De beheersing van krachten

uit de cursus ‘Ontwikkeling van het ‘ik’ tot beheersing’ – (Hoofdstuk 8) mei 1961

De beheersing van krachten

In elke mens zijn bepaalde krachten aanwezig. Het gebruik daarvan is voor een groot gedeelte afhankelijk van het bewustzijn van de mens evenals van de intensiteit, waarmee hij wénst een bepaalde kracht te uiten. In zeer vele gevallen is men echter niet in staat om de in eigen wezen bestaande krachten op de juiste wijze te richten, daar men niet in staat is zichzelf voldoende te beheersen. En het is op dit punt, dat ik gaar­ne nader met u wil ingaan.
De krachten, die in u leven, kunt u onderscheiden in de zuiver geestelijke, de fijn‑stoffelijke en de zuiver stoffelijke krachten.
De zuiver stoffelijke kracht kunnen wij kort afdoen. Een zuiver stoffelijke kracht komt voort uit het doelmatig gebruik van eigen lichaam. Wanneer een mens zich aanwent om bij zijn bezigheden ritmen te gebruiken, die met het lichaam in overeenstemming zijn, is zijn werkelijke prestatie aanmerkelijk hoger dan op een niet‑ritmische wijze tot stand kan worden gebracht. Het zal u duidelijk zijn dat wij dus ook in onze lichaamsbewegingen en in al datgene, wat wij door lichamelijke kracht moeten volbrengen, naar een zekere beheersing zullen moeten streven. Deze beheersing zal het ons in de eerste plaats mogelijk maken om onze krachten alleen dan te gebruiken, wanneer het wenselijk is.
In de tweede plaats echter zal het overlegd aanwenden van krachten betekenen dat het lichaam zo wordt gebruikt, dat het met een mini­mum aan vermoeidheid een maximum aan prestatie levert op de gewenste wijze.
Ietwat moeilijker wordt het, wanneer wij gaan spreken over halfstoffelijke krachten. Onder half‑stoffelijke of fijn‑stoffelijke krachten kunt u verstaan: vitaliteit, alle fluïde krachten; alle astrale krach­ten en alle werkingen van het etherisch dubbel. Verder alle werkingen van het levenslichaam. Deze krachten worden over het algemeen door het eigen wezen in de stof voortgebracht en ten dele aangevuld door de geest.
Wanneer wij deze krachten gebruiken, zal dit heel vaak gebeuren, doordat de stof bv. emotioneel deze krachten in verhoogde mate afgeeft, zonder dat men beseft waarom of waarheen. Eén driftbui of één vlaag van harts­tocht, die tot geen enkele verdere consequentie of handeling voert, ver­spilt in vele gevallen meer kracht dan noodzakelijk is om een zieke voor enige tijd over zijn kwalen heen te helpen.
Ik geef u dit voorbeeld opdat het u duidelijk zal zijn, hoe belangrijk het dus is deze krachten te beheersen. Nu mag u uitgaan van de volgende stellingen, die tot een oude wijsheid op dit terrein behoren. In de eerste plaats:

Alle krachten, die in mijn persoonlijkheid als mens aanwezig zijn, kunnen geheel aan mijn wil worden onderworpen. Wanneer deze krach­ten in mij aanwezig zijn, kunnen zij worden overgedragen aan anderen; zij kunnen worden geprojecteerd in alle gebieden, waarin die krach­ten de mogelijkheid hebben werkzaam te kunnen zijn.

In de tweede plaats:

Ik kan elke fijn‑stoffelijke of half‑stoffelijke kracht gebruiken om voertuigen te scheppen, waarmee zowel mijn eigen geest als een door mij aanvaarde geest (die dus zelf een entiteit is) in staat is ta­ken zowel in de stof als in de astrale werelden te volbrengen.

In de derde plaats:

Zij, die zich bewust zijn van de kracht, die in hen leeft, zijn mees­ters over het leven. Zij kunnen leven en dood schenken, alleen door het juist richten van hun krachten. Zij zullen in staat zijn de won­deren der goden te herhalen door het meesterschap van hun bewuste kracht over de onbewuste krachten der natuur. Zij zullen in staat zijn alles te volbrengen, wat als mens onmogelijk wordt geacht, maar wat toch berust op de fijne krachten en energieën, die in de mens en in al het leven op aarde zijn gelegen.

