De bronnen van de beschaving

18 juli 1960

In de loop van de tijd heb ik van dit onderwerp een studie gemaakt. Ik heb getracht daarbij uit te vinden waaruit eigenlijk bescha­ving bestaat waar wij de eerste verschijnselen daarvan kunnen aan­treffen en de wijze waarop de nu bestaande beschaving tot stand is gekomen.

Dit betekent, vrienden, dat u van mij niet moet verwachten dat ik u een betoog voorleg over een enkel land of over één enkel gebied in de wereld. Integendeel, ik wil proberen u duidelijk te maken, hoe beschavingen zijn ontstaan en te gronde zijn gegaan en hoe daaruit ten slotte ook uw eigen beschaving met haar eigen cultuur is gegroeid. Indien u het daar niet mee eens bent, als er punten zijn waarop u verder door wilt gaan, wel, het is allemaal welkom in het tweede gedeelte dat zeer speciaal is bestemd om te discussiëren, dus eventueel van gedachten te wisselen over al hetgeen ik in de inleiding naar voren heb gebracht.

Wanneer wij zoeken naar de bron van de beschaving, dienen wij allereerst voor onszelf vast te leggen wat voor een beschaving noodzakelijk is. Ik meen dan na gedegen onderzoek te mogen stellen dat voor een beschaving noodzakelijk zijn de volgende waarden: In de eerste plaats een sociale structuur, die niet alleen op kracht is gebaseerd.

In de tweede plaats: binnen grotere of kleinere gemeenschappen een reeks van vaststaande regels (gedragsregels), waaraan eenieder zich moet houden.

In de derde plaats: een scheppend vermogen binnen deze gemeenschap, dat zowel meer technisch als artistiek kan zijn en in de meeste ge­vallen beide aspecten vertoont.

Ten slotte: ik ben er niet in geslaagd één cultuur‑beschavingsvorm te vinden, die niet tevens bepaalde godsdienstige beginselen had. Dan volgt hieruit de conclusie dat sociale structuur en godsdienst ‑ die tevens voor een groot deel voor de wetten aansprakelijk bleken ‑ moeten worden gezien als de kern van het begrip beschaving en dat wij zonder deze beide in een meer gevormd geheel het begrip bescha­ving terzijde kunnen stellen.

Wanneer ik dan terugga tot de oudste geschiedenis, dan vind ik daar de primitieve mens. En deze primitieve mens leeft in een omgeving die voor hem betrekkelijk ongunstig is. Hij wordt o.m. belaagd door grote dieren, die tegenwoordig niet of niet meer zo bestaan. De laatste van de sauriërs zijn nog op de wereld. Wij vinden daarnaast de grote en gevaarlijke zoogdieren als bv. de sabeltijger, de holenbeer, de zgn. wolhuid‑rhinoceros en nog enkele van die aardige beesten. Het gevolg is dat slechts een betrekkelijk kleine, op kracht gebaseerde cultuur bestaat. Maar daar waar die dieren niet of niet in zo grote mate voorkomen, vinden wij bepaalde eilanden van rust. In die eilanden van rust vormt zich het eerste begin van wat wij, gezien de huidige waardering en het tevoren gestelde, als een beschaving mogen beschouwen.

Ik kom dan vanzelf op een paar sagengebieden. Het eerste is Lemurië; een land of een deel van de wereld dat voor het grootste gedeelte ligt in de buurt van de Stille Oceaan en waarvan de kern hoofdzakelijk ligt in enkele kustgebieden en eilanden.

In Lemurië is nog geen sprake van een volledig menselijke ontwikkeling. Er is sprake van instinct-drang, maar tevens van een godsdienst en van een onderlinge samenleving, die wel degelijk aan regels ge­hoorzaamt, zij het op een zeer laag vlak. Als u naar een kippenhok gaat, dan vindt u daar wat men de “picking order” noemt. Dat wil zeggen: de haan pikt alle kippen. Kip nummer één kan alle kippen pikken behalve de haan. Nummer twee alle behal­ve de haan en nummer één; en zo gaat het verder. Deze “picking order”, dus een trapsgewijze samenstelling van de maatschappij, vinden wij bij deze primitieve stammen.

Het geloof is een geloof, waarbij de natuurkrachten de verschijnselen zijn van goden, terwijl daarnaast bepaalde ‑ misschien nu paranormaal genoemde ‑ verschijnselen optreden. Door de structuur van deze zeer primitieve samenleving komt men tot samenwerking. Er is sprake van de ontdekking van primitieve werktui­gen als daar zijn: de vuurgeharde speer, bepaalde houten en uit hout vervaardigde werktuigen, zeg knuppels en al wat dies meer zij. Van koken op de bekende wijze is geen sprake, maar in het laatste deel van de periode vinden wij een voedselbereiding bv. in uitge­holde stenen, ook wel in een ruimte tussen stenen of in warme bron­nen. Is het water koud, dan wordt het met stenen uit het vuur ver­hit.

Hier ligt eigenlijk het allereerste begin. In deze zeer primitieve maatschappij leert de mens samenwerking. En in deze samenwerking, waarin dus ook de “picking order” waarover ik sprak ligt besloten, komen wij tot de primitieve ordening, die later ‑ waar ze rond de Atlantische Oceaan haar vorm krijgt ‑ de Atlantische beschaving wordt genoemd. Ook hier is weer opvallend dat de allereerste beschaving ontstaat op eilanden. In verband met het klimaat en de wijze, waarop de wereld in die tijd bestaat, is dat begrijpelijk. De eerste verhouding is er dus één van hoofdman, die zijn orders doorgeeft aan de laagsten, die de meeste moeten uitvoeren. Op den duur verandert dit in een klassensysteem. Wij krijgen te maken met de hoofdman, die een soort kleine vorst is. Hij heeft onder zich zijn discipelen of krijgslieden en dezen regeren over een stam van landbouwers, jagers en vissers. Over het algemeen worden die drie beroepen door de lagere stand wisselend beoefend in verband met de seizoenen.

Men komt nu tot steeds meer ingewikkelde middelen van communicatie. Bijvoorbeeld: wij vinden de dug‑out, de uit hout gehakte kano en later ook de outrigger, de van een zij‑ponton en soms ook reeds van een vast zeil voorziene vaartuigen, welke tussen de eilanden varen. Zodra er sprake is van een verdergaande verbinding, zien wij ook een contact ontstaan tussen de priesters, die in elk van de gemeenschappen optreden als lezers van tekenen, oproepers van geesten en genezers van zieken.

Zo vormt zich hier langzaam maar zeker een reeks grotere belangengemeenschappen. En deze grote belangengemeenschappen worden rijken. Pas wanneer een grotere gemeenschap ontstaat, treedt ook de handel op. En het is een eigenaardig verschijnsel dat daar, waar de handel begint toe te nemen, ook de beschaving groeit. Er komen ruilmiddelen in zwang, die in het begin meestal ofwel op sierlijkheid, dan wel op bruikbaarheid berusten. Voorbeeld: vroeg‑Atlantische ruilmiddelen zijn schelpen (meestal mollusken) en daarnaast ook gedroogde vis. Deze wordt overigens boven een houtvuur gerookt, want de zon schijnt daar niet genoeg om ze daarin te kunnen drogen. Men bouwt steden. In de bouw van die steden komt voor het eerst de belangrijkheid van de magiër op een nieuw peil. In plaats van de eenvoudige priester te zijn, is hij “the man of destiny”, de man die het noodlot van een heel volk in zijn handen neemt. Er ontstaat zo ‑ en dat is in Atlantis een van de meest belangrijke punten voor de huidige beschaving ‑ naast de kunde van de scheepvaart, de mogelijkheid van plaatsbepaling op zee en tevens een godsdienstig besef, waarbij een bepaald wereldbeeld wordt uitgewerkt. Vergis u overigens niet; in Atlantis is in deze eerste periode de aarde nog steeds een soort platte koek of een kom. In sommige gevallen wordt deze opvatting overgeleverd en dan bestaat o.a. de voorstelling van de wereldschildpad. Een schildpad waarop dus wordt gebouwd. Dat is begrijpelijk. Als fundament heeft men vroeger aan de kust om verzakken te voorkomen de palen van de hutten, die werden gebouwd (het waren paalwoningen) op de schaal van grote schildpadden gezet. En men meende dus, dat een levende schildpad de hele wereld zou dragen.

Nu ontstaat er een splitsing in het priesterdom. Dit is religieus zeer opvallend en wij vinden het steeds weer. Men kan spreken van een soort hervorming. Hierbij scheiden zich de meer wereldlijke priesters af van de werkelijke filosofen en de zoekers naar wijsheid. De zgn. wit‑magiërs van Atlantis hebben een zeer hoge ethiek. Zij hebben het begrip van een dienstbaarheid aan de gemeenschap, los van eigenbelang. Bovendien beoefenen zij de wetenschap ‑ vaak primitief volgens huidige inzichten – en kunnen door innerlijk schouwen zeer veel leren omtrent het Al en al wat daarmee in verband staat. Ook hebben zij in die dagen voortdurend contact met geesten en zo ontstaat de broederschap, welke dus dit sagenrijk een tijdlang leidt. Als dit rijk in verval raakt, zijn ook elders reeds menselijke stammen tot ontwikkeling gekomen. Opvallend daarbij is, dat  één van de meest ontwikkelde van deze wordt gevonden in de buurt van de huidige Gobi en verder noordwaarts. Het ras is in zijn kentekenen Mongools, het zijn Mongolen. Zij zijn betrekkelijk primitief en zijn vooral krijgslieden en jagers. Dit wordt zo dadelijk belangrijk. Want als blijkt dat Atlantis door zijn oorlogen en door zijn poging om vulkaankracht te misbruiken zeer waarschijnlijk tot de ondergang zal zijn gedoemd, wordt door de wit‑magiërs onderling beslist wat zij zullen doen. Men besluit slechts een werkelijk noodzakelijke bezetting in hun woonplaatsen achter te laten. Het zijn geen kloosters zoals u zich ze nu voor stelt maar a.h.w. groepen kleine woningen rond heilige plaatsen. Zij, die dus weg kunnen gaan, nemen alles wat zij aan wetenschap bezitten mee.

Door de bodemrijkdom van het Atlantische rijk was men in staat om ‑ zij het zeer zachte – metalen te bewerken. Onder deze metalen vinden wij goud, maar ook lood en bepaalde vormen van tin, vaak geoxideerd tin dat door verhitting wordt gebonden.

Het schrift, dat zich heeft ontwikkeld, is zoals praktisch overal in de wereld in het begin een tally‑schrift, een nummerschrift: het zetten van strepen voor bepaalde eenheden. Door het idee van een ronde wereld en een ronde wereldgodheid (denk aan de zon die door de wolken heen zichtbaar wordt, iets wat op de godsdienstige opvatting van de Atlantiër een zeer grote invloed heeft gehad) is het tally‑schrift gebonden aan een cirkelvorm; het is dus steeds op de cirkel gebaseerd. Dit brengt met zich mee dat men later dit schrift wel “bloemenschrift” noemt. De tally, de nummering, wordt bereikt door binnen die cirkel een bepaald aantal strepen naar een middelpunt te trekken. Ingewikkeld, zult u zeggen, maar het is een typisch verschijnsel van deze cultuur.

