De aspecten van Jezus leven

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 37

21 oktober 1956

In Jezus’ leven zijn er zeer vele voorvallen, die ons wonderlijk aandoen. Wij zien, hoe hij geneest, op afstand, met een enkel woord en met een enkel gebaar. Wat wij niet lezen in zijn evangeliën, maar wat wij wel uit andere geschriften kunnen leren is, dat Jezus niet slechts genas, maar soms ook moest weigeren te genezen. Hierover werd zeer veel gesproken door hem en verschillende van zijn leerlingen.

In de eerste plaats was daar Petrus, de opstandige, Petrus, die een driftig, een gewelddadig man zijnde voortdurend tracht te zijn Meester te overreden nu toch maar op te houden met de wonderen en eens eventjes precies te zeggen, waar het op stond. Dan Johannes, de zoeker naar achtergronden, de stille denker, die trachtte alle dingen voortdurend te beleven, te aanvaarden en toch te begrijpen. Verder Bartholomeus, de weifelaar, die meer nog dan Thomas voortdurend heen en weer geslingerd werd tussen hoop en vrees. Eén van Jezus’ leringen, vooral ten opzichte van deze drie, met ook hun vragen daarbij gesteld, zou ik dan op deze bijeenkomst met U willen bespreken.

Jezus leerde omtrent de kracht des Vaders: “Want al, wie in Hem en Zijn wil volledig betrouwt, wordt gegeven, wat de Vader goed oordeelt te geven. Maar indien men zegt: “Dit is mijn wil” en niet vraagt: “Wat is de wil des Vaders?” zo is men eenzaam en zonder vermogen. Indien men zegt; “Ik wil bevatten; maar het resultaat is noodzakelijk, want anders gaat het aanzien, dat ik verloren zou kunnen hebben daardoor, geheel te niet, dan kunnen wij niet meer rekenen op Gods kracht.”

Johannes vraagt hier: “Waarom dit verschil tussen onze kracht en de kracht des Vaders?” En Jezus antwoordt? “De kracht mijns Vaders is de kracht, die in alle leven bestaat. Het eeuwige Licht, het eeuwige Vermogen, waarin niets ten onder gaat. In Hem is alle leven leven, in Hem is lijden noch dood. Maar indien de mens zich zegt: “Ik zal lijden of dood overwinnen” en niet vraagt: “Wat is de levende kracht des Vaders in mij?” hoe zal hij nog kunnen begrijpen, wat de Vader hem schenkt? Gij zegt vaak tot mij: “Heer, genees” Maar genezen doe ik slechts hen, die één zijn met mijn Vader. En niet mijn is de kracht, doch het is de kracht des Vaders.”

En dan komt Petrus: “Heer, gij zegt immers, dat de zonden vergeven worden. Waarom vergeeft gij eerst de zonden en geneest gij dan, Heer? Is dit dan noodzakelijk, opdat het goed zij?”

Och, het is te begrijpen. Petrus zou het zeer interessant vinden, als ook hij eerst de zonden zou kunnen vergeven, om dan te genezen. En wanneer Jezus hem antwoordt, schuilt er een lichte glimlach in zijn woord;

“Simon, Simon. Wat is belangrijk in de mens, dat zijn geest leve of dat zijn lichaam herstelle? Wie tot mij komt, omdat ik ben de kracht des Vaders, die vergeef ik de zonden, opdat zijn geest geneze. En zo zijn geest genezen is, zal zijn lichaam genezen zijn. Maar gij zoudt willen zeggen: “Ik genees U en groot is mijn macht.” Ik zeg U, Simon, niet zo gaat men de weg des Vaders.”

En de twijfelaar, Bartholomeus: “Heer, hoe kunnen wij weten, of een mens de Vader aanvaardt en Zijn kracht?” Dan zegt Jezus: “Ik roep tot de Vader en zo Hij mij antwoordt in hem, die mij om hulp smeekt, zo weet ik, dat deze beiden één zijn. En zo handel ik en volbreng Zijn wil.”

