De band tussen het geschapene

uit de cursus ‘Kosmologie’ (hoofdstuk 8) – mei 1957

In al het geschapene moet de levenskracht van de Schepper aanwezig zijn. Er zal voor een ieder ‑ waar hij leeft binnen de schepping, die wij tot nog toe als klein hebben aangeduid ‑ een tweeledige band zijn met het leven. Waar deze kleine schepping gelijktijdig deel is van de grote schepping, zo zal in een ieder en in alles wat in uw eigen schepping kenbaar is, steeds en de kracht van de Creator en de kracht van de kleine schepper gelijkelijk geuit zijn. Hieruit volgt dat in deze beide krachten een verbinding is geschapen tussen al wat bestaat en wat kenbaar is voor u. Ja, dit gaat zelfs verder; want al datgene wat deel uitmaakt van uw schepping zal ook één zijn, een band hebben met u, zelfs al kunt u het niet erkennen. Hieruit volgt dat de mens één is met de wereld waarop hij leeft; dat hij één is met alle dingen die op deze wereld leven, dat hij één is met alle mensen. Dat betekent tevens dat die eenheid moet worden uitgebreid tot elk leven, dat zich elders stoffelijk in het Al zal bevinden. Daarnaast zal de band ook blijven voortbestaan, wanneer bv. een geest zijn stoffelijke vorm verlaat. Als zodanig zal de band tussen de mens en alle persoonlijkheden en alle mogelijkheden, die een werkelijk en zelfstandig leven bezitten in alle sferen, een realiteit zijn die wij niet kunnen ontgaan.

Deze band tussen al het geschapene is aansprakelijk voor vele verschijnselen, die op zichzelf misschien wat vreemd aandoen. Er komt een ogenblik voor de mens, dat hij begrip heeft voor hetgeen leeft in een dier, dat hij zich een voorstelling maakt van het dier, zij het vaak op ietwat menselijke wijze. Hij kent gedachten en problemen toe aan planten en bloemen. Hij hoort zijn eigen woorden gefluisterd door de wind. Hij ziet zijn eigen geloof lichtend geschreven in de sterren. Hij associeert dus hetgeen in hem leeft met de wereld buiten hem. Voor elke denkwijze, voor elk probleem, voor elke realisatie, doet de mens een beroep op de buitenwereld. Hij vergelijkt de waarde daarvan met hetgeen hij als denkbeeld in zich draagt en door deze vergelijking komt hij tot een definitie voor zich zelf. Vanuit menselijk standpunt mag dan ook worden gesteld, dat het be­wustzijn van de geest niets anders is dan een samenstel van waarden, die el­ders in de schepping bestaan. Elk bewustzijn zal op basis hiervan een conglomeraat van levende waarden genoemd kunnen worden, waarbij het leven niet tot de persoonlijkheid beperkt is.

Ik wil trachten om kort duidelijk te maken, hoe deze band tussen al het geschapene van een zeer directe en bijzondere invloed is op uw eigen leven, uw eigen toestand. Hiervoor zal ik bepaalde voorbeelden moeten aanhalen, die in zichzelf concreet zijn. De denkbeelden – daaruit voortvloeiend – mogen abstract lijken, zij zijn het in feite niet, waar zij deel uitmaken van de werkelijkheid die gij beleeft.

Punt 1. Voorbeeld: Een mens denkt. In zijn omgeving zijn bepaalde kristallen aanwezig. Elk kristal heeft ‑ in overeenstemming met zijn eigen structuur ‑ een zekere innerlijke spanning. Naarmate deze spanning labieler is, zal meer geabsorbeerd worden van de gedachten van de mens. Zij blijft deel uitmaken van het wezen van het kristal. De mens gaat heen; er komt een andere mens. Het kristal straalt zijn eigen spanningen uit in de omgeving. In die mens worden denkbeelden gewekt, die door een vorige in het kristal waren gelegd. Conclusie: er bestaat een wederkerige beïnvloeding, zelfs tussen z.g. dode materie en de z.g. levende of denkende mens. Hierbij maken beide gebruik van dezelfde kracht, zij het dat ze deze in een andere vorm uitdrukken. Daardoor zijn de vormen, waarin die kracht gegoten is, uitwisselbaar en kunnen de krachten van de dode materie in de levende mens levensreacties wekken, terwijl omgekeerd de levende krachten van de mens structuurveranderingen kunnen veroorzaken in de dode materie.

