De duivel en natuurgeesten

uit de cursus ‘Verborgen krachten van de natuur’ – mei 1971

De duivel

Er zijn zoals u weet heel veel duivel verhalen in omloop. De meeste mensen vermoeden dat dit alles voor rekening komt van de heer J. Pek of de een of andere Goethiaanse figuur, die Mefistofeles schijnt te heten. De waarheid is natuurlijk een beetje anders.

De natuur is bezield. In die natuur komen bepaalde figuren en persoonlijkheden voor. Daarnaast ‑ dat zult u uit vorige lessen weten ‑ kunnen mensen door hun denken vele astrale vormen scheppen, die op den duur enigszins bezield geraken en op de mensheid gaan inwerken.

Het is een beetje moeilijk om de duivel precies onder te brengen. Als je de afbeeldingen in de christelijke wereld ziet, dan is hij een soort Pansfiguur, die er een mantel bij heeft gekregen en een meer demonisch uiterlijk. Toch zou men kunnen aannemen dat in de christelijke wereld een groot gedeelte van het geloof aan de duivel is terug te brengen tot een poging om een natuurverering, zoals die in de oudheid bestond o.m. in Griekenland, terug te dringen.

Zou dit de enige duivel op de wereld zijn, dan was het gemakkelijk en zouden we kunnen zeggen: Ach, de natuur leeft. Er is een levende kracht in de natuur. Deze figuur, representerende de bezielde natuur, is vanuit het standpunt van het geloof verwerpelijk, gevaarlijk, hij is wat hedonistisch en daarom heeft men gekozen tegen de natuur en voor de onstoffelijke wereld.

Maar dan hebben wij te maken met bv. de Djinns. Dat zijn Arabische duiveltjes of demonen, die zich weleens in kleine stofwervelingen laten zien in de woestijn. Gaan we hun karakter ontleden, dan komen we tot de conclusie: Wij hebben hier helemaal niet te maken met werkelijke demonen. Wij hebben te maken met een ander volk. En dat andere volk is in zijn vorm zoals het wordt voorgesteld, in overeenstemming met wat wij elders zien als tempelwachters en zelfs als bepaalde godenmaskers. Er moet dus:

Punt 1; een aanleiding zijn om juist die gestalte aan de Djinns toe te kennen.

Punt 2: die Djinns horen ergens thuis. Zoeken wij een verklaring daarvoor, dan zien wij dat zij soms wel met bepaalde natuurverschijnselen worden vereenzelvigd, maar dat hun werkelijk wezen en vooral hun groepering, hun samenwerking toch wel een heel eind af staat van de natuur dan bv. de heer J. Pek.

Gaan we kijken in het Verre Oosten, dan zien wij ook daar weer dat er demonen zijn. Deze demonen doen ons nog het meest denken aan geesten van overgeganen die allerlei kwade en vervelende dingen uithalen, ofwel ‑ wat ook voorkomt ‑ het zijn weer dezelfde geesten en maskers waarover wij reeds hebben gehoord.

Steken wij over naar Amerika, dan vinden wij daar eveneens soortgelijke maskervormen, zij het dat zij daar bij dansen worden gebruikt en een enkele keer als versiering. Het zijn alweer dezelfde figuren en ook zij heten goden of demonen, afhankelijk van de landen waar je bent. Ga je naar het zuiden, dan vind je in Mexico bv. allerhande beelden, waarop maskers voorkomen in overeenstemming met die andere. Ook hier weer: sommige zijn goden, andere zijn demonen. Nu kunnen we naar Afrika gaan, daar vinden wij ook zulke gestalten. Wij kunnen zelfs gaan praten met de Vuurlanders (als we de primitieve tenminste kunnen vinden) en weer komen dezelfde eigenschappen naar voren. Praten wij met Eskimo’s, dan blijken sommigen van hen eveneens dergelijke gestalten te beschrijven en soms ook uit te beelden.

Ik breng dit alles zo breedvoerig naar voren, omdat wij anders misschien zouden vastlopen in het denkbeeld: de duivel is de antithese van God, die men religieus gebruikt om het kwade te verklaren. Maar als wij van de stelling uitgaan dat alle maskers over de gehele wereld een opvallende gelijkenis vertonen, dat veel van hetgeen wordt gezegd omtrent demonen, Djinns en soms zelfs over duivels met elkaar strookt, dan zouden wij moeten concluderen: Er is toch wel degelijk een macht, een kracht, misschien een aantal persoonlijkheden die zich sterk onderscheiden van de mensheid.

Ik wil proberen u nu iets te vertellen over alles wat met de duivel wordt geassocieerd, juist omdat de duivel ergens het masker is geworden van een groot aantal bezielende krachten en werkingen die in de natuur bestaan. Ik begin maar eenvoudig:

Er zijn vele bezielde krachten in alle elementen. Daarover hebben we reeds gesproken. In de lucht, in de atmosfeer komen wezens voor, die vreemd genoeg een gelijke gestalte hebben als ons van de Djinns e.d. wordt beschreven. Het is misschien niet helemaal zuiver, er zijn artistieke misvormingen (slagtanden bv.), die worden soms zwaar overdreven, maar bepaalde luchtgeesten zijn in overeenstemming met dat beeld. Is het nu zo vreemd, als wij dan zeggen: Luchtgeesten zijn in ieder geval betrokken bij het duivelsgeloof?

Dan gaan wij nog een stapje verder en gaan ons afvragen hoe het dan komt, dat de Djinns en al die andere duivels in verschillende graden en klassen worden ingedeeld. De verschillen liggen in de eerste plaats vaak in grootte. Sommige duivels zijn heel erg groot, andere heel erg klein. Sommige duivels zijn kennelijk dierlijk, althans ze hebben vele kenmerken van dieren. Daar moet een reden voor zijn. Andere daarentegen zijn praktisch menselijk.

Gaan we kijken in de atmosfeer, dan vinden wij daar bezielende krachten, die binnen de troposfeer blijven. Andere entiteiten blijken op grotere hoogte vooral actief te zijn. Zij hebben grotere kracht, ze bewegen zich met hogere snelheden, zij zijn minder snel plaatselijk gebonden. Kortom, zij zouden wel eens de werkelijke achtergrond kunnen zijn van de grote duivels.

Daarnaast kennen wij ‑ en dat hangt waarschijnlijk samen met de mythologie van de volkeren ‑ de vuurduivels.

Vuurduivels zullen misschien voortkomen uit de vaak ontstellende ontdekkingen, die men bij de verschillende kraters doet. Als je een vulkaan in werking ziet, dan is dat iets overweldigends. En heel vaak lijkt het, alsof je daarin een figuur ziet. Laat ons aannemen, dat ook in het magma van de aarde bepaalde wezens kunnen leven. Wat hebben die dan te maken met het menselijk gedachteleven? Het is wel heel aardig te vertellen dat de duivel komt om je te bekoren. Ik vind het dan vreemd dat hij mannelijk wordt afgebeeld. Hij komt om je te verleiden, om je naar de hel te brengen e.d. Hoe komt men daaraan? Om dat te begrijpen zouden wij eerst de antithese moeten beschouwen tussen het merendeel van de geloofsvormen en de natuur zelf.

Een mens in een stoffelijk lichaam is ook geest. Het geestelijke behoort tot de elementen, die misschien in het astrale nog kenbaar zijn, maar die eigenlijk uitsteken boven alles wat zuiver met de ritmen van de natuur verbonden is. Gaan wij naar de geest toewerken, dan kan alles wat met de natuur samenhangt voor ons misschien een belasting zijn. In dat geval kunnen wij inderdaad zeggen dat de krachten van de natuur “demonen” zijn. Zij beletten ons om verder te komen. Aan de andere kant echter, als wij nu eens uitgaan van het standpunt dat de materie en de natuur zelf zinvol zijn, ook voor de geest, dan zijn dergelijke entiteiten eerder “engelen” dan dat zij demonen zijn. Het feit dat de mens probeert niet met maar tegen de natuur te leven, creëert voor hem de duivel. En als je een duivel schept, dan kan hij een astrale vorm krijgen en op je inwerken. Maar als je hem ook nog associeert met een bestaande kracht, dan ontstaat hierdoor een tegenstelling tussen de mens en de natuurkracht.