Het geeft ons weer een heel andere visie op Jezus, dan gebruikelijk is. Voor de meeste kerkelijken is Jezus een soort fenomeen. Hij strekt de hand uit, zijn schaduw beroert iemand, hij spreekt een woord, en alle lijden is verdwenen. Dat past misschien bij de vergoddelijkte voorstelling die men van Jezus heeft. De Jezus, die dragende de Christusgeest op aarde zeker een belangwekkend, een wonderlijke figuur was. Maar hier treedt ons iets heel anders naar voren; Jezus is de echo van de Vader. Ook in de mens antwoordt hij alleen op het Goddelijke.

Hoe wordt het ons nu duidelijk dat zijn naastenliefde, dat zijn wonderen, ja zelfs, zijn lijden, voor hem logisch, onvermijdelijk en noodzakelijk zijn. Jezus ziet niet de zieke; hij ziet de Vader. Jezus ziet niet een kruis; hij ziet de Vader, Die eist. En al begrijpt hij altijd wel, wat het betekent, eenheid met God is voor hem het voornaamste. Daardoor kan Jezus zoveel verdragen, daardoor is hij zo’n wonderlijk en vreugdig Meester, voor allen, die hem willen volgen.

Johannes gaat verder met zijn vragen. Want hij kan niet nalaten – denker als hij is – zichzelf de consequenties van een niet-genezen, van een wel-genezen voor ogen te stellen. Hij zegt; “Heer, indien twee tot U komen en zij vragen: “Heer, redt ons,” hoe kunt gij dan een afwijzen en een genezen?”. Jezus voelt wat er achter ligt. Het is hier niet de bedoeling: “Waarom zou je, in je goedheid een mens heenzenden zonder hulp?” Hij bedoelt: “Wat is de achtergrond? Waarom doe je dat nu vanuit het Goddelijke?” Het antwoord is dan ook weer duidelijk, verbluffend duidelijk.

“Denkt ge, dat ik het ben, die weigert? Ik kan niet weigeren, want ik ben één met alle mens. Ik dien al het geschapene, omdat ik God dien. Maar wie ben ik om mij te verzetten tegen de wil des Vaders? Ik geef uit Zijn naam en Zijn kracht. Ik ontvang uit Hem en Zijn kracht. En Indien Hij mij zegt: “Deze heb ik groter geschonken dan gij geven kunt, zo moet ik mij afwenden.”

De consequenties hiervan zijn duidelijk. Er is niets, maar ook werkelijk niets, wat God niet kan doen. Maar degenen, die in Zijn naam en uit Zijn kracht werken, zullen hun eigen oordeel dan ook steeds moeten achterstellen bij het Zijne. Hij is het, Die wonderen mogelijk maakt. Hij is het, Die leven geeft en leven neemt. Jezus kan daar niet tegen in gaan.

Petrus is hard. Hard voor zichzelf en voor anderen. En hij stelt het scherp: “Maar heer, wat kan belangrijker zijn dan dat men het leven behoude?” En het antwoord van Jezus is: “Er zijn er, die ik het leven zou redden op aarde, maar verloren zou doen gaan in de eeuwigheid. Maar de Vader in Zijn liefde, redt hen in de eeuwigheid. Zelfs wanneer zij verloren dreigen te gaan in dit leven.”

Petrus kan dit niet begrijpen. Hij verzet zich ertegen. “Maar Heer, dat leven is toch zo kostbaar, zo belangrijk en gij hebt toch die kracht,, waarom zoudt ge U dan niet verzetten tegen God? Gij zijt toch de Meester.”

Het antwoord is al even cryptisch en toch even duidelijk. “Maar Simon, Simon, hoe kun je je voorstellen, dat ik, die vrijwillig tot werktuig, ja, tot slachtoffer ben geworden van al het Goddelijke, mij zou verzetten tegen het Goddelijke?”

