De denkende mens van vandaag (1960)

image_pdf

8 april 1960

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u er op wijzen dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Als onderwerp voor vandaag heb ik gekozen: De denkende mens van vandaag (1960).

Wanneer wij de mensheid van heden bezien, kunnen wij deze aan de hand van haar manier van denken in verschillende groepen onderverdelen. In de eerste plaats hebben wij daarbij te maken met de leiding behoevende. Dezen vallen dan uiteen in de klasse der bewusten en onbewusten.

De tweede groep is de groep van de pressie- en dwang- uitoefenden. Dezen zijn te rubriceren als: Geloofsverspreiders, mensen met politieke zending, en idealisten met verschillende neurosen. De derde groep toont ons de meer onafhankelijke denkers. Dezen verdelen wij dan in de onderzoekers, de filosofen en de esoterici. Ik ben mij er van bewust, dat deze indeling wel erg zwart-wit is. Het is in de korte beschikbare tijd niet mogelijk alle tussenfasen van het menselijke denken mede te omschrijven.

Het is voor de mens van belang iets te leren over de heersende gedachtegangen en groepen van denkers, daar deze in de komende tijd van grote betekenis zullen zijn. Deze kennis stelt de mens in staat zuiverder te zien wat gaat gebeuren en het gebeuren beter te begrijpen, terwijl hij bovendien voor zich hieruit nut kan trekken. Daarnaast kan een inzicht in de verschillende denkgewoonten u er misschien toe brengen bepaalde delen van uw eigen denken te herzien.

Degenen die leiding behoeven en dus hulp zoeken bij anderen, zijn degenen die om enigerlei redenen zichzelf niet in staat achten zelfstandig de verantwoordelijkheden en verplichtingen van het leven te dragen. Het zijn de mensen die anderen voortdurend om ondersteuning en hulp vragen. Het zijn ook in hoofdzaak deze mensen die steeds weer trachten instanties er toe te dwingen ten eigen bate in te grijpen. Zij zijn de subsidiejagers; zij zijn de mensen die aan massacultuur doen. Degenen die zich van deze neiging bewust zijn, trachten voor zich op aarde – desnoods ten koste van anderen – een paradijs van zekerheid op te bouwen. Hierbij stellen zij steeds verdergaande eisen; zij zullen onder leiding van anderen steeds feller vechten voor een vermindering van risico’s en persoonlijke aansprakelijkheden.

Hun gedachten gaan daarbij als volgt: “Ik ben een klein en onbelangrijk deel van een grote mensheid. Indien ik alle verantwoordelijkheid en risico in dit leven zelf moet dragen, valt mij dit veel te zwaar en zal ik nooit kunnen slagen. Ik wens deze risico’s van een zelfstandig streven niet te aanvaarden en zal daarom gaarne de leiding aanvaarden van iemand die mij alles beveelt, indien deze mij daarvoor zekerheid geeft en ontslaat van de verplichting zelf verantwoordelijk deel te hebben aan alles, wat in het leven belangrijk is. Deze gedachtegang op zichzelf is – al klinkt zij niet erg prettig – toch aanvaardbaar. Er is namelijk sprake van een erkenning van het feit, dat elke mens in de moderne maatschappij steeds grotere verantwoordelijkheden te dragen krijgt. Zo men al aan de verplichtingen ontkomen wil, zo geeft men in ieder geval aan de mens die deze verplichtingen en verantwoordelijkheden op zich neemt, ook gezag.

De onbewusten op dit terrein zijn veel minder aanvaardbaar. Zij gaan uit van het standpunt dat zij zeer verstandig en geslepen zijn, wanneer zij anderen hun verantwoordelijkheden eenvoudig opdringen. Voor hen is dit geen kwestie van minder kunnen, of minderwaardig zijn tegenover die anderen, maar een bewijs van handigheid, van sluwheid. Ongeacht hun eisen roepen zij dan ook steeds om vrijheid en zelfstandigheid van handelen in steeds grotere mate. Voorbeelden hiervan kunt u zien in sommige jonge staten die niet in staat zijn voor zich en hun burgers te zorgen, maar toch luidkeels blijven roepen om zelfstandigheid, een zelf verantwoordelijk zijn, terwijl zij aan de andere kant steeds weer trachten de werkelijke verantwoordelijkheid voor hetgeen in hun gebied gebeurt af te wentelen op anderen en van deze anderen zoveel mogelijk gaven af te dwingen, of af te persen.

De achtergrond hiervan is deze: “De wereld is mijn jachtterrein. Zolang ik anderen tegen elkaar uit kan spelen, heb ik het recht te doen wat ik goed en prettig vind en hoef ik mij niet te bekommeren om de gevolgen die dit kan hebben. Mijn denkbeelden en zelfs mijn illusies zijn het enige dat belangrijk is”. Deze mensen erkennen in de wereld geen enkel recht buiten het recht van de sterkste en het recht van wat zij noemen: De slimme, die gebruik weet te maken van de goedheid of eerlijkheid van anderen ten eigen bate: “Ik ben niet sterk genoeg, ik zal dus slim zijn. Ik kan geen juiste daden stellen, dus zal ik in de plaats daarvan woorden stellen”. Deze houding is zeer betreurenswaardig. Opvallend is verder dat zij niet alleen in onderontwikkelde gebieden en bij minder ontwikkelde mensen optreedt, maar ook een groot deel van de huidige intelligentsia schijnt te hebben aangetast.

Gezien het voorgaande zult u begrijpen dat deze leiding behoevende niet in staat zullen zijn in het wereldgebeuren op een gunstige wijze in te grijpen en zo ongelukken te voorkomen. Op alle mogelijke manieren zullen deze mensen trachten te voorkomen, dat zij meer dan het hoogst noodzakelijk zelf zullen moeten doen. Zij wensen innerlijk anderen te laten doen, of – zo dit niet mogelijk is – zich door anderen te laten dwingen om te doen, zodat dezen voor die daad dan verantwoordelijk kunnen worden gesteld. Wanneer dit denken slechts zuiver stoffelijk wordt gebruikt, is dat reeds zeer bedenkelijk. Erger wordt het nog, wanneer men deze gedachtegang ook op geestelijk terrein toe gaat passen. Vroeger waren er enkelingen die op een enkel gebied – bijvoorbeeld dat van de cultuur – er naar streefden zich met anderen te vereenzelvigen en zo een verantwoordelijkheid voor een zelf kiezen tussen goed en minder goed van zich af te wentelen. Dat ervaren de mensen die naar een Beethovenconcert gingen om gezien te worden en in de pauze over een nieuw recept, of een zaak zaten te praten. De mensen die nu nog wel naar een opera plegen te gaan, terwijl zij innerlijk verlangen naar een echte ouderwetse wildwestfilm.

Is deze soort al wat in aantal geslonken, in steeds grotere mate zien wij mensen die weigeren een eigen inzicht te hebben. Zij volgen ook in geestelijke zaken, zonder verder na te denken, de inzichten van anderen en menen zo van alle aansprakelijkheden af te zijn, maar zij kennen daardoor ook geen eigen geestelijk leven meer en zijn niet in staat te komen tot originele ideeën. Wanneer de mensheid alleen uit deze soort zou bestaan, zouden wij terecht over het lot van de mensheid pessimistisch kunnen zijn. Gelukkig vinden wij reeds in de volgende groepen steeds meer van het persoonlijk denken en persoonlijk bewustzijn, dat voor het voortbestaan van deze wereld en de ontwikkeling van de geest zo uitermate belangrijk is.

Hier zien wij ook de mensen die op anderen pressie trachten uit te oefenen. Het is duidelijk dat niemand op aarde een onfeilbare waarheid kan bezitten. Verder is het duidelijk dat de onvolmaakte mens niet in staat zal zijn een volmaakte waarheid op volmaakte wijze te interpreteren.

Anders gezegd, onfeilbare waarheden bestaan er op uw wereld niet. Toch zijn er mensen die hun eigen geloof als onfeilbaar en enig waar zien. Dan menen zij, dat deze waarheid ten koste van alles aan anderen op te moeten leggen. Hiervan vinden wij voorbeelden in de zending, de wijze waarop bepaalde kerken of vertegenwoordigers van bepaalde kerken leiding aan hun gelovigen menen te moeten geven. Verder vinden wij dit weerspiegeld in excessen als de daadwerkelijke en gewelddadige strijd van groepen, die in sommige landen strijden voor een algehele suprematie van de Islam en in de weinige groepen van Boeddhisten, die in deze dagen de geweldloosheid van hun leer prijs geven, om in plaats daarvan zelf met de wapens te strijden, om de leer van Boeddha te doen erkennen als waar boven al het andere.

