De astrale wereld

image_pdf

08 oktober 1965

Allereerst wil ik u er op wijzen dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn.
Dan heb ik nog een aardig berichtje voor degenen onder u die zich voor vliegende schotels interesseren. Door drie vliegende schotels zijn, niet ver van Mexico City, landingen uitgevoerd. Men heeft daarvan het een en ander waargenomen. In een plaats op rond 5 km. afstand van de plek waar de landingen werden uitgevoerd, viel tot drie malen toe het licht uit, kort voor landing en start begonnen. De spin van het magnetisch veld van de schotels is daarvoor waarschijnlijk aansprakelijk. Getuigen van de verschijnselen zijn o.m. een bankdirecteur die een feestje gaf. Het licht viel uit, doch even later ontstond buiten een zilverkleurig licht, overgaande in een rode gloed, dat zo fel was dat men met serveren door kon gaan. Een generaal en een burgemeester, zaten een privéfilm te bekijken toen het licht uitviel. Zij gingen naar buiten en namen met vele anderen eveneens de verschijnselen waar. De gouverneur van de staat heeft echter al deze berichten ten sterkste ontkend. De landingen werden uitgevoerd i.v.m. reeds eerder gedane pogingen, om met bepaalde gouvernementen in de wereld contact te verkrijgen.

Indien u dit wenst, kunt u zelf een onderwerp aansnijden.

  • Kunt u dan iets vertellen over de astrale wereld?

Astrale wereld’ is een begrip, dat vaak wordt gehanteerd, zonder dat men in wezen weet, waar het daarbij om gaat. Wij moeten daarom beginnen vast te stellen, dat deze astrale wereld op aarde wetenschappelijk gedeeltelijk bekend is, zodat men ook de verschijnselen, die daaruit kunnen voortkomen, ook wel kent. Men heeft echter geen samenhang tussen deze verschijnselen op materieel, wetenschappelijke basis kunnen vastleggen. Daarnaast kunnen wij zeggen, dat de astrale wereld in het occultisme reeds een zeer oud begrip is, maar dat de occultist daarbij over het algemeen de fout maakt, zich deze wereld als te ver van eigen wereld afstaand voor te stellen. Men ziet haar vaak als iets, dat van de stoffelijke wereld totaal verschilt.
Indien wij de werkelijkheid van de astrale wereld willen omschrijven, kunnen wij dit het best als volgt voorstellen: U leeft in een 3dimensionale wereld. Stel dat er een tweede 3dimensionale wereld zou bestaan, die met uw wereld een factor gemeen heeft en wel de tijd. Dan kan, door inwerking op deze tijd en het tijdsbegrip, vanuit beide werelden in de andere wereld een reeks van verschijnselen veroorzaakt worden. Elke manipulatie van de kracht, die wij in haar verschijningsvorm tijd’ plegen te noemen in de astrale wereld, heeft dus gevolgen in de materiële wereld. Op het ogenblik, dat iemand echter het materieel geldende begrip tijd’ voor zich uitschakelt en zo tot een nieuw besef van deze waarde of kracht komt, heeft hij contact met de astrale wereld.
U hoort misschien wel eens iets over de verschillende verschijnselen, die uit de astrale wereld stammen en misschien zelfs iets over de wijze, waarop deze worden opgeroepen.

Wij weten dat dit veelal samenhangt met vormen van trance, verukkingstoestanden, terwijl dergelijke verschijnselen zich daarnaast vaak plegen te openbaren, wanneer er kennelijk sprake is van massahysterie en massasuggestie. Wanneer u al die verschijnselen beziet, blijkt dat hun oorzaken, hoe schijnbaar verschillend ook, een enkel ding gemeen hebben: zij schakelen de redelijke waardering van de materiële wereld geheel of ten dele uit en het besef van tijd valt weg of toont van de norm sterk verschillende waarden. Het tijdsbesef blijkt in al deze gevallen voor de mensen een subjectieve waarde geworden te zijn, waarbij men zelfs lichamelijk, alle objectieve maatstaven schijnt te vergeten. Vandaar, dat ik tijd nam als een scheidslijn tussen de stofwereld en de astrale wereld; ofschoon deze voorstelling van zaken natuurlijk wel wat simplistisch is.
Na het bepalen vande grens’ zal een volgende vraag zijn: Wat is het wezenlijke verschil tussen de materiële wereld en de astrale werelden? Ik meen, dat wij het beste kunnen zeggen, dat dit in de eerste plaats een verschil van frequenties is. U weet, dat er bepaalde stoffen bestaan, die alle voor het menselijk oog zichtbare delen van het licht zo geheel weerkaatsen, absorberen dan wel brekingen veroorzaken denk eens aan loodglas dat vorm en werkelijke plaats of verhouding tot de omgeving moeilijk of niet vaststelbaar zijn. Wij kunnen zeggen, dat er dan dus een soort van onzichtbaarheid ontstaat. Stel u nu eens voor, dat deze astrale wereld is opgebouwd uit materie, die voor de menselijke zintuigen onzichtbaar is en dus onder normale condities niet kan worden waargenomen. Het eerste verschil, dat wij dan constateren is wel, dat er geen mogelijkheid tot waarneming van het werkelijk astrale bestaat met  menselijke zintuigen en volgens algemeen geldende menselijke normen.

Er is een tweede factor: de materie op aarde gedraagt zich volgens betrekkelijk rigide vormen van structuur, er is sprake van zich steeds ongeveer gelijkblijvende moleculaire spanningen. Er zijn wel mogelijkheden tot moleculaire rotatie, maar zelfs dan blijven de delen van het molecuul t.a.v. elkander doorgaans op een steeds gelijk blijvende wijze verbonden. Stel u nu  voor, dat de binding van deze kleine en zelfs de kleinste delen betrekkelijk willekeurig veranderd kan worden. Dan heeft u een beeld van datgene, wat de materie in de astrale wereld ongeveer is: het is wel materie, maar zij kan elk ogenblik in haar bestanddelen uiteenvallen en op desnoods geheel verschillende wijze weer uit die bestanddelen worden opgebouwd.
De grootste moeilijkheid daarbij is wel, dat de onderlinge afstand van de kleinste delen in alle materie, die in de astrale wereld geformeerd wordt, ongeveer 4.500.000 keren zo  groot is als dat op aarde het geval is. De kleinste delen, als atomen en moleculen worden daardoor wel niet enorm groot, maar het is toch meer dan voldoende om de kwaliteiten en eigenschappen van het astrale geheel anders te doen schijnen. Er zijn bv. grotere ruimten tussen de kleinste delen, zodat er ruimte te over is, om andere delen materie te laten ‘passeren’. Vandaar, dat de astrale materie niet tastbaar is en zich door andere materie kan verplaatsen, zonder dat men hiervan in de stof iets bemerkt.
Verder blijkt, dat het denken op aarde slechts na zeer lange tijd een vormende invloed kan hebben op de delen van het denkende wezen. Wanneer wij iemand zien, die zeg 20 tot 30 jaren achtereen met bepaalde denkbeelden geleefd heeft of met een bepaalde hoofdinteresse  leefde, zo zien wij op aarde wel, dat zijn uiterlijk daarvan enkele tekenen gaat vertonen. Het meest voorbeeld is hierbij wel de oppasser in de dierentuin, die na jaren steeds meer op zijn pleegkinderen zou gaan lijken. Wij kennen echter allen het getekend zijn’ door bepaalde hartstochten, misbruiken, deugden en zelfs filosofieën. Wij kunnen met enige training de tekenen daarvan wel in de mensen terug vinden. Stel u nu voor, dat een dergelijke verandering in de astrale wereld niet in vele kleine veranderingen, verdeeld over 20 of meer jaren, tot stand komt, maar in een tijd van zeg eens 1 tot 2 seconden. U zult begrijpen, dat de vorm, zoals zij in de astrale wereld bestaat, veel vatbaarder zal zijn voor het denken. Vanuit een menselijk standpunt gezien is zij voortdurend in beweging. Iemand, die de astrale wereld zou kunnen waarnemen met zuiver het stoffelijke, zou dus niets zien dan een voortdurende warreling die het meeste doet denken aan een rookwolk, waarin steeds vormen schijnen te ontstaan, om reeds weer uiteen te vallen, voor zij er geheel schijnen te zijn.