Atlantis heeft in deze tijd een beschaving, dat is ongetwijfeld waar. Maar deze beschaving is niet te vergelijken met andere beschavingen om de doodeenvoudige reden dat in deze primitieve wereld evenals in Lemurië, waarover ik heb gesproken, nog steeds sprake is van een door eenieder zonder meer aanvaarde “picking order”. Dat wil zeggen dat zeer grote standsverschillen worden gemaakt en dat overgaan van de ene stam naar de andere steeds meer tot de onmogelijkheden gaat behoren. Ik mag er overigens bijvoegen, dat mede deze sociale structuur aansprakelijk is geweest voor de grote uitbarsting van volkswoede, welke zich in Atlantis voordeed en waardoor de oorlogen ontstonden.

De priesters, die mogen wegtrekken, weten niet precies waar zij moeten blijven. De wereld kent dan al wat meer bloemen en planten in de zin, waarin u ze kent; maar toch zijn varens en mosplanten overwegend. Niettemin vinden wij nog zeer veel moerassen en praktisch overal een overdadige neerslag. De wit‑magiërs hebben gezocht naar hoge bergen. Op deze hoge bergen meenden zij hun God beter te kunnen ontmoeten en spreken. Wij vinden dit beeld later terug: Mozes gaat op de berg om zijn God te spreken ‑ op de bergen wonen de goden ‑ Olympus, Himalaya; op de toppen van de bergen vindt men steeds het licht en de godheid. Zo trokken zij weg en worden in verschillende groepen uiteengeslagen. Eén van die groepen trekt naar het zuiden van Amerika en komt daar in de buurt van Punta Arenas. Zij trekken later de bergen in. De tweede groep blijft steken in de buurt van de Pyreneeën. Zij vormen lange tijd een centrum dat het huidige Iberisch schiereiland ‑ toen iets anders van vorm dan nu ‑ beheerst. De derde groep trekt aanvankelijk verder ongeveer in de richting van waar nu Tanger ligt en gaat dus Afrika in. Maar zij worden daar in de eerste plaats gestoord door de jagende, wilde bevolking. In de tweede plaats is er een slavenopstand, waardoor de slaven van Atlantis losbreken. En de situatie is dan niet zo heel erg prettig; zij voelen zich ongeveer als de Belgen op het ogenblik in de Congo. Daarom gaan zij verder; een deel van hen buigt af en blijft in het Abessijnse hoogland, de anderen trekken door, gaan over de landengte van Suez en langzaam verder naar en door India. Zij komen dan op den duur in de richting van Nepal. Enkelen vervolgen de tocht en komen in contact met de Mongolen. Bij deze Mongolen brengen zij dus een zekere primitieve beschaving, o.a. dus het tally‑schrift, het schrift dat op aantallen is gebaseerd. Daarnaast wordt een daarvan afgeleid herinneringsschrift ingevoerd, het zgn. kralen‑ of ook wel knopenschrift, dat wij ook elders aantreffen.

Hier begint dan eigenlijk de beschaving, die u in deze dagen kent. Want het zijn de Mongolen, die als grote avonturiers en ook vaak als durvende zeevaarders (denkt u bv. aan de Eskimo’s in deze tijd, die een tak zijn van deze Mongoolse stammen) o.m. naar het noorden van Afrika trekken, maar zelfs via de eilanden en op de stromingen in de richting van Amerika; d.w.z. naar het meer zuidelijke Midden-Amerika en Zuid‑Amerika. Zij doen dit om een contact te vestigen en een opdracht van hun priesters te vervullen. Met deze expedities gaat dan ook steeds een priester mee. De bedoeling van de Atlanten is om de weinige overgeblevenen van wat zij zien als de dragers van de “lichtleer”, de leiders van de wereld dus, weer met elkaar in contact te brengen. Door de voor hen onvoorstelbaar grote afstanden, de moeilijkheden van getij, stroming, moessons e.d. kunnen zij dat niet voor elkaar brengen, maar er is sprake van een wederkerige beïnvloeding. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat wij in de primitiefste beschavingen van Zuid‑ en Noord‑Amerika, Mongoolse invloeden vinden.

Deze Mongoolse invloeden komen ook in de oudste vormen van de stenen pijlpunt, de stenen handbijl en de stenen steelbijl naar voren. Opvallend is dat er hier een overeenkomst is vast te stellen met een vroegere periode, die wij vinden rond de Middellandse Zee, waarbij een betrekkelijk grote overeenkomst bestaat tussen Europa en het noorden van Afrika. Dezelfde vormen vinden wij eveneens in de richting van de laagvlakten rond de Brahmaputra en de Ganges. Zo is er een bepaalde vorm van stenen werktuig, dat overal wordt gebruikt. En wat meer is, de daarvoor toegepaste splijtingstechniek blijkt ook tot een betrekkelijk laat jaartal nagenoeg onveranderd te blijven. Hier hebben wij dan de eerste band: een bepaalde bewerkingsmethode van steen, welke wordt overgeleverd en over praktisch de gehele wereld gelijk blijft. De eerste werktuigen van de mens hebben over de gehele wereld dezelfde vorm. Een zeer belangrijk punt.

Want nu is de kwestie: hoe ontwikkelt zich dit alles? Op welke wijze maakt men hiervan gebruik? En dan blijkt de beschaving uiteen te vallen in verschillende centra, die ieder een eigen ontwikkeling hebben.

Wij vinden in de eerste plaats een betrekkelijk primitieve beschaving in het zuiden van Afrika. Zij is klaarblijkelijk een beschaving, welke door de slaven van Atlantis werd overgebracht. Zij vindt haar hoog­ste vorm ongeveer 1800 v. Chr. – een betrekkelijk laat tijdstip ‑ in welke periode bv. steden en tempels voor de Maangodin worden ge­bouwd. Voor die tijd blijft het primitief. Wij vinden in Afrika betrekkelijk oude culturen, waarbij de leeftijden van sommige stenen gebouwen (enkele daarvan zijn door vulkanische uitbarstingen ten dele in as geconserveerd) zouden kunnen worden teruggebracht tot perioden zeker 20.000 v. Chr. En dat betekent dus betrekkelijk vroeg in de huidige historie. Deze bouwwerken tonen al dezelfde wijze van voeging en van optrekken, welke wij veel later vin­den bv. in noordelijk Chili, in Bolivia, in oostelijk Brazilië en ook, enigszins gewijzigd, in Mexico. Er is hier sprake van een beschaving, die zich ontwikkelt in bijna socialistische vorm. Deze beschaving is nl. gebaseerd op een wel­vaartsspreiding. Men kent weliswaar vorsten, edellieden, krijgsheren en handelslieden naast de eenvoudige werkers, maar een groot gedeel­te zowel van de handel als van alle andere bedrijfstakken staat onder directe regeringscontrole. Opvallend is hierbij dat het wegennet en de berichtgeving in al deze staten hoogontwikkeld zijn geweest; dat men in vele gevallen als gemeenschap is verhuisd, zonder dat daar­ voor een direct aanwijsbare noodzaak was. Hoogstens zou men het kun­nen wijten aan het klimaat of het opdringen van wilden, tegen wie men zich niet voortdurend wilde blijven verzetten. Dit culmineert in een verstijving van de maatschappij. Zij wordt zo rigide dat zowel ten aan­zien van geloof, wetenschap en de uitvoerende macht van een absolute verstarring kan worden gesproken. Het is bv. te bewijzen dat niettegenstaande verandering van heersers en de daarmee gepaard gaande wisseling van gezaghebbers de zgn. Azteekse zo ook de Tolteekse beschaving over een periode van 1800 jaar praktisch onveranderd blijven met weinig of geen variatie, weinig of geen ontwikkeling van bouwstijl, weinig of geen ontwikkeling van het handwerk, terwijl zelfs de kunstwerken sterk gestileerd zijn. Men zou hier kunnen spreken van een beschavingsproduct dat klaarblijkelijk niet 100 procent voor de mens past.

De invloed van deze beschaving is vooral op de Indianen in het zuidelijk deel van de Ver. Staten groot. En zo vinden wij op het ogen­blik bij de Navajo’s en de Hopi’s ‑ om bekende stammen te noemen ‑ nog bepaalde rituele overblijfselen uit deze dagen, evenals een ge­meenschapsvorm, die teruggebracht kan worden tot deze geschiedenis. Deze beschaving heeft betrekkelijk weinig invloed op de wereld gehad, omdat zij in de eerste plaats tamelijk vroeg was verstard en dus niet tot verdere ontwikkeling kon komen. In de tweede plaats, omdat zij door gebrek aan vitaliteit later praktisch zou worden weggevaagd door de blanke beschaving.

Voor er echter sprake is van een definitief blanke beschaving, moeten wij eerst verder naar het noorden gaan. In de omgeving van China en Tibet, dus aan de grenzen van het hooggebergte en de hoogvlakte, ontstaat een beschaving, die zich aanpast bij de priesterlijke cultuur van de Gobi. En wanneer Gobi te gronde gaat, blijft deze voortbestaan. Hier heeft men al betrekkelijk vroeg schriftvormen, die aanvankelijk weer op de cirkel en de cirkelindeling zijn gebaseerd ‑ deze schrifttekens worden overigens later religieus als symbool gebruikt ‑ en vervolgens komt men tot een ideeënschrift (vergelijk het vroegere wampunschrift van de Indianen; de wijze van uitdrukking in hiëroglyfen, die dan nog niet zijn gestileerd in vroeg‑Egypte en ook de oudste vorm van schrift, die ook hier wordt gebruikt). De grondgedachte van dit schrift is weer in elke  beschaving dezelfde. Wanneer dit schrift komt, vinden wij vaste grondvormen. Deze vaste grondvormen zijn klaarblijkelijk het erfdeel van de meeste, zo niet van alle mensen, aangezien zij ook in de meest primitieve tekeningen voorkomen. Holentekeningen gevonden in het zuiden van Frankrijk, holentekeningen gevonden op het Iberisch schiereiland; holentekeningen in Dalmatië, maar ook rots‑ en holentekeningen in Afrika en in Noord‑Amerika zijn alle van praktisch gelijke opzet en lijnvoering. Klaarblijkelijk heeft men naast oog voor de bewegingsobservatie, welke uit deze tekeningen duidelijk naar voren komt, ook enig begrip van perspectief. Dat is zeer belangrijk. Perspectief is overigens eerst in de 15e eeuw n. Chr. ontstaan. Maar hier heeft men dus reeds in die oude tijd een inzicht in verhoudingen, welke wijst op een begrip van perspectief.

Wij gaan verder. Wij hebben de ontwikkeling van het schrift gevolgd. Daarnaast zien wij natuurlijk ook een ontwikkeling van de tech­niek en deze beide lopen ongeveer gelijk. De ontdekking bv. van het wiel, schijnt overal ook ongeveer gelijk te zijn gebeurd. Dit is te verklaren uit het feit, dat het op wielen rustende voertuig of wel de rolslede in sommige gevallen in Atlantis ook bekend was. Waar de constructie ervan zeer eenvoudig was, kunnen wij aannemen dat de priesters, die zijn weggetrokken, voldoende wisten om de inboorlingen de vervaardiging ervan op primitieve wijze te leren.

