De betekenis van materie voor de geest

uit de cursus ‘Geestelijke ontwikkeling’ 1956

Na onze beschouwingen over de magie, die geborgen ligt in de werking van de geest binnen een materiële omgeving, na ons ook bezig te hebben gehouden met de geestelijke krachten, die op de materie inwerken is het noodzakelijk dat wij gaan begrijpen, hoe de geest de materie beschouwt, erkent en begrijpt. Dit vraagt in de eerste plaats een algemene definitie en omschrijving van materie als zodanig.

Nu heeft eens een geestig scheikundige gezegd. “Materie, dat is een stelletje punten met een hoop ruimte er om heen, zodanig gegroepeerd dat het lijkt of het iets is.” En daar is zeker veel voor te voelen. Want alle materie, die voor u vast is, bestaat in zichzelf uit meer ruimte dan werkelijk vaste punten. Dat is punt 1.

De beweging van deze punten door die ruimte geeft het materieel aspect aan en doet dus voor u dat de materie als vast en vormbaar optreed. Die vormbaarheid wordt weer bepaald door de vaste banen waarin de kleinste deeltjes zich t.o.v. elkaar bewegen.

Een mens is gewend om vaste stof te zien als iets waar je niets aan kunt veranderen. Materie is materie en daarmee basta. Misschien, wanneer hij wat verder gaat, dat hij zich realiseert, dat je hout of een andere stof in elementen kunt ontleden en dat zelfs die elementen onder omstandigheden zouden kunnen overgaan in andere elementen. En verder komt de mens niet. Het beweeglijk aspect van alle materie ontgaat hem geheel. Waaraan zou dit te wijten zijn?

In de eerste plaats natuurlijk aan zijn eigen waarnemingsvermogen, aan de wereld, waarin hij leeft. Want wanneer de mens in de materie leeft is dit voor hem zijn thuis. En elke instabiliteit van dat thuis is iets dat hij met hartstocht van zich afwerpt. Hij houdt er niet van om te denken dat hij in een beweeglijke wereld zit. De vastheid, die tevens geen belang betekent, is voor hem zozeer van belang, dat zelfs als een onbewust erkennen van de betrekkelijk vluchtige eigenschappen die in alle materie verborgen zitten, zou oprijzen, hij dit nog zou verwerpen.

Menselijk gezien wordt de vastheid van de materie bepaald door de mate van beweging van de verschillende kleinste delen t.o.v. elkaar. Wordt de vastheid iets minder, dan krijgt u te maken met een amorfe stof, een vloeistof of uiteindelijk misschien met een gas. Dan is het de verdeling van de grotere deeltjes ‑ de moleculen ‑ in de ruimte, die dit aanzien voor u bepaalt.

Nu weten wij uit ervaring, wanneer wij op aarde leven, dat stoffen onder de invloed van temperatuur kunnen veranderen. Water kan tot ijs worden, maar ook tot waterdamp. Breng ik water in beroering met elektriciteit, dan ontleed ik het in twee gassen. Kortom, de onderlinge beweeglijkheid van de kleinste delen is – zelfs in menselijke zin ‑ variabel. Verbindingen met zuurstof veroorzaken verbranding, een verandering in hardheid, soms ook vorm, kwaliteit en geaardheid, die ook voor de mens zichtbaar is.

Hoe kan deze mens zich nu voorstellen wat materie betekent voor een geest? Want de geest ‑ afgestemd op veel hogere frequenties in zijn waarneming dan de mens ‑ ziet bewegingen die voor de mens niet kenbaar zijn. Wat meer is, de vaste materie die voor de mens een thuis vormt, voor hem dus noodzakelijkerwijze vast moet zijn (hij kan zich zijn omgeving niet anders indenken), mag voor de geest heel rustig voortdurend wisselend zijn. Ze mag vol van beweging en verandering zijn.

Want voor de geest is dit slechts een fenomeen dat hij waarneemt.

Hoe veranderlijker de waarden voor een mens worden, hoe minder deze mens zich thuis voelt, maar ook hoe minder hij tot een absoluut kennen en erkennen kan overgaan. Wanneer men naar wolken kijkt, ziet men daar in een ogenblik bv. een mensenkop, die verandert in een draak , de draak in een paard; en tenslotte blijft er een vormloze vlek aan de hemel.

Nu zou de mens kunnen zeggen: “Mijn hele wereld is zo.” Maar hij ziet ook nog in de tijd de voorkomende veranderingen zo langzaam, dat hij van vaste veranderingen spreekt. Een vaste verandering is bv. die van een boom, die in zijn levensverschijnselen van kaal tot met knop, bloesem, blad, vrucht en weer kaalheid gaat. Elk van deze vormen is voor de mens een afzonderlijke. Zij vertegenwoordigt een periode, een fase, in zijn beleven. De mens is niet in staat om een snelle voorbijganger of een samenvallen van al deze factoren ook maar als mogelijk te zien.

