De bewustwording van de geest in het tijdloze

5 januari 1957

Ik zou graag willen spreken over: De bewustwording van de geest in het tijdloze.

Bewustwording. Het is een woord, dat heel wat meer inhoud heeft, dan men normalerwijze gelooft. Wanneer ik zeg, dat ik mij bewust word, dan moet ik dus het Zijnde nu ook voor mijzelf ervaren. Dan kunnen wij zelfs nog iets verder gaan.

Een bewustwording van de wereld buiten ons is slechts voorwaardelijk mogelijk. Al, wat wij kennen, zien en waarnemen, dat passeert ons eerst ons eigen denken, ons eigen weten. Eerst daarna wordt het door ons verwerkt als ervaring.

Wanneer ik dus spreek over de bewustwording, dan moet ik daarmee wel in de eerste plaats bedoelen: de zelfrealisatie van de ziel. Dat deze wordt uitgedrukt in de geest, is voor ons een wonderbaarlijk en schoon gebeuren? Die bewustwording speelt zich dan toch wel af in een wezen, dat reeds bestaat en een afgerond geheel is. Nu kunnen wij over die bewustwording, juist nu in het tijdloze, onnoemelijk veel gaan zeggen. Want wanneer iets tijdloos is, dan kun je niet gaan spreken van fasen. Dan kun je alleen spreken van gedachten. De gedachten kunnen ook in het tijdloze bestaan. Wanneer onze geest denkt, wanneer ons wezen dus buiten de beperking van een stoffelijke wereld, of een geestelijke sfeer, een gedachte tot zichzelf keert, dan moeten wel iets buitengewoons gebeuren.

Dat buitengewone ligt m.i. wel in de eerste plaats in het feit, dat elke ontdekking binnen ons eigen wezen, elke gedachte waarmee het ik zichzelf verder omvat, gelijktijdig een versnelling betekent, zover ik van een versnelling in het tijdloze kan spreken van het volgende moment van bewustwording.

Als voorbeeld zou ik dit willen zeggen:

Er is een bepaalde hoeveelheid water, een bak vol, zeg 10 liter, die druipt naar een andere bak. Het zal altijd 10 liter water blijven. En aangezien er altijd een totaal van 10 liter is, is het onderscheid, dat wij tussen die twee bakken maken vanuit het standpunt van het water mogelijk, naar kosmisch gezien niet noodzakelijk uiteindelijk ons enig middel om over een tijd, of over een verloop te spreken. Wanneer ik nu stel, dat dit water ten alle tijde tien liter blijft, maar gelijktijdig, dat het doorsijpelende, a.h.w. het gaatje, waar de eerste druppels door zijn gekomen, steeds verwijdt, dan komen wij op een ogenblik zover, dat er in plaats van één druppel en dan weer één druppel, meerdere druppels tegelijk en uiteindelijk een straal gaan. Zo moeten wij ons in het tijdloze de bewustwording voorstellen. Niet als een proces, dat gelimiteerd kan worden door tijd, maar, als een proces, dat gelimiteerd wordt door de eigen capaciteit en inhoud van het wezen. Hiermee staat in verband de beperking van het ik binnen het Goddelijke.

Binnen de grote kosmos, waarin wij allen bestaan, zijn wij beperkt. Wij kunnen niet verder gaan en onszelf blijven tot een bepaald punt. Ik kan die tien liter water in de zee gooien. Maar dan gaat zij daarin op. En al is zij daarin, wij kunnen haar er nooit meer uithalen. Als u het niet gelooft, probeert u het dan naar. U neemt een litertje leidingwater mee en gaat u even naar de zee, gooi het erin en probeer het eruit te halen. U zult zien, dat het praktisch onmogelijk is. Ook theoretisch zeer moeilijk. Zolang wij onszelf zijn, zijn wij temidden van het Goddelijke beperkt. Deze beperking maakt het ons onmogelijk verder te gaan dan de inhoud, die ons van het eerste ogenblik van de Schepping werd gegeven.

Die twee bakken water uit ons voorbeeld kunnen wij nu een naam geven. Zij zijn beiden scheidingen, die in ons eigen wezen bestaan. De ene heet Onbewustzijn en de andere Bewustzijn, de grens tussen deze beiden verplaatst zich.

Steeds meer wordt ons bewust, steeds minder blijft ons geheim. De enige oplossing, die in dit bewustzijn niet ligt hoe vreemd het u moge klinken is de bron van eigen bestaan. Dus het Goddelijke Zelf. Daarin zijn wij afgesneden. Dat wezen kunnen wij eerst ons volledig realiseren in zijn werkelijke betekenis en niet alleen in een zuiver persoonlijke op het ogenblik, dat wij in het goddelijke opgaan, maar dan is er geen sprake meer van ik-heid.

Nu zijn er vele methoden en ook vanuit Uw tijdelijke wereld, en uit onze, ook gedeeltelijk beperkt en gedeeltelijk tijd kennende werelden, te komen tot een ogenblik van tijdloos bewust zijn. Dit op aarde te bereiken lijkt op aarde zo niet moeilijk,dan toch geheel onverwezenlijkbaar. Toch meen ik, dat er een mogelijkheid te vinden is. Zoals Ra Krishna zegt: Indien gij uzelf zo beheerst, dat gij uzelf vergeten kunt, uzelf vergetende een zijn met u zelf, zo kent gij een werkelijkheid, die ver boven uw eigen wezen uitgaat.

Zijt gij u bewust in het tijdloze, in het geheel van uw wezen, dat niet meer in allerhande kleine delen wordt gesplitst. Helaas is er een beperking bij. Want in een vraag en antwoordenspel van dit oude Hindoeverhaal, wordt dan ook gezegd: Maar bedenk wel: Uw ogen kunnen slechts erkennen, wat zij zien. Daarmede wordt bedoeld: zelfs indien je je bewust wordt in het tijdloze voor een kort moment vanuit het stoffelijke, kun je alleen datgene omvatten, wat voor jou te begrijpen is, wat meeklinkt reeds in je huidig bewustzijn. Een uitbreiding van dat bewustzijn te vinden in een werkelijke en grootse sfeer en stijl is dus alleen mogelijk, indien wij voor onszelf en reeds nu, in ons onmiddellijk bewustzijn en in onze onmiddellijk bewuste wereld, waar die ook zij streven naar een steeds groter weten en vooral ook begrijpen.

Men kan zeggen: een bloem is zeer door de tijd beperkt. Een ééndagsvlieg nog meer. Een ogenblik bestaan zij en het volgende ogenblik zijn zij verdwenen, gestorven, weg uit dit leven. Wanneer wij dit overbrengen in het tijdloze, dan kunnen wij het zo zeggen: De ééndagsvlieg is en is niet. De bloem is en is niet. Ook de mens is en is niet.

Dan kunnen wij spreken over Maya, over begoocheling, de dwingende krachten van de ondergang misschien. Wij kunnen spreken over het schijnspel der vormwaarden, waarin wij onszelf niet eens realiseren, wie en wat wij zijn. Het is verstandiger om die dingen een ogenblik terzijde te leggen. En voor onszelf dit te zeggen: Al wat ik één ogenblik heb beleefd, heb ervaren en geaccepteerd dus ook begrepen in mijzelf, dat is tijdloos in mij. Wie zo ziet en zijn eigen beperkte leven, dat hij op aarde dan redelijk overziet, die zal mij dan onmiddellijk zeggen: Wat heb ik dan eigenlijk veel momenten, die tijdloos zijn. Toen ik jong was herinner ik mij een volk, of misschien het gezicht van de maan op Sinterklaas achter een boom. Ik herinner mij een verhaaltje, dat mijn moeder mij vertelde en ik herinner mij, hoe ik eens een onderwijzeres stevig op haar nummer heb gezet, zo klein als ik was … herinner mij en dan wordt het een lang verhaal, want je hebt zovele herinneringen.

Al die herinneringen zijn tijdloos. Zij staan buiten de tijd. Zij leven in u en zijn onbeperkt deel geworden van Uw wezen. Nu gaat het erom, dat wij niet alleen de uiterlijkheid ervan kennen, waar deze met het wisselen der  werelden langzaam maar zeker zijn betekenis gaat verliezen. Het wonderbaarlijke is je gevoel te herinneren, dat je had op het ogenblik, dat je een jonge bruid naar het altaar voerde, het ogenblik, dat je je eerste kind in de handen hebt gehouden.

De vorm verbleekt, de uiterlijke voorstelling ervan heeft niets te betekenen. In de plaats daarvan dient te komen een waardering van de krachten, die twee polen tot elkaar hebben gestuwd, van de kracht, die juist dit geestelijke bewustzijn als kind bij deze ouders deed belanden.

