De esoterische en de magische weg

image_pdf

9 mei 1961

Ik wil vandaag weer eens gaan spreken over een ietwat ander terrein. Wij hebben nu getracht de magie in vele vormen te beschouwen en wij hebben daaraan vastgekoppeld het begrip van innerlijke ontwikkeling. Maar waar wij natuurlijk op een gegeven ogenblik voor een keuze komen te staan (de keuze n.l. of wij de weg van de zuiver innerlijke kennis zullen gaan volgen of dat wij de weg zullen gaan volgen van de magie, dus gebaseerd op kennis van verhoudingen, van structuur), zo wordt het noodzakelijk om beide waarden a.h.w. te gaan vergelijken. En dan moeten wij allereerst beginnen – althans m.i. – met de innerlijke mens.

Elke mens is een complex wezen. In en uit hem gaan duizenden invloeden de wereld in van de stof en van de geest. De geest, die in hem leeft, heeft haar eigen wereld en blijft met die wereld verbonden. Er zijn voortdurende uitwisselingen van kracht met die wereld. Maar de mens kent zichzelf onvoldoende. Dit gebrek aan zelfkennis maakt soms een reus machteloos, wanneer hij staat tegenover een dwerg. Een dergelijke ontkenning als het ware van eigen wezen, zoals wij zo vaak zien, impliceert verder dat men het slachtoffer wordt van vele krachten, waarover men eigenlijk een heerschappij zou moeten bezitten.

Willen wij nu de magische kant kiezen, zo trachten wij het Al te leren kennen en de relaties tussen het Al en het “ik” a.h.w. reglementair vast te stellen. Wij moeten gaan proberen van uit onszelf de krachten te activeren, die voor ons noodzakelijk zijn. We zullen proberen ons eigen wezen en denken uit te dragen, zodat als een echo uit de oneindigheid een directe relatie van gebeurtenissen ontstaat. In onszelf is dat niet noodzakelijk.

Werkende in de magie zullen wij trachten magische meesters te worden, magische cirkels, magische ringen e.d. te vormen. Zoeken wij in de esoterie, dan gaat het ten slotte om onszelf. Verschillen te over.

Nu zegt de esoterie, dat je jezelf moet leren kennen. En ze geeft u een veelheid van beelden, waaruit u voor uzelf kunt besluiten wat u misschien zou kunnen zijn. Ze geeft u ook de gelegenheid uzelf op de proef te stellen en bindt u vooral via uw innerlijke beleving aan de godheid, die u een steeds duidelijker gestalte vertoont en zo in het weerkaatste licht ook het “ik” duidelijker doet kennen.

Als ik esoterisch denk, dan doet de werkelijkheid er weinig aan toe. Het gaat er niet om wat die wereld is, waarin je leeft. Het is onbelangrijk welke krachten je regeren en beheersen. Het is alleen belangrijk, dat je beantwoordt aan de kern van je eigen wezen; dat je – zonder ooit jezelf te verloochenen – voortdurend jezelf kunt en durft zijn. De uitingen zijn a.h.w. de bevestiging van hetgeen je in jezelf gewint. Zo probeer je voor jezelf een eenheid te verwerven met God. En de wijze, waarop dit geschiedt, is onbelangrijk, dat telt niet.

De esoterie onttrekt zich aan de geschapen kosmos en keert terug tot de goddelijke kern in het “ik”. Maar stellingen – op vele wijzen weergegeven – zou je als volgt kunnen samenvatten: Toen de Schepper Zijn wil uitzond, gaf Hij een vonk van Zijn wezen en Zijn licht; en ziet, dat werd zich van zichzelf bewust en zo werd ik geboren in het Al. Maar God schiep in Zijn weten volmaaktheid. En zo is mijn werkelijk wezen volmaaktheid en deel van Zijn wezen. Zolang ik dit niet besef, zal ik vreemd in de wereld zijn; ik zal ver staan van alle bereiking en voleinding; ik zal niet juist kunnen handelen en denken; mijn geest zal in vele gevallen vertroebeld zijn door waanideeën en -voorstellingen, zelfs in de werelden van de geest. Maar wanneer ik in mijzelf de goddelijke kracht aanvaard en voortdurend streef naar het erkennen hiervan met elk middel, dat mij ter beschikking staat, zo zal ik meer en meer de vonk in mijzelf vinden en daarmede ook mijn werkelijke persoonlijkheid, het wezen dat ik ben in de kosmos. Heb ik dit gevonden, zo zal ik – mijzelf erkennende – ook beseffen, welk deel ik ben van de schepping en van de Schepper. Onttrokken aan een zelfstandig bestaan – maar bewust van mijzelf – zal ik ingaan tot de Schepper en Diens volmaaktheid volgens Zijn wil openbaren.