Hiermede, vrienden, hebben wij een schets gegeven van wat op de hele wereld betrekking heeft. Maar nu moeten wij de ontwikkeling be­zien, welke voor de huidige beschaving en cultuur van het grootste gewicht is. Het religieuze gedeelte daarvan wil ik nog even uitstel­len en zo dadelijk bespreken. Wij blijven dus bij de materiële ontwikke­ling.

Schriftontwikkeling: Het ontstaan van de eerste klassieken in priesterlijke zin rond het huidige China en enkele zuidelijke landen. Daarna ontstaat overigens bijna gelijktijdig een soortgelijke beschaving rond Egypte. Deze beschaving begint in het noorden en niet in de kustgebieden. Zij staat op een betrekkelijk laag peil, maar breidt zich verder uit. Opvallend is dat ook hier eilandgemeenschappen in zeer korte tijd een hogere beschaving hebben dan de volkeren, die op het vasteland leven. Zolang er van een werkelijk isolement van Egypte geen sprake is, kunnen wij dan ook zien dat de beschaving betrekkelijk laag blijft. Eerst wanneer door het verdrogen van de zee en de Sahara en de verandering van het klimaat een isolement ontstaat door de woestijn, waardoor dus de invallen van buiten de grenzen na korte tijd zeer sterk afnemen, zien wij in Egypte ook een zeer snelle ontwikkeling van de cultuur. Waar samenwerking is, bereikt zij een hoogtepunt. Zo zien wij in de tijd dat er een samenwerking bestaat tussen Cyprus en verschillende delen van het noordelijk vasteland, dus van Europa, een zeer snelle ontwikkeling van de cultuur, waarbij vakwerk wordt geleverd op het gebied van bv. de kunstsmederij en de pottenbakkerij en er zelfs primitief glas wordt vervaardigd. Metalen worden wel gebruikt ‑ vaak edele metalen – maar zelden. Van ijzer is nog maar betrekkelijk weinig sprake. Wel vinden wij de eerste pogingen te werken met koper en koperbrons. Hetzelfde kan ongeveer een driehonderd jaar later in Egypte worden gevonden. Wat koper betreft zelfs iets vroeger, maar wat de verdere verschijnselen betreft ook iets later in de buurt van het toenmalig Babylon, het tegenwoordige Irak en Iran. Er ontstaat nu ‑ en dat is weer zeer belangrijk – een verbinding met de noordelijke beschaving.

Als wij in historische tijden komen en wij zien bv. Salomo als de grote vorst met zijn rijke kopersmelterijen, met zijn grote vloot, die zijn avonturiers over de hele wereld uitzendt, dan ontdekken wij contacten met het noorden, zeker met de gebieden van het vroegere Brits‑Indië, maar gezien enkele producten als bv. zijde, zeer waarschijnlijk ook met Cathay, het latere China. De conclusie is wel dat de basis van de beschaving voor Europa weliswaar zetelt rond de Middellandse Zee, maar dat de belangrijkste elementen daarin stellig eerst uit het oosten zijn gekomen, ofwel gelijktijdig in het oosten en ten zuiden van de huidige Middellandse Zee zijn ontstaan.

Ik heb u gezegd: ik wil nog wat vertellen over de religieuze overeenkomst. Het is vreemd dat praktisch gelijktijdig en zoals thans is vastgesteld ongeveer tussen 5000 en 4000 v. Chr. overal een gro­te belangstelling blijkt te bestaan voor wat men noemt astronomie. De doeleinden daarvan zijn religieus en magisch, niet wetenschappelijk. Dit ontwikkelt zich ongeveer 3000 v. Chr. tot een wetenschap, praktisch gelijktijdig hetgeen dus weer wijst op een gemeenschappelijke basis of overlevering komt men tot sterrenbeelden. Daarbij blijkt dat de Dierenriem niet bepaald 12 tekens moet hebben, zoals u nu denkt. Maar dat bv. de Babylonische Dierenriem er 11 kent; de Chine­se eerst 10 later 12; terwijl een Dierenriem, die in Mexico wordt ge­bruikt, inderdaad 12 beelden telt. Deze beelden zijn klaarblijkelijk aanduidingen van goddelijke functies. Zij zijn sterk bepalend voor de wijze waarop men leeft.

Dit gaat zover, dat men nu nog spreekt ‑ in China bv. over de maand van de Hond, de maand van de Vis, de maand van de Draak of het jaar van de Draak. En zo dus nog steeds vasthoudt aan die oude beweging van beelden tussen de sterren. Die beelden brengen gelijksoortige voorstellingen over praktisch de gehele wereld. Ik wil een paar overeenkomsten aangeven.

In Mexico wordt naast de vele oorlogsgoden een vrouw vereerd, die een kind draagt. Zij toont in haar trekken overeenkomst met Ishtar, met Isis, met Tanith en met nog meer van dergelijke godinnen. Zij is in haar uitvoering zo schoon en teder, dat de eerste priesters vreesden dat hier een tegen Christus gekeerde duivel een spotbeeld van de H. Maagd zou hebben opgericht. Wij vinden die vrouw ‑ later Kwan Yin ‑ in China. Wij vinden haar ‑ zoals ik reeds heb gezegd zelfs in Ur (de vaderstad van Abraham); wij vinden haar in Babylon; wij vinden haar praktisch overal in Perzië en zien haar voorstelling later trekken langs de noordelijke rijken van de Middellandse Zee, terwijl Isis in verschillende vormen in het zuiden op gelijke wijze regeert. Deze afbeelding is klaarblijkelijk afgelezen uit de sterren. Hierbij is het aflezen van sterrenbeelden de basis van de magie geworden. En de religieuze duiding van de goden wordt onmiddellijk aan de verschijnselen van de sterrenhemel gekoppeld. Een en ander zal u duidelijker zijn, als u beseft hoe groot de openbaring moet zijn van een sterrenhemel voor wezens, die uit hun overlevering niets anders kenden dan een grauw wolkendek, dat slechts een enkel ogenblik doorbroken werd door het licht van een enkele ster of de zon.

Deze grote invloed heeft geleid tot het vormen van reeksen godenvoorstellingen, die ongeveer gelijk zijn. Let wel, overal vinden wij aanbidding van de zon. Maar de zon wordt niet en praktisch nergens aanbeden als hoofd‑godheid. Zij wordt aanbeden als zoon van de godheid, onmiddellijk voortgekomen uit de godheid. Daarnaast wordt praktisch overal een maanverering ingesteld.

De maan wordt praktisch overal als vrouwelijk vereerd en bijna overal gezien als de schenkster van vruchtbaarheid. In vele gevallen is de verering voor de maan groter dan die voor de zon.  Een overeenkomst die verdergaat, als wij ons realiseren hoe de tempels er in de oudheid hebben uitgezien.

Zij tonen ons praktisch alle beelden van geweldige afmetingen. Op het Paaseiland ziet u dat ook. Daar staan ook de grote beelden van de oude vorsten, die later in de voorouderverering zijn opgeno­men, de Ainu‑verering. Grote beelden. Beelden die verder offers vra­gen, brandoffers. Beelden die daarnaast stemmen hebben en orakel spreken. Beelden die in een soort “heilige” verkeren en uit dat “heilige” maar zelden tevoorschijn treden, ofwel in dat “heilige” slechts zelden door anderen dan de vorsten, de priesters, de inge­wijden mogen worden bezocht. In praktisch alle tempels over de gehele wereld vinden wij verder beoefening van wetenschap. Deze wetenschap wordt beoefend als deel van de magie, maar zij is desalniettemin wetenschap. Voorbeeld: Egypte: kennis van de het leven dragende eigenschap van het bloed, en een idee ‑ zij het een zeer visionair idee ‑ van het feit dat er een soort bloedsomloop bestaat, een zekere kennis van de functie van de hersenen. Men kende daar zelfs bepaalde verschijnselen van de camera obscura en heeft die zeer waarschijnlijk ook met het oog ver­eenzelvigd.

Een dergelijke kennis vinden wij ook in het noorden. China komt tot een zuiverder ontwikkeling van het zenuwstelsel, terwijl het zuiden ‑ Egypte bv. ‑ meer weet van de spierweefsels en de bloedsomloop.

Wetenschap echter, vrienden, wetenschap en godsdienst gaan samen. De wetenschap wordt over het algemeen door de wereldlijke heersers onderdrukt of terzijde geschoven. Zij wordt ten allen tijde gezien als gevaarlijk. Maar wat gebeurt er? In het heilige der tempels wordt deze wetenschap ontwikkeld. Zij kan daar, beschermd door bovennatuurlijke machten, verdergaan, en zolang zij als een geheimleer bestaat, kan zij zich ontwikkelen zonder dat de wereldlijke macht probeert het werk stil te leggen.

Dit is de godsdienst, uiterlijk. Innerlijk, praktisch overal gelijktijdig de overlevering van een oude, grote godheid. Een begingodheid, die klaarblijkelijk verscheidene scheppingen heeft voortgebracht. Vergelijk bv. de Griekse mythologie, de overlevering van Kronos. Verder gelooft men dat deze godheid zich op deze wereld openbaart. Wij vinden praktisch overal verhalen van verlossers of leraren. Wij vinden overal openbaringen van grote wijsheid door tussenkomst van de goden. In die geheimleer wordt verder steeds weer op de voorgrond gesteld dat elke mens, die als priester voor zijn God treedt ‑ ongeacht de wat bedrieglijke praktijken, die met het priesterschap vaak gepaard gaan tot een grote en innerlijke inwijding kan komen, waarbij hij direct contact met de goden heelt. Ik meen dit te mogen terugbrengen tot Atlantis en zijn wit‑magiërs. Hiermede hebben wij dan de bronnen van de beschaving wel weergegeven.