Ik wil trachten u dit te verklaren.
Wij hebben in ons lichaam ‑ wanneer wij in de stof zijn ‑ een methode, waardoor wij voortdurend een bepaalde zenuwkracht opwekken. Deze kracht is niet alleen maar, zoals sommigen zeggen, een vorm van biologisch‑elektri­sche werking of elektriciteit. Zij is tevens een omzetting van bepaalde vluchtige delen van onze celweefsels in een met kracht geladen plasma. U kent allen de uitdrukkingen ectoplasma en protoplasma.
U hebt daarvan al veel gehoord; u kunt deze krachten hieronder mee ver­staan. Bovendien straalt alles uit, wat in het lichaam plaatsvindt.
Alle werkingen, die in het lichaam gebeuren, veroorzaken een uitstraling, die kan gaan van een eenvoudige hitte‑uitstraling (infrarood) tot stra­lingen, die ver in het violette gebied liggen.
Onder omstandigheden kan een mens stralingen opwekken van zeer grote hard­heid. Hij kan daarmee dan z.g. X‑stralen produceren. En er zijn gevallen bekend van mensen, die bewust deze kracht wisten op te wekken of haar on­bewust bezaten, waardoor zij door vele voorwerpen heen voor hen belangrijke feiten konden constateren. Deze uitstralingen zijn natuurlijk. Zij vloeien voort uit het lichaam en kunnen voor een gedeelte worden versterkt en ge­regeld door de ademhaling; bovendien ook door concentratie, dus door de wijze waarop men zichzelf instelt en beperkt tot b.v. één emotie of één gedachte.
Nu zal deze kracht zeker bruikbaar zijn, indien wij aan haar een bepaalde trilling kunnen opleggen. Met andere woorden: één van de stralingen, die het lichaam normaal biologisch opwekt, kan worden gebruikt ‑ wanneer zij voldoende versterkt is ‑ om daarop a.h.w. een gedachtetrilling te enten.
Dan wordt de gedachtetrilling plus de uitgestraalde kracht overgebracht in andere mensen of voorwerpen, andere planten of dieren. Hiermede kunt u o.m. zeer veel omtrent het leven, aanvankelijk waarschijnlijk van plant en dier en later misschien ook van de mens, in uzelf bepalen en u zult in staat zijn door deze vormen van concentratie zeer veel voor anderen te doen.
Dan beschikt de mens over de zuivere gedachtekracht, die praktisch op de hoogte ligt van het etherisch dubbel, ofschoon zij ook op hogere ge­bieden werkzaam is. Het is deze kracht, die gebruikt kan worden om zuiver geestelijke werkingen tot stand te brengen. Het is mogelijk daarmee zelfs bepaalde stoffelijke energieën als vitaliteit over te dragen ‑ al is het dan in een omgezette en beperkte vorm ‑ aan anderen, alleen door voorstellingsvermogen en gedachte.
Het zal u duidelijk zijn dat dit alles inderdaad een groot vermogen is. Maar als de mens niet beseft wat hij hanteert en wat hij gebruikt, wanneer hij deze gaven en deze krachten verspilt of eenvoudig laat weg­vloeien zonder ze te gebruiken, zal hij daardoor m.i. aan zichzelf en aan anderen te kort doen. Zowel voor onze bewustwording als voor het vervullen van onze taken jegens anderen is het dan ook noodzakelijk ons bewust te zijn van deze vermogens en te leren deze vermogens, deze krachten te beheersen.
Over deze beheersing is al zeer veel gezegd. En wanneer ik wil kiezen uit de wijsheid, die daarvan is verkondigd, sta ik voor een zeer moeilijke keus. Sta mij daarom toe op mijn eigen wijze hiervan een samenvatting te geven.
Wie er zich van bewust is, dat hij kracht bezit ‑ zelfs indien hij de uiting daarvan niet kent ‑ zal in staat zijn door zich te concentreren op deze kracht, deze kracht versterkt in zichzelf openbaren. Concentratie is voldoende om kracht te wekken. Alle kracht zal bij deze concentratie al direct werkzaam worden ten aanzien van alles, waarmee men in harmonie is. Daar echter, waar vijandschap bestaat of waar weer­stand, wordt geboden, is het noodzakelijk om verder te gaan.
Degene, die deze kracht heeft opgewekt, zal zich zowel in het opwekken als in het gebruik van deze kracht dienen te oefenen. En in deze oefe­ningen gaat hij uit van het feit: Ik bezit deze kracht; deze kracht geeft mij een zeker vermogen; ik ga dit vermogen op de proef stellen; ik kies mij een lichte taak en zal, indien ik daarin niet slaag, nog lichtere ta­ken zoeken, tot ik eindelijk ergens een kenbaar bewijs heb gevonden, dat mijn kracht tot uiting komt. Dit is het eerst vereiste volgens vele scho­lingen, die op dit terrein worden gegeven.
Daarna gaat men eveneens in vele leergangen onmiddellijk verder. Wij moeten, wanneer wij eenmaal zijn begonnen, door voortdurende oefening verdergaan. Het zal echter enige tijd duren, voordat wij beseffen, wat het resultaat mogelijk maakte. De stoffelijke mens, die zelf deze krachten wil beheersen, zal eerst moeten leren, hoe hij ze voortbrengt. En dit kan hij alleen door ervaring omdat hierbij o.m. een zeker gevoel en een zekere wijze van denken een grote rol spelen. Hebt ge een kracht opgewekt, ga dan niet over tot het opwekken van andere krachten, voor ge die ene kracht inderdaad hebt leren beheersen. Maar zodra ge bemerkt dat ge bij een tamelijk zware taak redelijke resultaten met haar verwerft, zult ge moeten trachten een volgende kracht in te schakelen; enz. Want in feite behoren al deze krachten tot één complex binnen de mens en kunnen dus vanuit één en hetzelfde centrum en vaak door dezelfde methoden bevorderd en uitgezonden worden.
De beheersing mag hier echter niet alleen liggen op het terrein van het opwekken. Want alleen wanneer onze eigen instelling juist is, voorkomen wij dat onze krachten voor doeleinden worden gebruikt, die wij niet aanvaardbaar vinden. Elke fijn‑stoffelijke kracht, die wordt uitgestraald, vrienden, is nl. reeds een kracht, die gehanteerd kan worden door elke geest, die dicht bij de stof staat. Wij wensen echter niet dat zonder enige discriminatie elke geest ertoe zal overgaan onze kracht te hanteren. Daarom zullen wij onze eigen gedachten zo sterk moeten beheersen, dat wij gedurende de tijd, dat wij met deze kracht werkzaam zijn, geen enkele uitstraling geven, die van lager gehalte en lagere harmonie is. Aldus zult ge ‑ uitgaande van uw hoogste geestelijke beginselen en uw hoogste geestelijke begrip ‑ trachten in zo volledig mogelijke beheersing van uw gedachteleven de kracht op te wekken en uit te stralen met het begeerde doel, dat daarbij tevens in de gedachte wordt vermeld.
Is dit volbracht, dan hebben wij niet alleen de kracht op zichzelf leren uitstralen, maar tevens een begin gemaakt met het inleggen van intenties.
Het inleggen van een intentie kan op vele wijzen geschieden. Er is u reeds gewezen op het feit, dat hiervoor ook bepaalde riten zouden kunnen worden gebruikt. Maar wij wensen geen algemene rite. Wij wensen a.h.w. een persoonlijke rite, want het is noodzakelijk dat onze eigen gedachten volledig zuiver zijn afgestemd op het doel, dat wij wensen te bereiken; en dat wijzelf daarbij tevens zo hoog mogelijk zijn afgestemd en dus vooral de meer goddelijke en lichtende waarden aanspreken.
Het vraagt enige scholing om de gedachten rein te houden van stoffelijke associaties. Toch is het goed als mens steeds weer te trachten een ogenblik na te denken over zuiver geestelijke werkingen zonder daarbij stoffelijke beelden, stoffelijke vergelijkingen en associaties een rol te laten spelen. Leer a.h.w. te denken op abstracte wijze. Ge zult zien, dat dit het u mogelijk maakt uw gedachten zeer sterk aan anderen over te dragen en deze gedachten vergezeld te doen gaan van uw eigen innerlijke krachten, zodat zij in de ander gemakkelijk verwerkelijking vinden.
Hierover is natuurlijk wel meer te zeggen, maar als een begin voor u, mijn leerlingen, mogen hier dan kort de regels volgen, die uzelf daarbij in acht zult moeten nemen. U hebt in uzelf zeer vele krachten als potentie. Deze krachten zijn voor alle mensen gelijk. Doe daarom een keuze voor uzelf uit één van de volgende krachten: vitaliteit; astrale kracht of uitstraling van plasma (ectoplasma); het uitstralen van de krachten der aura, vergezeld gaande van een gedachte.
