De bereiking van harmonie tussen geest en stof

uit de cursus ‘De menselijke psyche’ 1956

We hebben de vorige maal getracht aan te tonen hoe de strijd tussen stof en geest vooral op verstandelijk gebied voor de mens een ernstige hinderpaal kan zijn. Ik heb u toen beloofd dat ik deze keer zal spreken over de wijze, waarop het lichaam de geestelijke invloeden kan ervaren door zich te ontspannen, terwijl ook de geest het lichaam beter kan leren begrijpen. U moet dit niet zien als een gebruiksaanwijzing zonder meer. Eenieder zal het voor zichzelf moeten toepassen en het aanpassen aan de manier die voor de persoonlijkheid in haar omstandigheden het best geëigend is.

Om te komen tot een werkelijk contact tussen geest en stof en zo mogelijk tot een onderling begrip is het noodzakelijk dat het lichaam in ontspannen toestand verkeert. Dat wil zeggen, dat het lichaam wel vermoeid mag zijn, maar dat het niet mag lijden onder bepaalde behoeften als honger e.d. Dit moet zoveel mogelijk worden uitgeschakeld.

Als men dan zover is, probeert men de gedachten wat rustiger te maken. Dit is misschien op het eerste gezicht een grote opdracht. Maar de doorsneemens kan dit reeds bereiken door zijn gedachten niet meer te volgen. Men laat de gedachten her en der dwalen en vraagt zich niet af: waarom of waarheen?

Men neemt voor een dergelijke overpeinzing een zo gemakkelijk mogelijke houding aan. Voor de meesten zal dit betekenen een liggende houding en wel zo dat het lichaam ontspannen rust. Het is echter reeds mogelijk een dergelijke ontspanning te bereiken, gezeten aan een tafel, terwijl men het hoofd licht steunt in een van de handen.

Vanaf het ogenblik dat de gedachten dwalen, wacht men totdat die gedachten onverwachte en wel zeer plotselinge wendingen nemen. Men tracht dan deze wendingen voor zichzelf niet te verklaren, maar wel te onthouden of zo mogelijk vast te leggen. Voor iemand die ligt is het gemakkelijk een potlood en een blocnote naast zich te hebben en daar desnoods met één of twee woorden de opgekomen gedachte op vast te leggen. Heeft men die gedachte vastgelegd, dan gaat men rustig verder met ontspannen en denkt over hetgeen geschreven is zo weinig mogelijk na. Zit men aan een tafel, dan kan men dat misschien wat gemakkelijker doen. Enerzijds is dan het ontspannen van het lichaam moeilijker.

Men krijgt zo een aantal impulsen of trefwoorden, die eigenlijk de gang van het onderbewustzijn weergeven. Maar het onderbewustzijn is zoals we geleerd hebben, de invloed, waardoor ook de geest in het bewustzijn haar drijven en drijfveren kenbaar maakt. Wat is er gebeurt? Door mijn lichaam en bewust denken zoveel mogelijk vrij te laten en geen redelijke verbinding te zoeken tussen de denkbeelden, heb ik datgene, wat in mijn onderbewustzijn ligt en datgene, wat mijn geest daarin afdrukt, kunnen vaststellen. Ik kan dit dan later verstandelijk gaan verwerken.

Ik heb echter voor de geest een mogelijkheid nodig. Het lichaam moet nl. op een gegeven ogenblik ook kunnen begrijpen dat de geest haar eigen zienswijze heeft. En het lichaam moet in staat zijn de lichamelijke noden, behoeften en zienswijzen aan de geest voor te leggen.

Wat is nu de sterkste band die de geest aan het lichaam bindt? Wij weten dat alleen hevige emoties, belevingen, die – a.h.w. langs het lichaam gaande ‑ doordringen tot het geestelijk peil, onmiddellijk een band scheppen tussen geest en stof, die tijdelijk onderbroken, ze beide tot een eenheid maakt. Wij zoeken dus een mogelijkheid om ons lichamelijk emotioneel te verliezen. Voor sommigen gebeurt dit door het lezen van een boek. Deze methode is echter niet zo aan te raden. Anderen doen dit door het luisteren naar muziek. Ja, er zijn mensen geweest, die door het genieten van een goede maaltijd en de toestand van behaaglijkheid daaropvolgend een dergelijke toestand in zich wisten op te wekken.

