De derde trap van inwijding

Dit onderwerp wijst in de richting waar het vandaan komt, want een inwijding in trappen indelen doe je alleen maar in een menselijke organisatie. Laten we trachten na te gaan wat er bij een inwijding zo al het geval is en op welk moment die derde trap wordt bereikt.

Wanneer je begint, weet je eigenlijk heel weinig. Je denkt misschien dat je veel weet, maar je moet nog onnoemelijk veel leren. Het is een tijd van luisteren, studeren, proberen te begrijpen. Je bent een leerling. Als je daarmee begint, dan kun je nog alle kanten uit. Maar langzamerhand ga je begrijpen dat het een werk is. Inwijding is namelijk niet het krijgen van iets, het is het werken met iets.

Dan komt de tijd dat je een Meester hebt die je helpt om zelf het een en ander te presteren. Je probeert de wereld te doorzien. Je probeert ook de bovenzinnelijke waarden te begrijpen. Je probeert vóór alles ook te beseffen hoe alle kennis en weten samenvloeien om met het resultaat dat eruit voortkomt iets te doen. En als je daarmee ver genoeg gevorderd bent, ga je zoeken naar je wezen en naar je eigen symbool. Het klinkt misschien een beetje lapidair, als je zegt “zoeken naar het eigen symbool”, maar daar komt het toch wel op neer.

De mens probeert datgene te vinden wat zijn wezen uitdrukt. En wat drukt het wezen van iemand uit die werkelijk zoekt naar bewustzijn? Een besef van de oneindigheid van de enorme eenheid waarvan hij deel is. Hij moet nu proberen die eenheid zo te vertalen, dat hij die al het maar voor zichzelf kan uitdrukken. En als hij dat voor elkaar heeft, is het tijd te beginnen aan de wonderlijkste reis die er bestaat, datgene wat men de weg naar meesterschap of de derde graad of derde trap van inwijding pleegt te noemen.

Je moet leren jezelf te vergeten. Alles wat je bent, vergaat: je gevoelens, je lijden, je voorstelling van eigen belangrijkheid, ja, zelfs het doel dat je met de inwijding trachtte na te streven. Je moet het allemaal vergeten. Je moet terugkeren tot de prima essentia (het eerste beginsel) van je bestaan: de eenheid en kracht waaruit je bent voortgekomen. En dan, als je ontdekt hebt hoe alle verschijnselen eigenlijk zinloos zijn, dan moet je terugkeren. Je hebt de waan een tijd opzij gezet, dat is zeker. Maar nu je die waan hebt verloren, moet je toch de mensenwereld weer betreden, nieuw, anders en toch dezelfde. Men zegt: “Hij, die heeft kunnen ingaan tot het hoogste begrip van de werkelijkheid en kon terugkeren in de wereld, is waarlijk een Meester. Je kunt dat natuurlijk blijven parafraseren, want er zijn honderd andere manieren om hetzelfde uit te drukken. Je kunt zeggen: Als je werkelijk het meesterschap zoekt, moet je sterven om herboren te worden. Maar dat komt op hetzelfde neer. Want wat is dood anders dan een terugkeer naar een toestand, waarin alles wat een mens belemmert kan worden opgeheven en waarin alleen nog eigen besef en streven betekenis heeft totdat je zelfs die vergeet in het onvergetelijke ogenblik van bereiking.

Ik zal niet trachten de andere terminologieën na te gaan. Waarom zou ik dat doen? Als u zegt: Dit is de derde trap of de derde graad, dan mag dat voor mij. Feitelijk doe je iets wat een mystieke, een religieuze wordingsgang beschrijft. En dan kun je niet blijven stilstaan bij een eerste, een tweede of een derde graad. Je kunt zelfs niet blijven stilstaan als je een 22e, een 33e of een 30e graad haalt het hangt er maar van af waar je bij bent. Het gaat erom dat de ware ingewijde de waan, de illusie van de wereld rond hem doorziet en juist daardoor in staat is om het goede te doen. Nu niet meer het goede volgens een bepaald oordeel, maar eenvoudig het waarmaken van de hoogste kracht, die hij in zichzelf erkent. Daarom geeft hij daaraan vorm. Als het kan, doet hij dat samen met anderen. Als het niet kan, dan zal hij het alleen doen. En is het stoffelijk niet mogelijk, dan zal hij zijn stoffelijke wereld verlaten, desnoods zijn lichaam laten sluimeren in een doodsgelijke slaap en elders uit de geest datgene volbrengen wat noodzakelijk is.