Indien u één van deze drie als uitgangspunt kiest, zult u, met deze kracht werkende, gemakkelijker tot beheersing komen. Voor het werk met deze krachten zult u uzelf de juiste instelling moe­ten aanwennen. Onthoud, dat elke krampachtige poging tot uitstraling in feite een forceren is van eigen lichamelijke structuur. Dit wordt weer­kaatst in alle fijn‑stoffelijke krachten, die van u kunnen uitgaan. Wees bij elke uitstraling van krachten zo ontspannen mogelijk. Ja, sugge­reer u zelfs enige loomheid, opdat ge op deze wijze gemakkelijker deze kracht kunt activeren en uitstralen.
Probeer niet grote dingen te doen. Indien u uw kracht zou willen gebruiken b.v. voor genezing, stel u dan niet ten doel om alle zieken in de wereld te genezen of één zieke in één ogenblik. Deze taak zult u toch niet kunnen volbrengen. Begin met kleine dingen. Tracht eens schijnbaar onbelangrijke verschijnselen op te heffen. Oefen; en oefen u vooral bij het gebruik van deze krachten in het werken met uitstralingen, waarvan de ander niet weet, dat ze worden uitgezonden. Daardoor krijgt uw experiment een hogere waarde. En wanneer u een intentie hebt uitgestraald, zou ik u willen vragen: probeer om ‑ wanneer u met deze intentie werkzaam bent geweest ‑ voorzichtig en hoffelijk, a.h.w. langs een omweg die niemand stoort, te vernemen, of deze gewenste uitstraling ook maar enigszins is aangevoeld.
Indien u met de geest zou willen werken (wat mogelijk is), zult u daarmee moeten wachten, tot voor uzelf kénbaar wordt, dat uw uitstra­lingen gebruikt worden. Wanneer dit gebeurt met plasma (dus meestal ecto­plasma), zo zal dit voor u kenbaar zijn in een afkoeling van bepaalde li­chaamsdelen. Deze afkoeling is als een tintelende kou en kan soms, wan­neer de kracht langere tijd wordt gebruikt, enkele uren aanhouden.
Indien u echter op deze wijze hebt uitgestraald, zult u moeten leren om u sterk geconcentreerd te richten tot de geest en deze te vragen die kracht terug te zenden, gevolgd door de eis, dat deze kracht tot u terug­keert. Ook dit manifesteert zich weer en wel door een wegvloeien van de tinteling.
Wanneer u gebruik wilt maken van het werk van een geest, dus met een geest samen een bepaalde taak wilt volvoeren, is het u niet mogelijk hierop controle uit te oefenen. Besef dit wel. Voor uzelf zal dit misschien als enige prikkeling of spanning merkbaar worden. Maar het is u onmogelijk precies na te gaan wat er geschiedt. Beperk u daarom in alle fijn‑stoffelijke krachten, die ge bezit, hoofdzakelijk tot werkzaamheden, die ge zelf enigszins kunt controleren.
En dan gaan wij nu over naar de derde soort krachten. U kent deze kracht misschien als gedachtekracht. Stel nu ‑ zoals de ouden deden ‑ dat de gedachten van een mens een uiting zijn van het Goddelijke dat in hem leeft. Wij weten natuurlijk ‑ en dit is ook behandeld ‑ dat vele van de gedachten een stoffelijke oorsprong hebben, Maar stel, dat de kern ervan direct voortkomt uit de ziel. Het is alleen de ziel, die het denkproces werkelijk mogelijk maakt en daaraan hogere dan zuiver materiële waarde verleent. Elke gedachte, die ik uitzend, is daarom een deel van het Goddelijke, zoals het in mij tot uiting komt. Als ik dus een gedachte wil uitzenden, moet ik mij van dit Goddelijke bewust zijn. Eerste eis dus: realisatie van God. Tweede eis: het weten wat de inhoud van de gedachte is. Gij moogt niet onvoorbereid een bepaalde reeks gedachten de wereldruimte in slingeren. Tracht van tevoren zelfs de formulering van uw gedachten vast te leggen. Alleen de voor uzelf aanvaardbare en juist geformuleerde gedachte draagt de gehele kracht en het gehele vermogen van uw wezen in zich en daarbij ook dus van uw geest. De boventonen, die gij misschien niet zult erkennen in stoffelijke vorm, maar die ongetwijfeld aanwezig zijn, zult u bij het gebruik van gedachtekracht vooral in het begin niet te zeer op algemene gebeurtenissen, algemene toestanden richten. Ge kunt dit beter in een meditatieve vorm doen, tezamen met anderen. Indien ge van uzelf uitgaat echter, zult ge moeten trachten om zuiver, helder en begrijpelijk te denken en dit denken te richten op een bepaald doel. Vorm nu van dit doel een voorstelling vóór u begint. Ook het doel moet u kennen. In al deze kennis nl. ligt een groot gedeelte van de beheersing. Door onszelf bewust grenzen te stellen en deze niet te overschrijden ongeacht de verleidingen, die misschien optreden ‑ zullen wij in staat zijn onze kracht ook werkelijk te gebruiken voor het doel, waarvoor wij haar uitzenden. Wij zullen dan onze gedachten werkelijk tot dragers kunnen maken ook van geestelijke krachten; en kunnen daarbij zelfs goddelijke echo’s wekken, zodat vanuit de kosmos zelf onze gedachte wordt beantwoord en in het punt van concentratie wordt versterkt.
Aan de leerling, die deze weg zou willen gaan, geef ik de volgende raad: Begin niet onmiddellijk met het uitzenden van gedachten. Wanneer u dit al doet, doe het voorlopig in meditatieve vorm; dan kunt u weinig schade doen. Begin u eerst te oefenen in het omschrijven van de gedachte, die u wilt uitzenden; daarnaast in het omschrijven van een doel, waarheen u de gedachten zendt. Deze beide dingen zijn noodzakelijk.
Er is voor deze voorstellingen, die ge in uzelf wekt, wel degelijk enige training nodig. Anders bezitten zij niet voldoende substantie, vervluchtigen te snel en wordt u het slachtoffer van uw eigen wisselende gedachtewerkingen, waarbij de uitgezonden kracht als wild geworden heen en weer zwaait. Eerst wanneer u er zich aan hebt gewend het doel van een gedachte zuiver te formuleren, zo scherp, dat u daarin zelf geen enkele dubbelzinnigheid of zelfs dubbelzinnige mogelijkheid ontdekt, kunt u verdergaan.
Ik zou u willen raden de eerste proeven niet op stoffelijke objecten te nemen. U hebt u ongetwijfeld een voorstelling gevormd van bepaalde geestelijke krachten, die met het lot van de wereld zijn verbonden. Ik denk bv. aan onze grote Broederschap en aan de vele grootmeesters van de geest, die daarin werkzaam zijn. Richt uw eerste gedachten op één van hen, waarvan u u een voorstelling kunt vormen. Volsta met het zènden van de gedachte. U zult ontdekken, dat dit voor uzelf inderdaad gevolgen heeft. Gevolgen misschien in wijsheid, misschien ook in begrip. U zult ontdekken, dat contacten ‑ zoals u b.v. met mij als leraar zou kunnen opnemen ‑ eveneens kunnen worden verkregen met de grootste geesten, die ge u maar kunt voorstellen. En dat ge ook daaruit een antwoord krijgt, al is dit niet altijd een antwoord, dat u in de oren klinkt, maar eerder iets, wat in uzelf opwelt. Als u hebt geleerd voor uzelf deze contacten met de géést te vestigen, dan wordt het tijd, dat ge uw gedachte ‑ en dan zo mogelijk weldoend ‑ gaat richten op een enkele mens. Kies daarvoor een mens, die u in principe sympathiek is. Mensen, die u niet voldoende kent, zult ge u over het algemeen in het begin onvoldoende kunnen voorstellen. Tracht niet uw gedachte een te grote, een verstrekkende inhoud te geven, maar concentreer u op één enkel punt. Dit punt zelf mag grote betekenis hebben; b.v. vrede of kracht. Ga in het begin niet verder dan dergelijke begrippen. Eerst wan­neer ge hebt geleerd, dat u door deze uitzending van kracht regelmatig een antwoord krijgt (dat dus de andere persoon daarvan de invloed onder­gaat), zo kunt ge verdergaan en kunt ge steeds meer ingewikkelde opdrach­ten geven, tot gij op de duur uw gedachte kunt maken tot de drager van de werkelijke behoeften van een ander, die hij door onvermogen, onbegrip of andere omstandigheden zelf niet verwerkelijken kan.
Werk met uw gedachten altijd vanuit het Goddelijke en wel naar de vervulling van de bewustwording van een medemens. Als u ontdekt, dat u met één medemens op deze wijze regelmatig contacten kunt krijgen en verscheidene personen achtereenvolgens tot het centrum van deze gedachte-uitzendingen hebt gemaakt, dan kunt u voor het eerst trachten uzelf in te schakelen in het bewust uitzenden van krachten naar grotere kosmische gemeenschappen; gemeenschappen, die op aarde werkzaam zijn. U kunt dan uw gedachtekracht mee doen dragen in deze grote gemeenschappen. Daar ge nu immers beheerst zijt op dit terrein, zult ge bovendien in staat zijn de krachten naar uzelf te doen terugkeren, zodat ge u bewust wordt van hetgeen uw gedachte tot stand brengt. Leer deze echo’s in uzelf vertalen.
