De echte auteurs van de bijbelboeken

Dinsdag, 23 mei 1978

 De boeken hebben wel allemaal namen, maar die namen zijn betrekkelijk willekeurig gegeven. Achter elke naam gaan vaak een aantal personen en soms meerdere geslachten schuil. U kunt kunt het alleen al zien wanneer u zich bezighoudt met Numeri bv. U vindt daar allerlei koningen met enorm lange perioden van regeren, doodgewoon omdat het hele families waren. Zo gaat het ook met al die profeten. Heel vaak zijn uitspraken van een aantal profeten samengevoegd onder de naam van de voornaamste. Op dezelfde manier zoals ze tegenwoordig mopjes vertellen van de een of andere vooraanstaande persoonlijkheid, over Einstein, Newton of Napoleon desnoods. Men zegt dan, dat het bij hem gebeurd is. Dat is niet waar, het zijn gewoon anekdoten, die op heel andere mensen betrekking hebben, zelfs vervormd zijn. Dat wordt allemaal zo bij elkaar gebracht. De meeste mensen gaan uit van het standpunt, dat die bijbel onder inspiratie is geschreven. Dat kan ik wel begrijpen, want anders kun je het niet tot een heilig boek verklaren. Laten we dan heel nuchter kijken naar wat er staat. Er staat een heleboel feitenmateriaal in. Er staan een hele hoop veronderstellingen in. Er staan dichtwerken gelijkenissen, allerlei mystieke zaken in. Dat zou dan allemaal geschreven moeten worden door degene, die er voor tekenen. Neen, dit is de overlevering van een heel volk en vaak de analyses, die dit volk weer heeft gemaakt ten aanzien van de leerstelligheden van bijvoorbeeld de Babyloniërs, Egyptenaren en andere beschavingen en culturen uit die tijd, waarmee men in contact en vaak ook in conflict is geweest. Wanneer je het Oude Testament zo leest, kom je als vanzelf tot de conclusie, dat het aantal schrijvers bijna oneindig is. Wanneer we nagaan hoeveel geschiedenissen vooruitlopen op de uittocht naar Egypte en we realiseren ons, dat toen in opdracht van Mozes de Levieten dit alles hebben vastgelegd, dan weten we, dat alles wat er voor staat in ieder geval een samenraapsel is van mondelinge overleveringen, legenden, sagen misschien, mythen.

Wanneer we datgene, wat er na komt, goed ontleden, worden we geconfronteerd met bijvoorbeeld visioenen, met reeksen wijsgerige uitspraken, met hele betogen.

Jesaja kan er wel van van. Jesaja 1 nog meer dan Jesaja 2. Je kunt deze twee boeken, alleen al op grond van de stijl verdelen in twee delen. Wanneer je dat allemaal overziet, is er maar één conclusie mogelijk: het is een verzamelwerk, waar aan elk boek, dat onder een enkele naam of aanduiding bestaat een onbekend groot aantal auteurs heeft meegewerkt en waarbij de samenvatting waarschijnlijk eerst is gebeurd vele jaren nadat een dergelijke figuur verdwenen was. De notities en de overleveringen zijn samengevat als het ware.

Zeker is het ook, dat bepaalde dichtwerken, als het Hooglied van Salome, niet van Salome zelf is. Salome, was geen dichter, maar hij had wel dichters in dienst. Dat liefdesgedicht – een van de mooiste gedichten trouwens – is dus niet geschreven door de koning zelf, maar door iemand, die voor hem werkte. Hij zette er wel zijn handtekening onder.

Het is al net zo iets als de vele levensbeschrijvingen, die politici en filmsterren tegenwoordig uitgeven. Die worden ook door een ander geschreven, maar onder hun naam. Zo is dat ook in het verleden gebeurd.

Ik hoop, dat deze uiteenzetting voldoende is. Ik kan er natuurlijk wel een uurtje over doorzagen, als u dat graag wilt. Veel meer, dan ik nu gezegd heb en dat van feitelijke betekenis is, kan ik niet naar voren brengen.

*  Is dat hetzelfde met het Nieuwe Testament?

