De eenheid van superego en ego

uit de cursus ‘Zelfprojectie’ 1984-1985

Zoals we in voorgaande lessen al hebben kunnen zien, is het ik een samengesteld geheel waarin de voorstelling die men stoffelijk van zichzelf maakt dominerend is zolang men op aarde leeft. Naarmate je verder doordringt in de werkelijkheid van je wezen is het mogelijk die voorstelling aan te passen aan je innerlijke waarde. Anders gezegd; uiterlijkheden bepalen niet de werkelijkheid van het ik, maar de samenvloeiing van innerlijk en uiterlijk. Hoe bewuster dit geschiedt hoe meer hieruit een bewust ik beeld voortkomt.

Dat beeld kun je dan splitsen – ik heb dat in de titel gedaan – in een superego en een ego. Je kunt dit vergelijkend voorstellen als een enorm stuwmeer, dat dan superego heet, waarin het ego de uitlaat is waardoor een deel van het water meestal met veel lawaai wegstroomt.

Wij hebben in de loop van ontelbare jaren of eeuwen ervaringen opgedaan. Al die ervaringen tezamen hebben een bewustzijn gevormd en een beeld van datgene wat wij binnen het geheel zijn of zouden moeten zijn.

Het superego omvat alle factoren die bewust zijn plus alle factoren die niet bewust worden beleefd, maar die toch richtinggevend zijn voor het ik.

Het ego zoals een mens het kent, wordt natuurlijk opgebouwd op grond van al deze gegevens. Deze beïnvloeden immers de keuze van incarnatie, maar daarnaast ook de keuze van tijdperk, van milieu. Dus van de invloeden die je stoffelijk zult ontmoeten. Het houdt verder in; de innerlijke benadering van de wereld waarin je leeft zodat het karakter van een mens wordt gericht op bepaalde facetten van beleving.

Het ik, zoals je dat stoffelijk ziet, is dus een samenstelling van stoffelijke kwaliteiten, van mentale achtergronden, van ervaringen al dan niet verdrongen geheugenwaarden en wat dies meer zij.

Wanneer u bezig bent met uzelf dan zal de voorstelling die u van uzelf heeft gemaakt bepalend zijn op aarde. Zij is het voertuig geworden waarin al het andere tot uiting kan komen. Het belangrijke daarbij is niet dat we aan die voorstelling van alles aanpassen, maar dat wij ons bewust zijn van de inhoud die dit voertuig, deze uiterlijkheid, in zich draagt.

Willen wij ons ik projecteren en daarbij niet alleen maar uitgaan van hetgeen wij nu zijn; dan zullen wij moeten aanvaarden dat alles wat in ons bestaat realiteit is. Dat is heel erg moeilijk. U bent in een vorig leven misschien hofdame geweest, zeerover of wat u aan leuke beroepen maar kunt vinden. Dat loopt van slaaf tot koning. De koning is de slaaf van zijn koningschap. De slaaf is de slaaf van de koning op grond van diens koningschap. Zo gaat dat.

Al die ervaringen leven in u als een soort fantasiewereld. U leeft in een gevoels-en een voorstellingsleven die wel afwijken van de uiterlijkheid. Daar hebben we zelfs een hele les aan gespendeerd. Die innerlijke waarden zijn echt. Alle mogelijkheden die u innerlijk be­seft, zijn reëel ook al zijn ze niet toepasselijk op dit bestaan. Maar voor uw werkelijke persoonlijkheid zijn zij aanwezig. Wat in uw droom mo­gelijk is, is voor u reëel mogelijk, mits u het niet beperkt tot uw stof­felijke wereld.

Op het ogenblik dat u die innerlijke wereld gaat aanvaarden en niet meer door het filter giet van uw stoffelijke opvattingen, gangbare moraliteit, geloofswaarden e.d. komt u als vanzelf tot een gevoel van mogelijkheid. Het is over het algemeen voor de mensen een vaag beeld. Het is driekwart emotioneel, een kwart mentaal. Richt u zich op de door u aangevoelde mogelijkheid, dan zal door de concentratie op die mogelijk­heid het gehele ik, inclusief het stoffelijke ik, zich daarmee voor zo­ver dit enigszins mogelijk zal zijn, tot harmonie komen. Is eenmaal deze éénklank ontstaan, dan zullen de belevingen kunnen plaatsvinden op het vlak van de mogelijkheid. Het is een beetje dor geformuleerd, maar dat moet u mij maar vergeten, anders is het niet duidelijk.