Nu is het mogelijk de lichamelijke behoeften en noodzaken vast te leggen in een denkbeeld. Dat kan men verstandelijk doen. Men verbindt dit dan met de muziek, desnoods met de maaltijd. Men stelt zich dus in op deze impuls, die men aan de geest wil voorleggen. Doet men zoiets, dan zal de geest een zeker inzicht kunnen verkrijgen in al hetgeen de stof wenst, dit nu voorgesteld aan de hand van emotionele (niet‑redelijke) voor de geest verstaanbare waarden.

Als resultaat zal de geest een volgende maal (bij voorkeur na een niet te lange pauze), als zij de gelegenheid krijgt om zich in het onderbewustzijn en via de toestand van ontspanning aan het bewustzijn kenbaar te maken, zich aanpassen aan de stoffelijke noodzaak, en naarmate men dit herhaalt, meer en meer. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid een haast intuïtief gevonden leefwijze te volgen, waarin zowel geest als stof voldoening vinden.

Als wij op een dergelijke wijze de tegenstelling tussen stof en geest voor ons hebben verminderd, vinden we ook de mogelijkheid om de menselijke psyche (nu meer één en minder in strijd) sterker werkzaam te doen zijn met een bepaald vooropgezet doel. Dat doel zal stoffelijk redelijk moeten worden bepaald, daar de stofmens niet in staat is om geestelijke doeleinden, zowel als de redenen daarvoor ook in zijn verstandelijke vermogens zodanig te verwerken, dat zij aanvaardbaar zijn. Dus de geest zal de stof via haar voortdurende intuïtie leidinggeven, een zekere richting vaststellen.

Maar deze intuïtieve richting strookt lang niet altijd met hetgeen wij ons stoffelijk‑verstandelijk voorstellen als het mooiste of het meest acceptabele. Deze richting wordt ons gegeven door onze eigen geest. Wij moeten trachten te begrijpen hoe wij hier stoffelijk redelijk gevolg aan kunnen geven. Meer nog: hoe wij van hieruit verder kunnen streven, opdat we zo kunnen komen tot een eenheid van streven. Is die bereikt, dan heeft de mens het hoogste punt bereikt dat hij stoffelijk kan bereiken en staan alle geestelijke en stoffelijke mogelijkheden voor hem open.

Er zijn echter nog meer punten, waarop wij moeten doorgaan. Ik heb nu gesproken over één bepaalde methode om tot eenheid te komen. Is die eenheid dan niet altijd aanwezig? Als ik u mag verwijzen naar de vorige lessen: die eenheid is een zeer wankele. De geest met haar streven, haar wereld en de stof met háár streven en háár wereld zijn beide voortdurend slechts ten dele voor elkaar bereikbaar, zij hebben ook ten dele slechts één streven.

Het is voor ons noodzakelijk dat wij naast de werkingen van de onevenwichtigheden ons ook trachten te realiseren hoe de menselijke psyche kan komen tot een absoluut evenwicht in haar wereld. Hiervoor is in de eerste plaats nodig een behoorlijk voorstellingsvermogen. Met dit voorstellingsvermogen gaan wij nu trachten deel te worden van de wereld. Niet alleen maar kijken naar een bloem, maar je voorstellen dat je een bloem bent die bloeit. Je voorstellen, hoe je reageert op zon en regen. Niet alleen maar een boom bewonderen, maar een ogenblik die boom zijn. Niet slechts een leeuwerik nastaren, als hij naar boven wiekt, maar trachten een ogenblik zelf met dat donkere puntje mee te stijgen tot dicht bij de zon. Niet idealiseren. Niet trachten er mensen van te maken. Niet voor jezelf zeggen: 0, ik ben een bloem. Wat ben ik blij dat de zon schijnt. En wat staan hier andere mooie bloemen rond mij. Want dat laatste ziet de bloem niet. Zij neemt ze zeker niet waar in de zin waarin u dat beschouwt. Gewoon proberen om het te zijn zonder meer. Niet denken, alleen maar trachten het te zijn.