Het eerste geschrift van het Nieuwe Testament is ontstaan in de jaren 60, dat wil zeggen ruim dertig jaar na Jezus’ deed. Daarvan zijn vele versies in omloop geweest. Een van die versies is later uitgewerkt. Wat betreft de andere evangeliën, die zijn van nog latere datum, zeg maar 70 tot 100 Jaar na Jezus’ dood.

Ze vallen dus in een periode – nu moet u het me niet kwalijk nemen, dat ik het zo zeg – dat degenen, die Jezus’ leven beschrijven hemzelf niet gekend hebben. Ze doen dit op grond van overlevering. Dat is punt een.

Punt twee: Er zijn in diezelfde periode en in de tijd van de Afrikaanse kerkvaders, zeg maar de eerste 300 jaar van het Christendom, nog de apocriefe evangeliën in omloop geweest. Er is op het concilie van Trente uiteindelijk besloten, dat deze vier evangeliën echt zijn en de andere niet. Dit wijst er al op, dat hier menselijk gezag een keuze heeft gemaakt en dat hier geen sprake is van goddelijk ingrijpen. Ook wanneer dit in de papale versie natuurlijk wel gebeurd zou zijn. Men zou bij alle evangeliën een stok hebben neergelegd. Bij vier evangeliën was de volgende dag de stok voorzien van amandelbloesem. Als je dat weer even nagaat, wie had de sleutel? Dat waren, juist, u heeft het in de gaten, de lijfwachten van de Paus. Wie zouden dus toegang hebben kunnen krijgen tot die tempel, zonder dat iemand het merkte, al weer diegenen, die direct onder het pauselijk gezag vielen, die bijvoorbeeld met een signetring, een zegelring, konden aantonen, dat zij het recht hadden binnen te gaan. Het was toevallig ook nog in de tijd, dat de amandelbloesem overal bloeide. Dus wat is eenvoudiger dan een paar takjes afsnijden en stilletjes naar binnengaan? Het zijn geen wonderverhalen, het is gewoon een politieke keuze geweest. Je kunt zeggen, dat het wezen van Jezus aardig overkomt, ofschoon de leraar, de rabbi, eigenlijk meer over komt dan de mens. De mens Jezus wordt weggedrukt achter allerlei wonderbaarlijkheden. Een enkele keer krijgen we er fragmenten van te zien. Bijvoorbeeld zoals in de hof van Gethsemane. Voor de rest eigenlijk niet.

Wanneer je dan verder kijkt naar de evangeliën, zoals ze nu gehanteerd worden, dan zegt men, dat dit het Nieuwe Testament is. De rondschrijvens of zendbrieven van Paulus en enkele andere apostelen, rekent men heel handig eveneens tot het door God geïnspireerde woord. Men ziet daarbij eenvoudig over het hoofd, dat Paulus zegt: “Dwing ze om in te gaan.” Jezus zegt: “Wanneer ze niet luisteren willen, dan ga je verder naar het volgende huis. Schudt het stof van je sandalen en ga verder naar de volgende.”

Zo zijn er zo veel van die dingen. “God doet alleen wonderen door zijn uitverkorenen.” Paulus zegt het wel niet direct, maar laat het toch maar even doorklinken. Jezus zegt, wanneer zijn apostelen bij hem komen en zeggen, dat er anderen genezen in Jezus’ naam en in de naam des Vaders: “Verheugt u dan.” Met andere woorden: Jezus zegt geen concurrentie, alleen uitbreiden van het Woord, Paulus maakt er een regime van, een monopoliestaat. Zo kun je doorgaan. U moet goed begrijpen, het is misschien allemaal heel erg mooi. Wanneer je het bekijkt op een menselijke, redelijke wijze, dus niet op de onredelijke wijze van de gelovige, die geen argumenten wil horen of zien, dan kom je tot de conclusie, dat er ook hier zoveel menselijk ingrijpen aanwezig geweest is, dat niet meer gesproken kan worden van een onvervalste versie van Jezus’ leer. Dit is dan misschien erg vervelend, maar als we dat erkennen zullen we misschien de moed vinden om in die evangeliën te zoeken naar de werkelijke betekenis. Naar datgene, wat Jezus werkelijk was, werkelijk wilde, werkelijk geleerd heeft.

