De belangrijkste waarden

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 21

3 juni 1956

Op deze ochtend zou ik wederom graag met U willen spreken over verschillende punten, die door Jezus met Zijn leerlingen warden besproken. En waar het mijn gewoonte is, wanneer wij dit bespreken om steeds weer een bepaald onderwerp naar voren te halen, heb ik deze keer naar iets gezocht, dat voor ons ook van praktische waarde en belang kan zijn.

Het is natuurlijk altijd mogelijk om veel hoge en esoterische wijsheid naar voren te brengen. Maar in de eerste plaats hebben mens en geest behoefte aan een praktische leidraad. Aan iets, waar je in de praktijk iets mee kunt beginnen.

Zo is het dan ook gebeurd, dat Jezus Zijn leerlingen, die zichzelf reeds zagen als de behoeders van een groot rijk, er op wees, dat juist in het kleine en het nederige de belangrijkste waarden liggen van het geestelijk rijk

Het begon met een ietwat dwaze opmerking van Simon, die later Petrus genaamd werd. “Heer, gij hebt ons gezegd, dat het goed is om weldadig te zijn en de gevangenen te bevrijden. Maar hoe kunnen wij in een wereld orde scheppen, wanneer we gevangenen moeten bevrijden?”

Het antwoord van Jezus was: “Elke mens heeft zijn fouten en zijn dwaasheden. Het is ons niet mogelijk te zeggen, waarom onze medemens heeft gezondigd. Zo hebben wij ook niet het recht om hen te oordelen. Wanneer gij zegt tegen een ander: “Gij zijt schuldig,” zo kunt gij met hetzelfde recht zeggen: “Broeder, ik ben schuldig.”

En zo zeg ik U: Troost de bedroefden, bevrijd de gevangenen, verpleeg de zieken. Want de bedrukten zijn gevangen in een ban van geestelijke waan, waarin zij de goedheid van onze Vader vergeten. Door hen te troosten, breken wij de poorten, die zij voor zichzelf gesloten hebben, open en tonen hun opnieuw de onmetelijke liefde van God, de onmetelijke liefde van de Vader, Die te allen tijde met ons is.

Door een gevangene te bevrijden geven wij hem de vrijheid van handelen terug, opdat zijn daden mogen zijn: een herstellen van hetgeen hij volgens eigen weten aan kwaad heeft gedaan. Wanneer wij de zieken verplegen, zo drijven wij de ban van kwade geest of lichamelijke fouten uit, opdat ook zij vrij mogen zijn om in volle vreugde en vol leven te zoeken naar de weg, die leidt tot het Huis mijns Vaders.”

Wij weten allen, dat de apostelen vaak wat dwaas waren. Niet dwaas in de zin van “narren”. Maar dwaas, omdat zij niet begrepen, wat Jezus kwam brengen. Zo is het dan ook begrijpelijk, dat er onmiddellijk een protest kwam; “Maar Heer, indien wij een ieder de vrijheid geven, zo zullen wij slaven zijn. Want wij geven anderen de vrijheid, doch anderen zullen ons de vrijheid ontnemen.”

Het antwoord geeft nog duidelijker dan het voorgaande weer, waarom het voor ons noodzakelijk is anderen elke vrijheid te gunnen. “Gij zijt vrij, Want gij weet, dat in U is het Rijk van onze Vader, het Koninkrijk Gods. Doch deze anderen, zij zoeken God nog in de wereld buiten zich. Zo zijn zij de gevangenen. En indien men Uw lichaam kluistert, indien men U verbiedt een wereld te spreken, zo zijt gij nog vrij. Want in U is God en in de Vader is alle “zijn” geborgen.”

Het lijkt mij, dat dit een goed begin is om aan de praktische kant van het leven te denken. Want uiteindelijk bestaat een groot gedeelte van ons leven er in, dat wij anderen vrijheden misgunnen, willen ontnemen, dan wel anderen veroordelen.

Er zijn zoveel mensen, die verklaren: “Wanneer een ander zichzelf schaadt door eigen dwaasheid, is het niet mijn taak om deze mens te helpen of te genezen of vrij te maken. Heeft hij niet zichzelf tot deze zaak gebracht? Is hij niet zelve de oorzaak van de band, die hem bindt? Waarom zal ik mijzelf dan vermoeien om deze mens te helpen en te bevrijden?”

