De dood als levensfase

image_pdf

1 augustus 1966

Ja, aan het begin van deze bijeenkomst mag ik dan wel, zoals verplicht en gebruikelijk is bij ons, er op wijzen dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Denkt u dus zelf na over hetgeen hier gezegd en naar voren wordt gebracht. Het is stof tot overdenking en geen evangelie.

Ons onderwerp is dus zoals u bekend zal zijn: De dood als levensfase.

Een titel die schijnbaar een paradox is. Ik hoop u aan te tonen dat dit zeker niet het geval is. Laten we beginnen met een paar eenvoudige gezegden:

Op het ogenblik dat je geboren wordt, begin je te sterven, het gehele leven is georiënteerd op het feit dat er een einde aan dat leven komt.

Sterven is slechts de voltooiing van het proces ‘leven’.

Deze dingen zijn niet van mij, het zijn slechts citaten.

Wanneer we dus eigenlijk het leven als geheel willen bezien, dan kunnen we daar het begrip sterven, het begrip dood niet uit weg denken en het is ook heel duidelijk dat wij ons daar als mens ook voortdurend mee bezig houden. Als u naar een kerk gaat dan heeft men het over het hiernamaals, wanneer u niet gelooft aan God, dan bent u voortdurend bezig te zorgen dat het nageslacht het beter zal hebben. En dat is in feite die dood inschakelen in het leven.

Het feit dat het leven beëindigd wordt, zeker beëindigd zal worden, is in het hele leven een motiverende factor. In het totale bestaan is die dood natuurlijk heel iets anders, maar ja, dan moet ik eerst weer een paar punten in ‘t kort gaan formuleren, ik hoop dat u er geen bezwaar tegen hebt. Oh ja, wanneer u vindt dat het vervelend is tussen twee haakjes, of dat het onduidelijk is, of wat anders, u heeft een stem, u gelieve deze te verheffen. We zullen dan kijken wat we eraan doen kunnen.

De kwestie is zo: De goddelijke schepping is eeuwig en tijdloos. In die schepping is de totaliteit van al het zijnde omvat, misschien meer, dat weten we niet, maar tenminste de totaliteit wat wij als “zijn” kunnen kennen of denken. Ook onze eigen persoonlijkheid is deel van die oneindigheid. Ik hoop dat dat aanvaardbaar is. Het is een geloofsstelling, maar goed, er is zoveel dat je op geloof moet aannemen in deze dagen.

Dan krijg je een tweede punt. Wanneer mijn “ik” eeuwig is, dan zal elk bestaan en elke bestaansrealisatie voor mij slechts een fragment van mijn werkelijke bestaan kunnen zijn.

En in de derde plaats, wanneer ik een fragment van bestaan ‘het stoffelijk leven’ noem, dan is het heel logisch dat de dood een normale verandering van belangstelling is waarbij onmiddellijk een volgende fase van bestaan voor mij intreedt.

Dat zijn een paar heel eenvoudige punten, misschien een beetje filosofisch, maar daar moet u toch maar een beetje van uitgaan, vind ik. Nu stel ik het zo: Wanneer ik in die eeuwigheid besta, dan kan voor mij de identificatie met een stoffelijke wereld of een andere wereld alleen plaatsvinden wanneer ik m’n aandacht daarop richt. Leven is een geconcentreerd zijn op een bepaald deel van je werkelijke ego en daardoor het beleven van de omstandigheden als alleen geldig. Is er sprake van reïncarnatie, ook zo’n bekend probleem, dan kunnen we dus zeggen: Dat alle fasen waarin ik ooit zal kunnen incarneren in mij aanwezig zijn. Wanneer ik mijn aandacht op een van die fasen richt, wordt zij voor mij werkelijkheid. Ik kan dus zowel fasen die vroeger liggen in de tijd – naar menselijk standpunt – als fasen die later liggen, beleven. Daar heb je dus het eigenlijke levensschema en kennelijk is de dood daarbij niet anders dan het afscheid nemen van het geconcentreerde leven in een bepaalde wereld, in een bepaalde reeks van omstandigheden en condities. Ga ik nu proberen – dus aan de andere kant – die dood nog eens een keertje te bezien, dan zeg ik: “Elke dood is gelijktijdig een geboorte en elke geboorte is gelijktijdig een dood.”

Want onder dood verstaan wij het wegvallen van al de beheersende condities van een bepaalde wereld, een bepaalde bestaanstoestand. Wanneer u op aarde geboren wordt, dan sterft u voor uw geestelijk weten; ja, er sterft nog meer, want wanneer u geboren wordt, dan heeft u in de laatste twee-en-een-halve maand een bewustzijn waarin onder meer vroegere incarnaties een rol spelen, waarin dus een geestelijke conceptie van bestaan nog aanwezig is.

En wanneer die geboorte komt, dat is een enorme schok zoals u misschien weet, waarbij pijn en disoriëntatie een grote rol spelen, dan ben je niet meer in staat je de dingen volledig te herinneren. Het is een soort hersenspoeling.

Wanneer je op aarde geleefd hebt en je sterft, dan blijven de eigenschappen die je hebt en bepaalde zeer belangrijke fragmenten van het bestaan bewaard. Maar de rest? Ach, die wordt eigenlijk door het proces ‘sterven’ weer uitgewist. We gaan alleen de hoofdzaken onthouden.

Het is logisch dat ik, wanneer ik op de wereld kom, moet gaan leren. Wanneer ik op die wereld leer, dan bouw ik eigenlijk op wat ik al had, maar ik bouw het nu op in overeenstemming met de wereld waarin ik besta. Dat het rechterhandje het ‘mooie handje’ is, is natuurlijk maar onzin; wat dat betreft lijkt de wereld voor mij meer op een epos van Sartre, dan zou ik het willen noemen “Les deux mains sales” …. want het rechterhandje en het linkerhandje weten misschien niet wat ze doen van elkaar, maar wát ze doen is meestal niet honderd procent.

Goed. Dat is dus een illusie eigenlijk hè, dat dat rechterhandje mooi is, maar in je wereld geldt dat en je leert het dus. Lopen, waarom lopen en niet kruipen? Ja, lopen is nu eenmaal de gangbare wijze van voortbewegen en een jong kind wordt geschoold te lopen. Het kruipt veel eerder, maar het moet leren lopen.

Kinderen weten zich vaak ten opzichte van elkaar met klanken heel goed verstaanbaar te maken. Ze begrijpen elkaar verduveld goed. Maar ze moeten leren in woorden te spreken en dan a.u.b. nog netjes met twee woorden. Er is dus een reeks van regels, die vaak niet eens als zodanig worden erkend, waarin je geschoold wordt.

De dood op zichzelf is ook een scholing; dan vallen ook de eigenschappen weg die je op aarde aangeleerd hebt. Er is geen noodzaak meer om rechtop te lopen of om te kruipen of om wat anders te doen. Je moet leren hoe dat in de wereld – d.w.z. de entiteit waarmee je in contact komt – gedaan wordt, je moet je daar als het ware op gaan richten tot je dat beheerst, tot je een volwaardig partner weer kan zijn in die geestelijke wereld.

Hiermee geloof ik dus wel aanvaardbaar te hebben gemaakt dat geboorte en dood eigenlijk hetzelfde zijn. Alleen, geboorte bekijk je van deze kant en dood bekijk je van deze kant. Het zijn dus verschijnselen vanuit één wereld gezien. Vanuit een andere wereld bekeken kan de geboorte dus een dood zijn, of uw dood een geboorte. En daarmee krijgen we dus een heel eigenaardig verschijnsel: de dood is alleen maar een fase van leven. Het is het punt waarbij het bewustzijn zich op een andere waarde concentreert.

Nu zijn er een hele hoop mensen die daar onmiddellijk gaan protesteren, die zeggen: “ Ja, maar je wilt niet dood gaan”. Nee, dat ben ik met u eens. Bewust wilt u niet doodgaan, onbewust veelal wel. We kunnen aantonen dat een soort doodswens in bv. ten minste dertig procent der menselijke bevolking bestaat. Dat is dan niet van mij, dat is dus een gemiddelde dat is berekend door psychologen die daar een hele tijd over gestudeerd hebben.

