verliest in de beperkte ik-vorm, word je tot deel van het grote Ik en kun je zelfs jezelf redden, ook in het verleden. Je hebt een macht, die je buiten de tijd stelt. Heb je die gevonden en niet eerder, dan kun je teruggaan naar je wereld en kun je van daaruit de eenheid van volkeren, de eenheid van mensen gebruiken als een werking en een symbool van het groot kosmische. Toch, als de mens spreekt over Eros, denkt hij alleen aan, laat ons zeggen, een liefdesgodje en aan verborgen gebeurtenissen, waarvoor hij niet eens durft uitkomen. Is het wonder dat ik spreek over de arme Eros? Le pauvre Eros. De arme, miskende eenheid, die de mensheid zich nooit volledig realiseert, omdat hij altijd blijft binnen zijn beperking van kleinmenselijkheid en nimmer ertoe komt om de kosmische, de werkelijke reële eenheid, die hij eerst moet vinden met het totaal zijnde, met het Goddelijke, te beschouwen als de basis van waaruit je die eenheid uitdrukt in het menselijk leven, in het bestaan van een sfeer of van een geest.

Ik weet niet, of ik u met mijn betoog nu ook werkelijk het opbouwende, de wijding en de stichting, die u vermoedelijk zult eisen, heb kunnen geven. Ik ben ook maar een invaller voor deze morgen. Ik heb zo gedacht: De mens beziet de dingen altijd zo wonderlijk, zo eigenaardig van uit zijn beperkt standpunt. Laat mij nu eens proberen om de mensheid wat wakker te maken (al zijn het ook maar een paar mensen) en laat mij trachten hun duidelijk te maken waarom het gaat in dit leven.

Want dat heeft u hier misschien uit kunnen leren, door alle tijden heen heeft de mensheid voor zich gezocht naar de eenheid, de wonderlijke, de magische eenheid met die grote wereld, met de grote kosmos. En al zijn streven en strijd op aarde kunnen wij wanneer wij de mens doorlichten, zodat wij zijn werkelijk innerlijk kunnen zien eigenlijk daarop terug brengen. Wij kunnen zeggen: Hier is het hele leven van de mensheid, gedreven uit de niet voldoend besefte behoefte een te zijn met het Grote, met het Onbekende en zo in die eenheid de zekerheid en de vreugde te vinden, die ons in de wereld steeds weer schijnen te ontvlieden.

 o-o-o-o-o

Zo dat was dan een invaller. Ik wil niet direct zeggen een gast, want het is een lid van onze groep, maar toch een spreker die u niet zo heel veel tegen komt. Zijn onderwerp heeft hij er dan ook naar gekozen. Maar de typische gedachtegangen, die hij naar voren heeft gebracht, vind ik altijd toch weer terug. Als ik zo de mensheid bekijk, kom ik wel tot de conclusie dat ze de nadruk meestal helemaal verkeerd legt. Niet dat net de schuld is van de mens, integendeel, de mensen zijn over het algemeen vol goede bedoelingen, maar ergens loopt de zaak spaak om de doodeenvoudige reden dat ze met al die factoren van hun eigen wezen een UNO proberen te maken in plaats van een wereld. En die verdeeldheid, dit voortdurend nu met dit deel van je denken, dan met dat deel van je denken op het rostra van je rede klimmen, dat is nu juist de fatale factor. Laat mij van mijn kant daarom dan ook maar eens aanhaken bij het onderwerp zo goed als dit dan kan en een ander facet ervan bekijken.

Nu moet je eigenlijk wel van dit bijna psychologisch betoog overgaan naar het magisch, het magisch esoterisch element eigenlijk. Als ik zo over de eenheid met de kosmos spreek, heb ik altijd het idee, dat het een sprookje is. Natuurlijk, het zal wel waar zijn. Maar als je over de kosmos gaat spreken en je bedenkt dat zo uit jezelf, dan verdwaal je op de een of andere manier. Je moet a.h.w. iets vinden, waardoor je dus in staat bent om een eenheid te erkennen, te ondergaan en te ervaren, die voor jou verstandelijk absoluut niet meer te aanvaarden is. Je kunt zeggen: “Ja, maar ik klim langs mijn innerlijk wezen op, totdat ik het besef heb van die kosmische verhouding en eenheid.” Nu, om het eens plat te zeggen: Schrijf dat maar op je buik, want het is onmogelijk. Je kunt die kosmos eenvoudig niet omvatten en begrijpen. Je kunt misschien iets ervan aanvoelen, maar daar blijft het bij. En dan grijpt die mens automatisch dat heeft mijn voorganger zo aardig betoogd naar de symboliek, naar het sprookje, waarin hij zijn innerlijke behoeften, zijn verlangens en zijn haast onbewust erkennen van toestanden en mogelijkheden uitdrukt. Met andere woorden; hij gebruikt het symbool. Nu moet u niet denken dat ik wil doorborduren op die arme Eros, want dan kom ik op een zeer gevaarlijk terrein terecht; de doorsneemens maakt er nu niet direct het mooiste van.