U ziet het, meester zijn is niet direct een sinecure. Het is niet een worstelen met duivels en engelen. Het is eigenlijk doordringen naar een werkelijkheid. En omdat we toch met het getal 3 (3e trap of graad) bezig zijn, is het misschien aardig na te gaan hoe men dat in het verre verleden eens heeft uitgedrukt. Men zei: 1e graad.

De slaaf van de god. Niet wetend volbrengt hij in gehoorzaamheid. Maar volbrengend leert hij beseffen. Beseffend leert hij te werken. Hij kan zelf besluiten. Hij is niet meer de slaaf maar de medewerker geworden. Nog steeds is hij gebonden aan de bevelen van zijn god. Nog steeds is hij gebonden aan de inspiraties die hem worden gegeven. Maar ondanks alles handelt hij nu zelf. Zijn daden worden hem niet voorgeschreven, doch slechts de lijn van zijn gedachten wordt hem geïnspireerd: 2e graad.

Er komt een ogenblik dat ook die inspiratie niet meer voldoende is. Hij wil waarmaken. Hij heeft zichzelf gevormd en hervormd, totdat hij beantwoordt aan de kracht van de god, die hem eens als slaaf heeft geregeerd, totdat hij ontvankelijk is voor alle waarden en krachten, die eens inspiratief vanuit de geest tot hem zijn doorgedrongen. 3e graad.

Nu wordt hij de stoffelijke vorm. Hij wordt de god, die op de aarde leeft. Hij is de heerser van het Al die mens wordt. Alle krachten, alle kennis, alle verantwoordelijkheid van die grote god draagt hij in zich en vanuit zich geeft hij waar hij geven kan, als mens maar ook als directe vertegenwoordiger van de scheppende Orde, de verkondiger en waarmaker van de wetten van de eeuwigheid.

Dit hoort bij de z.g. secundaire pythagorese geschriften. Ook hier is het duidelijk waar het om gaat: Inwijding is: veel leren, veel ondergaan. Maar het is vooral ook: jezelf verliezen in het hogere en dan jezelf hervindend het hogere behouden. Er is geen beginpunt op de wereld voor welke mens dan ook waarop deze weg niet van toepassing kan worden verklaard.

Je kunt een christen zijn en de Christus beleven en in de Christus de God beleven en dan worden tot het beeld van de Christus op aarde. Je bent ingewijde. je bent meester. Je kunt misschien beginnen in de een of andere griezelige omgeving van voodoo en natuurmagie. Je kunt door alle maskers van demonen en goden, door alle riten langzaam maar zeker gaan beseffen wat de werkelijke krachten zijn van het Al. Je kunt in dit besef langzamerhand ‑ zelfs al speel je reeds een tijd in zo’n periode voor paaoloi (priestertovenaar in de voodoo) of ben je leider van een gemeen­schap ‑ leren dat al, wat je doet en zegt eigenlijk niets is. Omdat het werken met krachten, die je benoemt gelijktijdig is je onderdanig maken aan de illusies die je zelf hebt geschapen. Ook dan dring je door tot de essenties de kracht, de wetmatigheid, een grootse werkelijkheid waar­aan een ieder op zijn wijze eens zal moeten beantwoorden en waaraan je be­antwoord, omdat je alleen op die manier jezelf nog kunt waarmaken en gelijktijdig waardig zijn aan hetgeen je in jezelf beleeft. Dan trek, je je terug. Dan spreek je niet meer van de verschillende goden. Dan heb niet meer over godinnen van vruchtbaarheid en haat, over een Heer van de doden of over de bestrijder van de levenden. Dan spreek je alleen nog maar over de kracht en de wet. Derde graad, derde fase, derde bereiking. Is dat eigenlijk op aarde waar te maken door mensen die denken in graden? Ik meen, dat dat voor velen wat moeilijk zal zijn. Je kunt toch niet denken in graden, lieve men­sen. Je kunt niet denken in termen van macht, zelfs niet als je die voor jezelf vertaalt in dienstbaar zijn. Je kunt niet denken in termen van men­selijker wijsheid en wetenschap, als je daarin niet eerst de innerlijke we­tenschap zelf naar voren brengt. Je kunt geen graden maken. Graden maken de mensen. Fasen bepalen de mensen. Want wie zal zeggen dat de leerling, die de eerste stap heeft gezet op het pad, doordringt tot een onsterfelijkheid en dat hij die zich meester waant, omdat mensen hem zo zien, nog niet in staat is het eerste licht te zien dat achter een menselijke dogmatiek verscholen ligt? Menselijk kan men het niet zeggen. Er bestaat geen garantie voor bereiking.