Dat is de inhoud. En juist deze inhoud moet je trachten te begrijpen en te bewaren. De vorm, ook al blijft mij in ons misschien lang bestaan, ook al is zij gegraveerd in het kosmisch geheugen van het Al, heeft ons in nieuwe werelden uiteindelijk maar heel weinig te zeggen. Maar de inhoud is voor ons een erkennen van banden, die ons mede maken tot een deel van een groot, machtig bestel van krachten, waarbinnen wij een eigen bestemming hebben en een eigen taak, met een eigen vermogen tot handelen, met een eigen capaciteit tot het verbruik van krachten ook.

Wij moeten dus achter de uiterlijkheden van het leven doordringen. Dan kan een ééndagsvlieg ons reeds veel zeggen, evenals een bloem. Dan kan de kleinste herinnering ons tot een bron worden van diepe wijsheid, van nieuw en goed begrip. Alle begrip en alle wijsheid, die wij op deze wijze bezitten of vinden achter de vormen als een intens beleven van onszelf zijn krachten van bewustzijn, die zij het misschien druppel na druppel doorsijpelen tot in ons geestelijk bewustzijn. Het wordt deel van ons persoonlijk kennen en ervaren van die wonderlijke wereld, die in ons leeft. Een wereld, die oneindig lijkt, of is.

Heb je dat bereikt, dan is er geen ogenblik in het gehele bestaan, dat deze waarden je onbewust zullen worden. Dan is er geen ogenblik temidden van alle werelden, alle dingen, dat dit bereikte begrip geen grote rijkdom voor je zal betekenen. Ware dit het enige aspect van een bewustwording in het tijdloze, wij zouden ons gelukkig prijzen, dat zovele dingen in ons behouden blijven en een voortdurend deel van onze kracht uitmaken. Maar er is meer: Want wat is de kern van ons eigen wezen? Wat is het, dat al deze herinneringen en gedachten draagt? Wat is het, dat ons doet uitgaan temidden van de oneindigheid en zoeken naar een nieuw bestaan, naar een nieuw weten, naar een nieuw vermogen?

Het grote raadsel, dat wij niet ontsluieren kunnen, maar toch erkennen achter sommige waarden van verschijningsvorm, hetgeen wij het Goddelijke Licht noemen of de Goddelijke Kracht misschien. Dat is de kern. Noem het Gods Genade, noem het Gods erbarmen. Noem het de band, die vader en kind in de eeuwigheid bindt. De band tussen God, de Vader, de Kreateur en Zijn kind, Zijn schepsel, door Zijn Wil uit Zijn Wezen voortgekomen.

Geef het een naam, zoals u wilt. De naam maakt niets uit. Maar dat licht, die kracht is de kern van ons wezen. Dat is de vloeistof, die in ons van vat tot vat sijpelt, zo in ons komende van onbewustzijn tot bewustzijn. Juist deze kracht is het, die wij in en met ons bewustzijn moeten leren vinden. Want hoe sterker het tijdloze in ons wordt, hoe sterker het begrip voor de werkelijke en wezenlijke waarden van het bestaan wordt. Hoe meer de vormen in ons verbleken, hoe meer de wijsheid inplaats van het weten treedt. Hoe dichter wij ook komen bij het licht. Het licht nu is onze levende kracht.

In mijn voorbeeld zei ik u: Er komt een ogenblik, dat de opening oorspronkelijk zo microscopisch klein, die de verbinding is tussen het bewustzijn en het nog zo grote rijk van het onbewuste, zich vergroot en uitbreidt. Er komt een ogenblik, dat de laatste krachten van ons wezen zich als een stortvloed uitgietend, de scheiding van het onbegrip doorbreken en mede worden tot bewustzijn, wijsheid en weten. Dit zal geschieden op het ogenblik, dat in mij het Goddelijke Licht leren zien en begrijpen. Onze bewustwording is meer dan alleen maar een realisatie van ons wezen. Het is een ons realiseren wat en van waar wij zijn, wat zijn wij, wij tijdloze wezens, zwervende in een Al, dat wij slechts ten dele begrijpen? Wie en wat wij zijn, geketend aan de opeenvolging van gebeurtenissen en toch geboren met het vorstelijke erfrecht der kosmische wijsheid? Wij zijn Goddelijk Licht. Wij zijn Goddelijke Kracht. Wij zijn voortdurend deel van de grote Eenheid. Hierin zal het antwoord liggen van onze bewustwording in het tijdloze.

Hoe meer wij ons bewust worden van de intensiteit, die in ons wezen en niet buiten ons, als een Goddelijk Licht, als een eeuwig groots en pulserend vermogen der eeuwigheid aanwezig is, hoe zuiverder wij zullen weten, wij druppels, voor een korte wijle gescheiden van de Oceaan der Goddelijke Alkracht. Wij keren terug tot de Oneindigheid, waaruit wij zijn voortgekomen. Daarin zullen wij weten onszelf te zijn op een wijze, die zijn wij ook slechts een druppel temidden van een grote Oceaan nooit teloor zal gaan. Zo zullen wij deel zijn van de grote Kracht van het Goddelijke, die wij misschien eens ook buiten de nauwe beperking van ons persoonlijk bestaan zullen kennen en begrijpen.

Het is niet zonder reden, dat ik deze gedachten op de eerste bijeenkomst van een nieuw jaar uitspreek. De voornemens, die je voor jezelf maakt bij het begin van een nieuw jaar zijn vluchtig. Zij zijn misschien de ogenblikkelijke uiting van een innerlijke realisatie, dit zijn mijn fouten en dat is mijn begeren. Want al deze dingen kunnen wij terug voeren tot een begrip voor en van onszelf. Een deel dus van het ware bewustzijn, dat schuil gaat achter al ons denken en al ons zoeken. Dit bewustzijn nu is tijdloos. Zo wilde ik u een ogenblik het beeld schilderen van een bewustwording buiten alle tijd en ruimte om, zich afspelende binnen uw eigen wezen. Ook nu, op dit ogenblik. De bewustwording, waarvan al uw zoeken, als uw beleven en denken, alle leiding, die gij ontvangt en alle raad, die gij verwerft, mede deel uitmaakt.

Ik hoop, dat u met dit beeld voor ogen met meer vertrouwen het leven in durft gaan. Niet alleen een vertrouwen gebouwd op een hiernamaals en een oneindigheid, maar een vertrouwen in uzelf. Dit niet, omdat gij nu eenmaal zijt, wie gij zijt, maar omdat de Kern van uw wezen de Goddelijke Kracht is. Het volledige bewustzijn, daarin ons allen voorbestemd, zal ook in u eens kenbaar gerealiseerd zijn.

Wij komen aan het tweede onderwerp nu: Niet hoelang maar goed u heeft geleefd doet ter zake. 

Wanneer iemand heel lang leeft, maar ook heel weinig goed doet, dan is hij net een fles wijn, die zo sterk werd verdund, dat er geen smaak meer aan is. In zo’n geval heeft het leven zijn werkelijke betekenis en inhoud wel enigszins verloren. het is goed, zo nu en dan, een beetje water bij de wijn te doen, vooral wanneer het je eigen gevoelens betreft. Dat is waar. Maar het is toch niet verstandig, je leven zelf te verwateren. Nu kun je wijn niet onbeperkt indikken, intensifiëren. Dan verliest zij haar waarde en haar aroma. Er blijft uiteindelijk alleen maar een klein kluitje droge stof over, dat allesbehalve smakelijk is noch lijkt. Maar het leven kun je wel intensifiëren.

Wat is uiteindelijk belangrijk in het leven, in het bestaan, zoals de mens dat kent? Dat je iets na kunt laten aan de op je volgende geslachten? Dat lijkt mij van weinig belang. Want wat je ook voor de komende geslachten, of wel zij draaien alle betekenis van je leven en werken om, ofwel zij vertellen, dat je alleen maar een grote opschepper en leugenaar bent geweest. Al je allerbeste bedoelingen trappen zij uiteindelijk toch weer voorzichtig of hard in een hoekje.