Er is natuurlijk aan de esoterie meer verbonden dan dit, maar in deze korte zinsnede ligt de kern van alle esoterisch denken en streven. Stel daartegenover nu de magie. De magie wil zichzelf niet prijsgeven en kan dit ook niet. Zij gaat uit van de feitelijke toestand: ik leef in deze wereld. Zij erkent: er is een God. Zij erkent zelfs, dat er een direct contact bestaat tussen het “ik” en deze God; evenals zij beseft, dat er uit die God contacten zijn met alle krachten en dat door het “ik” met vele krachten een soortgelijk contact tot stand kan worden gebracht. Zij vraagt zich niet af: Wat is Gods volmaaktheid? Zij vraagt zich af: Wat zijn de begrenzingen daarvan?

De magie tracht in het kennen van wetten en het wezen der dingen in de openbaring van al, wat geschieden kan, de verschillende werelden en sferen tot een harmonisch samengaan te brengen; voor zich de feitelijke werkelijkheid zodanig te beïnvloeden, dat zij meer en meer gaat beantwoorden aan het “ik”. Dus hier wordt de wereld a.h.w. mede gevormd naar eigen beeld en denken. En wanneer dit beeld en denken op God is gecentreerd, zal het magisch werken ongetwijfeld goed zijn. Maar de magie kiest de weg van buiten naar binnen. De esoterie kiest de weg in zichzelf en komt eerst door de erkenning van de Godheid in volledige werkelijkheid tot een heropenbaring van het “ik” (maar a.h.w. onder goddelijke responsabiliteit) naar buiten toe.

Voor ons, die u hier onderricht gegeven hebben en ook nog verder geven zullen, zijn natuurlijk beide wegen even belangrijk. Want het gaat om het bereiken van een einddoel en de weg die gevolgd wordt doet o.i. minder terzake. Degene echter, die op aarde een bepaalde weg kiest, zal – vooral wanneer hij daarmede a.h.w. een begin maakt – heel goed moeten beseffen, welke consequenties dit voor zijn eigen leven, voor zijn eigen ontwikkeling en denken heeft.

Velen grijpen onmiddellijk naar de magie, omdat zij zeggen: Dit is macht. En zij vergeten daarbij, dat deze macht een grote verantwoordelijkheid en daardoor ook een zeer grote zelfbeperking zal vergen. Zij grijpen naar de magie, omdat zij zeggen: Hier vinden wij een methode tot bereiking. Maar zij beseffen al te vaak niet, dat een dergelijke methode tot bereiking in zeer vele gevallen verre ligt van wat zij als normaal leven beschouwen; dat de magie – evenzeer als de esoterische weg – overpeinzingen vraagt en voortdurende arbeid; dat zij – zij het met een ander doel – evenzeer bepaalde onthoudingen maar ook bepaalde daden zal vragen. Het is daarom, dat ik u deze magische weg nog een keer in al zijn verplichtingen wil schetsen en ook met al zijn moeilijkheden.

Wanneer u op magische wijze begint te streven, zo zal het vaak lang duren, voordat u ver genoeg gegroeid bent om bepaalde delen daarvan werkelijk goed te hanteren. Verwacht van de magie geen wonderen. Zij is zo sterk gebaseerd op invloeden als hypnose, autohypnose, suggestieve waarden en daarnaast beheersing van gedachte-uitstralingen, eigen instelling, het doen ontstaan van juiste stemmingen, dat het heel erg moeilijk is om precies te beseffen, wat je tot stand brengt.

Necromantie, het miraculeus oproepen van de geesten van doden, behoort ongetwijfeld ook onder de magie, maar heeft zeer weinig betekenis. Het heeft weinig van doen met de werkelijke magie, die immers het leven tracht te hervormen.

Je zult dus allereerst weer genoopt zijn om een zeer grote kennis in jezelf op te nemen en te verwerken. Zonder kennis van de grondwaarden is het onmogelijk om later normaal de magie te leren hanteren. Er zijn korte wegen, natuurlijk. Er zijn korte wegen om te komen tot de juiste incantatie, tot de juiste stemmingsvorming, tot het veroorzaken van de juiste trilling.

