De doolhof van het ik

1960

Wij gaan dan vandaag in op de geheimen van het “ik”, de doolhof van het “ik”.

Wanneer wij dat “ik” willen benaderen, dan kan dat van duizend en één kanten gebeuren. Want ons “ik” ‑ zeker als wij dit in de stof willen bezien ‑ doet een klein beetje denken aan ‑ een puzzelboek: het staat vol met raadsels, die elk afzonderlijk oplosbaar schijnen. Het moeilijke is echter, dat alle oplossingen met elkaar in overeenstemming moeten zijn en dat zij gezamenlijk a.h.w. het grote raadsel vormen: het geheel dat je bent. Om in die doolhof enigszins wegwijs te worden, doe je er verstandig aan bij het begin te beginnen. En dat begin ligt voor het leven in de stof.

Een mens incarneert enkele, soms ook meermalen, in de stof. In elk van die incarnaties doet hij bepaalde kennis en ervaring op, schept bepaalde verbindingen en stelt zich ook nieuwe problemen. De ervaring leert ons, dat de problemen en hun oplossing inderdaad worden voortgezet van het eerste leven af, waarin een zelfbeschouwing (een soort van menselijk zijn dus) optreedt. Ik wil tevens proberen hier iets recht te zetten. Ik weet dat velen, als zij gaan spreken over reïncarnatie, zich onmiddellijk willen zien als een directe voortzetting van wat zij vroeger waren. Dit is maar ten dele juist. Als wij menen geheel te kunnen aansluiten bij een vroeger stoffelijk bestaan, maken wij n.l. de grote fout dat wij alle tussenliggende werelden, tussenliggende ervaringen, uitsluiten. Wij menen dan te mogen ingaan op stoffelijke herinneringen: en ook deze spelen zeker geen grote rol. Belangrijk is hetgeen geestelijk word bereikt. Daarom mogen wij stellen, dat bij geboorte in de stof het totaal van vorige bestaansvormen niet wordt geopenbaard als het kennen van een vroeger leven zonder meer maar eerder dan een mentaliteit, een geneigdheid en in vele gevallen bovendien als een geestelijke en soms ook stoffelijke begaafdheid. Een wezen, dat zo op aarde komt, heeft natuurlijk een taak die in het abstracte ligt. Dat zal voor elk van ons – stof en geest ‑ altijd gelijkelijk gelden. Onze taak is helaas niet concreet: zij behoort niet tot datgene, wat wij in onze wereld kunnen zien, omvamen en afwerken. Zij is abstract. Zij houdt zich bezig met waarden, die wij absoluut niet kunnen beseffen. Zij baseert zich op wetten, die we niet of slechts zeer ten dele kennen. Het gevolg is dan ook, dat bij het leven in de stof ‑ evenmin als bij het leven in de meeste vormkennende sferen ‑ een realisatie van ons eigenlijk doel mogelijk is.

En hier komt dan een van de grote raadselen, ik zou haast zeggen: de eerste ontstellend grote splitsingsmogelijkheid in de doolhof “ik”. Het lijkt wel, alsof op deze plaats ontelbare paden samenkomen. Want wij realiseren ons wel, dat wij een taak hebben. Wij trachten echter die taak te concretiseren en wij doen dit aan de hand van onze vroegere ervaring plus onze huidige wereldervaring. Hoe sterker die wereldervaring meespreekt, hoe moeilijker het voor ons zal zijn inzicht te krijgen in de werkelijkheid. De mens, die het leven te veel als slechts een “concreet” probleem wil zien, zal haast altijd vele verkeerde wegen inslaan. Is men er echter in geslaagd ‑ al is het dikwijls in een vaak vage vorm en soms als geloof verhuld – het ware doel te behouden, dan volgt de aanpassing aan de wereld. Ook deze aanpassing is tweeledig. In de eerste plaats krijgt men te maken met stoffelijke scholing en stoffelijke kwaliteiten. Daarnaast echter hebben vooral in de eerste levensjaren geestelijke factoren een sterke invloed en meestal ook factoren, die op mentaal en astraal gebied liggen. In deze tijd van irreëel leven en denken, zonder al te grote verantwoordelijkheid in het eigen bestaan, treden de eerste eigenschappen op die de mens nodig heeft. Zij zijn: een zeer sterke drang tot zelfbehoud: een bij het kind sterk egocentrisch denken in ogenblikken van nood met daarnaast een vaak zeer groot altruïsme: zeer grote intensiteit van emotie en gevoelen: en een bepaalde ‑ voor de grote meestal te primitieve ‑ logica, die echter veelal op haar doel afgaat.