Als je je met de wereld gaat vereenzelvigen, dan ga je aan je stoffelijk voorstellingsvermogen iets toevoegen dat onmiddellijk verknoopt is met de paranormale eigenschappen, waarover wij al zoveel hebben gesproken in het begin van onze lezingen. Door de vereenzelviging nl. breid ik mijn bewustzijn sterk uit. Ik word dus ook op den duur, niet ineens, vatbaar voor alle invloeden die de boom, de bloem of de leeuwerik bereiken. De scala van mijn waarnemingen op stoffelijk gebied breidt zich dus meer en meer uit. Ik kan mij daardoor meer één voelen met de wereld en onderga sterker de invloeden die op haar heersen. Dit is een vergroting van het stoffelijk bewustzijn. Denk niet dat het de geest is die dit bewustzijn zomaar uitbreidt. Zij doet dit ongetwijfeld op haar eigen terrein, maar niet in verband met de stof.

De uitbreiding van bewustzijn, die op deze wijze wordt bereikt stoffelijk als zij is, wekt in de stof totaal nieuwe reacties en emoties. Het emotioneel drijven in het lichaam aan de hand van deze invloeden spreekt onmiddellijk tot de geest. Het geeft dus de geest meer en meer de gelegenheid, daar vooral bepaalde natuurkrachten zeer verwant zijn aan eigenschappen en toestanden welke die geest uit haar eigen wereld kent, zich voor u stoffelijk kenbaar en verstaanbaar uit te drukken. Zij zal dus ook meer proberen één te zijn met de stof. Want deze stof biedt haar eindelijk een mogelijkheid zich uit te drukken in de haar bekende waarden.

Zij behoeft niet meer alleen te leren. Naast haar voortdurend leren van de stoffelijke, vast gevormde wereld, vindt zij het geestelijk beweeglijke, stoffelijk starre beeld van de planten en het onbewust zich door krachten laten stuwen van de dieren. Het dier met zijn vage wisselende beelden, zijn herinnering die zo kort is en zo klein is voor haar, het beeld van haar eigen wereld met haar steeds wisselende vormen. Het geduldig wachten, het ondergaan van het leven door de planten wordt door die geest een herkennen van haar zoeken naar hogere sferen, waar zij evenzeer smekend wacht op het licht, waar zij zich koestert in licht en wijsheid uit hogere sferen en gebieden tot haar gebracht. Hierin leeft zij zich uit.

De geest heeft een band gevonden, die kan uitgedrukt worden op aarde. De vreemdheid van de stoffelijke wereld begint voor haar te verdwijnen. Zij gaat zich meer één voelen met het lichaam. Maar in dit één‑voelen zal zij ook meer de zuiver menselijke, stoffelijk verstandelijke processen meemaken. Zij trekt zich niet meer zo ver terug. In haar steeds intenser samenleven met de stof smeedt zij het geheel van het bewustzijn steeds hechter aaneen. Zij vermindert de waarde van het onderbewustzijn, terwijl zij gelijktijdig de bewuste waarde van het “ik” uitbreidt. Zij drukt zich steeds sterker af op het verstandelijk vermogen van de mens. En door de ontplooiing van dit vermogen geeft de geest deze mens de gelegenheid om zijn geestelijk bewustzijn en zijn ware drijfveren vanuit het eeuwigheidsstandpunt (geest plus stof) vast te leggen in de materie, begrijpende hoe de stof op deze wijze betrokken in het eeuwigheidsproces daardoor kan worden veranderd en verrijkt. Dit zijn de punten, die wij zeker nog moeten toelichten.

Ik heb u reeds er op gewezen dat uit een strijd tussen stof en geest bepaalde neurotische verschijnselen worden geboren. Tevens heb ik erop gewezen, hoe deze invloeden het gehele wereldbeeld kunnen verschuiven, totdat u geen juiste voorstelling meer kunt krijgen van de wereld waarin u leeft als stoffelijk mens.