Zo zijn zelfs zij, die zich van het oordeel onthouden, vaak hard tegen de mensen. En Jezus leer kent maar één hardheid: hard zijn tegen jezelf. Jezus oordeelt niet. Jezus vraagt niet, of de misdadiger schuldig is of niet. Hij zal hem de vrijheid willen geven. Ja, verder, Hij vraagt de zieke niet, door welke schuld hij zich deze ziekte op de hals heeft gehaald. Hij vergeeft hem zijn zonden. Dat wil zeggen, Hij draagt zelve deze schuld en stelt deze mens opnieuw vrij in de wereld om te gaan, om te handelen en het beter te doen.

Dit is iets, dat wij over het algemeen niet zo makkelijk doen. Wij zien onszelf als belangrijk en menen, dat een ander zich dan ook naar ons moet voegen. Wij zien onze eigen daden en handelingen als gerechtvaardigd en dus goed. En wij vragen ons niet af, of dit voor ieder ander gelijkelijk het geval is.

Jezus verweet Zijn leerlingen ditzelfde eens in de volgen de woorden: “Gij gaat met Mij en zijt met Mij alle dagen. En toch meent gij, dat gij meer rechten hebt dan Ik. Want ziet, geen woord ontvliedt aan Mijn ziel, geen woord welt uit Mijn mond, dat spreekt tegen de mensheid. Slechts één ding, één punt zal Ik altijd trachten de mensheid te ontnemen. Eén vrijheid geef Ik hun niet. En dat is de vrijheid om anderen terug te houden van mijn Vader, Die hen roept.

Gij zegt “wij” en gij verheft U op Uw Meester. Ik zeg U: “De armsten der armen, die gebogen in het stof aarzelend hun wegen gaan, verkocht door schuld, zij zijn meer dan gij. Want zij verheffen zich niet op zichzelf, maar kennen slechts één toevlucht: de machtige God, Die de rechtvaardiging is van alle dingen.”

U begrijpt, dat een dergelijke uitspraak voor vele leerlingen bitter was. In dit geval, is er slechts één geweest, die zweeg. Dat was Johannes. De anderen zeiden allen: “Maar Meester, wanneer wij toch door U komen tot deze wijsheid, wanneer Gij toch de Verlosser zijt, de Messias, en wij gaan tot U, zo zouden wij ons onderwerpen aan het oordeel van het slijk der aarde?”

Toen antwoordde Jezus dit: “Niets kan U oordelen noch veroordelen dan de Schepper Zelve. Zo gij echter oordeelt over anderen en spreekt over “slijk der aarde,” zijt gij dan niet als degenen, die gij meent te moeten veroordelen?”

Mijne vrienden, hier ligt het grote probleem van ons allen. Wij matigen onszelf rechten aan, die wij anderen niet geven. Wij menen te kunnen steunen op onze bekwaamheden en weigeren vaak die van anderen te zien. Wij pronken met onze eigen goedheid zowel als onze eigen fouten en menen daardoor boven anderen verheven te zijn. Zo zeggen wij immers: “Wij hebben de waarheid.” Zo zeggen wij immers: “Aan ons wordt steun gegeven en wij ontvangen de kostelijke lering.” Maar weten wij dan, wat zich af speelt in het binnenste van een ander? Dat mogen wij eenvoudig niet doen.

Jezus heeft trouwens in vele opzichten Zijn leerlingen lessen gegeven. Want eens kwamen er wat Farizeeërs en ze trachtten Jezus zoals gebruikelijk was in een val te lokken. Jezus nu gaf hun een antwoord, dat alle partijen bevredigde, en dat men Hem niet kon wijten als dwaasheid of verwerping van oude waarden. En Hij sprak vriendelijk tot dezen, die kwamen en Hem uitdaagden en trachtten te vernederen. Toen zij weggingen, zegende Jezus hen.

Dat is iets, dat Zijn leerlingen nooit hebben kunnen begrijpen noch verwerken. Dat is iets, dat ze ofschoon het voorval zelf beschreven staat in de Evangeliën niet hebben durven mede beschrijven. Jezus, die Zijn vijanden zegende.

Toen hebben ze Hem dan ook gevraagd: “Heer, dezen komen om U ten onder te brengen en Gij zegent hen.” Hij heeft geantwoord: “Ik zegen hen. Want weet ik niet, dat ik bevestigd ben in de Vader, en zo ik onderga dit slechts is door Zijn wil en op het uur dat Hij heeft vastgesteld? Zou ik hen dan niet zegenen, die het mij mogelijk maken de grootheid des Vaders, de wijsheid, die in Hem woont, en de Kracht, die de Zijne is, aan de mensen te openbaren? Ik zegen hen, die mij beproeven, want in de beproeving vind ik mijn kracht.”