Nu weet u ook, dat deze astrale wereld, evenals de menselijke wereld geen ‘eigen’ leven kent. Leven op uw eigen wereld is alleen mogelijk, wanneer er naast de zuiver stoffelijke bestanddelen nog een kracht of proces optreedt, die men bij gebrek aan beter dan maar levenskracht noemt. Er kan een ogenblik zijn, waarin die ‘vitaliteit’ of levenskracht verdwijnt. De materiële rest blijft dan precies hetzelfde, maar er is geen leven meer. Dit nu geldt ook voor de astrale wereld: de daar voorkomende vormen en levensuitingen kunnen niet zonder een bezieling bestaan. Er is dus altijd een factor van elders in de astrale sfeer aanwezig, die aan de daar bestaande vormen en wezens het eigenlijke ‘leven’ geeft. Ongeacht het voorgaande, komen ook in de astrale wereld wezens en vormen voor, die lange tijd ongewijzigd kunnen blijven. Denk daarbij echter niet altijd aan een vaste vorm, die van buitenaf in stand wordt gehouden. Eerder kunt u denken aan iets, dat zijn vorm heeft verkregen en nu bewaart door een enorme spanning of druk die het heeft ondergaan. De vastere vormen, die wij astrale schillen horen noemen, kunt u vergelijken met de fossielen, die men op aarde wel aantreft in bepaalde gesteenten: het zijn vormen, die versteend zijn t.a.v. de rest van de wereld en schijnbaar alle leven ontberen. Maar in de zeer beweeglijke wereld van het astrale is het bestaan van een vaste waarde een invloed op zich, zodat een schil uitingen tot stand kan brengen, die ook voor de mens nog aanvaardbaar of aannemelijk kunnen zijn.

Kort recapitulerende dus: grote overeenstemming tussen uw eigen wereld en de astrale, daarbij een verschil in materiële structuur en algemeen overheersende frequenties. Astraal is het mogelijk een vaste vorm door zeer grote kracht, of wat meer voorkomt, door het aanwenden van een kleinere kracht gedurende langere tijd tot stand te brengen. De in deze wereld natuurlijke materie kentekent zich echter door een vormeloosheid of vormen, die zich zeer snel en voortdurend wijzigen.
Hiermede is het terrein enigszins omschreven en kunnen wij ons af gaan vragen, wat wij over die astrale wereld dan alzo kunnen denken, hoe zij waargenomen kan worden enz.
Iemand, die een astrale wereld betreedt, is daardoor gebonden aan de zeer subjectieve normen, die in deze wereld gelden. Hij kan dus niet meer eigen stoffelijk besef handhaven. Vandaar, dat de astrale wereld voor degene die haar betreedt en beleeft met geestelijke voertuigen en zintuigen een soort werkelijkheid wordt, welke in details, maar niet in het geheel van zijn mogelijkheden en werkingen, van de menselijke wereld hoeft te verschillen. De wijze van waarneming en het eventueel erkennen van veranderingen is hier hoofdzakelijk gebonden aan het eigen ‘ik’.
Nu zult u wel gehoord hebben, dat er in deze wereld vele monsters bestaan,
die vaak mede ontstaan zijn door middel van menselijke gedachten. Dit is verklaarbaar, wanneer u zich realiseert, dat de menselijke gedachten in wezen ook een soort trilling zijn, een emissie, die buiten de eigenlijke cellen van de hersenen plaats kan vinden. De door menselijk denken veroorzaakte emissies dringen nu wel tot de astrale wereld door.
Wanneer je denkt, oefen je dus een min of meer sterke invloed op de astrale materie uit en bepaal je zij het vaak zeer tijdelijk de vormen, waarin zij waargenomen kunnen worden. Vanuit de sferen bestaan soortgelijke mogelijkheden. Het resultaat is, dat er in de astrale wereld nog al wat schrikvormen voorkomen. Wordt je door een dergelijke vorm aangevallen, terwijl je onder de subjectieve waarden en wetten van deze sfeer leeft, is zij voor het ‘ik’ een werkelijkheid, die het ‘ik’ kan aantasten, zoals voor het ‘ik’ omgekeerd een mogelijkheid tot het aantasten van de vorm zal bestaan. Op het ogenblik, dat men zich realiseert, dat men niet onder de wetten van het astrale gebied valt, is de mogelijkheid tot aantasting echter voorbij. Wie reeds werd aangevallen, is dan onmiddellijk vrij, met dien verstande, dat alle voordien aangebrachte schade blijft bestaan en vaak ook lichamelijk kenbaar wordt.

De enige mogelijkheid, om een astraal wezen op aarde werkzaam te laten zijn, is dan ook het scheppen van een tweede, tot de stoffelijke wereld behorend voertuig voor dit wezen. Een voertuig dat, hoe fijn misschien ook stoffelijk gezien zijn structuur is, is opgebouwd uit materie van de stofwereld en daarbij zo mogelijk tijdselementen en ruimtelijke elementen in zich bevat of met de aan te tasten stoffelijke vormen gemeen heeft. Hiermede komen wij terecht bij de magie.
Wanneer u hoort, hoe Faust met behulp van woordentrillingen, reukwerken en pentagrammen verschillende geesten oproept en uiteindelijk de jonker met de paardenvoet Mephistopheles doet verschijnen, denkt u daarbij misschien niet eensklaps ook aan de astrale wereld. Maar wat is er gebeurd: het reukwerk is een verbranden, maar ook verdampen van stoffen. Er zijn dus in de lucht bepaalde fijne stofdeeltjes, waaronder zeer fijn verdeelde etherische stoffen. Deze deeltjes behoren tot de tijd ruimtelijke verhoudingen, die uw wereld kenmerken, maar zijn gelijktijdig fijn genoeg om door geringe spanningen en stromingen – zoals de astrale wereld die kan veroorzaken – op bepaalde wijze samengevoegd te worden. Het is dan mogelijk, een soort fijne nevel te doen ontstaan, die zwaardere deeltjes van de stof kan aantrekken en zelfs als bijna vaste stof kan assembleren tot een bepaalde gestalte is ontstaan.
Zo kan dus een ‘geest’ zich opbouwen. Nu weet ik wel, dat dergelijke dingen ook voorkomen op z.g. donkerzittingen, waarbij een medium werkt en een zeker ‘fluïde’ of ‘ectoplasma’ afgeeft. Men denkt daarbij aan zuivere levenskracht, wat echter niet juist is. Ook hier wordt de vorm opgebouwd door het aantrekken van in de lucht, in de atmosfeer aanwezige stofdeeltjes, die in dit geval door emissies van een mens, die door de astrale wereld beheerst kunnen worden, samen worden gebundeld en tot verschijnsel of zelfs gevormd voertuig worden verdicht. Ook dan bouwt men dus uit bestanddelen, die tot uw eigen wereld behoren, een soort extra voertuig voor een in de astrale wereld bestaand wezen. Wij kunnen dus het moeilijke punt bij dit alles niet omgaan en moeten blijven stellen: de astrale krachten kunnen, ook voor een magiër, eerst kenbaar worden gemaakt en eventueel ook worden gebruikt, wanneer zij zich hebben verbonden aan fijne materiedelen, die tot uw eigen tijdsruimtelijke verhoudingen behoren.