Het is niet goed u aan illusies over te geven. In het begin zijn het beelden, die zeer glorieus zijn. Leg deze terzijde. Dan komt een periode, dat ge droomt van mislukking. Leg ook dit terzijde. Dan komt er een perio­de, waarin ge op uw gedachte een aarzeling terugkrijgt; iets wat meer een vraag is dan een antwoord. Tracht deze te ontvangen. Ge zult zien, dat de vragende vorm tevens een verklaring inhoudt en het u zelfs mogelijk maakt tot een steeds juistere afstemming te komen.
Nu zal het u ook duidelijk zijn, vrienden, dat als beheersing bij deze uitstralingen en het gebruik van de krachten, die in u geschapen zijn, zo belangrijk is, het eveneens noodzakelijk is beheersing in acht te nemen in alle aspecten van uw eigen leven. Beschouw echter beheersing nimmer als een juk, dat ge op u neemt. Elke beheersing komt voort uit een natuurlijke erkenning van noodzaken en een natuurlijke aanvaarding van hogere krachten en hoger weten. Eerst wanneer hieraan is voldaan, kan er sprake zijn van een feitelijke beheersing, die het ‘ik’ op zuiver natuurlijke wijze richt naar de grootst mogelijke harmonie met de hoogst mogelijke krachten.
Op het ogenblik, dat uw beheersing voor u een last wordt, iets wat ge uzelf oplegt en waarmee ge voortdurend bezig zijt, zult ge ontdekken dat de beheersing zelf in het dagelijks leven al uw energie verslindt.
Het is niet goed uw energieën in deze beheersing te doen opgaan. Maar als het beheersen beantwoordt aan uw wezen, aan uw streven, aan uw geloof, aan uw denken, dan zult ge ontdekken dat de beheersing, die nu vrij is en zich van ogenblik tot ogenblik kan wijzigen, in feite een zelfvervulling wordt.
Het is de taak van de mens op aarde zichzelf te zijn en zichzelf te vervullen; niet in stoffelijke maar in kosmische zin. Hij zal zijn tekorten in zichzelf erkennen. Maar het is niet genoeg deze te erkennen, men moet ook weten hoe ze te delgen of althans te beperken. Een mens moet in zichzelf ongetwijfeld weten van de banden, die hij met andere mensen en andere geesten heeft. Maar hij moet ook leren, dat deze banden nimmer een last en een juk mogen zijn, maar eerder een aanvaarding van harmonie. En dat slechts waar disharmonieën optreden een beheersing (d.w.z. een terugtrekken en nauwkeurig bepalen van het ‘ik’ en de werkingen daarvan) noodzakelijk wordt.
De beheersing van het ‘ik’ lijkt te veel mensen een harde school.
Maar vrienden, is de hemel hard, wanneer hij regen doet vallen op een uit­gedroogde akker?
Gij, mijn leerlingen, vraag ik: Ben ik hard, wanneer ik waarden herhaal, die u kent, omdat het noodzakelijk is ze te herhalen?
U Zult beseffen dat er dingen zijn, die in het leven moeten worden aan­vaard. Ge zult beseffen dat er voor u zeer vele waarden bestaan, die alleen op een voor u juiste wijze in uw levenspatroon kunnen worden ver­werkt. Hiertoe is het dat de beheersing dient. Want steeds weer wordt u de mogelijkheid geboden vele wegen in te slaan. Maar als ge uw eigen krach­ten juist wilt gebruiken, uw eigen bewustzijn op de juiste wijze wilt zien open bloeien, dan, mijn geliefde leerlingen, zult ge moeten beseffen dat ge uw keuze juist moet doen. Er is voor u uit de veelheid van mogelijkhe­den maar één juiste keuze. En die keuze is nimmer de onmiddellijke vervul­ling van alles, wat ge verlangt en begeert. Maar zij is wel ‑ indien ge uw ogenblikkelijke instellingen leert beheersen ‑ de voor u enig juiste en volledige oplossing. Ze is voor u de opbloei van het ‘ik’, de versterking van innerlijke kracht en de vergroting van harmonie.
Daarom zult ge ‑ en niet alleen wanneer het gaat om krachten, niet alleen wanneer het gaat om magisch geweld, maar ook wanneer het gaat om de een­voudige keuze in uw eigen leven ‑ beheerst moeten zijn. Ge zult moeten be­seffen dat jeugd en ouderdom, dat leven en dood, licht en duister, alleen geregeerd worden niet door de krachten Gods alleen, maar door uzelf. Zoals u leeft, mijn vrienden, zo bent u. Dat is geen schijnvorm. En omdat u bent zoals u leeft, zult u in uw leven moeten leren uzelf te beperken, de juiste weg te kiezen en met waar meesterschap steeds weer uw keuze aan te passen aan uw mogelijkheden.
Wanneer ge altijd weer zó streeft naar de juiste aanvaarding, naar de juis­te instelling, naar de juiste handeling, zult u ontdekken dat u daarin gelukkig zijt. Dat u daarin krachten, dat u daarin vreugden vindt, die u op geen enkele andere wijze zou kunnen verwerven.
Besef dat voor degene, die zichzelf beheerst, niets onmogelijk is. Voor hem zijn alle dingen aanvaardbaar. Hij kan alle dingen doen. Maar hij kan ze alleen doen, indien ze zijn eigen wezen openbaren. Dit is de kern van beheersing.
Ik heb getracht u, geliefde leerlingen, zeer veel mee te delen over de wijze, waarop men zichzelf moet beheersen en waarop men de krachten in de natuur en in de kosmos kan leren beheersen. Maar de kern van al deze dingen is steeds weer: de juiste beheersing van uzelf. Dit is úw wet.
Er is een gezegde: “Waar de krachten der goden falen, daar slaagt de mens, die mees­ter is van zichzelf; want hij stijgt tot de bron, tot de hoogste en scheppende kracht.”
Onthoud dit altijd. Niets wat voor de geest mogelijk is, is u onmogelijk. Niets wat voor goden of engelen of Heren en Heerschappijen mogelijk is, is u onmogelijk, indien u uw juiste weg weet te vinden, als u op de juiste wijze u weet te beheersen.
Uit ervaringen, die ik heb opgedaan, geef ik u daarbij de volgen­de raad: Wen u aan op uw beslissingen niet terug te komen. Wen u aan om, wanneer ge besluit te handelen, doortastend en snel te handelen.
Gewen uzelf steeds weer tot het zuiver richten van uw gedachten, het beperken van het gebied dat ge overdenkt, opdat ge niet in een veelzijdigheid van denken de waarheid teloor ziet gaan.
Zoek niet naar het Oosten of naar het Westen, maar zoek naar de kracht, die in uzelf leeft. Alleen dàn kunt ge waarlijk als beheerste mens voortgaan. Alleen dan zult u in de beheersing van uw ‘ik’ in staat zijn al het andere, wat onder dit onderwerp valt, in een werkelijke praktijk om te zetten, tot zegen van uzelf, tot zegen en vervolmaking van de wereld en tot een bewustwording, die het ‘ik’ onthult in zijn ware gedaante. Dit is de kern.
Ik zeg u dit op deze avond omdat het niet zeker is dat ik nog regelmatig met u zal kunnen zijn. Ik heb u reeds de eerste maal, dat wij elkander hier hebben ontmoet, erop gewezen dat ik althans voor het eer­ste gedeelte uw goeroe wilde zijn. Ik zal gaarne terugkeren en u lessen geven, wanneer het mij mogelijk is. Maar daar de mogelijkheid bestaat dat bezigheden elders en taken, die zwaarder zijn dan dit op zichzelf genoeg­lijk spreken tot u, mij wachten, heb ik getracht u de waarheid te zeggen, die in het onderwerp ‘Beheersing van het ik’ is gelegen.
Beheersing van het ‘ik’ is het ingaan van het ‘ik’ tot het kosmisch wezen en het op de juiste wijze gebruiken van alle krachten, die in de kosmos bestaan via dit ‘ik’.
Gelukkig is hij, wiens schreden gaan op een vast pad. Ook al struikelt of valt hij, zo hij voortgaat, is hij er zeker van dat hij zijn doel bereikt. Maar wee hen, die dwalen. Want hen overvalt de nacht in de wildernis en hun lot is vaak verschrikkelijk.
U weet, ik ben altijd tot uw beschikking. Ik kán u helpen en ik zàl u helpen. De proeven, die daarmee genomen zijn, zowel als de proeven, die u ongetwijfeld nog zult nemen, zullen u daarvan overtuigen. Een echo op een gedachte kan ik u eenvoudig geven; maar het is vaak moeilijk mij geheel vrij te maken om tot u te spreken. En daarom, vrienden, beëindig ik hiermee deze les.
Tot u, die hier aldoor aanwezig bent geweest, zeg ik nogmaals: Onze wegen zijn niet gescheiden. En zo wij elkaar nu niet ontmoeten, zoals u misschien verlangt, zo zult u, indien u mijn leerling wilt zijn, met mij blijven tot u misschien mijn gelijke of zelfs meester bent geworden.