Vanuit ons standpunt, het geestelijk standpunt, is dat betrekkelijk dwaas, Zeker, wij kennen de geaardheid van de materie zeer goed. Waarschijnlijk beter dan de meeste mensen. Wij zijn er toe gekomen de materie te ontleden tot de wervelende kracht, waaruit ze oorspronkelijk tot stand kwam. Wij weten meer dan de mens omtrent de krachtvelden en verhoudingen, die door de ultrasnelle wervelingen, in de kleinste delen geschapen, uiteindelijk banen van kleinere delen, ook de wervelingssnelheid daarvan en hun eigenlijke potentie of lading t.o.v. de omgeving betekenen. Wij kennen dit alles, de mens niet. En dit betekent dat het voor mij zeer moeilijk zal zijn u duidelijk te maken, hoe de materie vanuit de geest ervaren wordt.

Om u enig inzicht te geven in de wijze, waarop wij de materie aanvaarden. zal ik ‑ ook al valt mij dit zwaar ‑ trachten te ontleden, hoe ik materie zie, hoe ik mij daarin voel en hoe zij voor mijn waarnemingsvermogen zich voordoet. Ik moet hierbij er wel op wijzen dat ik hier vanuit mijn persoonlijke ervaring ga spreken. Dit houdt dus in dat voor andere sferen en toestanden wijzigingen op dit grondschema mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk zijn. Maar toch meen ik aan de hand van mijn eigen ervaring een voldoende beeld te kunnen geven, om u de instelling van de geest tegenover de stof duidelijk te maken.

In de eerste plaats. Wij zien de materie als een enorme beweeglijkheid. Uit deze beweeglijkheid ontstaat ‑ wat U zou noemen ‑ licht of straling. Het zijn partikels ‑ zo klein, dat ze door u meestal niet gekend of gemeten kunnen worden ‑ die in deze werking voortdurend loskomen. Een elektron lost zich op. Een proton verandert in een neutron. Er zijn veel van die dingen die op het ogenblik in de wetenschap nog niet bekend zijn, die voor ons voortdurend redelijk blijven. En daarbij komen dan deeltjes kracht vrij.

Wij zien hoe de verandering bv. in een atoom, waarbij één of meerdere elektronen vrijkomen, waardoor een verstoring van evenwicht ontstaat, van zeer wankel evenwicht, ook weer het vrijkomen van zekere krachten teweeg brengt. Maar wat wij zien is eigenlijk niet het deeltje zelf. Wanneer ik voor mijzelf moet spreken, die deeltjes ontgaan mij, ik zie alleen wat zij voortbrengen, wat er uit is voortgekomen. En dit zie ik dan als een reeks van stralingen die niet zo veel verschillen van hetgeen u bv. ziet, wanneer licht breekt in een wolk en u zo een regenboog‑effect krijgt. Dit regenboog‑effect is voor mij bijzonder betekenend. Want in de verschillende kleuren lees ik frequenties af, En frequenties zijn eigenschap-bepalend. Ook bij u. Maar dat weet u nog niet.

Zo ontstaat een wereld, die een mens waarschijnlijk waanzinnig zou maken. Al zou een schilder ook nog zo futuristisch, zo irreëel, zo abstract mogelijk denken, hij zou niet in staat zijn de warreling van kleuren te scheppen, die voor ons elk ogenblik, dat we de materie waarnemen, opdoemt.

Daarbij komt dat in deze materie voortdurend levende stromingen. zijn. Neem bv. uw eigen bestaan. Bij u is er niet alleen sprake van materie met haar eigen werkingen, maar bovendien nog van een geestelijk veld, daaraan opgelegd, waardoor die stromingen in een zekere richting worden gedwongen. Daar komt verder nog een voortdurende wisselwerking bij, die men leven noemt, en die daarmee ook al weer een grote reeks van vaste kleurlijnen schept.

Stel u een geest, die een mens waarneemt, maar voor als een onderzoeker met een spectroscoop. Hij gaat na welke kleuren niet voorkomen. En uit de donkere banden in een mens krijgt hij een zuiver overzicht van diens gebreken. Vervolgens gaat hij na, welke kleurbanden meer dan normaal breed zijn. Deze geven aan welke eigenschappen of kwaliteiten vanuit het materiële gezien ‑ in deze mens wel degelijk tegenwoordig zijn. Dan wordt dit vergeleken met de geestelijke uitstraling van die mens en komen we tot een heel redelijk beeld.

Nu is de mens een leven met een geestelijke achtergrond. Maar hoe vager de band wordt tussen geest en materie, hoe scherper voor ons het onderscheid kenbaar wordt tussen de zuiver materiële eigenschap en de mogelijke geestelijke richting, die aan de wording van deze materie, aan haar beweging, wordt gegeven. Zo wordt voor ons eigenlijk de materie tot een soort van zeepbel, soms vol mooie kleuren, soms met een onaangename en hatelijke weerkaatsing, geboren voor een ogenblik, verdwijnend overgaande in iets anders, zonder enige kenbare reden.