Zouden wij, die toch ook de weg tot het Licht willen volgen, dit niet wat meer in de praktijk kunnen brengen? Degenen zegenen, die ons op de proef stellen? Want wat zouden we zijn, indien de wereld ons voortdurend diende, ons liet gaan in al onze dwaasheid en al onze grootheid? Hoe zouden we weten, wat goed en wat kwaad is? Hoe zouden we de Kracht erkennen, die in ons leeft en in ons komt?

Wij zouden niet weten. En juist degenen, die ons op de proef stellen, die ons dwingen onszelf te verdedigen, die ons uitmaken voor dwazen, demonen, degenen, die ons zeggen “gij zijt slecht,” zij dwingen ons te bewijzen, dat we dit niet zijn. En in dit bewijs vinden wij onze kracht en onze werkelijkheid en ons vermogen.

Zo is er geen reden om de vijand te haten. Want de vijand, die tot mij komt, vrienden, is geen vijand. Integendeel, het is een vriend, die grote gaven brengt. Hij brengt ons de mogelijkheid te bewijzen, wie en wat we zijn. Dat is belangrijk.

Jezus heeft geleerd: “Hebt Uw vijanden lief.” En men heeft gezegd: “Dit is dwaasheid. Hoe kun je een vijand liefhebben? Hoe kun je iemand liefhebben, die met haat je bestrijdt?”

Johannes heeft later, geprobeerd het duidelijk te maken, hij, die het begrepen had, omdat hij woonde in het hart van zijn Meester, en Zijn wijsheid voelde als de stem des Meesters, die door hem sprak:

“Zo iemand tot mij komt met haat, zo zal ik slechts onder gaan, wanneer ik zwak ben in de liefde. Maar indien de liefde, die de Meester ons heeft geleerd, in mij woont, zo zal alle haat mij steeds meer tot liefde bewegen. En mijn vijand zal mij groter bewustzijn brengen van al het leven en al het bestaande. Ik zal niet aarzelen of ondergaan, maar zijn haat wordt in mij tot het zaad van nieuw bewustzijn, van nieuwe kracht. En zo wordt de liefde van de Vader in mij weerkaatst tot een liefde tot allen, die mijn naasten zijn, tot allen, die met mij zijn. Zou ik dan niet mijn vijand danken en liefhebben, waar hij mij deze grote gave geeft? Mijn vijand doet mij mijn kracht beproeven. Zijn haat doet de sterkte van mijn liefde groeien. Hoezeer is hij mij een hulp, op de weg naar het Huis van ons aller Vader.”

Dit is geen dwaasheid. Maar het is wel een heel moeilijke taak, een heel moeilijke verplichting. Het is gemakkelijk om te zeggen: “Heb je vijand lief.” Maar wanneer hij je aan alle kanten belaagt, wanneer hij steeds weer aanstormt met de vurige pijlen van zijn haat, dan wordt het schild van de liefde, dat wij in ons dragen, wel eens zwak. En dan kunnen we begrijpen, waarom later eens een wijsgeer – ook een christelijk wijsgeer – de opmerking maakte: “Ik kan mijn vijand liefhebben, tot hij de haat in mij wekt. Want zijn haat zal mij niet smarten, zolang ik liefde heb. Maar faalt de liefde in mij, dan zal ik mijn vijand haten, omdat zijn haat een pijn is, die woelt tot in het diepst van mijn hart.”

We zullen hieruit ook weer de nodige conclusies kunnen trekken: Het heeft geen zin om mensen te haten, evenmin als het zin heeft hen te veroordelen. De grote gave van vrijheid, die ons is gegeven, dat is een vrijheid om God te dienen, zeker. Maar meer nog de vrijheid om onszelf te zijn, ondanks elke beperking. Deze gave, die onszelf maakt tot vrije mensen in Gods Rijk, tot vrije geest in alle sferen, is voor ons het kostbare, het grote goed.

En wanneer wij dan zien, dat een ander ons aan banden tracht te leggen, dan weten wij: “Deze heeft de vrijheid niet gevonden, want hij vreest ons, of hij haat ons. Deze mens wordt gejaagd door krachten, die hijzelf niet begrijpt. Hij is slaaf en gebonden.” En wanneer we dat begrijpen en wij weten, dat alle schepsels onze broeders zijn, dan welt in ons hart medelijden op.