Er ontstaat een wereldbeeld. Dit stoffelijk wereldbeeld wordt aangevuld met wat de volwassene droomfiguren noemt. Het zijn dus in vele gevallen meer reële astrale en mentale factoren. Het gevolg is, dat het kind in strijd is met de wereld. Want slechts een deel van zijn werkelijkheid wordt door de wereld als zodanig aanvaard. Slechts een deel van wat de wereld zegt, is redelijk. Het gevolg is, dat dit groeiende verzet ‑ meestal tot uiting komend tussen de 5 en 9 jaren ‑ een tweede, grote fase van de doolhof voor ons opent met ook hier weer vele vertakkingen. Wij zouden kunnen aannemen dat men nu automatisch de juiste weg zal gaan. Want men heeft een bepaald, zij het primitief, geloof en een deelbewustzijn. Maar er is een secundair doel bijgekomen: het kind wenst in deze jaren boven alles méér te zijn dan de volwassenen in zijn omgeving. Het gevolg is: de stoffelijke afleiding. Deze stoffelijke afleiding, vrienden, brengt ons o.m. in contact met de materiële behoefte en daardoor met het materialisme.

Zeg niet dat er één mens kan leven, die niet geheel of ten dele materialistisch is ingesteld. Er zijn maar weinig mensen, die een goed inkomen willen opgeven voor een geestelijke roeping. Er zijn er nog minder, die hun laatste korst brood aan een ander geven ‑ omdat dit volgens een kosmische wet zo behoort ‑ wanneer zij weten zelf te verhongeren. Dit is nu eenmaal een deel van uw stoffelijk leven, maar het is tevens in strijd met uw inborst. Ook hier heeft u weer de keuze uit verschillende mogelijkheden tot rationalisatie. U gaat voor uzelf verklaren dat het zus of zo is of moet zijn. Logischerwijze zal de doorsnee‑mens, wanneer hij deze tendens met de seksuele tendens in de puberteitsjaren verrijkt ziet, afdwalen van het grote doel. Vandaar dat stoffelijke gezien de doolhof van het “ik” geen enkele directe weg toont naar het middelpunt van het wezen. Wij moeten steeds buitenom blijven gaan.

U heeft de tekeningen misschien wel eens gezien, waarbij je om het middelpunt te raken, twee‑, driemaal schijnbaar op je schreden terug moet keren ‑ alleen één streepje verder, steeds aan de buitenkant blijvend ‑ tot je ineens, via vele zigzaggen, haast recht op het doel af kunt stevenen. Met die tekening kunnen wij het “ik” van de stoffelijke mens vergelijken. U heeft behoefte aan een bepaalde reeks ervaringen. Deze ervaringen moogt u nog zo mooi in een kleed van esoterie of filosofie hullen, u moogt ze godsdienstig verklaren of u moogt ze zuiver verstandelijk en rationeel een achtergrond trachten te geven: in geen van deze gevallen zal er sprake zijn van een doordringen tot het “ik”. Schijnbare esoterie, schijnbare geloofsbeleving, zelfbedrog, waarbij machtspositie vaak met Godsgeloof wordt verward, zijn voor de doorsnee‑mens kentekenend in de jaren tussen ‑ zeg maar ‑ de 14 en de 25 tot 30 jaar. Eerst daarna kunnen we een andere en meer redelijke benadering verwachten.

Nu zijn er in de doolhof natuurlijk paden, welke fout zijn en er zijn er die goed lijken. Werkelijk goed is echter maar één pad. Dit pad zullen we zelden geheel afgaan. Wij volgen over het algemeen ‑ en zeker in stoffelijke vorm ‑ één van de vele langere wegen, die ten slotte tot het doel leiden. Uitzondering hierop is een bepaalde vorm van incarnatie, die bv. in Tibet Thurcu wordt genoemd. Een Thurcu is een geest van een “verlichte”, die op aarde reïncarneert om een bepaalde taak af te maken. Maar zelfs hij, die een bepaalde taak heeft af te maken, zal over het algemeen de eerste 30 jaren van zijn leven besteden aan een soort versnelde ontwikkeling, waarbij vele oude fasen worden herhaald. Dit is eensdeels oorzaak en gevolg en anderdeels noodzaak om zich te oriënteren in de wereld waarin men leeft.