U zult begrijpen dat een mens tegenover een zeepbel betrekkelijk weinig gehechtheid kan hebben. In de eerste plaats is het bestaan te kort, in de tweede plaats maakt de bewondering al gauw plaats voor de behoefte iets nieuws te zien, iets nieuws te ontdekken.

Zo gaat het ons. Voor de materie en haar vormen hebben wij geen werkelijke genegenheid. Wat ons in de eerste plaats beroert, wanneer wij naar de materie toe streven, is dan ook het erkennen van onszelf in de geestelijke uitstralingen, die vormen opleggen aan de materie. Dit is zeer belangrijk. Wanneer u dit beseft, zult u misschien begrijpen, waarom veel van hetgeen voor u vreemd of onaanvaardbaar is, voor de geest volledig onbelangrijk, ja, eigenlijk tot het uiterste onbetekenend is. Een ongeluk, dat u lichamelijk leed toebrengt, kan voor u zeer onaangenaam zijn. Voor de geest zal het niet veel anders kunnen betekenen dan een verstoring in het patroon, dat op zichzelf al onbelangrijk is, met daarnaast een geestelijke reactie, die ‑ door de verwantschap met ons eigen wezen – de eigenlijke belangrijke factor wordt in de waarneming.

Zo sta je dan ook tegenover de stof heel anders, dan een mens ooit kan. Zonder enige binding en gehechtheid. Eerder met de koele, nuchtere interpretatie van iemand die experimenteert.

Nu moet u niet denken dat de materie ons doet denken aan een marionettenspel, waarbij je zelf de poppen hanteert. Want deze poppen hebben een eigen leven en het leven van die poppen is belangrijk.

Verder ontdekt de geest natuurlijk geestelijke achtergronden ook, waar deze voor de mens niet of bijna niet kenbaar zijn. In dode stof voor u dus materie, waarin je kunt hakken, waarmee je kunt knutselen naar hartenlust, want er zit toch geen leven in – leven soms entiteiten voor ons kenbaar en waarneembaar, die meewerken in de vormingen en vervormingen, die binnen alle materie nu eenmaal voortdurend plaats vinden. En zij zijn voor ons het belangrijke. Zo lééft voor ons veel meer van de materie dan voor u.

Daarentegen is de vorm van de materie op zichzelf onbelangrijk en de vastheid die de mens er aan toekent, is zeker niet iets wat voor ons van belang kan zijn. Integendeel, wanneer wij vastheid zien in de materie, nemen wij haast aan dat er bij ons een gebrek in de waarneming bestaat. Want voor ons is de hele wereld, het ganse heelal, één voortdurende activiteit, een voortdurende wisseling van elementen binnen tijd en ruimte. Nu zult U zich gaan afvragen: Waarom werken dan al die geesten, waarover u een vorige keer hebt gesproken, nu juist in de materie, wanneer deze zo weinig interesse biedt? In de eerste plaats zou ik willen wijzen ‑ teruggrijpend op mijn vroeger voorbeeld ‑ op het genoegen dat bv. een kind kan hebben in het blazen van zeepbellen. En hoe zelfs wijzere en oudere mensen zich vaak bezighouden met de problemen van oppervlaktespanning, waardoor een niets, een onbetekenend iets, tijdelijk schoonheid verwerft.

Zo gaan ook wij in de materie vaak aan het spelen. En ons spelen is gelijktijdig leren. Het is iets dat je terzijde zet, wanneer je het niet meer nodig hebt. Want per slot van rekening, wanneer ik in de materie gewerkt heb met dit lichaam, dan interesseert dit lichaam mij toch verder niet meer. Ik heb het zeker niet nodig om me te bewegen, want dit kan ik zonder dat veel beter. Ik heb het ook niet nodig om werk te verrichten, want wat er aan werkelijke werkzaamheden bestaat, doe ik met mijn gedachten ‑ dus als bewustzijn en niet met uiterlijke activiteit. De interesse die ik in het lichaam zou kunnen hebben, is eventueel een volgend gebruik.

Dan vergelijk ik het weer bij een mens. U heeft papier. Papier is op zichzelf iets dat je makkelijk kunt weggooien, want het is niet belangrijk. Maar als er op dat papier iets geschreven staat dat wel belangrijk is, dan zult u het bewaren en soms zelfs in een kluis bergen.

Zo gaat het met ons, wanneer wij werken met bepaalde delen van de materie. Datgene, wat voor ons belangrijk is, om wat het voor ons betekent door zijn inhoud ‑ niet vanwege zijn stoffelijke kwaliteiten ‑ wordt door ons vaak beschermd. Soms ‑ dat geef ik toe – heel zelfzuchtig.

Naarmate ik meer spreek over dit onderwerp, word ik mij bewust van de grote moeilijkheid om u duidelijk te maken dat wij niet harteloze experimentatoren zijn, die in uw wereldje nu wat spelen; en dat we toch geen belangstelling hebben voor wat u zo belangrijk noemt. Het gaat ons om de essence van de dingen. Een essence, die kan liggen in een reeks van gedachten die er uit ontwaken.