Een volgende vraag luidt: kunnen wij van die astrale wereld veel goeds verwachten?
Het antwoord zou moeten luiden: het ligt er maar aan wat je goed noemt. Aangezien bij de mens over het algemeen de angsten een groter deel van het bewustzijn overheersen en dus van het denken dan zijn zekerheden en vooral zijn meer Lichtende vreugden, mogen wij wel aannemen, dat door de menselijke wereld hier hoofdzakelijk minder aangename vormen worden geschapen. Daarbij komt, dat de mens vaak ideeën zal huldigen en soms zelfs vereren of aanbidden die uiteindelijk tot doel hebben, zijn eigen wijze, in eigen ogen te bevestigen. Wanneer dergelijke vormen geschapen worden, hebben zij meestal een min of meer menselijke vorm en bevatten zij naast het eventueel goede, zeker ook nadrukkelijk het  foute, dat in de mensen schuilt.
Maar ook een geest kan vanuit haar wereld, vormen scheppen en in stand houden binnen de astrale sfeer. Hetgeen men het denken of spreken zou kunnen noemen van de geest, is voor alle sferen die tot Zomerland behoren zo te dirigeren, dat daaruit astrale vormen ontstaan. Er is dus bij het bezien van deze sfeer sprake van een soort niemandsland, waarin de materie zowel als geestelijke sferen zich via min of meer vluchtige vormen manifesteren. Voor het bereiken van contact met deze vormen speelt afgestemd zijn een zeer grote rol.
U weet misschien, dat ook op aarde de regel geldt, dat het ervaren sterk kan verschillen, terwijl toch de feiten dezelfde blijven. Dit geldt, naar ik meen, in de astrale sfeer zelfs in versterkte mate: wanneer ik een ‘demon’ waarneem die desnoods nog vanuit een duistere sfeer bezield wordt en hem niet vrees, veranderen voor mij de verhoudingen. Wat een enorm monster leek te zijn, wordt een mier, iets, wat ik weg kan jagen of vernietigen naar believen. Bij een juiste instelling hoeft men zich dus over dergelijke ontmoetingen zeker geen zorgen te maken.
Omgekeerd kan men iets aanschouwen, dat in wezen Lichtend en goed is, maar daarvoor bang zijn. Dan zal men voor het ‘ik’ in dit wezen alle eigenschappen activeren en ook zien, die met eigen vrees en voorstellingen in overeenstemming zijn. Wat ik aanschouw zal dus zelfs in dit geval de vorm vertonen althans enigszins van hetgeen ik vrees en kan mij aanvallen. Door de vrees domineert het ‘andere wezen’ mij. Ik word kleiner en kleiner in eigen ogen, terwijl de vorm steeds groter wordt. Kan men zich niet aan de vorm onttrekken, dan zal men daarvan vaak het slachtoffer worden.
Goed en kwaad zijn in de astrale wereld dus eigenlijk gelijkelijk gevaarlijk voor degenen, die hen vrezen. Degene, die niet vreest en voortdurend een beroep kan doen op een gevoel van sterkte in zichzelf, is bijna onaantastbaar, vooral wel  omdat hij zich daarbij van zichzelf bewust blijft en, niet door angst tot vluchten verleid, altijd kan teruggrijpen op eigen wereld en de daarin geldende normen, zo zich terugtrekkend op een gebied dat de astrale vorm, zelfs in zijn ergste vorm en grootste kracht, niet zonder meer zal kunnen betreden.

In dit niemandsland tussen mensenwereld en sferen kunnen ook ontmoetingen plaats hebben met wezens uit andere sferen. Dit is zeer interessant: een wezen van een hogere sfeer kan zich niet op een voor de mens geheel begrijpelijk wijze uitdrukken, maar is wel in staat, zijn wezenseigenschappen vaak via verschillende lagere sferen in de astrale wereld te projecteren. Het beeld dat daar ontstaat, is dan meestal maar een flauwe weergave van de werkelijkheid, maar alle nog getoonde elementen van de werkelijkheid zijn in de astrale wereld – zonder meer voor de mens die daarmede harmonisch is – kenbaar. Op zijn beurt zal  een mens vaak niet de mogelijkheid kunnen vinden zijn kwaliteiten, menselijke eigenschappen, noden enz. aan een geest direct in diens eigen sfeer kenbaar te maken. Wanneer de mens echter een astrale vorm opbouwt, bereikt hij dat alles wat in hem bestaat en zo uitgedrukt kan worden ook voor elke geest die het astrale gebied betreedt afleesbaar wordt. Voor een mens betekent het contact met de astrale wereld dus, dat hij op een voor eigen bewustzijn aanvaardbare wijze zijn ware gedaante aan de geest kan tonen en op zijn beurt ook de ware gedaante en mogelijkheden van een geest kan zien. Vandaar, dat de astrale wereld zeer vaak gebruikt wordt voor contacten en zeker niet alleen dient voor manipulaties van de materie.

De mogelijkheid om in de astrale wereld bepaalde krachten binnen vormen en gestalten vast te leggen, heeft nevenverschijnselen met zich gebracht. Wanneer ik bv. een kasteel heb, waarin sterke emoties of gedachten astraal vormende waarden dus zijn afgedrukt, zo is hier een contact met de astrale wereld geschapen. Stel nu verder, dat die astrale schepping voldoende sterk is om deel uit te gaan maken van de fijnere materie. Dan is zij voortdurend in de materiële delen aanwezig en maakt zo deel uit van het kenbaar geheel, al wordt zij niet altijd direct beseft. Het gevolg van een dergelijke situatie is meestal het optreden van verschillende spookverschijnselen. Willen deze echter een meer waarneembaar karakter krijgen, zodat een ieder ze kan zien of ondervinden, dan is hieraan toch nog een voorwaarde verbonden: er moet iets of iemand zijn, die de materiële uiting van het gedachtebeeld mogelijk maakt.
Wanneer wij dan ook horen van spookhuizen, kastelen enz., zo is het opvallend, dat deze zich vooral bevinden op plaatsen waar veel nevel voorkomt, moerasdampen toegang hebben. De huizen hebben zelf vaak een eigenaardige geur als van zwammen. Er blijken dus in vele gevallen binnen dergelijke kastelen en huizen bepaalde, fijn verdeelde, soms etherische, stoffen in de atmosfeer te zweven.
Is dit niet voortdurend het geval, dan zal men kunnen vaststellen, dat de spookverschijnselen alleen optreden tijdens bepaalde weersomstandigheden. Kennelijk is dan het bestaan van deze bijzondere, atmosferische omstandigheden noodzakelijk voor het kenbaar worden van de potentiële beelden. In andere gevallen blijkt het aanwezig zijn van een al dan niet zichzelf daarvan bewust medium noodzakelijk, waarbij mag worden opgemerkt, dat een medium bepaalde krachten kan afgeven, maar alleen resultaten daarvan zal zien, wanneer in de atmosfeer fijnere stof aanwezig is, bv. het opdwarrelen van stofdeeltjes in verlaten delen van een huis enz.

Misschien zult u zich nu afvragen, wat wel het nut is van deze kennis. Laat ons het eenvoudig stellen: De gehele astrale wereld is voor de mens in de praktijk nutteloos, tenzij hij van de daar bestaande krachten en mogelijkheden gebruik wil maken om op aarde resultaten te wekken, of om eigen begrip voor andere werelden dus niet het astraal gebied zelf uit te breiden. Al het andere kan men overbruggen. Iemand, die over een voldoende bewustzijn beschikt, kan zelfs direct uittreden naar een andere sfeer. Tenzij het gaat om het overbrengen van belangrijke details, zal hij dus geen behoefte hebben aan dit niemandsland om een geest te ontmoeten. Een mens die werkelijk gelooft, hoeft geen beelden van God te gaan zoeken in de astrale sfeer: hij draagt een voldoende beeld in zichzelf. Alleen de mens, die iets tot stand wil brengen, dat gelijktijdig redelijk omvat kan worden en eventueel stoffelijk kenbaar is, maar berust op redelijk, onverklaarbare krachten, zal de astrale sfeer voortdurend en doelbewust blijven activeren. Het zal u duidelijk zijn, dat in deze tijd het bewuste gebruik van de astrale sferen in verhouding met vroegere tijden sterk is verminderd. Er is echter nog iets anders.