U kunt zeggen: “Ja, die dood treedt dan toch maar op zonder dat je er zelf iets aan doet”, Dan kan ik alleen maar zeggen: Ho wacht even, wij weten dat er mensen zijn die zichzelf dood kunnen denken. Wanneer er geen behoefte tot leven meer is, dan zien wij dat de levensmogelijkheid aanmerkelijk minder wordt. In menige kliniek begint men eerst te bezien waarom een patiënt mistroostig is wanneer de genezing niet zo goed gaat. Want wanneer men zo iemand weer interesse in het leven kan geven, zal de genezing waarschijnlijk slagen. Anders kan de beste medische hulp niet baten.

Dat zou u te denken moeten geven. Wanneer ik geen belangstelling meer heb in het leven, dan houdt de levensfunctie op. Het klinkt gek, het klinkt ongelofelijk, maar is waar! En daaruit kun je dus weer concluderen dat die aandacht een zeer belangrijk onderdeel is van het bestaan. Nu ga ik even op zijpaden, maar u zult zien dat we zo dadelijk weer op het spoor van het onderwerp komen.

Heeft u wel eens gemerkt dat naarmate u één enkel punt meer tot het belangrijkste in uw leven maakt, u daarin de grootste ervaring opdoet, maar ook de grootste mogelijkheid tot mislukking of bereiking hebt? Ik zeg dus niet dat u altijd slagen zult, nee, maar wanneer het een slagen is op een gebied waarop je, je volledig concentreert, dan is het een volledig slagen. Is er sprake van een mislukking, dan is het een volledige mislukking. Dat staat niet meer in verband dus met de menselijke normen. En dan spreken we op aarde nog wel eens over de gedachtekracht. Je kunt met je gedachten een ander beïnvloeden. Hoe minder weerstand die ander heeft hoe beter, denk maar aan de hypnose. Maar goed, we kunnen dus iemand met onze gedachten beïnvloeden en vreemd genoeg kunnen we zelfs onze wereld, zover het onszelf betreft, met die gedachten nogal aardig beïnvloeden. Er moet dus iets meer zijn dan een materiële en een stoffelijke werkelijkheid.

En nu ga ik een hele gekke sprong maken! Datgene dat men dood noemt is in feite een terugkeer tot een vollediger bestaan. De gedachte, de erkenning, de mogelijkheden zijn dus groter dan de beperkt stoffelijke. Luister goed! Dit is geen evangelie, dit is iets waarover u na moet denken, onthoudt dat goed!

Wanneer wij dit alles accepteren als mogelijk – we hoeven niet te zeggen dat het waar is, maar als mogelijk – dan zou hieruit moeten volgen, dat al hetgeen dat in ons werkelijk ‘ik’ bestaat en in het stoffelijke bestaan met zijn gedachtekracht en zo dus door kan sijpelen, in feite alleen tot stand komt wanneer er sprake is van een zekere mate van sterven.

Natuurlijk een hele stoute uitspraak, hè? Maar laten we het dan nog maar eens hebben over de zg. paranormaal begaafden. De meesten van hen die niet van kinds af aan dus die eigenschap bewaard hebben of met die gave geboren zijn, zoals men dan zegt, blijken hun eigenschappen en gaven te ontwikkelen kort nadat ze een sterke geestelijke of lichamelijke schok hebben gehad. Gek, dan kun je natuurlijk zeggen dat door die schok dat mechanisme aan de gang gaat, dat de klok weer gestart wordt, maar dan moet u me eens vertellen hoe het mogelijk is dat iemand door een ongeluk, door een psychische crisis, door een gebroken arm, een klap op z’n hoofd, of een verstuikte teen ineens helderziende kan worden. En denk niet dat ik hiermee de draak steek. Die oorzaken die ik noem, hebben inderdaad bij sommigen tot helderziendheid geleid.

Dat kan niet wanneer we aannemen dat het een bepaald mechanisme in het ‘ik’ is. Maar we zouden misschien wel aan kunnen nemen dat door die schok, die heel klein of heel groot kan zijn, een deel van de concentratie op het ‘ik’ wegvalt, een ander karakter krijgt en dat men dus eigenlijk in het leven een klein beetje sterft en zó de gaven verkrijgt die behoren tot het leven na de dood. Is dat zo te begrijpen?

  • Ik begrijp iets niet. U had het erover dat je dus een enorme schok krijgt, maar ik vind het voorbeeld van die verstuikte teen een beetje eigenaardig, want dat geeft materieel niet zo’n schok dat je daar helemaal wezenloos van wordt?

Wanneer dat op het juiste ogenblik komt, kan het dus een hele grote schok zijn en daar zullen we een heel eigenaardig voorbeeld voor nemen. Er is een voetbalwedstrijd, u staat op het punt een doelpunt te maken. Op dat ogenblik verstap je je; je schopt verkeerd, je verstuikt een teen. Dat doelpunt gaat niet door, je bent nu hulpeloos. Dat kan in zo’n omstandigheid veel erger zijn dan voor een ander een gebroken been, waarmee hij zes weken in het gips moet liggen.

Ik heb juist dit voorbeeld erbij genomen om daarmee duidelijk te maken dat het niet altijd een zware lichamelijke schok hoeft te zijn, maar dat de lichamelijke schok als het ware de trekker is die je overhaalt voor een gebeurtenis in het ‘ik’! En dat is een soort van afsterven van een deel van je wezen.

  • U betwist dus hierbij dat we van kinds af aan allemaal deze gaven in ons hebben?

U heeft mij daarnet horen zeggen, wanneer u goed geluisterd heeft: “Ik spreek hier natuurlijk niet over degenen die de gaven nooit verliezen”. En dat houdt dus in dat ik wel degelijk aanneem dat we van kinds af aan die gave allemaal hebben. Maar ik wil nog wel een stap verder gaan. U hebt allemaal die gave, want u hebt een ego dat niet alleen tot deze menselijke wereld behoort, maar tot een oneindige reeks misschien van werelden en waarin dus ook die capaciteit van vooruit zien in tijd, helderziende waarnemingen, helderhorendheid en wat u verder maar wilt, aanwezig is. Maar doordat het ‘ik’ daarop niet gericht is, komt het niet tot uiting. En u moet mij proberen te begrijpen, ik gebruik dit als een voorbeeld op het ogenblik, ik wilde dus geen discussie hierover uitlokken.

  • Een moeder die haar kind draagt en anders nooit helderziende is, kan toch ook wel eens helderziende worden?

Tot op zekere hoogte, maar dan moeten we ook weer niet vergeten dat de zwangerschap op zichzelf een zeer grote schok is voor het interne evenwicht, en dat dit weer niet bij alle moeders het geval is, maar dat het speciaal het geval zal zijn bij die moeders waarbij de verandering, o.a. in de hormoonproductie, zeer plotseling gebeurt en dat we juist bij deze mensen dus ook een zekere irrationaliteit op zien treden.

Dat kan dus inderdaad; wat meer is, het is zelfs mogelijk dat een eerste zwangerschap bv. die gaven tot ontwikkeling doet komen, en dat zij dan verder blijven bestaan. Het is dus niet noodzakelijkerwijze met de geboorte afgelopen, het kan, maar het hoeft niet. Maar wanneer dus de geboorte zelf, en het kind daarna, volledig de belangstelling weer terugtrekken naar deze wereld, dan is de kans heel groot dat de gave weer verloren gaat.

Dit zijn dus allemaal voorbeelden uit de praktijk en ik geloof dat we daardoor ook wel weer iets dichter zijn gekomen bij ‘t eigenlijke onderwerp, want die gave, dit overschrijden van de menselijke wereld is ergens een sterven, is een deel van de dood. En als we dan gaan kijken in het leven van een mens, dan zien we dus die dood, dat verschijnsel van sterven ergens steeds terugkomen. We kunnen zelfs zover gaan dat we zeggen dat in de persoonlijkheid bepaalde waarden voortdurend sterven.

In het kind liggen de waarden anders dan in de puber. Maar in die overgangsperiode sterft iets in het kind. Wanneer de puber eenmaal zijn puberteit ontgroeit, dat gebeurt tegenwoordig nog weleens op late leeftijd – er zijn nog pubers van zeventig – wanneer dus de puber eenmaal die fase overwonnen heeft, dan sterft er weer iets en daardoor ontstaat dus een zekere ruimte voor iets anders. De verandering die wij in het leven kennen is in feite niets anders dan sterven en geboren worden.

Er zijn mensen bv. die denken dat reïncarnatie alleen maar plaats kan vinden door de lichamelijke dood, dit is niet waar.