Maar zelf zijn wij zo vaak nog gebonden door onze eigen vooroordelen, gebonden door onze eigen opvattingen en meningen. Wij kunnen ons niet losmaken van persoonlijke vaak zeer persoonlijke gedachten en richtingen. En daardoor, vrienden, hebben wij de mensheid niet lief. Het is onze eenzijdigheid die ons bindt. Het is onze band, die ons doet opstaan tegen de naaste, die ons doet klagen tegen God.

Nu kan men natuurlijk nog een hele tijd doorbrengen met dergelijke gezegden en beschouwingen. Maar ik heb U gezegd: het ging vandaag hoofdzakelijk om een praktische les. Ik meen, dat wij deze les hebben kunnen trekken: Er is voor ons slechts dan vrijheid, wanneer wij onszelf voldoende beheersen, dat wij niet aan banden liggen. En zijn wij dan vrij, dan leeft in ons de goddelijke Liefde zonder onderscheid des persoons voor heel de wereld. Dan ligt in ons het begrip voor geheel de kosmos. Dan weten we, wat God is. En zo in ons leed ontstaat, zo in ons haat dreigt of verzet, zo wij oordelen of veroordelen, laten wij ons realiseren: Uiteindelijk spreken wij een oordeel over onszelf. Uiteindelijk is de haat op onszelf gericht. Want niet de wereld buiten ons beroert ons, maar de onvolkomenheid in ons eigen wezen.

Zoals Jezus eens heeft gezegd: “Niets kan ons deren, die geborgen zijn in de Vader, dan de onvolmaaktheid, die wij kennen in ons eigen wezen, maar niet erkennen in het aangezicht van onze Schepper. Slechts hierdoor kunnen wij ondergaan.”

Ik hoop, vrienden, dat U deze les een praktische les zult vinden. Maar ik mag toch niet besluiten zonder er nog één enkel punt aan toe te voegen. Dat is van Johannes, de lievelingsleerling:

“Ik schouw naar het ‘t licht en naar de vreugde, want daarin spreekt God. Zo ik zie naar het duister, erken ik Hem niet. En in het leed is Hij voor mij verloren. Ik gaar de vreugde van het leven en in mij worden zij tot stille kracht. Zo leer ik God erkennen.

En naarmate ik meer licht in mij zamel, meer vreugde in mij draag, zal het duister in mij slinken, tot het begrip komt in de plaats van mijn onwetendheid.”

Ik hoop, dat U ook dat made met het voorgaande zult willen verwerken. Zoek de vreugden des levens. Zoek ze zo, dat ze geen duister zijn, geen schuld, dat er geen leed door ontstaat. Maar zoek het licht.

Leef in de zon. Voor ons is de zon, is het licht het symbool van God. Hoe meer we daarvan in ons dragen, hoe sterker God tot ons zal spreken. En hoe eerder wij ons zullen kunnen onthouden van haat en oordeel, hoe meer wij vrijheid zullen kunnen geven aan anderen,waar wijzelf vrij geworden zijn.

o-o-o-o-o

Het is mij een vreugde, dat ik op deze bijeenkomst het woord tot U mag richten. Er zijn n.l. vele wijzen om te streven naar bewustzijn, naar licht en naar kracht. En waar elk zijn eigen weg volgt, zo heb ook ik de mijne gekozen. En zij verschilt in menig opzicht van de weg, die Uw Orde zich heeft gesteld. Daarom verheugt het mij zozeer de mogelijkheid te vinden om in innige samenwerking met de anders denkenden tot U te komen en mijn woorden U voor te leggen als een toetssteen, opdat gij zelve kunt besluiten, in hoeverre Uw eigen groep of mijn groep recht heeft.

Wij geloven niet in een zozeer doordringende Kracht, dat al van ons leven wordt weggevaagd in één goddelijk Licht of in één goddelijke Liefde. Zeker, uiteindelijk zal dit doel misschien voor ons allen bestaan. Maar ik meen, dat wij niet het recht hebben om reeds in onze kleinheid vermetel aan te nemen, dat dit ons doel en ons vermogen is.

Men heeft mij gezegd: “Wees voorzichtig met de keuze Uwer woorden, anders zal men aannemen, dat gij komt uit een duister der sfeer.” Ik kom niet uit het duister. Ook ik ken het Licht en de werelden van het Licht en durf soms opgaan in de sferen, waarin alle vorm verloren gaat. Met mij zijn er velen. En toch zeggen wij allen hetzelfde: “Mens, je moet als mens leven. Geest, slechts als geest levend en strevend, vervul je je taak. Geen geest kan als mens, maar geen mens kan als geest leven.”