Wat heeft nu voor Europa de grootste invloed gehad? Ik geloof wel, dat wij hier in de eerste plaats moeten zoeken in de richting van Cyprus, van Perzië en in een deel van het huidige Turkije. De stierverering, die o.m. als Apisdienst en verder in verband met latere godsdiensten als bv. de Mithrasdienst door Europa verbreid is en het stieroffer of zelfs het jagen op de oeros, dat ook bij de Germanen betekenis heeft, kan worden herleid tot de stierspelen, waarmee meerderjarigheid werd bevestigd, waarbij dan stieroffers werden gebracht en zelfs de goden zich als stier vertoonden. Dit alles vinden wij gecentreerd rond de Cyprische beschaving met een sterke invloed van de Perzische godsdiensten. Uit Perzië komt ongetwijfeld het sterkst naar voren het verschil tussen licht en duister. In heel Europa vinden wij in de godsdiensten een indeling tussen lichte en duistere goden en gewoon bovennatuurlijke wezens, die macht of gezag hebben en willekeurig handelen. Dit vinden wij in de vroeg‑Perzische beleving terug. Eerst wanneer Zarathustra daar een hervorming tracht in te voeren, die overigens niet geheel slaagt, worden de bijfiguren iets op de achtergrond gedrongen. Verder doen de handwerkskunsten, welke uit het oosten zijn gekomen en de landbouw, welke zich in deze gebieden heeft ontwikkeld ons alle weer denken aan het ontstaan bv. van landbouw het eerst rond de Middellandse Zee; aan het ontstaan van de bewerking van klei het eerst rond de Middellandse Zee; ja zelfs de intensieve bewerking van vuursteen (het is in het stenen tijdperk) doet zich het eerst kennen rond het Middellandse Zee‑bekken. De eerste schriftsoorten ontstaan rond de Middellandse Zee. De eerste grote handelsbeschavingen, die belangrijk zijn voor Europa ‑ bv. die van de Feniciërs ‑ vinden wij het eerst rond de Middellandse Zee. Opvallend is, dat deze vroege volkeren zelfs verder doordringen dan men zich thans realiseert. De Feniciërs hebben bv. handelswegen, die tot Noord‑Duitsland en Estland reiken. De handel gaat verder de Wolga op en komt in de buurt van het huidige Kazan (althans als intussen deze plaats niet naar de een of andere Sovjetheilige is omgedoopt). Van dit gebied is dus klaarblijkelijk voor Europa een zeer grote invloed uitgegaan.

Maar Europa blijkt toch een geheel andere cultuur en beschaving te krijgen. Hebben wij reeds eerder, zelfs al in het stenen tijdperk een splitsing aangetroffen, later zien wij deze weer in religieus opzicht en in Godswaardering en nog wat later in sociaal opzicht. Als wij bv. de regering van de Farao’s, de absolute vorsten van Abessijnse en zuidelijke gebieden met de democratie van Athene, de krijgsman‑coöperatie van Sparta en ook met op legermacht maar ook op burgerschap gebaseerde beschaving van Rome vergelijken, dan komen wij tot de conclusie dat deze afwijkingen voor Europa, wel degelijk een afzonderlijke ontwikkeling mogelijk maken. En deze ontwikkeling begint, zover ik kan nagaan, rond ongeveer 500 v. Chr. Er is dan wel reeds sprake van beschaving, maar aan de Europese beschaving mankeert dat ene, dat later Europa zijn cultuur over de gehele wereld zal doen uitdragen, nl. de ferociteit en de zelfzucht, waarmee men de gehele wereld wil vormen naar eigen beeld en gelijkenis. De verdraagzaamheid wordt, dus steeds minder. En dit vindt haar oorsprong in het vroeg Romeinse rijk. Het vroeg‑Romeinse rijk was er een van vrijbuiters en plunderaars. De legers van Rome zijn in den beginne niet veel anders dan de rovende stammen, die al veel vroeger bv. invallen hebben gedaan in Egypte en in andere rijke landen. Maar omdat zij ‑ wat de Grieken zelfs niet in hun grootste tijd en zelfs de grote Alexander niet vermochten nl. anderen te assimileren en gelijktijdig de priesters van die goden te vertrappen, begint m.i. met Rome voor de eerste maal de geschiedenis van Europa’s beschaving. Er bestaat nog een veelgodendom, daar het Christendom in het eerste begin weinig heeft te zeggen. Maar de vorm van organisatie, die Rome toepast en die voert tot de bekende Romeinse wetten, is, ook zeker de structuur van het Christendom. Men vergeet dat wel eens. Het Christendom zou een betere leer geweest zijn, maar minder macht hebben gehad, als het niet politiek gebruikt was door Constantijn om Byzantium een nieuwe vorm te geven en onafhankelijk te maken van zeer veel godenpriesters. Het ééngodendom was voor hem overigens zeker niet een wonder maar eerder een politieke noodzaak.

Van deze tijd af begint een christelijke politieke macht en deze neemt voor een groot gedeelte de structuur van de stad Rome, centrum van het Romeinse keizerrijk, als voorbeeld. Ik wil u hier slechts herinneren aan de Paus, die als bijna‑goddelijk wordt beschouwd en dus een directe nazaat is van de caesars, aan de directe raad, of het concilium, dat bijeen kan worden geroepen als volksvergadering, maar waarin wij een bepaalde raad van kardinalen hebben, die eigenlijk overeenkomt met de Senaat van Rome. Ook aan de opbouw in legergroepen. Betrekkelijk kleine groepen worden uitgezonden om te bekeren, maar worden onmiddellijk versterkt met zo mogelijk tamelijk wrede en wilde krachten; dit blijkt onmiddellijk te zijn overgenomen uit de kolonisatie‑techniek van Rome zelf.

Deze kerk heeft echter via Jezus, via het Jodendom en zeker ook via Paulus (die tot de zeer beschaafden behoorde) een groot gedeelte van de oosterse mystiek en van de oosterse overlevering overgenomen. En zo ontstaat ‑ wat voor Europa zeer belangrijk is ‑ de instelling van het klooster. En nu denk ik hier weer niet in de eerste plaats aan de grote kloostervestingen van latere tijd, zo rond 800. Ik denk aan de eerste kloosters waar geleerde en heilige mannen samenwonen op gebieden, die door vrouwen niet mogen worden betreden die daar niet alleen over hun godsdienst spreken en denken, maar ook wel degelijk zoeken naar waarheid. Hier begint de beschaving. Want hier ontstaat voor het eerst de idee van het verzamelen van alle wetenschap.

Men realiseert zich in deze dagen niet genoeg dat bv. een groot gedeelte van de overlevering van de Griekse wijsgeren te danken is aan de Christenheid, die zich toch tegen verschillende van die stellingen moet hebben gekeerd. Zo wordt ‑ nadat Alexandrië is ondergegaan ‑ praktisch de gehele cultuur die Europa later ooit van de oudheid zal kennen, samengevat in de kloosters. Daar wordt zij bewaard. Er wordt in de kloosters steeds weer voor grote gebieden een soort nationale cultuur bevorderd. De beschaving van Europa is steeds organisatorisch en niet in de eerste plaats christelijk.

De godsdienst wordt in vele gevallen gebruikt als een politiek machtsmiddel. Dit blijkt zelfs nog in de tijd van Luther, Zwingli en Calvijn, wanneer de Reformatie‑beweging ook als politieke macht wordt gebruikt en juist daardoor in het zadel kan komen. Rome heeft voor deze wereld de basis geleverd, maar de gedachten hebben de Christenen meegebracht. En die gedachten komen zeker uit het Verre Oosten wat de mystiek betreft. Wat aangaat de voorstellingen van wonderen, doen zij ons het sterkst denken aan Egypte. De filosofie heeft het meest te danken aan de redeneerkunst van de Grieken en vooral van de Atheners.

Hier ligt de basis van wat gij thans zijt. De wetenschappelijke onderzoekingen van de oudheid ‑ soms tijdelijk schuilgaande in de vorm van pseudo‑magiërs en alchemisten ‑ zijn het begin geweest van de huidige techniek.

Het geloof van de oudheid, ondergebracht weliswaar in het Christendom en daarmee verweven, is het geloof dat aan de meesten onder u in de jeugdjaren wordt bijgebracht.

De kunst, die gij in deze dagen kent, grijpt ten slotte in heel veel opzichten terug naar de oudheid. De zeer primitieve moderne kunst even buiten beschouwing latend, wil ik erop wijzen dat bv. het werk van Rubens vergeleken kan worden met de grote beeldhouwwerken van Griekenland. De kunst van uitbeelding, die wij vinden in de meer moderne beeldhouwkunst, dankt voor een deel haar aanzijn aan de gewoon­te van Rome om standbeelden te bouwen en de daaruit voortkomende latere gebruiken tot versiering van kerken en tempels. De getuigenis van deze oudheid kunt u ook nog vinden, als u de grote kathedralen van de middeleeuwen bezoekt. Want daar vindt u naast dui­velskoppen en gargouillekoppen, die als duivel of draak zijn afge­beeld (vaak bewonderenswaardig) ook heel vaak primitieve goden, afgebeeld op oude gesneden koorbanken. U vindt oud‑heidense motieven ingewerkt in de grote bronzen deuren, zoals bv., in Trier. Kortom, u hoort steeds het oude heidendom doorklinken juist in deze Christen­heid en haar christelijke kerken.

Er is niets in deze tijd dat niet herleid kan worden tot de oudheid. Uw atoomchemie van heden dankt de naam “atoom” aan de Grie­ken; en het idee daarvan waarschijnlijk aan oude Chinese filosofen die de leer van verdeeldheid oorspronkelijk in de wereld brachten. De gedachte van de filosoof, die op het ogenblik op humanistische wijze wil denken, komt zeer dicht bij de oude leer van Tao, die de Chi­nese wijzen brachten.

Er is niets in uw tijd, dat niet herleid kan worden tot het verleden. Het is alsof Rome de lens is geweest, waarin alle kennis en weten van de toenmalig bekende wereld wordt samengebracht en gebundeld op Europa, dat daaraan zijn gestalte, zijn vorm en zijn wezen heeft ontleend.

En dan nog een laatste punt, want het is niet goed over beschaving te spreken en een innerlijke beschaving buiten beschouwing te laten.

Ik heb u verteld van de wit‑magiërs en van de wijze, waarop zij zich verdeelden en uittrokken voor de ramp, teneinde hun kennis en hun weten, hun contact met de goden te handhaven, onverschillig wat er met hun eigen land gebeurde. Welnu, u kunt begrijpen dat zij grote invloed hadden op de primitieve magiërs van de volkeren, die zij ontmoetten. Zij hebben zo een denkwijze ontwikkeld, die langzaam maar zeker tot een inwijding werd. Deze inwijdingsscholen blijven vaak verborgen, maar door de gehele geschiedenis heen treden ze telkens op de voorgrond. De methoden die u vandaag hoort brengen, als bv. yoga, bepaalde vormen van Boeddhisme, bepaalde invloeden van mystieke scholing, zijn tot deze Broederschap terug te voeren. Men zou kunnen zeggen dat deze Broederschap zichzelf heeft gecontinueerd, ook in stoffelijke zin. Dat zij via de geheimscholen nu eens ondergedoken in academies dan weer in kloosters, nu in kerken en dan verborgen a.h.w. ondergronds, voortdurend haar ideeën heeft overgebracht. Dit is hierom zo belangrijk. De witte broederschap of moet ik zeggen de wit‑magiërs zoeken een band te leggen tussen de mystieke wereld en de wereld van de wetenschap. Zij zoeken contact te maken en voortdurend sterker te bevestigen tussen wat men de stoffelijke realiteit noemt en datgene, wat men als paranormaal aanduidt, occult of zelfs de waan van het denken. Zij zijn het, die de band hebben gevormd. Maar laat ons niet vergeten dat ook hier zeker zeer veel te danken is geweest aan Rome. Rome, dat gastvrijheid heeft verleend aan de priesters van de meest verschillende landen. Rome, waar gelijktijdig bijna goddeloze filosofen als bv. de Cani konden zijn, magiërs als de volgelingen van Tanith, denkers en zoekers naar geheimen als de ingewijden van Isis en Osiris. Vele heiligdommen van Rome hebben  ongetwijfeld ook het land voorbereid op de later komende impulsen uit andere delen van de wereld. Mag uw kabbalistiek en daarmee ongetwijfeld ook het begin van uw algebra, de mathematiek, sterk zijn beïnvloed door het oosten, mag het Jodendom zeer sterk op alles wat op duiding betrekking heeft zijn invloed hebben doen gelden, zo mogen wij niet vergeten: het is alles weer in Europa teruggebracht.