Leven voor het nageslacht heeft maar betrekkelijk weinig zin. Elk geslacht zoekt altijd weer zijn wegen. Het bouwt daarbij zeker op hetgeen de ouden reeds gedaan en gemaakt hebben, maar al deze waarden interpreterende op hun eigen wijze. Als U nu rekent, hoe bv. in lichtzinnigheid de afstand voor u op het ogenblik is tussen een Pavane, een Wals en een Boogie Woogie, dan kunt u ongetwijfeld begrijpen, hoe weinig het voor de opvattingen van de geslachten belangrijk kan zijn, hun eigen denken en wezen in het nageslacht uit te zien gedrukt. De continuïteit der dingen maakt ons uiteindelijk zo onbelangrijk, dat wij in het geheel der tijd niet mee tellen. Een heel leven lang hierna te streven lijkt mij dus alleen maar aanvaardbaar en goed, wanneer je nu werkelijk niets beters te doen weet. Wat een mens beter te doen zou hebben dan dat? Ik zou zo zeggen: In elke mens leeft wel zo’n klein beetje een of ander geloof. Je gelooft, dat sommige dingen goed zijn en andere dingen kwaad. Je gelooft, dat je bepaalde dingen moet doen en andere dingen moet laten. Wanneer je het daarbij laat, dan krijg je een verwaterd leven. Net als te sterk gewaterde wijn. Weinig kwaad, weinig goed, weinig betekenis. Maar kun je je realiseren, scherp hierbij onderscheidende, wat volgens jouw weten goed is en wat je absoluut meent te moeten verwerpen vanuit je eigen wezen, dan kun je door voortdurend streven, komen tot een concentratie van het goede.

Dan ga je intens leven. Dan zeg je niet: Nu ja, ik weet het wel. Morgen zal ik wel beginnen met braaf zijn.

U heeft misschien het verhaal wel eens gehoord van die man, die zijn ziel aan de duivel verkocht. Hij was nogal onzeker over het contract. Daarom zei de duivel tegen hem; Hoor eens, mijn jongen, ik wil je een kans geven. Wanneer jij biecht vóór ik je kom halen, dan ben je alles kwijt, wat ik je heb gegeven, maar je hebt ook je ziel gered.

U hoort het wel: deze legende is van katholieke oorsprong. Zij stamt uit het zuiden van Frankrijk.

Deze man dan kreeg van de duivel alles, wat hij maar hebben wilde. Zijn wijnstokken droegen als bij niemand anders. Rijkdommen, genot, alles werd hem gegeven. Maar elke avond weer dacht de man aan Joosje Pek en zei zichzelf: Het wordt toch tijd, dat ik ga biechten. Deze weelde duurt nu al verschillende jaren, dus ik zou binnenkort wel eens dood kunnen gaan. Maar dan keek hij naar zijn boerderij, naar zijn dieren, naar zijn geldkist, naar zijn vrouw en dacht dan: Maar het is zo prettig. Ik wil die rijkdommen toch nog wel een dagje behouden. Zo kwam hij er elke dag bijna toe te gaan biechten, maar nooit helemaal. Toen de duivel dan ook om zijn ziel kwam, had hij nog niet gebiecht. Hij schrok natuurlijk erg en vroeg met zijn vriendelijkste stem: Duivel, kun je nog vijf minuten wachten? Maar de duivel antwoordde: Het spijt mij, dat gaat niet, want wanneer ik ja zeg, weet ik wel, wat jij gaat doen: biechten.

Dit is natuurlijk maar een verhaaltje, maar het heeft toch een achtergrond.

De meeste van ons weten heus wel, wat er in hun leven volgens eigen bewustzijn kwaad is. De maatstaven, die wij in het leven aanleggen, kunnen bij verschillende mensen natuurlijk ook heel wel zeer verschillend zijn. Maar wij weten toch heus wel wat goed is, wat wij volgens ons geweten in het leven dienen te doen en te laten. Maar wij zijn dan net als deze boer in het verhaal. Wij zeggen: Wanneer ik nu werkelijk eens overal voor mijn mening uit zou gaan komen en alleen maar zou doen, wat ik voel te moeten doen en geen kwaad meer zou willen doen, waar kom ik dan terecht? Dan ben ik mijn baantje kwijt. Dan heb ik uiteindelijk als enige rijkdom hoogstens nog een serie dwangbevel in mijn zak. Dat kan ik toch niet doen? Ik heb mijn verplichtingen tegenover die en tegenover die. Zo sussen wij ons zelf dan in slaap. Natuurlijk, zo zeggen wij, er komt een ogenblik, dat wij geheel goed zullen leven en zijn. Maar nu nog niet, het convenieert nu niet….. Zo gaat het werkelijk. Neem nu maar eens een voorbeeld;

Hoeveel heren zijn er niet, die zichzelf weer zeggen: Het wordt de hoogste tijd, dat ik eens op ga houden met roken. Nu ja, ik heb nog een paar sigaretten, die zal ik toch maar eerst maar oproken. Het is immers zonde, als zij blijven liggen. Maar als zij dan de laatste sigaret op hebben, vergeten zij hun voornemen en zeggen later: He, hoe dom! Nu heb ik toch weer nieuwe gekocht. En dan raakt het voornemen voorlopig wel weer in het vergeetboek.

Voor de dames al net zo. Morgen ga ik ophouden met snoepen. Maar als het morgen is, dan zijn wij het vergeten, of doen alsof. Dan is er weer een koekje bij de koffie en een bonbonnetje bij de thee. En als het er even af kan, doen wij in de koffie nog wat slagroom ook. Het maakt wel dik, maar het is alleen maar voor vandaag en het is toch zo lekker. En morgen hebben wij wel een andere uitvlucht. Er is nog zoveel in huis, of wij krijgen visite en dan kun je toch niet…. Zo gaat het met alle goede voornemens vaak. Vandaar, dat veel mensen wel lang leven, maar aan ervaringen maar heel weinig uit dat leven halen, dat de moeite waard is. Dergelijke mensen zijn misschien wel altijd aardig tussen de klippen doorgezeild, maar zij hebben voor zichzelf geen enkel ervaring van betekenis opgedaan. Je kunt beter een mens hebben, die intens leeft. Onverschillig, wat deze goed noemt. Dat kan in verschillende fasen van je bewustwording weer iets anders zijn. Wanneer hij het goede nastreeft met al zijn krachten, zo goed als hij maar vermag, dan zal hij vele en felle ervaringen hebben.

Dit betekent dan dus het vastleggen van vele en vaak belangrijke waarden binnen korte tijd in het ik. Iemand die goed leeft – ook al duurt dat leven maar één jaar -, gedurende dat leven geestelijk gestreefd heeft naar het goede en dit althans enigszins stoffelijk heeft kunnen verwerkelijken, heeft dus meer aan zijn leven dan iemand, die langer leeft en minder streeft. Ook een baby kan goed zijn en goed streven. Alleen de ouders en volwassenen zien dat nooit. Maar dat is al weer een tweede.

De ouders zijn wel vertederd als baby glimlacht, of omdat hij mooie blauwe kijkers heeft. Maar dat die baby al bewust denkt, zij het dan anders dan een volwassene zich voor kan stellen, begrijpen zij niet. De gedachteprocessen van een baby zijn voor volwassenen zo vreemd, dat zij eerder een hondje, een katje of een vogeltje begrijpen dan een klein mensenkind. Toch kan ook zon klein mensenkind op zijn wijze al goed of kwaad zijn. De intensiteit, waarmede je het goede nastreeft volgens je beste weten en het kwade verwerpt, maakt echter later voor U werkelijke betekenis uit van Uw leven. Daarom zou je dit citaat, dat u daar geeft, nog heel rustig iets uit kunnen breiden. Je zoudt kunnen zeggen:

Het hoe, of waar je leeft, niet wat anderen van jou denken, is van belang, maar alleen de intensiteit, waarmede je hetgeen je goed noemt, hebt nagestreefd. Alleen moet ik daar dan natuurlijk bij stipuleren, dat dat noemen geheel oprecht en uit volle overtuiging gebeurt.

Een mens, die probeert omtrent goed en kwaad een pact met zichzelf te sluiten, sluit eigenlijk een pact met de duivel. Wanneer je probeert jezelf te overtuigen, dat je ofschoon je weet dat je eigenlijk andere en nog beter zou moeten doen, je op het ogenblik daartoe nog niet rijp, of in de gelegenheid bent, dan geef je je over aan de krachten der middelmatigheid. Ik ken mensen, die echt leiding ontvangen. Maar daarin kennen wij weer drie typen. Ik zou zeggen, dat die typen de wezens omvatten van wat Jezus bedoelt, wanneer Hij zegt: Velen zijn geroepen, naar weinigen zijn uitverkoren.

Het eerste type krijgt bv. de impuls: Je moet je stoffelijk gaan beperken en anders gaan leven, want er ligt een feestelijke taak voor je. Dezen zeggen dan: O, ja, Natuurlijk, wacht even. Eerst mijn zaken afdoen. Het ogenblik van licht gaat voorbij en het kostbare, wat hen geboden werd, vinden zij nooit meer terug.