Het denken

De processen van het menselijk denken moeten worden onderscheiden in twee afzonderlijke delen, nl. het geestelijk denken, dat niet tot de stof behoort en het stoffelijk denken, dat onmiddellijk verband houdt met de lichamelijke kwaliteiten en eigenschappen. De tweede groep is a.h.w. de basis voor de eerste, zolang de geest in de stof vertoeft en zich daaruit niet tijdelijk heeft bevrijd.
Daar wij verstandig doen te beginnen bij de grondslag, zou ik aller­eerst het één en ander willen zeggen omtrent het stoffelijk denken.
Een veel groter deel dan de mens gewoonlijk beseft, is hiervan het asso­ciatieve denken. Wanneer wij op een gegeven ogenblik (ik geef een voor­beeld) in de verte kijken, dan zullen wij daarin de verschillende voorwer­pen op een bepaalde grootte waarnemen. Deze grootte maakt het ons moge­lijk de diepte vast te stellen. Het vaststellen van de diepte is een kwestie van een samenspel van twee afzonderlijke zenuwstrengen, nl. die der beide ogen, welke elk weer bestaan uit een reeks staafvormige licht­gevoelige cellen, die hun gezamenlijke prikkels doorgeven aan een deel van de hersenen. Dit deel van de hersenen bestaat uit een aantal cellen, die wij tezamen het visueel herinneringscentrum zullen noemen, omdat hier­in nl. een referentie van reeds bekende impulsen optreedt.
Wat gebeurt er nu? Wanneer u in de verte kijkt, vergelijkt u de twee ten­densen van het oog; maar daarbij zijn beide ogen afwisselend de eerste.
Het is dus lang niet zeker dat één oog altijd de eerste vergelijkende prikkel geeft. De beide ogen zijn nl. in verschillende mate gevoelig.
Zij zijn verschillend gevoelig voor kleur en ook en vooral verschillend gevoelig voor bepaalde kleine afwijkingen in lichtsterkte. Het oog, dat het grootste of het sterkste signaal geeft, zal daarmede het eerst het hersencentrum beroeren. Het tweede signaal komt a.h.w. iets later als een echo. Het is deze echo‑werking, die in het gezichtsvermogen diepte geeft. Wanneer wij getraind zijn, zullen wij een zeer goede kijk hebben op diepte. Maar het schatten van afstanden ‑ wat door deze dieptewerking kan geschieden ‑ is geheel afhankelijk van ons eigen denken, van ons eigen ervaringsleven.
Een kind bv. heeft absoluut geen gevoel voor diepte. In de eerste 4 à 5 maanden zal het bijna tweedimensionaal zien. Het kan nl. de diepte nog niet schatten. Daarna verbetert dit en wordt het in staat raak te grijpen. Dit bewust grijpen wordt gevolgd door het schatten van afstanden; het weet al waar het wel en waar het niet kan grijpen. Niet alleen de richting maar ook de schatting van de afstand is voldoende. Dat leert het kind door zijn ervaring.
Wij kunnen hier veel dieper op ingaan, maar dan krijgen wij een praatje, dat meer over het oog gaat en het visueel centrum. Het is voldoende, als ik u hiermee heb duidelijk gemaakt, dat ervaring (als bij het zien) een zeer grote rol speelt.
Nu wil ik nog een tweede punt aanhalen, nl. dit: wanneer u een kopje van vlakbij ziet, heeft dat een bepaalde grootte. Het vreemde is echter dat, wanneer u dat op den afstand van enkele meters ziet en het dus eigenlijk in uw ogen kleiner zou moeten zijn, u het op dezelfde grootte ziet. Hier treedt eveneens een eigenaardig verschijnsel op. Een gekend voorwerp wordt herinnerd. En het wordt niet herinnerd in zijn nu voor het oog bestaande afmetingen, afstand enz., maar aan de hand van het referentiebeeld, dat in de gedachte reeds bestaat. Wanneer men op een afstand dat kopje waarneemt, ziet men in feite niet dat kopje zoals het nu is, maar neemt daarvoor een vroeger waargenomen beeld in de plaats. Dit wordt gerealiseerd.
Wat betreft het gehoor kunnen wij vele dergelijke werkingen van twee samenkomende prikkels aanwijzen (de stereofonie berust daarop). Bovendien kunnen wij ook duidelijk maken dat het geluid erg suggestief kan zijn en dat deze suggestie zelfs met directe beeld‑associatie gepaard kan gaan. Voorbeeld: In de oude inwijdingsmysterieën bracht men wel eens mensen, die zouden worden ingewijd, in een donkere ruimte. Zij hoorden daarin een slang schuifelen. Maar het was geen slang, het waren gewoon wat dorre bladeren, die in een stuk dunne stof geborgen, licht werden geschud. Onder de kandidaten waren er sommigen, die later beweerden, dat ze een monsterlijk grote slang hadden gezien, die hen echter had laten voorbijgaan. De associatie neemt dus een zeer grote plaats in het stoffelijk denken in, voor zover het de directe waarneming betreft.
Nu doet een mens in zijn leven enorm veel stoffelijke ervaringen op. En al die ervaringen en impulsen worden afgewogen tegen wat reeds aanwezig is. Het nieuwe wordt volledig geregistreerd; maar hetgeen reeds in een soortgelijke vorm bestaat, vormt daarmee eigenaardig genoeg een samengesteld beeld, waarbij de herinnering plus de nieuwe waarneming tot één geheel worden versmolten. Dit geldt zowel voor de onmiddellijke referentie bij waarneming als voor een latere reactie, waarbij dus dit geheel als herinnering optreedt. Dit is ongetwijfeld een zeer complex geheel van gedachten. Een complex, waarin automatismen e.d. een grote rol plegen te spelen en waarin wij zeker ook nog wel de werking van bepaalde instincten kunnen aantonen. Een lagere diersoort heeft erfelijk een aantal z.g. denksporen meegekregen. Er is een gedachteleven, dat vager is en minder complex dan dat van de mens. Desalniettemin een denken. Dit denken nu wordt door erfelijke aanleg bij voorkeur in bepaalde banen geleid, zodat zekere waarnemingen binnen de soort bijna altijd gelijke reacties wekken. Slechts door voortdurende training of dressuur kunnen wij daaraan iets veranderen. En zelfs dan zal na het wegvallen van de dressuur het dier toch naar zijn ingeschapen denksporen teruggaan.
Ook de mens heeft een zeker aantal denksporen. Door de prikkels die hij ontvangt, onverschillig of deze uit lezen (associatie met woord­betekenis), uit horen (woord‑associatie door het gehoor) of uit directe beleving voortkomen, zal hij altijd hoofdzakelijk een vast spoor volgen.
Dit vaste spoor staat voor een groot gedeelte ook weer in verband met zijn karakter of, liever gezegd, met zijn stoffelijke kwaliteiten.
Voorbeeld: Iemand komt uit een gezin, dat wat overspannen is en waarbij dus vooral de schrikimpuls zeer sterk is. Deze blijkt erfelijk, want enke­le geslachten terug ook reeds aanwezig te zijn. Een onverwacht gebeuren zal dan bij zo iemand onmiddellijk een schrikimpuls wekken, ook wanneer er geen reden toe is en het gedachteleven zal zelfs de schrikreden, de schrikbeelden aanvullen, in zoverre die in de werkelijkheid niet aanwezig zijn.
Hetzelfde vinden wij waar bv. seksualiteit sterk is ontwikkeld, nl. de neiging om alles met het seksuele te associëren.
Waar bezitzucht zeer groot is (dit is in feite een vorm van innerlijke on­zekerheid), wordt bezit en bezitsbedreiging de eerste reactie. Men zou zeggen: dit ligt alleen in het gedachteleven. Maar dat is niet waar. Het is voor een gedeelte te wijten aan een a.h.w. geprepareerd zijn van de hersenen, waardoor sommige associaties sneller en vlotter optre­den dan andere.
U zult begrijpen dat wij dus het denken op zichzelf in stoffelijke zin in de eerste plaats wel moeten zien als een uiting van het lichaam, waarin wij leven. Het is het lichaam met zijn kwaliteiten plus ongetwijfeld zijn levenservaring, dat uitmaakt wat wij in de wereld werkelijk zien, wat wij beleven; maar ook welke conclusies wij trekken, op welke wijze wij feiten met elkaar in verband trachten te brengen. Hieruit volgt dat elke mens in zijn denken en zijn gedachteleven stoffelijk moet worden beschouwd als voorbeschikt en beperkt en niet in staat door stoffelijk denken alleen een absolute waarheid te beseffen of te omvatten.
Nu heb ik hier echter het directe denkvermogen (de hersenen eigenlijk) allereerst onder de loep genomen. Het blijkt dat ook een groot gedeelte van het menselijk denken niet onmiddellijk ter beschikking staat. Daarvan krijgen wij dus geen directe reacties. Wij zullen dit denken meestal onderbewustzijn noemen, ofschoon het in sommige gevallen ook nog wel verder te klasseren is. Besef wel, ook dit denken is primair stoffelijk, zelfs wanneer daarin geestelijke invloeden een rol spelen.
Wat gebeurt er nu krachtens dit onderbewustzijn en in dit onderbe­wustzijn?
Wanneer u waarneemt, worden er zoveel prikkels gelijktijdig ontvangen en gelijktijdig getoetst in de hersenen en in bepaalde cellen aan a.h.w. vast­gelegde gegevens, dat het directe bewustzijn alleen de sterkste daarvan onmiddellijk zal kunnen erkennen. Er blijven dan enkele klassen van minder sterke prikkels over.
Ik geef een voorbeeld om dit duidelijk te maken: U gaat naar een theater. Het stuk is buitengewoon spannend, u ziet het, u beleeft, u ondergaat het. U hebt dus onmiddellijk een deel daarvan ver­werkt. Wanneer u echter daarover later gaat nadenken, ontdekt u vele de­tails, die u eerst dus niet bewust had waargenomen. Het blijkt dat een deel van uw herinneringsvermogen niet onmiddellijk kon spreken, maar la­ter toch nog in staat is het bewustzijn te bereiken. Daaràchter verborgen ligt bv. de waarneming van het decor, van details, van de kostuums, die u zich niet bewust kunt herinneren, maar die bv. onder hypnose teruggeroepen kunnen worden. Dááronder ligt nog weer de waarneming van bv. de zaal, waarin het stuk werd gegeven. Het is heel moeilijk u in een toe­stand te brengen, dat dit deel van het bewustzijn toegankelijk wordt.
Maar het volledige beeld kan hernieuwd worden opgeroepen en daaruit kan dan elk detail afzonderlijk worden bestudeerd.