De natuur is vroeger deel geweest van alle godsdiensten. Op zichzelf klinkt dat krankzinnig, als iemand zegt: Alleen indien wij op de juiste manier een stier hebben geslacht, zijn zaad over de akker hebben gestrooid (dat moet de koning doen), zal het een vruchtbaar jaar kunnen worden. Maar je zou ook kunnen zeggen: Zo beneden, zo boven. Datgene, wat de mens in zijn denken uitstraalt, maakt hij waar in de krachten der natuur. En dan zouden de natuurgeesten weleens tot vijanden van de mens kunnen worden, omdat de mens begint hen en hun krachten en inwerkingen als vijanden te beschouwen. Volgens mij ligt de situatie als volgt:

De natuur heeft een eigen ritme, een eigen samenhang. In de ecologie weet men dat ook. Die samenhang is menselijk niet rechtvaardig, zij is evenwichtig. In deze evenwichtigheid zal een natuurgeest ‑ ook als het een hogere luchtgeest is ‑ eenvoudig zichzelf kunnen zijn. Hij zal voortdurend meewerken om bijvoorbeeld het sterkste in stand te houden, want dat is het ritme van de natuur. Op het ogenblik dat de mens gaat zeggen: Die sterkeren kunnen voor zichzelf zorgen, wij moeten voor de zwakkeren zorgen, zal die geest het gevoel krijgen van: hier gebeurt iets wat niet in overeenstemming is met mijn wereld. Hij beschouwt dit als een soort smog, een luchtverontreiniging op geestelijke basis en hij zal proberen daar iets aan te doen. Hij gaat dan zeggen: Indien jullie de zwakken handhaven, dan zal ik de zwakken uitroeien. Dat lijkt demonisch, maar het is volkomen gebaseerd op het evenwicht in de natuur. Op zichzelf is het voor de mensen zelfs niet van belang, of die eraan ten gronde gaan of blijven leven, want het leven na de dood is een grotere werkelijkheid dan het leven op aarde. En dat weten die entiteiten heel goed.

Zij zijn niet in staat om met de mens mee te denken. Daar hebben wij in de geest een zeker voordeel; wij kunnen met de mens meedenken. Een natuurgeest kan dit niet. Er is dus bij de natuurgeest (bv. een hogere luchtgeest) geen enkel begrip voor menselijke handelwijzen. Zolang de mens handelt volgens de normen van de natuurgeest is het best, daar kan hij mee uit de voeten. Maar op het ogenblik dat de mens daar tegenin gaat, zal de natuurgeest dit ervaren als een aantasting van zijn wezen ‑ en wat meer is ‑ van zijn wereld. Hij zal zich dan verdedigen. Het is deze verdedigende functie van een aantal natuurgeesten, die toch wel aan het beeld van de duivel een zekere achtergrond geeft.

Het is inderdaad zo dat een mens die terugkeert tot de ritmen van de natuur, de medewerking krijgt van natuurgeesten. Waarom? Heel eenvoudig, omdat deze mens beantwoordt aan wat in de natuur regel en wet is en dus geen aantasting is voor bv. de luchtgeest of andere natuurgeesten, maar een versterking. Het betekent de handhaving van zijn rijk, de regel waarin hij leeft. En dan zal hij inderdaad gunsten kunnen verlenen aan zo iemand. Dat klinkt weer krankzinnig, maar het is waar.

Als u nagaat hoeveel mensen, juist omdat zij zich niet bezighielden met het beschermen van zwakkeren e.d., enorm veel geluk hebben gehad, dan kunt u dat bekende gezegde dat “de duivel het graag op een grote hoop doet” wel eens ombuigen in de richting van: hier zal de natuur en zullen de natuurgeesten met die persoonlijkheid meewerken en hierdoor zal er een geluksfactor in zijn voordeel ontstaan.

Mensen, die duivels tegenover elkaar stellen. Als ik zeg dat er bv. een strijd is tussen de witte Djinns en de rode of de zwarte Djinns, dan neem ik aan dat er verschillende krachten zijn. De tegenstelling komt weer vanuit de mens, niet vanuit die entiteiten. Natuurgeesten strijden niet met elkaar. Zij leven in een bepaalde samenhang, een bepaalde verhouding. Verder dan dat gaan zij niet. Het is hun ook niet ingeschapen, het ligt niet in hun bewustzijn. Op het ogenblik dat de mens een keuze doet uit bepaalde verschijningsvormen, stelt hij voor zichzelf een disharmonie t.a.v. een deel van de natuurgeesten vast. Als ik kies voor de witte Djinns en er komt een zwarte Djinn bij, dan zegt hij: Dit is iemand die met mijn wijze van leven ‑ en dat is erg belangrijk! ‑ niet harmonisch is, dus moet ik ingrijpen.

De strijd van demonen of duivels tegen elkaar is iets, wat zich alleen afspeelt in de wereld van de mens en alleen als gevolg van een eenzijdige keuze, die de mens doet ten aanzien van de wereld van de geest.

Indien u met natuurkrachten rekening wilt houden, zijn er bepaalde grondregels. Een daarvan is:

Kies zoveel mogelijk voor alles wat puur natuur is. Alles wat kunstmatig is, moet u zoveel mogelijk beperken. Als u werktuigen gebruikt, dan heeft een natuurgeest daar helemaal geen bezwaar tegen, want het is voor de mens natuurlijk dat hij werktuigen gebruikt. Het is deel van het ras en daardoor heeft hij een zekere inhoud gekregen in het totaal van de wereld. Maar op het ogenblik dat de mens werktuigen gebruikt om de natuur te vernielen, moet de Djinn ingrijpen. Denk nu eens aan een paar feiten die eigenlijk toch wel vreemd zijn.

Italië. In Italië heeft men rustig alle leven van bomen vernietigd. Het resultaat is, dat men in bepaalde streken nog jaarlijks overstromingen heeft. Men kan dat allemaal verklaren. Maar nu blijkt dat men onlangs in Calabrië weer bomen heeft geplant. Het zijn jonge boompjes. Die boompjes hebben zeker nog geen wortelstelsel, waardoor zij de aarde kunnen vasthouden en zoveel water kunnen binden dat daar geen overstromingen zullen komen. Toch blijken hier de rivieren wel wat hoger te worden, maar geen overstroming te veroorzaken. Misschien zou men hier zo kunnen redeneren:

Juist omdat hier weliswaar leven wordt verbruikt ‑ dat is normaal, maar ook leven wordt teruggebracht ‑ de verhouding blijft ergens gehandhaafd ‑ is er voor de natuurgeest geen enkele reden om hier tot een bijzondere ontlading te komen. Het resultaat is dat de werkelijk schadelijke regenval vooral op de kale bergen terecht komt. Vind er maar een verklaring voor. Je kunt gaan debatteren over thermiek die op deze manier gewijzigd wordt, maar ik geloof dat het niet voldoende is. Want indien dit juist zou zijn, zouden wij in bepaalde delen van de Alpen soortgelijke regenval moeten waarnemen en wij zien die niet. Er zouden daar ook aardverschuivingen met hetzelfde karakter moeten voorkomen. Zij komen niet voor. Dus is er iets bijzonders aan de hand.