We lichten dan de essentiële punten er uit, zonder ze te beschouwen als iets wat alleen maar bestaat in een bevoorrechte kring. Dat is een Joodse visie: onder elkaar moet je betrouwbaar zijn; onder de heidenen, de gojitn, is het wat anders. Zo is het een hele tijd geweest. Datzelfde zie je ook insluipen in het Christendom: Wij hebben de voorrechten en de anderen… nou ja. Enfin, kijkt u maar naar de christelijke politiek in Afrika op het ogenblik. Ik dacht, dat we daar ook zeer terecht kunnen zeggen, dat het een kwestie is van zoeken naar de weg, die Jezus is. Wanneer je dat niet wilt doen, maar alleen uitgaat van de menselijke interpretaties, van de geschriften, zoals ze algemeen aanvaard worden, dan moeten we helaas zeggen: “Arme mensen, jullie praten jezelf een meerwaardigheid aan, die je niet bezit. Je praat jezelf aan zondigheid aan, die niet Gods’ bedoeling is geweest. Je vergeet zelf de weg te gaan, die je gewezen wordt.” Dat vind ik het jammere van de wijze waarop de evangeliën geïnterpreteerd zijn. Hebt u commentaar?

*  Er gaat van de bijbel toch nog heel wat uit. Dat blijft toch?

Het is iets anders dan te zeggen, dat het waardeloos is. U heeft mij dit ook niet horen beweren. Maar we zijn wel op een punt gekomen, dat we constateren, dat er zoveel menselijk ingrijpen is geweest, zoveel menselijke factoren zijn er in geslopen. De mensen houden zich zo vast aan bepaalde interpretaties, die ook in de loop der tijden veranderd zijn. Ze houden zich bezig met woordverschuivingen. De Jacobusbijbel is er een voorbeeld van. Ook in de Itala komt het voor, de eerste Latijnse vertaling. Je moet dan wel tot de conclusie komen, dat het geheel niet te accepteren is als een direct van God stammend geheel. Dat zou niet redelijk zijn. Dan zeg je: “Goed, in deze leer, in deze waarheid, zo goed als in andere delen van de wereld, in andere leerstelligheden, is de waarheid Gods aanwezig. Dan is het niet mijn taak om te steunen op dit heilige boek, woordelijk en letterlijk, maar dan is het mijn taak om vanuit dit boek en vanuit mijn eigen wijze van geloven en denken, de waarheid te vinden, het Licht te vinden en vervolgens mijzelf daarin aan te passen” Dat is heel iets anders, dacht ik. Zijn we het daar over eens geworden? Het zal wel, anders zat u hier niet.

Een kennis van me omschreef een theoloog als: nou ja, Theo loog, hij liegt eigenlijk nog steeds.

We zien alles interpreteren. Mensen interpreteren alles en naar zichzelf toe. Zo komt die mens ook tot een heel andere voorstelling van de wereld, dan het in werkelijkheid is.