Zo kan bv. een kathedraal voor ons belangrijk worden. Deze grootse kerk toont ons niets van haar artistieke schoonheid. Maar zij is doordesemd van een gedachtesfeer, die voor ons de plaats inneemt van alle schilder‑ en beeldhouwwerken, van alle schone architectonische lijnen. Een eenvoudig huis met gewone mensen, waaraan u voorbijgaat kan voor ons soms tot een tempel van wijsheid of een school worden. Het gaat om de inhoud van de dingen. En die inhouden zijn zozeer belangrijk voor alle geest, dat alle geest zich zal beijveren de voorwaarden, waaronder ze ontstaan, te helpen handhaven.

En nu weer terug naar onze materie. Want we moeten die eigenschappen van de materie nog verder weten te bepalen.

Ik had het over snelheid, snelheid van kleinste delen. Snelheid van kleinste delen betekent een meting van hun beweging in tijd en niet slechts in ruimte.

Nu zijn tijd en ruimte voor ons juist factoren geworden van nul en generlei waarde. Tijd is ons persoonlijk beleven. Hij ontstaat binnen onszelf en wordt door onszelf afgedrukt op de wereld rond ons. Ruimte is alleen maar een uitbreiden van je bewustzijn, dus het totaal van bestaande gedachtebeelden en krachten die je omvatten kunt binnen je eigen kennen en weten.

Zo zult u begrijpen dat wanneer ik spreek over die kleinste delen in een voortdurende beweging, dit eigenlijk tot op zekere hoogte een fictie is. Ik zeg “tot op zekere hoogte.” Want wij kunnen immers, wanneer wij willen, door ons eigen beschouwen synchroon te stellen in beleven met de snelheid van de kleinste delen, deze tot stilstand brengen. Dan is er voor ons geen wijziging meer. Dan zien we de meest wonderlijke patronen van kleine punten die zich voordoen als licht.

Omgekeerd kunnen wij ook deze beweging zozeer versnellen, dat ze u als een fantastische warreling van vervloeiende vormen voorkomt, terwijl voor ons eigenlijk alleen maar een nieuwe essence van vastheid wordt gewonnen. En deze vastheid is dan zo groot, dat vormen ontstaan, materiële vormen, die voor ons volledig waarneembaar zijn. Maar het zijn geen vormen die u kunt kennen, waar zij zich uitstrekken over voor u geldende perioden van honderd, duizenden, ja, miljoenen jaren.

Om vaste punten van aanraking met de stof te vinden, maken wij van deze tijd en ruimtelijke factoren vaak gebruik. Dan doen we zo: Wij versnellen voor onszelf tijdelijk het ervaren van alles, wat er op aarde gebeurt. Dan blijkt ons daaruit dat bepaalde punten vast blijven bestaan, andere daarentegen een voortdurende werveling worden, zoals het golven van een zee. Brekende golven met steeds verschillende vorm en toch een zekere gelijkheid van vlak en niveau. Wat er boven uitsteekt, zijn dan waarden die op aarde buitengewoon belangrijk zijn, ofwel buitengewoon onbelangrijk. Buitengewoon onbelangrijk, wanneer het materie is van welke de levensprocessen nog zozeer zwak zijn, zozeer onbewust, dat het beleven zelfs trager gaat dan ons overzien van de tijd. Dat wil zeggen dat wat voor ons een moment van waarneming is en voor u honderdduizend jaar, misschien nog geen seconde is voor het­geen leeft binnen die materie.

Aan de andere kant zijn er sommige vormen, die zozeer doordrenkt worden van bewustzijnswaarden, dat zij blijven bestaan. Om een voorbeeld te noemen: Het beeld van Jezus bestaat op het ogenblik in vaste vormen bijna 1200 jaar. Daarvoor was het variabel in de opbouw, de laatste tijd zou het langzaam maar zeker weer gaan leven, dus gaan veranderen. Daartussen is de voorstelling zeer star.

Deze vaste punten zijn voor ons dan heel vaak ook meteen beelden. Niet één beeld, maar misschien duizenden beelden, die op elkaar gelijken en die ‑ waar daaraan dezelfde gedachtesfeer kleeft ‑ voor ons tot eenheid worden. Op deze manier krijgt dus de materie in de ruimte een geheel andere functie dan bij een mens moeilijk is. De ruimtelijke functie van materie, gezien in de geest, kunnen we dan ook zo uitdrukken. Haar plaatsing is gelijk aan de eigenschap, die zij uit. Haar kwaliteiten zijn voor ons al evenzeer vast, maar op een andere manier dan voor u. Wij zeggen; “De kwaliteit die in een materie schuilt, is inherent aan de verwerkelijkingswaarde die zij in zich draagt.” Dus het gaat ons niet om de vorm die zij op het ogenblik heeft, maar de vormen die ze als mogelijk­ in zich bezit.

Bijvoorbeeld. Een zaadje in een appel is voor ons gelijktijdig een appelboom, een appel, en een reeks van appelbomen. Om dan nog niet te spreken over schaduw, hout, enz. Dit alles ligt in dit ene kleine punt besloten. En de mogelijkheid die daarin schuilt, betekent dus ‑ geestelijk gezien ‑ haar belangrijkheid.