De geest, op haar beurt kent ook bepaalde ziekelijke verschijnselen. Wij kunnen dit het eenvoudigst tekenen, als wij vaststellen dat zij leeft in de duisternis. Zij leeft in werkelijkheid precies zo in het licht als elke andere geest. Maar zij heeft zich van de werkelijkheid afgesloten en leeft in haar eigen wereld. Een geest in de duisternis is eigenlijk een geesteszieke geest. Wanneer een dergelijke geest terugkomt zal zij evenmin de werkelijkheid willen accepteren als zij dit heeft gedaan in het duister. En veelal vlucht zij alleen voor een niet meer te dragen lot in een sfeer. De geest wordt op aarde geconfronteerd met de werkelijkheid, die zij moet accepteren in de stof. Zij wenst dit niet te doen. Als resultaat weet zij dan een streven in de stof te leggen dat volkomen vreemd is aan elke geestelijke waarde. Ongetwijfeld hebben de meesten van u dergelijke gevallen wel eens gezien of ervan gehoord. Mensen, die schijnbaar niet in staat zijn om werkelijk geestelijk te leven. Wat meer is: die alle geestelijke waarden bewust blijven ontkennen en onbewust voortdurend geremd zijn en tot afkeer worden bewogen, indien geestelijke waarden hun worden voorgelegd. Het zijn juist dezen die vaak tot voertuig dienen van een geest die uit een schaduwsfeer of zelfs duistere sfeer komt. Daar is de geest ziek. Een mens die hier zou willen helpen, kan niet helpen dan alleen door de stof. Dat is begrijpelijk. Deze geest heeft in een vlucht voor geestelijke waarden ‑ wat de geest anders zelden of nooit doet ‑ zich geheel geworpen op de stof. Zij probeert de eenheid met de stof zo hecht te ervaren, dat zij nooit meer in haar niet‑aanvaardbare geestelijke sferen terug behoeft te komen. Maar via de weg van de stof kunnen wij zo’n mens en dus ook zo’n geest toch helpen zijn geestelijke beweegredenen naar voren te brengen. Wij weten immers dat deze persoon daartegen een remming heeft en ofwel eenvoudig de waarden negeert, dan wel erger nog, zich onmiddellijk terugtrekt en ook voor ons op de vlucht gaat. Wij moeten dus beginnen bij het stoffelijke punt. Maar wij moeten trachten het wereldse, stoffelijk aangename contact te verbinden met kleine geestelijke waarden, die voornamelijk in ons gedrag moeten liggen. Zij mogen dan niet volledig logisch zijn. Het onlogische zal de persoon opvallen en ‑ stofgebonden als de geest in zo’n mens is ‑ zal hij zich afvragen: waarom deze verandering in de mij bekende stoffelijke waarden?

Deze vraag mag nooit geheel beantwoord worden. Indien u uw geestelijke beweegredenen uiteenzet, is de prikkel om dit na te gaan weggevallen. Dus … nooit verklaren, maar het geheim van uw anders zijn, gebruiken als een attractie voor geest en stofmens samen om dezen hierdoor meer en meer te intrigeren. Tot hij uit behoefte tot weten ‑ omdat dit onbekende immers niet kan worden aanvaard in de stoffelijke wereld ‑ u gaat volgen op uw pad. Indien dat gebeurt, heeft hij een wilsakte gesteld in de richting van het geestelijke en wordt voor de geest hulp mogelijk uit de geest, terwijl gelijktijdig de stofmens wordt bevrijd van vele vooroordelen, die hem tot op dat ogenblik beheersten.