Wanneer een volledig ter zijde stellen van het vroegere bestaan plaats vindt – om welke reden dan ook – dan kan er sprake zijn van een hergeboorte in hetzelfde lichaam. Zelfs een onmiddellijke hergeboorte.

  • Dus een andere persoon die er inkomt?

Neen, dezelfde persoon, maar de eigenschappen en uitingen veranderen op zeer korte termijn. We zien over ‘t algemeen ook in het lichaam enige veranderingen optreden, dat wel; we zien dat de persoon een heel ander lot krijgt, andere belangstellingen krijgt, heel andere waarden uit het leven puurt. Het is dus zelfs mogelijk om tijdens je leven te sterven en meteen weer geboren te worden.

Dood is het overschrijden van een drempel, meer niet. In je leven overschrijdt je voortdurend allerhande drempels, maar je hebt een eigenaardig iets, dat noemen ze de herinnering, geheugencentrum, enz. Je stapelt alle ervaringen op in jezelf, en die ervaringen groepeer je op een bepaalde manier. Het resultaat is dat ook wanneer wij tijdens het stoffelijk bestaan in feite sterven, wij ons beroepen op de herinnering. Wij vervangen die delen van ons bestaan die niet meer reëel voor ons zijn door een herinneringsbeeld en doen alsof het nog bestaat.

Daardoor leeft de mens vaak grotendeels in een waanwereld; er zijn allerhande waarden die niet reëel meer zijn, maar die hij als reëel blijft hanteren, die hij als zodanig wil zien; er zijn dingen die heus niet meer mogelijk zijn, maar die men voor zichzelf nog steeds als een mogelijkheid poneert, omdat het vroeger eens mogelijk was. U kent allemaal die fase.

En nu stel ik nog iets: De dood is een voortdurend deel van het bestaan. U sterft voortdurend, elke dag, maar u heeft uw herinnering en daardoor maakt u die dood vaak ongedaan. Hoe meer u echter deze verandering, dit overschrijden van de drempel voor uzelf ongedaan maakt, hoe meer u uzelf vervreemdt van de werkelijkheid van uw leven. U gaat steeds meer denkbeelden en ideeën in de plaats stellen van de feiten. U gaat op den duur, de werkelijkheid zozeer vervalsen dat er geen overeenstemming meer is met die werkelijkheid. En wanneer dat gebeurt, wordt de dood een tragikomisch proces, want de overgang kan dan niet meer aanvaard worden.

We krijgen, net als bij het gewone sterven en net zo goed als bij elke grens- en drempeloverschrijding tijdens het bestaan, een verlies van een deel van de levenswaarden, van de geheugenwaarden. Maar men behoudt juist al die waanvoorstellingen. Dan kun je dus zeggen, iemand die overgaat vanuit een leven dat te onwerkelijk is, die houdt alleen nog maar eigenschappen en veronderstellingen over, waardoor hij zich in de geestelijke werkelijkheid niet meer kan inpassen. En is dat het geval, dan kan ‘t heel lang duren voordat je je juist georiënteerd hebt, dan moet je eigenlijk weer een dood sterven – in de geest – voordat je als geest bewust kunt gaan leven. Wat misschien niet erg optimistisch is voor sommigen, maar voor zover ik kan nagaan strookt het wel ergens met de feiten. Dus, denk er eens over na.

En dan kom ik aan het laatste punt van de inleiding, en dat is: Elke keer dat je in je leven een daad stelt, bevestig je iets. Elke keer dat je een mogelijkheid erkent en die verwerpt, ontken je iets, neem je dus een uitingsmogelijkheid weg. Wanneer je daarvoor een valse rationalisatie gebruikt, dus een verklaring die niet op de werkelijkheid is gebaseerd, zullen de volgende daden steeds minder met de waarheid verwant mijn.

Ik krijg dus langzaam maar zeker een verschuiving van horizon en een verschuiving van vermogen. De mens die dit gaat beseffen, zal voorzichtig zijn in het leven, want de dood is een voortdurende gezel. Niet alleen die uiteindelijke dood die het onderhoud van de begrafenisondernemer betaalt, maar ook dit voortdurend wegvallen van brokstukken van je leven. Wanneer je dat niet kunt accepteren, wanneer je niet elke keer opnieuw kunt beginnen en opnieuw kunt leren te leven, dan is de dood een voortdurend trager wordend proces, tot het sterven als een soort stroop, tot uitputting toe, alle waarden uit je leven wegslurpt.

Wil je dit voorkomen, dan moet je als het ware elke dag opnieuw beginnen. Dan moet je elke keer opnieuw beginnen. Dan moet je begrijpen dat de regels van gisteren, vandaag misschien niet meer gelden; dan moet je begrijpen dat de waarden die gisteren juist waren, vandaag onjuist kunnen zijn. Dat die waarden vandaag getoetst moeten worden, dat de verklaring van gisteren niet voldoende is.

De mens die elke dag opnieuw leeft, die als het ware elke dag zijn leven durft af te sluiten door te erkennen: Dat is er goed geweest, dat is er kwaad geweest, afgelopen, ik praat er niet meer over. Die mens zal elke dag ook weer de volle intensiteit van het bestaan ter beschikking hebben. Hij zal elke dag weer bewust kunnen worden, hij zal elke dag – wijs als het ware – sterven voor die dag. En datgene dat er van blijvende waarde in is, dus in overeenstemming met het eigen ‘ik’, zal morgen op de nieuwe dag ontwaken, die totale nieuwe mogelijkheden en samenhangen geeft.

En ik weet dat een mens dit niet zo gemakkelijk zal kunnen aanvaarden, want uiteindelijk, je moet vandaag voor morgen zorgen, al is het maar dat je vandaag een of ander brood in huis haalt voor het ontbijt van morgen, want anders moet je erg laat aan het werk gezien de wettelijke regelingen.

Maar goed, een zekere overbrugging in de tijd is natuurlijk niet te voorkomen. Het is ook niet zeker dat élke dag de afsluiting van een fase is, maar ze kán het zijn. Wie dit beseft, wie dit aanvaardt, kan dus elke keer opnieuw leven. Kan volledig leven. Ga je alles verwerpen, ga je alles alleen zien vanuit je eigen standpunt, dan zul je er nooit komen. Dan verlies je in het leven steeds meer en je wint steeds minder en in de dood zelf zul je ook nog weer verliezen en niet gewinnen. De mooie dromen die je zelf opbouwt zijn waardeloos, tenzij je ze waarmaakt; de edele gedachten die je denkt, hebben geen enkele inhoud, tenzij ze bevestigd worden door de wijze waarop je wezen in de wereld bestaat.

Als u dat kunt begrijpen, dan zult u ook begrijpen dat je de dood kunt overwinnen. De dood is een fase van ons leven, een voortdurend terugkerend verschijnsel dat niet alleen met de klinisch lichamelijke dood begint, maar dat zich elke dag, geestelijk én lichamelijk, herhaalt ergens.

Wanneer wij leren steeds opnieuw te leven, dan maken wij dit kosmische ‘ik’ waar, dit kosmische ‘ik’ dat eeuwig is. Dan maken wij in dit eeuwige wezen steeds meer middelen openbaar, wij maken onszelf voor onze werkelijke eigenschappen en capaciteiten toegankelijk. En we zullen daardoor de beperkingen van ’t stofleven steeds gemakkelijker kunnen overwinnen.

Wij zullen elke beperking van wereld of sfeer op den duur op kunnen vangen door het projecteren daarin van onze totale persoonlijkheid, zoals er een kind kan zijn dat helderziende geboren wordt en het blijft tot na zijn lichamelijke dood en daarna in die wereld die gezien werd, normaal verder leeft.

Er is in het ‘ik’ een factor die de dood overbrugt. Dat neemt niet weg dat de dood ergens optreedt, maar dan voor ondergeschikte dingen van het leven. Om waarlijk te leven moet je dit feit, deze dood aanvaarden, moet je aanvaarden dat er elke keer weer een streep kan worden getrokken achter het verleden. Dan moet elke dag een nieuwe dag en een nieuw leven zijn zover dit maar mogelijk is. Want wie het leven maakt tot een voortdurende aanvulling van het besef omtrent het eigen ‘ik’, die overwint daarmede de herinneringen in de mens, de waanvormende beelden en voorstellingen die in het ‘ik’ kunnen rusten. Die zal elke keer weer onderzoekend, jeugdig, fris en nieuwsgierig de wereld betreden. Dan zal hij misschien een tikkeltje zelfzuchtiger lijken dan al die wijze mensen in hun illusies, maar laten we niet vergeten dat het kind in zijn edelmoedigheid edelmoediger is, en in zijn honger naar weten meer weten vergaart.