En dan krijgen we een eigenaardig staaltje van denken van Johannes. Het is een terzijde haast, zoals bij zo’n discussie meer gebeurt. Hij zegt het tegen Bartholomeus: “Wanneer wij de Vader aanvaarden, zijn wij genezen. Indien wij de Vader verwerpen, welke macht kan ons redden?”

Het is het woord tegen de twijfelaar, tegen de man, die voortdurend zoekt naar een oplossing en ze eigenlijk nooit vinden kan. Die soms droomt van Jezus als een vorst, soms hem ziet als een geestelijk leider.

Wat kunnen we doen zonder God? Wat meen je nu eigenlijk, dat er zonder God gedaan kan worden? En Jezus als het ware invallende en daarmede deze discussie (die ik natuurlijk zeer verkort heb) besluitende, zegt er overheen:

“In mijn Vader is alle kracht en alle licht. Wie dit licht en deze kracht aanvaardt, diens leven zal onbegrensd zijn en verheerlijkt zal hij zijn in Zijn wezen en Zijn naam. Maar wie verwerpt, zal verworpen worden. Zo aarzelt niet en strijdt niet, maar weest één met de Vader.”

Hij zet ze zo even allemaal fijntjes op hun plaats. “Je moet er niet over praten,” zegt hij tegen Johannes, “je moet het beleven, je moet het voelen.” En tegen Simon zegt hij: “Je kunt je niet verzetten. Verzetten betekent in werkelijkheid ondergang.” En tegen de weifelende Bartholomeus voegt hij er aan toe: “Want als je twijfelt, hoe kun je dan ooit in God opgaan? Hoe kun je dan ooit de werkelijkheid beleven?”

Deze gedachten zijn later, toen het Paulinisme in het christendom groter invloed kreeg, langzaam maar zeker verzand. Zij klinken niet meer door in het christelijk geloof van deze dagen. En ze behoren tot een grotere kracht en daarom zullen ze steeds weer zij het met andere woorden in andere tijden worden geopenbaard.

Er is niets buiten God. En in God zijn alle dingen. Indien wijzelf ons maken tot nederige dienaren van de Vader, zo zal ons niets ontgaan. Zo zullen wij al bezitten, wat noodzakelijk is en meer. Zo zal het lijden ons genomen worden en ons het leven worden gegeven, dat geen einde kent.

Ik zou dit, ook van mijn zijde, van onze zijde, nog gaarne verder willen uitleggen en toelichten. Of wij nu leven in een wereld of in een sfeer, of wij moeten gaan door licht of door duister, door vreugde of leed, al deze dingen zijn één in God. De fout, die wij maken, is dat wij onderscheid gaan maken tussen de krachten in het Goddelijke. Dat wij verwerpen en aanvaarden, dat wij strijden en niet slechts in God opgaan.

Maar een absolute overgave is voor ons niet aanvaardbaar. De absolute overgave gaat ons te ver. Dat ligt niet aan de waarheid, dat die waarheid anders zou zijn; het ligt aan ons. Het ligt aan ons, omdat wij nog niet volmaakt zijn, omdat wij nog onze eigen meningen en onze eigen verlangens zo belangrijk en zo sterk zien. Voor ons geldt eerder het woord van Hieronymus, die tot enkelen van zijn priesters zegde: “Ik zeg U, streef naar het goede. En in dit streven vindt U vrede. Want zij, die oordelen naar de resultaten, die zich aan het oog voordoen, worden bedrogen. Zij, die het streven aanvaarden en de wil, die het streven verwerkelijkt in volmaaktheid, de goddelijke wil, zij zullen de werkelijkheid kennen.”

Ik zou deze mening willen onderschrijven. Er bestaat voor ons waar wij toch uiteindelijk ook de weg van het christendom willen gaan, de weg van de grote waarheid, die ook Jezus ons heeft getoond slechts één oplossing; Afstand doen van ons mens- of geestzijn kunnen wij niet. Je kunt je “ik” niet verloochenen zonder meer. Maar we kunnen trachten dat “ik” anders te gebruiken. We kunnen trachten te streven naar resultaten. Resultaten, door onszelf te richten op wat wij menen dat goed is. En wij moeten leren de gevolgen van ons streven over te laten aan God.