Het is dwaasheid om te trachten God of Zijn grote gezondenen op aarde gelijk te komen. Het heeft geen zin naar de volmaaktheid te streven. Onze weg moet een andere zijn. Want al weten wij, dat leven en voortbestaan er is, hoe weten wij Wie of Wat God is? Hoe kunnen wij komen tot enig besef van wat de wereld is? Wij zijn allen gevangen in waan.

Wij spreken tot mensen en wij weten niet eens, of die mensen wel werkelijk bestaan, of dat zij een of ander voortbrengsel zijn van onze eigen gedachten. Wij lachen en wenen en weten niet, of wij smart en vreugde niet eerder putten uit ons eigen hart, dan uit een wereld rond ons. Wij zijn wezens in de nevel met geen enkele realiteit buiten ons eigen bestaan. In onszelf moeten wij de oplossing zoeken van alle punten, die het leven betekenen; van alle krachten, die wij in ons voelen. Buiten ons bestaat er geen bron. En dan bestaat er ook buiten ons geen wereld. Wanneer er buiten ons geen wereld bestaat, zo bestaat er voor ons geen zonde dan door het overschrijden van de wetten, die we onszelf stellen.

En toch kunnen wij niet wetteloos zijn. Het is ons onmogelijk om elk oordeel terzijde te stellen. Het ware goed, indien ons dit mogelijk was. Want de wereld zou zich oplossen, en ons doel – welk dat dan ook moge zijn – zou daarin waarschijnlijk zijn vervulling vinden.

Wij menen echter, dat elke mens zichzelf zijn eigen wetten stelt. Dat deze wetten zijn hele wereld regeren. En daarmee zeg ik U, is het onze taak om de wetten, die wij onszelf stellen, te analyseren. Er bestaat voor ons geen genade, geen extra gave van bewustzijn. Alleen, wat in ons leeft.

Dit, mijne vrienden, brengt ons er toe voor onszelf een regel en wet te stellen en deze toe te passen op alle wereld. En naarmate wij sterker zullen geloven in deze wet, die in ons leeft, zullen wij in staat zijn om ook sterker dat door te voeren, wat wijzelf wensen en ons als doel hebben gesteld.

Er bestaat geen hemel buiten ons dat leert ook Uw Orde. Slechts een hemel in ons, een toestand in ons wezen. Welaan, op het ogenblik, dat onze wetten aan al onze wensen tegemoet komen, zonder ons eigen bewustzijn daardoor te schaden of te verminderen, hebben wij naar ik meen die hemel bereikt. Ik weet, dat dit een moeilijke taak is. Maar ik meen – en met mij menen velen – dat dit bereikbaar is.

Ik hoop, dat U ook mijn woorden in U zult willen dragen zult willen vergelijken met de leringen die de Orde geeft. Een van de sprekers van de Orde zal commentaar geven op het geen ik naar voren heb gebracht. Maar ik vrees dit niet. Want volgens mijn denken kan slechts datgene, wat ik zeg, juist zijn. Want dit is uit mij geboren, zowel misschien als Uw Orde met al, wat er bij behoort.

Ik geef het woord over aan de commentator van Uw eigen Orde, opdat hij mijn stellingen kan aanvallen; waarmee ik misschien mijzelf aanval en versla. Ik weet het niet.

Maar ik geloof, dat slechts één ding belangrijk is! dat ik één ben in mijzelf en mijn eigen wetten ken en zonder uitzondering mijn wezen daarmee bevestig.

o-o-o-o-o

Ik vraag mij één ding af, wanneer ik commentaar moet geven op hetgeen de voorgaande spreker naar voren heeft gebracht:

Zo naar Uw gedachten heel de wereld in en uit U leeft, hoe verwaardigt gij ons met Uw debat? Waarom spreekt gij tot ons? Dan is in Uzelf toch geen eenheid. Indien wij met de leer der Orde geboren zouden moeten zijn uit het bewustzijn van deze, onze vriend, dan moet zij wel waardevol en krachtig zijn, ook binnen zijn wezen. Want indien hij zich tot ons wendt om ons te bestrijden, erkent hij: onze belangrijkheid. En indien deze belangrijkheid uit zijn eigen wezen zou moeten voortkomen, zo tracht hij voor ons en dus ook voor zichzelf een wet te vinden, die past bij zijn opvattingen en de belangrijkheid van ons geloof.