Maar deze korte wegen zijn heel sterk afhankelijk van uzelf, van uw eigen inhoud en stemming op het ogenblik, dat u ze gebruikt. Slechts de meer vormelijke en rituele vormen zullen – vooral voor de beginner – een zekere garantie kunnen geven van slagen; althans van het ontstaan van krachten.

Je kunt dus niet gaan zeggen: “O, ik zie dit op mijn wijze en ik zal op mijn wijze verdergaan.” De poging, die wij wel eens hebben gedaan om bij het geven van inwijdingsonderricht – ook mede op magisch terrein – voortdurend rekening te houden met de mens, die aanwezig was, bleek tot een mislukking gedoemd. Want men ging eisen stellen, waaraan niets beantwoorden kan, omdat de mens zelf de eis stelt zonder eerst alle voorwaarden tot vervulling daarvan in zichzelf tot werkelijkheid te maken. Wij hebben gezien, dat sommigen veel voor kennisgeving hebben aangenomen en het interessant vonden en misschien erg belangrijk, maar tot een praktisch gebruiken niet konden overgaan. Men had geen tijd, men had geen lust, men had geen energie. Men had niet de zuivere begaafdheid, men moest te lang worstelen om ook maar een enkel adempje van succes, van resultaat te boeken. Vergeet niet, dat de studie van de magische grondslagen – hoezeer ook mede gericht op het erkennen van het “ik” en het Goddelijke in het “ik” – altijd vergeleken kan worden met een academische studie. Een academische studie, die betrekkelijk lang zal duren. Een academische studie verder, die de mens onwillekeurig verwijdert uit de normale maatschappij en hem a.h.w. in een apart kader plaatst, waarbinnen hij eerst zijn kennis moet opdoen, voordat hij tot een meer normale wereld kan terugkeren.

Bedenk verder, dat in de magie vele dingen als reinigingen, ademhalingsoefeningen, in bepaalde gevallen dieet, onthouding, enz. een belangrijk deel kunnen uitmaken van een bepaald streven. Dat kennis, die men bezit en redelijke kennis, die men bezit, evenals een z.g. redelijk oordeel, in vele gevallen in het begin terzijde moeten worden gezet; omdat het nu eenmaal evenmin mogelijk is de kernwaarde der magie juist te begrijpen en uiteen te zetten, als het eenvoudig is om aan de hand van de eerste regel van de grammatica, de eerste woorden van een taal, te beseffen hoe deze taal ontstond en waarom bepaalde woorden juist deze vorm hebben.

Verder moeten wij erop wijzen, dat in de magie het experiment een betrekkelijk belangrijke rol gaat innemen. En dit experiment is lang niet altijd in overeenstemming met hetgeen een mens aangenaam vindt; het is lang niet altijd een weergave van hetgeen hij interessant of belangrijk vindt zelfs. Toch zal hij moeten experimenteren, omdat hij alleen zo zijn begaafdheden en krachten zal kunnen ontwikkelen. En zelfs dan is voor elke mens ten slotte slechts een beperkte bereiking op dit terrein mogelijk. Wel – en dat mag ik erbij voegen – zal elke magische scholing, die bewust werd ondergaan en ontvangen, ook in andere werelden doorwerken. Men blijft dan meestal met een dergelijke richting verbonden en zal – hetzij van uit een andere sfeer of in een volgende incarnatie – soortgelijke werkzaamheden weer verrichten en dan de profijten kunnen plukken van reeds verworven kennis, voor zover die in de geest werd opgenomen.

Nu daartegenover de esoterie.

De werkelijke esoterie vraagt eigenlijk zeer veel van het gevoel. Het is niet alleen een kwestie van weten, van het opbouwen van stellingen of filosofieën; het is het aanvoelen van het goede en het juiste. Het is een gevoelsmatig definiëren tussen ik en niet-ik. Het is een a.h.w. vanuit het gevoelsleven voortdurend aanvullen van je eigen persoonlijkheid en al, wat er bij behoort.

Nu geeft ook een esoterische ontwikkeling – zeker wanneer zij gebaseerd is op het gevoelsleven – op een gegeven ogenblik een begaafdheid. Maar deze gave moet dan eigenlijk zoveel mogelijk latent blijven. Zij mag niet te veel worden gebruikt, omdat – waar wij immers werken met de gevoelswereld en niet met vaste regels – onze eigen voorstellingen een buitengewoon grote rol kunnen gaan spelen in die esoterie.