Elke dag een kind zijn. Je benadering van het leven, dat is gelijktijdig voortdurend sterven aanvaarden en de werkelijke dood overwinnen.

Zo, dat is dus de inleiding voor vandaag. U kunt het er waarschijnlijk wel mee doen, want er zit heel wat in waar u eens over kunt denken. Laten we hopen dat ik wel duidelijk ben geweest; ik heb het zo eenvoudig mogelijk gezegd. En dan nog even een paar technische dingen er achteraan voor degenen die ze interesseren en die er misschien verstand van hebben.

En dat is dit: De werkelijke levensprocessen kunnen worden uitgedrukt als een energie, welke energie eventuele bewegingsmogelijkheden kan scheppen in bv. cel en organisme. Zonder deze energie kunnen cel en organisme niet als georganiseerde levensgroepen bestaan.

Het denken is een proces waarbij energie noodzakelijk is. Wanneer die energie niet aanwezig is, is registratie van de waarneming in de hersenen niet mogelijk. Het zenuwstelsel berust op een overdracht van energie. Zonder die energie is geen voelen, denken en reageren mogelijk. Het werkelijke ‘ik’ is dus een vorm van energie die zich uit binnen bepaalde grenzen en mogelijkheden van een stoffelijk lichaam. Dit geldt zolang als je op aarde bent. Daar energie echter in alle vormen kan worden omgezet, zonder minder of meer te worden, zou men aan moeten nemen dat deze werkelijke levenswaarde of levenskracht voortdurend en in elke vorm uitdrukbaar is, dat zij getransformeerd kan worden in elke noodzakelijke of begeerde vorm, mits een transformatie of een middel tot transformatie aanwezig is. Nu kom ik aan de belangrijkste punten daarvan.

Op het ogenblik dat een transformatie van de levenskracht plaatsvindt, naar een niveau boven of onder het eigen levensvlak van het organisme, zal het organisme dood zijn. De kracht zelf echter zal op dit nieuwe niveau zich noodzakelijk moeten manifesteren, daar zij niet in volledige rust kan bestaan. Er zal dus op het niveau van de energie onmiddellijk een nieuwe uiting aanwezig zijn. Het werkelijke leven is een voortdurende reeks van uitingen in overeenstemming met de vorm waarin de energie van het ‘ik’ zich openbaart.

Alle leven houdt verandering in. Dan mogen we zeggen: In ons eigen leven zal zij binnen zeer beperkte grenzen en zeker binnen de grenzen die voor de stof nog aanvaardbaar zijn, voortdurende verandering ondergaan.

Daar de energie van het ‘ik’ voortdurend veranderingen ondergaat en de eigen wil in staat is de gerichtheid en eventuele toepassingen van die energie voor een groot gedeelte te regelen, mogen wij aannemen dat de wil die in het ‘ik’ berust en vermoedelijk een andere vorm van energie is, of als zodanig kan worden uitgedrukt, in staat is het totaal van de levensprocessen te regelen. Daar waar de wil afwezig is, zal nog de energie in dezelfde vorm voortgaan, maar zal geen werkelijke waarde daaraan toegevoegd of daarvan afgenomen kunnen worden. Waar geen voortdurende verandering aanwezig is, is in feite sprake van dood.

En dan ten laatste, misschien ook wel het belangrijkste punt: Aangezien deze levensenergie niet beperkt blijft tot het zuiver stoffelijke, maar veel energievormen vaststelbaar zijn die daar bovenuitgaan, mag worden gesteld dat het werkelijke ‘ik’ een meer geschakeerde reeks van verschillende energieën omvat, die onderling zodanig verbonden zijn dat uitwisseling van het energiepotentieel van het ene naar het andere vlak voortdurend mogelijk is. Daar waar deze mogelijkheid voortdurend gebruikt wordt, hebben we te maken met de vol bewuste mens en kunnen de mogelijkheden van alle energieën of sferen op elk vlak en punt tot uiting worden gebracht. In dit geval zal er geen sprake meer zijn van dood, daar de ervaring van stilstand niet meer mogelijk is, doch slechts een voortdurende uiting, waarbij nu eens het ene, dan weer het andere niveau meer nadruk krijgt.

Zo, dat zijn een paar technische punten, mag u ook nog een keer over nadenken. Ja, je kunt nooit weten of iemand eens iets onthoudt en soms komt het later terug wanneer je het nodig hebt en dat is heel belangrijk. Ik zou zeggen, willen we gaan pauzeren? Na de pauze kunt u dus met het werkelijk belangrijke deel van de avond beginnen, nl. met alle vragen en opmerkingen die u hebt aangaande hetgeen ik gezegd heb. En dan hoop ik maar dat dit een zeer belangrijke avond zal worden. Het ligt aan u! Op het ogenblik dank ik u voor uw aandacht.

Tweede gedeelte

Ik hoop dat u een aangename pauze hebt gehad en ik hoop ook dat u intussen op schrift of in uw hoofd interessante vragen bedacht heeft.

Mag ik beginnen met datgene dat er schriftelijk is binnen gekomen?

  • Jozef Rulof heeft ons indertijd verteld dat men na zijn laatste dood, dus wanneer men niet meer incarneert op aarde, verbonden wordt met zijn tweelingziel. Men zou volgens hem als tweelingcellen geschapen en tot mens uitgegroeid zijn, elkaar tijdens vele aardse levens uit het oog verliezen, doch uiteindelijk weer voorgoed verenigd worden. Is dit waar?

Nou, niet zoals het hier gesteld staat. Mag ik proberen het heel eenvoudig eerst duidelijk te maken? Dan kunt u daar verder over vragen.

De mensheid is een geheel. Ze is te beschouwen als een lichaam waarvan elke persoon, elke entiteit eigenlijk een cel is. Al die cellen maken dus tezamen de oermens, de genius homo, de rode adam, hoe je ’t noemen wilt. Wanneer het ‘ik’ op een gegeven ogenblik een bepaald peil van bewustwording bereikt, dan blijkt dat het met een ander ego een veel hoger peil bereikt dan elk van die twee afzonderlijk. Wanneer voldoende harmonie aanwezig is voor deze samenwerking en dus een voldoende juiste onderlinge aanvulling, dan kun je spreken van tweelingzielen.

Die zijn er dus eigenlijk kosmisch in zo grote getale dat het woord tweeling een beetje een understatement is. Wanneer je met zó iemand samenkomt, dat is dus mogelijk vóór die laatste dood zelfs, dan ontstaat uit de fusie van die twee persoonlijkheden een soort nieuwe persoonlijkheid, die alle waarden van die beide persoonlijkheden inhoudt en die beide persoonlijkheden ook nog doet bestaan, maar ten opzichte van de buitenwereld die twee dus op laat treden als één geheel, als één persoon. Er is dan een dergelijke fusie meermalen mogelijk.

Te zeggen dus een tweelingziel is een mens die aan het begin der tijden voor mij geschapen is en waarmee ik eens verenigd zal zijn, dan moet je zeggen: neen, dat is eigenlijk niet helemaal juist en dat is ook begrijpelijk omdat tweelingziel in menselijke termen heel vaak wordt uitgelegd als persoonlijke aanvulling. Er zit zelfs een zekere seksualiteit in. En dat kan dus kosmisch niet bestaan, waar zoals u weet sekse niet bestaat, waar alleen van een gelijkwaardigheid van wezen met een verschil van bewustzijn sprake kan zijn. Maar inderdaad, wanneer u het hoogste punt bereikt na de dood, dan bent u dus verbonden met alle entiteiten die gelijke levensmogelijkheden hebben als u. En aan het eind der tijden zullen dus alle mensen tezamen als het ware één persoonlijkheid zijn. Dát is juist daarin. En als u daarover verder nog iets zeggen of vragen wilt, kunt u uw gang gaan.