U hebt misschien gehoord, dat men op het ogenblik op aarde proeven neemt met het uitzenden van centimeter en zelfs millimetergolven radio emissies dus. De zeer snelle magnetische fluctuatie van velden, die zo ontstaan, heeft echter enige verwantschap met de astrale sfeer. Wanneer men dus met de zeer korte golf zendertjes aan het werk gaat en astrale vormen of krachten bevinden zich ‘in de buurt’ – in zekere harmonie met de stemming in de omgeving dus – zal de kans op manifestaties sterk toenemen. Dat zal in de toekomst nog wel eens tot vreemde verrassingen kunnen voeren. Er zijn trouwens in het heden nog wel andere mogelijkheden, waarbij de astrale sfeer betrokken is. Sommige door de techniek geschapen omstandigheden zijn nu eenmaal gunstig voor het ‘spontaan optreden’ van verschijnselen, waaraan de astrale wereld deel heeft.
In de filmindustrie bleek dit o.m. het geval te zijn, als men gebruik maakte van koolspitsherzen. Het kan dan namelijk gebeuren, dat verschillende van deze herzen gelijktijdig op het inbrandpunt staan. Storend of schadelijk is dit niet: op het inbrandpunt ontstaat eenvoudig een kleine kegel, waar vandaan de vonk wat onregelmatiger overspringt, zodat zeer snelle, zij het kleine fluctuaties in lichtsterkte kunnen ontstaan. Dit is wel niet direct een stroboscopisch effect, maar heeft toch daarmede verschillende mogelijkheden wel gemeen. Wanneer men nu zeer vele herzen gebruikt, is de kans groot, dat steeds meerdere daarvan het inbrandpunt bereiken en een korte tijd gezamenlijk een soort lichtvibratie voortbrengen. Het gevolg is, dat bepaalde astrale gestalten een hoge violet impuls kunnen weerkaatsen. Op het ogenblik zelf zal de niet zeer gevoelige mens niets zien, maar op de film tonen zich later schimmen, spookgestalten. Meestal zijn dit personen, die enige binding met toneel of film hadden en dus aangetrokken worden door de activiteit in de studio. Zij zullen echter, om zo kenbaar te worden, een redelijk dicht en blijvende astrale vorm moeten bezitten.
Andere geesten’ kunnen wel door een helderziende worden waargenomen, maar een camera kan deze niet vastleggen, omdat er geen sprake is van een weerkaatsing die nog binnen het vastlegbaar spectrum blijft. Zeker is, dat er tijden waren, waarin men dergelijke ongewenste extra figuren in films vaak zag optreden. Bij bepaalde Fred Astaire films had men wel zwaar met dit euvel te kampen, omdat de showscènes van deze films belicht werden met zeer vele lampen, waarvan de meesten van het genoemde nu verouderde type. Ook de Greta Garbo film ‘Koningin Christina’ leed onder dit euvel, zodat verschillende belangrijke scènes hernieuwd moesten worden opgenomen. Want in de meeste gevallen maakten dergelijke extra’s de opname onbruikbaar, daar hun kleding en gedrag niet pasten in het kader van de opname. In andere gevallen liet men echter de ongenode acteurs rustig in de opname, zoals in de ‘balzaal scenevan de Chaplin film ‘The Kid’, waarin een ogenblik een toen reeds jaren overleden lid van de Barrymorefamilie zichtbaar is. Gedrag en kleding pasten zo goed in de opname, dat het beeld niet storend werd geacht.
Het is bekend, dat ook amateurs wel dergelijke extra’s weten vast te leggen. Vaak meent men, dat de fotograaf, om dergelijke resultaten te behalen, zelf mediamiek moet zijn. Dit geldt voor een groot deel van de echte geestenfotografieën. Wanneer echter een reeks van trillingen en spanningen in de lucht aanwezig is, kan ook zonder dat aan deze eis wordt voldaan, wel eens extra worden vastgelegd. Deze beelden zijn echter in vele gevallen niet volgens de heersende tijds en ruimtelijke normen vastgelegd, zodat bv. een gezicht kenbaar wordt, dat in verhouding tot de rest van het beeld veel te groot of, vaker nog, veel te klein is. Tegenstanders stellen, dat dit toevallige tekening van bladeren enz. zal zijn. Zij zien daarbij ook over het hoofd, dat deze beelden ook wel ontstaan, terwijl de achtergrond een effen vlak is. Daarnaast komen dergelijke extra‘s wel voor als een reflex in bv. een glas, dat op de foto staat. Het opvallende van de zaak is, dat de mens wel degelijk vaak astrale verschijnselen fotografisch vastlegt. Zij moeten echter wel zeer opmerkelijk zijn, wil hij aan het vreemde hiervan ook maar enige aandacht wijden, terwijl hij zelfs dan nog liever naar de meest gezochte verklaringen grijpt, dan het bestaan van een onverklaarbaar iets toe te geven.
Er zijn volgens mij dan ook vele aanwijzingen, dat de astrale wereld heel wat dichter bij de  materiële wereld ligt dan men over het algemeen denkt. Dit neemt niet weg, dat zij aan andere wetten gehoorzaamt dan uw eigen wereld, zodat zij voor de mens altijd weer het ‘onverklaarbare’ blijft.

Op het gevaar af, dat men mij wil beschuldigen aanvallen te doen op wetenschap e.d. wil ik er hier op wijzen, dat de mens in de meeste gevallen alleen wil bewijzen wat hij zelf eerst heeft gesteld en aanvaardbaar acht. Al het andere verwerpt hij. De wetenschap onderzoekt daarom een fenomeen over het algemeen alleen dan, wanneer het bij herhaling op dezelfde wijze tot stand komt. Is dat het geval niet, dan is men er huiverig voor en ontkent meestal de mogelijkheid dat hier sprake is van iets nieuws, iets, wat wetenschappelijk nog niet bekend is én toch werkelijk bestaat. Voor bewijzen van het bestaan van de astrale wereld hoeven wij voorlopig dan ook niet op de wetenschap te rekenen: zij wil alles alleen onderzoeken in verband met bestaande stellingen. Zij zal zelden of nooit een geheel nieuwe stelling poneren om daarmede een tot nu toe onverklaarbaar feit verklaarbaar te maken. Zij doet dit alleen, wanneer eerst door niet wetenschapsmensen een zodanig resultaat is bereikt, dat stellingen bij leken reeds bestaan en het fenomeen door de mens zelf met redelijke regelmaat geproduceerd kan worden. Een enkele maal zal men ook tot onderzoek en proeven overgaan, omdat er sprake is van een fenomeen, dat een ieder steeds weer kan zien en wel met een zodanige frequentie, dat een ontkennen of weg verklaren niet goed meer mogelijk is.

Rond de astrale wereld is dus ook een soort niemandsland in het menselijke weten ontstaan. Het ligt hier tussen het vroegere magische weten en het moderne geloof aan de alleen geldende waarde van het hedendaags wetenschappelijk denken. Dit terrein is uitermate belangrijk geweest, toen men nog te maken had met z.g. tempelslaap en tempelgenezingen. Hier baseerde men zich op het activeren van het onderbewustzijn van de patiënt, waarbij in vele gevallen verschijnselen van meer astrale geaardheid optraden. Geloof gebaseerd op herhaalde ervaringen nam toen de plaats in van het hedendaagsweten’. In de Egyptische magie worden wij geconfronteerd met het door middel van magie oproepen van Ba en Ka. Belangrijk was hierbij het gebruik van bepaalde trillingen incantaties en bepaalde geurstoffen. Ook dit wijst dus op verschijnselen waaraan de astrale wereld een groot aandeel heeft gehad. Zelfs bij Grieken en Romeinen horen wij over bepaalde vreemde manifestaties tijdens de orakels. Soms spreekt men van vormen, gezichten, verschijningen, die worden waargenomen in de rook, die de priesteres inademt e.d.. Ook hier speelt het astrale schijnbaar een grote rol ik spreek hier over de werkelijke orakels – en besef dat vele van de genoemde orakels van de oudheid op bedrog waren gebaseerd.
In het christendom zien wij, dat de astrale verschijnselen een andere naam krijgen. Zij worden mirakelen, wonderen genoemd. Opvallend is echter dat deze wonderenzich vooral wanneer het gaat om verschijningen e.d. – zich altijd weer afspelen in een omgeving die volgens het voorgaand gestelde ook bijzonder geëigend is voor het opwekken van astrale verschijnselen.
In vele gevallen is waterdamp en nevel aanwezig. Wij horen van wonderlijke uitstortingen van kracht en het optreden van verschijningen op en rond kerkhoven; hierbij blijkt vaak sprake te zijn van een slecht, een onvruchtbaar stukje grond. Vocht, stofdeeltjes, bepaalde gassen en geuren zijn meestal aanwezig. Elders vinden de verschijningen in de buurt van bossen of graanen boekweitvelden plaats. Bij onderzoek blijken zij plaats te hebben in de tijd van het jaar, dat de atmosfeer door stuifmeeldeeltjes bezwangerd is. De bossen blijken daarbij vaak dennenbossen te zijn, bossen dus, waar de bomen in een bepaalde tijd van het jaar – ook voor het blote zichtbaar – hun rossige wolken van stuifmeel op de wind uitstorten.
Naarmate wij verder naar de moderne ‘redelijke’ tijd gaan, worden deze verschijnselen meer ontkend. Ik vind dit overigens niet ergerlijk, want de meeste van die verschijnselen passen niet meer in deze tijd. Dat men echter ook de mogelijkheid, dat bepaalde niet stoffelijk kenbare of onmiddellijk beheersbare krachten optreden, daarbij eveneens pleegt te ontkennen, is m.i. echter wel vervelend. Per slot van rekening zijn er van die eigenaardige verschijnselen, die juist door dit algemeen ontkennen en de angst van velen voor geestelijke afwijking, psychische storingen een nadelige invloed op de geestelijke gezondheid van de mensen kunnen hebben. Denk maar eens aan het ‘zien’ van iemand, die, naar later blijkt er geheel niet is, iemand die leeft en die men later werkelijk ontmoet. Hier is de astrale – voor tijdsbepaling volgens menselijke normen niet vatbare wereld – een ogenblik kenbaar geworden en heeft de gedachten van anderen bv. als een waarneembare werkelijkheid voor de waarnemer geprojecteerd.