Deze gedachtegangen zijn hier, vanuit een geestelijk standpunt gezien, te begrijpen. Hier gaat men echter uit van een valse premisse, namelijk de onfeilbaarheid van eigen leer en stellingen. Men erkent wel dat het Ik mede aansprakelijk is voor anderen: “Ik heb Gods waarheid ontvangen, het is dus mijn taak deze waarheid aan anderen voor te houden. Ik heb het recht niet de ziel van een ander onnodig teloor te laten gaan. Indien ik er niet in slaag de andere te redden, ben ik hiervoor tenminste gedeeltelijk zelf aansprakelijk tegenover God. Ik moet dus met alle middelen die mij redelijk ten dienste staan, trachten alle anderen tot mijn God te brengen”. Hierin ligt de belangrijke gedachte: “Ikzelf ben mede aansprakelijk”. Mogen wij ons dan al verwonderen over de wijze waarop men tracht aan de gevoelde verantwoordelijkheid tegenover anderen te voldoen. Zo blijft tot het aanvaarden van een persoonlijke verplichting en aansprakelijkheid hier waardevol.

De volgende groep denkt hoofdzakelijk politiek. Hier schuilt vaak een addertje onder het gras. In de eerste plaats vinden wij ook hier – evenals binnen de kerken – zeer vaak een sterk ontwikkeld dogmatisme. Ook hier gelooft men aan de volmaaktheid of alleen belangrijk zijn van een bepaald systeem, ofschoon dit in feite en zelfs in de eigen praktijk anders blijkt te zijn. Het gebruik van geweld en andere niet zeer rechtvaardige middelen ziet men hierbij vaak als gans aanvaardbaar. Daarnaast blijkt een sterke behoefte aanwezig te zijn niet slechts zichzelf, maar ook anderen te verdedigen, tegen wat men ziet als onrecht in de wereld. Zo wij over de praktijken van mening kunnen verschillen, zullen wij het eens zijn over het feit, dat velen hier in de eerste plaats aan anderen denken en alles – zelfs zichzelf – op zullen offeren om het begeerde resultaat te kunnen verkrijgen. Dat de politieke mens het daarnaast normaal vindt, dat bij een overwinnen in de strijd hem zelf als eerste de vruchten van zijn overwinning ten deel zullen vallen, mag niemand hem kwalijk nemen. De politiek denkende mens zal daarbij steeds realist blijven en zich blijven baseren op het werkelijk mogelijke. Dit maakt hem voor de mensheid nuttig en geeft hem de mogelijkheid zich snel bewust te worden van vele geestelijke waarden  Ook al toont hij dit laatste slechts zelden, toch is hij iemand die ook voor komende werelden en sferen een goed “bouwmateriaal” belooft.

De idealist met neurosen heeft ook vele goede eigenschappen. Hij houdt zich steeds bezig met toestanden, stellingen en ontwikkelingen, die in het heden nog niet reëel zijn. Daarbij droomt hij van een wereld, waarin de mensen anders zullen zijn en heel het leven anders zal zijn. Zijn doel is meestal een wereld waarin iedereen gelukkig is. Deze mens vraagt zich niet af, wat de werkelijke mogelijkheden zijn. Hij is bereid alles te doen om zijn visioen werkelijk te maken en zal desnoods zelfs tot martelaar daarvoor worden. Zou zijn ideaal logisch zijn, dan zou hij een zeer grote waarde hebben voor alle maatschappelijke ontwikkelingen, terwijl zijn bereidheid zelf de aansprakelijkheid te nemen, zelf verantwoordelijk te zijn en ook voor anderen te offeren en te lijden, hem zeker maken tot een individualist, die een zeer groot geestelijk bewustzijn kan verwerven.

De betekenis van zijn wezen wordt verminderd door een onjuist en niet op werkelijkheid gebaseerd denken. In vele gevallen wordt zelfs elke waarde – stoffelijk of geestelijk – door een ziekelijk zich richten op niet juiste denkbeelden, verstoord. In vele gevallen is er sprake van onderbewuste blokkeringen, die hem beletten de waarheid omtrent zichzelf en de wereld te zien. Voorbeeld van deze irreële denkwijze: “Wij willen de wereldvrede, dus weg met de atoombom”. Vele idealisten die voor de wereldvrede strijden, zijn niet in staat te begrijpen dat oorlog en een atoombom twee geheel verschillende dingen zijn. De atoombom is een wapen, maar de oorlog komt voort uit de massa zelf. De mens moet verbeterd worden, niet de atoombom vernietigd. Dit gebrek aan inzicht brengt dergelijke idealisten er vaak toe te strijden tegen dingen die op zich goed en waardevol zijn, of zich te meten met krachten waar zij in geen geval tegen op zullen kunnen. Eveneens zal daar, waar ingrijpen wel mogelijk is, dit door een verkeerd begrip van het werkelijk belangrijke, hun ingrijpen zijn betekenis verliezen en zinloos blijken.

Een ander voorbeeld van verkeerd denken is: Wij – mensen – moeten onze zwakkere broeders en zusters beschermen, dus moeten wij de dieren beschermen. De fout ligt hierin dus, dat zij daardoor vaak vergeten, dat de bescherming van kinderen voor de mensheid belangrijker is, en het beschermen van de rechten van medemensen in deze tijd evenveel aandacht of meer aandacht verdient, als bv. het verzorgen van zwerfkatten. De denker is hier van het rechte spoor afgeweken. Zijn eerste stelling was reëel genoeg: “……. want wij moeten zorgen voor de zwakkeren”. Logisch is zijn conclusie: “…… dus dan moet ik dit ook doen”. Maar om nu verder te gaan en te stellen: “Dus zal ik voor de dieren gaan zorgen, de mensen moeten het zelf maar uitzoeken, want die hebben verstand genoeg”, houdt in feite weer een ontvluchten van een ware menselijke verantwoordelijkheid in. Toch geeft ook dit ons enkele belangrijke geestelijke waarden. In de eerste plaats al de idee: “Ik zie een mistoestand en moet de slachtoffers daarvan helpen”. In de tweede plaats: “Ik zie dit in en ben bereid zo nodig offers te brengen”. Ten derde is belangrijk, dat de idealist over het algemeen helemaal bereid is de verantwoordelijkheid voor zijn eigen daden en zelfs zijn falen te dragen. U zult, hoop ik, niet de fout maken te stellen dat deze voornoemde denkers alleen voorkomen in bepaalde standen, of bij bepaalde ontwikkelingsfasen. Alle gradaties kunt u aantreffen, bij de meest primitieve onderontwikkelde volkeren, als bij de meest geciviliseerde volkeren. Zij komen evenzeer voor in de wildernis, als in de begraafplaatsen der cultuur, die men grote steden noemt.

De volgende reeks van denkers is voor ons interessanter. Er is hier sprake van een logische ontwikkeling van het denken. In de eerste plaats moet steeds weer worden gesteld, dat de groep der onafhankelijke denkers reëel is. Men tracht steeds – aan de hand van de verschijnselen in de wereld, zowel als bij eigen innerlijk beleven – vast te stellen wat de waarheid is. De onderzoeker stelt daarbij voor zich: “Alles, wat ik weet, is niets vergeleken bij alles wat ik niet weet. Het is dus mijn taak, zowel voor mijzelf als tegenover anderen, mijn weten voortdurend uit te breiden en deze wetenschap aan anderen te geven, of die ten bate van anderen te gebruiken.”

De onderzoeker is daarnaast vaak ook een filosoof, soms zelfs esotericus. In de eerste blijft hij de mens die het antwoord zoekt, of het ontsluieren van de vele raadselen die hij rond zich ziet.

Wanneer deze mens denkt: “Ik ben bereid mijn gehele leven te wijden aan de oplossing van een klein probleem. Ik zal daarvoor alles over hebben, omdat ik het weten van het antwoord belangrijker vind dan iets anders”, heeft hij daarmee zichzelf een taak gesteld. Hij zal deze taak – krachtens zijn wezen en denken – zo zelfstandig mogelijk vervullen en is bovendien bereid al hetgeen hieruit voortkomt aan anderen te geven, of met anderen te delen. De mislukkingen daarvan neemt hij geheel voor eigen rekening. Deze onderzoeker, onverschillig of hij zich beweegt op het terrein van de geest, of dat der materie – zelfs wanneer hij zich richt op het productieproces – is een belangrijk mens.