De mogelijkheid kan niet onderworpen zijn aan onze materiële benaderingen en gevoelens. Dat moeten wij wel beseffen. Als ik het gevoel heb dat ik de hele wereld kan verbeteren (vooral als je jong bent, ­heb je dat vaak), dan is dat heel duidelijk stoffelijk niet mogelijk. Maar je kunt jezelf verbeteren in de totaliteit. Je kunt je eigen kwaliteit van deel-zijn verbeteren en daarmee in feite het geheel op een ietwat hoger vlak brengen.

Als je denkt dat je andere mensen de toekomst kunt vertellen dan is dat natuurlijk wel eens waar; er zijn mensen die dat kunnen. Maar dan moet je je niet voorstellen dat je hun precies het uur, de dag en de minuut kunt vertellen wat er zal gebeuren en hoe het zal gebeuren. Je hebt geen vaste lijn. Je beeld is ook in dat geval één van mogelijkheden en niet van onveranderlijke feiten.

Wil je mensen genezen, dan moet je niet alleen uitgaan van de manier waarop jij dat stoffelijk bekijkt. Je moet een mogelijkheid aanvoe­len. Je moet die mogelijkheid niet waarmaken in een aangepaste tijd of met een aangepaste meditatie, maar a.h.w. spontaan. De innerlijke waar­de werkt en de uiterlijke situatie doet eigenlijk verder weinig of niet ter zake.

Zoals dit geldt voor deze gaven, geldt dat natuurlijk ook voor be­reikingen in andere werelden.

Het projecteren van jezelf naar andere plaatsen op je eigen wereld. Ook hier kun je niet uitgaan van logische maatstaven, van gedragswaarden die door een wat vertrokken ik-voorstellingen worden voortgebracht. Wij hebben dus een eenheid nodig. Die eenheid, bestaat althans prin­cipieel, wel.

Wij kunnen nooit afstand doen van een deel van ons wezen, maar wij kunnen wel delen van ons bewustzijn onderdrukken of de ervaringen van dat ik verwringen. Om daaraan te ontkomen, moeten we terug naar dit aanvoelen van mogelijkheid. Dat is het enig belangrijke.

Wij moeten proberen dat zoveel mogelijk te plaatsen buiten elke pro­cedure die men materieel daaraan zou kunnen verbinden. En dan moeten wij daarop reageren door ons niet te concentreren op een cel, wat we zouden moeten doen, maar op de mogelijkheid. Op het ogenblik, dat wij dit doen, wordt het geheel van ons wezen a.h.w, ontladen in deze mogelijkheid, ons beeld daarvan kan onjuist zijn; dat komt nogal eens voor. Maar ons aanvoelen ervan kan niet onjuist zijn, omdat het berust op samenhangen die over aeonen van jaren zijn ontstaan en zijn beseft. Het resultaat is, dat we juist door de procedure uit te schakelen, komen tot het spon­taan ontstaan van inzicht, van procedure voor zover nodig en het ge­hele proces a.h.w. inspiratief gaat verlopen.

Waarom inspiratief? Als ik probeer om de werkelijke eenheid die ik ben te projecteren, dan kan ik mij nooit beroepen op de waarde van de één of andere wereld af­zonderlijk. Ik kan beroepen op de krachten van Zomerland, maar dat zijn beperkte krachten. De voorstellingen, die eraan vastzitten zijn beperk­te voorstellingen. De mogelijkheden die erin liggen zijn beperkte mogelijkheden. Als ik die selectie niet maak, zal alles wat tot mijn wezen behoort, tot de hoogste kernkracht in mijn wezen toe, mede betrokken zijn bij de projectie