  • Dus het is ook niet waar, zoals ons indertijd geleerd is, dat na al die sferen, het onstoffelijk bestaan dus, men opnieuw incarneert op, zoals Jozef Rulof dat noemde, de zgn. vierde planeet en daar opnieuw, maar dan met een verheerlijkt lichaam, mens wordt met de tweelingziel. En dat men een huwelijk heeft dat oneindig duurt, met dus die tweelingziel op die nieuwe planeet?

Neen, dat is niet helemaal juist. Wanneer je iets half zegt, dan kun je iets zeggen wat niet waar is. Wanneer we nl. zien dat een mens op een gegeven ogenblik een geestelijk peil bereikt dat geen incarnatie meer op deze mensenwereld gedoogt, dan is het heel goed mogelijk dat er toch een stoffelijke incarnatie nodig is. Die stoffelijke incarnatie zal dan, na voldoende periode eerst van geestelijke realisatie, geestelijk werken, plaats moeten vinden op een andere wereld. Dat is dus volledig waar.

Dat de tweelingziel, en nu in de zin waarin ik dit gebruik, degene waarmee je dus één bent geworden, die je volledig aanvult dus ook, op die andere planeet met je zal incarneren, dat is onvermijdelijk. Gescheiden van elkaar ben je niet in staat daartoe. Maar nu krijgen we die kwestie van dat huwelijk. Ja, kijk eens, een huwelijk in menselijke termen veronderstelt een bed, neem me niet kwalijk dat ik het zo zeg. Maar een huwelijk in geestelijke zin is heel iets anders. Dat is een volledig delen van elkaars waarden en bestaan, dat is een kwestie van geestelijke versmelting, geestelijk contact, eerder dan van enig materieel contact. Dit huwelijk zal dan natuurlijk op die andere planeet ook bestaan en we kunnen zelfs verder gaan en zeggen: Wanneer een dergelijke fusie eenmaal heeft plaatsgevonden, dan is dat een onverbrekelijke eenheid voor altijd. Dat is weer wél waar. Maar wanneer je dat gaat stellen, zoals u dat nu citeert, dan is het dus een onvolledige waarheid, omdat die tussenfasen en die bijzonderheden buiten beschouwing blijven en de mens zich dan voor gaat stellen dat hij op een wereld incarneert, een soort betere aarde dus, mét mensen waar hij dan ook alweer verliefd, verloofd, getrouwd, huisje, boompje, beestje gaat spelen. Kijk, en dat is nu niet waar, het ligt dus wel een beetje anders.

Maar ik zou zeggen, dat is dus ook een kwestie van interpretatie en ik kan niet zeggen dat het gestelde onwaar is. Ik kan hoogstens zeggen dat het in die samenhang onjuist is.

  • Mag ik dan even zeggen dat ik in al die dertig boeken die ik van Jozef Rulof heb, ik het wél zo gelezen heb zoals u het nu verklaart, maar niet zoals deze mevrouw het vertelt. Dat is dus weer kennelijk de interpretatie. En misschien mag ik een opmerking maken. De schrijver schrijft zijn gedachten neer, de lezer leest uit het boek zijn eigen denkbeelden, dat moeten we ook niet vergeten.

Ja, door komt het op neer.

  • Ja, en bovendien heb ik dit niet zelf in een boek gelezen, maar dit is mij weer door een navolger van Jozef Rulof in avonden en avonden praten uit de doeken gedaan.

Ik zeg, het is niet onwaar, maar onjuist. Het is niet in zijn juiste samenhang gesteld. En omdat die juiste samenhang er niet is, dat zult u dus nu zelf wel concluderen, is hetgeen er overblijft uitermate misleidend. Ik kan er tot mijn spijt geen ander antwoord op geven. Maar ik vind het wel erg prettig dat ik aan de ene kant dus hoor: “Kijk Jozef Rulof zegt het volgens de feiten. Ik zou het van “Jeus” (Jozef) ook eigenlijk niet anders verwachten. En aan de andere kant u dus, die zegt: Kijk, dat is wat de mensen ervan maken. Dit is het beroerdste dat er op de wereld bestaat, weet u dat?

  • Ik kan er echt niks aan doen.

U kunt er niets aan doen. Maar dat is niet alleen bij u hoor, dat is bij allen, met alle dingen. Wanneer je bv….. wacht, een heel eenvoudig voorbeeld: Katholieken aanbidden heiligenbeelden, dat is een praatje dat u steeds weer hoort. Ze bidden vóór heiligenbeelden, dat is waar, maar daarom aanbidden zo ze nog niet.

Een ander voorbeeld: De protestanten verwerpen de sacramenten ….. Om de dooie dood niet! Ze gebruiken de sacramenten, maar hun wijze van interpreteren en beleven is een andere dan die van een katholiek.

Allah is een afgod. Waanzin! Allah is een uitdrukking die men overal voor God gebruikt. Maar wat de mensen er van maken, Lees dus evangeliën …. lees wat Jezus heeft gezegd …. luister naar de manier waarop die christenen duidelijk weten te maken dat alles wat zij doen, zelfs oorlog voeren, toch in de naam Gods is, en dat het toch aanvaardbaar is en dat het toch goed is. En daarom, niet op u persoonlijk, maar daarom zei ik dat juist dit geven, niet van onwaarheden maar van onjuiste weergave van waarheden, het meest gevaarlijke is dat op de wereld bestaat. Nu ja…. vergeet u die uitbarsting maar, maar het menselijk ras heeft zoveel goeds dat we die paar slechte dingen er heus wel bij mogen nemen. Zijn we met deze vraag klaar? Dan graag de volgende.

  • Een kind, dat middels de keizersnee geboren wordt, heeft vanuit het kind gezien een makkelijke geboorte. Is het mogelijk dat zo‘n kind nog lang herinneringen aan zijn vorig leven heeft?

U zegt, dat kind heeft een makkelijke geboorte. U verliest daarbij een paar punten uit het oog.

Punt 1: Het kind is – ook tijdens een verlossing met de keizersnee – tot het ogenblik dat de navelstreng verbroken is, verbonden met het zenuwstelsel en de bloedsomloop van de moeder. D.w.z. dat alle shockeffecten en verdovingen die daarin voorkomen voor het kind eveneens optreden.

Punt 2: Dat daarbij dus het betreden van de wereld op deze wijze een even grote schok is als een natuurlijke geboorte, waarbij we zelfs mogen veronderstellen dat gezien de aanwezige verdoving, de aanwezige spanningen die in de moeder daarbij zullen bestaan, het kind waarschijnlijk een zwaardere geboorte heeft dan een kind dat langs de natuurlijke weg wordt geboren.

  • Oh, ik meende dat met die zware geboorte, met die schok het uitdrijven door het geboortekanaal werd bedoeld, waar de hersenpan dus vaak bij in de knel komt.

Nee, nee, want dan moeten we zeggen, de zwaarste geboorte is een tangverlossing, want die is het meest gevaarlijk.

Mag ik een voorbeeld geven? U heeft uw hele leven in een heerlijke tropische kas gezeten. U bent er op gekleed, u houdt van de aapjes en de kanariepietjes en van de papegaaitjes die rondvliegen. Buiten sneeuwt het en het vriest en er is modder. En op een gegeven moment neemt iemand u beet, hij doet u geen pijn, hij gooit u alleen maar met een smak naar buiten, doet de deur dicht en u kunt niet meer naar binnen. Dan heeft u een idee van de schok van een geboorte. Uit een verzorgd besloten milieu ineens komen te staan in een wereld, waarvan je alle invloeden niet kent, niet kunt verwerken, waar je je niet tegen kunt verweren op dat ogenblik. Dat is de geboorte. Nou ja, laten we eerlijk zijn, zo’n kind heeft het niet goed hè? Wat is het eerste dat het krijgt als het op aarde komt? Een pak slaag! (Gelach) Dat is om vast te wennen voor het latere bestaan, denk ik. Maar dat is maar een grapje natuurlijk.

  • Uittreden is dus eigenlijk ook een sterven? Is dit ook niet een zeer natuurlijk proces om tijdens het leven in de stof deze stof tijdelijk te verlaten ten einde te trachten geestelijk te evolueren bv. tijdens meditatie?

Eh, ja, ik moet even proberen om daar een antwoord op te vinden dat geen onjuistheden bevestigt die ergens in de vraag liggen. Onder meer het idee dat je dus alleen uittreedt om te evolueren. Dan kun je ook wel zeggen dat je alleen naar buiten gaat om de vierdaagse te lopen, en dat is gevaarlijk hè …..