Het eerste brandpunt was Rome. Geestelijk was het tweede brandpunt Parijs. Van hier heeft de huidige beschaving en cultuur zich verbreid. Helaas is er een derde element in deze beschaving geslopen, dat de ruwheid evenaart waarmee Rome eens alles vernietigde (als bv. de hogere cultuur van de Etrusken) wat in zijn weg stond. Zo is heden ten dage de idee van krachts‑ en machtspolitiek, van sterkte in plaats van innerlijke sterkte doorgedrongen en heeft Europa gemaakt tot de oorzaak van de grootste oorlogen, die de wereld sedert Atlantis heeft gekend. Wij mogen dit betreuren, maar laat ons niet vergeten dat de dood van het eigenlijke rijk van Atlantis het begin was van deze beschaving, van deze wereld; dat deze wereld in vele opzichten verder is gekomen dan Atlantis ooit is geweest. Laat ons daarom hopen dat wanneer deze wereld zal vallen, zij het aanzijn zal geven aan een nieuwere en hogere beschaving. En als zij niet zal vallen, waar zijn dan de grenzen? Ik geloof dat wij dan op een punt kunnen komen, waarbij men niet meer behoeft te spreken over cultuur en beschaving, maar zal kunnen spreken van “mens-zijn” en in het woord mens‑zijn alles zal uitdrukken, wat edel is en boven het dierlijke uittorent.

Vrienden, dit is mijn inleiding. Ik hoop dat ik u een paar dingen heb gezegd, die u zelf nog niet wist of niet hebt ingezien. Voor mij ligt dus de bakermat van de beschaving in Rome. Niet in Baby­lon en niet in Cyprus. Want er waren vele beschavingen, maar wat daarvan op Europa invloed heeft gehad, is samengekomen in en uitge­dragen door Rome.

Wat betreft de bronnen ervan, ik heb getracht ze tot in een ver ver­leden voor u terug te zoeken. Dat ik oppervlakkig ben geweest, moet u mij vergeven. In de tijd, die ik voor een inleiding heb, kan ik moei­lijk werkelijk alle argumenten naar voren brengen en moet wel volstaan met een zeer oppervlakkige schets. Maar ik ben ervan overtuigd dat degenen onder u die meer over dit onderwerp hebben geleerd, gelezen of er interesse voor hebben, zeer veel van hetgeen ik heb gezegd zelf kunnen aanvullen en ongetwijfeld soms ook zullen zeggen; Je bent niet helemaal juist geweest. Als u zulke punten heeft en u wilt daarover met mij zo dadelijk een kleine woordenwisseling voeren, zal ik daarmee zeer gelukkig zijn. Ook alle andere vragen over dit onderwerp zal ik voor u trachten te beantwoorden.

En dan mag ik wel besluiten met mijn dank te betuigen aan broeder Franciscus, die met mij tezamen deze eerste lezing heeft samengesteld en ik meen dat hij in het tweede gedeelte misschien beschikbaar zal zijn, om zelf met u contact op te nemen. Zo niet, dan is dat geheel mijn taak en dan hoop ik toch dat wij elkaar steeds goed zullen verstaan

Vragen

  • Oude legenden berichten van het verdwenen land “Aryanem‑Vaejo”. Wordt daarmede Atlantis bedoeld en heeft de naam Ariërs ermee te maken?

Zover mij bekend niet. Kijk eens, er zijn op deze wereld betrek­kelijk veel landen in de loop der tijd verdwenen. Om een paar voor­beelden te noemen: Er is een gebied verdwenen dat ongeveer lag tus­sen Ceylon en Rangoon. Dat land is dus helemaal verzonken. We hebben het verzonken land in het tegenwoordig Kanaal en voor een groot deel in de Noordzee, dat liep tot de Doggersbank toe. We hebben verdron­ken land in de buurt van de Oostzee, iets noordelijk van Helsinki. Kortom; er zijn zoveel landen in de loop der tijd verzonken of ver­dwenen, dat het zeer moeilijk is om al deze referenties te herleiden tot één geheel.

Ik wil zelfs nog een stap verdergaan. We weten dat het tijdsbesef van de ouden nu niet direct zo daverend was. Zij hadden geen vaste tijdrekening en waren bv. geneigd bepaalde gebeurtenissen te associëren, zonder dat er in feite een tijdsovereen­komst was. Zo zien wij ‑ ja, zelfs bij de Romeinse historici komt dat voor maar ook in vele legenden en godsdienstige verhalen ‑ dat feiten, die in de tijd 4 à 5 jaar uit elkaar liggen, worden voorgesteld gelijk­tijdig te zijn gebeurd. Hier ligt dus iets, waarmee we voorzichtig moeten zijn. Bijvoorbeeld: de beschrijving van de hoofdstad van Atlantis komt praktisch geheel overeen met de beschrijving van een stad, die in de bocht van Cádiz heeft gelegen, dus in Spanje eigenlijk. En die in­derdaad ‑ zij het iets meer hellend ‑ precies overeenkomt met hetgeen oude priesters zouden hebben overgeleverd over de stad van Atlantis. Zo zijn er meer van die punten te vinden. Het spijt me dus wel, dat ik hier geen directe overeenkomst meen te mogen vaststellen.

En dan nog die kwestie van de Ariërs. Kijk eens, de Ariërs zijn in feite een ras, dat lange tijd heeft gewoond in Indië. Maar wij vin­den direct rasverwante en waarschijnlijk zelfs vroegere typen van de­zelfde soort ook in het noorden van Afrika. Ik denk hier aan de Toearegs, de geverfde mannen dus en we vinden er ook hier en daar nog enkelen bij de zgn. Rif‑Kabyllen, we vinden verder overleveringen over dergelijke blanke, klaarblijkelijk arische typen nog tot aan Zuid‑Amerika toe. Ik meen dan ook te mogen constateren, dat spreken over Ariërs klaarblijkelijk spreken over een stam of ras is, die de raseigenschap­pen van een oudere groepering, die over de wereld verstrooid is ge­worden, bevat. En daarom zijn we dus wel geneigd de Ariërs zelf te associëren met het zgn. Blank‑Atlantische ras.

  • Welke verklaring bestaat er voor de ver gevorderde culturele ontwikkeling van de steden Harappa en Mohenjo‑Daro, die ongeveer1500 v. Chr. gedurende korte tijd hebben gebloeid in een streek, waar de ontwikkeling nog bepaald primitief was. Het is niet bekend vanwaar de bewoners van deze steden kwamen, doch het moet van een ver verwijderd land zijn geweest, waar de beschaving reeds verder ge­vorderd was.

We hebben hier te maken met een verschijnsel, dat niet alleen bij deze steden voorkomt maar meer. In de oudheid was het ondernemen van een verre tocht bv. om mijnen te exploiteren. Egypte deed dat bv. met exploiteren van steengroeven; Salomo deed dit met het ver­werven van ivoor en hout (ik zal de bekende geschiedenis erbij geven). Men ging daar dan met een grote expeditie heen. En die expedities bleven dan soms lange tijd ter plaatse. Dat ging dus meestal om de verwerving van de producten, die plaatselijk verkrijgbaar waren. Wij zien ook bv. in Engeland soortgelijke nederzettingen; we kunnen ze aanwijzen in Spanje. In al deze gevallen blijkt het volgende. Wat heengaat is over het algemeen samengesteld uit soldaten voor de bescherming, arbeiders, priesters en handelslieden. Wanneer deze een nederzetting vormen voor langere tijd, zijn zij geneigd om daar hun eigen tempels en hun eigen woningen te bouwen. Hoe langer men er blijft, dus hoe meer blijvend zo’n nederzetting is gevestigd, hoe meer zij wordt aangepast aan het karakter van het oude land. De inboorlin­gen worden langzaam maar zeker gedwongen ‑ in het begin alleen om slavendiensten te verrichten maar later ook om beroepen te leren. Wij krijgen dan te maken met een gemeenschap, welke uit een bovenlaag van een vreemd ras bestaat en uit een onderlaag van de plaatselijke bevolking, welke echter onnoemelijk verheven is boven het eigenlijke bevolkingspatroon. Om te vergelijken: de Papoea, die leeft en dienst­baar is in Hollandia en zijn broeder die nog in de bossen woont. Ik meen dat dit ook voor genoemde steden wel van toepassing zal zijn.

  • Vanwaar kwamen zij? Is dit bekend?

Ik zou het u niet durven zeggen, anders had ik het u verteld.

  • Is het juist dat de Atlantiërs, waarover u hebt gesproken in het Niger Eiland hebben gewoond? Daar zijn nog vele overblijfselen op­gegraven, welke op deze beschaving duiden. Is dat de eerste etappe geweest van de tocht langs de Middellandse Zee?

Dat is het gevolg geweest van de slavenopstanden. Atlantis moet u zich voorstellen als een volk, dat toen het eenmaal buiten het eilandenrijk vaste voet kreeg, zich slaven ging aanschaffen voor landbouw en visvangst en later ook voor meer huiselijke diensten. En dat was steeds van hetzelfde volk. Er ontstond een soort meng­ras, te vergelijken met de cuadrones, die we bv. thans vinden als we de kant uitgaan van Brazilië, zeg maar Zuid‑Amerika. Dat meng­ras is klaarblijkelijk in overeenstemming te brengen met de vroege Kelten. Ook godsdienstige gebruiken van de Kelten en zo, wijzen daarop: Het is dit volk geweest, dat ongeveer 8000 v. Chr. ‑ waar­schijnlijk iets vroeger ‑ is uitgebroken en een tocht heeft gemaakt, waarbij een deel van Afrika o.m. wordt bezocht en ook een afwijken plaatsvond in de richting van het huidige Rusland. Ongeveer tussen 2000 en 1500 jaar v. Chr. zien we een tweede uittocht. Die tweede uittocht gaat dichter langs de kusten van de Middellandse Zee. En het is deze uittocht die eigenlijk godsdienstige veranderingen brengt in vele gebieden, als bv. Noord‑Griekenland, invloed heeft op de beschavingsontwikkeling en zelfs op de sierkunst, welke we aantreffen in Noord‑Italië: de Etruskische grafafbeeldingen. We hebben daar veel elementen, die ten dele Cyprisch, ten dele Kel­tisch zijn. En soortgelijke elementen kunnen we dan ook weer terugvin­den in het noorden van Spanje, bij de Basken bv. en ook nog in de buurt van Bretagne en Normandië. Dat wijst erop dat er inderdaad zo’n tocht van het slavenvolk is geweest. Nu weet ik niet aan welke van beide tochten we hier in de eerste plaats moeten denken, omdat beide zo ontzettend lang hebben geduurd. De gewoonte was een stad te nemen ‑ dus niet om een stad te bouwen ‑ maar om een stad te nemen; in die stad enige tijd te verblijven en dan later die stad te verlaten. En was men het dan niet eens, was de bevolking opstan­dig, dan werd ze helemaal in de as gelegd. Dat is bv. met één van de voorvaderen van Troje nog gebeurd. Daar liggen meer steden onder elkaar, zoals u misschien weet. Een van de eerste, die helemaal is platgebrand, heeft dat te danken aan de expeditie van dit volk. Er zou dus voordien een stad moeten zijn geweest en gezien de ligging die u aangeeft, moeten we dan aannemen dat er hier klaarblijkelijk Atlantische invloeden zijn, Maar het kan nooit een volledige Atlanti­sche stad zijn geweest, begrijp dat wel. Het kan hoogstens een stad zijn geweest, zoals ik u zojuist omschreef. Waarbij een kern, een soort handelspost had getracht rond zich een enigszins aan het va­derland herinnerende beschaving op te bouwen. Vandaar, denk ik ook, die overblijfselen,

  • Die tocht van 2000 v. Chr. moet toch o.a. het gebied van Egypte hebben betreden, als ze daarlangs zijn getrokken naar Rusland.