Een mens die probeert volkomen kuis te leven, doet iets wat niet natuurlijk is. Mensen die met elkaar samenleven ‑ of dat nu in een huwelijksband is of anderszins ‑ dat is natuur, dat hoort erbij. Op het ogenblik dat de mens zegt: Ik ontzeg mij dit, wordt hij vanuit het standpunt van heel veel geesten tegennatuurlijk. Dan zal de geest iets moeten doen om het evenwicht weer te herstellen. Dat kan hij alleen door maatregelen te treffen, waardoor hij het voorbeeld en het werkzaam zijn van dergelijke personen zoveel mogelijk uitschakelt.

Nu zal er iemand onmiddellijk uitroepen: Hoe komt het dan, dat er nog kloosters zijn! Ja goed, daar wonen ook niet alleen maar heiligen. En wat in de wet staat, is nog niet altijd wat je doet. Anderen zullen uitroepen: Als dat zo is, dan kunnen wij nooit tot een hoger bewustzijn komen! Verkeerd! Als wij kijken naar bepaalde ingewijden, zoals die o.m. in Tibet en ook in India in verschillende scholen voorkwamen, dan ontdekken wij dat deze mensen zich gedurende een tijd alles ontzeggen; daarna gaan zij gewoon onder de mensen en nemen ook de menselijke functies weer waar. Deze mensen worden gesteund.

Waarom zou dan iemand die zich terugtrekt in een celibaat, in afzondering, misschien worden gekweld? Het antwoord is heel eenvoudig: Vanuit het standpunt van een natuurgeest is een afwisseling van onthouding en volheid van leven slechts een verschijnsel van seizoenen. Dat is aanvaardbaar. Maar op het ogenblik dat een seizoen te lang duurt, is het een aantasting van de regelmaat en wordt het niet alleen gezien als iets wat de persoon zelf betreft, maar ook als een aantasting van het gehele milieu. Er wordt hier een onvruchtbaarheidsfactor in het milieu geprojecteerd; en als die factor blijft bestaan ‑ zo zal de natuurgeest redeneren ‑ dan gaat het evenwicht dat toch al zo wankel is, er helemaal aan.

De situatie is een beetje eigenaardig, want in deze tijd zeg je niet zo gauw meer: Het is de duivel die hier of daar een brand heeft veroorzaakt. Of: Het is de duivel die ervoor zorgt dat bepaalde projecten mislukken. Je zegt eenvoudig: Er zijn fouten gemaakt. Of: Hier is sprake van toeval. U moet in de komende jaren maar eens opletten hoeveel van die toevalligheden zich richten juist op bepaalde industrieën en bedrijven. Ja, hoe zelfs bepaalde typen van schepen plotseling sterk te lijden krijgen van een reeks ongevallen die eigenlijk met geen enkele kansberekening is te verklaren. Hier grijpen natuurgeesten in, want de verhouding tussen de mens en de natuurgeest is een wat wonderlijke.

Ik heb vooral de luchtgeesten genoemd, omdat de luchtgeest ook bijzonder gevoelig is voor bepaalde delen van het menselijk denken en daarop kan reageren. Aan de andere kant weten wij dat grote luchtgeesten reinigend optreden. Het kan dus gebeuren, dat zo’n grote luchtgeest ergens uit de stratosfeer op een gegeven ogenblik een onzuiverheid van denken ontdekt in een stad en zegt: Dat kan niet meer, naar beneden komt en a.h.w. al dat vuil, die verwarring absorbeert. Wat hij achterlaat is dan voor de mensen misschien niet helemaal aanvaardbaar, maar het heeft in ieder geval weer de mogelijkheid tot nieuwe ontwikkeling, nieuwe principes, vooruitgang.

Maar er kan ook een ogenblik komen dat zo’n geest naar beneden komt en zegt: Dit gaat niet. Ik kan hier niets aan doen. Ik ben machteloos. En die machteloosheid wordt dan niet veroorzaakt, zoals in de duivel legende, door een kruisje, maar doodgewoon door het feit dat de mens de natuur zover heeft vervormd, dat de greep die de natuurgeest daarop heeft, te klein wordt. En dan krijgen wij te maken met samenwerking. Over die samenwerking zult u ‑ ik neem aan binnen tien jaar en waarschijnlijk al voor een deel in het volgende jaar ‑ de resultaten zien.

Er zijn bepaalde steden, die een grote psychische onreinheid vertonen, daarbij a.h.w. het gehele milieu vervalsen en die zich als een inktvlek van onnatuurlijke ontwikkelingen aan het uitbreiden zijn. Gebeurt dit in een gebied dat voor de natuurgeesten op dit moment belangrijk is, dan zullen zij samenwerken. Wij krijgen dan de samenwerking van wind (de luchtgeesten), vuur (de vuurgeesten), water (de watergeesten) en in vele gevallen ook nog van de aardgeesten. Dan zien wij uitermate gecompliceerde rampen.

Een mens die alleen aan een duivel gelooft, zal het waarschijnlijk wel eens moeilijk krijgen daarmee. Want je kunt natuurlijk wel zeggen dat het de duivel is die het doet, maar dan moet je toch ook verklaren waarom er zoveel slechte dingen ook meteen worden opgeruimd en niet alleen goede. Ik geloof, dat men in het christelijk denken en wat dat betreft ook bij de islamieten (El Shaïtan is eigenlijk hetzelfde als J. Pek) grotendeels gekomen is tot een beeld van het kwade dat de antithese is van het menselijk streven en denken. Daarmee is de duivel ook gemaakt tot een evolutie. Hij is een evolutionaire factor in een wereld die voortdurend verlangens vertoont om statisch te blijven.

Zou men in het Westen afwijken van een onnatuurlijk, om niet te zeggen in vele gevallen tegennatuurlijk gedragspatroon, dan zouden er vanuit de natuur compensaties kunnen ontstaan. Daarbij moet u zich realiseren dat de toorn van dergelijke entiteiten zich kan richten tegen denkwijzen (zoals het in Zeeland is gebeurd), milieuverontreiniging (denk aan het een en ander in het Botlek‑gebied) en zich ook kan richten tegen kweekmethoden, waardoor soorten van hun eigenschappen en vooral van hun houdbaarheid worden ontdaan. In dat geval zou men kunnen zeggen: Sommige delen waar het geestelijke niet voldoende is, zouden door natuurgeesten kunnen worden aangetast. Maar zelf zijn zij meer geneigd te absorberen. Alleen, indien de gedachtengolf van de mensen de geesten aanleiding geeft om de zaak te stimuleren, krijgen wij de aanval. Als het gaat om een milieuverontreiniging zoals in het Botlekgebied, dan duurt het wat langer voordat er een concrete reactie komt. De natuurgeest is nl. over het algemeen langzaam in het tot reactie komen. Daarnaast heeft hij iets dat ons een beetje doet denken aan een aap: hij heeft de neiging om het ene voor het andere te vergeten. Maar als iets voortdurend blijft storen, dan is er geen beperking en wordt er ook geen rekening mee gehouden, of men de schade later nog zou kunnen herstellen; dan is er eenvoudig haat. Het belangrijkste voor de mens op aarde is dat hij in vele gevallen de haat van natuurgeesten heeft opgewekt en daardoor bepaalde natuurkrachten a.h.w. tegen zich gericht ziet. Stellen wij nu:

1e: Alles wat in overeenstemming is met de menselijke natuur en het natuurlijk ritme, brengt zegen, mits het menselijk denken daarbij niet van zodanige inhoud is, dat hij ofwel tegen zichzelf wordt verdeeld dan wel een strijd begint met de geest. Elke natuurlijke gedragsnorm is zonder meer goed.