U leeft in een wereld die u steeds sterker omringt met raadselen. Er brandt hier elektrisch licht. Kunt u mij even zeggen wat dan deze elektriciteit wel is? Kunt u mij precies vertellen hoe het komt dat die gaskachel daar, warmte geeft en hoe? U weet dit waarschijnlijk niet. Zelfs indien u alle antwoorden die de mensheid op deze vragen heeft gewonnen, zou kennen, is uw kennis nog zeer onvolledig. Toch is het voor de mens noodzakelijk dat hij steeds meer leert omtrent zichzelf en de wereld, waarin hij leeft. De mens die filosofeert, tracht ook voor zich zijn wereldbeeld af te ronden en vele vragen te beantwoorden. Wanneer hij daarbij stuit op terreinen die hij niet voldoende kent, zal hij daarover na gaan denken en aan de hand van bestaande waarden mogelijkheden extrapoleren. Hiertoe neemt hij de bestaande gegevens uit hun gangbaar verband en tracht ze op een voor hem meer bevredigende wijze opnieuw samen te voegen. Hij tracht daarbij alles, wat er bestaat aan geloof en overlevering, in zijn schema mede in te voegen en zo een voor hem aanvaardbare en duidelijke omschrijving te krijgen van de grote geheimen van de Schepping. Hierdoor kan hij zichzelf de juiste vragen stellen en een oplossing benaderen. Tevens wordt hierdoor voor hem menig geheim tot een openbaring.

In de moderne filosofie speelt vooral de eigenlijke kern van de mens een zeer belangrijke rol in elke gedachtegang. Er is immers in de mens zoveel wat hij niet, of niet voldoende, kan verklaren. De moderne filosoof beseft zeer wel, dat hij, om zijn wereld te kunnen benaderen en enig licht te kunnen werpen op de problemen daarvan, in de eerste plaats de mens zal moeten begrijpen, want alles in zijn wereld draait uiteindelijk om deze mens. Zelfs wanneer het over God gaat, is het de mens die de benadering tot die God mogelijk maakt en het begrip van de innerlijke waarden van de mens doen eerst duidelijk begrijpen, wat God kan zijn, waarom de mens er in gelooft en wat het beeld van die God vanuit menselijk standpunt betekent. De moderne filosofie zoekt naar de oplossing van vele problemen. Ik wil er enkele noemen: Het vraagstuk van de ruimte. Moderne denkers trachten zich – aan de hand van ervaring en waarnemingen, maar ook door extrapolatie daarvan – te verklaren wat ruimte nu eigenlijk is en daardoor mede te bepalen of zij mogelijk eindig, dan wel oneindig is. Al filosoferende tracht men het ontstaan van het Al te verklaren. Wanneer men daarin dan komt tot een vereenzelviging van het oeratoom met God – of met het Woord – dan is dit slechts een logisch gevolg van hun pogingen alles wat in de mensen leeft, plus alles wat rond hen kenbaar is, tot een samenhangend beeld te brengen. De filosoof heeft verder de moed tot een denken, dat verder gaat dan de bekende feiten en durft stellingen op te bouwen, welke door een later onderzoek erkend, dan wel verworpen kunnen worden. Dit denken is van groot belang.

De zelfstandig denkende en handelende mens wordt immers in deze dagen de spil, waarom alles draait. Het zijn deze mensen die zo dadelijk zullen bepalen, of de wereld verder zal bestaan, dan wel ten onder gaan. Vergeet niet, dat er voor de huidige tijd volkeren en rassen zijn geweest, die een grote beschaving bereikt hebben. Men roept vaak uit: “Mens, ga tot de mieren”. Ik zou mij bij deze uitroep aan willen sluiten, niet om de mens ijver te leren, maar om hem duidelijk te maken, wat een steeds verder gaande normalisatie en een steeds verdergaand afschuiven van verantwoordelijkheid uiteindelijk tot stand brengt. Zie naar de wonderlijke bouwwerken die deze insecten tot stand brengen. Soms zijn het torenhoge nesten van harde klei, de termietenheuvels die in verhouding tot de bouwers, groter en machtiger zijn dan de hoogste wolkenkrabbers die de mens ooit heeft durven bouwen. Ga eens in die nesten kijken: u zult er de voorraadkamers vinden, plaatsen die aan veeteelt, maar ook plaatsen die aan een gespecialiseerde landbouw gewijd zijn. U kunt er van alles vinden, tot dierentuinen toe. De mens ziet dit zo niet. Bij een ontleding blijkt dat de mierenstand in vele gevallen de menselijke steden in doelmatigheid overtreft. Voorbeelden van vernuft vinden wij in deze wereld van de mieren te over. Ga eens kijken bij de kleine groene weidemier en zie, hoe hij zijn gangen weet te bouwen en deze kunstig weet te gebruiken om toegang te krijgen tot alle ruimten van de steden van zijn grotere broers en zusters. Kijk eens naar het verkeer der mieren en merk eens op, hoe ook de mier zijn hoofdverkeerswegen heeft, met daarnaast zijn A en zijn B wegen. Vraag u dan eens af, of de menselijke maatschappij hier niet haar evenbeeld zou vinden, indien de mieren zelfstandige denkers waren. De mieren, niet de mensen, zouden in dat geval de wereld beheersen.

Wat is er bij de mieren gebeurd? Zij hebben gewoonte en normalisatie boven alle andere dingen gesteld. Werkelijke vernieuwing is daardoor onaanvaardbaar geworden. De persoonlijke vrijheid van het individu is tot het uiterste beperkt. Alles dient het enig erkende doel, het welzijn van de gemeenschap. Van enig denken – of handelen – buiten dit doen, kan geen sprake meer zijn. Prijs daarom het mensdom gelukkig, dat er steeds weer de vrije denker, de filosoof is, die de mensheid een nieuwe impuls kan geven. De filosofen en onderzoekers zijn het, die verijdelen, dat de mensheid langzaamaan verstart en het  menselijke leven terugvalt tot het niets meer is dan een reeks van instinctieve, door vaste regels bepaalde reacties. Het zal u duidelijk zijn, dat de onafhankelijke denkers van een buitengewoon groot belang zijn voor de stoffelijke en geestelijke ontwikkeling van allen, die deel uitmaken van de mensheid.

Ten laatste moeten wij nu nog aandacht wijden aan de esoterici. Vergeef mij, dat ik hierbij wederom vele soorten en graden buiten beschouwing laat. In dit verband zal ik als esotericus alleen de mens beschouwen, die, zoekend naar kennis omtrent het eigen Ik, door een voortdurend vaststellen van de relaties, die tussen dit Ik en de wereld bestaan, leert beseffen wie en wat hij is. Door een beschouwen van hetgeen deze mens in zich heeft erkend, komt hij dan tot conclusies omtrent het Al en leert hij zich op de meest juiste wijze gedragen in de wereld en alle sferen, waartoe hij behoort. De esotericus is de band tussen geest en stof.

Het paranormale, zowel als de mystiek behoren voor hem tot de normale uitrusting die elke mens in het leven dient te hanteren. Symboliek en rituele plechtigheden zijn voor hem vanzelfsprekend en aanvaardbaar zoals voor een kind een spelletje ganzenbord. Hij leeft zich uit in deze dingen. Daarbij gebruikt hij niet slechts, zoals de meeste andere mensen die wij bespraken, een beperkt deel van zijn capaciteiten, maar tracht op elk niveau en ik elke richting steeds weer nieuwe krachten te ontwikkelen. Daarbij tracht hij te komen tot een juist begrip van de ware broederschap die de mensheid verbindt.

Hierbij gaat hij vaak uit van vele stellingen die volgens de zogenaamde redelijke mens niet bewezen zijn. In sommige gevallen gaat hij verder dan de rede schijnt toe te staan en komt tot transmutatie van krachten. Hij tracht zelfs te komen tot projectie van zijn wezen op alle voor hem voorstelbare en mogelijke gebieden. In alle gevallen is de verhouding van het “Ik” t.o.v. zijn God het meest belangrijke. Daarnaast telt voor hem het meest het kennen van het ik, het weten, waarom hij handelt. Hij wenst niet zich onbewust voort te laten drijven door slechts ten halve begrepen omstandigheden. In de derde plaats hecht hij een groot belang aan de band die bestaat tussen hem en de mensheid. Hij baseert deze band niet op zuiver stoffelijke redeneringen, of gedeelde belangen, maar ziet deze als iets, wat geheel uit zijn eigen wezen voortvloeit. Indirect ziet hij deze band daarnaast als een uiting van het scheppend Principe, dat ook hem heeft voortgebracht. Hierdoor wordt de esotericus tot de suprême individualist, die zichzelf bewust en geheel uit eigen wil voortdurend dienstbaar maakt aan de gemeenschap. Hij doet dit zonder ooit een grein van eigen vrijheid of werkelijke innerlijke betekenis prijs te geven.