Het tweede type is redelijker. Het zegt: Een opdracht voor mij? Ik krijg dus leiding. Hoe mooi is dat, wat moet ik er voor doen. Maar wanneer het op doen aankomt, volbrengen zij slechts ten halve, wat hen wordt gezegd. Dat zijn de goede zielen, die heus wel aan de armen willen geven, wanneer zij als zekerheid voor zichzelf nog een klein spaarbankboekje achter de hand mogen houden, het zijn die goede zielen, die u met alles willen helpen en alles voor u over hebben, wanneer hun handen maar niet vuil worden.

U kent ze misschien wel: de helpers van iedereen, die menen ieders leven te mogen regelen, maar bij sommige verplichtingen daaruit wensen, dat je hier dan toch wel een lijn moogt trekken. Zij begrijpen de waarde wel van de leiding, die zij ontvangen, maar zijn door hun innerlijke onzekerheid niet in staat deze te volgen. Wanneer zij er al in slagen het eerste gedeelte van de weg, die getoond wordt te gaan, dan menen zij, wanneer het tweede deel hen wordt getoond: Alweer wat anders? Nu ga ik toch voorlopig nog even op de oude voet voort.

Deze winnen ongetwijfeld iets in het leven. De intensiteit van hun beleven kan soms, maar dan slechts kort, zeer groot zijn.

Neen. Geef mij dat derde type naar. Dat derde type is iets, wat u op aarde meestal zonderling noemt. Ook deze mens ontvangt in zich leiding. Het is een stem, een gevoel, een inspiratie soms, dat ook hen zegt: Dat is nu je doel. Dan trekken zij zich niets van de gevolgen aan, noch wat anderen ervan zeggen, er achteraan gaan. Je zoudt dan soms willen zeggen: Nu, die heeft nu toch zijn richting gevonden. Hij gaat op in die wetenschap, of zij zoekt nu deze realisaties van bewustzijn. Nu is het dan toch wel goed. Maar opeens slaan zij om als een blad van een boom. Dan gaan zij een heel andere kant uit. Dan zit de goegemeente te peinzen: Hoe komt het nu toch, dat die nu ineens daar heen gaat? Nu ja, ik heb altijd wel gezegd, dat er iets niet in orde was met die ijver. Moet je zien: gisteren liepen zij nog hier en nu zitten zij daar al weer.

De goegemeente begrijpt het niet. Het pad van een menselijke bewustwording, het menselijke leven is nu eenmaal samengesteld uit veel verschillende gebeurtenissen en ook uit vele verschillende fasen, waarin een bepaalde bewustwording mogelijk is. Degenen, die geroepen zijn, zullen met hun schijnbaar zigzag lopen tussen geloof en activiteit, tussen werkzaamheden en onthoudingen, zijn juist degenen, die in hen – voor de ogen der mensheid – heen en weer geslingerd worden, het eigenaardige pad zoeken, dat tussen alle misvattingen door, voor hen voert naar een volle bewustwording en een intens leven. Vandaag zijn zij misschien katholiek, maar dan ook met heel hun hart. Dan ontgroeien zij er aan en worden misschien Rozenkruiser. Maar ook dat zijn zij met geheel hun wezen, geheel hun hart.

Dan slaan zij misschien weer om en tippen een ogenblik bij de theosofie aan. Daar gaan zij alweer verder, weer naar een nieuwe lering toe. Zo schieten zij door het leven, zigzag, heen en weer. Vandaag misschien zijn zij boeddhist, morgenstreven zij weer in de leer van Tao. Maar hoe zij ook gaan, zij volgen steeds de leiding, die hen gegeven wordt. Zij zijn geroepen en volgen het pad, dat hen wordt gewezen. Daardoor verkrijgen zij de intensiteit van beleven, die ook in het gegeven citaat mede bedoeld zal worden, wanneer wordt gezegd, dat een goed leven belangrijker is dan een lang leven.

Het is de intensiteit, waarmede je in je leven ervaring vergaart, die uitmaakt, hoe je later in een andere wereld zult staan tegenover het leven en jezelf. Het is de wijze, waarop je lering trekt uit het leven, die uit zal maken, of je misschien honderden keren terug zult moeten keren in de bekrompenheid van de stof, of vrijelijk zult kunnen gaan in de lichte werelden. Werken zul je ook daar, want werken is deel van het leven der stof, zowel als der geest. Maar vrij zul je geestelijk daarin steeds weer zijn. Dit alles wordt beslist door de manier, waarop je leeft. Daarom vind ik werkelijk, dat dit citaatje nog niet eens zo’n heel slecht onderwerpje was voor vandaag.

  •  Om mane padme hum. Is dit het oosterse equivalent voor het westerse “Het koninkrijk Gods is in u”?

O, gij kleinood in de Lotusbloem. Of beter gezegd volgens de originele vertaling: Flonkerend juweel in de Lotusbloem.

Wat is de lotus? Symbool van ons bewustzijn. In het oosten leeft de lotus een magische betekenis. In het geloof van velen rijst de bewuste ziel voor het eerst op in de nog door nevel omgeven vijvers van een nieuw land en daar temidden dezer vijvers vloeit de bloem van zijn bewustzijn, de lotus. Een mooie bloem, een tere bloem met haar vreemde pracht van kleuren, zich ontvouwend en wordend tot steun van een pas geboren Boddhisvata. Eén, die de eenheid heeft gevonden.

Wat is het kleinood in de lotus? Is het niet Boeddha en al datgene, waarvoor een Boeddha staat? Het is niet één afzonderlijk wezen, het is niet een afzonderlijke mens, want een ieder kan komen tot het punt, waar hij vrij van het rad van lot en gebondenheid, eenzaam de lotus van zijn bewustzijn, zonder begeren of angst, het Zijnde aanschouwt.

Ja, het koninkrijk Gods is in u, het heeft eigenlijk een andere betekenis en toch komt het zoveel overeen. Wat is het Koninkrijk Gods? Het kan geen stoffelijk rijk zijn. God is meer dan stoffelijk. Het kan ook niet één of ander geestelijk zijn, want God is meer dan dat. Het Koninkrijk Gods is een innerlijke toestand. Een je één voelen met alle dingen en daardoor één zijn met alle dingen.

Dan vinden wij daar toch wel naast verschillen overeenstemming. Is het Om mane padme hum de uitdruk van de mens, die begeert naar zijn eigen verlossing, dan is het Koninkrijk Gods in ons, de uitdrukking, die wij hebben voor de ongeweten eenheid met de scheppende Kracht, met het Alscheppend Vermogen.

Van twee kanten wordt eigenlijk hier hetzelfde benaderd. Men zegt het niet gelijk, omdat de opvatting een geheel verschillende is. De westerse mens – dat weet ik uit eigen ervaring – is een mens, die in daden leeft, in uiterlijkheden, voor hem geen persoonlijke verstilling, voor hem niet het-zich-terugtrekken in zichzelf, totdat er niets meer overblijft dan een flonkerend juweel van besef, dat één met het Goddelijke, zich verheft tot de troonzetel van een ontplooid bewustzijn.

Neen, de westerse mens moet werken, moet zwoegen, moet daden stellen. Wat voor daden, daar zullen wij maar niet over praten. Maar hij moet wat doen. Hij moet zoeken naar iets, wat in hem misschien als een stuwende kracht in hem aanwezig is, maar wat in de wereld buiten hem gerealiseerd wordt. Het Koninkrijk Gods is in u. De eenheid met het zijnde is een eigenschap, die je bezit. Maar je moet ze realiseren door je leven, door je daden. Niet door je afkeer van het leven. Daar ligt nu het verschil.

De Tibetaan, en over het algemeen de boeddhist, mits de betere boeddhist, stelt zich het leven voor als een voortdurende onthechting: je steeds meer vrijmaken van elke band, die je aan de wereld bindt. De christen daarentegen zoekt geen wereldverliezen, maar een wereldaanvaarden. Voor hem: Uw naaste gelijk uzelf, zie alles gelijk aan dat “ik”, omvat de wereld, sluit steeds meer in je. Dat is een tegenstelling.