Ja, dat gebied van Egypte is inderdaad betreden. En als u de Egyptische geschiedenis nagaat, dan leest u ook ‑ ik meen dat men het tegenwoordig geplaatst heeft tussen 2100 en 1980 v. Chr. ‑ van voortdurende invallen, welke gelijktijdig in het bovengebied van de Nijl en in het Deltagebied plaatsvinden, waarbij een Farao wordt ver­slagen en zijn zoon zich een tijd op een eiland moet verbergen. Later drijft deze de invallers dan weer uit, maar dat kan natuurlijk over­dreven zijn, want er ligt 30 jaar tussen. En in die tussentijd zou een dergelijk volk misschien zelf verder willen trekken. Het is natuurlijk moeilijk om dit precies uit te maken. En trouwens ik wil David Ben Goerion niet nadoen, die op het ogenblik staatkundig in het geding komt vanwege een religieuze verklaring. 600 of 60.000….

  • 600.000.

Nu ja, goed, daar zullen we niet over vechten. Dat laten we voorlopig aan de geleerden over. Ofschoon het logisch is, als je het mij vraagt, dat er betrekkelijk weinig Joden zijn geweest, die deze tocht hebben gemaakt. Zouden het er nl. 600.000 zijn geweest, dan zou het voor Mozes niet nodig zijn geweest al die woestijnstammen erbij te betrekken; dan had hij zelf macht genoeg gehad. Denk daar maar eens over na. En als je de manier ziet, waarop die tocht wordt beschreven, dan kom je echt tot het idee, dat er toch wel heel veel mensen bij zijn, die zeker geen slaven waren. Want een volk dat werkelijk geslach­ten lang alleen tichelstenen heeft gemaakt, zou in die woestijnen een­voudig verrot zijn of uitgedroogd. Het feit alleen dat ze 40 jaar in de woestijn kunnen trekken zonder ten onder te gaan pleit ervoor dat een groot gedeelte van het volk bestond uit andere dan Egypti­sche‑Joden. Dat behoeft ons helemaal niet te verbazen, want bv. de Hittieten hebben er ook een rol bij gespeeld, geloof ik.

  • De allereerste beschaving van de Lemuriërs kunnen wij stellen op ca. 1 miljoen jaar geleden of nog verder terug. De sauriërs leefden toch ca. 150 miljoen jaar terug en de spreker vermeldde dat de laatste exemplaren tijdens de eerste menselijke beschaving nog beston­den.

Ja, kijk eens. Nu moet u dat goed begrijpen: Lemurië, dat is niet alleen een land. Dat is een tijdvak. En zo begint eigenlijk Lemu­rië ‑ tenminste de Lemuriër, laat ik het zo zeggen ‑ als een rob‑achtig wezen, dat zich in bepaalde bochten beweegt en naast het kieuw­stelsel een longstelsel ontwikkelt. Daar ligt het begin van de Lemuriër en daaruit ontwikkelt zich de mens. En gezien de wijze, waar­op men in scholen heeft geleefd, blijft dit ook zo (het zijn moerasbewoners. Let wel, het zijn geen vastelandbewoners in de zin, waarin wij het tegenwoordig zien. Ze leven in moerassen, ze zijn in het wa­ter nog steeds net zo handig als daarbuiten. Zo komen wij dus tot de Lemuriër. Maar nu wat anders.

U vertelt mij dat de sauriërs al zo lang zijn uitgestorven. Maar is dat nu wel waar? Men heeft tegenwoordig de hele wereld in kaart gebracht, maar ik durf er aardig wat onder te verwedden, dat als we de erfgenamen van de sauriërs willen zoeken, wij heus niet alleen bij de reuze‑varaan terecht komen, maar dat er verschillende monsterwezens bestaan, die ‑ als ze gevangen zouden worden, ze zijn zeldzaam en komen haast niet meer voor ‑ bv. tot de ptorodactili teruggebracht zouden kunnen worden. Terwijl er ook nog een drakenvorm bestaat in Centraal‑Afrika waar wel veel over wordt gesproken, maar die niemand ziet. En als je hoort wat ze vertellen over deze moerasdraak, dan lijkt het wel op een verkleinde uitgave van de tyrannosaurus (niet de rex, die was groter) maar gewoon de kleine tyrannosaurus met de grote krokodilachtige bek. Ik neem aan dat er nog heel wat meer monsters zijn.

  • Die van Loch Ness bv.

Ja, nu geloof ik dat het monster van Loch‑Ness voor 9/10 eigenlijk niet uit de sauriërs maar uit de V.V.V. stamt. Maar inder­daad, er zijn genoeg beschrijvingen van zeeslangen e.d. te vinden, die ons zouden doen denken aan soortgelijke wezens. Mijn stelling is deze, dat er zelfs nog van de eerste bewoners van deze wereld, zowel uit het vissen‑ als reptielentijdperk, enkele exemplaren over zijn. Exem­plaren overigens die niet zeer vruchtbaar zijn en die ongetwijfeld in de huidige condities moeilijke levensomstandigheden kennen, maar die nog blijven bestaan. En dat houdt in dat die rare beschrijvingen uit de sprookjes bv, ‑ denk eens aan de vogel Rok e.d. ‑ misschien niet zo helemaal uit de lucht zijn gegrepen als men wel denkt. Overdreven, zeker, dat de verhalen over draken heus niet alleen maar mythologie zijn. Natuurlijk, dat ze vuurspuwen e.d. dat zullen we dan maar op rekening schrijven van een levendige fan­tasie. Maar hoe zou het anders komen dat men overal in de wereld over draken spreekt, na China in Europa, maar over draken, gevleugelde slangen horen we even zo goed, als we in Amerika zijn. Hoe zou dat anders komen? Waarmee ik maar wil zeggen dat de laatste van de sauriërs waarschijnlijk nu nog bestaan. Als ik het goed heb, bestaan ze namelijk. En dat ze zeker geen miljoen jaren zijn uitgestorven, zelfs geen 100.000 of 10.000.

  • Vanwaar komen de Achaeërs, die uit het noorden Attica binnen­ vielen?

Ja, de Achaeërs. Men neemt aan ‑ d.w.z. ik ben, er niet 100 % zeker van ‑ dat wij hier te maken hebben met een gevolg van de grote bevolkingsonrust en volksverschuivingen die rond deze periode in geheel Midden‑Europa plaatsvinden. En gezien de tijd en de periode zou het zelfs mogelijk zijn dat ook hiermee de voorvaderen van de Kelten gemoeid zouden zijn. Persoonlijk ‑ nu geef ik een opinie die dus niet zeker is ‑ ben ik geneigd te stellen dat het restanten zijn van de Kelten, mogelijkerwijze achterblijvers, die zich verbonden hebben met enkele andere stammen. En dan gaat ongetwijfeld mijn gevoel in de richting van de zgn. Vandalen, dus een soort strijdvaardige bond van kleinere volkeren. Is dit voldoende? Ik wil proberen om het zo zuiver mogelijk te stellen. Ik zou het wel met stelligheid kunnen zeggen, maar als ik het niet helemaal zeker weet….

  • Maar u weet: de swastika hebben ze gevonden ook langs de loop van de Donau.

Ja, maar waarde vriend, nu moet u heel voorzichtig zijn. Want die swastika behoort tot de cirkelschrifttekens, die later tot zon‑ en zonnekrachtsymbolen zijn geworden. Dus daar moeten wij voor­zichtig mee zijn, want die kunnen we waarschijnlijk herleiden tot het Atlantische schrift.

  • Dus m.a.w. er is misschien iets in van de theorie, die u zo-even noemde: dat ze afstammelingen waren van de Kelten.

Ja, het is mogelijk, maar het is niet zeker te bewijzen.

  • Merkwaardig is ook dat de swastika, zoals ook de spreker zei t.a.v. de verspreiding van de zwervende stammen tot in Mongolië, ook daar is gevonden.

Ook daar hebben we de swastika. We hebben in Japan en China de swastika. Er is dus een soort migratie geweest van dat symbool, misschien met die stammen. Het is een veronderstelling waar m.i. wel wat voor te zeggen valt. Maar dit is niet definitief bewijsbaar. En ik zal u vertellen waarom. Omdat nl. een cirkelschrift ‑ althans delen van een cirkel­schrift en symbolen daaruit voortkomend ‑ ook gevonden zijn in Bre­tagne, ook gevonden worden in Schotland, ook gevonden worden in Ierland. En bij een dergelijke verbreiding, die klaarblijkelijk in an­dere delen van de wereld uit oude tijden stamt, is het zeer moeilijk te zeggen van welke kant die verbreiding is geschied.

  • Toch zou ik zeggen, nu u mij dat vertelt, dat daaruit toch ook weer blijkt, in aansluiting met het verhaal van de inleider, dat die stammen ook geweest zijn in Schotland en in het zuiden van Engeland.

Neen, neen, vriend, u vergeet één ding en dat is een heel ge­wichtig ding. Dat is nl. dat een deel van Engeland, Ierland en waar­schijnlijk ook enkele delen van Schotland (het laagland nl.) ook nog een tijd onder het Atlantisch regime schijnen te hebben gestaan. Iets wat ook weer blijkt uit de volksoverleveringen, die overigens in Ierland sterker in Atlantische richting wijzen dan b.v. in Wales.

  • U zei, dat de ontwikkeling van Atlantis o.a. in verband met klimatologische omstandigheden vanzelfsprekend op de eilanden plaats had. Waarom was dit vanzelfsprekend?