Soms is er een verwarring tussen esoterie en magie. Zo heet onze kring bv. “Esoterische Kring”; en toch is hier in dit jaar aanmerkelijk veel tijd besteed aan het uitleggen van bepaalde principes, die in feite eerder tot de stelregels van het magisch bewustzijn dan tot de zuiver esoterie behoren.

Maar je kunt niet beide wegen tegelijk gaan. Je kunt alleen voor jezelf zeggen: Hiertoe voel ik mij het meest aangetrokken. Ik voel dat voor mijzelf deze weg de juiste is. En zelfs dit zul je verschillende malen op de proef moeten stellen, voor je verder kunt gaan.

Waar zoals u weet – zij het, als ik mij niet vergis, in beperkte mate – een hernieuwing van inwijdingsschool op het programma staat, lijkt het ons belangrijk om hierop de nadruk te leggen. Wat de materie in meer magische zin inhoudt, hebt u bv. de vorige maal kunnen waarnemen.

Nu wil ik vandaag de andere zijde zo goed ik kan belichten. En deze belichting zal ongetwijfeld een soort meditatievorm aannemen. Want je kunt esoterisch nu eenmaal niet bewustworden, als hierbij niet een zekere flexibiliteit van innerlijk associëren en aanvoelen een richtlijn geeft, die juist voor het “ik” aanvaardbaar is. Ik aanvaard daarbij natuurlijk ook uw impulsen en ik zal ongetwijfeld trachten die mede te verwerken. Ik kan mij niet houden aan de beperkingen, die rede of maatschappij mij opleggen; veel minder nog zelfs dan de magiër, die althans naast zijn eigen systeem en zijn eigen logica ook de stoffelijke logica zou kunnen erkennen.

Ik ben. Ik ben deel van alle dingen. In alle dingen leef ik. Er is geen tijd, waarin ik niet ben; er is geen wereld, waarin ik niet besta. Ik ken slechts dit kleine deel, dat ik “ik” noem; maar ik weet dat in mij vele lichtende, krachten zich torenend hoog opstapelen, tot zij ten slotte een hemel bereiken, waarin de werkelijkheid volledig geopenbaard is.

In mijzelf kan ik niet beter doen dan te trachten elk voertuig op zichzelf te leren kennen. Wat in mij spreekt uit de geest, moet ik leren verstaan en ik moet het leren begrijpen. Ik moet begrijpen waar de verschillen liggen tussen mijn geestelijke krachten; en ik moet leren begrijpen waar mijn stoffelijke werkelijkheid begint. Ik moet de scheiding leren maken a.h.w. tussen het mij bewegende (het werkelijk “ik”) en het schijnbare “ik” (de persoonlijkheid, die ik mij heb opgebouwd). Eerst wanneer ik dit doe, zo kan ik het principe der eenheid (de grote en kosmische eenwording) althans enigszins in mijzelf ervaren. Wanneer ik schouw naar de wereld, zo brengt zij mij vele beelden. Maar ik weet, dat deze beelden waan zijn, ze zijn beperkt. En in deze beperking kan ik nooit dat vinden, wat ik zoek: mijn eigen werkelijk wezen, de Godheid, Die Zich aan mij openbaart, mijn eenwording met de scheppende Kracht Zelf. Wat buiten mij bestaat is onbelangrijk; het is a.h.w. alleen maar het medium dat mij draagt, zoals een schip wordt gedragen door de oceaan. Door in mijzelf steeds verder uit te wieken, steeds meer gedragen door de innerlijke kracht, verkrijg ik een overzicht. Een overzicht, dat niet alleen mijn eigen wereld schijnt te omvatten. Want in mij leeft iets, dat gelijk is aan alles, wat ik ooit beleefd heb en heb meegemaakt: een landschap met steden en torens, met moerassen, grote rivieren, stranden en bergen. Ik moet dit a.h.w. in kaart brengen en daarom moet ik mij steeds verder boven dit “ik” weten te verheffen.

Afstand moet je nemen van jezelf. Als een eenzaam toeschouwer moet je staan buiten je eigen leven, buiten je eigen gebeuren. Je moet alle invloeden en krachten a.h.w. zien samenvloeien en nimmer zeggen: “Dit is de wereld, of dit is het noodlot, of dit is karma,” maar altijd weer zeggen: “Zie, dit ben ik. Want ik ben alle dingen, die ik ken, ik ben alle dingen, die ik beleef.