Het is goed om te zeggen, dat alles in de wereld uit ons voortkomt. En de stellingen over waan en werkelijkheid zijn ook ons niet vreemd. Maar zolang wij toegeven, dat de wereld rond ons waan is, hoe zullen wij dan zeggen in onze waan, waar de werkelijkheid schuilt?

De wijsgeer nu lost dit als volgt op: Indien ik droom, zo moet deze droom in mij waarheid bevatten. En uit de droom zal de waarheid geboren worden. Maar geen droom bestaat zonder reden. De reden van elke droom is de waarheid, die zij uitbeeldt.

Wij kunnen natuurlijk redenen te over gaan zoeken om de werkelijkheid van ons bestaan in sfeer of wereld te betwijfelen. Wij kunnen met het wapen van logica, van ontraadseling van alle mogelijkheden, komen tot een punt, waar alle werkelijkheid voor ons schijnt te verdwijnen. Maar waar komt dan eigenlijk ons eigen wezen nog te pas? Er blijft dan geen wet over. En dit is de grote fout, die wordt gemaakt in het betoog van mijn voorganger.

Wij bewonderen ongetwijfeld zijn kracht en sterkte, waar mee hij tracht voor zichzelf de wereld terug te brengen tot één beeld, uit zijn ik geboren. Maar aan de andere kant waarom wendt hij zich dan steeds zo vol kracht tot ons, die hij ziet als de fragmenten van zijn eigen verbeelding, wanneer hij in zichzelf zeker is?

“Kracht,” zo zegt de wijsgeer, “is kracht, indien zij in mij is. Maar hij, die kracht naar buiten wendt, betuigt daar mee zijn overtuiging van eigen zwakte.”

Misschien dat gij U afvraagt, waarom na een onderwerp als het eerste een dergelijke spreker aan het woord komt.

Het is noodzakelijk, dat wij ons allen realiseren, hoe veel verschillende wereldopvattingen er zijn. Het is noodzakelijk, dat wij begrijpen, dat al hetgeen in U opkomt, reeds oud is. En dat al, hetgeen wij zeggen, reeds voordien duizend maal is gezegd. Er is geen “nieuw” of “oud”. Ook geen nieuw bewustzijn of een oud bewustzijn. Er zijn slechts de toestanden van de mens. En deze toestanden werden eens kort omschreven als volgt: “Eerst is de mens en leeft uit de wereld. Dan is de mens en meent de wereld te zijn. Dan leeft de wereld uit de mens. Dan is er geen mens en geen wereld meer. En eerst, wanneer mens en wereld te gronde gaan, wordt de waarheid geboren.”

Dat is begrijpelijk. Er zijn verschillende fasen, die U ook in Uw eigen bestaan zult erkennen. Gij hebt een tijd lang volledig onder de invloed geleefd, van hetgeen buiten U gebeurde. Uw innerlijk reageren was alleen gericht op de buitenwereld. Dat was Uw leven, Uw bestaan. En het is noodzakelijk, dat een dergelijke fase zich in het leven afspeelt. Want hoe zou ik kunnen leven, indien het leven mij niet gevormd had, terwijl ik zelve trachtte het leven te vormen.

Wij moeten in een wereld staan, een wereld, die ons beheerst. Vanwaar zouden wij anders ons bewustzijn halen? Hoe zouden wij komen aan een begrip van waarden?

Maar dan, dan menen wij, dat wij de wereld kunnen gaan vormen. Wij stormen op die wereld los en hameren haar met onze gedachten en overtuigingen, tot zij niet meer weet, waarheen te gaan. En wanneer die wereld zich dan van ons terugtrekt, zo menen wij, dat wij gewonnen hebben en dat deze wereld van nu af aan ons woord spreekt en onze gedachten wekt.

Maar…. het is een dwaas, die meent, dat de echo de bevestiging zijner woorden kan zijn. Zolang deze wereld slechts teruggeeft, wat gij die wereld geeft, bevestigt zij Uw leven niet. En dat is, geloof ik, de grote fout, die onze vriend hier maakt.

Deze spreker wendt zich wel degelijk tot de wereld, waar van hij de werkelijkheid betwijfelt. Maar hij meent, dat de echo, die voor zijn gedachten daaruit terugkeert, de bevestiging is van zijn woorden, van zijn gedachten. In plaats van te begrijpen, dat het juist deze gedachte is, die de echo heeft veroorzaakt, die dit beeld van de wereld terugbrengt tot zijn bewustzijn.