Wanneer de esotericus inzicht heeft in geestelijke waarden en krachten, wanneer hij zichzelf enigszins begrijpt en daardoor beseft, wat hij wel en wat hij niet kan doen, is hij in staat aan de velen die zelf niet durven streven – of denken – op verantwoorde wijze leiding te geven.

Wanneer hij in zich de vele processen, die aan het menselijke bestaan nu eenmaal inherent zijn, heeft leren kennen, zal hij deze ook in anderen kunnen vinden en kennen. Daardoor zal hij anderen raad kunnen geven, hen kunnen tonen hoe zij aan hun problemen kunnen ontkomen, of deze op kunnen lossen. Juist omdat de esotericus individu blijft en nooit in de massa zal willen ondergaan, is hij in staat steeds leiding te geven, waar dit noodzakelijk is, zonder ooit beschaamd te zijn om te volgen, waar hij zijn meerdere, of een wijzere heeft erkend. De esotericus is de gelukkige mens, die het geheim van God en de geheimen der materie tezamen voegt. Hij is juist daardoor onder de denkers van deze tijd de meest belangrijke geworden.

Het denken in het heden wordt natuurlijk voor een zeer groot deel beïnvloed door de waarden die de maatschappij als belangrijk naar voren brengt. Het feit dat steeds meer boeken van een gemiddeld steeds lager gehalte ter beschikking van de mensen komen, is belangrijk, maar heeft het lezen in de meeste gevallen eerder tot een gevaar dan tot een aanwinst gemaakt. Veel lezen betekent voor de meeste mensen weinig denken. Vroeger was het andersom. Daartegenover kan worden gesteld, dat de moderne mens toegang krijgt tot vele belangrijke en verantwoorde werken op esoterisch, religieus en wetenschappelijk gebied, waardoor het hem mogelijk is een antwoord op vele van zijn vragen te vinden en de vragen, waarop geen antwoord mogelijk bleek, beter te formuleren. Veel van wat op deze wereld in druk is verschenen, kan voor een werkelijk zoekende mens een wegwijzer zijn, zoals andere waarden dit evenzeer worden.

Misschien hebt u het wel eens meegemaakt: men leest één enkele regel uit een boek en opeens is het, of je een geheel nieuwe wereld ziet. Indien men van dit alles enig begrip heeft, zal men inzien hoe gevaarlijk, maar ook hoe belangrijk de zo vaak misbruikte boekdrukkunst in deze wereld is geworden. Laten wij de nadelige aspecten en de vele waardeloze publicaties buiten beschouwing, dan kunnen wij stellen: In een wereld, waarvan één derde of meer van de bevolking kan lezen en toegang heeft tot min of meer belangrijke boekwerken, zal een groot deel van de mensen tot een vrijere ontwikkeling in staat zijn. De slappeling zal door leiders van de tweede groep denkers, als door mij zopas genoemd, zich sneller laten verleiden eigen oordeel prijs te geven en het oordeel van anderen als geheel en zonder twijfel als juist te aanvaarden. Ook komen de slappelingen er daardoor sneller toe aan een bepaalde mens of groep de gehele verantwoordelijkheid voor hun leven en handelen over te dragen.

Een tweede belangrijke factor is, gezien vanuit geestelijk standpunt, de in toenemende mate optredende vrijzinnigheid. Dit geldt niet alleen in het christendom, maar ook voor de Islam, de Boeddhist, de Hindoe. De vrijzinnigheid treedt in toenemende mate in geheel de wereld op. Zij wordt zelfs kenbaar in de strak georganiseerde kerkelijke organisaties als bv. de kerk van Rome. Dit houdt in, dat de doorsnee mens, zonder daarom het gewende patroon van geloven en denken helemaal prijs te geven, nu kan komen tot een meer persoonlijke benadering van God en zijn eigen wezen. Een van de machtigste wapens die er bestaan tegen alle verstarring van het mensdom – geestelijk, zowel als sociaal en politiek – is het vrijzinnig godsdienstig denken.

De vrijheid die men er vindt, bevordert het zelfstandig nadenken en brengt de mens ertoe vanuit zijn ervaren, werkelijk te worstelen met hetgeen men hem als Gods waarheid voorhoudt. Hierdoor wordt op den duur een meer persoonlijk handelen geboren, waarbij de mens beantwoordt aan zijn persoonlijke maatstaven, zich zo bevrijdende van de dwang der omgeving, zonder ooit het hogere geheel uit het oog te verliezen. Het is duidelijk dat filosofie en ook de esoterie juist in de kringen der vrijzinnigen vele aanhangers zullen kunnen vinden. Wat meer is, juist uit deze kringen zullen wij vele goede en grote geesten voort zien komen, want boven alles is en blijft de individuele ontwikkeling belangrijk.

Een ander belangrijk punt in deze tijd is de mogelijkheid met elkaar ook persoonlijk in contact te komen, zonder daarbij door onoverkomelijke afstanden belemmerd te worden. Mensen die werkelijk iets met elkaar te bepraten hebben, kunnen elkaar benaderen, ook al woont de één in Stavanger en de ander in Bari. Ook kunnen zij elkaar bezoeken, indien dit gewenst is. De afstand is niet zo belangrijk meer. Het gevolg is, dat degenen die tot werkelijke ontdekkingen komen, of werkelijke belangrijke inzichten gewinnen, van mens tot mens met elkaar in contact zullen kunnen treden, ook mogelijk op minder stoffelijke wijze. Dit laatste geldt in hoofdzaak voor dat deel der esoterici, die tot de hogere waarheden zijn doorgedrongen. Nu leeft de mens niet alleen in de geest en is het belang van een stoffelijk vormen van groepen en opnemen van verbindingen dus zeker groot. Wanneer de mens de mens kan benaderen en met de ander kan spreken, daarbij alleen gebonden door de idee, zonder dat ras, huidskleur, of nationaliteit daarbij nog telt, kan worden gezegd, dat een voor de mensheid onvoorstelbaar groot goed is gewonnen. Degenen die dit tot stand brengen, zullen ten allen tijde in de geschiedenis van mens en geest belangrijk blijven.

Voor ik nu mijn onderwerp ga besluiten, wil ik u nog kort zeggen wat naar mijn inzien in het denken van de moderne mensheid belangrijk is. De vorm die ik hiervoor verkies, is die der overweging (hardop denken): Het is belangrijk steeds te weten, dat je nooit alleen bent. Geen mens kan eenzaamheid verdragen. Wij moeten dus beseffen dat er iets of iemand is, die ons in het leven vergezelt. Om dit te allen tijde te kunnen beseffen, moeten wij geloven aan iets groter, iets, dat groter is dan dit leven. Wanneer wij daarin geloven, heeft het geen zin meer te grijpen naar het kleinste op geestelijk gebied. Laten wij steeds grijpen naar het grootste, wat wij ons op dit gebied voor kunnen stellen. Laten wij dit dan God noemen, of Goddelijk Licht. In een voortdurend streven naar contact met die God en het Goddelijk licht, in een voortdurend beantwoorden aan hetgeen wij in ons gevoelen als deel van een Goddelijke wet, zullen wij steeds dichter bij een voor ons hanteerbare werkelijkheid komen te staan. De mens die buiten het Ik alleen gebonden wordt door omstandigheden, waarop hijzelf weinig of geen invloed uit kan oefenen, wordt toch werkelijk meester over zichzelf op het ogenblik dat hij kan werken met de Goddelijke krachten.

Hij vindt in zich een steeds grotere vrijheid. De vrijheid is belangrijk voor de mens van deze dagen. Duidelijk is, dat werkelijke vrijheid niet meer kan worden gevonden in macht of in geld.

Men kan vrijheid nog slechts vinden op het gebied van de geest. Hoe meer mensen de werkelijke vrijheid zullen begeren, hoe meer er onder hen de weg zullen gaan van het geestelijke zoeken. Belangrijk is niet, hoe dit geestelijk plaats vindt. Belangrijk is echter wel, dat vooraleer de massa haar laatste eisen aan deze wereld gaat stellen, het persoonlijk inzicht en het persoonlijk kennen van de innerlijke vrijheid zozeer ontwikkeld is, dat overal in  die massa mensen zijn, die bewust en wetend de verantwoordelijkheid voor anderen willen dragen, leiding kunnen geven waar het nodig is. Bovenal zullen zij, in plaats van de geestelijke leegte, die voor zo menigeen op het ogenblik bestaat, een nieuw geestelijk vuur kunnen brengen, dat de mens verder verheft boven de stof gebondenen en de dieren.