Dat is zeer belangrijk. Wij moeten weten: “Dit is een noodzaak, volgens ons bewustzijn, en wij moeten het volbrengen.” Maar wij mogen niet met een bitter, haast verwijtende scherpte in onze stem zeggen: “Maar ik wil dit.” Want op de gevolgen heeft slechts God invloed. Op de daden, die wij stellen, daarop hebben wijzelf invloed en daarvoor zijn wij verantwoordelijk.

Bewustwording wordt niet geboren uit het resultaat van één daad, uit het resultaat van één gedachte. Zij wordt uit de daad en de gedachte zelf geboren. Het Alscheppend Vermogen met Zijn wetten, met Zijn grote krachten, met Zijn levende kracht, die deel is van ons wezen, bepaalt uiteindelijk, wat de schepping zal zijn, en wat wij zullen zijn binnen die schepping. Maar wij, wij kunnen bepalen, hoe wij streven naar God; aan Hem overlatende hoe en wat Hij tot stand brengt. Maar wetende, dat wij ons richten naar Zijn wil, zo goed als ons dit mogelijk is.

Dat is het beeld van Jezus’ leven. Maar ook het beeld van andere ingewijden. De ware ingewijde aanvaardt God en streeft niet naar zichzelf, maar naar wat hij meent, dat in God aanvaardbaar is. En waar zijn streven goed is, kan hij zichzelf niet verwijten, dat Gods aanvaarding anders is, dan hij zich voorstelt. Of het nu Boeddha is, of Mohammed, of het nu zijn de Indische wijzen of de ingewijden, die in het Westen rondgaan, zij zijn allen hetzelfde. Of het de hoogste geest is of de pas tot bewustzijn ontwakende mens, er bestaat geen andere weg: Streven naar wat wij zien als goed. Overgave aan God, omdat Die uit ons streven het waarlijk goede geboren doet worden.

Daarmede, vrienden, zullen wij deze eerste beschouwing besluiten en geef ik het woord over aan de tweede spreker.

o-o-o-o-o

Het is met al deze beschouwingen altijd zo, dat in je de vraag rijst: Waar zit nu eigenlijk de praktische waarde? En ik van mijn kant vind dat heel begrijpelijk en aanvaardbaar. Uiteindelijk, een mens rekent nu eenmaal niet met wat een ander zou willen, maar met wat hij werkelijk doet. Een mens en een geest rekenen toch niet met wat ze dromen te bereiken, maar met wat ze werkelijk bereiken. Is het dan niet logisch, dat wij als kern van al deze problemen voor onszelf gaan zeggen: “Ja maar, wat is nu de praktische waarde? Wat kan ik er mee doen?” En ja. Dan komt het natuurlijk weer op het hoofd van iemand als ik, om te proberen daar nu werkelijk een uitleg aan te geven.

Ik zou het zo willen zeggen; Alle leringen, die wij in ons opnemen, zijn goed, zodra we ze in de praktijk kunnen brengen; en zonder dat zijn ze niets waard. Hoe brengen wij een lering in de praktijk? Door van onszelf te verlangen, dat wij alles, wat als waar wordt aangenomen in ons wezen, voortdurend in de praktijk omzetten met woord, daad en gedachte.

Maar ja, dat is moeilijk. Want je kunt nu wel geloven, dat de maan van groene kaas is, maar het is moeilijk om er een hapje van te gaan halen. En met dit misschien wat spottende voorbeeld geef ik aan, wat de mens verlangt van het leven, wat hij verwacht en de werkelijkheid, die er tegenover staat.

We zijn allemaal geneigd om te zeggen: “Nu ja, we weten wel dat er een goddelijke liefde is.” Uitstekend. Maar wat betekent die liefde voor ons? Vertrouwen we er zo op, dat we inderdaad het leven kunnen aanvaarden zonder meer? Nu, ik denk, dat de meeste mensen wel eens in verzet zijn. Dwaas misschien, maar we kunnen niet anders. Of misschien toch?