Als ik de inwijdingen op zich bezie, dan zijn ze voor mij natuurlijk meer dan alleen maar deze toch wel zeer filosofische opmerking. Een inwijding heeft wel degelijk een concrete waarde en betekenis. Als je een inwijding begint te zoeken, dan zoek je naar een verklaring. Een ieder, die naar inwijding streeft, is een mysticus. Hij zoekt naar het antwoord op zijn vragen. Dat is begrijpelijk, want hij die niet nieuwsgierig is naar een antwoord op alle vragen die de natuur en het menselijk leven voortdurend opwerpen, zal nooit verder komen. Zeker, de mysticus zoekt zijn verklaringen soms op een niet‑redelijke manier of hij formuleert het volkomen verkeerd, maar hij zoekt. Zoeken is leerling zijn. Als je zoekt en je vindt een beetje van de waarheid, dan erken je ook, waaruit die waarheid in anderen kan bestaan.

Het is niet zo dat alleen de Meester zijn leerling kiest. Het is wel degelijk zo dat ook de leerling zijn Meester kiest. Dit klinkt wat cryptisch, maar het is waar. In de oude inwijdingsscholen was de relatie tussen Meester en leerling een heel andere dan in de moderne tijd. De leerling aanvaardde de Meester werkelijk als een absolute meester. Dat betekende dat hij niet alleen probeerde met hem mee te denken of te begrijpen wat hij deed en hem te helpen bij hetgeen hij uit hoofde van zijn functie, taak of bereiking moest doen. Het betekende ook dat diens vloer moest worden geveegd, dat er eten voor hem werd gebedeld of desnoods gestolen, als het niet anders kon. Het betekende dat vreemdelingen werden verwijderd die de Meester zouden kunnen storen, indien hij dat niet wenste en al wat je je daarbij maar kunt voorstellen. De leerling houdt de beurs van de Meester en hij overwint zichzelf. Daarom zijn er maar zo weinig leerlingen, die een judasrol zouden kunnen spelen. Dat is de moeilijkste rol die er bestaat. Neen, de mensen die zover komen, moeten wel degelijk een vertrouwen hebben. Als je een Meester aanvaardt, dan betekent dat dat je je hele heil – stoffelijk en anderszins ‑ toevertrouwt aan een mens. De leerling kiest dus zijn Meester. Maar hij kan niet naar iemand toegaan en zeggen: “Meester, neem mij als uw leerling.” Hij kan dat natuurlijk wel doen, maar de Meester zal dan schouderophalend verdergaan.

Een meester zoekt iemand, die waardig is om zijn geheimen te delen, om met hem andere werelden te betreden, om met hem de wetmatigheden van de kosmos te ervaren. Niet als een menselijke zaak, maar als een eigenschap van de totaliteit die je diep in je voelt en die je overal kunt toepassen, zelfs als je ze niet kunt verklaren. De Meester moet iemand zoeken aan hij meer kan overdragen dan met woorden alleen mogelijk is. Iemand inwijden betekent niet hem kunstjes leren. Dat kan misschien in een genootschap van goochelaars. Daar kan een meester zeggen: Je bent nu zo goed geworden, ik zal je nu de truc van het doorgezaagde meisje laten zien. Dat zijn concrete trucs, dat zijn ook geheimen. Maar inwijding kent geen trucs.

Er zijn geen werkelijke “geheimen” te vinden. Geheimen zijn juist de ontdekkingen die je in jezelf doet. De Meester, die dat bij een ander wil wakker roepen, moet heel goed weten dat de ander zal responderen en niet op een gegeven ogenblik a.h.w. het bit tussen de tanden nemen voordat hij beseft wat de werkelijkheid van kracht en wet is waarmee hij te maken heeft, zijn eigen wegen probeert te gaan. Inwijding is niet alleen maar de overlevering van een ritus, het is veel meer. Sommige Egyptenaren (het waren overigens geheime Orden) hadden daarvan wel een juist besef. Zij zeiden:

“Ziet, hij heeft, geleerd tot de goden te spreken.

Hij heeft geleerd te luisteren naar de stem der goden.

Hij heeft geleerd de kracht van de goden te openbaren.

Nu gaat hij in want hij sterft.

Drie dagen lang zal hij dood zijn.

Drie dagen lang zal het licht hem niet bereiken.

Drie dagen lang zal zijn lichaam geen stem mogen hebben.

Drie dagen lang zal zijn geest uitgaan door de Hallen der Herinnering.

Na drie dagen zal hij terugkeren en zijn lichaam aannemen.

Na drie dagen zal hij uitgaan.

Na drie dagen zal hij binnentreden in de wereld herboren.

Een ieder zal zich voor hem vernederen en hem toeroepen:

Heil U, herboren Osiris!”