Het denken van de hedendaagse mens is nog niet volledig ontplooid. Toch is de tijd kort. Hoe groter het besef wordt van hetgeen u, zo u wilt, paranormale of onbegrepen krachten kunt noemen, hoe beter het voor de mens zal zijn. Juist het erkennen van het vele, wat men tot op heden in deze complexe maatschappij verwaarloosd heeft, toont de mensheid een nieuwe weg tot vrijheid en geeft hem de mogelijkheid te komen tot een grotere eenheid en samenwerking met hogere krachten, om zo een edeler en belangrijker doel te bereiken, dan men nu kent. Voor alles zal een zuivere en edele ontplooiing van het ik mogelijk worden, waardoor de mens zich meer bewust zal kunnen worden van de eeuwigheid en alles, wat daarin nu nog schuil gaat.

  • De mens moet dus worden als Prometheus, die het vuur uit de hemelen stal voor de aarde?

Ja, maar welke mens zal de moed hebben, die Prometheus had? De moed om het licht van de hemelen ten koste van zichzelf aan anderen te schenken? Dat is juist het gebrek van deze tijd en de fout in het denken van deze tijd. Er is juist in dit opzicht een gebrek aan moed.

Degenen die weten, waar zij dit Licht kunnen vinden, zijn vaak te traag en te veel gebonden aan de geldende conventies, om iets dergelijks te wagen. Degenen, die in staat zouden zijn de wereld geestelijk te bevrijden, achten het nogal te vaak belangrijk zichzelf te bewaren voor toekomende tijden, waarin – naar zij menen – hun persoon en krachten harder nodig zullen zijn. Prometheus dacht hierover niet na. Hij kende het vuur van de Goden en stal het om het zo de mensheid te kunnen geven. De esotericus, die zich van zichzelf bewust wordt, kan a.h.w. de hemelen hun vuur roven en het in zijn eigen wereld projecteren. Maar dit gebeurt tot op heden veel te weinig. U hebt wel gelijk, wanneer u dit beeld hier aanhaalt. Laten wij niet vergeten dat het falen van de mens in zeer vele, zo niet alle gevallen, te wijten is aan twee factoren: zijn zelfgenoegzaamheid en zijn gebrek aan moed. Wanneer deze beide fouten in een mens samenvallen, zien wij een wezen, dat elke verantwoordelijkheid afwijst en toch meent meester te zijn van het Al.

God en geest

Hebt u een onderwerp voor mij?

  • Ik ben de laatste tijd tot de overtuiging gekomen, dat hetgeen de mens God noemt, zijn eigen geest is.

Indien zonder meer verkondigd, lijkt de stelling mij wel gevaarlijk. Wij zullen dus spreken over: God en geest. Wanneer wij het woord God uitspreken, gebruiken wij een begrip dat wij in feite niet kennen en absoluut niet beheersen. God is een abstractie, omdat wij ons God niet enkel zo beperkt voor kunnen stellen, dat daardoor de eigenschappen die wij toch aan God menen toe te moeten kennen, daardoor alweer onmogelijk worden en schijnbaar teloor gaan. We moeten goed begrijpen dat het bewustzijn van een kosmische God zeer wel mogelijk is en zelfs zeer waarschijnlijk, maar wij zullen nooit in staat zijn vanuit ons huidig weten en begrijpen te zeggen, wie en wat die God is, of wel, hoe Hij is en wat zijn Wezen is. God blijft voor ons een raadsel, zodra wij Hem willen zoeken in de grootheid van de kosmos. In ons is een wereld waarin die God voor ons eenvoudiger te benaderen is. Wij zijn deel van God, deel van Zijn schepping.

Als wij dit aannemen, kunnen wij ook verder gaan en stellen: In ons bestaat buiten het geheel dat wij Ik noemen, ook nog de kracht Gods. Men is dan vaak geneigd te stellen: In mij is levenskracht en een bewustzijn die beiden niet stoffelijk zijn. Dit zal dus wel God zijn.

Die stelling is zeer gevaarlijk. Wij komen er dan al snel toe aan ons Ik de onbeperktheid en onbegrensdheid van het Goddelijke toe te kennen. Wij houden daarbij verder waarschijnlijk weinig of geen rekening met het feit dat een ware God toch meer moet zijn dan een eerste begin, een eerste oorzaak.

Redelijk zouden wij moeten stellen, dat de mens in zich vele eigenschappen dient te bezitten die met het wezen van zijn God verwant zijn en in het wezen van die God gelijk, maar in veel ruimere mate bestaan.

Je zou kunnen zeggen dat de mens – innerlijk beschouwd – een soort werkend model is van de Goddelijke Oneindigheid, maar een model op zeer kleine schaal, dat, vooral in de details, waarschijnlijk niet geheel volledig is. Kennen wij het model, dan kunnen wij ons daaruit reeds een voorstelling maken van de werkelijkheid.

Wanneer u naar een museum gaat en daar een model ziet van een oud voertuig, een oude machine, een oud huis misschien, of poppen die gekleed zijn in de kleding van jaren her, dan kunt u zich daaruit toch nog een voorstelling maken van hetgeen de werkelijkheid eens geweest moet zijn.

Wanneer u een huis of een belangrijk gebouw wilt gaan bouwen, dan gaat u eerst eens kijken naar een maquette, die een afbeelding is van hetgeen men zich voorneemt. Het is zeker geen beeld van de werkelijkheid die zo dadelijk zal bestaan, maar wel is zeker dat het verkleinde model u van de mogelijkheden en de bruikbaarheid een goed idee kan geven. Op dezelfde wijze als u een dergelijk model beschouwt, moet nu de mens het eigen innerlijk gaan benaderen.

Wij willen helemaal niet zeggen dat wij God zijn. Maar in ons is zoveel dat met God verwant is, dat wij – mits wij onszelf goed genoeg leren kennen – onszelf kunnen beschouwen als een soort maquette van de Goddelijke werkelijkheid en daarvan kunnen wij veel leren, vandaar dat ons zoeken naar God altijd in de eerste plaats innerlijk moet zijn.

Buiten ons vinden wij de aanleiding tot ons onderzoek. Buiten ons ook vinden wij de ideeën, de gebeurtenissen die ons tonen hoe wij in onszelf moeten zoeken. De hele wereld is niets anders dan onze werkplaats, onze gereedschapskist. Wij kunnen daarin kiezen wat wij nodig hebben aan materialen en gereedschap. Wij zullen daarin voorbeelden kunnen vinden die wij moeten gebruiken om in ons de werkelijkheid te kunnen benaderen.

Wanneer wij dan steeds verder gaan, vinden wij langzaam maar zeker in onszelf iets, wat harmonisch is, al weten wij niet hoe. Zonder dat wij in staat zijn te beseffen op welke wijze dit geschiedt, is een deel van ons wezen niet meer in tegenstelling met onze eigen wereld, met mogelijke geestelijke werelden. Het behoort eigenlijk overal evenzeer. Ondanks alles voelt dit deel van het wezen zich overal en onder alle omstandigheden evenzeer thuis. Men heeft dan een plaats in de werkelijkheid gevonden, die ligt buiten ruimte en tijd.

Het waarom en hoe kun je je niet verklaren, daarvoor zijn je redelijke vermogens te klein, daarvoor ben je niet ver genoeg, maar je hebt op een vreemde wijze het gevoel “te behoren tot”, ook al kun je hetgeen, waartoe je behoort, niet omschrijven. Heb je dit gevoel in jezelf eenmaal gevonden en versterkt, dan krijg je al vlug een gedachte gezonden te zijn. Dit is in onze ontwikkeling een gevaarlijk punt. Wij zijn dan in staat te zeggen, dat God ons gezonden heeft, maar zullen op den duur vele van onze eigen woorden en daden een bevel Gods gaan maken, zonder dat hiervoor ook maar enige aanleiding buiten eigen denken en begeren bestaat.

Vervreemding van de werkelijkheid dreigt hier. Komt men aan dit gevoel van gezondene zijn toe, dan is het zaak nederig te zijn. Het gevoel dat hiermede gepaard gaat, is misschien het best te omschrijven door te zeggen, dat je wezen een extensie heeft gevonden, dat ook buiten ruimte en tijd ligt. Uit, of door deze extensie komt iets, wat ons beweegt, wat ons leidt.

Misschien is dit wel een direct contact met de ware Godheid.