2e: Als wij te maken hebben met natuurgeesten, dan moeten wij ons realiseren dat zij alleen maar belang hebben bij het in standhouden van een evenwicht. Hoe dit evenwicht bestaat, interesseert hen minder. Wie daarbij wegvalt en wie wordt gestimuleerd, interesseert hen nog veel minder. Als ik nu probeer om mij tot een bijzonder stimulerende factor in de voor de natuurgeest goede kant te maken, dan zal hij mij niet beschermen, maar ‑ en dat is veel belangrijker ‑ hij zal mij zien als een soort kern, van waaruit het evenwicht kan worden hersteld en daarom bevordert hij dit streven.

Nu is de houding die de mens tegenover de duivel aanneemt officieel wat anders dan in werkelijkheid. In Italië bestond de legende dat iemand die in de nacht een bepaalde berg opging en daarbij een gewijde hostie zou meenemen, een duivel zou ontmoeten, die hem alle schatten zou geven waarom hij vroeg. De legende vertelde verder dat indien je probeerde met de schatten de berg af te lopen, de duivel je op de nek sprong en die ook meteen omdraaide. Een Duits geestelijke in die buurt maakte eens de opmerking: “Het is goed dat zij dat laatste ook geloven, want anders zouden er heel wat hosties de berg op worden gedragen.” De mens zoekt voordeel, hij zoekt geluk, hij zoekt vrede. Hij kan dit alleen bereiken, indien hij met de natuurkrachten in evenwicht blijft. Indien hij dat niet is, zal hij vaak veel later dan hij verwacht worden geconfronteerd met de gevolgen. Om u een voorbeeld te geven: Werkingen, die begonnen zijn in het jaar 1951 vinden waarschijnlijk in de tweede helft van 1971 hun eindresultaat in een reeks aardbevingen en dergelijke. Daar zitten dus twintig jaren tussen. De natuurgeesten werken langzaam. Hoe kan ik een natuurgeest ertoe brengen om vlug te reageren? Heel eenvoudig: Als ik een natuurgeest confronteer met een volledig denkbeeld ‑ onverschillig hoe die is samengesteld ‑ dan wordt dit overgenomen. Is in dit denkbeeld de onmiddellijke actie opgenomen, dan volgt de actie van de natuurgeest zonder meer. In dit opzicht kennen wij allemaal de verschillende diagrammen en symbolen, die worden gebruikt om geesten op te roepen. Die worden ook gebruikt voor natuurkrachten.

Als wij zien hoe een ingewijde in Tibet (dit is een oud verhaal, tegenwoordig is het al lang niet meer zo) de wolken dwingt om op een bepaalde plaats regen te brengen, dan zegt men: Dat is alleen zijn geestelijke kracht. Neen, daar is nog iets anders bij: deze mens maakt zich op dat ogenblik tot het symbool van bliksem, de elektrische oorzaak voor ontlading. Het is dit symbool dat hij uitzendt, veel meer dan alleen maar zijn gedachten, waardoor de regen valt. Het beperken van regen is wat moeilijker, maar het kan gebeuren indien je voordat je met de actie begint een soort schema tekent (een symbolisch diagram), waarin het punt waarop de regen moet vallen is aangegeven en zo gebeurde dat inderdaad.

Ik kan dus natuurgeesten wel degelijk gebruiken, maar ik moet er altijd voor waken dat zij mij niet gebruiken. Want als ik probeer een natuurgeest te gebruiken, dan ziet hij mij nooit als een persoonlijkheid of zelfs als een macht. Hij ziet mij altijd als een werktuig om zijn eigen status en toestand te handhaven. Een typisch idee.

Willen wij nu met natuurgeesten iets verder gaan dan alleen zuiver natuurlijke verschijnselen (bv. vruchtbaarheid geven aan een onvruchtbaar stuk grond of de aarde wel of niet laten beven, de storm laten razen of plotseling tot bedaren brengen, dan moeten wij uitgaan van de vraag: Wat is er in mij dat identiek is met een voor de natuurgeest belangrijke toestand?

Als er van Hélène Blavatsky wordt verteld dat zij aan een trapnaaimachine die vanzelf ging, omdat er een natuurgeest was die voor haar trapte, dan klinkt dat op zichzelf krankzinnig, tenzij u zich realiseert, een dergelijke natuurgeest heeft belang bij evenwichtigheid. Als die persoon zo sterk is en een zodanige evenwichtigheid uitstraalt dat de natuurgeest zich daar prettig bij voelt, dan zal deze, indien daarin een storing optreedt, alles doen om de oude harmonie te herstellen. Indien de storing is: “nu moet ik trappen”, dan zegt de natuurgeest: 0, dat behoeft helemaal niet, blijf jij nu maar evenwichtig, dan zal ik het wel doen.

Ik heb in een van de vorige lessen al verteld, dat u een natuurgeest geen complexe taken kunt geven. Een luchtgeest kan een taak vervullen, die ‑ laten we zeggen ‑ uit 20 afzonderlijke delen bestaat en enig eigen initiatief vergt. Een aardgeest daarentegen kun je over het algemeen niet meer dan één taak stellen. Als je dus een aardgeest zou willen gebruiken om te schrijven, dan is er één die kan schrijven, die moet dan de letters vormen, maar dan moet er een andere zijn die het krijtje hanteert om de letters daarmee te vormen en dan moet er nog een derde zijn die het leitje vasthoudt. Ze kunnen het niet allemaal tegelijk doen. Ook daarmee kun je rekening houden.

Als ik met aardgeesten te maken heb, dan zal ik altijd een eenzijdige reactie krijgen. Een aardgeest zegt niet: Hier staat een kas. Die kas staat mij in de weg, dus moet ik die aanvallen. Hij kan hoogstens zeggen: Ik zal alle planten daarin laten sterven; of: ik zal die muur in elkaar laten storten. Maar hij kan niet zeggen: Ik zal het allebei tegelijk doen.

Een vuurgeest is ook eenzijdig. Deze gaat uit van het idee dat de omzetting van energie het enig werkelijk noodzakelijke is voor zijn voortbestaan. Zolang er dus omzetting van energie is, is het voor de vuurgeest genoeg. Die vuurgeest zal net zo lief op een fornuis zitten om soep te koken of in een stoomketel zitten om stoom te maken als hij in een enorme bosbrand hectaren woud verslindt.

De leidinggevende krachten vinden wij dus wel bij de luchtgeesten, ofschoon ook de watergeesten wel enig eigen besef hebben.

Van de watergeest kan worden gezegd, dat hij uitermate speels is. Die speelsheid is echter niet een volledige verstrooidheid zoals bij de aardgeest. Deze kan één ding leren en doen, maar geen tweede daarbij onthouden, dan vergeet hij de eerste taak. Een watergeest kan soms 6 à 7 verschillende taken onthouden en in een willekeurige volgorde, aan te duiden door een ander, uitvoeren. Maar hij is speels en zal over het algemeen van een taak of van een invloed waarop hij reageert, gebruikmaken om voor zichzelf een gebeuren tot stand te brengen. Voor de watergeest is de wisselwerking tussen water en land een van de meest belangrijke. Daarnaast is heel erg belangrijk de wisselwerking tussen water en straling. Dus zowel de uitstraling van het water (warmte) als het opnemen van straling, maar vooral het ontstaan van bepaalde zoutverdichtingen, waardoor stralingen chemische werkingen kunnen veroorzaken. De watergeest probeert dat dus op zijn manier. Als de watergeest wordt gestoord ‑ dat gebeurt wel eens ‑ dan kan hij niet reageren met een: Nu zal ik even op het land komen en je mores leren. Maar hij kan wel denken: Waar is water, waarmee ik je bereiken kan?