Zij zijn in mij en ze zijn deel van mijn persoonlijkheid; ze zijn deel van het ongekende, grote ‘Ik’, dit superego, dit goddelijk deel der schepping, dat zich in mij verwerkelijkt. Ik moet alle dingen kunnen aanvaarden, want niets kan mij van buitenaf worden aangedaan. Alles veroorzaak ik zelf. Niets kan mij van buitenaf deren, niets kan mij aanvallen. Maar ook kan niets mij troosten en niets mij zekerheid geven. Er is geen beroep in mij dan alleen op mijzelf en de God in mij, die ik nog niet erkend heb.

Als ik een ster zie, zo kan die ster werkelijk bestaan; maar in mij heeft ze een afzonderlijke betekenis, een afzonderlijke plaats. Hetzelfde heeft een bloem, een mens, een geest; alles tezamen heeft in mij en in mijn kleine kosmos zijn eigen betekenis, zijn eigen zin. En al, wat er buiten geschiedt, is onbelangrijk, Maar de relatie, die deze dingen in mij bezitten, zij zijn de kentekenen en de eigenschappen van mijn eigen werken en denken.

Zo mag ik in de esoterie niet spreken over een verlosser, die van buiten komt. Ten hoogste over een openbaring van het Goddelijke in mij, dat mij vrij kan maken, maar nimmer over een kracht van buitenaf, die mij verlost. Ik kan niet spreken over een offer; want het offer, dat ik breng, breng ik in feite aan mijzelf en de kracht, die in mij woont.

Ik ben mijzelf en niets meer. En in dit mijzelf zijn leer ik steeds meer begrepen, wat mij mogelijk is en wat mij onmogelijk is. Dat wat mij onmogelijk is, ligt buiten mij. Het maakt geen deel uit van mijn wezen. Het is de wereld buiten en het is onbelangrijk. Dat echter, wat ik kan volbrengen, wat ik kan beseffen, bevatten en begrijpen, leeft in mij. Dit ben ik.”

Daarom zie je steeds veer in de spiegel van de wereld, die je meent te beleven. Je ziet steeds weer de oorzaken en de gevolgen rond je. Oorzaken en gevolgen, die soms inderdaad vele eeuwen kunnen omvatten en die toch ten slotte steeds alleen maar uit mijzelf komen. Dat is esoterie.

Ge zult begrijpen, dat deze stellingen – hoe schoon en hoe juist ook – voor een mens niet helemaal in de praktijk te brengen zijn. Want er is nu eenmaal een wereld buiten je, waarmee je moet leven. En ook als je die als een deel van jezelf beschouwt, zal ze daarom heus niet meer tolerant zijn of u grotere gaven schenken. Want u droomt een beeld van de werkelijkheid. Maar de werkelijkheid, die ge droomt, bestaat niet. En dat te beseffen, is moeilijk.

Te weten dat de krachten, waarop je vertrouwt, eigenlijk alleen maar deel van jezelf zijn, dat voert tot wantrouwen. Je moet ze wel buiten je zien, want anders kun je er niet mee leven.

Te weten dat al die gedachte en al die noodzaken, die begeerten en die dwang uit jezelf voortkomen, maakt het uitermate moeilijk om een normaal leven in de stof of in een vormkennende sfeer zonder meer te aanvaarden. Je hebt als mens en als geest in vele fasen behoefte aan iets buiten jezelf, aan een gezag van buitenaf. Maar esoterisch juist denkend bestaat dit niet. Alleen gijzelf zijt aansprakelijk, alleen gij en niemand anders. Alleen gij openbaart. En wanneer gij profeteert, dan profeteert gij uit uzelf. En wanneer ge wonderen verricht, dan verricht gij die wonderen uit uzelf. En wanneer gij fouten maakt, wanneer iets mislukt, dan geschiedt dat evenzeer uit uzelf.

Daarom wordt weg van de esoterie in vele gevallen een angstig gaan tussen de niet te beroeren elementen van bv. verantwoordelijkheid en gezag, de elementen van mode en opvatting en concept en…..de werkelijkheid. Wanneer u een esoterisch systeem gebruikt, dan moet u niet denken dat het esoterisch systeem er is, omdat het waar is. Het is er alleen, omdat het u mogelijk maakt binnen uw eigen werkelijkheid althans iets verder te gaan zonder voortdurend uzelf tegen te houden.