Gaan wij in onze innerlijke ontwikkeling nog een stap verder, dan zullen wij bemerken, dat wij over grote krachten kunnen beschikken. Vreemd is, dat wij over deze krachten alleen kunnen beschikken op het ogenblik dat wij dit gevoel van zending kennen, dit gevoel van gebonden zijn met God. Anders kunnen wij ze niet gebruiken. Men zegt wel, dat geen mens zonder geloof zalig kan worden. Ook in deze zin is dit wel degelijk waar. Een mens kan de Goddelijke krachten gebruiken, wanneer hij gelooft. Zeker, het gebruik van die krachten is beperkt, vindt plaats op kleine schaal en benadert niet de voor een werkelijk scheppen benodigde energie; maar, het ik kan iets van die kracht gebruiken, zolang het innerlijk contact met God blijft bestaan.

Op den duur vindt de mens zo in zich een beeld van God, dat waarschijnlijk nog zeer onvolledig is, maar toch een zekere bevrediging geeft. Je drukt dit het beste uit door te zeggen: God is datgene wat mij en mijn bestaan heeft bepaald van het begin af tot het einde. God is, wat mij heeft gefixeerd door alles wat voor mij tijd is, en in alles wat ik ruimte noem, mij zo makende tot een bepaald deel van Zijn wezen en Schepping. In het begrip hiervan ben ik in staat God te aanvaarden, zonder God verder te willen beredeneren. In deze instelling is mede besloten dat het ik ook volgens eigen begrip, slechts een verlengstuk, of een deel van het Groot-Goddelijke is, zodat in het beperkte wezen als geest of mens het Ik toch een onmiddellijke uiting van God wordt en blijft.

Aangezien het bereiken van deze innerlijke gesteldheid een soort aanvaarden van de christusgeest is, een aanvaarden van een weten omtrent de Goddelijke liefde en de daarbinnen voor alle dingen bestaande eenheid, zou je kunnen zeggen: wanneer de geest haar hoogste bewustzijn op deze wijze heeft bereikt, is zij deel van de christusgeest, of uiting van de christusgeest en benadert daardoor God onmiddellijk, zonder die God daardoor ook geheel te kennen. Eerst wanneer het Ik als afzonderlijke persoonlijkheid ophoudt werkzaam te zijn en volgens eigen wil te bestaan, zal misschien een algehele erkenning van God mogelijk zijn. Dat weet ik nog niet, maar zolang het wezen in ruimte en tijd zijn openbaring vindt, zal de erkenning van alle delen der Godheid die buiten deze waarden zijn gelegen, gans onmogelijk blijken. De benadering die ons innerlijke vrede geeft, het innerlijke contact met God, zal ons voldoende moeten zijn. Indien wij dit bereiken, kunnen wij helpen het Goddelijk werk bewust te vervullen en de grote taak die in de Schepping voor elk deel van die Schepping bestaat, op de meest juiste wijze voltooien. Om die voltooiing gaat het.

Wij kunnen lang spreken over het mogelijke wezen van God en de werkelijke inhoud van de geest. Laten wij stellen dat de geest met al zijn voertuigen, wanneer hij de wil Gods vervult op een juiste wijze – zij het nog niet volmaakte wijze – de openbaring van God Zelf in zich zal kunnen ervaren en zo de laatste schrede naar de volmaaktheid zal kunnen zetten, waardoor de geest zich bewust wordt – in zich – van de kracht die alles voortbrengt en geheel de Schepping in stand houdt.

  • In het begin zei u: je komt soms tot de idee, dat de geest van de mens en hetgeen hij God noemt, gelijk zijn?

Neen, de geest is geen verschijnsel, een verschijningsvorm, een masker, zo u wilt, van God, maar zij is niet God Zelf. Want God Zelf kan niet bepaald worden door eigenschappen.

De geest kan dit wel. De geest is een uitvloeisel van de scheppingswil, zoals alle verschijnselen en wezens uitvloeiselen zijn van God. Want indien God niet was, hoe zou er iets kunnen bestaan?

  • Maar kunnen wij dan van Gods werkelijkheid iets leren beseffen?

Indien u verstandig bent wel. Ik keer terug tot mijn voorbeeld: Het model. God is de Werkelijkheid. Wanneer wij nu stellen dat de werkelijkheid een generator is met een vermogen van 150.000 kWh, dan hebt u – als model – misschien een vermogen van 0,15 Watt. Wat is uw energie vergeleken met de enorme krachten van het grote, het werkelijke? Neem van het grote de energie, die je geboden wordt. Geef je als het ware aan het grote over. Je bereikt daarmede meer. Uit deze kracht leer je veel omtrent het grote kennen. Maar voor je die kracht kunt aanvaarden, zul je eerst in jezelf moeten weten: “Ik ben maar een klein model. Maar alles wat ik werkelijk ben, is ook in het grote waar. Daarom kan ik de kracht van het grote, waarin ik zozeer verwant ben, ook in mij aanvaarden”.

Een overgave zonder redenen en innerlijk aanvoelen is waardeloos. Zij zou het Ik onwillekeurig aan vele invloeden overgeven zonder ooit in staat te zijn volgens eigen begrip en voor eigen weten een resultaat te bereiken. Wanneer wij weten wat wij moeten doen en wij kunnen het niet meer uit eigen krachten, is het voldoende met waar geloof te zeggen: “God, ik aanvaard hiervoor Uw kracht”, dan kunnen wij verder gaan. Wanneer je dit maar weet als mens en in de praktijk weet te brengen, kom je vanzelf verder. Want wanneer je Gods kracht steeds weer aanvaardt om het goede naar beste weten te doen, vind je op den duur vanzelf de vorm, waarin je moet leven en bestaan. Daarin ken je dan jezelf en zo ook God.

Esoterische gelijkenissen

Vandaag zou ik u een paar gelijkenissen willen vertellen die u – hoop ik – wel zullen interesseren.

De schipbreukeling en de papegaai

De schipbreukeling was aan land gespoeld op een klein eilandje ergens in de Stille Oceaan. Hij meende dat hij van alle beschaving was afgesneden. Dat was wel niet helemaal juist, maar hij dacht dit nu eenmaal. Daarom bleef hij aan het strand zitten, herinnerde zich de wijze lessen die hij in zijn jeugd over Robinson Crusoe had gelezen en begon zich een huis te bouwen met palissaden. Ook besloot hij zich vrienden te maken onder de dieren. Hoe de papegaai op dat eiland terecht kwam, weet ik ook niet, maar hij was er in ieder geval: een groen beest met rode kuif en scherpe snavel, met een door ervaringen gesterkte gave het woord te imiteren. De schipbreukeling was goed voor het dier, dat dan ook van zijn vluchten steeds weer terugkeerde om de eenzame gezelschap te houden. Eens, na een lange dag van werken en voedsel zoeken, vleide de man zich neer op zijn bed van dorre bladeren en verzuchtte: “Mijn goede God, ik wilde maar dat ik weer eens een menselijk woord hoorde”. De papegaai herhaalde vriendelijk en duidelijk: “Mijn goede God…”. Geheel ondersteboven sprong de man op: Lorre werd gelokt, Lorre werd vertroeteld, maar ook werden Lorre ‘ s vleugels gekort. Dankbaar dacht de eenzame: “Nu zal ik tenminste aanspraak hebben”, maar Lorre deed geen bek meer open. De schipbreukeling verwaarloosde alle dingen, zelfs streepjes zetten om de dagen te tellen, vergat hij. Zijn woning bleef onafgemaakt staan. De hele dag trachtte hij de papegaai een woordje te ontlokken en fleemde: “Zeg eens goede dag. Lorre. Lorre, zeg eens…”, maar Lorre zei niets.

De man werd boos en schold: “Rotvogel, als je je bek niet gauw open doet, braad ik je”, maar Lorre zei niets. Dat ging weken lang zo, tot op een goede dag een motorboot langs het strand kwam varen. U weet wel, zo’n bootje als je vaak ziet met een waterskiër er achter, want vlak in de buurt – op een ander eilandje – was een badplaats. De man begon te wuiven, werd opgemerkt en werd gered. Lorre ging mee. Terwijl in de badplaats iedereen vol verbazing keek naar de verwilderde man die uit de motorboot klauterde, kwam een aardig meisje voorbij. Lorre, gezeten op de schouder van zijn meester, floot eens en merkte op, duidelijk hoorbaar, “Mijn goede God”. Toen floot hij nog eens en verzuchtte: “Honey”, want het was een Amerikaanse papegaai.