Het stoffelijke ik heeft nog altijd zijn vormvoorstelling; dat kan niet anders. Het heeft zijn ik-voorstellingen opgebouwd op allerlei relatie-gebonden emoties en daarnaast natuurlijk op zintuiglijke waar­nemingen. Dit beeld van het ik hebben wij wel nodig, want ik ben daarbij betrokken. Ik kan niet opgaan zonder meer in het geheel en gelijktijdig daadkrachtig blijven. Ik heb dus mijn stoffelijk ik wel nodig. Maar deze voorstelling is niet bindend. De mogelijkheden die ik normaal aan mij­zelf toeken, bestaan op dat ogenblik niet. De capaciteiten waarop ik mij wil beroepen zijn eveneens expliciet aanwezig. Ze kunnen er zijn, maar ze interesseren mij niet. Mijn voorstelling van het ik, zoals die stoffelijk bestaat, is niets anders dan een uitdrukking van actie waar­bij het geheel van de verbondenheid die in mij werkt via deze ik voor­stelling beter kan worden gericht en de harmonie ook meer bewust kan worden beleefd.

Dan moeten we nu nog een beetje diepzinniger worden.

Wij zitten altijd vast aan denkbeelden van; wat ben ik dan wel en wat ben ik niet? Laten we nu een wereldbeeld schetsen dat een beetje af­wijkt van het normale.

Er is een God, natuurlijk. Een oerkracht. Naast die kracht bestaat er een aantal kwaliteiten van die God die gepersonifieerd zijn. Die persoonlijkheid ontstaat eenvoudig door de eenzijdigheid van het verschijnsel plus de relatie die dit verschijnsel aangaat met zijn omge­ving. Er komt zelfs een soort bewustzijn uit voort. Je zou kunnen zeggen: Er zijn vele goden. Deze goden zijn natuurlijk niet absoluut. Maar wat wij denken te zijn is ook niet absoluut.

Al die goden en krachten hebben een verwantschap met mij. Want zo goed als deze krachten een deel van het goddelijke uitbeelden, zo is mijn ego in feite niets anders in zijn totaliteit dan de uitbeelding en weergave van een deel van de goddelijke kracht zoals die in mij woont. Dan kan ik met elk facet van het goddelijke communiceren op grond van de verwantschap die wij bezitten.

Maar als ik mij richt tot God, dan maak ik vaak de fout dat ik naar de directeur ga, die mij dan toch zal terugverwijzen naar de afde­ling publiciteit; informatie, administratie en wat dies meer zij.

Anders gezegd; Als ik een begrip krijg voor de vormen waarin het godde­lijke zich als wetmatigheden o.m. als heersende en richtende krachten manifesteert, zal ik door mij op die krachten te richten ongetwijfeld een betere afstemming bereiken en in kortere tijd meer resultaat kunnen boeken dan anders het geval zal zijn.

Dan kunnen we nu weer een conclusie aan dit alles verbinden; Wanneer ik mij uit het totaal van mogelijkheden en krachten een voorstel­ling maak en mij daarmee verbonden wil achten, dien ik mij geen algemene voorstelling te maken, maar zo goed mogelijk het wezen waarmee ik wil samenwerken voor mijzelf te omschrijven.

Er zijn twee soorten van meditatiemogelijkheid. De eerste is de gerichte meditatie. Hierbij ga je uit van bepaalde ver­schijnselen of van bepaalde gedachten en entiteiten. Door je overweging stem je je daarop af. De tweede vorm van meditatie is in feite de gedachteloze meditatie voor zover ze dan mogelijk is. Dat wil zeggen, dat je eenvoudig probeert op te gaan in het geheel zonder op welke wijze dan ook jezelf of verschijn­selen te profileren. De tweede methode zal voor het zich bewust worden van hogere kracht vaak beter werken dan de eerste. Maar als we bezig zijn met het projecteren van ons ik, dan zit er een zekere activiteitsdrang aan verbonden. Wij zullen dus gebruik moeten maken van de eerste methode.

Om te weten wat we willen doen, moeten we mediteren. Mediteren is niets anders dan bidden. Het is niet het opstellen van een verlanglijstje. Het is niet het erkennen van bepaalde krachten zonder meer. Het is het intens in jezelf doen groeien van een beeld van kracht, van een voorstel­ling a.h.w. van het mogelijke waarmee je jezelf verbonden wilt gevoelen.