 Zijn er hiërarchieën? dan kan ik zeggen, dat er zeker gezagsverhoudingen bij ons zijn, maar het zijn geen permanente gezagsverhoudingen. Laat me het heel eenvoudig stellen. U zit hier bij elkaar. Er valt er een flauw. Een van u heeft EHBO of is dokter. Wie is dan degene, die op dit moment de orders geeft? Dat is degene, die de kennis heeft, die de vaardigheid bezit, die de mogelijkheid heeft. Zo dadelijk moet er buiten iets opgetild worden. Dan kijken we naar diegene, die de beste spieren heeft, want die is dan degene, die het dan het beste kan doen. Zo gaat dat bij ons ook. Hiërarchieën, dat is een menselijke manier van denken. Gezagsverhoudingen. We hebben de aartsengelen, de tronen, de heerschappij, noemt u ze maar op. Je gaat dan menselijk een rangorde vaststellen, die vanuit een bepaald standpunt bestaat, maar die niet te allen tijde en voor ieder lid daarvan bestaat. Een aartsengel kan in een functie aartsengel zijn, in een andere kan hij gewoon een engel zijn en in een derde misschien nog natuurgeest. Het is dus niet mogelijk om alles precies te definiëren. De bron van die indelingsgeschiedenis vinden we eigenlijk al terug in een poging om de godenwereld te omschrijven en te definiëren. U denkt dan waarschijnlijk aan de Grieken. Als u nu werkelijk een hele mooie stamboom wilt hebben, dan moet u eens die van India noemen. We hebben een Schepper, een Drie-eenheid, een verlossende figuur. We hebben daar een heel regiment goden en godinnen, van de hoogste tot de laagste toe. Waarom? Omdat de mens bepaalde functies ziet als zeer dichtbijstaande, terwijl hij andere functies ziet als hoogverheven. Bepaalde dingen ziet hij als een eenvoudige krachtsinspanning en andere als een miraculeus vertoon van onverwachte vermogens. Zo komt hij tot die indeling. Wanneer je in mijn wereld komt, maakt u zich geen zorgen, u komt er allemaal, dan zult u wel ontdekken hoe het eigenlijk is. Waar kan ik antwoord op geven. Wat draag ik in me. Dat maakt uit wie ik ben, maar ook welke taak ik kan aanvaarden, welk gezag ik kan vertonen, welke krachten ik eventueel kan uitoefenen. Dat betekent, dat u op sommige punten, kort na uw overgang al, leidend kunt optreden, terwijl u in het andere geval onderdanig bent of zelfs teruggedrongen wordt tot een benepen toeschouwer zijn.

In Europa heeft men zich natuurlijk wel een beetje met die indelingen bezig gehouden. Wonderlijk genoeg, zijn de eerste indelingen, die we in het Christendom aantreffen, ten dele van Griekse origine en ten dele te wijten aan de Midras-dienst. Later vervlakt dat een beetje. Er is een tijd, dat men eigenlijk geen groot verschil maakt tussen een heilige en een engel, zoals een aartsengel. Als een heilige heilig genoeg is, dan achten ze hem nog belangrijker dan een aartsengel. Een heilige is heilig genoeg, wanneer voldoende mensen zeggen, dat hij heiliger is dan andere heiligen.

Dan komt langzaam maar zeker de opkomst der Kalifaten. De Moorse invloeden vloeien uit. Dat betekent, dat steeds meer mensen geconfronteerd worden met de mystiek, zoals die in dit rijk wordt aanvaard.

U moet niet vergeten, dat in de oude Islam, de Christelijke priester en de Joodse geleerde werden gezien als volwaardig. Ze behoefden dan niet te geloven in Mohammed, maar waren toch gelijkwaardig aan het volk. Dit betekende, dat in die tijd van de Kalifaten eigenlijk een enorme ontwikkeling mogelijk werd van wetenschappen, waarbij mensen van verschillend geloof en van verschillend denken samenwerkten. Gelijktijdig werd daardoor ook een menging van mystiek en mystieke opvattingen tot stand gebracht. Nu heeft Mohammed zelf gesproken over de reis naar de zeven hemelen. Vandaar uit uitdrukking, dat u soms in de zevende hemel bent. Waar u die gezocht heeft moet u zelf weten. Er is nu een Joodse schrijver, die dit alles vastlegt in een “standaardwerk” van mystieke filosofie. Het is de basis van het kabbalisme, zoals het zich in het Christendom verder ontwikkelt, men noemt het wel eens de tuin van Pongrenaten. Hierin geeft hij een filosofisch systeem aan, dat gebaseerd is op de veel oudere overlevering van de levensboog, de brug waarop we op het ogenblik nog de spiegel tussen de twee zuilen bij de Maçon aan danken; de levensboom, welke eveneens vele mystieke richtingen nog steeds wordt gehanteerd als zijnde de aanduiding van de drie wegen volgens welke men uit de kamers tot de kroon kan komen tot de voltooiing. Wanneer je nu denkt aan de zeven hemelen en je leest dit werk, kom je tot de conclusie, dat deze gelaagdheid in zeven hier indirect aanwezig is. Hoe zit het nu verder in elkaar? Elke keer wordt elke laag nog weer in drie factoren gesplitst.