De wisselwerking tussen stof en geest stelt ons soms dus in staat om vanuit het stoffelijke gebied te helpen waar dit geestelijk mogelijk is. Dat moet men altijd onthouden! Er zijn situaties en toestanden dat de geest vanuit haar onstoffelijke werelden niets, maar dan ook niets vermag. De menselijke psyche wordt geregeerd door gedachten, bestrevingen en denkbeelden die haar geheel kunnen afsnijden van elke geestelijke invloed. Terwijl daarentegen er ook mensen kunnen bestaan die stoffelijk niet te benaderen zijn, ja, zelfs niet meer door een woord te beroeren, maar op wie een uitgezonden gedachte van geestelijke inhoud een zeer grote werking heeft.

Zo kunt u dus vanuit de stof uw medemensen helpen en genezen. Maar ook voor uzelf is het noodzakelijk dat u weet wat u nu eigenlijk bent.

Stel als voorbeeld dat een mens op zoek is naar waarden, zoals de meesten van u. Wat is uw drijfveer daartoe? Waarom zoekt u naar deze dingen? Wat is de onvrede die u beheerst? Denk niet dat dit onbelangrijk is. Want al hetgeen u leert, al hetgeen u bereikt, zal alleen worden bereikt juist dankzij deze situatie. Maar het zal onmiddellijk worden gekentekend door uw innerlijke toestand.

Waarom? De grote vraag die elke mens zichzelf verstandelijk moet voorleggen. De vraag waarop voor de geest althans geen redelijk antwoord mogelijk is. De stoffelijke analyse is dus wel het beste dat wij in dit geval kunnen toepassen.

Nu is het zeer moeilijk jezelf te analyseren op een manier dat je niet komt tot zelfbedrog. Want laten wij niet vergeten dat in de verstandelijke delen van de mens ‑ vooral in het onderbewustzijn ‑ er vaak een directe weerstand is tegen het erkennen van de werkelijkheid omtrent jezelf. Wij moeten dus proberen te ontdekken wat onze zere punten zijn.

Wat is hetgeen ons werkelijk drijft? Het antwoord geven wij onszelf, indien wij constateren wat de onderwerpen, de voorwerpen en de gedachten zijn die wij voortdurend bewust of onbewust uit ons leven bannen. Datgene wat de stofmens niet erkent, datgene wat hij voor zichzelf verbergt, datgene wat hij vergeet, dat zijn de richtlijnen die ons kunnen brengen tot de kern van ons probleem. Waarom?

Indien een mens streeft naar geestelijke waarden, dan kunnen wij zeggen dat de oorzaak van dit streven is gelegen in een onvrede, een probleem dat u voor uzelf misschien niet erkent. Wij kunnen vaststellen dat uw drijfveer kan worden teruggebracht tot een niet geheel stoffelijk of geestelijk aangepast zijn aan uw wereld. Hieruit trekken wij de conclusie dat er dus een compensatie wordt gezocht voor waarden die niet aanwezig zijn.

Welke waarden ontbreken u? De waarden die u hier zoekt? Niet geheel. Wat u ontbreekt, is over het algemeen iets, waarvoor u een vervanging zoekt, en niet iets, wat u aangevuld wenst te zien. Als u deze dingen bestudeert, vraag u dan af: wat zoek ik hierin eigenlijk te vinden? En door u deze vraag te stellen, zult u zelf aangeven in welke grootte van waarden u zult moeten zoeken naar het probleem. Waarom? In uzelf, naar de waarheid.

Het is altijd verstandig als we een dergelijk onderzoek hebben gedaan ons dan af te vragen of deze wijze van compenseren voor ons voldoende is. En dat geldt telkenmale weer. Er zijn bepaalde ogenblikken dat in een geestelijke bewustwording, een stoffelijke handeling je een ogenblik bevrijding geeft. Dat ze je a.h.w. even verheft boven je problemen en daardoor je innerlijk wat rust geeft. Maar dat kan alleen goed zijn, indien daaruit voor ons geen verdere problemen voortvloeien. De tendens die wij nl. heel vaak opmerken ‑ vooral in het stoffelijk gedeelte van de mens ‑ is, voor zichzelf een oplossing te zoeken, die op zich een probleem is. Zo dus een dubbele vlucht inhoudend, eerst de vlucht in de beleving of de bewustwording, daarna de vlucht voor deze bewustwording én haar oorzaak wederom in het probleem. Dat is natuurlijk een eindeloze keten.