Wij zijn ‑ nemen we maar aan ‑ geen van allen Thurcu. Wij zijn geen hoogwaardige hergeboorte van hen, die op het punt staan als boeddha in de eeuwigheid te worden opgenomen: geen wezens, die aan het rad der gebeurtenissen kunnen ontsnappen. Daarom moeten wij in onze doolhof proberen reden en rijm te vinden in de schijnbare, tegenstrijdigheid van onze handelingen. Wij moeten trachten inzicht te krijgen in het vele, dat in ons leven optreedt om zoiets van onszelf te herkennen. Daarbij gelden natuurlijk een aantal regels en mogelijkheden.

Eén van de eerste ‑ het klinkt u misschien heel gewoon in de oren, maar het is belangrijker dan u denkt – is: zolang het element tijd in de ervaring een grote rol speelt, tijd richtingsbepalend is en niet de daad. Dit klinkt heel vreemd, maar binnen het complex van vragen aangaande de benadering van het “ik” is het toch waar. Wanneer u n.l. in uw denken en zoeken wilt doordringen tot uzelf, zult u reeksen ervaringen moeten doormaken, die zelfs met elkaar in strijd zijn, u zult gevolgen ondergaan van daden, die u hebt gesteld, waardoor deze elkaar opheffen. Op grond van de daden en hun gevolgen alleen kunnen wij geen richting bepalen. Wel kunnen wij zien, waar de tijd ons. brengt. Niet de ontleding van onze daden, niet de ontleding van onze motieven gedurende een geruime tijd, maar de vergelijking van een punt dat in de tijd laten we zeggen 5 of 10 jaar geleden is met het punt heden, maakt het ons mogelijk te zien in welke richting wij ons hebben voortbewogen. Dan eerst kunnen wij een enigszins reëel beeld krijgen van onze werkelijke ontwikkeling en vooruitgang. Deze zeer eenvoudige regel maakt het ons in ieder geval mogelijk te overzien, hoe wij ons bewegen. Het geeft ons geen kaart van de doolhof en zeker ook geen inzicht in de wijze, waarop wij in die doolhof het einddoel zouden kunnen vinden. Daarom zullen wij verder moeten gaan.

Nu kent men alleen de methoden van zelfontleding, die worden gebruikt om tot bewustzijn te komen. Er zijn erbij die zeer waardevol kunnen zijn, bv. uit een esoterisch standpunt, als de z.g. dagontleding die elke avond zou moeten geschieden. Maar die dagontleding alleen kan nooit voldoende zijn. Zij geeft ons door ons huidig bewustzijn en standpunt een overzicht van goed en kwaad. Ze geeft ons dus aan de hand van onze eigen maatstaven de mogelijkheid enigszins corrigerend op te treden. Maar ze geeft ons dit nooit in absolute zin. Zij kan dus voor een persoonlijke ontwikkeling inderdaad nuttig zijn maar nooit inzicht geven in de werkelijke geheimen, die binnen het “ik” schuilgaan.

Er bestaat echter wel een andere methode. Deze methode ‑ dat geef ik graag toe ‑ is niet voor iedereen te volgen. Elke mens heeft onder bepaalde omstandigheden de mogelijkheid a.h.w. uit te treden of te dromen. Deze uittreding of droom confronteert de mens met de werkelijkheid van een andere wereld, dan wel met een in tijd en ruimte, een anders liggend deel van zijn eigen wereld. Wij krijgen daardoor een punt van beschouwing, dat ligt buiten het eigen stoffelijke milieu, waardoor een groot deel van de zuiver stoffelijke factoren worden uitgeschakeld. Kunnen wij deze toestand bereiken (iets waartoe ongetwijfeld meditatie en concentratie oefeningen etc het hunne kunnen bijdragen), dan zullen wij ‑ ongeacht de stoffelijke omstandigheden ‑ vrij zijn om uit de geest corrigerend op te treden. Hierdoor wordt na terugkeer in de stof een juistere bepaling van het pad mogelijk. Daardoor kan men dus meer punten van de doolhof gelijktijdig overzien: men zal naast de stoffelijke factoren de geestelijke mogelijkheden en iets van een geestelijke noodzaak ervaren. Dit is in feite hetgeen uw levenspad bepaalt. Maar het zien van de juiste verhoudingen maakt het u mogelijk uw eigen handelingen, uw eigen streven en zelfs uw concentratie en uw geloof te richten op hetgeen voor u op dit ogenblik klaarblijkelijk noodzakelijk is. Men kan zich aanpassen. Ongetwijfeld treedt dan daarbij een volgend element op.