Vele waarschuwingen toevalligheden waarover wij wel horen, wanneer er een ramp met trein of vliegtuig plaats vond, liggen op hetzelfde vlak. In vele gevallen is daarbij sprake van een geconcentreerd zijn op het vervoermiddel, waardoor beelden van een toekomst worden opgevangen. Zelfs indien hierbij van een bewuste waarschuwing door een geest gesproken mag worden, zal de astrale wereld daarbij een rol spelen, omdat alleen daar een beeld geschapen kan worden, dat voor de mens bij waakbewustzijn begrijpelijk is, zonder dat hij over bijzondere gevoeligheden geestelijke zintuigen in meer ontwikkelde staat hoeft te beschikken.
Ook bij paranormale genezingen, overbrenging van krachten en gedachten tussen mensen, speelt de astrale wereld vaak een veel grotere rol dan men vermoeden zal. In de eerste plaats is daarbij de uitstraling of aura van de mens belangrijk. Ik weet wel, dat het werkelijk bestaan hiervan voor velen een hypothese blijft, maar zij bestaat. Zij omvat o.m. de warmte uitstraling van de mens, inductiewerkingen van de kleine reacties in de vele cellen van het lichaam enz.
Ook hierin treden vele trillingen op, die vatbaar zijn voor de waarden van het astrale en daarin zelf ook als krachten kenbaar worden. Het blijkt, dat, zo wij de werkelijkheid in het denken van een patiënt kunnen vervangen door een buiten de eigen tijdsruimtelijke verhoudingen liggende toestand, alles wat daarin bestaat niet alleen als werkelijkheid zal worden ervaren, maar dat het als kracht in de aura optreedt en daardoor ook lichamelijk vaak onmiddellijk kenbaar wordt.
Waarmee ik aan het laatste punt van dit korte betoog ben gekomen. Wat op een geestelijk terrein gebeurt, zal over het algemeen in de stof niet kenbaar worden. Als u uittreedt naar een hogere geestelijke wereld en tot uw lichaam terugkeert, zult u zien, dat het lichaam geen verschijnselen toont en geen nauw omschreven herinnering aan de sfeer aanwezig is. Blijft men door omstandigheden van het lichaam gescheiden, dan constateert men op aarde slechts een onverklaarbare hartcollaps... Komt men echter in de astrale wereld terecht, dan loopt het anders. Wij zien dan, dat een lichaam, ofschoon er geen chemisch aantoonbaar gif aanwezig is, de uiterlijke tekenen van vergiftiging toont, zelfs kramphoudingen en soms verkleuringen. Wij zien, dat op een onverklaarbare wijze bepaalde kwetsuren, traumata ontstaan, en zonder dat hiervoor enige stoffelijke reden bestaat, bv. onderhuidse bloeduitstortingen aanwezig zijn. Hoe dit te verklaren? De eenvoudigste is wel deze: de astrale wereld is nog materieel genoeg, om op een stoffelijk lichaam onder omstandigheden direct werkzaam te worden. Er is dan geen sprake meer van een droom, een innerlijk beleven, of een suggestie: er is sprake van een werkelijkheid, die ook door het lichaam mee wordt beleefd.
Vandaar mijn conclusie, dat, zo men op aarde stoffelijke gevolgen tot stand wil brengen, men juist ook van de geest uit die astrale wereld zal gebruiken: zij vormt de hefboom, geeft de kracht, waarmee je op aarde zelfs een gedachte tot een feit kunt maken.
Heeft u vragen of commentaar?

  • In sommige lezingen van uw groep wordt gesproken over de werkingen, die de mens zelf in de astrale wereld uitoefent. Hoe zit dat dan?
Misschien heeft u, als kwajongen, wel eens een emmer met water boven een deur gezet? Door een handeling, die ligt voor het ook voor anderen kenbare gebeuren, breng je dan een situatie tot aanzien, waarbij de actie van een ander het openen van de deur de uitstorting van het water tot een feit maakt. Wanneer een mens zich voortdurend met iets bezig houdt, zal via zijn gedachten een verbinding bestaan met de astrale wereld. Dit maakte ik reeds duidelijk. Deze verbinding betekent, dat de gedachten in de astrale wereld zekere vorm aannemen. Die vorm is vluchtig, maar door herhaling of de kracht van de  gedachte kan echter een vastere vorm ontstaan. Vergelijk deze nu met de emmer met water uit de vergelijking.
Wanneer wij nu, zelf, of wanneer een ander nu een impuls wekt, die harmonisch is met de gedachten, die de vorm deden ontstaan een enkele gedachte kan hier al als ‘trekker’ dienen zal het geheel of een deel van de energie, die in de vorm werd vastgelegd, vrijkomen. Zij ontlaadt zich dan via de ontstane verbinding of ‘trekker’. Indien nu 100.000 mensen het gelijke denken en je beroert deze vorm zo, dat je het gehele vermogen aan kracht ontlaadt, is het niet meer of je een emmer water over je heen krijgt, maar zul je eerder denken dat je opeens onder de Niagara Falls staat.
Nu geloven bv. miljoenen mensen aan een bepaalde vorm, die zij “God” noemen. Of die god ook nog ergens reëel bestaat, doet hier niet ter zake: men gelooft er in, bidt, offert, vraagt die God iets, kent hem eigenschappen toe. Dit gebeurt niet één enkel ogenblik of voor één enkele generatie, maar duurt vaak tientallen generaties. Er ontstaat nu een beeld van zeer vaste vorm, waarin zeer veel energie is vastgelegd een soort astraal fossiel. Stel nu dat er een mens komt, die die god erkent, maar gelijktijdig tegen de door mensen in dit beeld vastgelegde regels in gaat: daarmee wordt een van de functies van dit astrale gedachtebeeld gewekt en kan een reactie wekken.
De grote vraag is nu: wanneer er angst wordt uitgestraald, zal de mens antwoorden met angst, met een gelijke waarde? Zo ja, dan ondergaat hij het geheel van de astrale energie rechtlijnig en kan hij sterven of ziek worden van angst. Reageert hij daarop echter als een soort uitdaging en vreest hij niet, dan zal hij de kracht in zich opnemen, maar niet onder haar vorm lijden. Dan wordt de mens dus sterker hierdoor. Men heeft dus wel degelijk invloed via het astrale, als men mens is. Wanneer een mens meer krachten van liefdeloosheid schept op deze wijze, zullen liefdeloze mensen, die de ‘trekker’ overhalen, zich in hun liefdeloosheid gesterkt gevoelen. Het gevolg is, dat hun onredelijkheden, wreedheden enz. in steeds sterkere mate geuit worden.
Daarnaast zullen alle beelden en impulsen, die met dit liefdeloos zijn, verbonden zijn in eigen mentaliteit een steeds belangrijker plaats in gaan nemen, zodat langzaam maar zeker een dergelijk mens een verlengstuk kan worden van een schrikgestalte, die de mensen door hun denken op voldoende, vaste wijze in de astrale wereld geschapen hebben.
Stel, dat alle mensen denken, dat er onvermijdelijk een wereldoorlog gaat komen. Zij bouwen zo een astraal vermogen op. Een ieder, die zich bezig houdt met de mogelijkheden van oorlog, bv. strategen, zullen daardoor dan beïnvloed worden. De angst voor de wereldoorlog zal in hen ook werkzaam zijn. Het gevolg is, dat men de juiste verhoudingen ook daar niet meer kan zien en van muggen, olifanten gaat maken. Een woord, dat per ongeluk wat verkeerd werd gesproken, krijgt ook in de ogen van de strateeg het karakter van een directe dreiging en deze zal zich gaan voorbereiden op een grote en in de nabije toekomst optredende gewelddadigheid van de ander zelfs indien daartoe eigenlijk geen redenen aanwezig zijn. Hij schept daarmee haat en angst, die de ander, die dezelfde invloed ondergaat, een bevestiging geeft van de aangevoelde dreigingen.
Er komt dan een moment, waarop een van beiden of beiden, gedreven door de onredelijkheid van de angst en alle voorzorgen, die zij daardoor namen, geforceerd worden tot het beginnen van een oorlog, die in wezen overbodig was. Mensen, die een verantwoordelijke positie bekleden als staatslieden, directeuren van grote ondernemingen, zullen vaak intenser gemoeid zijn met details, waaraan de normale mens met zijn vage vrezen aan voorbij gaat; voor hen zijn de beslissingen die zij moeten nemen ongeacht de werkelijke betekenis  daarvan van het allerhoogste belang. En bij het nemen van die beslissingen speelt steeds weer het daarbij passende aspect van de astraal geschapen angstbeelden een rol. De staatsman directeur e.d. geeft een uiting aan dit alles, dat past bij zijn eigen karakter, maar dat toch gezien de werkelijke omstandigheden, onredelijk genoemd mag worden.