Nu blijkt dat in dit onderbewustzijn niet alleen prikkels worden neergelegd, welke te zwak waren maar ook prikkels, die daartoe te sterk waren. Zij zijn nl. zo sterk, dat ze in hun werkelijke betekenis niet kunnen worden gerealiseerd en naar het onderbewustzijn worden verwezen. Deze prikkels zijn vaak zo sterk, dat ze op de directe waarneming en het direct redelijke denken een grote invloed zouden kunnen uitoefenen. Het gevolg is dat bij te sterke prikkels iets ontstaat, wat wij noemen ‘een blok’. De waarneming is in een soort fuik gezwommen en kan daar niet meer uit. Ook van dergelijke impulsen zult u er vele in uw onderbewustzijn hebben opgeslagen.
In dit onderbewustzijn nu zijn een groot aantal cellen gegroepeerd rond de denksporen. Maar ze zijn te zwak; ze hebben op de onmiddellijk inkomende prikkels niet voldoende invloed om een directe associatie te wekken. Wij kunnen hier misschien het best een vergelijking maken.
U weet dat in een magnetron een groot aantal magneten is opgesteld. Wanneer deze op de juiste wijze zijn ingeschakeld, versnellen ze de baan­werking van de kleinste deeltjes, die daarin moeten circuleren.
0p dezelfde wijze kunnen nu onderbewuste impulsen een versterking beteke­nen van een inkomende prikkel, die dus wel redelijk wordt erkend, maar een ‑ naar verhouding tot de waarneming ‑ buitengewoon sterke indruk, een buitengewoon sterke realisatie veroorzaakt. Wij kunnen echter ook zien dat het onderbewustzijn om de één of andere reden de waarneming remt.
Wanneer het remt, zullen wij aan de dingen voorbijgaan. Een voorbeeld hier­van is het z.g. Oost‑Indisch doof zijn, waarbij iemand werkelijk iets niet hoort, wat hem niet interesseert. Het onderbewustzijn zegt: “Dit is onbe­langrijk; ik heb andere dingen, die belangrijker zijn” en remt de prikkel zodanig af, dat ze niet onmiddellijk wordt gerealiseerd. Er zijn hiervan natuurlijk vele andere voorbeelden te geven.
Een derde verschijnsel (ik blijf maar even bij mijn vergelijking van de magnetron) zou kunnen voorkomen, wanneer een bepaald aantal magneten wél op de juiste wijze versnellend werken, maar andere gaan tegenwerken. Wij krijgen dan een baanafwijking; d.w.z. het kleinste deeltje gaat een slingerende beweging maken en zal misschien ergens tegen de wand van de magnetron botsen.
Een gedachte, die binnenkomt en gedeeltelijk door het onderbewustzijn wordt bevestigd (dus bespoedigd) en gedeeltelijk wordt ontkend, wordt van de nor­male denkbaan afgetrokken. Zij komt in een ander en wel in het dichtstbij­zijnde parallelle denkspoor terecht, maar vormt daarbij een reeks associa­ties, die niet meer normaal zijn. De associaties zijn nl. verschoven.
U kunt hiervan aardige voorbeelden zien, als mensen iets moeten beschrij­ven, wat ze hebben gezien en waarvan ze werkelijk onder de indruk zijn. Een auto‑ongeluk bv. of iets dergelijks. Het blijkt dan dat sommigen van hen gevaar associëren met blauw, anderen met rood, weer anderen misschien met zwart. In 9 van de 10 gevallen zullen dergelijke kleuren in de beschrij­ving voorkomen, ook wanneer ze feitelijk niet aanwezig waren. Er is dus via het onderbewustzijn een afwijkende associatie ontstaan.
Dan zult u ook begrijpen dat het onderbewustzijn in staat is om het norma­le denken, zoals eerst omschreven, af te leiden, af te doen wijken van de voor de persoonlijkheid geldende norm en daarbij totaal andere associaties (en daarmee ook reacties) te wekken, dan oorspronkelijk zouden kunnen worden verwacht. Het onderbewustzijn zal ‑ ongeacht het feit, dat het zel­den of nooit gehéél toegankelijk is ‑ toch op praktisch alle binnenkomen­de prikkels (waarnemingen, gedachteassociaties enz.) een invloed uitoefenen en daaraan volgens eigen inhoud een zekere tendens geven. Dit is dan ongeveer de basis van het denken op zichzelf.
Wij moeten nu overgaan tot het geestelijk denken.
Allereerst wil ik erop wijzen dat het onderbewustzijn met zijn vele cellen – waaronder er vele zijn, die een niet direct kenbare functie hebben – in zeer vele gevallen geestelijke impulsen opneemt. Deze impulsen kunnen onmiddellijk uit een geestelijke wereld komen; zij kunnen uit de eigen geest afkomstig zijn; zij kunnen daarnaast ook aan gedachtestromingen rond u (dus van aan de geest verwante invloeden uit uw eigen wereld) ontleend zijn. Waar echter de eenheid met en de storingvrije ontvangst (als ik het zo eens mag uitdrukken) van het eigen ‘ik’ het grootst is, zullen de geestelijke impulsen van het eigen ‘ik’ in dit onderbewustzijn wel bijzonder sterk worden vastgelegd. Daar het voor de geest mogelijk is om in het onderbewustzijn een bepaald aantal associaties te volgen en ‑ door er haar eigen impulsen aan toe te voegen ‑ deze enigszins (al is het niet volledig) te wijzigen, zal hij via het onderbewustzijn op al het denken, elke associatie en ieder handelen wel degelijk een invloed uitoefenen, die wel niet direct doorslaggevend is maar ongetwijfeld, waar de mogelijkheid bestaat een keuze te doen, een voorkeur kan scheppen.
Wanneer wij dit hebben vastgesteld, moeten wij ons bezighouden met de geest.
Het denken van de geest precies beschrijven, is buitengewoon moeilijk. Wij hebben dat al eens eerder geprobeerd en ik geloof dat wij het best doen te volstaan met de vaststelling dat de intensiteit van trilling (de eigen trilling van de geest) bepaalde harmonischen en variaties ver­toont, waardoor a.h.w. een verschil in dichtheid ontstaat. Er is dus voor datgene, wat de geest van buiten opneemt, meer of minder weerstand.
Daardoor worden in de geest dan bepaalde gedachtesporen gelegd. Daarbij blijkt dan dat voor de geest de minste weerstand altijd optreedt ten aan­zien van de haar bekende gebieden; terwijl dat, wat haar totaal onbekend is, betrekkelijk moeilijk bereikt kan worden. Hij heeft daartegen een zeer grote weerstand en zal het slechts stukje bij beetje leren kennen.
Wij moeten verder vaststellen dat de menselijke geest, althans wanneer hij niet onmiddellijk met het lichaam is verbonden – en dat kan zijn in een ogenblik van verstrooidheid, van sluimering, slaap, uittreding enz. ‑  over het algemeen zeer gevoelig is op zijn  eigen golflengte, dus voor zijn eigen trillingsgetal. Hij neemt uit zijn eigen wereld en omlig­gende werelden voortdurend trillingen, d.w.z. ervaringen op. Er is dus bij de geest sprake van een denkproces, dat niet volledig parallel loopt met het stoffelijk denkproces, als hierboven omschreven. Het gevolg is dat de geest zelf de invloed, die hij in de hersenen legt, voortdurend tracht te wijzigen. Waar een eenmaal in een hersencel vastgelegde prik­kel echter betrekkelijk moeilijk kan worden uitgewist ‑ daarvoor is a.h.w. een schok nodig ‑ zal hij eerder volstaan met het toevoegen van nieuwe elementen, dan dat hij overgaat tot het uitwissen van oude, onbelangrijke of nu misschien verkeerd lijkende elementen. Zo kan dus de geest in het denken de tendens der gedachte wel degelijk bepalen en zal zij deze tendensen voortdurend kunnen wijzigen, ofschoon hij zich daarbij in hoofdzaak baseert op het reeds aanwezige.
Verder moeten wij vaststellen dat het denken van de mens wordt aangevuld door een groot aantal lichamelijke automatismen. Deze worden voor het merendeel bestuurd door de kleine hersenen, die echter wel di­rect in verband staan met de grote hersenen. Wanneer nu een prikkel van voldoende kracht de grote hersenen raakt, zal deze ‑ na het redelijk pro­ces te hebben gevolgd of bij te sterk signaal naar het onderbewustzijn te zijn verwezen ‑ gelijktijdig nog zijn kracht overdragen aan dit automatisch bestuur van het lichaam.
Deze automatismen beïnvloeden nu o.m. de afscheidingen in het lichaam, die de onderlinge werking der organen bepalen (de z.g. interne secreties), dus de omzettingen in het lichaam; daarnaast zijn zij aan­sprakelijk voor b.v. de hartslag; zij kunnen bepaalde spier‑ en zenuwtrek­kingen veroorzaken; zij kunnen reeds vastgelegde, veel voorkomende impul­sen zonder een direct gedachteproces doen ontstaan en zouden aldus voor het lichaam een groot aantal veranderingen in de toestand kunnen betekenen.
Nu is de mens gelukkig zo, dat hij ‑ wanneer een bepaalde impuls te vaak gaat optreden ‑ dit automatisch denken daarop maar heel zwakjes reageert. De voortdurende herhaling van prikkels in het redelijk denk‑ en waarnemingsvermogen vermindert de automatische reactie van het lichaam. Wanneer nu echter een prikkel binnenkomt, die een reeks automatische reacties in het lichaam veroorzaakt, verandert hiermee ook de spanning a.h.w. van het zenuwstelsel. De intensiteit, waarmee men op dat ogenblik bestaat, wijzigt zich. U kent dat door de begeleidingsverschijnselen: uw hart gaat sneller kloppen, u gaat sneller ademhalen, u krijgt kippenvel. Deze processen echter betekenen ook, dat een grotere intensiteit van denken ontstaat. Hoe groter deze intensiteit van reactie van het ge­hele zenuwstelsel is, hoe sterker de geest op zijn beurt wordt beroerd.
Een groot deel van het geestelijk denken is dus mee op de emotie geba­seerd. Want het is deze emotie, die de scherpste reacties op het stoffe­lijk gebeuren en ervaren in de geest kan veroorzaken.
Er blijft mij aan het einde van dit betoogje alleen nog op te merken dat, waar natuurlijk ook wederkerige beïnvloedingen (bovenbewustzijn, tele­pathie met eigen wereld) en beïnvloedingen van buitenaf (ik heb ze zo-even reeds aangestipt) door andere geesten mogelijk zijn, in het direct stoffelijke denken van de mens een selectie‑proces optreedt, dat ofschoon het in de eerste plaats door eigen geest wordt bepaald, mee door de entiteiten wordt beïnvloed, die door het huidige gedrag, de huidige wijze van leven e.d. worden aangetrokken.
En in de derde plaats ‑ en dat is zeer typisch ‑ dat in het denkvermogen bepaalde associatie‑mogelijkheden zullen ontstaan door deze geestelijke im­pulsen, die voor de normale mens een denken mogelijk maken dat plotseling boven de eigen capaciteit uitgaat. Het is waarschijnlijk het begin van inspiratief denken, ofschoon deze inspiratie nog op de in het ‘ik’ bestaan­de maar niet gerealiseerde kennis berust.