Punt 2. Voorbeeld: Een mens heeft een bijzondere inval, die zijn gehele wezen in beslag neemt. Het vreemde is nu, dat gelijksoortige inval­len op verschillende plaatsen van de wereld ongeveer gelijktijdig opduiken. Dit is het aardigst te controleren, wanneer u nagaat hoe vaak een bepaald patent door verschillende personen bijna gelijktijdig wordt aangemeld, waar­ bij natuurlijk de eerste de winnaar is.

Conclusie: Er is in het denken van elke mens een verbinding met het den­ken van de mensheid. Het denken van de mensheid beïnvloedt een ieder, waarbij de eigen instelling bepalend is voor de invloeden, die uit het to­tale denken in elke mens zullen optreden.

Punt 3. Voorbeeld: Astrologisch wordt het karakter van de mens berekend en aan de hand van astrologische invloeden kan een ‑ zij het niet zeer betrouwbaar ‑ beeld van toekomstige ontwikkelingen worden gegeven. De mens is dus klaarblijkelijk onderhevig aan invloeden van buitenaf en deze kunnen – zij het niet als onmiddellijke gebeurtenis, doch zeker als invloeden – optreden binnen zijn persoonlijkheid zowel als in zijn omgeving. Accepteert men dit, dan vloeit hieruit voort, dat er een band bestaat tussen de mens en vergelegen hemellichamen, wier straling plus weg zeer belangrijk blijken te zijn voor het leven van die ene mens.

Punt 4. Voorbeeld: Het is bekend dat groeiprocessen afhankelijk zijn van de stand van de maan. Hierbij blijkt vaak van belang te zijn, of de maan – terwijl zij vol is – al dan niet verhuld is. Het maanlicht schijnt dus chemische veranderingen te doen plaatsvinden, zij het van geringer belang dan vroeger werd aangenomen; o.a. op planten en t.o.v. sap-drift, zowel als opgenomen stoffen, kunnen zij vaak een bepaalde invloed hebben. De maan werkt dus onmiddellijk in op deze planten. De eigenschappen die deze planten verwerken, moeten dus in onmiddellijk verband staan met de eigenschappen, die de maan zelf bezit, waar slechts deze reactie ‑ door de eigenschappen in haar straling en licht uitgedrukt ‑ in de plant kan worden gewekt.

Punt 5. Voorbeeld: Wanneer één planeet in zijn baan zou worden gestoord, zou het totale stelsel der planeten rond de zon een zeer grote wijziging ondergaan. Gelijktijdig zou de zon zelf in stralingskracht en werkzaamheid ook een wijziging ondergaan. Dit kan zover gaan dat zij tot Nova wordt en dus alle planeten opslokt. Zij kan echter ook tijdelijk haar lichtende kracht in zichzelf terugnemen, zodat een verkoeling voor alle planeten ontstaat. Het optreden of ontbreken van één element is dus bepalend voor elke invloed optredend op alle andere planeten, alle andere elementen.

Conclusie: Er bestaat een onmiddellijke band, die bepaald kan worden langs natuurkundige wetten ‑ in dit geval ‑ en die voor de mogelijkheden van elk der elementen afzonderlijk beslissend kan zijn. Zij kunnen niet bestaan zoals zij thans zijn, tenzij de verhouding ‑ die onderling thans bestaat – gehandhaafd blijft.

Uit deze voorbeelden zal u reeds gebleken zijn, dat wij dus steeds een relatie kunnen stellen tussen elk wezen in het Al, elke invloed in het Al, ons daarbij baserend op natuurkundige, occulte waarden. Maar aangezien het merendeel der relaties aantoonbaar is langs zuiver menselijke weten, door zuiver menselijk denken, meen ik dat uit het grootste gedeelte der overtuigende bewijzen kan worden geconcludeerd, dat ook wanneer de bewijzen niet te leveren zijn voor een klein gedeelte, de onderlinge beïnvloeding hier evenzeer zal bestaan. Nu blijkt ons, dat die onderlinge beïnvloeding wederkerig afhankelijk is van eigenschappen, die in elk der delen bevat zijn. Hieruit volgt dus dat het wezen bepalend is voor de toestand van alle andere wezens die in relatie staan. Omgekeerd ook, dat elk wezen voor een groot gedeelte zijn vorm, zijn vorming, zijn bewustzijn, zijn uiterlijk, zijn werking en mogelijkheden zal danken aan omringende wezens.