Maar ik zou willen doorborduren op de kwestie van het symbool. Waarom kan een mens een waarheid niet begrijpen, maar kan hij wel in gelijkenissen spreken en het dan aanvoelen? Om de doodeenvoudige reden dat de kosmische eenheid en de kosmische waarheid eigenlijk meer een kwestie van stemming en van gevoel zijn dan een kwestie van verstand, van begrip. Wanneer ik dus zelf de juiste symbolen schep, zal ik krachtens die symbolen en de inwerkingen daarvan voor mijzelf de kosmische eenheid kunnen aanvoelen. Maar eenheid met de kosmos betekent kracht. Als ik dus met de juiste symbolen de juiste innerlijke gesteldheid bereik, zullen de kosmische krachten voor mij werkelijk worden. Maar is de kosmische kracht werkelijk, dan kan deze kracht mij a.h.w. van mijzelf redden. Want dat is dan een corrigerende factor. De eenheid met het Al corrigeert mij elke keer en herstelt zelfs mijn fouten, die ik nu eenmaal bezit, wanneer ik op een verkeerde manier een beperkte eenheid heb willen zoeken die niet past. Ik heb helemaal niet meer de angst of de onzekerheid, dat ik niet op mijn plaats zal komen, omdat van uit de grote eenheid de beperkte verhouding altijd gecorrigeerd wordt.

Nu, als dat geen magie is, dan weet ik het niet. Het is het inwerken van het hoogste, het meest innerlijke bewustzijn van de mens op het totaal van zijn wereld en omgeving. Dat zijn altijd van die punten, die je moet proberen in praktijk te brengen. Want als je daarbij blijft zweven zo in de ruimte of je blijft alleen maar bij de stelling, dan geloof ik dat de doorsneemens er altijd wat verkeerds van maakt. Je zou het eigenlijk op een geestelijke ochtend moeten kunnen afdrukken als een gebruiksaanwijzing: Men neme een afgestreken theelepel op 2 L. water, dan zou het goed zijn.

Laat mij dan proberen om dat te doen. Als je nuchter praat, zijn er heel veel mensen een beetje boos. Weet u, als ze zo zweven, dan voelen ze ergens die kosmische eenheid, maar gelijktijdig hebben ze geen houvast meer in hun eigen werkelijkheid en daarom ervaren ze een verlaten van hun werkelijkheid als een tegenstelling tot het andere, het hogere.

Nu, laat mij dan proberen om die gebruiksaanwijzing a.h.w. erbij te schrijven en het dan daarbij te laten. In de eerste plaats: De mens, die in zich het gevoel kan vinden, alleen maar het gevoel dat hij werkelijk en feitelijk deel is van het geheel (van de kosmos, van God en al wat erbij hoort), vindt daarin de kracht en de mogelijkheid om zijn eigen wezen voortdurend te corrigeren, dus voortdurend op de juiste wijze in het leven te staan. Uitgaande van dit kosmische behoef ik mij dus om de lagere waarden niet zozeer meer te bekommeren. Je kunt, wanneer de juiste gevoelswaarde bestaat (dit aanvoelen van eenheid met het Al), alleen door dit gevoel geleid, komen tot het juiste denken, de juiste verhouding t.o.v. de maatschappij of van je eigen volk en zelfs van mensen. En als je daarin een fout zou maken wat natuurlijk onder stoffelijke en ook zelfs bepaalde geestelijke condities niet uitgesloten is dan geldt altijd weer dat het grote gevaar, dat zou kunnen ontstaan, daardoor eenvoudig wordt weggenomen, want van uit de kosmische eenheid treedt de corrigerende factor op die elke beleving, elke stap in een verkeerde richting, die je a.h.w, van je plaats in het kosmisch geheel zou weghalen, automatisch tot nul maakt, het wordt doodeenvoudig afgebroken.