Een ieder, die een weg kiest, die op het innerlijk wezen berust en alleen daarop, gaat een zeer moeilijke weg. Begrijp dat wel. U zou het misschien voor een deel kunnen oplossen met geloof.

U zou kunnen zeggen: “Maar de geestelijke vrienden willen ons toch helpen.” Inderdaad. Maar kunnen wij u helpen? Een vraag, die esoterisch zeer moeilijk te beantwoorden is. Want op het ogenblik dat gij u afstemt op iets buiten u en de invloeden daarvan ondergaat, zult ge n.l. ook de verantwoordelijkheid ervoor van u afwentelen. En dit moogt ge niet doen. Want alleen de waarden die in uzelf bestaan, alleen alles wat harmonisch is met u, kan ook door andere krachten gemanifesteerd worden.

Laat ik het zo zeggen: Wanneer u zegt: “Vrienden, help ons,” dan geeft u daarmede een bevel.

En waar u het bevel geeft en wel aan entiteiten, waarvan u een verwerkelijking kunt verwachten, bent u aansprakelijk voor de algehele verwerkelijking met al haar uitwerkingen, al haar resultaten, waar en hoe dan ook.

Ik hoop dat u beseft, dat de esoterische weg niet licht is. Dat alle systemen der esoterie ten slotte toch gebaseerd moeten zijn alleen op dat, wat in u beroerd kan worden. En dat niemand voor u een ontwikkeling kan doormaken, maar dat ge het alleen zelf kunt doen. Ik hoop, dat u dit nu duidelijk is geworden.

Gezien het feit, dat ik binnen de esoterie alleen op mijzelf mag vertrouwen en al hetgeen ik ken als deel van mijzelf moet beschouwen, zo is de eerste wet zeker ook: naastenliefde, begrip voor anderen, verdraagzaamheid. Zonder deze waarden in uzelf voortdurend aan te kweken en te bevestigen, kan er geen sprake zijn van een zuiver esoterische bewustwording. Want alles wat u ziet en wat anderen doen is in feite deel van uzelf. En daardoor bent u ervoor aansprakelijk en daarom zou u door te strijden tegen de wereld, eigenlijk strijden tegen uzelf.

U moogt corrigeren maar nimmer bestrijden. U moogt tijdelijk negeren, dus voorbijgaan aan bepaalde dingen in het leven; maar u moogt nimmer proberen bepaalde dingen uit te roeien, want ze zijn deel van uw leven. En u kunt uzelf niet vernietigen.

Het is duidelijk dat de esoterie, wanneer ze tot haar uiterste consequenties wordt doorgevoerd, een zeer grote verwantschap heeft met het magisch principe. Maar in de magie ga ik niet zoeken naar mijzelf, maar zoek ik a.h.w. naar de band met de wereld.

In mijzelf – esoterisch – heeft alleen de gedachtekracht waarde; datgene wat ik in mijzelf verwerkelijk en ontdek. En al het andere daarbuiten is franje en zonder betekenis, tot ik het als deel van mijn wezen erken en weet op welke wijze het past in mijn werkelijke persoonlijkheid. Maar bij de magie grijp ik naar buiten. Ik ga nu niet zeggen, dat alles wat ik ken en beleef, in mij is; ofschoon in feite deze waarheid wel degelijk bekend is en ook gebruikt wordt. Er bestaat n.l. ook een magische regel, die zegt: “Slechts wat je werkelijk in jezelf draagt, kun je gebruiken om van anderen verwerkelijking van je wensen af te dwingen.” Maar ik behoef in de magie niet uit te gaan van een absolute kennis. En dat is interessant. In de magie kan een symboolteken, dat voor de wereld en voor de werelden van de geest een vaste betekenis heeft, een machtsmiddel worden, ook wanneer ik de werkelijke inhoud daarvan niet zelf ken.