Zo kan men nooit tot een doel komen. Het is zeer eenvoudig te zeggen: Deze dingen zijn voor mij toch eigenlijk wat te simpel. Het is heel gemakkelijk te zeggen: Hierin vind ik toch zoveel wijsheid. Maar wat bedoel je eigenlijk werkelijk? Wat zit erachter? Wat is het waarom? Vindt u het niet belangrijk, omdat u meent dat het voor u niet is toe te passen en het voor u zo abstract blijft? Zit daar niet de drijfveer achter: dat kan voor mij toch immers nooit wat betekenen? Zou het misschien een klein minderwaardigheidscomplex zijn of een angstgevoel? Of werpt u het van u af, omdat u een gevoel van schuld heeft en u zich eigenlijk onwaardig vindt deze dingen zo te accepteren? Vindt u dit zo mooi hoog geestelijk, omdat het u iets geeft waarmee u de leeg­te van uw leven vult? Is het voor u zo waardevol, omdat het inhoud geeft aan dingen die u nooit juist heeft durven aanschouwen, maar waarvan u innerlijk weet dat u ze heeft verknoeid. Is uw zoeken naar geestelijk licht misschien een pleister op de wond van uw leven? Iemand die werkelijk naar geestelijk inzicht streeft en niet alleen hierin een compensatie wil vinden, zal een antwoord moeten geven op deze vragen, zo eerlijk als hij kan. Dan alleen wordt het die mens moge­lijk de juiste geestelijke waarde te vinden. Want vergeet niet: zolang ons zoeken naar geestelijk licht, geestelijke bewustwording alleen maar een afleidingsmanoeuvre is, zolang ons ontkennen van bepaalde waarden slechts zelfbedrog is, onthouden wij de geest bepaalde waarden die voor haar noodzakelijk zijn, wil zij in het stoffelijk leven een ware bewustwording vinden.

Het is een moeilijk onderwerp. Des te moeilijker omdat degenen die eerlijk zijn dit misschien pijnlijk vinden. En degenen die niet eerlijk zijn, zich hoogstens meer verheven voelen, omdat ze de waarheid die hierin schuilt voor zich willen ontkennen. Het lijkt mij echter noodzakelijk op het volgende te wijzen.

Het leven van de mens in psychisch opzicht is een verstoppertje spelen met jezelf. Zolang het een spelletje blijft, waarbij we weglopen voor het één en menen het ander ervoor in de plaats te kunnen stellen, kunnen we nooit psychisch geheel één‑zijn. Je kunt het misschien zover brengen dat het verstandelijk bewustzijn en het onderbewustzijn gezamenlijk het lichaam regeren op de juiste manier. Maar wat kan dit betekenen, als de geest hierdoor verkommert? Dan is het doel van het leven niet vervuld en is het leven waardeloos. Wat hebben we eraan, wanneer de geest misschien voldoende waarden ervaart, maar dat de stoffelijke waardering nooit wordt uitgedrukt? Zij krijgt een vals beeld van zichzelf en de wereld. En zij zal lang moeten zoeken in de sferen om de waarheid te vinden.

Als u al deze dingen heeft aangehoord of gelezen, zult u misschien vragen: waarom dan deze toespraak? Waarom het werken van de geest? Werken zij niet een zelfbedrog in de hand? Neen. Ook hier baseer ik mij op de erkende waarden van de psychologie als ook op de door ons besefte waarden van de menselijke psyche. Indien uit ons werk zelfbedrog voortvloeit, zal de mens, indien wij het niet bieden, het elders gaan zoeken. Wij zullen in ieder geval trachten steeds weer dit zelfbedrog te onthullen. In meer stoffelijke waarden zal de mens deze onthulling niet vinden, zodat het goed is hier ons werk voort te zetten. Indien de mens werkelijk geestelijk licht zoekt, is dat natuurlijk elders ook te vinden. Maar dan kunnen wij door hem op deze wijze een inzicht te geven in de eigenaardige werkingen die zich in het bewustzijn afspelen, hem er misschien toe brengen de waarheid eerder te zien en te accepteren.