Is dit voldoende? Men kan bv. zeggen, dat de mentaliteit van Nederland meer en meer beelden schept van veel ontvangen en steeds minder in ruil daarvoor geven, het is dan niet meer dan logisch, dat een minister van financiën deze invloed ook ondergaat en op de duur zich niets anders meer kan voorstellen dan een begroting, waarin juist deze tendens sterk naar voren treedt. Een wisselwerking dus via het astrale, waarbij onredelijke elementen optreden, die door de betrokkenen niet of eerst te laat worden beseft. U kunt elke dag weer dergelijke verschijnselen waarnemen.
  • U noemt alleen negatieve werkingen. Er zijn toch ook wel positieve waarden in het astrale te vinden?
Als positief en positief denken vooral beschouwen de meeste mensen een denkwijze, die geen verplichting tot eigen actie inhoudt, maar slechts een denkbeeld bevat van het goede, dat anderen eventueel zouden moeten waarmaken of doen.

Deze gedachten zijn echter niet waarlijk positief; in de meeste gevallen zijn zij eerder negatief, daar zij de uitdrukking van een ontevredenheid inhouden. Een positieve invloed op astraal gebied kan alleen uitgaan van een denkbeeld, dat eigen actie van de mens mede inhoudt.
Daarbij wordt het best positieve resultaat wel bereikt, wanneer de mens in zijn gedachten een grotere positieve waarde aan de actie toekent, dan door de actie zelf onmiddellijk tot uiting komt. Door een dergelijke positiviteit ontstaat een astrale vorm of kracht, die anderen in dezelfde zin zal beïnvloeden, zodra zij door hun denken en interesses in harmonie daarmee komen.

  • Wanneer een mens bewust positieve gedachten uitzendt, kan hierdoor toch ook van een beïnvloeding worden gesproken?

Ja. Mits een impuls tot handelen daarmede gepaard gaat. Het beeld dat zo wordt opgebouwd heeft ongeveer deze uitwerking: iemand wordt tot daden geprikkeld en handelt in overeenstemming met het geheel van de gedachte. Is de gedachte echter zonder de daadimpuls ontstaan dan zal de mens tot daden worden bewogen door de uitgezonden negatieve gedachten waarin een dadendrang ligt, terwijl de positieve gedachten zonder daadimpuls hem in vele gevallen een mooie en positieve verklaring geven voor zijn daden, die echter in wezen met het stellingen en verkondigde gedachten geheel in strijd zijn. Alle gedachten van enige kracht zijn op astraal gebied aanwezig. Maar alleen de gedachten die een actieelement in zich dragen en dus de handelingen van de mens mee kunnen bepalen, zullen – de daad van de veroorzaker van het beeld – ook als actie in anderen tot stand kunnen brengen. Gedachten, die op zich mooi en edel zijn, maar geen actieimpuls inhouden, kunnen anderen ten hoogste een mooi denkbeeld geven, dat over het algemeen even daadloos zal blijven als bij de originator trix van het beeld het geval was.
Let wel, dit geldt alleen voor de werkingen, die via de astrale sfeer tot stand komen en heeft dus niets te maken met de interactie van gedachten in het z.g. menselijk bovenbewustzijn en heeft geen betrekking op de relatie die menselijke gedachten en vooral gevoelens via hogere sferen tot stand kunnen brengen. Wij spreken hier alleen van alles, wat samenhangt met de astrale wereld en de daaruit mogelijke werkingen.

  • Hoe weet je, wanneer je het astrale gebied bereikt en wanneer er sprake is van een contact met een hogere wereld.

Over het algemeen zal men dit zeer moeilijk te weten komen. Er is een punt, dat vooral voor  meer occult begaafde en/of geschoolde mens toch wel een aanduiding zal zijn.
Wanneer de gedachte gepaard gaat met een gevoel van licht zijn, zweven, absolute rust, waarbij het ‘ik’ niet het gevoel heeft groter te worden dus geen beeld van zweven t.a.v. de omgeving is er in de meeste gevallen sprake van een contact met de een of andere sfeer of het bovenbewustzijn van de mensheid. Komt tijdens de concentratie, gebonden aan het bewust uitzenden van gedachten echter een gevoel, alsof men zelf veel groter is dan normaal, dan is het wel bijna zeker, dat het contact plaats vindt met astraal terrein en zal men alle invloeden, daaruit voortkomende of daarmede gepaard gaande, beschouwd worden als astrale werkingen.

  • Het uitvallen van licht bij het naderen van vliegende schotels, door u genoemd, is dit astraal of ligt het in het kader van natuurkundige verschijnselen?

Natuurkundig. Deze voertuigen maken gebruik van een snel fluctuerend magnetisch veld, waarbij men de mogelijkheid heeft op aarde is dit naar ik meen nog niet bekend om een pool van dit kunstmatige veld zodanig af te schermen t.a.v. de omgeving dus, dat het voertuig zelf gaat reageren als een éénpolige magneet, waarbij de pool dus willekeurig gericht en georiënteerd kan worden. Een resultaat van de afscherming is verder, dat het voertuig een eigen zwaartekrachtveld van in verhouding grote sterkte produceert, zodat het onafhankelijk is van verschijnselen van de zwaartekracht en het aardmagnetisch veld zover het de ruimte binnen de afscherming betreft, maar wel op de juiste wijze aangepast moet worden aan de zwaartekracht of magnetisch lijnenstelsel waarbinnen het opereert. Vereenvoudigd zou men dus kunnen zeggen, dat een eigen en onafhankelijk zwaartekrachtveld tot stand komt op het ogenblik dat een juiste aanpassing van het mechanisme aan een buiten dit veld liggende veldverhouding tot stand is gekomen.

  • Draagt het voertuig zijn eigen krachtbron bij zich?

In zekere zin wel, ja. De eigen krachtbron is betrekkelijk klein. Een groot deel van de noodzakelijke kracht wordt op zeer eenvoudige wijze voortgebracht door een aftappen van de verschillen in kracht buiten en in het voertuig. Men kan het aandrijvingsmechanisme nog het beste vergelijken met een transistorapparatuur waarmede de noodzakelijke kracht wordt gevormd in de juiste fluctuaties. De besturing geschiedt door denkende en bezielde wezens, waarbij de besturing echter grotendeels is gebaseerd op een soort telepathie. Denk aan de kleine krachten die gemeten kunnen worden met een encefalograaf. Bepaalde reacties van bepaalde hersencentra bepalen normalerwijze de besturing. Men denkt dus a.h.w. het verloop van het veld, de richting etc. Een bliksemsnelle reactie van het voertuig op de bevelen van de piloot is daardoor verzekerd, terwijl ook een aanpassing aan de omstandigheden sneller en doelmatiger geschiedt en haast automatisch volgt. Wel kan een afwijking van de interesse van de piloot naar iets buiten het voertuig kleine wijzigingen van baan veroorzaken, maar deze kunnen snel genoeg weer gecorrigeerd worden, daar de correctie optreedt op het ogenblik dat de afwijking gerealiseerd wordt.

  • Wat is eigenlijk de krachtbron?

Deze bestaat uit gekristalliseerd metaal met betrekkelijk grote kristallen, waarbij deze supermoleculen op bepaalde wijze t.a.v. elkander georiënteerd zijn. Het geheel is in een keramische stof gevat. Het geheel wordt in wenteling gebracht via een zelf voortgebracht magnetisch veld. Dit is het enige werkelijk mechanische deel van de aandrijving. Is het proces eenmaal aan de gang dan is het, wat krachtverbruik betreft, praktisch zelf continuerend. De dan verbruikte energie is de stralingskracht die via het opgewekte veld toevloeit. Het gebruikte principe is dus eigenlijk tamelijk eenvoudig, maar moeilijk in termen van uw eigen wereld geheel te omschrijven.

  • Is dit de eenvoudigste manier om dit uit te drukken?

Ja. Anders moet ik vreemde technische termen gaan vertalen in aardse analogieën en dit is nogal verwarrend. Ik probeer dus zo populair mogelijk te zijn in mijn antwoord. U gaat uiteindelijk voorlopig toch zelf niet met een dergelijk voertuig de lucht in, zodat een algemeen beeld belangrijker is dan technische details.