Het idee van watergeesten (undines e.d.), die uit bronnen naar boven komen, klinkt misschien erg sprookjesachtig, maar op zichzelf is dat heel begrijpelijk. In dit verband weer een voorbeeld:

Er zijn in Nevada (U.S.A.) verschillende watergaten, zoals dat heet. Plaatsen waar natuurlijke bronnen water aan de oppervlakte brengen. Het zijn drinkplaatsen voor vee. Een van de mensen die daarvan gebruik maakte, beschouwde dat water als een vloek. Hij gooide er zelfs een scheutje whisky of iets dergelijks in. Hij beweerde dat hij niets aan dat watergat had. Die stomme beesten moesten veel harder opschieten, dan was hij eerder thuis. Nu was dit voor de watergeest aanleiding om te reageren. Vele jaren nadien was er een zodanig alkali‑oplossing in het water gekomen dat het praktisch niet meer drinkbaar was en maagziekte, althans darmreacties veroorzaakte bij het vee. Men heeft toen een lange tijd de bron als zijnde giftig afgesloten. Maar de dieren uit de omgeving probeerden er steeds te drinken. Het resultaat was dat na zeven jaren de afscheiding volledig was verdwenen. Het is een fenomeen dat indertijd is nagezocht (het heeft nl. in 1898 plaatsgevonden) en niemand heeft kunnen ontdekken hoe het kwam, dat daar opeens een vergiftiging optrad. Er zijn inderdaad wel bodemgiften in de buurt, maar normaal zouden zij door die bron nooit kunnen worden aangevoerd, het is namelijk een artesische put. Dat het toch is gebeurd, is een raadsel voor de wetenschapsmens, maar voor iemand die de natuurgeest kent en weet dat ook hier watergeesten aanwezig zijn, een normale reactie. Immers, oplossing van zouten, het tot stand brengen van chemische reacties is voor de watergeest mede een van zijn uitdrukkingsmiddelen.

Als ik probeer om u op deze manier te confronteren met de natuurgeesten, dan moet u niet denken dat dit niets met de duivel te maken heeft. Want de mensen die begonnen met bang te zijn voor de duivel hebben daarmee heel vaak ook een verwerpen van de natuur tot stand gebracht. En dat heeft weer ontwikkelingen mogelijk gemaakt, waardoor het leefklimaat voor de mensen in feite slechter wordt.

U zult zeggen: Maar wij leven vandaag veel langer. Ja. Maar u leeft kunstmatig. Een groot gedeelte van uw leven brengt u op deze aarde door krachtens hulpmiddelen. U bent niet in staat over het algemeen om zelf in de natuur te leven. Gaat u dit vergelijken met mensen in bv. Rusland waar nog ontzettend grote wouden zijn, die daar als houthakkers leven, dan blijkt dat deze mensen veel gezonder, veerkrachtiger, sterker en vaak veel gelukkiger zijn dan stadsmensen. Toch hebben zij naar het heet minder en is hun verzorging eveneens veel minder. Daar komt wel een dokter, maar die komt alleen als je werkelijk doodziek bent. Je kunt niet zeggen: Dokter, geef mij even een pilletje.

Wij hebben nu een schetsje gegeven van alles wat met die duivelsvoorstelling samenhangt. De vervreemding van de natuur maakt de natuurgeest tot duivel.

Wij kennen de eigen persoonlijkheden van planeten en sterren. Daarover hebben wij ook al gesproken. Nu bestaat er vaak een zekere verwantschap tussen een bepaalde planeetgeest en natuurgeesten van een zekere soort. En dat zou typisch kunnen zijn.

Wanneer Mars bv. hoog aan de hemel staat ‑ zoals op het ogenblik het geval is ‑ dan zou dat kunnen betekenen dat vuurgeesten daardoor bijzonder gestimuleerd worden. Wanneer Venus hoog aan de hemel staat, dan zou dat kunnen betekenen dat hierdoor de watergeesten veel meer worden gestimuleerd. Indien u zich de moeite getroost om eens na te gaan ‑ gewoon aan de hand van de astrologie, desnoods door visuele waarnemingen ‑ welke planeet er heerst en u gaat dan kijken welke onverwachte gebeurtenissen er plaatsvinden, dan zult u tot uw verbazing ontdekken dat bepaalde planeten (Mercurius en Mars) branden veroorzaken. Hebben wij te maken met Mercurius, dan is het hoofdzakelijk een aantal chemische branden; dus dan krijgen wij olie die in brand gaat en dat soort dingen. Is het Mars, dan hebben wij met bosbranden e.d. te doen.

Gaat u kijken naar de watersituatie, dan zult u zien: juist als Saturnus of Venus hoog staat, dan gebeuren er allerhande vreemde dingen, vooral met water. Er zijn overstromingen, er is een plotseling droogvallen van rivieren, er zijn ineens stormen en zeebevingen. U moet het maar eens controleren.

Wij hebben nu gesproken over de duivel. De duivel is tenslotte niet een wezen dat je tot de aarde kunt beperken of tot de natuurgeest. Maar misschien is die duivel wel een deel van de harmonie van de natuur, waarvoor de mens bang is.

De luchtgeesten reageren op de zon en als zodanig zijn zij eigenlijk praktisch permanent actief.

De aardgeesten reageren weer op bepaalde mysterie‑planeten en hebben ook de neiging (o.a. onder invloed van Pluto) te zorgen voor allerlei aardverschuivingen en bevingen. Ook Uranus speelt hierbij een rol en soms ook Saturnus.

Dat waren dan een paar gegevens omtrent de beïnvloeding. Wij komen nu terug tot het totaalbeeld.

Er is een zonnestelsel. Dit zonnestelsel kent één harmonie. Dat is de pulsatie van de levende gedachte die het hele zonnestelsel doortrekt en waarin elke planeet als persoonlijkheid of knooppunt alleen nog maar een weergave is van een bepaalde functie die in het geheel aanwezig blijft.

De natuurgeesten hebben eveneens t.a.v. uw aarde een bepaalde functie. Ook zij zijn eenzijdig en blijken harmonisch te zijn met tendensen die op aarde bestaan en ook in het gehele zonnestelsel. Er is een voortdurende wisselwerking. U zou haast kunnen zeggen dat er een soort solair leefklimaat is dat het gehele zonnestelsel beïnvloedt. Als dat het geval is, komen wij met onze duivel nog veel dichter bij de werkelijkheid, want hij kan alle dingen. Hij kan mensen beïnvloeden, zeker. Dat kunnen alle grote planeetgeesten doen. Een planeetgeest die in harmonie is met een natuurgeest, zal de werking van de natuurgeest, waarmee hij in harmonie is, versterken en daarnaast zijn eigen capaciteiten, die natuurlijk vooral creatief veel groter zijn, vaak gebruiken om bepaalde ontwikkelingen of werkingen mogelijk te maken.

Nu ziet u dat wij ineens van de gewone natuurgeesten en de duivel zijn gekomen tot een soort persoonlijkheid in de natuur, die wederom zoekt naar een evenwicht en die dit tracht te handhaven. U zou kunnen spreken van een geestelijk‑materiële ecologie, die in het gehele zonnestelsel bestaat en waarvan elke verstoring rampen voor het geheel ten gevolge kan hebben. Dan is de duivel het beeld van de natuur, waarvoor de mens bang is. Waarom is de mens bang voor deze totaliteit van de natuur?

In de eerste plaats: omdat hij haar niet helemaal begrijpt.

In de tweede plaats: omdat zij hem een aantasting lijkt van zijn exclusieve heerserspositie, die hij voor zichzelf opeist. Een mens wil domineren. Hij wil niet door de natuur worden gedomineerd. En omdat hij in zovele opzichten ‑ indien hij maar voldoende harmonisch is, maar dat weet hij zelf niet ‑ zijn zin krijgt, heeft hij het gevoel dat het noodlot zich zo nu en dan tegen hem keert en dat personifieert hij als duivel. Het is alleen de disharmonie t.a.v. de krachten der natuur, die hij zelf oproept.