De esotericus kan dat niet aanvaarden, want hij moet erkennen, voor hij kan hanteren. De magiër hanteert vaak om uit de hantering ten slotte te erkennen, hoe hijzelf staat in de wereld. En zo zal de magiër dus eigenlijk wat esoterie betreft een gewijzigde reeks van gedachte kennen. Hij redeneert zo: Ik ben uit God geschapen en door het feit, dat ik uit die God geschapen ben, verwant met alles in de schepping. Wanneer ik in mijzelf alles elimineer behalve een bepaalde verwantschap, zo zal er een identiek-zijn tussen mij en het ander optreden. En daarom zullen het andere en mijn wezen volkomen gelijk zijn. Deze gelijkheid zal zich zowel openbaren in handelingen en gedachte, als in wil en streven. Door mijzelf te concentreren en te beperken op een klein deel van wat ik ben, kan ik dus buiten mij krachten in beroering brengen; en die krachten weerkaatsen op een zodanige wijze, dat ik ook zelve direct of indirect de gevolgen daarvan kan ondergaan. Voelt u aan waar het verschil ligt?

  • De magiër werkt praktisch.

Neen, hij werkt niet praktisch, maar hij gaat van een andere basis uit. In plaats van zoals de esotericus naar binnen toe te werken, werkt hij naar buiten toe. Maar hij moet verdergaan dan dit. Want op het ogenblik, dat hij erkent dat hij een ander – een geest, een deel van de materie of wat dan ook – op deze wijze zou kunnen gebruiken, moet hij ook toegeven dat een ander hem op deze wijze kan hanteren en gebruiken. En daarom is het noodzakelijk, dat hij leert zich te beschermen. Want waar een harmonie, een identiek-zijn optreedt, heeft zowel de andere factor als het “ik” gelijke krachten en rechten.

Daarom probeert hij te smokkelen. Een magiër is eigenlijk iemand, die altijd probeert iets over die grens van het identiek-zijn mee te brengen, al is het alleen maar een sterk gevormd voornemen, een sterke wil of een bepaalde kennis. Doordat hij in het identiek-zijn een nieuwe waarde kan meebrengen, kan hij krachtens zijn grotere inhoud het andere, buiten hem liggende deel, inderdaad manipuleren. Hij gaat naar buiten toe en als zodanig verwerpt hij bv. alles, wat niet onmiddellijk en praktisch in zijn eigen wereld mede te realiseren is.

U zegt: De magiër werkt praktisch. Helemaal waar is dit ongetwijfeld niet, Maar zeker is wel, dat hij nooit en te nimmer zal kunnen volstaan met verschijnselen, die bv. terwijl hij in de stof leeft, van zuiver geestelijke geaardheid heten te zijn. Hij zal deze moeten beproeven op hun werking en verdienste en eerst wanneer hijzelf duidelijk kenbaar de stoffelijke resultaten waarneemt, hebben ze voor hem betekenis. Blijkt het, dat ze deze niet bezitten, dan schuift hij ze opzij en houdt zich er ook niet mee bezig.

  • Waarom doet hij dat? Wat hij wil bereiken is toch iets geestelijks?

De magiër wil niet in de eerste plaats iets geestelijks bereiken. Dat is juist de fout, die u maakt. Hij heeft ten slotte hetzelfde doel als de esotericus. Maar hij wil van uit zichzelf een beheersing van de wereld en alle aan hem verwante werelden tot stand brengen om in deze beheersing ze tot deel van zijn eigen kosmos te maken. Met andere woorden: de esotericus verwerkelijkt God in zich; de magiër verwerkelijkt het beeld Gods uit zich. Daar ligt het grote verschil. Vandaar ook dat de magiër dus een mens is van resultaten. Altijd praktisch volgens menselijke gedachte is hij niet, maar voor zichzelf wel; want hij zal nooit en te nimmer iets doen, waarvan hijzelf niet onmiddellijk en kenbaar resultaten ziet. Hij zal voortdurend a.h.w. als een soort handelsman in geestelijke waarden afwegen wat de kosten zijn van een bepaalde magische handeling en de resultaten.

Hij zoekt daarnaast zowel geestelijk als stoffelijk naar krachten, die zijn eigen inhoud, zijn vermogen vergroten. Dit komt aardig tot uiting in de termen, die een overgeleverd deel der magie een lange tijd heeft gehandhaafd: het “levenselixer” of het “levenswater”. Dit betekent: eeuwigheid. Het betekent in feite de geestelijke eeuwigheid of éénwording met het Groot-Goddelijke evengoed als het stoffelijk onbeperkt bestaan. Voor de magiër zijn deze beide niet te scheiden; want wanneer hij dit innerlijk bereikt, moet er een uiterlijk resultaat zijn. Zo boven, zo beneden. Zo in de geest, zo in de stof. En omgekeerd. Is het u nu duidelijk, waarom de magiër dus in feite anders denkt, al heeft hij als wit-magiër op de keper beschouwd wel hetzelfde doel.