Nu moet u eens goed luisteren. Wat heeft zich op de wereld het sterkst ontwikkeld als vijand van de mens? De predator, de ver­slinder. En als je een beschaving en een cultuur wilt hebben, dan kun je die moeilijk tot stand brengen, als je achtervolgd wordt. Dientengevolge dienen plaatsen te worden gekozen, waar dergelijke verscheurende dieren en ook aaseters minder voorkomen. Dat is punt 1. Daarvoor spreekt weer het eiland. Het eiland dat gemakkelijker vrijgehouden kan worden; waar dus die dieren minder voorkomen. In de tweede plaats: we leven dan in een periode, waarbij overal zeer veel neerslag is. Op een eiland dat meestal naar zee helt, is sprake van een vlottere en betere afwatering dan bij de meeste plaatsen op het vasteland. En daar waar die plaatsen zijn, kunnen wij ook weer met deze dieren rekenen. Dan pleit verder nog voor die ontwik­keling het feit ‑ het klinkt misschien wat vreemd in uw oren, toch is dat zo ‑ dat, waar verdamping boven de vastelanden sneller en vaker neersloeg dan boven de eilanden in die dagen, als gevolg o.a. van de werking van de aarde, op deze eilanden vaak in verhouding minder nevel en minder zware regenval was. Toen eenmaal de aarde haar atmosfeer begon te ontladen en dus het wolkendek steeds klei­ner wordt, waren er overal grote binnenzeeën. U kunt daar bewijzen genoeg voor vinden, zelfs tegenwoordig nog. De eilanden echter, die wat hoger gelegen waren (tegenwoordig zijn ze dus hoog, vroeger waren ze maar middelmatig hoog of laag) hadden weer het grote voordeel dat zij betrekkelijk klein zijnde en over een afvoer beschikkende minder het slachtoffer werden van dergelijke regenval. Hun nadeel was on­getwijfeld de wind. Maar stormen kwamen in die oude tijd minder voor dan tegenwoordig en als ze voorkwamen, dan hadden zo het karakter van de moesson en waaide het dus een lange tijd uit één richting. Daar kan een mens gebruik van maken en daar kan hij zich tegen be­schermen. Als er echter sprake is van wisselende winden, zoals dat vooral op een continent het geval is en daarbij van harde winden, dan zal de mens daartegen geen voldoende beschutting kunnen vinden of bouwen. Ook hier spreekt alles ervoor dat allereerst de ontwik­keling van culturen op eilanden geschiedde.

  • U spreekt over Cyprus als één van de centra van beschaving en u vermeldt Kreta niet, waar Evans de Minos‑beschaving heeft blootge­legd.

Ja, ja, dat is een heel eigenaardige kwestie. De Minos‑bescha­ving is ‑ en dat kunt u nog zien uit de ruines ‑ in feite meer een vorstenbeschaving geweest. Met andere woorden: de Cyprische bescha­ving was een volksbeschaving. De Kretenzer beschaving echter moet niet worden gezien als een volledig onafhankelijk iets, maar eerder als een soort eiland met een vorstenhuishouding. Degene die dat wil nagaan kan hiervan waarschijnlijk ‑ juist dankzij hetgeen men over die zgn. Minos‑beschaving heeft ontdekt ‑ wel een beeld krijgen. Noem bv. de bouwwijze. De wijze waarop is gebouwd met aansluitende hallen, met spiegelvijvers, doet ons zien dat deze cultuur hoofdzake­lijk bestond uit lusthoven en niet uit steden of dorpen in het ge­drongen karakter dat zij in de oudheid altijd hadden wegens de nood­zakelijkheid tot verdediging. Vandaar dus mijn voorkeur voor Cyprische beschaving.

  • Vandaar dat van de Cyprische beschaving veel meer bekend is dan van Kreta.

Ja, zo gaat het meestal. Kijk eens, als er bv. over 1000 jaar mensen moeten praten, dan praten zij niet meer over Den Haag, hoor. Dat heeft heel weinig te zeggen. Maar ze zullen waarschijnlijk wel praten over Washington en vooral over New York. Parijs zal ook nog wel een rol spelen en misschien Amsterdam ook wel, omdat daar mis­schien een soort IJ‑tunnel‑legende is ontstaan die de eeuwen kan trotseren. Ik bedoel maar dit: de werksteden ‑ dat is in de oudheid altijd gebleken ‑ baren over het algemeen weinig opzien. Het zijn de vorstensteden, die tegenwoordig nog bekend zijn. Dat is begrijpelijk, want daar wordt met grotere pracht gebouwd, daar worden kunstschatten van een heel volk vergaard en die worden daar nu teruggevonden. Per slot van rekening, u heeft thuis geen Rembrandt aan de muur han­gen, nietwaar?

  • Helaas niet.

Ja, of het nu helaas is, ik weet het niet. Als je nu zo’n zelf­portret van Rembrandt de hele tijd in het gezicht, moet zien, dan lijkt mij dit ook enigszins bezwaarlijk. Wat mij betreft, ik heb liever een goede Van Meegeren, dan kun je er nog over puzzelen wat echt is en wat vervalst is.

Maar de scherts terzijde, de kunstschatten dus werden in de oudheid samengebracht in die plaatsen, waar de edelen, de vorsten en de rijke handelaren woonden en niet elders. Hieruit blijkt m.i. wel dat voor later alleen dat bewaard blijft, wat waarde draagt, werkelijk de grote waarden bezit, die niet het volk representeren maar eerder datgene wat men aan schatten, luxe en weelde heeft vergaard in een betrekke­lijk klein deel ‑ verhoudingsgewijs ‑ van het werkelijke volk en de wer­kelijke beschaving.

  • Aan de oostkust van Kreta zijn toch de Dionysus‑legenden ont­staan, welke een heel belangrijke invloed op Attica, op Griekenland hebben gehad?

Ja, dat is niet helemaal juist, maar volgens de huidige ken­nis neemt men dit aan. Overigens is Dionysus een verdraaiing eigen­lijk van een inwijdingsleer ‑ de Dionysusdienst dus ‑ die we meer naar het oosten onder andere namen ook vinden. Maar daar ga ik nu niet verder op door, dus we zullen het daar dan op houden. In ieder geval kunt u ervan overtuigd zijn, dat Kreta in vele geval­len een belangrijker centrum is geweest dan men wel denkt en dat Cyprus natuurlijk ‑ daar hebben we het al over gehad ‑ belangrijk is geweest. Vreemd is daarbij ook nog een ander punt en dat zullen we ook maar meteen afdoen, dat ook bv. Sicilië in de oudheid een tijd­lang zeer belangrijk was; ook alweer godsdienstig en wel vooral in verband met een vuurcultus (vuuraanbidding dus).

  • Ik meen te weten dat Schliemann bij zijn opgravingen van Troje Atlantische munten heeft opgegraven. Is er een inval der Atlanti­den in het Middellandse Zeegebied geweest?

Zoals al gezegd is, zijn er een paar trekken geweest in die richting van de Atlantiërs. Maar ik moet u teleurstellen; in Atlan­tis kende men nog geen munten. Men kende daar alleen ongemunt goud en men maakte daarnaast ook gebruik van bepaalde kristallen (ongeslepen overigens) en gebruikte ook nog bepaalde schelpsoorten, als pasgeld zullen we maar zeggen. Wat ze wel konden bv. en dat vinden we veel later nog tot zelfs bij de Germanen en de Romeinen als be­taalmiddel, was een getrokken draad van zeer week goud, waarvan men delen kon afknippen of afbreken om daarmee betalingen te verrichten. Maar er is dus in Atlantis geen sprake van geslagen munt.

  • Stammen de Ainu’s inderdaad van de Indo‑Germanen af?

Ja, nu is Ainu eigenlijk zover mij bekend eerder een voorvaderverering dan een directe stam. De Indo‑Germanen hebben invloed ge­had in de volgende gebieden, dan zijn we er meteen van af: Indië, Kaukasus, Noord‑Afrika, daarnaast de zuidelijker delen van Europa en rekening houdende met een lijn, die ongeveer loopt Rome‑Berlijn‑Leningrad.  Dan hebben we een mooie afscheiding. Dus ten westen daarvan, in de Europese gebieden. Weinig of geen invloed hadden ze echter in de Midden‑Europese gebieden, zodat velen van degenen, die op hun Arisch bloed kortgeleden zo trots waren, qua ras geen Ariërs waren, onge­acht de rassentekenen die men daar tegenwoordig dan bepalend voor acht.

  • Wat dan wel?

Kijk eens, dat is een menging van verschillende volkeren. Het type van de huidige Ariër ‑ dus nu gaan we even spreken over vol­kenkunde ‑ is eigenlijk een mengtype, waarin wij naast enkele Indo­-Germaanse eigenschappen, maar in verhouding betrekkelijk weinige be­paalde Baltische typen zien, Baltische ontwikkeling. Vooral als we oostelijk komen zien we daar verder Romaanse invloeden, zigeuners zou men eigenlijk moeten zeggen. Dus daarbij is ook een Indische invloed. En dat mengseltje, dat hutspotje, dat is later geworden de Germaanse “Reincultuur”. Overigens wil ik hierbij opmerken, dat de mooiste typen van zuivere Germanen ‑ zover ze nog voorkomen van een Indo‑Germaans type ‑ te vinden zijn in Noord‑Zweden en het noordelijker deel (dus niet in het zuiden) van Noorwegen. Daar vinden wij die typen dus zeer zuiver. En dan vinden we een gemengd Indo‑Germaans‑Keltisch type bv. in de richting van de Hebriden. Daar komen ze nogal voor en er zijn soms ook nog wel zuivere typen bij en dan nog verder in noordelijk Schotland. Daar vinden we ook een nog wat zuiverder ras. Maar de Kel­tische invloed is m.i. ook weer aansprakelijk voor het “spoekenkieken”, het spoken zien en zo. De Kelten waren nl., waarschijnlijk ook door hun training, gevoeliger voor het paranormale. De werkelijke Ariër was dat overigens ook; een hoogstaande cultuur en beschaving in Indië had dit Indo‑Germaanse type, zoals dat heet. Maar typisch is daar­bij, dat voor hen dus bepaalde verschijnselen als “het tweede gezicht” e.d. een heel grote rol hebben gespeeld en dat de omgang met wat zij noemden “de kleinere goden” bij hen vaak beslissend was voor hun han­delingen. Typisch, als je dat nagaat, kun je zelfs de bijgelovighe­den van de wereld vaak terugbrengen tot bepaalde raseigenschappen, die eens hebben bestaan en gedachtewerelden, die aan de hand daar­van worden opgebouwd.

  • Een van de belangrijkste verworvenheden van de beschaving is het monotheïsme en één van het oudste en bekendste monotheïsme is dat van Akhnaton in Egypte. Dan veronderstelt Freud, dat toen Achnaton viel, Mozes een Egyptische satraap was, die door de Joden het monotheïsme heeft trachten te redden. Is daar iets van waar?