  • Bij al die technische uiteenzettingen vraag ik mij af, of het nu mensen of geesten waren, die daar aanwezig waren. Vanwaar komen die schotels eigenlijk? Wat is de achtergrond van hun landing?

Wat de reden betreft? Denk nu maar dat men er belang bij heeft, dat de gewelddadigheden op aarde binnen bepaalde perken zullen blijven. Dreigen deze een te grote omvang aan te  gaan nemen, terwijl gelijktijdig de techniek de mensen in staat stelt met kleine sprongen ook de ruimte te gaan betreden, acht men het noodzakelijk de verschillende betrokken grote gouvernementen op de hoogte te stellen van wat er eigenlijk gaande is.
Men heeft reeds jaren geleden pogingen in dezelfde richting gedaan en daarbij een soort beeldstaven achter gelaten. Men heeft dit geheim gehouden. In Amerika beschouwt men het als een hoax, in Rusland spreekt men waarschijnlijk van een oude, Russische uitvinding. Om een noodzaak tot geweld – zich bevrijden dus – te voorkomen, besloot men voortaan landingen in dichtstbijzijnde, maar neutrale of technisch niet sterk zijnde delen van de wereld te doen plaatsvinden. Binnenkort zal een dergelijke landing, naar ik meen, plaats vinden in Finland, de dichtstbijzijnde plaats voor contact met Moskou. Maar ook daarvan zult u wel niet veel horen.
Daarna zal het wel weer een tijdje rustiger worden, tenzij men de contacten afwijst. Het gaat er dus alleen om de mensen er van te overtuigen dat er een soort derde factor is, waarmede men rekening moet houden, omdat zij bij oorlogen gevaarlijk zou kunnen ingrijpen, maar die men gelijktijdig vreest, omdat men haar en haar potentieel niet kent.
De voertuigen die een landing uitvoerden kwamen van Phobos. De meer persoonlijke aspecten van dit alles kan ik u moeilijk uiteenzetten; hierbij spelen o.m. de ethische normen van wezens in de ruimte een rol en deze kunnen aanmerkelijk van de menselijke normen verschillen, zoals u zult begrijpen.

Het pogen in te grijpen heeft daarnaast natuurlijk ook te maken met de belangen die men heeft bij dit op zich onbelangrijke zonnestelsel, dat echter strategisch van enig belang is. Ik meen echter dat men voor een deel bezig is zich uit dit zonnestelsel wat terug te trekken, daar delen van verschillende installaties worden weggevoerd, terwijl andere installaties worden verlaten.

  • Hoe reageert dat ‘tot éénpoligheid afgeschermde veld’ ?

Een deel van de stralen in het open deel van het veld buigt niet af, maar vormt parabolische lijnen die zich trechtervormig van de bron verwijderen. Is er contact met een ander veld, dan reageert deze ‘trechter’ als kracht verwekkend het snijden van krachtlijnen en daardoor ontstaan van energie terwijl ook werkingen van aantrekking en afstoting worden gewekt.
Met dit vliegende schotelpraatje eindig ik dan mijn bijdrage voor dit eerste deel van de avond.

Deel twee

Normalerwijs gebruikt men dit tweede deel van de avond voor meer esoterische en filosofische onderwerpen. Laat ons daarom spreken over: De grens tussen illusie en werkelijkheid.

Illusie: een vaak zeer gedetailleerde voorstelling, die, naar men zegt niet op feiten berust.
Werkelijkheid is een algemeen gedeelde voorstelling die, naar men zegt wel op feiten berust. In beide gevallen is er sprake van een: “men zegt”. Want wat eenieder als werkelijkheid ziet is en blijft zijn persoonlijke interpretatie van dat deel van optredende fenomenen, dat hij zelf kan waarnemen. De illusie is echter de persoonlijke interpretatie van mogelijkheden, gebaseerd op een innerlijk verlangen, dat de mogelijkheid van de eens waargenomen fenomenen weergeeft en aanvult met het stellen van fenomenen, die men eens hoopt waar te nemen. Er is dus in beide waarden een zekere subjectiviteit. Een esotericus(ca) zal vaak juist met illusies zeer veel te maken krijgen. Zelfs wanneer iets voor hem reëel is, een werkelijkheid, waarop hij dus meent te kunnen bouwen zullen anderen rond hem dit als een illusie beschouwen. Daarom mag men zich wel afvragen: wat zijn nu eigenlijk de feiten?

In de eerste plaats wel, dat wij eeuwig zijn. Sommigen zullen dit als een feit zien, anderen noemen het een illusie. Maar de vaststelling berust in beide gevallen op iets, wat men in zich meent te weten, op ervaringen, die niet geheel redelijk zijn en desnoods nog op de interpretatie van reeksen van feiten, die echter door de daarin sterk op de voorgrond tredende subjectiviteit niet redelijk genoemd kan worden.

Zijn wij eeuwig? Volgens mij is dit sterk afhankelijk van de definitie, die wij aan het begrip eeuwig geven. Een eenvoudige en gangbare definitie van eeuwig is: een bestaan, waarin geen tijd geldt. Vanuit ons standpunt kan de waarde van die eeuwigheid dus evengoed een seconde zijn als een ongeteld aantal eeuwen; zodra wij stellen dat eeuwigheid bestaat uit aeonen van jaren, binden wij het beeld van eeuwigheid aan eigen tijdsbesef en bestaan. Ik meen echter, dat een eeuwigheid in deze zin niet werkelijk bestaat. Ik geloof dat ik mijn standpunt immers evenmin redelijk kan bewijzen als de anderen, die eeuwigheid zien als een aantal jaren zonder tal.
De werkelijkheid, die wij echter allen kunnen constateren, is het feit dat je weet: ik besta. Wat dit bestaan in feite is en inhoudt, weten wij niet. Wat wij ons daaromtrent voorstellen, kan dus een illusie zijn. Nu zoekt de esotericus het bestaan te erkennen. Hij zoekt daarin dus naar de werkelijkheid. Maar bij deze werkelijkheid blijft hij, zelfs indien hij haar vindt, gebonden aan een zuiver persoonlijk en dus subjectief interpreteren van het geheel, daarbij tevens alle redelijk en niet redelijk erkende inwerkingen en toestanden een eigen waarde gevend en alles daarin steeds weer betrekken op eigen wezen.