Dit hoort ook bij een inwijdingsritueel. Degene die terugkeert, de herboren Osiris, is dan nog niet de volmaakte. Hij is slechts degene die de derde trap heeft bereikt. Hij kan de derde graad eindelijk de zijne noemen, niet alleen in theorie maar in praktische beleving, in zelfoverwinning en zelferkenning,

De confrontatie met het “ik” speelt in praktisch alle inwijdingen een grote rol. In bepaalde magische inwijdingen heet het bv.: “Wilt gij uitgaan in een kristallen wereld waar het licht groot is en sterk? Wilt gij de lichtende geesten zien dansen en de geheimen kennen van de sterren? Dan zult gij de weg moeten gaan voorbij het monster van uw angsten en schuld. Dan zult gij uzelf moeten aanschouwen en overwinnen en zonder vrees verdergaan. Want hij die vreest wat in hem leeft, hij zal de lichte wereld niet betreden. Wat meer is, wie vlucht voor het monster dat in hem leeft, wanneer hij het aanschouwt, hij zal altijd erdoor achtervolgd worden. Hij zal te gronde gaan aan zichzelf, want hij die de diepste grenzen van zijn wezen bereikt, heeft geen veilige uitweg meer.”

Dat zijn magische inwijdingen, die zelfs nog in de 17e en 18e eeuw hier en daar hebben plaatsgehad. Ook hier is de 3e graad een zelferkenning. Maar het is meer: het is gelijktijdig een overwinnen van wat je bent. Degene die de pseudo‑dood ingaat in inwijdingstempels en in een enkel geval in de piramide, wat doet hij eigenlijk anders dan zich confronteren met zichzelf. Er zijn er die dat nog beter hebben beschreven. Wat ik nu ga citeren stamt uit de Tibetaanse riten. Ik zal zo vrij zijn het verkort te vertalen:

“De wereld is niets en niets ben ik. Hoe kan niets erkennen, als ik niets ben? Dat wat ik ben moet het niets erkennen en zichzelf erkennen, opdat uit het niets geboren worde een werkelijkheid die alle werelden omvat.

Zonder vrees moet ik wandelen tussen de demonen. Zonder vrees zal ik gaan door het duister en ingaan tot het licht. Ik zal wind, regen, storm, ja, de zin zelve uitdagen zo goed als de verborgen krachten, die moordend zwerven door de nacht. En als ik mijn wereld zo beheers, blijft mij nog een gebied.

Metsel mijn kluis dicht. Laat het daglicht verdreven zijn. Geef mij het duister en de stilte waarin ik slechts de stemmen hoor die in mij leven. Laat mij mijzelf zien, omdat de wereld is gedoofd. Laat mij zoeken, totdat ik mijzelf heb gevonden. Dan zal ik kloppen op de muur en u zeggen: Zie naar het dek, want ik verhef mijzelf, meester van mijzelf, kenner van mijzelf, heerser over alle krachten. Het dak zal terzijde vallen. Ik zal naar buiten gaan, herboren, ingewijd.”

Het is een beschrijving, die niet helemaal strookt met de praktijk. Iemand door het dak laten gaan, kun je gemakkelijk genoeg. Er zijn mensen die, als je hun zegt dat het hun eigen stomme schuld is dat het hen niet goed gaat, al door het dak heen vliegen. Daar komt heus geen inwijding bij te pas. Het denkbeeld is echter, afsluiting, dood. Geen lichamelijke dood, maar een wegvallen van de wereld, een confrontatie met jezelf tot in het uiterste waarbij je niets anders hebt dan jezelf, waarbij alles in eentonigheid verstikt, waarin alles lichtloos, duister is en de enige weg, die je nog kunt gaan de weg in jezelf is.

Maar je wordt ook gewaarschuwd. Dezelfde Tibetaanse ritus geeft ook een waarschuwing. Ze zegt (vrij vertaald):

“Wee hem die het duister ingaat zonder eerst meester te zijn van al wat rond hem is. Want wie niet de kracht heeft om meester te zijn van al wat rond hem is, hij zal zichzelf niet kunnen bedwingen. Wie zichzelf niet bedwingt wordt zijn eigen vijand. En verscheurd door zichzelf zal hij bezeten door de demonen der hel uitgaan, de muur verbrekend, vervloekend het leven en verloren hebbend al wat hij had bereikt.”

Een wat vreemde waarschuwing. Je ziet het al, een soort superman die door de muur loopt e.d. Maar het feit is eigenlijk niet zo gek als wij het in moderne termen vertalen.