In elk daarvan wordt een aantal regerende personen gesteld waarbij er steeds een is, die de kroon vormt en waarbij we dus een reeks van twee en een reeks van drie krijgen, die als het ware met hun eigen personeel weer ondergeschikt zijn. Daaronder vinden we de basis waarop zo’n functie is opgebouwd. Deze is dan chaos voor de trap, die omschreven wordt, maar gelijktijdig kroon voor de trap, die er onder ligt. Kunt u dat volgen?

Wanneer je dat zo bekijkt, zeg je, dat het erg mooi geconstrueerd is, maar hoe komt de man aan al die namen? Als je het systeem kent van omzetting, van letteromzetting en je gaat die namen ontleden, blijkt, dat ze eigenschappen vertegenwoordigen, met andere woorden deze man heeft in zijn mystiek systeem de eigenschappen van het goddelijke, zoals ze in verschijning kunnen treden, ingedeeld in een aantal afzonderlijke lagen of hemelen, sferen en hij heeft daarbij elke functie zodanig benoemd, dat door omzetting een eigennaam kon ontstaan. Die eigennaam werd bovendien nog heel bijzonder berekend, want er staat ook een getal. Een functioneel getal, dat eveneens ook weer in de kabbalistische leer gebruikelijk is. Hier hebben we te maken met iets, wat mensen hebben opgezet. Hoe kan een mens begrip hebben voor de wereld, waarin vaste afmetingen, een vaste tijd, vaste normen, eigenlijk niet bestaan. Dat is voor een mens ondenkbaar.

Wanneer ik van u een foto neem, kan ik zeggen: “Kijk, zo is hij.” Maar dat blijft niet zo, morgen bent u een beetje anders. Als u zich beweegt, bent u al weer anders. Het geeft echter het wezen weer. Op deze manier zou je kunnen zeggen, dat langzaam maar zeker de steeds christelijker wordende kabbala, waarin veel alchemistische elementen en symbolen worden opgenomen, plus gnosis van de gnostici, dat deze een momentopname wordt van de geestelijke werkelijkheid, waarmee de mens geconfronteerd is. Dat is volkomen juist, het is een momentopname. Die momentopname is echter in een ver verleden gemaakt en ze is zelfs toen gemaakt door mensen met een bepaalde voorstelling van de kosmos, van de belangrijkheid van de wereld, van de samenhangen zoals ze overal bestaan. Denk niet, dat dit iets bijzonders is. In de tijd van de eerste dynastie, van de Yens in China, hadden de mensen ook al een geloof aan een hiernamaals. Hoe bouwden ze dat op? Ze hadden het over de hemelse keizer met zijn raadsheren, die gelijktijdig de winden vertegenwoordigden. Er waren allerlei rangen en standen, precies zoals in het dagelijks leven. In feite waren de tuinen van de hemelse keizer niets anders dan een geïdealiseerd replica van de stoffelijke wereld. Dat hebben zelfs de Egyptenaren gedaan. Hun voorstelling van het hiernamaals bevat eveneens rangen, standen, belangrijkheden, krachtsverschillen en een omgeving, waarin men denkt zich prettig te zullen voelen. Het is dus geen wonder, dat het gebeurd is. Die voorstellingswereld van de mens stuit dan, wanneer hij is overgegaan, op de vaagheid van de geestelijke wereld. Ze is niet vaag in bestaan. U kunt als geest intenser leven, beleven, intenser voelen, in grotere precisie communiceren met anderen, dan u zich op aarde kunt voorstellen.

Er zijn ook negatieve punten, maar die zijn in verhouding niet zo groot. Ze worden steeds kleiner, naarmate je onafhankelijker wordt van de mensvoorstelling, waarin het ik zich probeert terug te vinden.