Wanneer wij dergelijke uittredingen bewust of onbewust tot stand zien brengen, valt ons op dat de mens de aansprakelijkheid, welke dit meebrengt, niet wenst te aanvaarden. Dit is logisch, want die aansprakelijkheid ligt buiten de tijd. Zij blijft dus voortdurend gelijk, tot het “ik” verandert. Een dergelijke last is zo zwaar te dragen, dat de mens deze afwentelt. Wij komen tot het persoonlijke geloof, waarbij een deel van het “ik” heel dikwijls optreedt als beschermheilige, engelbewaarder, meester, geestelijke goeroe enz. enz. Let wel, ik zeg niet dat deze dingen niet werkelijk kunnen bestaan. Maar binnen het “ik” beschouwd zien wij ze al te vaak als een poging om bepaalde verantwoordelijkheden van het “ik” af te wentelen.

Nu bestaat er hier weer een mogelijkheid tot verwarring. Wanneer een bepaald geloof wordt aangehangen, een bepaalde god aanbeden, een heilige vereerd enz., alleen omdat men hierdoor in eigen leven minder verantwoordelijkheid meent te dragen, dan volgt hieruit dat er een pad wordt gevolgd, dat niet strookt met het werkelijke doel maar met de begeerte van de mens. Een dergelijke heilige, goeroe enz. geeft u immers de raad en de adviezen, die u innerlijk meent voor u in de huidige situatie en volgens uw huidig standpunt als de meest begerenswaardige te zien. Dat u daarbij door het onderbewustzijn meer reële beslissingen treft, dan u verstandelijk zou doen, is nog geen reden dit alles te zien als de juiste weg. Ook hiervoor moet dus in de doolhof van het “ik” ergens een oplossing worden gevonden. Die oplossing is dan ook over het algemeen de volgende:

Wij leren afstand doen van elke imaginaire meester of geleider: wij zullen voor alles trachten zelf verantwoordelijk te zijn. Daardoor komen wij tot een veel gemakkelijker en prettiger aanvaarden van de consequenties van onze daden, zomede van ons gebrek aan daden, dat ook zijn gevolgen heeft. Op deze manier is het dus mogelijk zonder zorg, zonder innerlijk gebonden te zijn een overzicht te krijgen van de richting, waarin het leven gaat.