We kunnen zeggen: “We geloven in de goddelijke kracht en in de kracht van alle geest, van alle engelen, die voortdurend op aarde werken om Gods wil ook daar tot uitdrukking te brengen.” “Maar,” zeggen we er achteraan, “wij zien dat op de volgende manier: Dit en dat meen ik, dat begeerlijk is en dus zal God het ook wel willen en dus moeten ze het maar doen.”

Fout. Om werkelijk een dergelijk geloof, een dergelijke stelling te kunnen gebruiken, moet je de moed hebben om te aanvaarden en gelijktijdig te streven. Nou, en dat is het moeilijkste wat er is. Het is makkelijk om te gaan zitten en te zeggen: “Nou ja, ik aanvaard de zaak, hoor. Daar zit ik. Laat nu maar komen, wat komt. Of het nu regent of dooit, God zal het wel uitmaken.”

U kunt ook zeggen: “Ik zoek die richting en daar ga ik heen en ik vraag verder niets.” De daad. Maar om nu gelijktijdig werkzaam te zijn (dus een daad stellen) en te aanvaarden, dat is iets, wat voor ons moeilijk verenigbaar is.

Om daar toch op de een of andere manier praktisch nut van te trekken, zullen we dus moeten leren ons leven in te richten op een aanvaarden, zonder de daad na te laten. Dat kun je alleen maar doen door je eigen geestelijke instelling. Ik heb er zelf moeite genoeg mee gehad, heel wat moeite. Juist omdat ik meende, dat een verweer tegen de wereld en al, wat er verder in voorkomt, het belangrijkste is. Ik heb geleerd, dat je bepaalde dingen moet aanvaarden, omdat je er niets aan kunt doen. Dat is ook makkelijk. Ik was er tegen in verzet ook nog. Maar nu heb ik de praktijk zo langzamerhand geleerd.

En nu mag ik misschien in de ogen van velen nog een soort clown zijn, ik zeg het maar, want jullie weten toch, wie ik ben; sommigen noemen me cynisch, scherp, anderen vinden mij scherp van geest, geestig, enz. ik ben geen van alle. Net zo min als U bent, wat U denkt te zijn of wat de wereld denkt, dat U bent.

Ik heb geprobeerd een praktische mogelijkheid te vinden in alle leerstellingen en ik ben gekomen tot de conclusie, dat je moet streven met alle kracht en alle vermogen naar wat je goed denkt, en dat moet doen, gebaseerd op de volgende stelling;

Wanneer ik zo goed als ik maar kan met al mijn krachten, met al mijn vermogen in een bepaalde richting streef en er op vertrouw, dat God voor mij uiteindelijk de leidende kracht is, dan kan ik mij overgeven aan God in die zin, dat ik verwacht, dat wanneer mijn streven niet past in Zijn schema, Hij mij dit laat merken. En dan ga ik niet zeggen: “Ja, maar ik was nu al zo ver, nu ga ik door,” dan zeg ik: “Hé, de goddelijke kracht zegt mij dus deze kant uit te gaan” en ik laat alles, wat ik had tot nog toe, eenvoudig in de steek en ik ga die nieuwe richting uit. Ik vraag niet: Wat vind ik prettig? Ik vraag niet: Wat vind ik aardig? Wanneer Gods wil spreekt en ik let op de tekenen, die Hij mij geeft, elke keer weer, dan ga ik die richting in.

Nu ja, en wanneer ik Zijn stem niet hoor, dan vind ik het eigenlijk onder ons gezegd en gezwegen prettiger. Want als ik mijn eigen gang kan gaan is het veel plezieriger. Maar ik weet, dat Hij het mij niet kwalijk neemt, wanneer ik zo op mijn manier de vreugde zoek. Per slot van rekening, ik kan mij best voorstellen, dat er een hoop zijn, die zeggen: “Als je de vrede alleen maar hebt.” Maar dan vind ik het net zo’n ouwebesjeshuis. Niet waar, waar je langzaam indommelend zit te versuffen.