Twee dingen zou men eigenlijk aan elke mens moeten kunnen verbieden. Het eerste is: een gevoel van minder waard te zijn dan een ander. Want elke mens en elke geest heeft zijn eigen waarde die in het Eeuwige onvervangbaar is. Wanneer men zich verstandelijk ervan bewust is dat men gelijk is aan een ander, niet meer en niet minder, dan zal men ongetwijfeld juist daardoor de juiste houding in het leven vinden. En men zal door het onbevooroordeeld en zonder terughouding in het leven staan, de geest haar grote bewustwording bieden. Terwijl op die manier het onderbewustzijn het meest actief wordt en ons zijn grote en totale ervaring meer en meer in elke handeling, daad en gedachte doet doorwerken en verwerken.

Het tweede punt: Wees nooit verlegen met jezelf. Denk nooit dat de gedachten die je in je draagt, de behoeften die je hebt, de daden die je misschien hebt gesteld, alleen maar door jou wor­den gedaan en dat ze slecht zijn. Realiseer je, dat wat voor jou een probleem is, voor de gehele wereld een probleem is. Je behoeft je niet daarvoor te schamen. Exhibitionistisch ermee te koop lo­pen, is schadelijk. Maar het normaal beschouwen als deel van het leven en het als zodanig behandelen, ook tegenover anderen, stelt je meer reëel in het leven. Je krijgt daardoor een zuiverder beeld van je medemensen, een juister begrip van de waarderingen van je omgeving en hun werkelijke achtergrond. En zo alweer verstandelijk en geestelijk een grotere bewustwording.

Als men op een dergelijke wijze probeert het leven te benaderen, zal men erkennen dat in de menselijke psyche krachten wakker worden, die lang gesluimerd hebben. Krachten, waarover ik een volgende maal verder hoop te spreken.

Schijn en wezen

Schijn en wezen. Hoe kan ik weten wat het wezen is van wat rond mij is? Het schijnt mij toe dat ik dit wezen ken. Maar is het werkelijkheid? Ik kan het mijzelf nooit zeggen. Een ding slechts kan ik kennen, mijzelf, anders niet. Want rond mij mag het wezen zijn van veel dat ik aanvoel en begrijp, maar wat ik aanschouw, is slechts de schijn.

De schijn is het grote gevaar dat ons steeds bedreigt. Wij zijn zozeer geneigd op de schijn te letten, dat we de werkelijkheid maar liever vergeten. En zo leef je zelf meestal ook in een schijnwereld. Wat je denkt over jezelf is niet gebaseerd op wat je werkelijk bent, wat je denkt, wat je wilt, maar ook wat je zou willen zijn, willen denken, wat je eigenlijk meent dat je behoorde te zijn. Een dergelijke schijn is een verloochening van de waarheid. Zo kunnen wij dan schijn en wezen het best definiëren: Schijn, is de gedachte, waarmee we de werkelijkheid omhangen. Het wezen is de werkelijkheid die wij voor ons meestal weigeren te erkennen.

Bezie de wereld rond u en zeg mij: Is het niet de schijn die regeert? Indien er vreugde is in uw hart, zal dan de regen niet vrolijk kletteren en een belofte zijn voor verkoeling en zo dadelijk voor nieuwe, schone dagen? En indien er in uw wezen droefheid is, zal dezelfde regen niet de sombere doem van eigen wezen en heel de wereld aankondigen? Schijn! Schijn, omdat het uw gedachten zijn die ge interpreteert als eigenschap van de wereld rond u.

Het wezen van de dingen is meestal eenvoudig. Het wezen van de mens. Ach, de schijn is er één vol van cultuur, van schoonheid en civilisatie. En het wezen? Een dier dat streeft naar het Goddelijke. Maar het dierlijke wil de mens zichzelf niet bekennen en hij maakt een onderscheid tussen zichzelf en het dierenrijk. Een onderscheid dat eigenlijk schijn is. Hij verheft zich op zijn grote geestelijke afkomst, op zijn uitverkoren zijn. Schijn!