Stel uzelf eens voor dat u bent opgesloten in een cel zonder licht, alleen zo nu en dan een vaag geluid. Dan weet u op de tast: daar is voedsel en drank voor mij. Verder is er niets. Misschien de stank van je eigen fecaliën. Geen geluid. Het bloed klopt in je oren. Je hoort stemmen in jezelf. Je sluit de ogen en het duister schijnt er nog sterker op te drukken. Dan zijn er lichten. Je weet niet wat voor lichten. Dan vraag je je af: Wat ben ik? Wat is er aan de hand? Wat is mijn wereld, wat is mijn werkelijkheid? Dan kun je niet anders dan die wereld uit jezelf delven, want zonder wereld kun je nog niet leven.

De wereld, die uit jezelf voortkomt, kan er een zijn die is bezield met demonen. Als je die vreest. ga je eraan te gronde. Het kan een wereld zijn waarin je krachten ziet die verwerpelijk zijn: je kunt eraan voorbij gaan. Je kunt zonder ze te vrezen verder gaan. Dan kom je aan een punt waar je licht bent. Als je dat punt hebt bereikt, ja, dan is het niet zo gek om over inwijding te spreken. Maar vergeet één ding niet: je moet toch wel heel dicht langs de grenzen van de waanzin gaan. Je moet al wat menselijk is in je verliezen om de ware mens in jezelf te vinden. Dat is niet zo gemakkelijk.

Ach, het is maar een derde graad, denken er velen en ik ben misschien 6e of 7e. Elke mens maakt ‑ en dat is begrijpelijk ‑ een eigen indeling en de graad die hij heeft bereikt, vindt hij belangrijk. Maar maakt het nu zoveel verschil uit, of je nu zegt 3e of 12e. Het gaat erom wat je bent, niet om de titel die je jezelf toekent. Dat is nu het geheim van deze 3e graad, deze 3e trap van inwijding. Het is het punt waarop je jezelf moet overwinnen.

Voor heel veel mensen is dat onvoorstelbaar. Zij zeggen: je kunt toch niet ontkennen wat je bent in de wereld. Je kunt toch niet al je verantwoordelijkheden achterlaten. Je kunt toch niet de wereld in de steek laten. Er zijn er misschien zelfs die kreten uiten als: Je moet toch solidair blijven met het streven van anderen! Neen, dat doe je misschien als je nog leerling bent. Als je gezel wordt, dan is het niet meer solidair zijn met anderen, dan is het solidair zijn met een waarheid. Werken met een waarheid totdat ze vorm krijgt, totdat ze gestalte krijgt, totdat ze inhoud gaat krijgen. Als je Meester bent, dan is de hele wereld weg. Ik kan het misschien met wat citaten duidelijk maken. Deze keer uit het 14e en 15e eeuwse Frankrijk.

“Als ge zijt ingegaan, als ge de Graal hebt beroerd, dan kunnen feiten u niet beroeren. Maar dan is er het lijden van de mensen. Er is de zorg die in de mensen leeft. Er is de dwaasheid en het onbegrip in de wereld rond u. Deze zullen u beroeren, want ze zijn een verwerping van de waarheid, die ge in uzelf draagt. Ze zijn het lijden waarvoor Hij is gekruisigd. De felle rede van hen, die menen met het verstand het Al te begrijpen, is als de speer die tweede gedragen wordt, de speer van Longines die doodt wat herrijzen zal.”

Een aardig citaat. Zoals u merkt is het al een beetje op de Graallegende gebaseerd, hoewel de werkelijke invloed van de Graallegende eerst iets later was. Interessant is verder dit:

“Als ik een Meester erken, zal ik niet rusten voordat ik naast hem sta. Ik zal altijd zijn leerling zijn. Maar ik ben mijn Meester eerst waardig, wanneer ik Meester ben.”

Dan gaat het verhaal verder:

“Jezus is mijn Meester. Hij heeft al verlaten om zijn taak te volbrengen. Zo kan ik niets aankleven wat mij belemmert bij het volbrengen van mijn taak. Hij heeft zich geofferd. Zelfs het grootste offer heeft hij gebracht met zeer veel pijn. Kan ik dan bij mijn Meester achterblijven? Laat mij offeren zoals hij heeft gedaan, opdat ik mijn Meester waardig anderen moge voeren langs het pad waarop de kosmische werkelijkheid wordt gevonden.”

Als je dit allemaal zo naar voren schuift, dan zeg je: Wat maken ze eigenlijk een hoop drukte daarover. Het lijkt wel, alsof je eerst een Meester moet kiezen. Maar eigenlijk leef je in een wereld waarin harmonieën bepalend zijn. Men heeft eens gezegd:

“De eeuwigheid is de perfecte harmonie van alle dingen, waarin de tegenstellingen elkaar opheffen en gelijktijdig de volledigheid kenbaar maken van datgene waaruit ze zijn voortgekomen.”