Zo bezien is het Al een vlechtwerk, waarbij de onderlinge beïnvloeding voortdurend bepalend is voor wat er gebeurt, voor al wat er mogelijk is, voor al wat er ontstaat en teniet gaat. Ik geloof dan ook dat ik niet te veel zeg, wanneer ik als stelling naar voren breng: Tussen al het geschapene bestaat een band. Deze band kan op verschillende trappen worden gewaardeerd. Zij is desalniettemin overal aanwezig. Haar aanwezigheid op zichzelf is voldoende om ons duidelijk te maken dat het geheel der schepping gerelateerd is, en dat het ontbreken van een deel der schepping, het ontbreken van waarden in de huidige schepping en dus een vorm­ verandering voor heel de schepping ten gevolge zou kunnen hebben.

Naast de banden, die wij meer materieel hebben getracht aan te tonen, bestaan er echter nog andere banden. Wij zouden deze geestelijk, of althans van geestelijke oorsprong kunnen noemen.

Zoals reeds was opgemerkt, is het mogelijk dat het gedachteleven van de mens zijn invloed heeft op dode materie. Die invloed blijft ook bestaan, wanneer de mens niet meer in stoffelijke vorm aanwezig is. Nu wordt het voor ons de vraag: Blijft de band dan bestaan? Het antwoord zal ik weer trachten duidelijk te maken aan de hand van enkele voorbeelden.

Voorbeeld 1. Een mens heeft sieraden vervaardigd met edelstenen. Dit was zijn vreugde en zijn leven. Zijn hele scheppingsdrift heeft hij in het edele metaal neergelegd. Het metaal weerspiegelt daardoor bepaalde kwaliteiten van de maker, zelfs zo sterk dat dit in de kwaliteit van het metaal, zijn houdbaarheid, sterkte, zijn buigzaamheid mede tot uiting komt.

Dat bleek o.a. zeer sterk bij de makers van Damasceense klingen. Daar was de persoonlijkheid wel heel erg bepalend voor de kwaliteit. Wanneer deze maker nu overgaat, blijft een reeks van zijn denkbeelden vastgelegd in de materie. De geest, die deze denkbeelden mede heeft gebaard en die dus bepaalde delen van haar wezen in een stoffelijke vormgeving uitdrukte, blijft een band behouden met deze schepping. Want er bestaat een harmonie tussen beide die niet verbreekbaar is. En zolang als het beeld, van de maker in de schepping bewaard blijft en gelijktijdig in de schepper het beeld van hetgeen hij voortbracht, zal tussen deze beide een band bestaan die onverbrekelijk is. Hieruit blijkt dat een binding tussen geest en materie mogelijk blijft, ook wanneer geen stoffelijk bestaan op aarde meer plaatsvindt.

Voorbeeld 2. Een mens heeft samen met een ander op geestelijk gebied gestreefd. Zij hebben elkaar veel geleerd en in hun onderlinge uitwisseling van gedachten zijn zij gekomen tot nieuwe, vaak grootse denkbeelden. Deze denkbeelden zijn voor een vrij geworden geest na de overgang zeker van groot belang; maar zij zijn tevens deel van de denkwereld van degene die blijft leven. Alleen door het aanwezig zijn van dezelfde denkbeelden in beiden en het deel hebben aan de ervaring, waardoor zij in het ik ontstonden, blijft tussen beiden een band bestaan, die niet verbroken kan worden. Elke aanvulling van het denkbeeld in de geestelijke wereld, zal reflecteren door een intuïtief denken van degene die in de stof vertoeft. Er blijft een wisselwerking bestaan, die meer of minder sterk tot uitdrukking komt. Wanneer degene, die in de stof leeft, de uitbreiding van het denken niet kan volgen, dan wordt de binding enigszins beperkt, maar blijft ze toch nog voortbestaan. Uit dit voorbeeld kan de conclusie worden getrokken, dat de banden van de geest met de materie dus op velerlei gronden kunnen berusten.

Om U niet met te veel voorbeelden te vermoeien, wil ik kort enkele van deze bindingsmogelijkheden opsommen:

Gedeelde beleving, gedeelde gedachten, gedeeld streven.