De realiteit, die u stoffelijk dus ervaart in uw materie, bestaat voor ons praktisch niet. Ik kan daarop niet genoeg de nadruk leggen.

Aannemende dat de mens tegenover de materie bewust kan komen tot eenzelfde standpunt als de geest inneemt tegenover de materie krachtens haar wezen, dan zou voor de mens een beheersing van vormen op deze wereld zeker mogelijk moeten zijn. Want de geest kan alleen door het uitoefenen van pressie, juist die realisatie stimuleren als mogelijkheid binnen de materie die voor haar belangrijk is. Al het andere valt weg en zou ‑ mits een gelijklopen met de materiële tijd bereikt zou kunnen worden ‑ ook stoffelijk vast kunnen worden uitgedrukt.

De waarde die de stof heeft voor de geest, moet vanuit geestelijk standpunt gezien afhankelijk worden gesteld van haar eigen bewustzijn. Hoe meer materie nog deel uitmaakt van de denkgewoonten, die ook in de geest kan bestaan, hoe meer de materiële vorm haar te zeggen heeft. Ook wanneer haar waarneming niet meer gelijk is aan uw waarneming, is zij nog zozeer op gelijk tempo, in harmonie a.h.w. met de materiële vormenwereld en al wat er uit voortvloeit, dat zij deze nog betrekkelijk juist kan interpreteren.

Wanneer de geest hoger gaat, betekent voor haar een waarnemen van de materie in een ook voor stoffelijke mensen kenbare en aanvaardbare vorm, een zeer sterk beperken van haar eigen vermogens. Hoe verder men dus gaat in geestelijk bereiken, hoe moeilijker het wordt om materieel te beleven en te denken. Dit houdt in dat de allerhoogste geesten slechts door zeer diepe concentratie voor zeer korte tijd zover kunnen komen, dat zij materie als een mens kunnen zien en ervaren, ook wanneer dit nog steeds gebeuren moet vanuit een geestelijk standpunt.

Hiermee hoop ik tevens een verklaring te hebben gegeven voor het feit dat de hogere geesten zich zo weinig bezighouden met de kleinere verschijningsvormen in de stof. Want voor hen betekent een geestelijke stelregel stellen iets zeer normaal. Het is ook wel een concentratie, het is een werk. Maar dit werk volgt grote lijnen, is een verwerkelijking van kosmische principes, die over enorm lange tijden misschien verwerkelijkt worden ergens in de materie. Het streven daarnaar is voor de hoge geest zeer eenvoudig. Hier kan ze immers haar eigen wezen en ervaring met haar eigen bewustzijn buiten ruimte en tijd uiten, realiseren en terugbrengen tot een factor, die meewerkt ook in de vorming van een stoffelijk Al.

Moet een dergelijke hoge geest echter bv. tot één mens spreken, of zelfs door één mens tot meerdere mensen, dan betekent dit een uitschakelen van alle bekwaamheid, die men bezit, een vernauwen van een bewustzijn, dat ‑ waar tijd een soort meetbare factor is voor ons ‑ van een ver verleden tot een verre toekomst reikt tot het ene moment dat heden heet.

U zult dus hieruit tevens kunnen begrijpen, waarom wij, die onmiddellijk op de aarde werken, met de mensen spreken en streven, over het algemeen behoren tot de lagere soorten van lichtende geest.

De werkelijke hoge lichtende geest kan dit werk niet eens volbrengen. Zij is door de grootsheid van haar eigen conceptie van leven en bestaan hierin zozeer beperkt, dat het voor u gemakkelijker zou zijn om met een pincet een elektron uit een baan rond de kern van een atoom te verwijderen, dan voor een dergelijke geest om in te treden en mee te werken in de richting van leven van één mens.

Want stelt u zich nu eens voor dat u een zodanig bewustzijn bezit, dat een miljoen jaren voor u is als één minuut. Dan verder, dat uw realisatie gedurende deze tijd niet alleen betekent een klein stukje van een wereld, maar een paar miljoen sterren. En nu zou u één klein stukje moeten bereiken van tijd, (laten we zeggen een periode van 30 jaren binnen een miljoen jaren) op één klein stukje materie te midden van zo’n grote veelheid van materie en ruimte. Lijkt u dat eigenlijk nog niet veel moeilijker dan een elektron grijpen in zijn loop om een atoomkern?

Het besef van de grote geest tegenover de materie is dus niet dat van een pottenbakker die klei vormt. Het is eerder het bewustzijn van iemand, die door zijn onwillekeurig leven en bewegen ruimte maakt, zoals bv. iemand in de matras, waarop hij rust. Grote geesten kunnen er niets aan doen, dat zij hun wezen ook in de materie uitdrukken. Het feit alleen dat zij zijn en denken, betekent een voortdurende beïnvloeding van de materie over zo lange tijd, dat de eigen betrekkelijk lage frequenties van de materie door deze hoge geestelijke invloed steeds meer worden gericht tot de kleine delen van materie en tijd op de duur als in een magneet alle wijzen in de richting, die deze geest in zijn denken gedurende al deze tijd continu heeft gehandhaafd.