Dit afbreken kan wel eens minder prettig zijn, dat geef ik toe, maar je hebt aan de andere kant de voortdurende gebondenheid, de innerlijke zekerheid. In de tweede plaats: Een mens, die alleen uitgaat van het beperkte, van zijn persoonlijke verhouding tot een ander bv. of van zijn beheren tot een bepaald volk of tot een bepaald geloof of een bepaalde groep, schept voor zichzelf gevaren. Want hij schept tegenstellingen tussen zich en onbesefte delen van het Al. De mens, die echter uitgaat van de kosmische eenheid, het behoren tot het geheel en van daaruit zijn plaats zoekt en zijn juiste verhouding tot volk, tot anderen, zal vreemd genoeg juist omdat hij door de innerlijke kracht wordt geleid de juiste stimulans zijn en gezien zijn innerlijk beroep op het hoogste en zijn absoluut vertrouwen daarop komen tot precies de juiste beleving. Dan is er nog zo’n punt. Zolang de mens spreekt van uit het ik-besef (en hoe beperkter dat is hoe beroerder, hoor) zal hij door dit ik-besef voortdurend met zichzelf, met de wereld, met de kosmos in strijd zijn. Hij zal nooit eens precies kunnen vinden wat hij nu werkelijk wil. Hij zal nooit kunnen bereiken wat hij zich als droombeeld, als ideaal heeft gesteld. Want wie van “ik” uitgaat, gaat uit van een klein en daarom onevenwichtig deel van het geheel.

Het is per slot van rekening al te gek, nietwaar, als je verwacht dat een schroefje uit een horloge netjes de tijd gaat aanwijzen. Onze vriend sprak daarnet over het heelal als Gods uurwerk, nu, ik neem de vergelijking over. U bent een klein schroefje daarvan. Is het dan niet idioot en dwaas en kolderachtig te verwachten, dat u de kosmische tijd kunt aanwijzen? Alleen als deel van het geheel, ja, dan kunt u mede de tijd aanwijzen, maar nooit alleen uit uzelf. Wie zichzelf tot belangrijke factor maakt, veroordeelt zichzelf tot het disharmonische, het onevenwichtig leven en beleven. Wie echter uitgaat van het kosmische, vindt voor zichzelf de harmonie, de al overheersende stabiliteit, evenwichtigheid en kracht, waaruit hij voor zich voortdurend de juiste aanpassing vindt t.o.v. zichzelf, zijn leven en zijn omstandigheden.

Nu, en dat was zo ongeveer alles. Alleen, ja vergelijk me nu niet met een schorpioen, zodat je later zegt: Het vergif zit in de staart. Bij die gebruiksaanwijzing hoort nog iets: Wie het kosmische zoekt omwille van zichzelf, vindt het niet. Maar wie het kosmische beleeft in het vergeten van zichzelf, vindt zichzelf in de kosmos. Een oude stelregel, ze is niet van mij, ze is eerlijk gestolen. Maar het is volkomen waar. De mens, die de eenheid met de kosmos zoekt om daaruit voor zichzelf iets te puren, zal die eenheid niet bereiken. Want je kunt nooit je eigen functie bepalen in een geheel, dat je niet beseft. Je kunt slechts je eigen functie in het geheel eerst aanvaarden en dan gekomen tot het besef van je eigen plaats en van het geheel uit het geheel werken.

Kort en goed en heel eenvoudig gezegd: Als jullie mensen en wij geesten nu eens allen precies wisten dat “ik” opzij te zetten, opzij te dringen desnoods en daarvoor die kosmische eenheid te aanvaarden, zouden we eigenlijk erg veel op de lieve God zelf lijken, want dan zouden we praktisch almachtig zijn. Maar omdat we voortdurend onszelf op de voorgrond plegen te schuiven, zeggen we steeds weer: “Allemachtig, wat valt dat tegen.”

Ik hoop dat we eroverheen zullen komen, wij in de geest, u in de stof. En dat we de eenvoudige gebruiksaanwijzing van het verhaal van mijn voorganger voor onszelf tot werkelijkheid kunnen maken. Ik vergeet mijzelf en beschouw mij als een direct deel van het grote geheel, waarin het grote geheel bepalend is voor de plaats en voor de werking. Ik beklaag mij niet over mijzelf, ik beroem mij niet op mijzelf, ik aanvaard het zijn, zoals het is. En in het aanvoelen van die kosmische eenheid zal ik trachten op elk vlak (maatschappelijk, menselijk of geestelijk) de eenheid te uiten, zodat van uit mij de kosmische werkelijkheid wordt gemanifesteerd.