Maar indien hij zich baseert op het feit dat juist het dierlijk bestaan in de wereld een noodzaak voor hem is om tot een bewustzijn en realisatie te komen, waardoor hij God kan bereiken, dan wordt zijn leven werkelijkheid.

Men probeert dit soms filosofisch te interpreteren en zegt dan: “Leef als een beest, dan zul je mens kunnen zijn.” Ook dit is schijn. Want wie als een beest leeft, verwaarloost de menselijke eigenschap­pen die hij buiten de dierlijke bezit. Maar weten, dat het dierlijke in je leeft zowel als het Goddelijke, dat is werkelijkheid. Denken dat je iets bijzonders en uitverkoren bent te midden van een wonderlijke we­reld, voor jouw speciale genoegens geschapen of voor jouw straf tot aanzijn gebracht, dat is schijn, verhulling van de werkelijkheid.

Als we hier samenkomen en u meent dat alleen het aanhoren van deze lezingen voor u veel kan betekenen, is dat schijn. Want dan neemt u wat gedachten op en speelt daarmee, verder betekenen ze niets. Het wezen van deze avonden is, dat ze trachten een basis te leggen waarop u kunt handelen. En dan zijn ze ook in uw wezen tot een werkelijkheid geworden, voordien niet.

Schijn is overal rond ons. De schijn is vaak zoveel fraaier dan de werkelijkheid, dat we het wezen van de dingen haast bewust verloochenen om de schijn te kunnen aanbidden. Maar willen we werkelijke bewustzijn vinden, dan zullen we één ding moeten onthouden.

Als we spreken over God, over geestelijke bestaan, over zoeken naar waarheid, dan moeten we ook aannemen dat God waarheid is. En het wezen Gods zullen we nooit in de schijn die we onszelf voorgoochelen, kunnen vinden.

Als u het onderwerp geeft en we mediteren daarover deze avond, dan zou ik het zo willen formuleren:

Schijn is het sombere spel der gedachten, waarmee men

de werkelijkheid snel ontvlucht, omdat men het

werkelijke van ’t eigen wezen in eigen gedachten

steeds weer ducht. Het wezen: krachten uit de

schepping geboren, die gaan tot het eind, waar het

leven begint. Wie het wezen der dingen leert

begrijpen, is iemand, die zichzelf de werkelijkheid

wint. En zal ons de werkelijkheid pijnlijk soms

nijpen, omdat de schijn zoveel schoner ons lijkt, dan

zal juist het wezen der dingen ons tonen, dat

werkelijkheid tenslotte toch kostbaarder blijkt.

Werkelijkheid, het wezen der dingen is de kracht, die het ons moge­lijk maakt tot de werkelijke kern van de dingen door te dringen, te begrij­pen wat de schepping is en wat we zelf zijn, waarom we zo handelen en waarom we andere dingen nalaten. Maar willen we deze werkelijkheid, die een vreugde en een kracht in ons betekent, gewinnen, dan zullen we eerst afstand moeten doen van de schijn, de sluier, die we zelf met onze ge­dachten en onze waanvoorstellingen weven en om de werkelijkheid hangen, zodat we Gods schepping niet meer herkennen, maar menen te leven in onze eigen schepping.

Schijn en wezen zijn geen tegenstellingen. Ze zijn twee definities van hetzelfde. Het wezen van de dingen is de goddelijke werkelijkheid, de schijn is onze werkelijkheid. Eerst door onze werkelijkheid in overeenstemming te brengen met de goddelijke werkelijkheid, kunnen wij in waarheid le­ven, in waarheid streven en bewustzijn krijgen.

Daarom hoop ik dat het mij ‑ en ook u natuurlijk ‑ zal gelukken om steeds meer de schijn van de dingen terzijde te werpen en daardoor de werke­lijkheid intenser te aanvaarden, ook al is die misschien minder fraai volgens ons huidig besef. Want alleen de werkelijkheid brengt ons tot het einddoel.