Voor anderen is het uittreden niet mogelijk: of althans zo moeilijk dat men hiermede geen noemenswaardige resultaten bereikt. Ook dezen zullen echter een zeker overzicht kunnen vinden. Zij kennen n.l. verscheidene soorten dagdromen. De dagdromen spelen zich over het algemeen af in een situatie, waarbij het “ik” een andere vorm heeft dan de huidige: bovendien in zulke waarin het “ik” een andere macht bezit dan de huidige: en in de derde plaats: waarin het “ik” zichzelf blijft volgens de huidige voorstelling, maar in een nieuw milieu is gekomen. Deze drie hoofdvormen van dagdromen geven tezamen wederom aan welke punten eigenlijk voor ons in het leven belangrijk. zijn. Als u deze dagdromen eens bekijkt en tracht te ontleden, ze te herleiden tot wat ze in feite betekenen ‑ bv. de behoefte aan macht, de behoefte aan erkenning, de behoefte misschien ook aan rust ‑ dan kunnen we daaruit de nodige conclusies trekken. Wij kunnen o.m. concluderen dat de verhouding, waarin deze dromen voor ons belangrijk zijn, bepaalt hoe wij op het ogenblik moeten handelen om binnen de doolhof “ik” voor onszelf juist te handelen. Eerst wanneer de geestelijke factoren en enig overzicht zijn verkregen, kunnen wij verdergaan. Want wanneer wij de uiterste begrenzingen van de doolhof eenmaal hebben doorworsteld en daarin het juiste pad hebben gevonden, vinden wij daar binnen een tweede doolhof. Een doolhof in dit geval, die uit geestelijke machten, krachten en voertuigen is opgebouwd. De geestelijke krachten zijn onze vermogens. Deze kunnen paranormaal zijn. Ik denk hier aan magnetiseren, helderziendheid, mediumschap, hypnotische vermogens en de mogelijkheid manifestaties te veroorzaken. Er dreigt hier een gevaar. Op het ogenblik dat de kracht het hoofddoel wordt, zal er altijd een ombuiging optreden van de werkelijke lijn en wel een buiging naar buiten in plaats van een naar binnen in het “ik”. De mens, die zich in hoofdzaak bezighoudt met de vermogens, welke hij bezit en deze niet als een bijproduct van zijn bewustwording beschouwt, zal als gevolg daarvan in de meeste gevallen niet verder tot zichzelf kunnen komen.

Hebben wij ook deze valstrik vermeden, dan staan wij nog steeds voor het probleem: ik heb nu wel een geestelijk inzicht: maar dit inzicht, dat voor mij geheel juist blijkt, kan niet juist zijn voor iedere mens. Elke mens is een doolhof, dat is waar. Maar in elke doolhof staan hier en daar een paar lijntjes anders en dat betekent soms een totaal andere weg. Daaruit volgt dat wij ‑ wanneer wij eenmaal een waarheid in onszelf hebben erkend ‑ nooit in staat zullen zijn deze op bevredigende wijze aan anderen te leren, tenzij deze anderen eerst in harmonie met ons eigen wezen komen. Menen wij echter dat wij die waarheid zo belangrijk moeten zien, dat zij ten koste van alles aan de buitenwereld moet worden verkondigd, dan keren wij ons wederom van het innerlijk naar buiten en zullen de kern van het “ik” niet kunnen benaderen.

Nadat wij ook deze valstrik zijn ontkomen, staan wij plotseling voor talrijke geestelijke voertuigen. Het “ik” dat eerst zo samenhangend leek, blijkt nu te bestaan uit vele en elk voor zich anders gerichte kleine delen. Om een vergelijking te maken: het is zoiets als een kruispunt. Laten we zeggen als bv. het kruispunt bij de Keizerstraat op een spitsuur. Ieder van hen, die zich beweegt, heeft een eigen doel. Ieder van hen wordt soms tegengehouden en stopt schijnbaar zonder reden. Anderen veranderen van richting zonder dat je weet waarom. Elk voertuig heeft dus zijn eigen geestelijke wereld: een vaste relatie. Maar de geestelijke werelden verschuiven in waarde nogal eens ten opzichte van elkaar naar gelang van de hooggeestelijke werking, die hen verbindt. Het gevolg is dat ‑ wanneer wij eenmaal tegenover die innerlijke wereld staan ‑ het voor ons nog in het geheel niet zeker is, dat wij nu ook begrijpen wat zich afspeelt. Indien wij trachten alles tot eenheid te brengen, vallen wij wederom in één van de grote valstrikken, die vooral in de menselijke psyche zijn gelegen: wij proberen onze innerlijke tegenstrijdigheid op te lossen door dwang. Doen we dit, dan buigen we weer naar buiten af, want we zullen ‑ bewust of onbewust ‑ innerlijke problemen gaan ontlopen in plaats van ze onder de ogen te zien. De juiste gang van zaken is dan meestal: Allereerst de lagere geestelijke sferen of voertuigen realiseren. Dat kan nooit in een stoffelijk verstandelijke zin. Voor het stoffelijk verstand komt hier een zekere filosofie in de plaats. Men bouwt voor zichzelf stellingen op. Die stellingen geven voor het “ik” een wereldbeeld. Naarmate wij in een dergelijke stelling meer verzinken en één worden, blijkt ons dat wij met anderen contact kunnen krijgen: de mystieke beleving treedt voor de mens op. Maar we hebben dan nog maar steeds een enkel geestelijk voertuig geactiveerd en de andere zijn nog steeds voor ons dan fietsers of zoiets, die allen verschillende kanten uit zwenken, uitwijken of rechtdoor schieten, zonder dat we weten waarom. Wanneer wij nu een tweede voertuig vinden, dan blijkt dat naast onze eerste filosofie een tweede ontstaat, welke daarmee schijnbaar geheel in strijd is. Vooral voor het menselijk verstand is dit vaak het punt, dat men zegt: “Ik geef het op. Ik heb er genoeg van. Ik kom toch niet verder.” In een dergelijk geval buigt men weer af naar buiten.