Ik geloof, dat dat veel dichter bij de werkelijkheid ligt, vooral in een tijd als deze. Als u die 3e graad wilt hebben, als u eindelijk Meester wilt zijn, als u werkelijk de broeder wilt worden van allen, die – zichzelf erkennend ‑ de kosmos, hebben verkozen boven alles, dan moet u zoeken.

Maar zijn er dan alleen inwijders in de stof? Zijn er alleen Meesters op aarde die een enkeling uitverkiezen of die misschien zeer velen lering geven in de hoop dat een van hen zal beseffen? Als u leeft en u zoekt naar de werkelijkheid, dan zullen u van alle kanten begrippen en ideeën bereiken. De ene keer is het een boek. U heeft het honderd keer kunnen lezen, maar u heeft over de regels heen gelezen. Nu springen ze naar voren, als ze willen zeggen: Let op mij, ik ben belangrijk.

Opmerkingen om u heen, die u nooit iets hebben gezegd, krijgen plotseling betekenis. Woorden springen naar voren. Dingen, die u altijd heeft gezien, wekken ineens nieuwe reacties, nieuwe associaties. En als u een vraag heeft, dan ontmoet u een mens die helemaal geen ingewijde behoeft te zijn, maar hij geeft u een antwoord. Of u leest een boek, of plotseling valt u alleen maar iets in en u kunt weer verder.

Hij die zoekt (de leerling) is nooit alleen. De hele kosmos is vervuld van dit verlangen naar de kosmische eenheid, de volledige uitdrukking van alle volmaaktheid, zelfs in de schepping. Daarom zul je nooit alleen staan, als je zoekt en leert. Zolang je oprecht zoekt naar waarheid, zal de waarheid antwoord geven. Er komt een ogenblik, dat je je bewust zult worden van wat je bent. Je zult krachten ontdekken in jezelf waar je vroeger om gelachen hebt. Je zult plotseling zien dat je de feiten op een andere manier moet groeperen. En dan zullen de mensen zeggen: Nu ja, zo iemand stelt zich een beetje aan, of hij is paranormaal begaafd, psi! En daar laten ze het bij. Maar wat doét een gezel?

Een gezel werkt aan de taak die zijn Meester hem heeft gesteld. Werken, dat is de taak van een gezel. Geloof mij wanneer het je tijd is om te werken, dan krijg je werk te doen en meer dan voldoende! Denk echter niet, dat je het zelf kunt kiezen. O, ik ken ze wel de goeie mensen die zeggen: Ik ben plotseling meer ingewijd geworden. Nu zal ik uitgaan en ik zal mensen genezen. Ik zal de bedroefden troosten en dergelijke dingen.

Uitgaan om die dingen te doen is er nog niet bij. Daarvoor moet je Meester zijn. Wacht maar rustig af. Uit al je zoeken, uit al je gepruts en uit al je dwaasheid zelfs komt er misschien ineens een feit naar voren. Daar moet je op antwoorden, daar moet je op reageren. Alles wat je gedacht en gedroomd hebt, dat gaat anders. Zeker, je kunt het niet bepalen, maar plotseling is daar die ene uitdaging.

Nu weet ik hoe mensen zijn. Ze zeggen dan: Ik heb nu een paar mensen mogen genezen, nu wil ik patiënten hebben. Ik wil mensen genezen. Er zijn er zelfs die in staat zouden zijn om op te staan en in een volle zaal uit te roepen: “Is hier dan niemand ziek! Potverdomme, ik wil genezen!” Zo zijn ze. Het is genoeg dat je geleerd hebt die kracht te bezitten. Het ligt aan de geestelijke kracht die je verder geeft. Misschien zul je heel andere dingen moeten denken en doen. Je weet het niet. De taak wordt elke keer weer duidelijk gesteld. Elke keer, als er een gewone taak is ‑ ook in het gewone leven voor een ieder die zoekt en een beetje verder is ‑ sta je voor een keuze: zal ik het zus doen of zo. En misschien word je eens zo rijp, dat je leert dat verwerpen dwaasheid is.

Het hele leven is harmonie. En harmonie kun je voor jezelf steeds waarmaken door een selectieve aanvaarding. Maar dan zul je toch verder moeten gaan. Je zult moeten weten wat je bent. Je zult moeten vergeten wat je tot iets bijzonders maakt of tot anders dan een ander.