Neen. Ik ga verder met vrede. Ik zeg: Vrede is voor mij de vreugde van het leven, waardoor ik het geheel aanvaard. En wanneer ik dat doe, moet ik zelf actief blijven. En als ik dan eens een keer een apenstreek wil uithalen, nu ja goed. Dan zal daar nergens bezwaar tegen zijn.

Het enige, dat van mij wordt verlangd is, dat op het ogenblik, dat ik in volle gang bezig ben met mijn apenstreken en ik voel aan: Hier zegt God “Stop. Een andere kant uit,” dat ik niet zeg: “Ik vind het nu net zo leuk en het is net zo geestig.” Dat deed ik vroeger, hoor en dan werd ik nog vervelend ook, dat kan ik er wel bijvertellen. Maar dan zeg ik op dat ogenblik; “Stop. Nu moet ik die kant uit.” En het gekste is, al vind ik het dan niet prettig om die kant uit te gaan, dan komt het altijd ten goede. Het heeft zelfs mijn reputatie als spreker aanmerkelijk verbeterd, en dat wil heel wat zeggen.

Zo zal het ook voor U zijn. De praktijk van al deze leerstellingen is niet: Ga neerzitten en laat het over je gaan. De praktijk hiervan is ook niet: Murmel vrome woorden en sjok maar zo’n beetje met het gezegde “Het is Gods wil” alle dingen lijdzaam achterna. Volgens mij is de praktijk: Handel zelf, maar let op de tekenen in je leven. Let op de goddelijke stem, die je waarschuwt en zegt: “Denk er om, ver genoeg in deze richting.”

En vraag je dan niet af “waarom”; en zeg niet “ja, maar ik vind het nu juist zo leuk,” of “ik zou het veel liever zó doen.” Zeg: “Wanneer de tekenen mij waarschuwen, verander ik mijn richting en ik zoek steeds de weg, waarin God mijn streven bevestigt met Zijn tekenen als omstandigheden en waarden, met Zijn stem in mij als een gevoel, dat mij vrede geeft en mij vreugdig zelfs veel dingen doet verwerken, die ik eigenlijk helemaal niet leuk vind.”

Nu hoop ik, dat jullie het niet erg vinden, dat ik mij op deze ochtend ook even meld. Je moet het maar beschouwen als een soort “acte de présence,” waarbij ik niet alleen mijn eigen stem natuurlijk wil laten horen, maar ook mijn eigen mening graag naar voren wil brengen. Want ik ben altijd zo bang, dat als de mensen te veel opgaan in dit christelijke, het geen geloof meer wordt maar een gezemel. En ik weet uit ervaring, dat hoe meer je zemelt, hoe minder er van je leven en je geloof terecht komt. Vandaar, vrienden.

En nu geef ik het woord over aan een volgende spreker.  En die U misschien veel meer op prijs stelt dan mij, maar dat is nu weer een van die dingen, die ik dan maar moet aanvaarden als een teken, dat ik nog lang niet genoeg de goede kant uit ben gegaan.

o-o-o-o-o

Wanneer ik Uw kring zo bezie, dan ontdek ik daarin zoveel strijdige gevoelens. Ik zie daarin wat lijden, wat verzet, wat protest, wat wanhoop. En dan kan ik het niet laten om even ook een paar woorden te zeggen.

Weet U, ondanks onze kleine vriend met zijn wijsheid, ondanks Uw aller vriendelijke belangstelling en de christelijke leringen, waarover ge gezamenlijk denkt, is er een punt, dat ik nog niet heb horen noemen en dat toch ook zo buitengewoon belangrijk is: Geloof.

Geloof is meer dan een vertrouwen. Geloof is een zekerheid, die je ín je draagt. Geloof is een steun, waar je houvast aan hebt, wanneer alles op de wereld je verder in de steek laat.