  • Nee, maar als je je dat als doel stelt?

Als je je dat als doel stelt, dan is dat dus een uitzondering. U gaat dus van een uitzonderingstoestand uit, en dan kunnen we nooit een redelijk antwoord geven. Maar laten we het zó stellen: De uittreding, ofwel het leven in twee werelden tegelijk, is elk mens eigen, omdat hij nu eenmaal een geest is die in de stof leeft. En dus op het ogenblik dat de stoffelijke functies beneden een bepaalde norm komen of – als u ’t anders wilt zeggen – de bewustzijnsdrempel zo aanmerkelijk verhoogd is dat geen gevoeligheid ten opzichte van de buitenwereld meer bestaat, terwijl gelijktijdig geen voldoende innerlijke woelingen en emoties (aanwezig zijnde door droombeelden) het ‘ik ’kunnen beheersen, dan vindt uittreding plaats. Uittreding is dus een normaal proces en als u dat als een dood wilt beschouwen, dan kunt u zeggen dat de doorsneemens toch wel twee keer per week sterft, zeker in dit opzicht.

  • Het medium meer.

Het medium zal uit de aard der zaak dat wat meer doen. Maar ik geloof dat het idee dood hier niet helemaal zuiver is, omdat er sprake is van twee gescheiden werelden.

Pas op ’t ogenblik dat wij te maken krijgen met een bewuste, althans grotendeels beheerste uittreding, kunt u hier het begrip dood gaan hanteren, omdat dan dus een verandering van waarden inderdaad plaatsvindt. Dan is nog de vraag, welk doel heeft de uittreding en tot welk niveau gaat ze? Ik zou zeggen dat een uittreding tot aan het zomerlandniveau niet als een dood beschouwd moet worden, aangezien de beleving daar meestal slechts een sublimatie, een aanvulling van het stoffelijke is.

Maar elke uittreding die verder gaat dan dit, zou ik weer wel als een dood willen beschouwen, zeker als er iets van mee teruggebracht wordt. Hier is dan een kennelijk ingrijpen in de waarden, in de levensmogelijkheid van de mens, ook de stoffelijke mens het resultaat.

Mijn conclusie kort samengevat: In uitzonderingsgevallen kan men inderdaad de uittreding met de dood vergelijken. In de doorsneegevallen echter zal men kunnen zeggen dat het stoffelijk leven niet de totaliteit van het leven is, want dat daaruit en daarop aansluitend een bepaalde geestelijke beleving nu eenmaal onvermijdelijk is.

  • Ja, u treedt natuurlijk bewust uit, maar je kunt toch zomaar uittreden, misschien in je slaap, dat je ’t niet weet dat je er dan wel uit kan.

 Nou, ik treed eigenlijk minder bewust “uit” , dan wel “in” (gelach).

Maar ja, bewuste uittreding is dus een kwestie van concentratie; het is iets wat geleerd kan worden op den duur. En daarbij krijg je dus de mogelijkheid om die uittreding in je eigen wereld te doen plaatsvinden. Je kunt gaan kijken hoe het er ergens anders voorstaat, spaart je weer de treinkosten, weet u wel.

  • Zou er niet een nut in zitten?

Of er een nut in zit, natuurlijk zit er een nut in.

  • Maar ook wel een gevaar lijkt me?

Een gevaar kan erin zitten. Maar bij de beheerste uittreding is dat gevaar praktisch nihil. Bij de onbeheerste uittreding bestaat nl. het gevaar dat men dus astraal- en levenslichaam mede projecteert en dat men zich beweegt in de astrale sfeer. En de astrale sfeer is een kracht, een half stoffelijke kracht die dus een zeer grote invloed kan hebben op het menselijk zenuwstelsel. Wanneer je daar dus wordt aangevallen, krijg je een zo sterke suggestieve kracht dat het lichaam daarop reageert. Zoals het bekende proefje, nietwaar, dat suggestieproefje. Je zegt iemand: “Ik heb een gloeiende pook”, je laat hem zien, je zegt: “Nu ga ik je branden”. Je doet hem een blinddoek voor en je houdt een ijspegel op zijn hand. Er komt een brandblaar. Dit is een bekend verschijnsel.

Wanneer ik word aangevallen in die astrale wereld en ik kan me dus niet vrijmaken daarvan, dan beleef ik dit als een werkelijkheid. Wat op mij wordt afgestuurd is zenuwkracht, d.w.z. in het menselijk denken ontstaat een enorm grote suggestie, dat kan zelfs de doodssuggestie zijn. En het lichaam zal daarop reageren. Dat is dus het gevaar.

En dan is er nog een ander gevaar, dat is: wanneer je naar bepaalde lagere sferen zou uittreden. Dat zou ik toch niemand raden trouwens; je gaat niet naar een vreemd land om de sloppen te bezichtigen. Waarom zou je naar duistere sferen uittreden, tenzij je daar een taak hebt en héb je een bewuste taak, dan heb je ook wel een bescherming.

  • Maar je bent dus erg afhankelijk…. van hulp bedoel ik uit die sferen?

Wanneer u naar beneden toegaat, ja.

  • Naar boven bedoel ik.

Naar boven toe niet. Naar boven kunt u dus komen tot elk niveau waar u geestelijk nog het peil van hebt, waar uw persoonlijkheid nog geestelijk bewust is. En dat kan dus heel sterk uiteenlopen, dat ben ik met u eens. Maar u vergeet een ding, u denkt aan de stof, dat is die mens …. en nou moet hij eruit …. en hij moet naar boven, . . en nu moet er iemand staan die hijst ….

  • Nou, ‘t zou gemakkelijk zijn.

Ja, dat zou erg gemakkelijk zijn. Het gebeurt ook wel eens, er is dus wel eens een bepaalde reden dat men zoiets doet vanuit onze werelden. Maar eigenlijk ligt de zaak zo: U leeft nu wel in dit lichaam, maar u bent een geest. Of u het nu weet of niet, of u ’t nu wilt of niet, u bent ook een geest.

  • Natuurlijk zijn we allemaal geesten.

Ja, natuurlijk, en als geest leeft u dus – ook wanneer u daar als het ware slaapt, dat u hier op aarde bewust bent – ook in een bepaalde sfeer. U behoort tot een bepaalde geestelijke harmonie, en wanneer de lichamelijke functies dus stoppen, is het voor de geest mogelijk om in een andere wereld verder te gaan.

  • Waarmee hij harmonisch is?

Ja, waarop het ‘ik’ dus georiënteerd wordt, waarmee het harmonisch is. Daar heeft u dus geen hulp van iemand nodig. Het is net als wanneer je de televisie uitdoet en je gaat naar de keuken, daar komt het wel op neer.

  • Makkelijk, het klinkt eenvoudig.

      Het is doodeenvoudig, de mensen máken het zich moeilijk.

  • In het begin zei u: Wanneer u met een astraal lichaam of iets van dien aard. . . wat was dat wat u zei, dat was me niet duidelijk.

 Nu, dat zullen we dan duidelijk proberen te maken. U weet dat u een astraal voertuig hebt. Dat astrale voertuig omvat onder meer wat u fluïde noemt, er zit in – voor een deel althans – wat u ectoplasma noemt. Dat zijn dus allemaal dingen die eigenlijk bij uw body behoren. Het is fijnere materie, maar het is nog materieel. Het gehoorzaamt aan materiële wetten en is vatbaar voor bepaalde materiële energieën. In uw wezen is dat dus een soort tweede lichaam. Dat tweede lichaam kun je heel rustig bij je body laten rusten, maar wanneer je dat nu niet doet en als je onbewust bent, heb je zo’n idee van: Alles wat niet zuiver lichaam is, dat is mijn geestelijk ‘ik’. Dan neem je dat voertuig mee.

  • Kun je er zelf niets aan doen…. of….?

Ja, daar kun je zelf dus wel iets aan doen, door je te realiseren dat een geestelijke beleving geen voertuig en geen gestalte nodig heeft. En dan heb je dus je levenslichaam. Dat zijn de levenskrachten plus een contact naar de geestelijke sferen toe. Ook dat is in vorm en gestalte ongeveer uitgedrukt als u zelf bent. U zou dus kunnen zeggen: Levenslichaam en astraallichaam zijn ergens een soort replica van uw stoffelijk wezen. Zo lang als u nu denkt aan uzelf als dat wezen, is het bijna zeker dat u beide of een van die voertuigen mee zult nemen bij een uittreding. Indien u vergeet dat u bepaalde uiterlijke eigenschappen en kwaliteiten hebt en alleen waarneemt, bestaat dat gevaar niet.