Dat kun je niet tot de eenheid terugbrengen. Het is andere weg. Maar degene, die zich losmaakt in zijn levensbeschouwing, van alles, werkelijk alles, wat nog menselijk zou kunnen zijn, ja, wat een geestelijk voorstellingsvermogen zou kunnen binden in een van de vele duistere, of lichte sferen, die komt tot hetzelfde waartoe de christen komt, die elke wereld aanvaardt, ja, die alles beschouwt als deel van zijn wezen en zichzelf als deel van alle dingen. Geen ontkennen van het begeren bij de christen, geen ontkennen van de angst, o, neen. Hij accepteert ze, maar hij smeert ze uit a.h.w. want hij vreest met een ieder en hij is vreugdig met een ieder. Door de grootheid van de sfeer van geestelijke belangstelling, waar hij op drijft, komt hij tot een zekere gelijkmatigheid, die in wezen hetzelfde als de persoonlijke onthechting van de boeddhist.

Vandaar, dat ik zo zeg, het komt wel op hetzelfde neer. Maar daarom is het nog niet hetzelfde. Het een is de weg van het niet-leven, de ander van het leven. Om mane padme hum, dat is de aanroep tot het grote ongekende, hetgeen zich onthecht heeft aan de wereld en er geen deel meer aan heeft. Het is niet, zoals men denkt, een Godsverering. Wanneer die gebedsmolentjes draaien, dan is dat niet maar een automatisch naar voren brengen van bepaalde waarheden met het idee daaruit verdiensten te vergaren. Ja, dat hebben de eenvoudige gelovigen daarvan gemaakt. Overigens met behulp van de priesters, hoor, want die verdienen er aan.

Het Om mane padme hum is de herinnering, die je voortdurend herhaalt aan je eigen werkelijke toestand. Moge de Lotus van je bewustzijn nog niet ontplooid zijn en daardoor een wereldonthechting nog niet mogelijk, in je draag je dat flonkerend juweel, dat ego, dat eens onthecht van alle dingen, op zal gaan in een nieuwe grote vrijheid, in een nieuwe wereld. Een wereld, die geen daden meer kent…. en de christen.

Zijn Koninkrijk Gods is het eenzijn met God, het handelen met God, en dus uiteindelijk ook een ontkenning van eigen handelingsdrang of mogelijkheid. Eén zijn met het Koninkrijk Gods wil zeggen, dat God zich in je uit en door je werkt, wanneer u mij vraagt en daar mijn mening over kenbaar te maken, dan formuleer ik het zo;

Om mane padme hum is de weg van de mens, dit tot zichzelf inkeert. Het Koninkrijk Gods is de weg van de mens, die tot het Goddelijke uitgaat. Maar beiden bereiken hetzelfde doel: God en de eenheid met God, waar de eenheid telt en niet de weg, die gevolgd wordt, stel ik, dat deze twee spreuken volkomen gelijkwaardig zijn aan elkaar, ook waar zij een andere weg aangeven.

  • Dat Om, is dat gelijk aan Aum? De klank, die men zo weinig mogelijk moet gebruiken?

Dat het weinig gebruikt wordt, is niet waar. Maar het aum is niet volkomen gelijk aan de klank, die u bedoelt, dat is n.l. het Aum. Aum is de omvatting van alle klanken van het menselijk wezen. En zo naar men zegt, de volledige uitdrukking van zijn Zijn. Daardoor de klank, die hem in harmonie brengt met alle krachten, aan hem verwant want, het woord Aum is een machtsspreuk, het wordt ook heel veel gebruikt in verschillende toonaarden. Het behoort bij de kreten, die worden uitgestoten, wanneer een boeddhistisch priester helpt om een geest vrijelijk op te laten gaan uit zijn lichaam, tot een nieuwe incarnatie. Het hoort ook bij de zang van de monniken, die magie bedrijven. Het hoort ook bij de meditatie van de kluizenaar, die zichzelf aan de wereld ontrukken wil. De klank Aum is alleen gevaarlijk vooral wanneer zij juist geïntoneerd wordt, voor iemand, die denkt, dat hij er zelf iets mee kan doen. Het loopt meestal faliekant verkeerd uit.

Maar het is ook niet identiek met het onzuiver oom en niet aum, dat vooraf gaat aan de spreuk: om mane padme hum. Dus dat om rijmt een beetje op dat hum.

 

  • Kan u iets meer vertellen over: Ichn-n-Aton

Zoon der Zon. Dat is een wonderlijke en, gedeeltelijk ook, treurige geschiedenis. Ich-n-aton noemde zichzelf zo, omdat Hij God zag als een eenheid, uitgedrukt in het licht, dat de wereld vruchtbaar en leefbaar maakt.

Van jongsaf aan was hij een dromer, een stille peinzer. Hij leed aan vallende ziekte en was eigenlijk aan het weelderige hof van Egypte een soort van buitenbeentje. Het feit, dat hij niet mee kon doen met de krijgslieden, dat hij niet voor de wrede genoegens van de jacht voelde, bracht hem ertoe om steeds meer het gezelschap van priesters te zoeken. Maar juist dat vele gezelschap zoeken van de priesters had althans voor de priesterschap en uiteindelijk ook voor het stoffelijk leven van Ich-n-aton onaangename consequenties. Ofschoon men zegt, dat wie met pek omgaat, ermee besmet wordt, leerde de jonge farao wel de streken van de priesters kennen, maar tevens daardoor het priesterdom, dat meer zint op macht, dat meer zint op gezag en invloed, dan op waarheid en dienst aan de mensheid, verachten. Daar heb je dan het begin.

Hij wordt beïnvloed door verschillende filosofen en denkers. Hij maakt kennis met buitenlandse godsdienstige beschouwingen, die tot zijn tijd praktisch “taboe” waren aan het Egyptische hof. Zijn grootmoeder, die nog een tijd een invloed had aan het hof, vindt dat niet onplezierig. Ik geloof, dat er heel wat in die hofhouding zijn geweest, die er precies zo over dachten. Per slot van rekening: zolang farao zich bezig houdt met onschadelijke dromen over Goden, kan hij zich niet in het bestuur mengen met zijn volle wezen en zal hij heel gehoorzaam doen, wat de anderen goedvinden. Het gaat een tijdje zo en dan komt ineens deze mens in opstand. Het is eigenlijk eigenaardig, hoe deze mens ineens verandert als een blad aan de boom. Ineens begint hij te intrigeren, Hij heeft dit goed geleerd bij de priesters. Hij maakt gebruik van filosofen, van moordenaars, van soldaten. En voordat iemand precies weet, waar hij aan toe is, blijkt plotseling, dat de verachte farao, die zo vaak schuimbekkend neervalt op zijn terrassen, de macht van het hele land in handen neemt. De priesters, die dit op zichzelf niet onplezierig vinden en hem vandaar van ganser harte hebben bijgestaan, menen nu in deze betrekkelijk hulpeloze, tengere jongeman een soort wapen gevonden te hebben. Het wapen menen zij te hanteren door alle wereldlijke macht aan het priesterdom te brengen.

Zij hadden het toch al aardig ver gebracht, wat dat betreft, maar zij willen verder gaan. Zij willen bv. dat de hogepriesters aanwezig zullen zijn bij het ontvangen van tribuut der farao, dat twee keer per jaar gebeurt. Dan komen uit alle provincies de gezondenen, vaak de satrapen zelf ook, dan komen de schatplichtigen van vreemde hoven en stammen, ja, dan komt de hele bevolking. Dan komen de heren van de landgoederen. Zijn brengen farao zijn deel. Nu zou de tempel graag daar het oppertoezicht hebben. Al de aanwezigen hebben tot nog toe een priesterlijke rang. Maar zij zijn in de eerste plaats de ondergeschikten van de farao en hebben hun wijding slechts ontvangen, omdat je zonder wijding nu eenmaal niet bij Farao’s geheiligde persoonlijkheid kan vertoeven.

Het resultaat is, dat onze jonge farao besluit om de priesters een hak te zetten. Allang heeft hij over een ééngodendom gedacht. De veelheid van Goden, die Egypte verdelen, stad na stad, gebied na gebied, bevallen hem eigenlijk minder. Hij heeft allang door, dat de concurrentie tussen twee Goden in feite niet een concurrentie is van hemelse machten, maar van twee kloosteroversten, of meesters van tempels, die proberen elk voor zich het beste zaakje te maken uit de aalmoezen en de schatting, die opgebracht wordt door de gelovigen.

Hij benadert enkele priesters, o.a. die van Amon, die z.i. vatbaar zouden moeten zijn voor een dergelijke verbetering.

“Ho maar, één andere God? Een God, Die verschillende Goden omvat? Een God, Die van Isis en Amon één maakt, neen, dat kan niet, dan zouden er tempels teveel zijn. Dan zou er niet meer gevochten kunnen worden tussen de priesters over dit of dat bezit, dan zou alles één staatskerk worden”.