Maar u moet goed begrijpen, dat elk van die problemen op een ander vlak ligt, ook al worden zij ‑ in verband met de termen en stellingen die men gebruikt ‑ schijnbaar in hetzelfde vlak uitgedrukt. Om een voorbeeld te geven: Ge hebt een tennisbaan. Dan kunt ge deze groot maken of klein. Ge zoudt hem misschien zelfs rond kunnen maken en de lijnindeling veranderen. Ge zoudt een hoger of lager net kunnen gebruiken. Ge zoudt de regels kunnen wijzigen. Kortom er zijn duizenden mogelijkheden om de basis van dit spel te gebruiken, ofschoon het toch geheel anders wordt.

Wij kunnen ditzelfde wiskundig doen. Als wij werken met bepaalde constanten, maar deze ‑ zij het volgens bepaalde wetten ‑ op een variabele basis aannemen. Ik kan b.v. een constante A stellen als een snelheid van het licht van 300.000 km. per uur. Daarnaast stel ik: ik heb een constante lichtsnelheid van 300.000 per minuut. Bovendien stel ik: ik heb er één met de nu feitelijk erkende snelheid van 300.O00 km. per seconde. En ten slotte stel ik: ik heb een waarde, waarbij licht continu is en dus optreedt als een vaste wereld. Ik heb dan verschillende vlakken. Maar wil ik nu in die vlakken met deze verschillende grondwaarden gaan werken, dan is het niet mogelijk de problemen, die daaruit voortkomen, onderling te vergelijken, tenzij ik weet om welke reden ik de afwijkende grondwaarden heb gebruikt.

Eenvoudig gezegd dus: ik kan wel een aantal stellingen verkondigen, die elk voor zich een grondwaarde inhouden. En ik kan dat heel gemakkelijk doen, omdat in het Al elke mogelijkheid ergens reëel is. Wanneer ik dus die realiteit stel, kan ik volgens deze gaan werken. Maar ik kan niet verschillende realiteiten naast elkaar hanteren. Evenmin als een mens met zijn vermogens in een sfeer kan leven en gelijktijdig in de stof als mens volledig actief kan zijn. Dat is onmogelijk. Indien men echter weet wat geest en mens verbindt (het doel), dan is het mogelijk t.o.v. dit hoger erkende doel beide factoren gelijk te schakelen en dan kunnen beide wel als eenheid worden gehanteerd. Op deze manier moet men leren beseffen, hoe het innerlijk ‑ en vooral het geestelijk innerlijk ‑ uit een groot aantal voertuigen en verschillende werelden bestaat, die elk eigen wetten hebben en eigen schijnbaar constante waarden: en dat een begrip in elke wereld een andere constante, een andere als grondslag geldende waardering kan uitdrukken.

Het geheel wordt echter verbonden door een regel. En die regel kan pas gelden, als wij elk van de vergelijkingen afzonderlijk uitwerken en voortdurend trachten ‑ indien wij in onszelf een vaste waarde ontmoeten, deze te vergelijken met andere waarden, die wij op andere vlakken reeds hebben uitgerekend. Dan krijgen we iets, dat heel veel lijkt op een Chinese puzzel. Want al deze werelden hebben ergens één waarde gemeen. Die waarde is God, het goddelijk Licht, of hoe u het noemen wilt. Door nu net zolang onze werelden ten opzichte van elkaar te verschuiven (dus zoals ik reeds zei als in een puzzelboekje) tot de waarde “God” in alle gelijkelijk beseft kan worden, hebben wij tevens het geheel van ons wezen gevonden. Dan kunnen wij langs alle wegen, met alle voertuigen, door alle geestelijke werelden die deel uitmaken van het “ik”, onmiddellijk de kern van het “ik” bereiken.