Op het ogenblik, dat hij zichzelf centraal stelt, meen ik, dat te allen tijde van een illusie mag worden gesproken: de feitelijke werkelijkheid toont immers aan, dat in de werkelijkheid – zelfs zoals wij deze zien en beleven – het ‘ik’ nimmer centraal staat, het is deel van een geheel, dat gehoorzaamt aan bepaalde regels en wetten. Men kan, zelfs met algehele zelfkennis en beheersing zich niet aan het geheel van die wetten onttrekken, zelfs indien men de verschijnselen uit die wetten voortvloeiend soms voor zich zal kunnen wijzigen. Men blijft dus te allen tijde deel van het geheel. Daarom kan de erkenning van het eigen innerlijk, van eigen wezen, slechts dan boven de illusie uitgaan, wanneer het ‘ik’ zich baseert ook op het heden en eigen nu, het nu gekend bestaan, ziet als een functioneel deel van het geheel.
De illusie, die men maar al te vaak pleegt te koesteren, is wel de stelling, dat God zich met ieder van ons in het bijzonder bezig houdt. Ik noem dit een illusie, want hier wordt het ‘ik’ centraal gesteld, al is het maar in de aandacht van een godheid, die eveneens in de vorm, waarin hij voorgesteld en beseft wordt, waarschijnlijk niet meer dan een illusie is. Op het ogenblik, dat ik de aandacht Gods niet zie als iets, wat mij persoonlijk betreft, maar hoogstens voortvloeit uit het feit, dat ik deel ben van een niet geheel gekend of begrepen geheel, kan het ervaren van Gods aandacht toch nog logisch zijn en dus als deel van de werkelijkheid worden beschouwd.
Wanneer ik daarbij verder stel, dat de eigenschappen van die God niet definieerbaar kunnen zijn, zodat mijn persoonlijke interpretatie van de inwerking van die God voor mij de enige bepaling van zijn bestaan is, geef ik toe, dat ik de werkelijkheid Gods niet kan kennen, maar dat ik het persoonlijke contact met God voor mijzelf tot een feitelijke waarheid kan maken, juist dank zij de illusies, die ik koester over God en mijzelf.
Misschien wordt dit wat ingewikkeld. Maar hoeveel onder ons koesteren geen illusies, zonder toe te willen geven dat zij dit zijn? Hoeveel onder ons spreken niet over reïncarnatie? En hoe velen trekken daaruit geen les voor de toekomst, maar beginnen onmiddellijk in het verleden te grabbelen naar de voorname gestalte, die eens die van hen geweest zou kunnen zijn? Illusie.
Wanneer wij spreken over reïncarnatie, horen wij ook van mensen, die onmiddellijk en met stelligheid beweren: de volgende keer zullen wij het beter doen. Maar zij weten niet, op welke wijze dit mogelijk zou zijn. Zij kennen nu weinig of niets van de wetten, volgens welke zij misschien dit betere zouden kunnen bereiken en weten bovendien niet, of datgene, wat zij uit het huidige standpunt beter achten, ook later werkelijk beter zal zijn. Ook hier dus vaak: illusies. Wat zouden hier de feiten kunnen zijn? Er is een deel van het menselijke leven, dat een grotere continuïteit en een langduriger bestaan kent dan het materiële lichaam. Dit kunnen wij bij ons in de geest wel als werkelijkheid stellen. Voor u is het ten hoogste een stelling, die zeer waarschijnlijk ook waar is. Of dit bestaan zich oneindig in de tijd uit zal strekken, weten wij niet.
Wij weten alleen, dat het bestaan in een bepaalde wereld niet onbeperkt duurt. Dat is de zekerheid, die wij hebben. Komt daaruit een reïncarnatie voort, dan kunnen wij wel met enige zekerheid stellen, dat deze voort zal vloeien uit datgene, wat wij zijn. Kennelijk is het verdwijnen uit een bepaalde sfeer en het betreden van een volgende sfeer iets, wat voortvloeit uit de eigenschappen die men in de eerste sfeer reeds bezit. Dit bepaalt dus in zekere zin de vorm van een incarnatie. Wat daarbij nog verder te pas kan komen, weten wij eigenlijk niet. Wij spreken daarom vaak over zaken als “karma”.
Karma is altijd weer een geliefkoosde verklaring van de mens, wanneer hij lijdt onder eigen stommiteiten en dit niet toe wil geven. Dan zegt hij:dit is mijn karma, mijn noodlot, dit alles wordt mij door het verleden opgelegd”. Maar dat zal, naar ik meen, ook wel een illusie zijn.
Bestaat er een karma? Wanneer wij ons aan de feiten houden, kunnen wij stellen: ervaringen veranderen een mens. Iemand, die een bepaalde beleving heeft doorgemaakt, is daarna een ander mens in denken en reageren dan voordien, of kán dit zijn. Deze mens verandert. De ervaringen zullen dus het wezen van de mens mee bepalen. Wat ik dus doe en niet doe, ervaar of niet ervaar in het leven, kan bepalend zijn voor mijn latere reacties, of deze nu liggen in het stoffelijke leven of in een volgend leven. In deze zin kan een karma inderdaad wel bestaan.
Is het echter een kracht die buiten het eigen ‘ik’ om bestaat? Daarvoor is geen enkel bewijs, het enige, wat ik weet is, dat er wijsgeren in het verleden geweest zijn, die over karma als iets buiten het ‘ik’ hebben gesproken.

Maar ik weet ook, dat er even grote wijzen en denkers zijn geweest, die stelden dat het karma in de mens ligt en/of dat men zich van het karma vrij kan maken. Als het karma een buiten het ‘ik’ bestaande en onontkoombare wet is, zoals men vaak stelt, zal dit laatste niet mogelijk zijn. Is het echter geen wet, doch slechts iets, wat wij zelf als een soort wet ons voorstellen, dan is het wel dwaas om, dit wetende, aan de ene kant daarvoor bang te zijn en aan de andere kant ons daarop te beroepen als verklaring voor de feiten van ons leven.
De werkelijkheid is hier volgens mij: wij zijn voortdurend volgens eigen vermogen en kunnen verantwoordelijk zijn voor onze eigen daden. Datgene, wat wij als gevolg van eigen daad ondergaan verandert in de vorm van ervaringen en erkenning, visie en gewijzigde reacties, ons wezen en leven. Toekomstige daden en feiten zullen hierdoor voor het ‘ik’ mee bepaald worden. Maar verder dan dit kan ik op grond van redelijk vaststelbare en zelfs maar voorstelbare feiten toch werkelijk niet gaan.
Wanneer je, je met je illusies bezig houdt, krijg je wel eens het gevoel dat de werkelijkheid niet deugt, de feiten deugen niet. Menigeen zit dan op zijn zorgen als Job op de mesthoop en krabbelt zich met woorden in plaats van een potscherf. Hij zegt dan:God heeft mij dit alles aangedaan en opgelegd, omdat ik zijn uitverkorene ben”. Dat klinkt wel prettig en houdt ongetwijfeld het moreel hoog. Maar wat is ervan waar?
Als je de mensen zo hoort, lijkt God wel een wezen, dat wat krankzinnig is! Hij straft...wie hij lief heeft. Mijn reactie is dan: laat die God dan maar wat minder van mij houden. Dat lijkt mij veel gezelliger, maar dat mag natuurlijk niet gezegd worden, omdat zo de illusie wordt verstoord, dat er hier sprake is van een uitverkiezing en rechtvaardigheid.
Maar laat ons bij de feiten blijven. Wanneer iemand een ander straft, beproeft, kwelt, juist omdat hij van hem houdt, noemen wij op de aarde zo iemand een sadist. Als onze God een sadist is, dan pleit dit niet vóór de schepping. Dan schrijven wij aan die God vele eigenschappen toe, die Hij zeker niet zal bezitten. De uitvlucht dat wij Hem, Die toch volmaakt is, niet begrijpen, hakt voor mij ook al geen hout; wanneer zelfs een volwassene kans ziet om tot een kind zo te spreken, dat hij in ieder geval enigszins begrepen kan worden, zal een volmaakte God dit zeker op volmaakte wijze kunnen doen en Zijn bedoelingen duidelijk en zelfs aanvaardbaar kunnen maken. Vandaar dat ik er de voorkeur aan geef niet te stellen, dat God straft wie hij liefheeft, dat hij een soort sadist is. Willen wij spreken van een Rechtvaardige God, dan moeten wij stellen, dat niet Hij de mensen beproeft, maar dat de mens zelf zich door zijn gedrag en ervaringen zijn beproevingen oproept.
Voor lering geldt volgens mij hetzelfde. Wanneer je sommige mensen ook esoterici hoort spreken, ligt de zaak als volgt: wanneer wij nu maar braaf zijn, komt er een ogenblik, dat God ons de Heilige Geest zendt en van dat ogenblik af zal het zijn of wij een ingebouwde computer en elektrische centrale hebben. Dan weten wij, horen en zien wij, dan kunnen wij opeens alles.
Volgens mij is dit een vreemde veronderstelling. De feiten tonen, dat alles steeds weer een proces is van aanpassing, waarbij kennis kan worden opgedaan. Wij noemen dit leren. Wij weten ook, dat het opnemen van nieuwe leringen moeilijker wordt, naarmate wij meer gevormd zijn. Naarmate wij dus meer vaststaande denkbeelden hebben. Dan zou ik zeggen:  wanneer wij in contact met God zijn, kan deze God ons zelfs niets leren, tenzij wij eerst, zoals kinderen, bereid zijn met volle nieuwsgierigheid en zonder enig oordeel tegenover de wereld te staan.
Zelfs dan mogen wij niet verwachten, dat wij iets krijgen, dat God het wel voor ons zal doen, maar mogen wij alleen verwachten dat wij, zo wij willen en ons best doen, zélf iets kunnen bereiken. Deze redelijk aanvaardbare stelling strookt, zover mij bekend, ook met alle feiten.
Wanneer men de betekenis van de feiten op de wereld wil veranderen of zelfs wegpraten, gaat het om illusies. Maar soms liggen illusies zo dicht aan de grens van de werkelijkheid, kan er sprake zijn van een zeker ‘vooruitzien’, dat wel niet geheel feitelijk juist is, maar een juister streven en leven mogelijk maakt. Zolang een illusie mede op de feiten gebaseerd blijft en geen beeld geeft van een bereiking, maar slechts de volgende stap tot bereiken weergeeft, kunnen wij daarom, volgens mij, zeggen, dat de ervaring van de werkelijkheid voor de mens hierdoor ten goede geleid kan worden, daar zij zijn leven voert in een bepaalde en niet met de werkelijkheid strijdige richting.

Ik hoop, dat u dit alles voor uzelf eens zult willen overdenken.

image_pdf