Waren zij verstandig geweest, dan hadden zij deze farao, die in wezen eigenlijk een zwakkeling is, met rust gelaten. Dan zou ongetwijfeld Aton’s leer verkondigd zijn door een paar zendelingen en heel gauw ten onder gegaan zijn. Maar zij vermeten zich farao te zeggen, dat zij het zijn, die hem op de troon hebben gebracht. Dat zij het zijn, die de macht in handen hebben. En of farao maar zo goed wil zijn om dergelijke onzin verder maar te laten rusten.

Dan kan het niet meer anders, dan breekt het uit. Soldaten omsingelen verschillende tempels. Zendelingen verschijnen overal, goed betaald, op de straten en roepen het volk toe, dat Aton de grote God is. Tempelplechtigheden, die niet altijd in overeenstemming zijn met Uw opvatting van kerkelijke gebruiken, worden plotseling verhinderd of geheel gesloten, De offers, die men zo gaarne bracht tot mensenoffers toe voor sommige Goden, gaan niet meer door. Het is afgelopen met de dwaasheid. Wanneer iemand zich voor de krokodillen wil werpen in de Nijl, en hij is geen misdadiger, dan wordt dat verboden. Wanneer de priesters op eigen gezag rechtspraak willen plegen, dan verschijnt plotseling een klein escorte met een officier en de priesters zelf worden het slachtoffer van de straf, die zij de schuldige hadden toegemeten. Deze wordt naderhand door farao’s gerechtshof veroordeeld. U begrijpt wel, dat het een slag in het gezicht is van een ieder en de actie begint. Geen tempel wil Aton erkennen. Farao geeft het niet op, Farao bouwt nieuwe tempels voor Aton.

Het is niet voldoende. Vlak voor die tempels staan de kaal geschoren priesters en kijken met een lach naar de vrouwen en kinderen, die daar binnen gaan om de “God met de handjes” te aanbidden. Het symbool, de zonnestraal, die in elke straal een zegenende hand uitstrekt over de wereld, wordt tot een voorwerp van spot. De hofhouding intrigeert tegen farao. Zij saboteert alle bijeenkomsten, ja, zij tracht zelfs zijn meditatie te storen, wanneer hij zichzelf bij zonsondergang, of opgang, tot zijn God wendt. De energie van deze zwakkeling, die zichzelf wil handhaven, wil bewijzen, dat hij de meerdere is, breekt los. Uit zijn pen stromen schone gedichten en oden, gebeden met een klank, die sedertdien op de wereld zelden gehoord is.

Farao is groot, Farao is zo groot, dat hij besluit, eenmaal gehuwd zijnde zijn eigen leven te voeren. Hij breekt met de tradities, hij vertoont zich met zijn vrouw in het openbaar; met zijn kinderen rijdt hij door de juichende menigte heen. Het onrustbarende voor de hovelingen is, dat de toejuichingen oprecht schijnen te zijn. Er behoeft een claque bijeen te worden gedreven. Zelfs de slaven ervaren de goedwillendheid van farao. De kunstenaars maken gebruik van de nieuwe vrijheid, die hun geboden wordt en laten hun strenge stijl langzaam maar zeker voor een meer naturalistische varen, Toch blijft de stad vijandig. De overgevoelige Ich-n-Aton kan dit niet verdragen. Hij zal een stad bouwen voor Aton! Een stad van Vrede! Een stad, waarin alleen gelovigen wonen! Een stad, die geschikt is om waarlijk tot God te komen en hij zal de hele wereld vrijmaken uit deze ban van het veelgodendom.

Hij zal de arme boeren leren, dat het dwaas is om slaaf te zijn van een of ander dierenbeeld. Hij zal ze in de steden vertellen, dat de bezwering, die zij zo duur kopen, onzin is, dat de geneeskundige hulp een bekwaamheid is, geen werk der Goden. Hij zal leren, dat het dwaasheid is geld uit te geven voor de kleine dodenbeeldjes. Hij zal hen leren, hoe Aton een God van Schoonheid is, een God, Wiens offer bloemen zijn, bloemen, die het oog van de mens verheugen; bloemen, die de harten sneller doen kloppen en die gebaad in het licht van de zon een vlammende flambouw worden, vol van schoonheid, op de hoog torenende altaartrappen.

Maar het zal anders gaan.

Hij begint aan de stad, De werklieden worden goed betaald. Praktisch geen slavenarbeid. In verhouding tot de normale gebruiken wordt voor deze opbouw aangewend. Degenen, die er werken, worden goed betaald en daarom komen zij. Zij worden goed gevoed. Het licht Egyptisch bier, dat komt, is bedorven. Het graan, dat wordt aangevoerd, is beschimmeld. De schepen, die de stenen moeten aanvoeren, krijgen plotseling ongelukken. Men saboteert van alle kanten.

Ich-n-aton kan dat niet verkroppen. Hij vlucht naar zijn paleis, dat in deze stad reeds gereed is gekomen en vermijdt zich met vrouw en kinderen, met wat vrienden, in de lusttuinen, die hij heeft doen aanleggen. Hij brengt een groot koor samen van de beste stemmen en laat ze in een machtige melodie een loflied zingen op de zon. Hij zelf celebreert bij plechtigheden. Maar de grote steden, waar eens de hofhouding was, negeert hij. Thebe, Memphis, zij zijn vijanden van farao: en met de hofhouding is een groot deel van hun belangrijkheid weggegaan. Overal gaan de priesters rond, “Aton is een schijnbeeld van een waanzinnige farao, Hij is een godloochenaar. De Goden zullen Egypte straffen”. Dat Egypte gestraft wordt, daar dragen zij zorg voor.

Terwijl de mens Ich-n-aton droomt, terwijl zijn geest langzaam maar zeker de eenheid van de kosmos begint te bevatten, zenden de priesters boden uit naar de omringende stammen. Invallen worden geforceerd. Overal uit de woestijn komen de snelvoetige ruiters en plunderen. Ja, wat meer is uit naburige rijken rukken met grote legers op.

Ich-n-aton blijft onberoerd. Wanneer de koeriers komen, dan zegt hij: “Aton zal zorgen”, Wanneer men hem spreekt van rovers dan zegt hij: “Geef hen brood, Zij zouden niet roven, wanneer zij niet in armoede waren”. Het volk kan dit niet begrijpen. “Het is waanzin”, slaven, die in opstand komen, worden niet op een wrede manier gedood. Integendeel, hun omstandigheden worden verbeterd. Dat kan zo niet verder gaan. Wanneer dan werkelijk het ogenblik, komt de legers dreigen, wanneer eindelijk Egypte’s leger uitrukt, dan is het te laat.

De farao, die eens een heel volk zijn vriend kon noemen, staat alleen. Uit zijn stad verdwijnt een ieder, die kan langzaam en voorzichtig. Het aantal hovelingen en vleiers wordt steeds minder. Het wordt eenzaam in de lusttuinen, Sommige der straten tonen reeds een spaarzame groei van gras, omdat zij niet betreden worden. Dan, uiteindelijk, zal Ich-n-aton terug gaan. Hij voelt hoe vijandig hem de steden zijn. Dat kan hij niet meer volhouden. Dan geeft hij het bevel in handen van anderen. De oude gestrengheid regeert weer. Gelijktijdig worden overal de verboden heiligdommen weer geopend. Gesloten tempels houden opnieuw erediensten. Ontuchtige feesten van sommige Godinnen worden weer in volle felheid gevierd, ofschoon het verboden is.

Wanneer een tribuut naar farao gaat, gaan gedeelten ervan naar Amon Re. Zo verliest de grote gedachten door teveel menselijke zwakheid zijn invloed op een land, dat de bakermat is van zeer veel beschaving.

Zo verliest Ich-n-aton zijn droom in deze wereld. Wanneer hij sterft, dan zijn reeds enkele uren later de steenhouwers bezig om zijn naam weg te beitelen van alle gebouwen en gedenktekenen. Hij is nog geen vier dagen dood en nog niet begraven, wanneer men tracht reeds overal zijn beelden te verwoesten. De zon wordt stuk gebroken. Slechts hier en daar blijft zij haast spottend staan. Het is, alsof die zon met haar handen lacht en zegt: Mensen, zolang jullie de eenheid niet begrijpen, kan ik jullie zegenen.