De grote geest is dus de geest die vormend werkt over lange perioden. Hoe kleiner de geest wordt, hoe kleiner haar bewustzijn. Hoe kleiner ook haar overzicht van de grote gangen van de tijd en de materiële vormen. Hoe nauwer omgrensd de reeks van frequenties, die voor haar waarneembaar zijn en ook in haar een voorstelling kunnen wekken. Zo kan zij dus veel gemakkelijker tot uw wereld komen en met uw wereld werken.

Wanneer ik dan nu probeer om samen te vatten wat materie is vanuit de geest, dan doe ik dat ook vanuit het standpunt van de kleinere geesten, waaronder ik ook mijzelf reken, die voortdurend trachten in de materie bepaalde dingen te bewerkstelligen en te bereiken en die niet alleen bereid maar ook bekwaam zijn om mee in te grijpen in de materie, wanneer het hoogst noodzakelijk zou zijn.

Materie is ijl. Dit klinkt voor u misschien weer eigenaardig. Wanneer wij ons door de materie bewegen en ons gelijktijdig daarvan bewust trachten te zijn, doet ze zich aan ons voor als een ijle nevel, waarin verschillende schakeringen van kleur, van licht en duister aangeven waar geestelijke begrippen aanwezig zijn, waar nog bijna geen bewustzijn aanwezig is, waar ruimte is volgens menselijke opvattingen en waar een vaste staf is.

Wij zien al deze trillingen als een middel om ons ‑ ofschoon het ons moeite kost, zij het niet veel‑ ons bewust te bewegen langs de banen van de geleidelijkheid ‑ de mogelijkheid te bieden om uit deze materie op te vangen, wat noodzakelijk is. Zo is de materie voor ons een nevel die ons voortdurend iets leert. Maar in deze nevel ontmoeten wij het denkend vermogen.

Dit denkend vermogen toont ons aan dat een beperkter besef van materiële waarden dan wijzelf bezitten, mogelijk is. Een vergelijking van dit bewustzijn met het onze vormt dan voor ons op de duur een reeks van indrukken, die als “zien” vertaald kunnen worden. En nu bedoel ik dit zien dus als een reeks van beelden.

Waar de geest, die in de materie geleefd heeft, in zich alle waarden kent van de materie, zoals ze menselijk beleefd worden, zal door een herinnering aan eigen beleven een compleet beeld van een wereld kunnen worden opgebouwd. Met personen, vervoersmiddelen, met bomen en huizen, met zon of regen, met nacht en dag. En deze voorstelling maakt het ons mogelijk het menselijk denken te benaderen.

De functie, die deze materie dus heeft, is voor ons niet in de eerste plaats het scheppen van een uitingsmogelijkheid, maar het is een natuurlijk middel, waardoor wij het denken, dat overal bestaat, kunnen benaderen en daarin deel hebben.

Onze eigen wereld wordt weerspiegeld in de materie. En door ons werken in onze eigen wereld, zullen wij ‑ zij het in grote lijnen of zeer minutieus in zeer kleine ogenblikken en zeer kleine invloeden ‑ altijd weer met de materie in contact zijn. Boven de nevel kunnen wij een lange tijd vertoeven, dat is waar. Maar zelfs daar wordt de uitstraling van de materie nog steeds merkbaar.

Het merkbaar zijn van deze materie is een vaststaand deel in het leven van alle geest. De poging van de geest om binnen de materiële omgeving wijzigingen te doen ontstaan, zullen dan ook in de eerste plaats gericht zijn op het veranderen van geestelijke tendensen, waar deze voor haar het meest begrijpelijk zijn en voor haar de meest profitabele ervaringen kunnen wekken. Maar daarnaast zal ze zich bewust zijn, dat door de frequentie, de voortdurende trilling dus van haar eigen vermogen en alle harmoniërende vermogens, opgelegd aan deze stof, deze steeds dichter doet naderen tot haar eigen wereldbegrip en wereldbesef.

De geest ontplooit zichzelf buiten de materie, maar erkent zichzelf door haar werkingen in de materie.

Dit is geen gezegde van mij, dit is een citaat. Maar in dit citaat wordt uitgedrukt, hoe men vanuit een wereld als de uwe ons beleven van stof zou kunnen uitdrukken. Voor ons niet een gebonden zijn aan die stof. Voor ons niet een beperking door die stof. Maar een voortdurend onszelf weervinden, gespiegeld zien in die stof. Een voortdurende aanvulling van onze eigen gedachten en impulsen vanuit die stof.

Zo groeien wij met de materie mee steeds dichter naar de grens van de tijd. Er komt een ogenblik, dat ons tijds-beleven volledig vrij staat van elke invloed in het Al. Op het ogenblik, dat het voor ons tot een persoonlijk beleven is geworden, zijn wij één met het werkelijk stoffelijk geschapene.