In de oude tijd had men dat met bepaalde goden of later met bepaalde heiligen. Sint Jan had bepaalde functies. Zelfs Sint-Nicolaas een afge­keurde heilige, die zelfs voor de dieven en dergelijken mede verantwoor­delijk was. Dan hebben we nog Sint Martinus die de eerste man is geweest van de christelijke solidariteit. De man, die zijn jas in tweeën sneed om een helft aan een bedelaar te geven. Het leukste was het resultaat; beiden waren snipverkouden toen ze thuiskwamen.

Een krijger dacht aan Wodan de éénogige met zijn raven, de grote wijze heerser maar ook de grote en wrede strijder. Dat was heel normaal. Daardoor voelde hij zich opgenomen en opgeladen, het berserker zijn dat bij bepaalde stammen voorkwam vooral bij een aantal noordelijke stammen. Het was eenvoudig een voortvloeisel van; je eerst één voelen met de god op de een of andere manier en dan je overlaten aan die god, een uiting worden ook van de wil van die god. Daardoor ontstond er een soort razer­nij, een verblind zijn voor alles wat niet met een bepaald doel te maken had.

Bij zelfprojectie behoeven we natuurlijk niet zo ver te gaan dat we ineens verblind raken of anderen verblinden, dat is duidelijk. Maar wat we wel nodig hebben, is iets heel anders. Wij hebben een beeld nodig. Een beeld is voor een mens over het algemeen verbonden met een persoon­lijkheidsvoorstelling, hoe dan ook. Wij kunnen zelfs over God moeilijk den­ken, als we niet aan Hem denken als een heerser of desnoods als een va­der. Laten we ons dan een voorstelling daarvan maken.

Als we inzicht nodig hebben, laten we denken aan een Heer van Wijs­heid en mijnentwege van hem een gebaarde Pers maken met een tovenaars­mantel en een punthoed. Niet dat hij zo bestaat, maar voor ons is het de weergave van wat we zoeken. Dan komen we in dit geval door de voor­stelling terecht bij die macht behorende tot de Heren van Wijsheid volgens een bepaalde indeling die mystieke en magische belevingen mogelijk maakt. Dan kunnen we ons gehele ik daarop richten.

Het resultaat is, dat uit die totaliteit een aantal invloeden op ons afkomen die we stoffelijk gezien niet kunnen beheersen, kunnen rich­ten of kunnen regelen. Het zijn invloeden die te groot zijn en te weinig beseft kunnen worden. Maar die invloeden worden dan wel de stimulans waardoor onze stoffelijke persoonlijkheid en onze stoffelijke ik-voorstel­ling actief worden. Het is deze activiteit die van groot belang is.

Wij hebben in deze lessen al eens eerder gezegd, dat het er niet al­leen om gaat om innerlijk iets te bereiken. Wij moeten het ook naar buiten toe kunnen waarmaken. Het is de versmelting van je innerlijke en je uiterlijke wereld, waardoor alles wat je eerst in jezelf hebt, erkend zijn betekenis krijgt. Het moet tot de totaliteit van je ik behoren en niet alleen tot bepaalde, voor vreemdelingen meestal nog mooi afgeslo­ten compartimentjes waarin wij ons gevoel van christelijke naastenliefde opsluiten omdat zaken nu eenmaal zaken zijn. Neen, het projecteren van het ego is pas werkelijk vol mogelijkheden en resultaat brengend, als wij erin slagen om het superego en de ik voorstelling die we nu bezitten te laten samenvloeien. Niet door ze te bepalen, maar door ze te onder­gaan.

Het is misschien het moeilijkste gedeelte voor een mens die esote­risch wil streven. Men denkt altijd: je moet het met de wil doen. Dat is maar voor een heel klein gedeelte waar. Laat mij het zo zeggen:

Wanneer je een geweer afschiet, dan is het vizier en het juiste instellen daarvan heel erg belangrijk, daardoor richt je. De wil is het richt element. Het kan in bepaalde gevallen nog verder gaan. Het kan de ontsteking zijn. Maar de werkelijke kracht wordt geleverd door iets wat we niet kennen. Het projectiel dat we uitstoten is wel door ons bepaald, maar het is niet door ons beheerst in die zin. Wij kunnen dat stoffelijk niet. Daarom moet dat allemaal samenvloeien. Een geweer, waarin geen patroon zit is waardeloos. Als je een patroon hebt zonder geweer, kun je daar niet veel mee doen. Heb je beide samen, dan zijn ze actief. Laten we het dan nog eenvoudiger stellen al zit hier een schijnbare tegenspraak in en zeggen:

Laat dat hele geweer onze ik-voorstelling heten. Dan is het superego voor ons de leegte van de loop waardoor de richting wordt be­paald. Onze wil is het vizier waardoor de loop wordt gericht: Het geheel van onze ik-voorstelling is het houvast dat je nodig hebt, de kolf. Maar de kracht, die tot uiting komt, wordt bepaald door het superego. De mogelijkheden die daarin schuilen worden weer bepaald door een voorstelling die wij hebben van een deel van de totaliteit. Ik hoop dat het voorbeeld bij nalezing en overweging wat eenvoudiger is dan het klinkt.

Samenvloeien kan voor een mens nooit een totaal bewust proces zijn. U kunt wel bezig zijn met uw superego, maar het is dan toch wel zoiets als de reep chocolade die aan de andere kant van de wereld net wordt gemaakt en die u wel zou willen consumeren maar waar u niet bij kunt komen.

Het superego kan eigenlijk niet in ons bewustzijn zonder meer worden opgenomen; ook niet met overdenkingen, met mystieke belevingen en oefeningen Er is een scheiding tussen deze twee delen van het ik. Normalerwijs is de rede een begrenzing. Schakel je de rede op dit punt althans uit, dan ontstaat er een uitwisseling, een soort osmose,

Delen van het stoffelijke ik-besef dringen beter door in het to­tale ik. Gelijktijdig dringen delen van het totale ik verder door in de ik voorstelling die u heeft. Er is een uitwisselingsproces gaande. Dat betekent dat u hetgeen ik heb gezegd niet een, twee, drie zult kunnen doen, maar dat het een procedure is die langere of kortere tijd vergt vanuit een stoffelijk standpunt.

Wat dringt door naar het stoffelijke ik-beeld? In de eerste plaats een deel van de inhouden van het superego die worden vertaald als gevoelens maar soms ook als visioenen, in andere gevallen zelfs als impulsen, inspiraties of intuïties.

Wat dringt van het stoffelijke ik door naar het superego? Een begrip van beperking; maar een omschreven begrip van beperking. Hierdoor zal het totale ik dus zijn eigen mogelijkheden tot werken in verband met het stoffelijke ik beter kunnen definiëren. Anders krijgt u een situatie waardoor het ik wordt opgezogen in het superego, maar gelijktijdig alle bewuste beleving wegvalt. Wat er overblijft is misschien nog een licht gevoel van tevredenheid of vreugde of een symbolisch beeld dat je dan maar hebt opgebouwd om een hiaat in je beseffen voor jezelf te verklaren. Je kunt echter, als het superego de beperkingen begrijpt, komen tot een gerichte overdracht aan de hand van een stoffelijk erkende behoefte van het superego.

Er kunnen selectief krachten en gaven worden doorgestuurd die dan meestal via het onderbewustzijn en via droombelevingen etc, langzaam maar zeker het denken en daarmee de mentale mogelijkheid tot richten van een mens op aarde beïnvloeden.

Dit osmotische proces voltrekt zich bij iedereen. Maar hoe sterker de rede of de rationaliteit is, hoe sterker een bepaalde voorstelling van jezelf wordt gehandhaafd, hoe kleiner de kans is dat een redelijk intense uitwisseling tussen beide delen van het ik-zijn ontstaat. Dan is het misschien ook interessant om hierbij te vermelden,

De samensmelting van superego en ego kan alleen plaatsvinden, indien wij onze redelijkheid terzijde stellen, indien wij niet proberen te definiëren in overeenstemming met opvattingen, denkbeelden of we­reldvisies. Wij moeten gewoon aanvaarden. In die aanvaarding echter ontstaan impulsen. Dergelijke impulsen kunnen materieel alleen dan voldoen­de juist worden gebruikt, indien wij ze kunnen associëren met delen van onze ik-voorstellingen en wereld-voorstellingen zoals die op aarde be­staan.