Geloven. Het betekent ook aanvaarden, natuurlijk. Maar het betekent: vreugdig aanvaarden. Want als de Schepper ons iets geeft, kunnen wij dan wanneer wij geloven in Zijn goedheid, in Zijn liefde, in Zijn almacht kunnen wij dan nog zeggen: “Nou ja, ik zal het dan maar ondergaan”. Neen, niet waar. Wij moeten vreugdig kunnen aanvaarden. En in het vreugdig aanvaarden, juist door ons geloof mogelijk gemaakt, vinden we dan de mogelijkheden, die voor de wereld en de geest schijnbaar niet meer bestaan.

En nu vindt U het misschien wat overdreven van me, dat ik hier dan, met U gezamenlijk een Acte van Geloof wil spreken. Maar het lijkt mij nodig en nuttig. En wanneer U nu vindt, dat het niet past, niet thuis hoort, och…vergeet het dan maar als een eigenaardigheid van een oud mens, van een oud man. Want in deze vorm ben ik dat toch nog voor U. Maar als U dan met een klein beetje sympathie voor me een ogenblikje toch wilt luisteren en mogelijk met me meedenken, dan zou ik die woorden graag willen spreken hier met U samen.

God, ik geloof in U als de Schepper van hemel en aarde. Ik geloof in U als de kern van mijn leven en de kracht, die mij geleidt en beschermt. Ik geloof in U als macht boven alle machten en liefde groter dan alle liefde, die wij kunnen zien.

Ik geloof, God, dat indien het Uw wil is, de doden ook op aarde kunnen leven, de zieken kunnen genezen. Ik geloof, dat voor Uw wil niets onmogelijk is.

En ik geloof, Heer, Vader, dat Uw liefde voor ons alles ten goede richt, zodat ik geborgen in Uw wezen, geborgen in Uw kracht durf te aanvaarden, wat Uw wil mij oplegt.

En ik geloof, dat indien ik mij overgeef aan U en Uwe wil, Uwe liefde mij zal behouden, zal behoeden voor duister en ondergang, mij het leed zal nemen en doen opgaan in de lichtende kracht van Uw wezen. Amen.

Misschien een gril van een oud mens, maar ik geloof er in. Zonder God niets, met God alles. En God uit Zich door ons allen.

Daarom wil ik mijn kort zijn met U dan ook weer met die oude formule besluiten, die voor mij de uitdrukking is van een God, die werkt door alle schepselen ten goede. En omdat het Latijn voor sommigen van U zo onverstaanbaar was en men daar wel eens over gemurmureerd heeft, zal ik de gewoonte veranderen en spreken in Uw taal:

“Dat de Heer zij Uw kracht en Uw sterkte, dat Hij U behoede en geleide op alle paden; dat Hij U voere door licht tot het uiteindelijk doel van alle leven. Dit geef ik U in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Zij, die regeren en leven in alle eeuwen der eeuwen. Amen.

Een oude formule. Maar een formule, die waarheid spreekt voor mij. Moge ze voor U waar zijn. En indien gij ze aanvaardt, is ze waar.

o-o-o-o-o

IN LIEFDE GODS WIL AANVAARDEN

God, Schepper, Vader, Kracht der eeuwigheid, Die al het zijn omhult,

Gij zijt voor ons de Werkelijkheid, wanneer door onze schuld het eigen wezen strijdt en lijdt, van U, o Heer, gescheiden.

Leer ons aanvaarden ommentwille van Uw liefde en Uw zijn, alle strijd en alle lijden.

Ik weet, Uw wil is werkelijkheid, mijn leven slechts een waan.

‘k Aanvaard het lijden van de droom, de hoon van leven, dat ontglijdt.

‘k Aanvaard des levens taak en nieuwe kracht en Uwe werkelijkheid.

Want, Heer, ik wil in liefde Gods aanvaarden alle lijden en totdat ‘k Uwe werkelijkheid ook voor mijzelf ken, steeds om bewustzijn strijden.