Dan komen wij aan het slotstuk van deze les:

De duivel is een factor, waarmee men ons wil waarschuwen in het normale aardse bestaan. Zoals ook de Djinns wezens zijn, waarmee men een bepaalde angst opwekt en el Shaitan een schrikfiguur is. Datgene, wat niet in overeenstemming is met de denkwijzen en leringen van de mensen, valt automatisch onder de duivel, el Shaitan en de rest. Dan geeft die duivel ons dus aanwijzingen op welk terrein er een strijd bestaat tussen de mensheid zoals zij leeft en de natuur zoals zij haar evenwicht tracht te bewaren. En als wij dat hebben geconstateerd, dan wordt de zaak nog veel eenvoudiger, want dan zeggen wij;

Daar wij geestelijke krachten in ons dragen en uit onze geestelijke vermogens kunnen compenseren wat wij aan onevenwichtigheid op de wereld veroorzaken, zullen wij door de innerlijke harmonie en een voortdurende compenserende inwerking te allen tijde de steun kunnen krijgen van de krachten, die normalerwijze als duivels en strijders met de mensheid en het heil daarvan worden beschouwd.

De mens moet zichzelf geestelijk veranderen in de richting van een evenwichtigheid en hij moet trachten die in zijn milieu tot uiting te brengen. Iemand, die uit een gevoel van evenwichtigheid een wens uit om die evenwichtigheid te vergroten, zal door natuurgeesten worden geholpen. De zgn. simpele magie waarbij je sterk denkt. “dit moet gebeuren” en het wordt waar, berust behalve op natuurlijk occulte gaven, zeker ook op het gevoel “Als dit bereikt is, zal er evenwicht ‘zijn”. Juist hierdoor kunt u bepaalde krachten uit de natuur aantrekken die u helpen dit evenwicht te vinden.

U heeft dus grotendeels zelf in handen wat de duivel voor u is en wat die zgn. duivel van anderen voor u betekent. Zoek uw eigen harmonie. Tracht die harmonie, die evenwichtigheid, uit te breiden in de wereld zover dit mogelijk is. Indien een enkele factor dit geheel bedreigt, zult u met verbazing zien hoeveel krachten van buitenaf u te hulp snellen. Dat zijn dan de krachten, die men meestal omschrijft als de duivel e.d., ofschoon zij niets anders zijn dan de lichtende en evenwichtige krachten, die in een goddelijke schepping hun eigen functie voortdurend vervullen.

De aura

De aura van de mens is de uitdrukking voor zijn totale uitstraling. Die uitstraling kunnen wij in 3 hoofdlagen verdelen. De eerste is de lichamelijke uitstraling, daar zit ook warmtestraling in. De tweede is wat wij noemen de mentale straling. Daar zitten wel wat geestelijke elementen in, maar het merendeel is ook nog reacties van het zenuwstelsel, van de hersenen en wat daarin een rol speelt. De derde laag noemen wij de geestelijke straling. Daar komt het werkelijke “ik” een beetje op de voorgrond.

Iemand die zijn aura ziet, zal verder ontdekken dat zij nooit in alle lagen een gelijke breedte heeft. Het is dus niet zo dat het mooi regelmatig is. Een aura kan soms op één punt een heel brede mentale uitstraling hebben, met een heel smalle lichamelijke uitstraling en een eveneens wat smallere geestelijke straling. Maar het kan ook zijn dat er ergens geestelijk een enorme piek uitschiet.

Dan de kleuren:

De aura kent verschillende kleuren, maar de basis, vanuit het lichaam gezien, is over het algemeen rood en varianten daarvan.

In de mentale uitstraling krijgen wij ook te maken met de emoties en het denken van de mens. Daar zijn de veel voorkomende kleuren: goud, groen en verder felle, sprekende kleuren, dus veel primaire kleuren.

In de geestelijke uitstraling komen elementen voor als goud, maar vooral ook veel paars, purper, blauw in verschillende tinten en zilver. Dat komt omdat de kleuren, zoals men die ziet, de weergave zijn van de verschillende frequenties die daarin liggen. Het is natuurlijk niet de uitstraling van het werkelijke “ik”. Je zou het misschien als volgt kunnen vergelijken: Als u een spoel heeft (in een elektrische bel heeft u zoiets wel eens zien zitten en er gaat stroom doorheen, dan ontstaat daarbuiten een veld. Dat veld maakt niet alleen dat het stukje week ijzer plotseling een magneetje wordt en de bel laat rinkelen, maar dat betekent ook dat als u een stukje metaal erbij houdt, terwijl er wordt gedrukt, dat ineens tegen de magneet slaat. Daar komt een veld omheen.

In de mens zijn verschillende levenskrachten werkzaam. Geestelijk is het de kracht van het werkelijke ego dat zich wel identificeert met de stoffelijke vorm, maar dat er toch niet helemaal in leeft. Het is de wisselwerking tussen geest en stof, waardoor de buitenste laag van de aura tot stand komt.

Als wij daarin de kleur blauw zien, dan zeggen wij: Dit is zuiver een kwestie van bewust ervaren dat wordt omgezet. Hebben wij te maken met violet., dan zeggen wij: Daar zitten emoties bij. Bij purper is het: Hier is de emotionaliteit in de uitwisseling overheersend. Hebben we zilver: Hier is een daadoverdracht aan de gang. Hier brengt de geest zijn wil over naar de mens of omgekeerd:

Heeft u te maken met de mentale kwestie, dan kunt u alleen maar dit zeggen: De gedachten van de mensen zijn vaak strijdig met zijn gevoelens. Maar het hele geval betekent toch wel het circuleren van een soort levensstroom door het lichaam. Die levensstroom neemt u voor een deel weer tot zich. U kent de uitdrukking “prana” waarschijnlijk wel. Dat is niet alleen lichamelijke vitaliteit, maar vooral ook veel zenuwkracht. Die energie wordt in dat lichaam in beweging gehouden. Maar de bewegingssnelheid daarvan, de eigen frequentie, bepaalt weer hoe de kleur en de uitstraling in de tweede laag, de middelste laag komt voornamelijk in de binnenste laag tot uiting. Als u kijkt, dan kijkt u dus niet naar de mens.

Nu zijn er mensen die daar wat moois van willen maken. Zij zeggen: Dit is ook niet de geestelijke mens, die daarin wordt weerkaatst, het is de stoffelijke persona. Dat is een term, waaraan ik ontzettend het land heb. Want “persona” wordt dan door hen beschouwd als een soort omhulsel, een schil, een masker. En dit is niet helemaal waar. Wat tot uiting komt, is wat je op aarde bent.

Iemand, die de aura beschouwt, kan daarin bv. ook zien in hoeverre bepaalde geestelijke organen (de chakra’s) zijn ontwikkeld. Als zo’n chakra open is, is het actief, dan zien wij het als een soort wervelingetje. En op het punt waar het actief is, lijkt het of de 3 verschillende lagen in elkaar vloeien. Vandaar dat men er weleens over spreekt als een openbloeiende lotus of roos.

Hebben wij met invloeden van buitenaf te maken, dan krijgen wij bovendien nog refractie en reflectie. Dat heeft weer niets met een persona (een masker) te maken, het heeft alleen te maken met wat je bent hier op aarde. Als je van buitenaf wordt beïnvloed, dan reageer je daarop niet alleen innerlijk, maar je wijst een deel ervan af.