Hier volgen nog enkele regels,

  1. Omdat het niet mogelijk is om vanuit je stoffelijk bewustzijn je werkelijk deel zijn van het Al te beleven en hoogstens zeer beperkt delen van het ik-bestaan behorend tot andere werelden of sferen soms deels kunnen worden erkend, mogen wij nimmer onze innerlijke beelden van der­gelijke werelden en toestanden als bepalend beschouwen voor datgene wat we zijn, kunnen doen of moeten doen.
  2. Omdat de kracht in ons niet werkt op grond van onze overwegingen en gevoelens, maar op grond van haar feitelijk harmonie met al het zijn­de waarin het goddelijke mede is vertegenwoordigd, zullen wij spontaan en impulsief de kracht ontladen mits wij in onszelf eerst een zekere eenheid met ons totale ik hebben gevonden.
  3. Er kan geen menselijke voorstelling bestaan die enigszins aanduidt wat geestelijke werkelijkheden zijn, laat staan dat daarbij het geheel van het ego, het zgn. superego ook maar omschrijfbaar of besefbaar wordt. Het is altijd een aanvoelen waarbij elke poging de gevoelens te rationa­liseren moet worden vermeden. Werkend vanuit deze gevoelens volgens de voorstelling die wij hebben van onszelf en onze wereld bezitten wij ech­ter krachten en machten die niet redelijk zijn, maar die desalniettemin in onze wereld direct kan worden gemanifesteerd. Dit laatste hebben wij in gewijzigde vorm in de vorige les ook al genoemd.

Deze regels klinken misschien heel eenvoudig, maar ze zijn erg moei­lijk. Je kunt als mens het beeld van jezelf, van je moeilijkheden, van wat de wereld van jou denkt en wat jij van de wereld denkt nu eenmaal niet zo gemakkelijk opzijzetten. Daarom is de samensmelting van ego en superego een zaak die niet eenvoudig zakelijk menselijk kan worden benaderd. Het is altijd een geleidelijk proces waarbij steeds meer niet rationele waarden en niet meer te duiden gevoelens een rol spelen.

Wat gebeurt er wanneer die eenheid dan werkelijk wordt bereikt?

Er zijn op aarde niet zo heel veel voorbeelden te geven van der­gelijke mensen, omdat de geschiedenis ze over het algemeen of tot goden maakt of ze verdonkeremaand. U weet het, de geschiedenis is het goed­praten van menselijke ellende door te wijzen op een glorie die alleen in de geschiedenisboeken later daarop overschiet. Dit kunt u aan uw kin­deren mededelen, als ze geschiedenisonderricht krijgen.

Realiseer u: alles is een geheel. Dat er in dit geheel een functie­verdeling bestaat, maakt het niet minder een geheel. U kunt zeggen dat elke cel van uw lichaam gespecialiseerd is en toch kan die cel niet bui­ten dat lichaam bestaan en functioneren. Zo gaat het met ons in deze eenheid.

Ons superego is dan de werkelijke cel. Ons stoffelijk ego is een werkzaam oppervlak van de cel en niet meer dan dit. Het werkzame opper­vlak wordt altijd bepaald door het geheel of het wil of niet. Kun je echter de eenheid bereiken dan zal die eenheid niet beperkt blijven tot jezelf. Want alle mensen, alle dieren, alle planten, alle leven, ja, alle materie en al het voorstelbare is deel van het geheel.

Mensen, die de eenheid hadden bereikt, hebben doden opgewekt, hebben zieken genezen, hebben wonderen gedaan, hebben stenen in brood veranderd, hebben water tot wijn gemaakt. De legenden daarvan blijven over. Maar de absolute heerschappij hebben over de materie, iets wat dergelijke personen dan regelmatig manifesteren, betekent nog niet dat ze niet onderworpen zijn aan het stoffelijke deel, het ik-zijn dat nu eenmaal bij hen hoort. Om het heel eenvoudig te zeggen:

De Boeddha zal ongetwijfeld een hoog bewuste geest zijn geweest. Hij heeft trouwens ook wonderen gedaan maar ze worden een beetje ver­donkeremaand; ze passen niet in de leer. Maar diezelfde Boeddha ging ook rustig theedrinken op de veranda van een beroemde prostitué. Iets waarover alle monniken natuurlijk schande spraken, omdat zij daar zelf niet zaten. De Boeddha was een mens. Hij moest ook ouder worden, ten onder gaan, vermoeid worden.