o-o-o-o-o-o-o

DE KRACHT

Heel het leven is een kracht. Er is geen ogenblik, dat een mens of een geest, dat enig bewust wezen niet gedragen wordt in een totaal van krachten en niet in zichzelf die krachten kan opnemen. Kracht en leven zijn de kosmische, wet, niet dood en krachteloosheid. Vitaliteit, energie is het stuwende, waardoor de sterren wentelen en zielen gaan van sfeer tot sfeer. Waarom zou een mens dan zichzelf beroven van de kracht en heel vaak tot zichzelf zeggen, dat het toch zijn schuld niet is en dat het tegen wil en dank is? Heel vaak opmerkend, dat, nou ja, hij toch oud en wijs genoeg is om te weten dat die krachten er niet zijn; of dat hij te verstandig is om zich met dergelijke illusoire vermogens in te laten. Maar de werkelijkheid blijft. Vergeet een enkel ogenblik jezelf. Laat een ogenblik de lichte kracht, het stralend goud, het levend licht je doordringen. Vergeet een ogenblik wie je bent, wat je bent en waar je bent en wees deel van het kosmisch geheel in het vergeten van jezelf. Vergeet een ogenblik wat de menselijke zorgen van morgen zijn en besef, dat tijd een illusie is en dat het morgen, waarvan gij droomt wel eens slechts een droom zou kunnen zijn.

Leef het eeuwige en besef licht en kracht en werking. De voortdurende stuwing van eeuwig licht, een gloed die mij kan doortintelen en vervullen, die geneest en sterkt, die in mij werkend mij het werken uit hogere kracht mogelijk maakt. Besef, dat nacht wordt geboren uit menselijk denken, uit het onbewust zichzelf beklagen, het begraven van het eigen wezen in vrezen en angsten. Besef, dat het altijd dag is voor de mens, die zijn waan en zijn angsten vergeet. Tintelend licht en levende kracht, gouden vloed en kosmische macht, het goed dat een ieder behoort. Weten en leven, streven en werken kunnen zich sterken uit het gouden licht, uit de gouden kracht, uit de Oermacht, die zich openbaart, het lichte, dat waart in de tijd tussen verleden en toekomst. Dromen worden een werkelijkheid en een werkelijkheid lijkt u misschien een droom, wanneer ge zonder schroom verdergaat en leeft uit licht en uit kracht, wanneer ge in uzelf draagt het licht, de macht, die men u vraagt. Is er in uw wezen dan niet één enkel ogenblik, dat het “ik” zichzelf vergeet en zo aanvaardend alle krachten van het Al ten volle ondergaat? Ge roept uw God met vele namen; Shaddal, Adonaï, Vader, God. En toch, Hij heeft u niet gehoord, omdat de klank en het woord gedood werden in de kilte van de stomme, doffe echo van het eigen wel besloten wezen. En zoudt gij vrezen, wanneer uw verzuchting: “Mijn God, mijn Licht,” wordt tot een waarde, die door je wezen gaat, een kracht die je stijgen doet door werelden en sfeer, erkent het Al en meer, dat wat je bent, je doel en de zin van het bestaan? Is dan de kracht van kosmos en licht en God, de gouden macht, niet sterker dan de waan, die u begeeft? Dat wat ge zoekt en dat wat ge eert is licht en is kracht. Laat licht en kracht en macht, laat het wel beseffen van eenheid en kosmisch gebonden zijn uw wezen dan vervullen en zo verhullen u de dwaasheid van uw eigen zijn, en geven u de fonkelende wijn, robijnrood licht van levenskracht, en het blauwe licht van wijs beseffen; het gouden licht van kosmisch zijn. Opdat ge leert uzelf te heffen en te komen tot het aanvaarden van uw eigen wezen, onbelangrijk klein in het Al en toch een deel van alle dingen, opdat uw wezen vol vreugd zichzelf beseft en in de kracht voor zich kan zingen het lied der eeuwigheid, omdat der mensen strijd is uitgeblust, der kosmos macht, het kosmisch licht ervaren.

Ik heb, getracht u in deze woorden iets te doen gevoelen, u iets duidelijk te maken van de werkelijkheid. Licht en kracht zijn de uwe. Ze zijn deel van uw wezen en uw leven in en rond u, zo ge voor een ogenblik uzelf vergeet, voor een ogenblik het menszijn vergeet, voor een ogenblik een wilt zijn met alle dingen, gaand van het licht van uw menselijke wereld tot in het vreemde, onbegrepene, het soms voor u nog schijnbaar duister, waarachter de luister van het Goddelijke zich verbergt. Ik wens u allen veel kracht, veel bewustzijn en veel zegen, maar bovenal de ervaring van deze kosmische trilling, die ook u tot een bewust deel van het Al kan maken.