De schipbreukeling zei enkele minder nette woorden en legde uit: “Ik ben er weken mee bezig geweest, maar ik heb dat beest nooit kunnen leren spreken”. Toen draaide de papegaai zich om en krijste: “Stommeling, als iemand jou de vrijheid ontneemt, ga je dan een prettig gesprek met hem houden?” En terwijl iedereen vol bewondering het beest aanstaarde, voegde het er aan toe: “Rotvogel, als je je bek niet open doet, braad ik je”. Overigens was het voor de papegaai beter geweest indien hij zijn bek had gehouden, want de man heeft het wonderdier duur verkocht. Nu zit Lorre in een koperen kooi bij een anglicaanse geestelijke en mompelt meestal gebeden. Een enkele keer komen de herinneringen aan het eiland weer op en dan krijst de papegaai erbarmelijk en schreeuwt tegen de weleerwaarde heer: “Ellendeling, dadelijk draai ik je je nek om en ga je dan braden”.

U vraagt zich misschien af, wat dit grapje nu eigenlijk met esoterie te maken heeft… . In ons is een stem ergens die zo nu en dan antwoord geeft. Meestal spreekt die stem juist dan, wanneer wij het niet verwachten, maar als wij antwoord verwachten, zwijgt de stem vaak. Soms voel je je eenzaam en verlaten. Je weet niet meer, wat te beginnen en je weet niet meer, wat waar is en wat leugen is, maar opeens komt dan het gevoel, deze zekerheid, dat antwoord. Menigeen meent dan: “Nu heb ik het bereikt….” en probeert dit gevoel en deze stem voor goed vast te houden. Dan denkt men niet meer aan de dingen die in de wereld zo belangrijk kunnen zijn. Men denkt niet meer aan stoffelijke of geestelijke werkelijkheid. De enige gedachte is dan: toen is onder die omstandigheden dat gebeurd, zo heb ik die stem gehoord en dat antwoord gekregen… . Men tracht dan het verschijnsel hernieuwd af te dwingen. Eigenlijk is het alsof je de stem Gods zou proberen te kortwieken, of de geest voorgoed aan jezelf vast te ketenen. Men vindt het dan erg vreemd, dat men geen antwoord meer krijgt, dat de stem zwijgt, maar bereiken doet men niets.

De ware esotericus zoekt God niet in een bepaald kader. Hij tracht God niet te dwingen een antwoord op zijn vragen te geven. Hij vertrouwt op God en wacht af, tot God Zelf ingrijpt. Het vreemde is, wanneer je op God vertrouwt en Hem niet tracht te dwingen, Hij je steeds weer antwoord geeft. Dat geldt op dezelfde wijze voor verschillende delen van uw eigen wezen. U hebt immers daarin onderbewustzijn, bovenbewustzijn, etc. Ook deze delen van het Ik, die normalerwijze geen deel hebben aan het redelijk denken, kunnen soms zeer duidelijk antwoord geven op de vragen die in het bewustzijn leven. Op het ogenblik, dat je bewust tracht deze delen van het ik te dwingen, geven ook deze delen van eigen bewustzijn geen antwoord. Men zou kunnen stellen: Het is voor de mens noodzakelijk om, indien hij streeft naar innerlijke waarheid en geestelijk begrijpen, in de eerste plaats vanuit zich te werken en niet te vertrouwen op mogelijk geestelijk ingrijpen. Alles, wat hij ontvangt op dit gebied, moet worden gezien als een gave die men niet af mag dwingen, maar af moet wachten. Door op deze wijze steeds bereid te zijn een antwoord, kracht, of raad te aanvaarden, maar toch je eigen wegen te gaan, zonder hier een te groot belang aan te hechten, zul je ten volle gebruik kunnen maken van eigen geestelijke capaciteiten en zal men op de meest duidelijke en juiste wijze in contact kunnen komen met het Eeuwige. Wie te veel dwingt, hoort niet de stem van de Eeuwige, maar vertrouwt op eigen onderbewustzijn, als antwoord op de te sterker wens als een papegaai die alles herhaalt, wat men zelf reeds wist, of kon weten. Dit voert tot zelfmisleiding, wat mij herinnert aan het verhaal van:

De belangrijke geleerde

Hij was een ouderwetse geleerde, vol verstrooidheid, had een franjebaard en ging dood. Natuurlijk verscheen hij – overtuigd van eigen belangrijkheid – kort daarop voor de hemelpoort. Petrus keek juist uit het raam, kwam naar beneden en informeerde, wat er van zijn dienst was. Het kostte de geleerde enige moeite zich te herinneren, wat hij eigenlijk kwam doen. Na enig nadenken sprak hij toch: “Vriend, ik ben de belangrijke geleerde die het atoom uitgevonden heeft”.

“Dat is niets bijzonders, er zijn atomen genoeg en bovendien, voordat u het vinden kon, had God het al geschapen. Maar ga verder”.

“Ik heb geheel mijn leven gewijd aan het bevorderen van de atoomwetenschap”.

“Daar hebben jullie beneden anders niet veel goeds mee gedaan, maar laat u niet ophouden en spreek verder”.

“Driemaal” – de geleerde streek liefkozend over zijn verwaarloosde baard – heb ik de Nobelprijs mogen ontvangen.

“Dan bent u voor uw werken goed betaald, maar wat wilde u daarmee eigenlijk zeggen?”

“Dat is toch logisch. Iemand van mijn betekenis kan na zijn dood nergens anders horen dan in de hemel”.

Petrus woelde eens in door een engel gefriseerde baard, krabde eens achter zijn heilig oor, zette zijn stralenkrans een beetje recht en sprak: “Tja, tja, maar ik heb hier in mijn papieren niets, waaruit blijkt, dat u de hemel verdient, waaruit zou blijken, dat u hier binnen mag”.

“Maar ik was toch een heel belangrijk mens”, meende de geleerde, die nu werkelijk nijdig begon te worden.

“Dat kan heel goed, maar daar beneden hebben zij ook véél belangrijke mensen. In uw geval staat er niets definitiefs in mijn instructies.”

De geleerde hield een tirade over ambtenarij, noemde Petrus een uit zijn krachten gegroeide hemelse douanier.

Dat werd Petrus wat te erg. Daarom stapte hij naar binnen, deed de deur op slot en ging, zoals hij in deze gevallen vaak pleegt te doen, zijn nood klagen bij Gabriël en Michaël. Gabriël, als Boodschapper van de Heer, weet in dergelijke gevallen beter wat te doen dan Petrus, die immers in zijn hart nog steeds een eenvoudige visser is.

“Geleerd of niet, wie niet deel van het Koninkrijk Gods is, komt hier niet binnen”.

“Dat is een idee”.

Petrus ging weer naar buiten en vroeg de geleerde om zijn paspoort te mogen zien, want zonder paspoort mag niemand in het Koninkrijk binnen treden. De geleerde zocht in alle zakken, vond natuurlijk niets en zocht zijn toevlucht in scheldwoorden. Toen hij Petrus uitmaakte voor een averechts gesplitste proton, dat zijn baan niet kon vinden, kreeg Petrus er genoeg van en sloot zijn deur. Uit het raam riep hij de razende baard nog toe: “Wanneer u zeker weet, dat u hier binnen hoort, moet u op aarde uw paspoort maar gaan halen. Ik heb geen instructies over u”.

Waarop de geleerde even verbluft stond te kijken, langzaam fraai paars aanliep en met een vaart, alsof zijn zelf ontdekte atomen hem aandreven, aardwaarts schoot. Na verloop van tijd kwam de geleerde terug.

“Hier is mijn paspoort”, en toonde een indrukwekkende map.

“Lees even voor, anders moet ik mijn bril gaan zoeken”.

“Zoveel lezingen gehouden, zoveel mensen iets geleerd, zoveel proeven genomen”.

Hoe indrukwekkend die getallen ook waren, elke keer weer moest Petrus zeggen:  “Als visum voor de hemel niet aanvaardbaar. Wat hebt u verder nog gedaan?”

De geleerde wist niets meer op te noemen. Hij keek verbaasd naar de kleine lettertjes, die alles vormden wat hem nog over bleef van zijn indrukwekkend paspoort.

“Ja, ik… heb mijn broertje eens uit het water gered.”

“Zozo. Hoe? Waarom?”

“Omdat hij mijn broertje was. Ik ben in het water gesprongen om hem te helpen”.

“Kon je dan al zo vroeg zwemmen?” vroeg Petrus, die voor deze edele sport veel belangstelling heeft sedert die dag op het meer van Tiberias, toen hij vreesde te verdrinken.

“Neen, dat kon ik niet, maar mijn broertje kon ik niet in de zee laten”.

De geleerde bleek zich de zaak nu weer goed te herinneren.