Neem nu Jezus. U hoort altijd van hem als de Leraar. Hij heeft ook moeten zoeken naar een mogelijkheid om dat wat er in hem is duidelijk te maken al is hij daarvoor tenslotte ook de bedehuizen uitgezet. Hij heeft gepredikt in het openbaar. Hij heeft wonderen gedaan, zeker. Maar diezelfde man was vermoeid. U kunt dat in de bijbel meermalen aantreffen. Diezelfde man had honger. Diezelfde man was kwetsbaar. En hij is aan het kruis gestorven. Nu kunnen we zeggen: Hij is weer op­gestaan. Maar dat is alleen een vervolg. De kwetsbaarheid, het mens-­zijn bleef onvermijdelijk.

De samensmelting van het ik tot een geheel betekent enerzijds een absolute verbondenheid met de totale kracht. Aan de andere kant bete­kent het nog steeds dat de ik-voorstelling en de relatie met je wereld, zoals die op dit moment bestaat, bepalend zal zijn voor de vormgeving, de uitingswijze, zelfs de belevingsnoodzaken en mogelijkheden zoals die nu zijn.

Het projecteren van de gehele persoonlijkheid betekent de kosmos kennen, tot achter de sterren kunnen gaan, alle tijden omvatten. Het betekent gelijktijdig ook dat je toch moet opstaan als de wekker af­gaat.

Om dat te begrijpen zou je dat grote ik (het superego) steeds meer moeten laten doorklinken, doorsijpelen a.h.w. in je stoffelijk bestaan. Je kunt niet het stoffelijke bestaan opzijzetten en alleen maar super­ego zijn. Je kunt alleen het superego, als een voortdurende kracht, een onbewust weten, een stuwing in jezelf toelaten zonder het redelijk te beperken. Dan verkrijg je het vermogen, om jezelf op elk niveau te beleven.

Niet om jezelf te kennen of elk niveau zonder meer te kennen, maar om die te beleven. Uit die beleving vloeit dan voorts de mogelijkheid om overal jezelf te projecteren.

Als je dat wilt, kun je een tweede lichaam opbouwen; ergens anders in een heel ander deel van de wereld. Dan kun je volledig bewust deel­nemen aan bv. iets dat gebeurt in Zomerland of zelfs in actie gaan in een duistere wereld om de één of andere te bevrijden van de laatste spinraggen van zijn eigenwaan. Dat is dan allemaal mogelijk. Maar als je het superego terzijde blijft stellen dan is er een gebrek aan eenheid en daardoor zijn je mogelijkheden en krachten steeds meer gelimiteerd. Dan zal je projectie steeds onvollediger zijn, onverschillig of je haar richt op je eigen wereld dan wel op een van de andere bestaansniveaus waartoe je behoort.

Ik hoop dat u zich de moeite wilt getroosten om dit nog eens te bekijken. Er zitten namelijk enkele aanwijzingen in verborgen die u wel degelijk kunt gebruiken. Ook als u gewend bent te mediteren, te bidden en ook als u alleen maar op een gegeven ogenblik zou willen vergeten wat uw beperkingen en uiterlijkheden zouden zijn op aarde. Ik denk dat u er dan veel aan zult hebben.

  • Hoe ziet u de relatie tussen superego en de zonne-engel?

De zonne-engel of beter gezegd: de eerst dienaar van de zon die tevens heerser is van de maan is een magische voorstelling. In de eso­terie is die een grote rol gaan spelen, omdat de mens zichzelf in de macht van de zonne-engel wel herkent, maar zonder de begrenzingen die hij voor zichzelf als onvermijdelijk beschouwt. Je zou het misschien zo kunnen zeggen. De Godsvoorstelling of de machtsvoorstelling die een mens buiten zich opbouwt, is voor hem het steunpunt waardoor hij tijde­lijk zijn opgelegd onvermogen vergetend voor zichzelf tot mogelijkheden komt en tot een tijdelijke eenheid van beleven en kracht die anders niet benaderbaar zou zijn