En hier verandert de materie van geaardheid. Voor ons tenminste. Was zij eerst een middel om onszelf te kennen en onszelf te verrijken, nu is zij ons de openbaring van het Goddelijke geworden. Zoals gij in uw wereld streeft naar de geest en deze wilt zien als de openbaring van het Goddelijke, zo is bij ons de tendens kenbaar om ook in de materie God te vinden. En zoals gij stoffelijk reeds bepaalde werkingen van de geest in uzelf meent te erkennen, zo erkent de geest krachten die in haar bestaan vaak zuiverder in de materie dan in zichzelf.

Het resultaat is dat het streven van de geest altijd op de stof gericht zal blijven, zoals ook de stof, die immers in haar vormingen voortdurend door die geest wordt geholpen en geleid, altijd behoefte zal hebben aan de geest. Een belangengemeenschap die niet ligt in de noodzaak om binnen elkaar te bestaan, maar in het feit dat een bewustzijn van eigen bestaan pas gezien en gevonden kan worden in het bestaan van de andere factor.

Nabeschouwing

Mensen die spreken over de geest en haar vermogens om in de stof te werken, of ‑ misschien meer religieus denkend ‑ spreken over God en de natuur, zeggen zeer vaak: “Maar waarom dan zo wreed? Wanneer jullie in de geest zoveel kracht hebben, waarom dan oorlog? Wanneer God toch zo volmaakt en liefdevol is, waarom dan al die strijd en al dat lijden? Waarom dan ziekte en dood?”

Het antwoord dat daarop gegeven moet worden, is dit; Wat voor u belangrijk, lang en uitermate pijnlijk lijkt, is vanuit het bewustzijn van een geest niet meer dan een speldenprik in een vierkante meter. Niet meer dan een breukdeel van een seconde tegenover de jaren, die u daarin vindt. De smart, die u geestelijk ervaart, en die u moet verwerken, lijkt voor u buitengewoon lang en buitengewoon zwaar. Maar gezien in het totale beeld van uw eigen geestelijk leven en werken, is het vaak slechts een honderdste, soms zelfs een duizendste gedeelte van uw geestelijk bewustzijn, dat dus werkelijk wordt beroerd.

Dat uw redelijk denken zich juist op dit gedeelte concentreert, is iets wat de geest zich wel kan voorstellen, maar in ware betekenis nooit zal kunnen begrijpen, zelfs niet wanneer zij het zelf heeft meegemaakt. De totale harmonie van alle dingen, waarnaar de geest streeft, de totale harmonie die de uitdrukking is van de liefde Gods, houdt zich niet op met deze kleine dingen, omdat zij een zo andere betekenis hebben, wanneer het bewustzijn vrij wordt van de stoffelijke beperking.

Daarom is voor ons een liefdevolle God wel te realiseren, voor u soms moeilijk. Daarom is voor ons een oorlog soms een redelijk en geoorloofd middel om bepaalde veranderingen in de materie te bewerkstelligen, terwijl ze voor u een zee van dood en ellende betekent.

De waarderingen van stof en geest zijn geheel verschillend. Evenzeer het geloof van stof en geest.

Wanneer men in de stof leeft, dan dwingt elk geloven tot een vormvoorstelling, een vast omlijnen. Bij de geest is het geloof, het aanvaarden van invloeden, welke zij niet kan vertalen in voor haar zelf reeds vaststaande begrippen, maar die zo desalniettemin als werking binnen zich wil erkennen en dus haar wezen daardoor zal laten leiden bij haar handelingen en daden.

Liefde voor een mens is over het algemeen iets, wat een bezitszin in zich draagt. Men hoort zelfs degenen, die alle stoffelijke liefde verwerpen (zoals bv. zusters in een klooster, paters in een klooster) zeggen dat zij huwen met de kerk of bruiden van Jezus zijn. Hier wordt de bezitsrelatie dus gesteld tussen een betrekkelijke abstractie en de persoonlijkheid. Maar ook hier is een zeker eigendom en een eigendomsbegrip nog in de liefde inbegrepen..

Voor de geest is liefde iets anders. Voor de geest is liefde een volledig deel zijn van elkaar. En dat wil zeggen: een eenheid van gedachten, van voelen en ervaren, die een volledige daadvrijheid inhoud voor beide delen, maar een gelijke norm van beleving stelt, en daardoor ‑ via dit gelijk beleven – een overvloeien van krachten uit de een naar de ander, voor zover dit mogelijk of noodzakelijk is.

Haat is voor de mens gericht tegen één voorwerp. Zijn haat kan zie uitdrukken op vele wijzen, maar altijd zal er een kern zijn, die noodzakelijkerwijze niet altijd bewust maar dan toch in het onbewuste scherp omschreven kan worden en van redenen voorzien. Haat is dus ondanks haar onredelijke aspecten ‑ voor de mens nog redelijk te noemen.

Voor de geest is haat, isolement. Wanneer wij haten, breken wij elk connectie af met anderen, die gelijk staan met ons. Wij richten ons tot alles, wat onder ons ligt, niet om het tot ons op te heffen, maar om het ‑ het vernederend in zijn waarde ‑ te domineren.