“Dat is het. Had mij dat liever meteen gezegd, man. Kom binnen”. Ik vraag mij af, of de geleerde wel precies beseft, waaraan hij het te danken heeft dat hij met ouderwetse vleugels, zonder atoomaandrijving, gewapend met harp en stralenkrans in eeuwig geluk rond het eeuwige koor mag zweven.

Wij kunnen uit het verhaaltje wel een lesje trekken. Kosmisch gezien heb je niets aan kennis en wetenschap, tenzij je die voor je medemensen kunt gebruiken. Slechts de mens die precies weet, hoe hij eigen bereiking en weten voor anderen belangrijk kan maken, kan hiermede werkelijk veel bereiken.

Nu is de hemelpoort in deze verhalen alleen maar een symbool, maar in de werkelijkheid passeert de mensenziel verschillende poorten. Er zijn poorten van de geest, ogenblikken dat het bewustzijn overgaat van het ene wereldbegrip naar het andere. Misschien klinkt u dit raadselachtig, maar u zult het zelf moeten beleven. Wanneer je van de ene sfeer overgaat naar de andere, moet je daarbij een soort paspoort passeren. Daaruit blijkt dan vaak dat de belangrijk lijkende bagage die je zo ijverig op aarde hebt verzameld, waardeloos is. U kunt wel zeggen dat u in het Zomerland behoort, omdat u alle oude klassieken kent, of alle stellingen van de theosofen van buiten kent, maar aan de poort staat een wachter, die u niet verder laat gaan.

Die wachter is de uitbeelding van uw eigen angsten. Wanneer je eenmaal jezelf en je angsten hebt vergeten, om een ander te helpen, dan heeft die wachter niet zoveel invloed meer en zal het u mogelijk zijn de beelden van oude angsten te passeren en het bewustzijn van de nieuwe wereld te aanvaarden. Wat je in jezelf opsluit, is uiteindelijk waardeloos, maar wanneer je in jezelf tot een beter weten komt en je dit besef, dit weten aan een ander kunt geven, wanneer je daardoor het leven van een ander iets gelukkiger, of beter kunt maken, win je de krachten die het je mogelijk maken het bereikte voor altijd te behouden en zonder belemmeringen je weg verder te gaan.

De militair aan de hemelpoort

Het was op een mooie dag dat een soldaat van de oude stempel aan de hemelpoort kwam. Hij droeg een helm met een punt, een zware slepende zware sabel en een snor, waar zelfs “der Kaiser” jaloers op geweest zou zijn. Met klinkende passen kwam onze soldaat het pad naar de hemel opmarcheren. Hij telde daarbij hardop: Links twee, drie, vier, links twee, drie, vier… .

Vlak bij de hemelpoort, waar een alweer verbaasde Petrus uit een raam van de portierswoning zat te kijken, commandeerde hij zichzelf: Afdéééling… halt…! Daarna sloeg hij de hakken tegen elkaar en in de houding staande, salueerde hij Petrus: “Sergeant Pieterse presenteert zich”. Het was jammer dat Petrus zo weinig van soldaten af wist. Daarom zei hij alleen maar: “Man, neem er je gemak van”, maar de soldaat hoorde het niet, want het was geen militair bevel en hij bleef dus in de houding staan.

Terwijl Petrus, nog achter zijn raam stond te denken, wat hij nu weer met die rare klant moest beginnen, kwam Joosje Pek juist voorbij sluipen. Joosje had de situatie meteen door. Dat is overigens niet te verwonderen, want als het op vechten aankomt, is het heel vaak Joosje Pek die het meeste van de soldaten weet te profiteren en ze ook in zijn eigen belang heel aardig weet te hanteren. Joosje zette een stem op, waar een kolonel jaloers op kon zijn en commandeerde: “Rechtsomkéééér. Voorwááárts……mars!” Daar ging de soldaat de weg terug, stevig stappende en hardop tellende van: links, twee, drie, vier… . Zo marcheerde hij door, stram en stoer, tot ze aan de splitsing kwamen, waar de brede weg naar de hel van de smalle weg naar de hemel afbuigt.

“Links om”, commandeerde de duivel. En de soldaat marcheerde, tot hij vlak voor de poort van de hel stond. “Hááált”, riep Joosje, want de poort van de hel was op slot. Er zou eens een ziel kunnen ontsnappen, nietwaar? Dat betekende, dat hij eerst met 7 sleutels de zeven sloten van de hel open moest doen. Omdat het een tijdje duurt voor alle sloten open zijn  gemaakt, commandeerde hij nog even: “Plaats rust”. De deur zwaaide open en daar kwam de walm naar buiten: De stank van vers gebraden zondige zielen, zwavel en pek.

“Inrukken!”. Maar de sergeant ging niet naar binnen, maar beklaagde zich over de stank, beweerde dat hij niet wilde dienen bij een eenheid die zulke slechte koks had, mompelde iets over de hiërarchische weg en beklag bij de staf, en verdween.

“Looppas” commandeerde hij zichzelf en in korte tijd stond hij weer bij Petrus voor de deur.

“Ik kom me beklagen”.

“Waar ben je naar toe geweest?”

“Orders zijn orders. Toen zij mij lieten inrukken bij mijn nieuwe kwartier, stonk het daar zo, dat geen fatsoenlijk mens zich dat kan laten welgevallen. Als ik baas van die afdeling zou zijn, zou ik beginnen de hele zwijnenstal aan te laten dweilen en uit te laten bezemen.”

“Wie weet” zei Petrus, nam de papieren van de soldaat, die hij ondertussen had opgezocht, zette de deur open en sprak: “Kom er in”.

Nu is het een feit dat er betrekkelijk veel militairen de hemel binnen weten te komen. Weet u waarom? Een soldaat zondigt zonder twijfel. Dominees en pastoors vindt je in de hemel minder, want die zondigen door twijfel. Dat is het grote verschil. Overigens heeft de sergeant het in de hemel best naar de zin. Wanneer de dienst, het zingen van psalmen en lofliederen, is afgelopen, mag hij in zijn vrije tijd daar het voorplein van de hel om daar de jonge duiveltjes te drillen.

Daarin heeft hij veel plezier. Wanneer wij mogen geloven wat hij vertelt, is hij er zelfs in geslaagd hen een deel van de helse keuken een beetje op te laten ruimen. Waarna wij de sergeant met rust laten en ons wenden tot de les, die in het verhaal schuilt.

Wij menen heel vaak, dat wij, wanneer wij ons eenmaal hebben gegeven aan een bepaalde denkwijze, of aan bepaalde voorschriften, wij deze moeten blijven volgen tot het bittere einde, zoals de soldaat zelfs tot vóór de hel marcheerde, omdat hij nu eenmaal de orders daartoe kreeg.

Stel nu, dat u lid bent van een kerk, van de Rozenkruisers, van de Theosofen, of wat u maar wilt. Daarin vindt u geestelijke steun, vindt u ook de mogelijkheid zelf u esoterisch te ontwikkelen en komt u uw doel dus inderdaad meer nabij. Dan staat u opeens voor de poort van een nieuwe wereld. U hebt de mogelijkheid een nieuw begrip te verwerven en een nieuw weten.

Wanneer men u dan vraagt, wat de regels zijn, wat het geloof zegt, of de discipline, is het gevaar groot dat je rechtsomkeert maakt. Misschien dat je aan de sleur en duisternis die je dan vindt, nog kunt ontsnappen, omdat er dan geen waardevolle regels en waarheden meer voor je schijnen te bestaan. Het duurt dan toch vaak zeer lang voor je er in slaagt het goede, dat je eens bijna bereikte, weer terug te vinden. Overigens komt niet iedereen er dan zo goed vanaf als de soldaat van ons verhaal.

Onthoudt dus dit: Alle esoterie moet worden gezien als onafhankelijk van regels, daar zij alleen mag worden bepaald door de innerlijke erkende affiniteit tussen het Ik en het Goddelijke. Op het ogenblik dat je voelt: Hier ben ik dicht bij een waarheid, is het zaaks die waarheid verder te zoeken en te trachten haar te vinden. Ook wanneer dit zoeken misschien tegen de tot dan toe gevolgde regels is. Zeg dan niet, dat een ander het beter kan weten, dat een ander wijzer is, want niemand kan in het leven precies dezelfde weg gaan als u. Vandaar dat je – sprekende in de zin van het voorgaande – vaak het best vooruit kunt komen, wanneer men op zijn beurt weet te zondigen tegen de regels die je aanvaard hebt. Natuurlijk past de verworven waarheid dan niet altijd in het schema van dingen, dat je je had voorgesteld.

 

 

image_pdf