Intellect of verstand

Er wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen de mensen op grond van hun intellect of hun verstand. Men vergeet hierbij over het algemeen dat hun denkprestatie hier wordt beoordeeld volgens de gemeenschappelijk gel­dende normen, dus aan de hand van het gemiddeld erkende.
Iemand dus, die zeer intelligent is of zeer veel verstand heeft, maar op een terrein dat niet algemeen als verstandelijk wordt erkend, zal dom wor­den genoemd.
Hieruit volgt reeds dat het menselijk oordeel omtrent het al of niet intelligent zijn zeker beperkt is. Ja, ik wil zelfs verdergaan; degenen, die een intelligentiequotiënt vaststellen, doen dit volgens hun eigen normen en deze normen maken het hun onmogelijk een werkelijk genie te ontdekken. Zij kunnen alleen diegenen ontdekken, die een zeer verrijkend begrip en een vèrrijkende kennis hebben omtrent de gangbare opvattingen en meningen. Elke afwijking wordt echter gestraft door het intelligentiequotiënt lager te stellen. Hieruit volgt dus in de eerste plaats dat iemand, die dom wordt genoemd, het lang niet altijd behoeft te zijn. Daarnaast echter zien wij dat men iemand dom noemt, omdat hij bv. steeds weer dezelfde fouten herhaalt; of omdat hij niet in staat blijkt bepaalde gegevens in zich op te nemen. Deze z.g. domheid ontstaat ook door zuiver psychologische invloeden als bv. woordblindheid of leesblindheid. Maar wij moeten wel beseffen dat dit met het feitelijk verstandelijk vermogen weinig heeft uit te staan. Eenieder zal in zijn denken in de eerste plaats datgene kunnen opnemen en het snelst kunnen associëren, wat volledig in overeenstemming is met de erfelijk bestaande denksporen. Het gevolg is dat een boer misschien volgens een stadsmens erg dom kan zijn, ofschoon hij omtrent de groei en bloei rond hem, het leven van de dieren en de mogelijkheden om gebruik te maken van de omstandigheden, zeer veel meer weet en zeer veel meer leert, dan ooit voor een stadsmens mogelijk zal zijn. Er is dus in feite sprake van een differente ontwikkeling.
Wanneer wij in een normale maatschappij iemand ontmoeten, die dom wordt genoemd, dan vergeten wij maar al te vaak dat in het menselijk ge­slacht ‑ en vaak nog niet eens zo erg lang geleden ‑ totaal andere le­vensomstandigheden hebben gegolden dan heden en dat ook de maatschappe­lijke normen en verhoudingen geheel anders waren. Dat dus dientengevolge in de oudheid het genetisch denkspoor een andere richting had dan heden ten dage.
Wanneer wij nu door een terugval op een vroeger type genetisch deze denk­sporen of denkafwijkingen of besturing van eerste associatie zien optre­den, dan zal zo iemand in zijn eigen maatschappij dom worden genoemd.
Hij is het dus feitelijk niet, maar zijn associatievermogen verschilt van dat van de anderen.
Ten slotte blijkt dat er mensen zijn, die in hun hersenen a.h.w. een grotere impulssterkte behoeven dan door andere dan directe ervarin­gen kan worden gegeven. Deze mensen zullen dus een gedachte, die een an­der hun doet lezen bv., niet direct kunnen verwerken. De impuls is zo zwak, dat ze wel in het onderbewustzijn wordt opgenomen, maar niet het re­delijk denken en het bewustzijn bereikt. Men zegt dan dat zo iemand leer­-traag is. En wij weten dat deze afwijkingen bv. ook voorkomen t.o.v. auditief of visueel leren. Er zijn mensen, die het gesproken woord onmid­dellijk en goed kunnen onthouden, maar die lezende niets kunnen begrijpen en ook niets kunnen onthouden; en omgekeerd.
Hieruit volgt m.i. dat er beperkingen kunnen bestaan. Wanneer deze be­perkingen zover gaan dat een mens de huidige leermiddelen, leermoge­lijkheden en de voornaamste in de wereld optredende prikkels niet kan vatten, zal een deel van de hersenen dan niet bewust worden geactiveerd en deze mens daardoor eveneens dom of minder intelligent schijnen.
Wanneer echter elke mens ‑ en dat geldt voor iedereen, enkele ziekelijke afwijkin­gen uitgezonderd – iedereen de mogelijkheid krijgt volgens zijn gene­tisch vastgelegde mogelijkheden te leren denken en associëren, zo zal hij een ongeveer gelijke top bereiken als vele anderen.
Het tegendeel van dom zijn, dus het wèl intelligent, ja, zelfs ge­niaal zijn, ontstaat meestal doordat een zo grote reeks van denksporen aanwezig is, dat associaties kunnen optreden tussen verscheidene gebie­den. Eén impuls brengt zoveel associaties teweeg, dat daaruit een nieuwe impuls ‑ en nu wèl een totaal beeld volgens alle ervaringen ‑ kan optre­den, dat een nieuwe visie mogelijk maakt.