Nu kun je geestelijke invloeden afwijzen. Een geestelijke beïnvloeding die wordt afgewezen, brengt een soort schemering; dat is meestal staalachtig van glans, soms zilver. Indien wij dit zien als een laagje aan de buitenkant van die uitstraling, dan weten wij: zo iemand wordt geestelijk beïnvloed, maar hij weert het af. Op dezelfde manier kunnen wij zien, als er mentaal een bepaalde gerichtheid is. Niet alleen dat dan in de kleur de emotionaliteit, de gedachteninhoud tot uiting komt, maar wij zien ook wel degelijk dat iemand bewust dingen wegdrukt, dat zijn dan hiaten, donkere vlekken. Als je een spectrum maakt door een driehoekje, dan zitten daar weleens zwarte lijnen in. Die zwarte lijnen in het licht dat je ontleedt, zijn juist kenmerkend voor de stof daarin. Zo zou je kunnen zeggen dat ‑ ja, het is eigenlijk een spectre, een soort geest ‑ als je daarin hiaten ziet, dan zie je de invloeden die de mens in het onbewuste zeer sterk beheersen. Dat kun je daaraan aflezen. Dan zeg je: Dit is iemand die agorafobie (pleinvrees) heeft. En kijk je nog een keer, dan zeg je: Die daar heeft een heel stel geraamten boven in zijn muurkast staan. Zo kun je dus veel over een mens zeggen.

Als wij de lichaamsuitstraling zien, dan kunnen we daaruit ook aflezen of er ergens een ziekte zit. Daar is dan de activiteit wat minder. Wij zien daar waar de ziekte zit de jura meestal wat donkerder. Het is een lagere trilling en meestal ook niet zo breed. Het wordt iets smaller van het lichaam af gemeten.

De situatie wordt anders, indien wij te maken hebben met een ontsteking of bepaalde kwetsuren. Daar is het lichaam heel druk bezig de zaak in orde te maken. Op die plaats ontstaat een temperatuursverhoging en die wordt in de aura weerkaatst. Wij zien dan dat de aura zich wat meer verbreed. Nu valt daarmee samen het afsterven van bacteriën en bloedlichaampjes en tevens een herstelfunctie. Het resultaat is: wij zien daarin gestreepte kleuren. Laten wij zeggen: als u bv. een opkomende steenpuist heeft, dan zien wij dat heel vaak als enigszins vuilgroen met een paar bruine streepjes er doorheen, wat in een normaal rode aura voorkomt. Hebben wij te maken met een ontsteking die bijna uitgewerkt is, dan zien wij dat het bruin verdwenen is, het groen is wat vlamachtig geworden en wat wij daartussen zien doet denken aan oranje. Dit maakt duidelijk dat er een genezingsproces aan de gang is. Er is een verhoogde temperatuur, dus daar wordt een aan het lichaam vreemd organisme bestreden.

Ook als er uiterlijk niets meer te zien is, maar er zit nog wat van het vreemde organisme in ‑ dan zien we een donkere kring en in die kring een kleur. Wie die kleur goed kan lezen, kan zelfs zeggen: Dat is een metaalsplinter, een houtsplinter of een stukje steen. Zo nauwkeurig is dat alles te zien.

Indien u de aura niet kunt zien, dan heeft u natuurlijk aan al die verhalen niet veel. Maar misschien is het toch wel goed dat u weet hoever de aura zich gemiddeld kan uitstrekken. De aura van een normaal gezond mens strekt zich, indien wij de geestelijke grens als bepalend nemen, gemiddeld een halve meter naar beide zijden uit. De gedachtenstraling (de middelste laag) is, smaller. Die strekt zich hoogstens 20 cm buiten het lichaam uit. Hebben wij te maken met de vitaliteit (de binnenste ring die het lichaam omgeeft), dan zal deze ‑ naar gelang van de persoon en haar toestand, meestal lopen van 2 tot 3 cm minimaal tot maximaal 10 cm. Ik geef hier de afstand bij benadering: Dat betekent dat als u op een halve meter afstand van iemand bent, er sprake is van een volledige vermenging van uw beider geestelijke uitstralingen. Wederkerige geestelijke beïnvloeding vindt dan eigenlijk zonder meer plaats. Bent u een meter van elkaar af, dan is er nog contact, maar er is dus niet meer het in elkaar vloeien, het elkaar wederkerig onbewust geestelijk beïnvloeden; wat overigens de werkelijke geest dan wel weer erkent. Voor hem is het een soort gesprek.

Staat u dicht naast elkaar (bv. in een tram), dan is het goed, indien u niet al te suggestibel bent. Want als daar iemand staat met maagpijn, kan dat weleens precies in uw eigen aura komen. En de aura moet die afwijking dan weer even verwerken. En als u nu toevallig, zoals dat wel gebeurt, staat met uw zijkant tegen de ander, die met aktetas en buik heen en weer staat te schudden, en hij heeft pijn in zijn buik, dan krijgt u pijn in de zij, niet in de buik. Dat kan alleen het geval zijn, indien u lange tijd met elkaar in contact bent of u bezighoudt met afwijkingen in de aura. Dus een bewust werken met de aura. In dat geval krijgt u wel de overdracht. Als iemand bv. nierstenen heeft, dan zijn er veel mensen, die in de buurt van zo’n persoon ineens de behoefte hebben te krabben in de omgeving van de nieren, soms iets lager of iets hoger. Dat is een irritatiegevoel dat gewoon in de aura komt. De meeste mensen weten het echter niet. Het is ook niet zo erg belangrijk.

Als u elkaar benadert op een afstand van ongeveer 30 cm, dan zijn alle gedachtenstralingen a.h.w. met elkaar verbonden. Indien u zich daarop concentreert, kunt u vaak iets van de gedachten van de ander aflezen en ook ‑ indien de ander enigszins receptief is en geen afweer heeft ‑ aan de ander bepaalde beelden of suggesties overbrengen. Daar kunt u eens mee experimenteren.

Dan behoort er bij de aura nog iets: De aura is namelijk een veld. Het is geen vaste vorm, het is betrekkelijk amorf, het verandert voortdurend. Indien ik mij nu concentreer, kan ik een deel van de energie in de aura uitstralen. Indien het voorhoofdchakra ontwikkeld is, kan ik het vanuit mijn voorhoofd doen. Maar ik kan ook met mijn handen werken en zeggen: Hier neem ik de aura en ik werp haar weg. Ontmoet ik nu een sympathische aura ‑ dat is erg belangrijk! ‑ waarin ik kan vasthaken, dan kan ik zelfs allerlei emoties bij een ander opwekken. Een van de meest bekende is dat je de ander het gevoel van evenwicht laat verliezen. Dat is betrekkelijk eenvoudig te beïnvloeden. Je kunt hem achterover of voorover laten vallen door de illusie te geven van trekken of duwen. Je bepaalt dus de richting van de evenwichtsstoring, verder niets.

Dat noemt men wel magnetisme, daar dat is het eigenlijk niet. Het is gewoon het overdragen van bepaalde krachten of van vitaliteit van de ene mens naar de andere. Een magnetiseur zal over het algemeen een zekere training hebben in het projecteren van zijn kracht naar een ander. Daarom zal hij ook een dergelijke projectie gemakkelijk tot stand brengen. Maar wat de meeste mensen nu vergeten is dat hier in feite ook de aura wordt verlengd. Het is dus niet zo dat er uit de vingertoppen de een of andere magische kracht vloeit, een soort bliksemschicht zoals u dat wel op de hand van een tovenaar getekend ziet, maar het is doodgewoon een deel van uw persoonlijkheid.

Dit geldt ook, als er sprake is van ectoplasma. Ectoplasma is een fijnstoffelijk deel van uw eigen substantie, geladen met uw eigen vitaliteit, zowel uw lichamelijke als uw geestelijke vitaliteit. Als u die uitstulpt, dan wordt zij zelfstandig; zij kan dus buiten de aura komen. Dat heeft dan niets meer met de aura te maken. Dit wordt een soort uitstulping, die je hanteert als een kwast.

Als je bv. aan het opplakken van biljetten bent, dan is de kwast a.h.w. een verlengstuk van een beweging. Het werktuig brengt je beweging over, maar de aura blijft binnen de begrenzing. Zo gaat het nu met het ectoplasma. Is het echter eenvoudig een wilsprojectie, dan gebruik je geen ectoplasma, dan is het een deel van de aura dat wordt geprojecteerd.