Er bestaat tussen een duivel ‑ om nu eens de voorstelling te gebruiken ‑ en een mens geen enkele band, die met menselijke haat kan worden vergeleken. De demon heeft geen interesse in de mens die hij beheerst. Maar het middel “mens” betekent een extensie van eigen vermogen om zich af te sluiten voor de rest van de wereld. En daarmee bedoelt dan deze demon natuurlijk niet een stoffelijke maar een kosmische wereld.

Trots bij een mens betekent een zich verheffen op bereikingen. Bij de geest niet. Bij de geest is trots wederom een begrenzing van zichzelf tegenover anderen, een niet‑aanvaarden van waarden die in anderen leven.

U ziet dat zelfs in de eigenschappen die de mens kent en die ook de geest ervaart, een zeer groot verschil van betekenis wordt gevonden. Dit verschil van betekenis mag nooit vergeten worden, wanneer men tracht geestelijke werkingen op aarde te verklaren of te begrijpen.

Twee werelden die zover van elkaar liggen in bewustzijn als de stof‑gebondene en de vrij‑geestelijke, kunnen elkaar niet begrijpen, tenzij zij allereerst zich realiseren, hoezeer anders het bewustzijn is gericht bij de tegengestelde partij.

De samenwerking van stof en geest is zeer goed mogelijk. Maar daar, waar de geest tracht de stof te helpen, zal zij soms fouten maken, omdat zij stoffelijke aspecten niet in dezelfde relatie tot het “ik” ziet, als de stofgebonden geest.

Een voorbeeld: Een mens wenst bv. een som geld te bezitten. De eenvoudigste oplossing volgens diens bewustzijn is hem zekere verzekeringsgelden te doen toevloeien. De geest die wil helpen, zal geheel te goeder trouw afgaande op de felle begeerte naar geld en de zekere minachting die voor het ik bestaat, omdat er geen geld is, zo iemand helpen een ongeluk te krijgen, waardoor een hoge verzekeringssom wordt uitgekeerd, maar de persoon in kwestie gelijktijdig levenslang invalide is.

Dan zou die mens zeggen; “Ja, maar de geest heeft mij bedrogen.” Dat heeft ze niet gedaan en zelfs niet willen doen. Er is hier geen sprake van een duivels pact. Er is alleen maar sprake van een volkomen verkeerde waardering van waarden, die zijn oorsprong vindt in de misachting van eigen stoffelijk zijn t.o.v. dode stoffelijke waarden bij de mens, en daardoor ontstane misvattingen van belangrijkheid bij een geest.

U zult zich afvragen: Hoe kan een dergelijke misvatting ontstaan? Deze misvatting kan ontstaan, doordat de geest ‑ trachtend af te dalen tot het stoffelijke ‑ zijn eigen begrip zozeer vernauwt, dat de voorstellingen die bij de mens op de voorgrond liggen, als de belangrijkste tijdelijk in eigen wereldbeeld komen. Hoe groter de harmonie tussen mens (dus stof-gebonden geest) en vrije geest, hoe groter de mogelijkheid dat dergelijke misvattingen optreden.

Dan wil ik nog één definitie geven. En dat is nl. het verschil van “ik”. Voor een mens betekent “ik” niet zijn werk, zijn invloed, datgene wat hij in anderen en voor anderen betekent; maar lichaam plus denken, beleven en eventueel bezit.

De geest stelt daar tegenover als “ik”, al datgene wat voorstellingen wekt in mij. Zo kan ‑ vooral in de lichtere sferen ‑ ik of ego vaak worden omschreven als iets, wat in meerdere entiteiten gelijktijdig ten dele bestaat; zodat het eigen wezen doordringt in de wezens van anderen en daar ‑ volgens het bewustzijn van die anderen ook weer ‑ deel van uitmaakt. Het is het best voor te stellen als een reeks cirkels, die ‑ gezamenlijk een grote cirkel vormende – in elkaar doordringen, waarbij elke cirkel weer andere binnen zich verenigt.

Wanneer u deze ik‑conceptie van de geest begrijpt, dan zal ook voor u duidelijk worden, hoe complex vaak de ik‑realisatie van de geest moet zijn t.o.v. de stof. En hoe zij daardoor ook de voorstellingen, die u van uw eigen persoonlijkheid heeft, soms slechts ten dele kan begrijpen. Slechts door uiterste zelfbeperking kan zij tijdelijk uw eigen ik-beeld ontvangen en zal zichzelf daar voor een deel in erkennen. Juist door die concentratie ontstaat harmonie. En waar perfecte harmonie is, dus perfect, samenklinken, daar ligt ik-heid. Zo zal elke geest, die ‑ hetzij als geleide‑geest, hetzij op andere wijze ‑ met u samenwerkt, voor een groter of kleiner deel in uw persoonlijkheid leven gedurende de tijd dat de harmonie is gehandhaafd. Voor een mens is dit onvoorstelbaar. Voor een geest zou anders geen contact mogelijk zijn.