De mensen zien er naar, zij gooien en slaan ernaar, dan laten zij het rusten. Het volk juicht, de slaven zelfs juichen, ofschoon de zweep van de slavendrijver heel wat feller zal vellen dan ooit tevoren. De burgers, die goedkoop eten hebben gehad, juichen ook, ofschoon zij wel weten, dat de gerst duurder zal worden. Zo gaat het overal. De stad die Ich-n-aton bouwde ter ere van zijn God, wordt verlaten. Het priesterdom legt een ban, twee jaren, nadat hij is gegaan. De enige bezoekers zijn snelvoetige hyena’s of rovers.

Dat is in het heel kort de geschiedenis van Ich-n-aton. Ich-n-aton, een mens, die zich in zijn gedachten kon verheffen tot de ene grote God, die de eenheid van de mens met de Almacht aanvoelde en die het leven zag als een gave, een gave door een goedertierende, welwillende Godheid geschonken aan iedere mens.

Ich-n-aton, die geestelijk misschien sterk en vergaand faalde, waar hij lichamelijk had moeten slagen bij het regeren van zijn land. Ich-n-aton, die faalde in het erkennen van het menselijke in de mens. Ziet u, dat is dan het verhaal van een farao, die één God kende. Die onderging aan de vele Goden, die in de harten van de mensen woonden. De Goden, die de mensen in hun harten dragen, zijn heel wat wraakzuchtiger dan een ware God ooit kan zijn.

  • Een geest, die wel een ver doel heeft, dat ergens als een licht aan de einder schemert, maar nog niet in staat is zelfs maar de vormen, welke in het ik behouden zijn, voor zich zelf te aan schouwen, wat zijn dat voor vormen? Is behouden gebruikt als tegenstelling tot verloren? Of simpel als vervat, inbegrepen?

Behouden is hier gebruikt als tegenstelling met verliezen. En wel omdat wij in onszelf altijd een reeks van vormen dragen, die leven in ons bewustzijn, maar niet zuiveren waar zijn. Dezen gaan in de loop van onze bewustwording afhankelijk van de sfeer, die wij bereiken teloor. Achter al deze vervangbare en uiteindelijk verloren gaande beelden bestaan er echter ook werkelijkheidsbeelden in ons. Dezen geven uitdrukking aan onze ware toestand. Een realisatie daarvan betekent gelijktijdig een overzien van ons eigen wezen en doel in relatie tot alle beleven, dat wij kennen, of veronderstellen. Juist daarom werd het doel als een licht, ver aan de einder omschreven. Wij zien het licht wel, maar beseffen nog niet, dat het reeds in onszelf leeft. Ons streven naar buiten toe maakt het onmogelijk de ware gestalte, de vorm die inherent is aan ons werkelijk en eeuwig bestaan te overzien en te beseffen waardoor kan men dus nog buiten zich streven.

  • Mag ik dus spreken van vormen, die onbewust in de geest behouden gebleven zijn?

Ja, onbewust in de geest behouden is o.i. het voorbeeld. D.w.z.: de realisatie van het eigen scheppingsmoment. Om dit een vorm te noemen in de zin, waarin mensen over vorm spreken, is misschien wat boud. Een mens zou hier waarschijnlijk eerder spreken over een wit licht, waarin een schakering van verschillende lichtsterkten. Desalniettemin is het een beeld, dat in iedereen leeft.

Een ander voorbeeld: De eerste werkelijke verstoffelijking der geest moet gepaard gaan met een beseffen van de ethische en esoterische geaardheid der materiële wording. Hierdoor ontstond een bewustzijn, dat de geest, zelf een vluchtig, niet stoffelijk element bindt aan haar tegenpool: de vorm zoekende stof. Dit heeft wel degelijk ook vorm, al is dit moeilijk te beschrijven. Ook dit beeld is in elke menselijke geest mede behouden. Ik zal proberen dit nog aan te vullen. Ik houd er niet van om voor u in raadselen te spreken, want ik ben nooit een sfinx geweest. Wanneer wij spreken over een vorm, die leeft in het ik, dan bedoelen wij daarmee een ontwikkelingswaarde, die krachtens de schepping beleefd moest worden. Zij werd bij de beleving gerealiseerd. Wanneer wij verder gaan met ons beleven, dan worden deze beelden vaak verwrongen en vervormd in ons. De ware gedaante, de werkelijke vorm blijft wel in ons aanwezig, maar ons bewustzijn schept daarin en soms ook daarvoor vergankelijke façaden van halfbegrepen feiten en punten. U kunt een waarheid nemen en deze zozeer met woorden ombuigen, dat zij onwaar schijnt. Op dezelfde manier kan men een waarheid zo zeer opsieren, dat zij een schijn van waarheid toont.

Op deze wijze kunnen wij in het wezen een tweetal soorten van vormen, gedaanten of hoe u net noemen wilt, onderscheiden. De ene vorm is vast. Zij is de uitdrukking van ons eigen wezen in een bepaalde fase en is onmiddellijk deel van de bewustzijnseenheid, die wij eens zullen vormen. Vandaar dat hier het woord behouden voor deze waarden gebruikt werd. Misvattingen, die bij een sfeer horen, omvormingen van waarheid door onvolledig begrip en zo noemen wij dan de vergankelijke of verloren gaande waarden binnen het ik. Deze laatste zijn dus in tegenstelling tot de werkelijke vorm, die in ons leeft, niet of niet geheel waar. Kunt u dan misschien aan de hand van het voorbeeld misschien begrijpen, wat ik bedoelde?

  • Kan ik misschien zeggen: archetype voor de vormen, die waar in het wezen behouden waren?

Ik zou het niet graag doen, omdat archetype, of oertype uiteindelijk een uitdrukking is, die voor een bepaalde ontwikkelingsrichting gebruikt kan worden, maar niet voor de ontwikkeling van een geest die door een reeks van stoffelijke ontwikkelingen heen, die niet samenhangend behoeven te zijn, een bewustzijn omtrent haar eigen wezen verkrijgt. Wanneer wij stellen, dat elke fase van geestelijke bewustwording ergens in de stof haar evenbeeld kan vinden in een archetype, dan zou ik het wel met u eens kunnen zijn. Archetype als symbool?

Dat kan ik nog wel accepteren. Maar wij moeten heel erg voorzichtig zijn. Want wij hebben toehoorders en lezers, die zich zozeer verwarren in de betekenis van sommige woorden en formules – vooral al door de zeer letterlijke interpretatie, die zij daaraan geven, dat uit een twijfelachtige formulering soms honderden problemen en vragen voort kunnen komen. Of stilstaat, dat de geest begrip van de materie leert ter wille van de materiële uiting. Behoort dit niet te zijn door of krachtens? De materie realiseert al haar vormen door middel van de werkende geest. De geest kan op haar beurt niet tot een materialisatie komen van haar eigen wezen binnen de materie, voor zij een besef heeft van het wezen de mogelijkheden der materie. Wat meer is; de geest kan zich geen werkelijk bewustzijn verwerven zonder de materie. Zo dient de geest, waar zij volgens haar bewustzijn de vorming in de materie leidt, uiteindelijk de materie, die op haar beurt door een veelheid van vormervaring haar volmaaktheid toe streeft. De geest vindt haar volmaking juist door de veelheid der begrippen die in haar samenvloeien. Wanneer hier dan ook het woord ter wille wordt gebruikt, is dit door de feiten wel degelijk gerechtvaardigd. Het leven van de geest in de materie dient niet alleen haarzelf, doch tevens de materie. Voor een mens lijkt dit misschien onlogisch. Maar er zijn nog vele andere vormen van geest, die in de materie leven. De vormen, die dus bewust de materie helpen in haar ontwikkeling, staan qua bewustzijn meestal hoger dan de mens.

Opdat geen misvattingen ontstaan, kan ik hier wel meteen bescheiden bijvoegen: heel wat hoger dan ik ook, hoor. Neem bv. maar eens de geestelijke kern van uw eigen wereld, de aarde. Die bevordert wel degelijk ook mede uw geestelijke bewustwording. Maar in de eerste plaats ligt haar taak toch in een stoffelijke vormgeving, in het ontwikkelen van stoffelijke mogelijkheden, waardoor de geaardheid der materie zelf verandert. Om dit nu uit te drukken in technische termen is voor mij betrekkelijk moeilijk. Het beste zou ik het nog zo kunnen zeggen: dat de frequentie, waarmee de energie om zichzelf draait binnen de kleinste delen, veranderd en verhoogd wordt. Zo kunnen de kleinste delen dan een transformatie ondergaan, waarbij zij van oorspronkelijke oermaterie met zeer beperkte mogelijkheden, komen tot een toestand, die een volledige verwerkelijking van elk geestelijk geëist punt van vormgeving mogelijk maakt. Wij nemen nl. aan, dat de uiteindelijke eenvoud van geest en stof de realisatie zal zijn van het totaal Goddelijke. Op het ogenblik onderscheiden wij dan de materie als iets, dat onmiddellijk vanuit het Goddelijke gericht en gemanipuleerd kan worden en de vrijelijk strevende geest. Wij onderscheiden dus niet een materie, door bepaalde krachten geleid en door andere krachten beleefd, maar zien de totaliteit der perfecte geest als volmaakte tegenstelling tot de volmaakte stof. Aannemende dat deze beiden in zich de volmaakte uitdrukking van het tegendeel kunnen vinden, zullen zij komen tot een oplossing van alle activiteit en een terugkeer tot de absolute rusttoestand, waarin de ongeuite Godheid bestaat, Die in Zich het totaal van Zijn Schepping draagt met alle mogelijkheden daarvan.