Er zijn veel mensen, die een studie hebben gemaakt van de aura. Er zijn helderzienden, die aan de hand daarvan bepaalde ziektebeelden en ook geestelijke conflicten kunnen vaststellen. Het zijn er echter maar weinig.

Indien u wordt beïnvloed door een kracht van buiten (laat ons zeggen: door de kracht positief‑rood), dan krijg ik een werking die het gehele wezen beïnvloedt. De geestelijke uitstraling, voor zover er alleen lichamelijke en mentale reacties zijn, blijft meestal gelijk. Maar in de gedachtenuitstraling zien wij dan een volkomen verandering, die zelfs kan doorgaan in de richting van het lichamelijke en dan wordt het erg moeilijk.

Ik heb daarnet gezegd; bij een cyste waar de infectie aan het genezen is, hebben we meestal een groenachtig vlammend idee, dat een oranje gloed als achtergrond heeft. Maar de oranje‑gloed verdwijnt. Er ontstaat een combinatie van iets dat bruin lijkt met iets van een heel dieprode kleur. Als je dus gewend bent de aura alleen aan de hand van de kleur te interpreteren, dan zit je ernaast. Je zegt dan bv. van iemand: Hij heeft een grote infectie aan het gehemelte, terwijl hij in feite alleen maar een rotte kies heeft. Je moet dus wel een beetje uitkijken met deze dingen,

Het weten wat je eigen aura is en doet, is geloof ik vooral belangrijk, omdat de afstanden een rol spelen. Als je dicht bij elkaar bent, draag je allerlei dingen aan elkaar over. Maar stel nu dat de stoffelijke uitstraling van twee mensen elkaar beroert, dan is dat niet alleen (ik heb het in het voorbeeld van de tram reeds gezegd) een suggestie van pijn, die daaruit kan worden overgedragen, maar er kan nog iets anders gebeuren:

Als u vitaal bent (u heeft dus meer levenskracht) en de ander is dat niet op dat moment, dan is er automatisch een afvloeiing. Uw levenskracht vloeit af in de aura van de ander of u dat nu wilt of niet. Het is alsof u op aarde een accu aansluit, dan gaat hij ook leeglopen. Als u dat wilt voorkomen, kunt u dat gemakkelijk doen via het mentale gedeelte. Als u nl. in het geestelijke gedeelte een sterke zelfsuggestie schept plus een overtuiging van hier kan niets worden genomen, dan wordt de buitenste laag van de aura een scherm. Dan kan er geen energie worden afgenomen.

U heeft misschien wel gemerkt dat er mensen zijn waarvan je zo doodmoe wordt. Ze zeggen misschien niet veel, maar u heeft zo het gevoel dat u leeggezogen bent. Het zijn vaak mensen, die een betrekkelijk grote gedachtenuitstraling hebben maar een heel lage vitaliteit. Hun behoefte aan energie, dragen zij aan u over en als er voldoende tijd is, kunnen zij daarmee soms zelfs een afstand van enkele meters overbruggen, Dan zuigen zij als het ware een deel van uw eigen levenskracht op. U moet dus goed onthouden:

1e: De eigen aura kan door een bewuste actie worden afgeschermd. Indien u zich de afscherming voorstelt en eventueel zelfs door een symbolisch gebaar of een voor u symbolische handeling, die afscherming nog eens bevestigt, voorkomt u dit aftappen van energie. Probeert u het maar eens een keer.

2e: De aura wisselt voortdurend van kleur, terwijl ook de afstand, die wij voor het mentaal gedeelte en het zuiver materiële gedeelte aangeven, niet altijd gelijk blijft. De aura is een levend geheel.

3e: Als wij de aura bewust deel maken van onze wil, stralen wij haar uit, inclusief onze levenskracht, inclusief ook een deel van onze geestelijke kracht. Wij moeten dus heel voorzichtig zijn met het projecteren van onze wil naar iemand, want het kan schadelijk zijn. Wat ik u over de aura heb gezegd, is uit de aard der zaak maar een heel klein beetje. Daar zou heel veel over te zeggen zijn. De grondbeginselen heb ik u echter genoemd. Ik heb u ook enkele raadgevingen versterkt, die u in vele situaties van dienst kunnen zijn. Ik heb u enkele voorbeelden gegeven, die voor u een verklaring kunnen zijn van verschijnselen en eventueel de voorkoming daarvan kunnen bevorderen. U kunt uw aura niet vernietigen. U kunt uw aura ook niet voortdurend afsluiten, omdat u daarmede dan weer de wisselwerking met uw wereld mist; en die heeft u ook van node. Maar u heeft een zekere meesterschap verkregen. Leer die gebruiken. Gebruik desnoods vormen van zelfsuggestie, want ook deze kan worden overgedragen naar de aura en daar bepaalde resultaten tot stand brengen.

Prooi

Ik kan niet de prooi worden van een boze geest, als in mij niet iets aanwezig is, waardoor ik de relatie prooi en aanvaller heb gesteld. Ik draag daartoe zelf bij.

Het is niet zo dat de wereld mij kan aanvallen, tenzij ik iets ben of mij in de situatie breng, waardoor ik de aanval uitlok. Er is altijd een tweeledigheid, een wisselwerking. Niets staat alleen. Dat, wat je zelf bent, bepaalt de houding van anderen, ook als je het niet bedoelt. En wat anderen zijn en willen, wordt voor een groot gedeelte bepaald door wat jij bent. Je kunt de aard van een ander misschien niet goed schatten, maar de resultaten van wat de ander doet, wat de ander voor je is, worden bepaald door je eigen houding, je eigen situatie, je eigen relatie.

Op deze manier zouden wij kunnen zeggen, dat wij ergens de prooi van God zijn. Want er is een hogere kracht en die hogere kracht speelt met ons, zo menen wij. Die zet ons maar ergens neer en laat ons maar allerhande dingen ondergaan. Maar vergeten wij daarbij niet dat wat wij ondergaan, wat ons wordt opgelegd en aangedaan, ook in onszelf schuilt?

Op het ogenblik dat wij onszelf kunnen veranderen, verandert de verhouding. Als de duif zichzelf kan omvormen in ‑ laat ons zeggen een valk – , dan zal de valk niet meer aanvallen. Er kan hoogstens een geschil zijn over het jachtgebied, maar dan is het geen prooi zoeken meer. Zo kunnen wij dus onszelf veranderen.

De grootstel lering die wij ten aanzien van God hieruit kunnen trekken is wel deze;

Wij veranderen, terwijl we zijn wat we zijn, toch steeds onszelf. Door deze verandering krijgen wij op een andere wijze contact met de Godheid. En waar wij eens meenden het slachtoffer te zijn van het onbekende, worden wij op den duur de bewuste medewerkers en in zekere zin zelfs de gelijken van dat onbekende.

De erkenning van jezelf, de waarheid omtrent jezelf en de waarheid omtrent je verbinding met de eeuwige Kracht zijn eigenlijk de sleutels om te ontkomen aan het slachtoffer zijn.

En als u meent, dat u het slachtoffer bent van de praktijken van anderen, dat u zelf mede heeft veroorzaakt datgene waarover u zich nu beklaagt, realiseer u dan eens even, dat u zelf daartoe heeft bijgedragen. Hierdoor wordt het niet alleen gemakkelijker om de dingen te dragen, maar het wordt vooral eenvoudiger om iets daartegen te doen, om nu uw innerlijke erkenning, uw innerlijke zekerheid, uw zelfkennis ook wel degelijk te vinden en daaruit zelfstandiger uw leven, uw ontwikkeling te bepalen.

“Elke mens maakt in zijn eigen wereld, zijn eigen hel, omdat hij te stom is om toe te geven, dat hij de hemel moet verdienen, daar hij hem niet cadeau kan krijgen.”