  • Volgens u treedt dus bijna iedereen wel eens uit?

 Volgens mij treedt praktisch elke mens betrekkelijk regelmatig uit.

  • Maar je hoeft je het dus schijnbaar helemaal niet te herinneren?

Neen, het is zo dat van de tienduizend mensen die uittreden er misschien één is die daar een gedeeltelijke herinnering aan overhoudt. Maar die herinnering wordt dan weer uitgedrukt in stoffelijke vormen, of, wanneer het niet begrepen is of niet strookt met eigen denkwijze, in symbolen. Dan wordt het dus een soort droom. En zoals u weet, dromen herinner je je soms wel even, maar ze zijn al heel gauw vervluchtigd en zo gaat het met die uittredingen ook.

  • Maar als je dus eigenlijk altijd leuke dromen hebt en nooit angstdromen en het is altijd enig, betekent dat dan dat je nooit in het astrale vlak hebt gezeten of zo?

Nou het betekent in ieder geval dat – zover u uittreedt – u dit waarschijnlijk doet naar een zonnige en gelukkige wereld. En we kunnen dus wel aannemen dat u op een van de verschillende niveaus van Zomerland terecht bent gekomen. Fijn hè?

Tja, het valt alweer mee, Och, bij de meeste mensen valt ‘t wel mee. De mens is nl. iemand die óf zichzelf ziet als een heilige – en dan is hij meestal een groot zondaar – of als een groot zondaar, . , en dan is hij nog lang geen heilige!

Het eigenaardige is dus dat die menselijke zaak en die menselijke oordelen in de kosmos er zo weinig toe doen. De mensen hebben hun wetten en hun regels, maar dat is een kwestie van sociale ordening. Dat is van geldende burgermoraal bij wijze van spreken, maar dat hoeft dus niets met de werkelijke moraliteit en de harmonie in het geestelijke te doen te hebben. U kunt een hele hoop dingen doen waarvan iedereen zegt, het is mooi en die, gezien uw eigen geestelijke harmonie, voor u juist slecht zijn. En er zijn andere dingen die je kunt doen waarvan iedereen zegt, foei, hoe durven ze, hoe kúnnen ze, maar die in harmonie zijn met wat geestelijk voor u belangrijk is, waardoor u dus geestelijk juist hebt gehandeld.

En nu is het dus zo dat de doorsneemens eigenlijk geestelijk beter is dan stoffelijk. En dat is maar goed ook, anders zou het bij ons een zootje zijn hè? Maar men is geestelijk over ’t algemeen wel beter dan materieel vaststelbaar is. En wat dan domineert is dus een kwestie van je eigen angsten, je eigen vertrouwen, je eigen geloof enz. Wanneer een mens dus gelooft in het goede, en het kwade dat er in hem is dan wel wil aanvaarden, als hij dat goede dan maar mag erkennen, kan hem niks gebeuren.

Maar op het ogenblik dat die mens weigert te erkennen dat er in hem of haar mogelijk iets kwaad kan schuilen, ja, dan wordt het gevaarlijker, want dan werpt hij de werkelijkheid weg. Dat is dus die angst en begeertekwestie en daar kan geestelijk nogal wat nadeel uit voortkomen. En dat zullen we dan ook tijdens uittredingen gemanifesteerd zien.

  • Als men het werk van de Witte Broederschap helpen en dienen wil, kan men dan zijn lichaam als instrument aanbieden, ook al is men niet helderziend, helderhorend of wat ook?

Ja, dat is ook weer een moeilijke kwestie. Nee, je kunt je lichaam niet als instrument aanbieden, neen. Je kunt proberen om harmonisch te zijn daarmee, met die Witte Broederschap, en je kunt je dus bereid verklaren om met je hele wezen, dus nooit alleen met je lichaam als instrument of zo met je hele wezen, zover je dat dus mogelijk is, de beginselen van die Witte Broederschap uit te dragen. Op het ogenblik dat je dit doet met je hele wezen, ontstaat er een zekere harmonie, wordt die harmonie groot genoeg, dan zult u zich bewust kunnen worden van uw eigen functie. En ook al vóór die tijd kan uw bereidheid ertoe bijdragen dat u eventueel gebruikt wordt voor bepaalde doeleinden, ook al weet u dat zelf niet helemaal.

Helderziendheid, helderhorendheid hebben hier al heel weinig mee te maken, ofschoon in de meeste gevallen op den duur een telepathisch contact ontstaat, dat niet alleen mensen in de stof, maar ook entiteiten in de sferen kan omvatten. Maar ik zou er absoluut op tegen zijn om te zeggen: Kun je je lichaam als instrument aanbieden. . . Neen, ik geloof niet dat je een uitzondering kunt maken. Wanneer je de Witte Broederschap dient, dan dien je dus het begrip van de mensheid, het geluk, het goede in de mensheid als het ware. En dat kun je niet doen met een voorbehoud. Dat is net zoiets als iemand die zegt: Ik wil een gelofte van armoede afleggen, als ik die twee ton maar achter de hand mag houden voor het geval ik het nodig heb. (gelach) Dat gaat ook niet.

  • Maar zo bedoelde ik het niet.

Nee, dat weet ik wel, maar u formuleert het dus op een manier waarbij we dus wel even moeten uitkijken dat we niet zeggen:

Ja, dat mag je wel doen. Nee…. uw hele persoonlijkheid, zonder voorbehoud. En dan ook niet zelf zeggen: Nou de Witte Broederschap zal dit of dat wel willen, neen, dan rustig wachten, want dan wordt het wel gestuurd als het nodig is.

  • Dus niet in een bepaalde richting handelen of denken, want je moet afwachten tot de Witte Broederschap dat bepaalt?

Juist. Dus het is zo dat je voor jezelf het begrip van volledig dienen aanvaardt, dat je leeft volgens je eigen begrip van goed leven. Je probeert dus de mensen te helpen, te dienen en je naaste niet te haten enz. Nou ja, leef maar als een goed christen, dan doe je al genoeg. En dan is dit begrip: ‘Ik wil dienen’ …. dat kan je op een gegeven ogenblik voor een taak stellen, die je met je gewone leefwijze niet helemaal op kunt lossen, maar dan zie je ook de weg, dan wordt je de juiste kant wel uitgestuurd.

Maar je moet dus niet van tevoren zeggen: “Nou, die Witte Broederschap zal dit of dat wel willen. Anders gaat het net zoals met die kleine jongen die alvast pudding wou maken voor moeder. Hij had altijd gezien dat ze er sukade in deed, maar hij greep naar de groene zeep; het gezin heeft er van genoten! (gelach) Dan maak je een vergissing, dus je moet nooit proberen voor de Witte Broederschap te werken, maar altijd om met die Broederschap te werken. En als je je niet volledig bewust bent, laten zij dan de ingrediënten maar kiezen, en maak jij er dan maar ’t beste van wat je ervan maken kunt.

Nou, ik geloof dat die vraag ook beantwoord is en dat we door de schriftelijke vragen heen zijn. Maar misschien is er nog iemand die iets te vragen heeft?

Stilte

Nu, u wilt kennelijk vroeg naar huis vanavond? Dan zullen we maar overgaan tot het afsluiten van het onderwerp. Ik heb geprobeerd u duidelijk te maken dat leven en dood eigenlijk niet van elkaar te scheiden zijn. Want je kunt net zo goed zeggen, dat de dood een fase van het leven is, als dat het leven een fase van de dood is. Deze twee dingen zijn zo onverbrekelijk met elkaar verbonden, dat het dwaas lijkt om elk van hen afzonderlijk te bezien.

Ons leven is een voortdurend ondergaan van de veranderende inwerkingen van buitenaf – we kunnen niet blijvend één vorm hebben – en gelijktijdig voor ons dus het streven, het persoonlijk streven, waardoor wij in elke nieuwe vorm onszelf juister tot uitdrukking brengen.