Onder een luchtdichte klok gezeten hunker je naar de gaven van het verleden. Je schreeuwt tegen jezelf in de hoop, dat de wereld je zal horen. Je vertelt wat je allemaal bent en er is geen antwoord. Alles wat de wereld rond je is, is opeens zinloos: een opgedraaid uurwerk dat afloopt, zonder werkelijk leven. Je hoort nergens bij. En dan komt er ook dat bittere moment dat je je alleen nog maar kunt bezighouden met jezelf, omdat de sleutel van dit alles in jezelf ligt. Dan kun je je ook prijsgeven aan de waanzin en illusies gaan opbouwen. Je kunt de meest krankzinnige en meest hysterische dingen doen in naam van de inwijding, die je in feite nog niet hebt, of je kunt verder werken in jezelf. En nu is het wonderlijke dít: Als een mens, die geen zichtbare Meester heeft, blijft doorwerken aan zichzelf, dan is er toch weer een ogenblik dat geluiden uit de wereld hem bereiken, dan zijn er toch weer emoties die hem iets zeggen. Maar het is een beetje anders dan voor die tijd. Je weet zelf misschien nog niet: ik ben ingewijd. Maar de samenhang van de wereld is anders. De betekenis van de mensen is anders. Haat en jaloezie en al die dingen meer hebben weinig meer te zeggen. Toch word je diep bewogen door het leven. Maar je antwoordt op dingen, die eigenlijk niet te zien zijn, die ergens verborgen liggen. En altijd weer vraag je je af: Wat ben ik dan? Totdat je niet meer vraagt: wat ben ik? Maar alleen waarmaakt wat je in jezelf voelt. Op zo’n ogenblik begint die wonderlijke reis.

Een reis door allerlei duister en verwarring heen misschien, maar een reis die je steeds meer jezelf laat verliezen, totdat alleen overblijft de prima essentia van je eigen zijn en wezen: de levende kracht die je bent, ontdaan van sferen en werelden en voertuigen. Niet eens meer een vlam of een ijl zuchtje, maar een stilte in de stilte. Je keert dan terug en zegt: ach, ik heb zo vreemd gedroomd. Ik heb me zo volmaakt rustig gevoeld. Nu voel ik me zo sterk. Je weet zelf niet eens dat je echt veranderd bent. Welke mens maakt het aan zichzelf duidelijk dat hij veranderd is?

Een mens, die altijd fouten heeft gehad en nu een enkele keer een deugd vindt, zegt immers ook tegen zichzelf: Zie je nu wel, ik ben altijd deugdzaam geweest: het is me alleen niet gelukt in het verleden. Je bent anders, omdat je anders reageert, omdat de wereld anders spreekt. Je leest a.h.w. tussen de regels. Niet alleen van het geschrevene en van de wijsheden en van het gesproken woord, maar tussen de regels van het gedrag van de mensen, tussen de regels van de ritmen van de natuur. Je weet gewoon wat het is.

Dan begin je jezelf te vormen tot iets wat harmonisch is met alles wat je zo erkent. Je probeert je verder te vormen, totdat je in harmonie op alle dingen kunt reageren. En dan kun je natuurlijk een grote term gebruiken en zeggen: Ziet, hier is een welbehouwen steen. Maar ik denk, dat de gewone mensen daar een beetje anders over denken en zeggen:

Kijk, daar heb je weer zo’n doorgedraaide. Want die kunnen het niet begrijpen. Maar jij kunt dan antwoorden op elke wereld. Dat wil zeggen, dat elke kracht uit elke wereld jou kan bereiken en als ze voor jou har­monisch is, zul je haar beseffen. Het wil verder zeggen, dat elk gebeu­ren ‑ waar en hoe dan ook ‑ voor jou toegankelijk is, indien je daarmee harmonisch bent. Het is alsof alles wat je in het diepst van je wezen werkelijk bent nu plotseling reageert op alle waarden waarmee het in de kosmos verbonden is.

Dan krijgen we de ingewijde die, als hij dat wil, van steen brood kan maken. Je kunt tegen de regen zeggen: Kom, dit stuk land moet nat zijn, al het andere droog. En de regen zal gehoorzamen. Je kunt tegen de wind zeggen: Kom of ga. Maar dat komt, omdat die dingen in de eeuwigheid juist zijn? Ze zijn tegendelen die elkaar opheffen. Als je de eeuwigheid kenbaar maakt, kun je elk facet, elke mogelijkheid waarmaken. Maar dat is omdat je wezen bij die werkelijkheid hoort, niet omdat het belangrijk is om van stenen brood te maken.