  • Uw woorden brengen mij er toe nader te stellen, dat er vier rijken van bewustwording zijn, waarvan het eerste de stof, ten tweede het plantenrijk, ten derde het dierenrijk en ten vierde het mensenrijk. Wat u heeft gezegd, heeft dus betrekking op de bewustwording van de stof. Is dit juist?

U heeft dit goed begrepen, mits u aanneemt, dat er buiten de 4 door u genoemde rijken een spiegeling of tegenwereld bestaat, waarbij geen materieel element aanwezig is, maar waar inplaats van het materieel groeien en zich ontwikkelen een geestelijk zich bewust worden staat. Anders lopen wij vast. Want het bewustzijn, dat vandaag in een plant bestaat, kan zich morgen ontwikkelen tot het bewustzijn van een dier. Maar het is weer heel goed mogelijk, dat het volmaakte geestelijke beeld mens zich stoffelijk uit in een volmaakte redactie van het wezen plant. Dit past bij de stelling, dat de geest slaapt in de stof, droomt in de plant, ontwaakt in het dier en zich bewust kan worden in de mens. Dit is aanvaardbaar vanuit een materieel standpunt. Maar u moet niet vergeten, dat wij dan met het stoffelijk tijdselement en niet rekenen met het geestelijk bewustzijnselement.

Inplaats van de tijdservaring, die voor u de idee schept van slapen en dromen enz. komt geestelijk een ik-realisatie in dode stof met een begrenzingsrealisatie in de plant, een handelingsrealisatie in het dier en een realisatie van de verhouding ik tot wereld in de mens. Dus de geest maakt hiermede ook wel bepaalde trappen door. Een zeer interessant onderwerp. Daar kun je wel een paar dagen over blijven filosoferen..

  • Heeft Shakespeare zijn werken zelf geschreven, of zijn het de werken van Bacon of Marlowe, die wij in het theater toejuichen?

Laten wij de oude Willy maar rustig Willy blijven noemen. Zeker is het, dat Shakespeare met Marlowe enige dramatische punten doorgenomen heeft, voordat deze eerste zo dramatisch aan zijn einde kwam. Ook andere gegevens doen ons wel eens denken aan een nauwe band tussen verschillende kunstenaars uit die tijd. Wanneer wij nu het werk van Shakespeare in zijn eigen tijd bezien, dan moeten wij aannemen, dat hier sprake is van iemand, die de ideeën van vele anderen samenvatte in voor die dagen zeer luchtige werken. Het is dan ook in de eerste plaats wel zijn gebruik van de taal, dat betekenis geeft aan zijn werken. Maar u weet hoe het gaat….

Wanneer iemand bewonderd wordt en beroemd is, dan komen er altijd mensen, die in zijn prestaties veel meer ontdekken, dan er ooit in bedoeld was. Ik ben ervan overtuigd, dat Shakespeare geen van de twee door u genoemde dichters was. Hij heeft zeker niet beseft, wat hij vooral in zijn sprookjesachtige figuren vaak aan kosmische denkbeelden heeft neergelegd. Als een dergelijk stuk als bv. Richard II, Hendrik VIII e.d. in deze dagen zou worden geschreven over Roosevelt, of Eisenhower, dan zoudt u het beschouwen als een amusant maar tendentieus stuk vol van politieke achtergronden. Ik geloof, dat wij dit ook over alle werken van Shakespeare kunnen zeggen. Ik hoop, dat mijn antwoord voldoende is. Meer kan ik er niet van zeggen. Want wanneer u mij vraagt: Hoe heeft de ware Shakespeare werkelijk geheten, dan moet ik eerlijk zeggen: Dat weet ik ook precies niet. Alleen weet ik zeker, dat William Shakespeare niet de vadersnaam van de schrijver was.

  • Berusten de verhalen van Koning Arthur en de Ridders van de Ronde Tafel op historische gegevens?

De Koning Arthur-cyclus is een reeks van bewerkingen door minstreel en barden van veel oudere overleveringen. Wanneer U zich de moeite getroost om de tochten van de Graalridders te vergelijken met de oud Keltische mythen en sagen, dan zult u daarin heel veel overeenkomsten vinden. Het is dan ook wel duidelijk, dat hier geen sprake is van zuiver historische gegevens. Dit in de zin, dat hun leven en de verhaalde gebeurtenissen tenminste enigszins op werkelijkheid kunnen berusten.

Indien wij nagaan welke eigenschappen worden toegekend aan de figuren in deze reeks van verhalen bijeengebracht, dan zouden wij het volgende wel aan kunnen nemen: In de eerste plaats, dat deze Ronde Tafel die niet alleen in het verhaal voorkomt, maar qua vorm historisch wel juist is werkelijkheid heeft bestaan. Men gebruikte dit soort van tafels bij feestgelagen.

De nar kon dan in het midden staan en daar zijn potsen maken voor een uitgelezen gezelschap. De figuur van Arthur zal wel geen vorst zijn geweest in onze zin van het woord. Eerder een klein vorstje in een klein staatje. Zo’n vorstje met enige gaven kon inderdaad wel in staat worden geacht aan zijn tafel voortdurend aardige verhalen te doen vertellen. Hierdoor word een aanvaardbaar raam voor een reeks van vertellingen geschapen. Deze figuur heeft men toen tot brandpunt gemaakt van een reeks oudere overleveringen, die binnen dit kader gebracht voor de toehoorder veel belangwekkender werden.

In een riddertijd hadden de oude overleveringen en legenden betrekkelijk weinig waarde, tenzij zo omgezet, dat de toehoorders zich met de figuren daarvan konden vereenzelvigen. Dat is dan ook gebeurd. Zoeken wij naar de bron, dan vinden wij bv. de Graalgedachte in een enigszins gewijzigde vorm terug in de vroeg Keltische dagen. Buiten de aardse kennis om kunnen wij de mythe zelfs terug voeren tot de geschiedenis van de witmagische Broederschap, die in Atlantis heeft bestaan. In feite is hier sprake van een variant op de steen der wijzen, cycli, die wij ook elders kunnen vinden.

Verder is het interessant na te gaan, dat al deze, op zich dus verschillende verhalen allen bepaalde eigenschapsfiguren vertonen. Wij zien bv. dat gelijksoortige persoonlijkheden ook voor komen in de meer noordelijke godensagen en mythen. Zelfs bij de Germanen vinden wij Godenverhalen, die mits wij ze overzetten in een riddertijd doen denken aan deze Arthurvertellingen.

Ik zou zo dus aan willen nemen, dat de Koning Arthur-cyclus een samenstel van vertellingen is, waarbij oude waarheden mede werden verwerkt, zodat de oorsprong van het thema teruggaat tot de eerste menselijke beschavingen.

Ik meen dit zoveel zekerder te kunnen zeggen, waar wij ook in geheel andere verhalen gelijksoortige wonderen, figuren en gebeurtenissen aantreffen. In de Merlin uit de Koning Arthursagen herkennen wij een figuur, die met kleine varianten als bv. geslacht, in praktisch elke volksoverlevering voorkomt. Wat meer is; het wonderdadig zwaard, dat Merlin aan Arthur verschaft, zijn tegenpool is de koningin-tovenares, vinden wij haast net zo in Indische en Chinese sagen weer.

Het is dus aannemelijk, dat steeds weer een vertaling van bepaalde gebeurtenissen heeft plaats gevonden in het idioom van eigen land en tijd, waardoor de oorsprong op de duur niet meer kenbaar is. De Vlaamse schilders hebben dit bv. gedaan bij hun weergave van Jezus geboorte en leven. Zo heeft men dus in de bedoelde reeks verhalen vele oude overleveringen en verhalen samengebracht in een nieuwe en voor mij nog wel zeer aantrekkelijke vorm.