Wat is dus onze wereld? Onze wereld bestaat uit zeer sterken en wat zwakkeren, uit zeer bewusten en iets minder bewusten. Nu is de moeilijkheid, dat bij ons de communicatie gebonden is aan, wat je zoudt kunnen noemen, een echo-effect, met andere woorden ik kan alleen een ander verstaan, wanneer ik in mij voldoende gegevens heb of begrip of gevoel of wat dan ook, om het inkomende signaal te vertalen in bewustzijn. Je zegt: “He, dus dat,” dan kun je vanuit de bekende gaan variëren en zo zelfs het onbekende meester worden. Maar, ik ben gebonden aan de kern van mijn eigen wezen natuurlijk. Het zal u duidelijk zijn, dat ik als geest in mijzelf eigenschappen heb, die ik op dit moment belangrijk vind. Op dat punt ben ik dus, vanuit mijzelf en voor alles waarmee ik harmonie kan wekken, de top van de piramide. In alle punten, waarin ik niet kan reageren, zijn anderen mijn meester, wanneer ik besef, dat er een reactiemogelijkheid is. Besef ik die geheel niet, dan ben ik gewoon uitgeschakeld; ik kan er niet mee verbonden zijn.

Wanneer je dat allemaal samenvat, dan krijg je een beeld van de wereld waarin wel degelijk rangorden bestaan, de belangrijkheid. Waarbij belangrijkheid en rangorde op het ene en het andere moment kunnen veranderen. Je hebt een gemeenschappelijk iets, noem het licht of harmonie, dat blijft voor ons allemaal wel hetzelfde, ofschoon de intensiteit, waarmee we het ervaren groter zal worden, wanneer we meer deel kunnen hebben aan het geheel van de kosmos. Wat de rest betreft, het volgende. Het klinkt misschien krankzinnig, maar als de minister boodschappen gaat doen – aangenomen, dat hij het zelf doet en niet laat doen door zijn chauffeur op staatskosten – dan weet hij zelf niet wat hij moet gaan kopen. Hij kijkt dan eerst eens wat het vrouwtje heeft opgeschreven, dan gaat hij dat kopen. Met andere woorden op dat ogenblik is het vrouwtje de meerdere van de minister. Zodra het om andere zaken gaat, is de minister de meester van het vrouwtje. Begrijpt u waar het om gaat? Iemand, die dicht bij u op aarde staat, die kan wanneer het uw aarde betreft, ingrijpen op die aarde en zal vaak veel doelmatiger optreden dan iemand, die daar ver vanaf staat, die alleen de grote lijnen voelt, maar de details, die voor mensen zo belangrijk zijn, misschien over het hoofd zien. Dan zal die grote zijn kracht lenen aan iemand, die in alle opzichten, behalve dit besef van de aarde, zijn mindere is. Wat is dan de rangorde, wat is hier de hiërarchie? Ze wordt bepaald door het ogenblik. Het is bij ons eigenlijk zo – nu heb ik het over lichte sferen – dat alle samenwerking geheel geschiedt op een basis van vrijwilligheid. Dit betekent ook, dat je automatisch en vrijwillig de andere als meerdere erkent voor zover het voor die taak nodig is. Als je die taak niet belangrijk en noodzakelijk vindt, werk je er niet aan mee. Op deze manier krijg je een samenwerking, die perfect zou zijn, ook voor de mensen, omdat bij elke taak de op dat punt meest deskundige zeggenschap heeft, tot de taak voltooid is. De controle ligt dan weer bij degenen, die de totale werking het gemakkelijkst overzien.

Als laatste wil ik dit nog zeggen, ik hoop niet, dat u zich geërgerd heeft aan hetgeen ik heb gezegd ten aanzien van de bijbel, de evangeliën, ten aanzien van de voorstellingen, die mensen hebben van hiërarchieën en dergelijke, U behoeft dit van mij niet te aanvaarden. Alleen dacht ik, dat ik argumenten heb aangedragen waarover u zoudt kunnen nadenken; het belangrijkste is misschien wel, dat u beseft hoe betrekkelijk zogenaamde zekerheden vaak zijn. Heel veel dingen neem je aan als zeker, zonder dat ze zeker zijn. Als je dat beseft, zul je meer bereid zijn om naar anderen te luisteren, je zult niet meer geneigd zijn je visie aan anderen dwingend op te leggen. Je zult bovenal bereid zijn te aanvaarden, dat consequenties, die jij zelf aanvaardt van een innerlijke waarheid, niet noodzakelijkerwijze voor anderen behoeven te bestaan. Als je dit beseft is het eerste punt van werkelijke harmonie en van werkelijke toenemende bewustwording voor u aangebroken.