Het zal u blijken uit hetgeen ik tot nu toe heb gezegd dat het niet zo gemakkelijk is die doolhof “ik” helemaal te doorgronden. Integendeel, het is een proces dat heel vaak veel tijd vergt. Toch behoeven we niet te wanhopen. Want dit gaat men als mens heel gauw doen, als iets te moeilijk lijkt. Aangezien wij in de doolhof geen overzicht bezitten maar een doel kennen, dat uit onze wereld zichtbaar is – n.l. God, harmonie, kosmische liefde als u wilt ‑ kunnen wij ons daarop oriënteren. Indien wij één vast punt van oriëntatie gebruiken in onze eigen wereld, gebruiken we tevens datgene, wat in vorige incarnaties tot hoofdpunt van ons bestaan is geworden. Wij gebruiken dat zeker in vormen én concepten, die aan de eigen wereld zijn ontleend. Maar de grondslag van de opvatting blijft bestaan. Dit is voor ons het leidsnoer.

Stel, dat we midden in onze doolhof een toren oprichten, die u overal kunt zien. U heeft zo misschien wel eens gezien: doolhoven van taxushagen bv. met een groot beeld of uitkijktoren in het midden. Wanneer ge daarheen blijft kijken, kunt ge u nog wel voortdurend vergissen. Maar ge weet toch in ieder geval in welke richting een pad zou moeten lopen. Daardoor zoudt ge soms bij uw keuze verward kunnen worden. Soms. Maar dat wordt altijd gecorrigeerd, want elk pad ‑ dat voor ons niet het juiste is ‑ loopt dood. Het is dus niet zo, dat er drie of vier wegen bestaan, die ons bijna tot het doel brengen en één die het werkelijk doet. Er is één weg, die verdergaat door alle werelden. Alle andere wegen lopen na betrekkelijk korte tijd dood. Wij ervaren dit door geestelijke moeheid, een weerzin tegen de noodzaak te corrigeren en te herstellen. Indien wij hierop bedacht zijn en ons niet verbitterd gevoelen, als wij delen van ons leven, die we al heilig achtten, moeten prijsgeven. Als wij opvattingen, die we juist meenden te zijn terzijde moeten stellen, maar beseffen dat in de voortdurende verandering onze enige mogelijkheid tot ontwikkeling ligt, dan kunnen wij steeds betrekkelijk snel de hoofdlijn terugvinden. En als wij wanhopen, kunnen wij altijd weer opzien naar die goddelijke Liefde. Dan kunnen wij voor onszelf beseffen dat deze steeds meer voor ons betekent. En dat is hetzelfde als te zeggen, dat ge deze Liefde iets nader zijt gekomen.

Maak niet de fout die zo menigeen maakt aan uzelf te wanhopen. Daartoe komt ge al heel gauw, als ge alleen op psychologisch onderzoek en stoffelijke waarderingen een mening omtrent uzelf baseert. Natuurlijk, ge moet beginnen met te weten wat ge in uw wereld ongeveer waard zijt. Dat kunt ge altijd heel eenvoudig zien: wat ge zijt, wekt ge in de wereld. Sommigen denken nu ongetwijfeld: dat kan toch niet juist zijn, want het gaat soms heel anders, dan ik zou willen. Wat u wilt, heeft er niets mee te maken. Wat u bent in de wereld echter wekt u bij alle anderen en u krijgt daarop het directe antwoord volgens de geaardheid van die anderen terug. Maar die anderen kunt u ongeveer schatten: de wereld weerkaatst uw uiterlijk beeld. Op deze manier is het in elke stoffelijke of geestelijke incarnatie mogelijk uzelf in de wereld ongeveer te zien en te beseffen. Duidelijk is, dat iedereen daarbij de nadruk gaat leggen op zijn gebreken. Doe dit niet. Een mens, die de nadruk legt op zijn eigen gebreken, zal zich over het algemeen daarover zo bezorgd maken, dat hij datgene wat hij nog aan goeds bezit gaat verwaarlozen. Werk op datgene, wat u bezit, goed is: gebruik dat zo intens u wilt. Leg steeds weer de nadruk op het goede. Ik zeg niet, dat het altijd het juiste zal zijn, maar door voortdurend hetgeen voor u goed is in het leven te activeren, zult u een grotere. Innerlijke eenheid bereiken en door deze grotere innerlijke eenheid dus ook kunnen komen, vrienden, tot een verdergaan op het pad.