De mensen die gelovig zijn zullen dan zeggen: Hij/zij doet wonderen. Let op! Het is een magiër een heks, een groot ingewijde of een gezondene Gods. Namen hebben ze te over daarvoor. Maar je bent alleen jezelf. Al die dingen komen voort uit de 3e graad, de 3e fase van je inwijding, indien ze wordt voortgezet.

Graden, die mensen geven, hebben in de kosmos geen betekenis. De graden, die in de kosmos worden gegeven, zijn graden van harmonie met de totaliteit. Die graden kan niemand veranderen of teniet doen. Als u ze bereikt heeft kunt zelfs u ze niet veranderen. Wees daarom niet te trots, als u hier of daar een graad heeft gehaald, maar probeer de waarheid van uzelf te zien. Probeer in u die weg te vinden, die u schoonheid en wijsheid doet ervaren en toch de liefde van de kosmos zelf in uw wezen voortdurend actief doet zijn. Want alleen zo kunt u de verbinding vormen tussen de tegenstellingen zo kunt u het alverblindende licht doen doordringen in het alomvatten duister en de schepping opnieuw zien gebeuren in uw eigen wezen.

Narede:

Inwijding

Dat wat ik ben, is al vergaan nu ik het bestaan in mij besef.

De kracht, de God tot wie ik bad, is versmolten in vormloosheid.

Nu eerst wordt de eeuwigheid tot iets wat ik voel, nog niet beleef.

Daar, waar ik al mijzelf verlies en toch mijzelf blijf, daar is al wat ik ben geweest een bron voor nieuw begrip.

Ik ken het Zijn. Ik ken het Al. Ik leef de kracht en weet nu zelve de zin van al wat werd volbracht.

Ik zoek de kracht. Ik zoek het Zijn. Ik zoek de eindigheid, omdat in de oneindigheid mijn wezen nog niet kan bestaan zonder dan – ontdaan van waan en spel van d’illusie – daadloos voort te gaan.

Geen Nirwana zoek ik mij. Geen daadloos drijven in het Al.

Geen hemel, geluk waarbij het andere vergaat.

Ik wil zijn een daad waaruit het geheel spreekt tot het geheel.

Ik wil zijn een kracht, die met andere kracht openbaart de totaliteit, de oneindigheid, het Zijn, de macht, de kracht, het leven en het licht.

Ik wil niet zijn een kroon die op het menselijk zijn nu staat.

Ik wil zijn de band tussen begin en eind, die samenvoegt al wat kan zijn en alle mogelijkheid verenigt tot een tijdloosheid waarin niets meer zichzelf misleidt en al toch steeds zichzelf is.

Ik zoek geen eeuwigheid. Die leeft in mij.

Ik zoek alleen een weg door het spiegelhuis van waan naar groter werkelijkheid.

Zo zie ik inwijding. Het zoeken naar inwijding dat ik voel. Zo zie ik de werkelijkheid van het leven: de kracht, die uit de totaliteit van het leven zich voortdurend weer openbaart. Wij zijn. God is. Uit Zijn bestaan is het onze, Hij is de Tijdloze. Uit Zijn tijdloosheid maken wij de tijd. Wij maken de verdeeldheid uit de eenheid die er is. Maar zinvol kan het alleen zijn, indien wij terugkeren tot die eenheid, opdat vrij delen tezamen, bewust vormend de eenheid en deze zichzelve erkennend weet.dit is de voleinding. Inwijding is kosmisch bestaan. Het is gelijktijdig in je beperking werken. Welke trap van inwijding u ooit zult bereiken, één ding is zeker, u zult meer van uw illusies verliezen, maar u zult meer profiteren van hetgeen u door die illusies bent geworden, want niets is zinloos. Het verleden heeft u gevormd en uit die vorm komt uw bewustzijn. Bewustzijn maakt inwijding mogelijk. En zo is de betekenis van het verleden duidelijk geworden: alle leven is een opgang tot de inwijding, die eenheid met de werkelijkheid betekent. Als wij niet meer zoeken naar onze eigen waardigheid, ons niet meer beroepen op onze kracht of uitverkoren zijn, maar samen zijn en werken erkennend: elk in de kosmos heeft een eigen taak. En eigen verantwoordelijkheid, dan wordt het bekken gegoten waarin de oneindigheid zich spiegelt. Dan wordt niets vernietigd. Dan zijn stof en geest verenigd. Dan zijn smid en herder versmolten tot de ene gestalte van de werkelijke mens.

Zoek uw inwijding op uw eigen wijze, maar wees niet bang om uzelf daarin te verliezen. Want hoe meer u zichzelf schijnt te verliezen, hoe meer u waarmaakt wat u werkelijk bent. En in het besef van uw werkelijk zijn vindt u de zekerheid, dat alles zinvol is.