Genegenheid in zijn meest verschillende vormen, haat, al datgene waardoor persoonlijkheden elkaars beeld in zich dragen. Deze werking blijft voortbestaan ‑ ongeacht de toestand van beide deelhebbers aan deze band – tot het ogenblik, dat in één van beiden het beeld geheel is uitgewist. Dit gaat gepaard met een breken van de band en het uitwissen van een deel daarvan in de ander.

Zoals u weet bestaan er verschillende sferen, waaronder verschillende fijnstoffelijke. Iemand heeft door zijn denken in het z.g. astrale, dus fijnstoffelijke gebied, een gedachtevorm gecreëerd. Deze vorm leefde uit zijn wilskracht en gedachten; werd later eventueel gevoed door anderen. De gesteldheid van dit beeld vloeide voort uit de originator. Wanneer deze overgaat en zelfs het astrale gebied reeds lang verlaten heeft, zal nog steeds de gedachte van de schepper, de gedachte van de originator voortleven in het beeld, tot het uiteenvalt. Zolang het bestaat, zal er dus een band bestaan tussen originator en astrale schepping. Wanneer deze schepping door anderen in stand wordt gehouden en aspecten daarvan strijdig zijn met de nieuwe bewustwording, zal de originator eerst deze eigenschappen in zijn schepping moeten delgen, voor hij ‑ bevrijd van die band ‑ zelf kan overgaan.

Er zijn grote geesten, die als schepper optreden voor een klein deel van het Al. Zij zijn wel voortbrenger, maar gemeenlijk niet totale beheerser van elke ontwikkeling die plaatsvindt binnen het geschapene. Of zij willen of niet, zijn ze aan de totale ontwikkeling gebonden en blijft er een band bestaan tussen hen en elke toestand, elk wezen, elke situatie, ongeacht het feit of de schepper deze wenst te verwerpen of niet. Zijn enige mogelijkheid om banden te breken is het vernietigen van de factoren, waardoor de band tot stand kwam. De eigenlijke mogelijkheid om de band aan te passen aan eigen wezen betekent toestanden, situaties en bewustzijnen zodanig te veranderen, dat zij wederom harmonisch zijn en in overeenstemming met het eigen wezen. Hieruit zou in vele gevallen een soort verlossingsgedachte geboren kunnen worden.

Met deze tweede reeks van voorbeelden heb ik getracht u duidelijk te maken, dat er sterke banden bestaan tussen geest en materie, tussen geest en geest, tussen geest en verschijnselen uit die geest geboren. Deze banden vlechten het gehele Al ook geestelijk tezamen, zodat er geen scheiding kan worden gemaakt tussen materie en geest, indien wij nadenken over invloeden, beïnvloedingen en werkzame kracht. De geest die in de stof heeft geleefd, zal nooit geheel aan de stof ontkomen. De stof, die eens de geest tot voertuig strekte of met de geest samen was of samen werkte in enigerlei vorm, zal altijd het stempel van die geest enigszins in zich blijven dragen. Het zijn juist deze banden, die de mogelijkheid in zich bergen, dat wij eens althans een kleine schepping als geheel zullen kunnen realiseren.

Daarnaast bestaan de banden ‑ in het begin genoemd ‑ die ons binden met de kleine en de grote schepper. Indien wij de relatie met de kleine schepper geheel hebben gerealiseerd, zijn wij nog een afzonderlijk wezen, doordat in ons de kracht en de relatie met de grote schepper altijd nog afzonderlijk geuit is. Wij kunnen dus nooit één worden met de kleine schepper; wel kunnen wij naast de kleine schepper voortbestaan. De band die dan tussen u en de kleine schepper zou bestaan, zou die zijn van broeders, die elkaars gedachten volledig delen; elkaars streven en wezen volledig kennen en begrijpen. Er zou echter geen verdere versmelting mogelijk zijn. Hoe deze versmelting wel mogelijk wordt in het Groot Goddelijke, hoop ik u een volgende maal duidelijk te maken, wanneer wij meer in het bijzonder zullen spreken over de band die bestaat tussen schepper en schepping en waarbij wij zeker de grote Schepper in de allereerste plaats zullen beschouwen in Zijn binding met het totaal van hetgeen is voortgekomen uit Zijn wil en wezen.