Hij leeft in deze tweede fase, waarin de mens zichzelf zoekt in de wereld buiten het ik. En dit Uzelf zoeken betekent slechts: zelf rechtvaardiging. Het weerkaatsen van Uw eigen gedachten.

Dan kan er ook nog een ogenblik komen, dat een mens de wereld is. Dat wil zeggen dat al, wat in die wereld leeft, ook in Uzelf als ervaring aanwezig is. Dan bestaat er tussen U en die wereld geen verschil meer. Maar Uw voortdurende belangstelling, Uw hele leven en al Uw krachten worden in beslag genomen door dit wereldspel, dat buiten en in U gelijkelijk zich afspeelt. Dat is de fase, waarin velen van onze eigen groep verkeren. We trachten één te zijn met de wereld. En het is noodzakelijk met die wereld één te zijn om uit haar te begrijpen, hoezeer ons eigen wezen toch één en harmonisch is.

Maar dan moet er een ogenblik komen, dat er geen mens en geen wereld is. Wanneer de mens ophoudt te bestaan, dan valt de vorm, de uiting weg en blijft de essence van het leven over. Daarnaast valt ook de wereld weg. Want de wereld bestaat voor ons slechts door ons persoonlijk zoeken en onderscheiden; en dit is gebouwd op een waan.

Ge ziet, ook wij weten van waan. Want wij weten, dat het waandenkbeeld slechts het masker is van de werkelijkheid. En zo zou ik mijn geachte voorganger met diepe bewondering voor zijn bereiking er op willen wijzen, dat al zijn streven en spreken een bewijs is, dat hij strijdt met zichzelf. En zeg mij, vrienden, wat goed is het te strijden met jezelf?

Een wijsgeer schreef het eens in dichtregels neer en ik zal trachten het kort weer te geven in een taal, die voor der gelijke woorden en gezegden niet werd gemaakt:

“Wij leven en strijden met de wereld en onszelf. Maar in onszelf bestrijden wij slechts datgene, wat door de wereld in ons wordt gewekt zonder deel van onszelf te zijn. Zo is onze strijd een strijd met de wereld, tot wij de eenheid van de wereld met ons weten beseffen. Dan is de strijd overbodig en volgt het bewustzijn.”

Ik geloof, dat U mijn overpeinzingen heeft kunnen volgen. Ook ik zou U graag een praktische raad geven. Maar hoe kan ik weten, wat voor U praktisch is? Ik weet immers slechts, dat gij leeft en bestaat. Ik kan begrijpen, dat er in U strijd en zorgen zijn. Dat soms de strijdlust in U vaardig wordt. En dat in een ander ogenblik neerslachtigheid U tot een verwerpen van alle dingen kan leiden. Maar hoe kan ik ik, die nooit objectief kan zijn hoe zou ik een oordeel kunnen spreken of een praktische raad geven? Ik kan U slechts weergeven, wat mijn eigen wezen mij heeft geleerd:

Zeg nooit: “Zo is het.” Zeg slechts: “Zo meen ik, dat het zal zijn.” En indien ge zegt: “Ware het niet beter zó?”, onder zoek of het werkelijk zo is. In het onderzoek wraken wij dan onze eigen overtuiging. Want ieder, die zoekt, vindt…. omdat alle dingen aanwezig zijn.

En wanneer ons oog op het ene valt, het voldoende is ons ook te richten op het andere om nieuwe waarden en waarderingen te vinden.

Ik hoop, dat dit mijn commentaar U niet als onpassend heeft geleken, waar misschien het strijd element daar aan toch niet geheel vreemd is. Maar geloof mij, alle bewustwording is een resultaat van strijd.

Om met een wijze te spreken: “Alle bewustwording is strijd met de gedachten, die wijzelf kennen. Zo temmen wij de gedachten en maken ze tot een voertuig, waarin het innerlijk beleven uiteindelijk kan opstijgen.” En daarbij verliest de gedachte haar draagkracht, maar ge wint het bewustzijn met zijn volle en volledige ervaring.

o-o-o-o-o

VAKANTIE IS VRIJHEID. BLIJHEID.

Vrijheid is uiteindelijk niet: het niet gebonden zijn. Maar: het de banden niet gevoelen, omdat je weet ze te kunnen vernietigen. Een mens, die werkelijk vrij is, zal zichzelf toch aan vele banden doen leggen. Hij weet, dat dit een noodzaak is binnen een mensheid. Hij weet, dat dit een noodzaak is, om uitdrukking te geven aan zijn geestelijk bewustzijn. Maar hij is vrij, niet omdat hij geen banden kent, maar omdat hij weet, dat slechts hijzelf er over te beslissen heeft, of hij een band aanvaardt of zal verbreken.