Obsedering ofwel aanhechting ofwel gedeeltelijke inbezitneming.

Wanneer een obsessie door een geest ontstaat, kan hij o.m. op de vol­gende wijze tot stand komen:

1.Een direct gebruikmaken van de mogelijkheid om bepaalde associaties, die reeds aanwezig zijn, zozeer te versterken, dat zij het gedachteleven gaan domineren. Hierdoor wordt het mogelijk een mens ontvankelijk te maken voor prikkels tot het verrichten van bepaalde handelingen.

2.Het is mogelijk ‑ en dit doet men hoofdzakelijk via het onderbewustzijn ‑ bij de onderbewust ontvangen prikkels voortdurend die van zich­zelf te voegen en daarbij uit de waarneming bepaalde elementen te doen wegvallen om daarvoor in de plaats andere elementen te doen op­treden. Men gaat dus a.h.w. een deel van de eigen ervaring zover mogelijk substitueren voor de onderbewust inkomende prikkels van de persoon zelf.

U begrijpt, dat dit ook weer sterke afwijkingen in het gedachteleven kan veroorzaken, waarvoor dan ‑ mits de impulsen sterk genoeg worden gelegd ‑ dus weer een dwangverschijnsel optreedt. Deze wijze wordt echter alleen gebruikt door hoog‑bewuste geesten. Er is hier nl. sprake van een zekere kennis van het menselijk lichaam, van de menselijke uitstraling en verder van een zeer juiste kennis van de in de aura gereflecteerde uitstralingen, door welke men dus aanzet op het onderbewustzijn.
Een andere methode van obsedering is het zich meester maken van een deel van het lust‑ of gevoelsleven van de mens. Wanneer u nl. een bepaalde emotie lang genoeg in stand weet te houden, ontstaat een praktisch blijvende wijziging van afscheidingen binnen het menselijk lichaam.
En door deze verandering wordt dus een reeks valse signalen naar de her­senen uitgezonden en ook weer ‑ let wel!‑ naar de eigen geest, die daar­door wordt misleid en, reagerend op het valse signaal, zeer vaak met de obsederende geest zal samenwerken, ofschoon dit dus uit een misvatting ontstaat. Dit laatste komt niet voor bij hen, wier bewustzijn de vormwe­reld heeft overschreden, maar bij elke vormbewuste geest kan deze vorm van misleiding wèl optreden. In deze gevallen krijgen wij te maken met een vertekenen van de werkelijkheid, waarbij dus wel in overeenstemming met de realiteit wordt gereageerd maar op een andere dan normale wijze.
Een volgende mogelijkheid van obsessie is wel om het eigen geestelijk leven met uiterste concentratie direct te projecteren in de denkcentra van de mens. Dit zullen dus in de meeste gevallen bepaalde geheugencentra zijn. Zijn het geheugencentra, dan zal de mens zich vele dingen gaan herinneren en deze herinneringen ‑ omdat ze zo sterk op hem afkomen ‑ dikwijls zien als de huidige werkelijkheid. Hij vervangt in deze zijn huidige werkelijkheid bepaalde beelden door andere, die in hem leven en komt zo tot een leven in een irreële wereld, waarbij zijn handelen volgens die wereld logisch is, maar voor de buitenwereld onbegrijpelijk wordt.
En dan nog een methode: bij obsedering ‑ we hebben dit alles dus bezien in het lagere peil ‑ kan gebruik worden gemaakt van bepaalde lustemoties in de mens, vooral wanneer deze gepaard gaan met z.g. complexen, dus in het eigen leven onderdrukte gedachten, impulsen, daden e.d. Door deze zeer sterk te activeren is het mogelijk het eigenlijke blok te omgaan en dus ‑ maar nu op een voor het ‘ik’ van de mens aanvaardbare manier ‑ deze gedachten voortdurend in het spel te brengen. Hierbij ontstaat een directe vertekening van de werkelijkheid, die in feite uit het menselijk denken zelf voortkomt en wordt gebruikt als een rationalisatie voor de impulsen, lusten en gevoelens, die men ondervindt door de opgelegde geestelijke prikkel.
Het is duidelijk dat, wanneer deze wijzen van ingrijpen door een lagere geest ver worden doorgevoerd ‑ een hogere geest zal nooit zo volledig ingrijpen ‑ de mens kan worden geacht bezeten te zijn en dat er verschijnselen kunnen optreden van bepaalde vormen van waanzin, waarbij eigenaardig genoeg dementia praktisch niet voorkomt, maar uitingen van schizofrenie ‑ ook wanneer deze niet feitelijk in de mens liggen ‑ zeer sterk op de voorgrond treden. Het gevolg is dat zeer velen, die op een dergelijke wijze worden geobsedeerd, ten slotte volgens de medische wetenschap schizofreen zijn.
De hogere geest zal onder omstandigheden echter ook willen ingrijpen en helpen. Hij kan dit nimmer doen door zijn impulsen sterk in de mens te leggen op een zodanige wijze, dat deze buiten zijn eigen weten om en door vertekening van zijn eigen weten of reageren tot daden komt, die hij anders niet zou stellen. Hij maakt daarom voor hem vormen van wat wij noemen ‘obsederen’ (je zou het in dit geval beter inspireren kunnen noemen) gebruik van een aanzet op de aura. En bij deze aura geeft hij de voorkeur aan de z.g. zwakke plaatsen.
In het geval van aanhechting in de aura, dat ik als geval 2 beschreef, zal trouwens ook de duistere geest dit gaarne doen. Door een z.g. zwakke plaats te nemen, hebben wij een punt, waarin een zeer lage frequentie bestaat en waaraan wij onze eigen frequentie van trilling en denken kunnen overdragen. Zo ontstaat dus (binnen de aura, wel te verstaan) een reeks impulsen, die ‑ vooral wanneer ze door de hogere geest worden gewekt ‑ in de eerste plaats op het levenslichaam overgaan. Uit het levenslichaam wordt het door de eigen geest gerealiseerd en door de eigen geest, die daarvoor mee de kracht van de inspirator kan gebruiken, omgezet in een directe daaddwang, die echter altijd voor de eigen geest verantwoord is en waarvoor de eigen geest te allen tijde de beslissing en de verantwoordelijkheid draagt.
Ik mag hier ten slotte nog aan toevoegen dat er zeer vele vormen van obsedering bestaan, die nimmer onder de aandacht komen, omdat zij in overeenstemming zijn met in de maatschappij geldende gebruiken. Wanneer deze er zich echter tegen verzetten, dan kan ‑ ook al is de impuls op zichzelf lichtend ‑ deze door hem dikwijls als een slechte obsessie worden ervaren.