Ik heb u al duidelijk gemaakt dat je eigenlijk elke dag moet beschouwen als het einde van je leven en elke morgen die je weer begint, als het begin van een nieuw leven. Het is niet helemaal door te voeren, maar geestelijk en zelfs voor uw stoffelijk welzijn, voor psychische rust is dat het meest juiste standpunt dat bestaat. Weest nooit bang voor de dood, het heeft geen zin. In de eerste plaats kun je haar niet vermijden en in de tweede plaats, is zij anders dan je denkt. Ze is alleen maar weer een nieuw ontwaken. Wees niet bang voor het leven, want niets in het leven kan zo zwaar en zo erg zijn, of het geeft altijd weer een zekere mogelijkheid, een zekere rijkdom. Je kunt nooit armer worden, je kunt alleen rijker worden in leven en dood.

En door zelf te kiezen voor harmonie, zo groot mogelijke harmonie op elk ogenblik van het bestaan, een zo groot mogelijke waarheid, het vermijden van zelfbedrog en zelfmisleiding, zul je leven en dood samen zien smelten tot de erkenning van het oneindige, waarvan je deel bent. Die bijkomstige vragen lijken misschien belangrijk. ’t Lijkt belangrijk of we misschien nog eens helderziende zullen worden of niet. Maar eens zullen al die dingen opgelost zijn, hebt geen haast, er is een eeuwigheid. Wat we vandaag doen, laten we dat goed doen! Laten we niet proberen om overmorgen vandaag te beleven, want dat gaat niet. Maar laten we vandaag proeven als een epicure. Zuiver alles proeven dat in het heden ligt en het beste ervan maken en dan zeggen: Dit is voorbij.

Op die manier maak je jezelf rijk, op die manier vindt je de harmonie die de mens nog ‘geluk’ noemt, maar die veel meer dan dat omvat. Op deze manier leer je de scheidingen en de grenzen, die leven en dood soms ten opzichte van elkaar schijnen te hebben, teniet te doen. Op die manier leer je zelf contact te hebben met alle werelden waarin je kunt bestaan, in plaats van nederig te wachten tot die werelden tot je komen. U heeft een geestelijk erfdeel, wees niet bang om dat op te vragen, ook al zegt men u dat u het pas na de dood krijgt.

Er is een Koninkrijk Gods. Het Koninkrijk Gods dat omvat al die sferen. Het Koninkrijk Gods is er vandaag, het is in u. Dat is voor u werkelijk te maken. Dat is uw waarheid. Wanneer u die waarheid wilt limiteren, dan komt u nergens. Aanvaard elke dag de oneindigheid van het bestaan en sluit ook elke dag weer het gebeuren af. Erken dat het voorbij is, houd de wijsheid van de ervaring in u, maar beroep u nimmer op de stellingen die u uit ervaring hebt gebouwd. Die ervaring is voor u persoonlijk.

De stelling is een poging de wereld kleiner te maken, onderdanig te maken aan u en dat kan u niet helpen. Kijk, dat is eigenlijk alles wat ik vandaag heb willen zeggen, en dat – hier en daar naar ik hoop – ook wel een beetje uit de verf is gekomen. En aangezien we nog wat tijd over hebben… zullen we er nog een slotwoord achteraan gooien?

Zullen we een paar woorden nemen en proberen daar een these uit te bouwen? Heeft u een idee?

  • God. Smart. Liefde. Evolutie.

Daar kunnen we ‘t wel mee doen zou ik zeggen hè?

Kijk eens: Wanneer wij uit de smarten van het bestaan komen tot de liefde van het leven, dromen wij van de evolutie terwijl al tezamen slechts is …..God, die wij nog niet begrijpen

En dan kun je dus beginnen. In den beginne is het oerbegrip, het leed, de duisternis waarin je verder doolt en vraagt naar onbestemde doelen. Waarin je jaagt, gedreven door het gevoelen dat ergens een zin, een doel moet zijn en toch alleen de pijn kent van een onbegrepen bestaan, dat eindeloos en doelloos schijnt. Dan ontmoet je de eenzaamheid in een ander. Dan zie je dezelfde doelloosheid van bestaan, diezelfde waan van onbegrepen zijn. En voor een ogenblik vergeet je je eigen pijn, en ken je een ander. Er is een liefde geboren, een wederzijds begrip. Soms slechts een enkele gedachte, een enkele stip op de deken der oneindigheid; soms een band die tot aan het eind der dagen blijft bestaan; soms omringd door waan en soms slechts een deel van de werkelijkheid; maar einde van de eenzaamheid.

En dan erken je iets van jezelf, dan erken je de onbegrensdheid van ’t bestaan, dan wil je verder groeien, verder leven, verder gaan.

Dan zou je ’t al willen verbreken in een revolutie, maken tot een chaos. En een evolutie van eigen ‘ik’ gebruiken om het te ordenen, opnieuw te zijn God…

Maar terwijl je wezen langzaam vormt zichzelf, erkent iets van oneindigheid, erkent men het pulserend leven dat uit de einder tot je komt. ’t Is of het beeld van eigen ‘ik’ uit eeuwigheid je tegen schrijdt, en toch is ’t God.

Want daar waar alle waan vergaat, erken je in de eeuwigheid jezelf …. en noemt het God.

Totdat je ook dit zelf hebt geabsorbeerd, totdat je hebt geleerd je eigen vorm te vergeten, tot je leert dat de oneindigheid rond je is …. een weten dat doordringt tot diepst van eigen wezen.

Dan vallen de vrezen en het voorbehoud,

Dan vallen de grenzen die je angstvallig rond je eigen zijn hebt gebouwd,

Dan blijft er alleen het stil ervaren;

Dan spreek je niet meer van wet en van lot

Dan spreek je niet meer over evolueren…. over liefde…. over smarten…. het wrede lot….

Dan is God de adem die je drijft,

Dan is elke ademtocht een erkennen dat oneindigheid ons drijft

Dan is de volheid van het leven in elke sfeer en wereld, elke kracht van aan het begin tot aan het eind der tijden in je eigen wezen uitgedrukt;

Dan wordt de vreugd’ tot top gebracht…., als je jezelf vergeet en bent een al, tot levend, ademend erkende kracht die het geschapen heeft,

Voorwaar, dan ken je jezelf als openbaring

God als de kracht die ons leven geeft.

Dit was een kleine improvisatie. Oh ja, dat God, dat doet me eigenlijk wel wat, weet u. Daarom zou ik iets willen herhalen voor een deel. Ik heb het vroeger ook wel eens uitgewerkt. Maar als u tijd hebt en het mag natuurlijk.

Het is een gedachtegang over God, dat moet u me maar niet kwalijk nemen.

Besta je God? Ben je in ’t leven?

Oh zeker, als ‘k je onderga, dan ben je levend. ..Maar wanneer ik niet meer besta, God, ben je dood, ben je gestorven.

Dan is er een einde van de tijd, want jij – in al je eeuwigheid – leeft slechts in mij,

Ik zou leven in jou, mijn God, maar als ik je niet erken, als ik niet ben. , . besta… waar ben je dan?

Voor mij kun je niet zijn, en als m’n God voor mij gestorven is mét mijn eigen sterven, is God geen eeuwigheid. Ik vraag uw antwoord God. Is ‘t waar dat Gij bestaat? Dat Gij de eeuwigheid der eeuwigheden zijt?

Ik ben die ik ben…. Ik ben je leven, ik ben de tijd. Ik ben de seconde die vervliedt, ik ben de oneindigheid waarin eonen van jaren in ’t niet verzinken. Jij bent…. Ik ben door jou…. omdat jij mij erkent, maar ‘t is door mij dat jij bestaat, dat jij oneindig bent. Ik ben je ziel, jij bent de taal door mij gesproken.

Ik ben je kracht en jij de arbeid die mijn kracht volbrengt.

Je bent met mij gebonden, verder dan aan ’t eind der tijden.

Omdat je mij erkent en deel steeds van mijn wezen bent. Dat heb ik al eens eerder gedaan, Maar in dit verband vond ik het wel goed om het nog eens te herhalen.

En, Vrienden, dan zijn we aan het eind van onze bijeenkomst gekomen. Dan hoort er eigenlijk nog een zinspreuk bij, en dan wil ik er u een geven die voor velen van u in deze tijd misschien toch wel toepasselijk is:

Als je de zon in je draagt, kan zelfs de Nederlandse zomer je niet deren. Maar wie in zich somberheid vergaart, zal zelfs in de zon geen licht zien. Draag het licht in uzelve, dat is mijn raad voor deze tijd.

image_pdf