En juist dit bewustzijn doet hem zijn banden met meer blijheid dragen. Te weten, dat iets geen noodzaak is. Te weten, dat je iets kunt neerwerpen, wanneer het werkelijk te zwaar is. Dat je verder kunt gaan zonder dat, wanneer je dit wenst. Dat geeft je de kracht en de sterkte om veel langer voort te gaan met de last, die je draagt.

En toch komt er een ogenblik van pauze. En dan krijgen wij de vakantie, de verpozing, de ontspanning. Maar een vakantie, die eeuwig duurt, dooft op de duur de vreugde. Zij wordt tot verveling.

Vakantie is ook vrijheid. Het is ledige tijd. En de ledige tijd, mijne vrienden, is slechts van waarde, zolang hij begrensd wordt door een tijd, die gevuld is met noodzaak en behoeften.

Zo is de vakantie een blijheid, een vreugde, die herschapen wordt in de vrijheid weer tot de arbeid te gaan, en daar in de arbeid de vreugde te bevestigen. Zo behoort het te zijn.

Ik zal trachten dit voor U in enkele woorden samen te vatten:

Vakantie. Tijd, zo ledig van strijd, van arbeid, van zwoegen en werken. Vreugde en rust om in zoete lust je wezen te versterken en voor te bereiden, aan te gorden op een nieuwe arbeidsdag. Opdat je winnen kan opnieuw met elk probleem de slag.

Vrije tijd vol ledigheid, vol spel en aangenaam verpozen, waarin je bitterheid en kramp en zorg en leed kunt lozen om voor een korte wijl bevrijd en zonder verantwoording te zijn.

En komt de leegte tot een eind…. soms knaagt het als een zachte pijn, omdat de dag nu weer is zwaar verdeeld en straf omlijnd.

Maar kunnen wij de vrijheid vinden in leegte, die geen plichten biedt?

Kunnen wij het leven zelve aanvaarden als een reed’loos niets, dat voortdraaft in de tijd?

Wij zoeken naar een doel, wij moeten verder streven.

Want zonder doel is er geen lust, geen blijheid in het leven en moet men ondergaan.

En daarom is vakantie slechts een wijle stille staan en vreugdig kracht vergaren om voort te gaan en voort te gaan in ongetelde jaren van wisselend bestaan in wereld, sfeer, tot weer bestaan op aard, tot eindelijk ‘t doel is. bereikt, de wijsheid is vergaard, die werkelijke vrijheid geeft: Een vrijheid zonder banden, door anderen ons opgelegd.

Dan stellen wij onszelf in handen van God en geven Hem het recht ons wezen te bepalen.

Dan zijn we ongebonden vrij.

Want alle idealen, al: ‘t verlangen, alle denken, het is in God weerkaatst.

Al wat wij ooit verlangden, dat de wereld ons zou schenken, van ‘t kleinste tot het hoogste, van ’t eerste tot het laatst, het is in God aanwezig en leeft in ons bestaan. toch kunnen wij de wegen, die God ons toont, slechts gaan.

Wij hebben de vrijheid opgegeven, en nieuwe blijheid ons vergaard.

En toch wij zijn nu vrij om uit gebondenheid weer voort te gaan.

Maar wij verlangen dan niet meer naar jachtend, ijverend bestaan, of naar vakantie leegte van vreugde, verpozen en bezinnen.

Wij zijn herboren in ‘t begin en wensen dan zo vrij wij zijn de strijd niet wederom te herbeginnen.Ik geloof, vrienden, dat ik hierin de gedachtegang voldoende duidelijk heb samengevat. Vakantie is een verpozing. Zij mag staan tussen twee perioden van arbeid. Anders verliest zij haar betekenis. Vrijheid is de mogelijkheid om al te doen, wat je wilt. Maar gelijktijdig de vrijheid om zelf te bepalen, wat je zult doen en wat niet. Welke banden en wetten je erkent en welke je verwerpt. De blijheid is de kracht, die wordt geboren uit een volledig beleven van je eigen wezen op een verantwoorde wijze, waardoor je uiteindelijk na alle leven de eenheid met het Goddelijke bereikt.

o-o-o-o-o

Naastenliefde is de uitbreiding van de eigenliefde over de wereld