Er zijn op deze wereld heel veel leringen gegeven, die elk voor zich pretenderen ‑ tenminste waarvan de volgelingen beweren ‑ dat zij de enige weg zijn naar een werkelijke verlossing. Laat u daardoor niet verwarren. Deze wegen bestaan alleen innerlijk. En innerlijk zijn zij gelijk, ongeacht hun uiterlijke verschillen en vormgeving.

Zoals het mogelijk is een zelfde reclameslogan op drie-, vierhonderd verschillende manieren te variëren en te herhalen, zo is het mogelijk de op aarde mogelijke en noodzakelijke richtlijnen voor verdere erkenning van het ware “ik” in drie- of vierhonderd verschillende vormen en systemen weer te geven. Maak u geen zorgen over het systeem, maar maak u wel zorg over uzelf. Zorg dat voor u uw levenshouding juist is.

Een laatste punt. Ik weet dat menigeen zegt: “ja, maar ik kan mijn vorige incarnaties toch wel weten of men kan ze voor mij berekenen.” Ik wil over het al of niet juist zijn van die verklaring in alle gevallen hier niet discussiëren. Ik wil alleen aanstippen, dat het misschien mogelijk zou zijn, heel misschien. Maar zelfs de kennis van de reeds afgelegde weg geeft geen inzicht omtrent de nog af te leggen weg. Het heeft geen zin te veel terug te grijpen naar het verleden. Onze weg is verder naar binnen, totdat we daar ergens datgene, wat we God noemen en wat we misschien honderd andere namen kunnen geven, ontmoeten en zo ons werkelijk “ik” beseffen.

Maakt u nooit zorg over het al of niet juist zijn van wat u gelooft. Het is niet belangrijk, zolang uw handelen, dat daaruit voortspruit, voor u aanvaardbaar en juist is en zolang u voelt gij u daaraan met heel uw wezen aan kunt geven. U kunt ook via het geloof nooit een overzicht verkrijgen: want elk geloof is maar een deel van de werkelijkheid en als zodanig een deel van de fase, waarin u verkeert. Soms kunt u ook in een toestand van verrukking komen. Het gebeurt zelden, maar het is bekend dat het wel eens geschiedt. In deze toestand hebt u het idee, dat ge uzelf geheel kwijt zijt. In plaats van een wereld is er iets, wat ge als een wolk, een drijven of oen licht of zelfs een “ergens tussen de sterren hangen” zoudt kunnen beschrijven. Deze toestand nu kan het “ik” zo ver van zichzelf in zijn actieve vorm verwijderen, dat een redelijk overzicht over een groot deel van de doolhof “ik” kan worden verkregen. Voor zelfrealisatie zijn deze ervaringen zeer belangrijk. Alle oefeningen, die tot een dergelijk intens beleven uzelf in het Grotere te verliezen kunnen voeren, zijn dus belangrijk.

Ik hoop, vrienden, dat ik u met deze lezing niet heb teleurgesteld. Misschien had u van mij een verhandeling op zuiver psychologische basis verwacht. Als dit zo is, dan staat het u volkomen vrij daarover vragen te stellen. Misschien had u van mij een meer occulte verhandeling verwacht of een meer mystieke. Het staat u vrij te vragen. Misschien heb ik stellingen aangeroerd, die u onaanvaardbaar vindt. Het staat u vrij u daartegen te verzetten. Dit is een inleiding, een grondslag. Ik heb in deze grondslag voor onze discussie meer stof verwerkt, dan de gemiddelde aanwezige geheel kan verwerken of behouden. Het is niet belangrijk dat u alles verwerkt of behoudt. Wel is het voor het slagen van de avond belangrijk en ‑ als ik het mag opmerken ‑ ook voor uzelf, dat u de punten die u bijzonder hebben getroffen nader tracht uit te werken.