Nu, het is niet helemaal waar. Er ligt nl. ook nog enig tijds­verschil tussen het hoogtepunt van de Aton‑verering en Mozes’ wande­ling. Neen, kijk, u moet het zo zien. Het monotheïsme is veel ouder dan men denkt. Dus al lang voordat er zelfs maar sprake was van een oppermachtige Amon‑verering, was in Egypte het monotheïsme een leerstuk in vele tempels. Men leerde daar nl. dat de goden een uiting waren van één Kracht. Het vreemde is dat wij dit ook in andere landen terugvinden. Maar het is een soort tempelgeheim. Men leert dus, hoe eigenlijk alle goden één zijn en elke godheid een aangezicht is van de totale godheid. Als ik daar voorbeelden voor moet hebben, grijp ik altijd terug naar de Brahma‑Vishnu‑Shiva beelden, waarbij u die vier gezichten hebt, zodat ‑ hoe men ook kijkt ‑ men drie aspec­ten ziet van de godheid, maar toch één beeld. Want het zijn drie ver­schijningsvormen, maar het is toch één geheel. Op die manier was het dus voor de priesters mogelijk hun dienst aan de verschillende goden ‑ terwijl zij eigenlijk beter wisten ‑ te rationaliseren. Zij vertegenwoordigden voor het volk een facet van de godheid, welke dat volk kon aanvaarden. En hun macht was dus gebaseerd enerzijds op hun innerlijk geloof, anderzijds echter op de verdeeldheid in de belangstel­ling van het volk, waardoor zij zelf de eenheid hadden (door het hen bindende eengodengeloof) en het volk in fracties tegen elkaar kon­den uitspelen. Egypte geeft ons daar historisch één van de mooiste voorbeelden van die er bestaan.

Nu is Mozes, dat staat wel buiten twijfel, opgevoed in de meer vorste­lijke omgeving. Wij behoeven hem nu niet direct te zien als “een zoon van de zuster van Farao”. Hij kan heel goed de pleegzoon van een edeling zijn geweest. Maar eenieder, die in Egypte te maken had met de farao en met het bestuur, moest bepaalde priesterlijke wijdingen doorlopen. Gezien het feit, dat Mozes geen volbloed Egyptenaar was, lag zijn enige weg eigenlijk via het priesterschap. We kunnen dus wel aannemen dat hij in dat priesterdom bijzonder veel heeft geleerd. Trouwens daar pleit de beschrijving van zijn eis voor de uittocht wel voor. Want waar begint hij mee? Met de wonderen die ‑ zoals de his­torie ons toont, dus niet alleen in de Bijbel ‑ een normaal verschijnsel waren bij de Egyptische priester‑magiër. En dan zou duidelijk zijn dat Mozes het monotheïsme wel degelijk kende. En nu heeft dit te ma­ken met het Joodse volk. Maar het Joodse volk is in die tijd geen natie, dat vergeet men wel eens. Het was een reeks verdeelde stam­men. Die stammen hadden verschillende vereringen, waarbij sommige de maan, andere de zon, weer andere een vlam aanbaden en sommige reeds een meer abstracte godheid. Door nu in Jahweh al deze symbolen te verenigen kon hij dus hetzelfde doen wat de priesters onderling had­den gedaan met de godsdiensten: Hij kon gescheiden stammen verenigen door één God en één wet.

Achnaton als farao heeft waarschijnlijk – het was een jonge en nog­al ziekelijke knaap, dus hij zal wel niet zo uitgeblonken hebben in de jacht of zelfs in de krijgskunst ‑ zich meer dan normaal gewijd aan de priesterlijke beschouwingen. En voor de priesters was het be­langrijk dat de farao iets wist van dit monotheïsme. Want farao was de representant van de godheid, farao is teruggegaan tot zijn tehuis, als hij doodgaat. Maar om hanteerbaar te blijven voor de priesterlijke macht moest hij ook beseffen dat hij niet feitelijk god was. Ik stel mij zo voor dat deze ziekelijke knaap het ceremonieel, de zeer strenge étiquette van het hof onaanvaardbaar heeft gevon­den. En omdat hij daarmee blijvend wilde breken, moest hij zich ver­zetten tegen de druk van de priesters. Toen heeft hij gedacht: Wanneer ik nu die waarheid aan het volk geef, dan is de macht van de priesters gebroken. En zo is hij eigenlijk geworden tot een groot man. Dat hij dit begrip van de ene god allang kende is duidelijk, want hij heeft in zijn vroegste gedichten, dus voor hij de Aton‑dienst werkelijk begon te propageren ‑ waarschijnlijk is hij toen 14, 15 jaar geweest ‑ reeds over die ene god geschreven. Aton kunnen we zien als een afleiding van Amon, waarbij men dus heeft getracht om in een klankgelijkheid een andere woordbetekenis te leg­gen. De voorstelling van de zonneschijf met de handjes is direct aan­gepast aan bepaalde symbolische voorstellingen, welke in de tempels voorkwamen. Bijvoorbeeld: in Memphis is een tempel waar het zonlicht op een bepaald ogenblik door een koker binnenvalt in het heilige, boven de nis waarin de godheid woont en waar dan inderdaad een paar handen in steen uitgehouwen stonden, zeer gestileerd, zodat wij met een lichtvlek met handen te maken krijgen en dan openbaart zich de godheid. Het lijkt mij dan ook niet redelijk het monotheïsme te zien als voldoende band tussen Achnaton en Mozes. Ik meen dat ze in tijd uit elkaar liggen, maar dat zij klaarblijkelijk beiden in hun handelingen beïnvloed zijn door hun kennis van de priestergeheimen van Egypte.

  • Dat is zeer waarschijnlijk, want volgens de historici moet er inderdaad meer dan honderd jaar tussen liggen.

Ja en dat lijkt mij ook volkomen juist. Maar de band die we hier vinden, dat is het typische, dat is het priestergeheim. Maar als ik daarover ga nadenken, dan is het opvallend, hoe vaak wij het ééngoden­dom vinden. Althans het geloof in één werkelijke godheid, die zich in facetten toont of zich splitst ‑ wat ook vaak voorkomt ‑ in eigen­schap‑vertegenwoordigende delen die men goden noemt, hoe vaak dit de achtergrond is van een bepaalde godsdienst. Vandaar ook dat wij het Janus‑effect bij zoveel goden zien. Noem bv. Kali; deze is daarvan een heel mooi voorbeeld. Het ene ogenblik is zij Kali‑Durga, de ver­schrikkelijke, de doodbrengende; maar in haar ander aangezicht, de levenwekkende. En dat komen we steeds weer tegen. Dit pleit ervoor dat men dus ergens een kerneigenschap kent, die in tegendelen wordt geuit. En het beeld van vele goden met hun eigenaardige tegenstrijdige eigenschappen, brengt ons dan m.i. tot de overtuiging dat het be­sef van dit ééngodendom heel wat langer heeft bestaan dan men zich voorstelt. Maar dat het ééngodendom slechts aanvaardbaar is voor een mens, die zich vrij kan maken van de behoefte aan onmiddellijke hulp van de goden.

Het is mijn persoonlijke opinie ‑ ik hoop dat ik niemand kwets ‑ dat de intense heiligenvereringen in de eenvoudige Katholieke landen eigenlijk niets anders is dan een teruggrijpen naar het veelgodendom van vroeger, zij het met dit verschil, dat men nu de originerende macht, God zelf dus ook kent en dit vroeger waarschijnlijk in mindere mate deed. Maar er zijn ook nu nog veel mensen, die alleen bidden tot de H. Theresia, de H. Maagd of de H. Jozef en die voor alle zekerheid Jezus en God de Vader maar buiten het geding laten, want die staan te ver van hen af. Ik meen persoonlijk daarin een soortgelijk verschijnsel te zien

  • Mag ik nog iets vragen over de Atlantiërs, die uitgingen en slaven maakten en het mengvolk dat daardoor ontstond? Bestond daar geen beschaving? Of was die minder hoog?

Ja, neen, kijk eens, we kunnen dat het best vergelijken. U weet dat de Arabieren een lange tijd de slavenhalers van Afrika zijn geweest. En lang voor de “blackbirding” uit Amerika in het geding kwam. Die Arabieren hadden een beschaving, die in verhouding iets hoger was dan die van de negers; hun handel was uitgebreider e.d. Op dezelfde manier moet u het verschil zien tussen Atalanten of Atlantiërs en hun slavenbevolking. Daar komt verder bij dat in die tijd een landbouwende bevolking nog weinig of niet voorkwam. Het wa­ren dus trekkende jagersstammen die men ving; eigenlijk niet eens met de bedoeling om nu slaven te hebben, maar ook om een bepaald centrum te vormen. En we zien dan ook rond hun handelssteden vaak iets, wat doet denken aan de Indianenreservaten; dus de gebieden waarin de ja­gers kunnen wonen, hulp krijgen en bepaalde voordelen genieten. Maar daarvoor in de plaats, onbewust een liaison vormden tussen de wilde stammen en de handelaar en gelijktijdig een verdediging zijn tegen de wilde stammen. Een heel eigenaardig verschijnsel. Het is ook iets, wat we steeds herhaald zien in de geschiedenis. Ja, als je zo kijkt, is het mensdom betrekkelijk oud ‑ nu ja, betrekkelijk, hoor ‑ maar van binnen is het nog niet zo gek veel veranderd.

Als er geen vragen meer zijn, zullen we de zitting maar zo langzamerhand opheffen, vrienden. Ik heb het erg prettig gevonden, dat ik dit tweede gedeelte mocht waarnemen. Eerlijk gezegd, het spijt me dat we nog niet uren de tijd hebben om over dit fascinerende onderwerp verder te babbelen. Maar mag ik misschien nog oven één conclusie trekken? Dat behoeft u verder niet serieus te nemen, maar misschien dat u denkt: Ja, het is toch waar. Kijk eens:

Van het begin af aan meen ik de draad van het ééngodendom te zien. En dat ééngodendom wordt op een gegeven ogenblik pantheïstisch, dus God in alles. Van uit het pantheïsme komt men tot het veelgoden­dom. En van het veelgodendom keert men terug tot het monotheïsme. Een typische ontwikkeling. Maar de grootste manifestatie van de god­heid wordt gevonden in de tijd van het pantheïsme. Ik zou zeggen: zelfs voor een beschaving, die zich zozeer op de borst durft slaan als de uwe, zou het misschien goed zijn om zo nu en dan – wetend dat er één God is ‑ toch wat pantheïstisch te denken; d.w.z. God gema­nifesteerd te zien in alle dingen en in alle verschijnselen. Want ik geloof dat je juist zo het persoonlijk contact kunt bereiken dat een verre, eenzame Godheid je niet kan bieden. Zonder nu direct te pra­ten in de zin van een prediker, zou ik u dan de raad willen geven, om van de historie te leren dat de mens, die het meest intense contact met zijn God weet te hou­den en gelijktijdig zich het best aan de stoffelijke noodzaken en be­hoeften weet aan te passen, zonder die God te verloochenen, in de historie er altijd het beste afkomt, geestelijk en ook nog materieel. Zelfs indien het materiële niet zo erg geambieerd wordt of op dat uiterlijk niet zo erg wordt prijsgesteld, zou ik u alleen om de geeste­lijke bereiking willen aanbevelen deze les uit de oudheid te trekken en misschien eindelijk met een bekend filosoof uit te roepen: “Ik ken geen God buiten de Daemon, buiten het licht in mij.” Want het licht in u is voor u het ultimum van goddelijke manifestatie en voor u de enige weg om het Koninkrijk Gods (de Kracht Gods in u geopenbaard) werkelijk te ervaren en te leren kennen