  • Als nu bv. de esoterisch strevende mens getroffen wordt door het leed van een ander, ziekte, pijn e.d., erkent hij dat dan alleen maar als een deel van zichzelf?

Ja, natuurlijk.

  • En die arme stakker?

Die is er niet. Er is niets buiten u. En wat u doet en welke krachten u gebruikt in uzelf, gebruikt u om uzelf te genezen, niet om een ander te genezen.

  • Dus hij ervaart de ander als een deel van zichzelf en werkt als zodanig aan de genezing van de ander?

Vanzelfsprekend

  • Maar hij sterft 1000 doden.

Inderdaad. Maar wat dat betreft, geloof ik ook wel, dat wij in de esoterie zeer vele stellingen kunnen aanhalen, die erop wijzen, dat dit 1000 doden sterven een normaal deel is van het bewustwordingsproces.

  • Ja, want je moet telkens wat laten varen.

Dat niet alleen. Maar ik zal u iets citeren, misschien dat dit hier verhelderend werkt.

“Al wat in de wereld gaat, al is het het licht van de zon, sterft in mij en ik sterf mede. Maar in het sterven zie ik het herleven van de zon, En omdat ik weet, dat dit voor één deel van mijn wezen geldt, zo zal het ook voor alle delen gelden. En zo weet ik, dat al wat sterft herrijzen zal, sterven en herrijzen. Zo besef ik, dat ik niet ben leven of dood, maar de voortdurende wisseling van leven en dood, waaruit de volmaakte evenwichtigheid voortkomt. En zie, deze evenwichtigheid is mijn wezen In het scheppende en het scheppende, tot het ogenblik dat zelfs het scheppende en het niet-scheppende zich opheffen en ik één ben met de wereldziel, die geborgen is achter alle uiting.”

De vertaling is van mij, naar de spreuk is er één, die bestaat in een bepaalde Brahmaanse inwijdingsleergang. Eén van de vele dus.

  • Dan is er dus geen geluk en geen verdriet?

Inderdaad. De weg van de onbewogenheid is de weg van de esoterie. De Boeddha leert deze weg van onbewogenheid te gaan. Hij is op deze wereld de grote esotericus. Hij leert de absolute onthechting, de innerlijke onbewogenheid, die vanuit zich – door het besef van eenheid – ten bate van alles en ieder werkt en handelt en desondanks a.h.w. daadloos is.

Opvattingen als bv. Nirwana geven eveneens uiting aan deze status van bereiking. Nirwana wordt voorgesteld als een “daadloos zijnde niet-zijn”. Dit is een volledig ware toestand, wanneer ik in mijzelf alle dingen evenwichtig draag, ongeacht de werking, die ik op anderen heb.

Bezien wij daartegenover bv. het Christendom, dan moet ik stellen dat dit volledig magisch is.

“Ga uit en onderwijs alle volkeren.” “Ga en werp de duivelen uit in mijne naam. En genees de zieken in mijne naam en de naam des Vaders.”

Deze woorden geven aan de magische, de actieve gang. De andere de passieve. De esoterie is in feite de verloochening van het uiterlijk, om daarvoor de innerlijke werkelijkheid in een steeds grotere evenwichtigheid en harmonie voor zich te ervaren. De magie daarentegen is de volledige openbaring van eigen wezen naar buiten toe – bij herhaling en voortduring bij wijze van spreken – om zo de wereld in het “ik” te zien.

“Ik ben u de weg en de waarheid.” Een magisch concept, niet een esoterisch concept. Begint het u duidelijk te worden, waarin de verschillen zijn gelegen?

  • Maar als wij nu toch in herhaalde incarnaties nu eens oosters en dan eens westers gericht zijn, hoe kan er dan sprake zijn van één vaste lijn of één vaste keuze?

Wanneer één wandelaar 10 verschillende paren schoenen draagt, hoe kan er dan sprake zijn van één richting?

  • Ja, de richting is God.

Eén richting (of die richting God is of niet), omdat het de wandelaar is, die de schoenen bestuurt en het niet de schoenen zijn, die de wandelaar besturen. Omdat het de geest is, die het lichaam bestuurt en niet het lichaam, dat de geest bepaalt.

  • Is het oosten in het algemeen niet meer esoterisch ingesteld en het westen meer magisch?

Ik ben bang, dat het moeilijk is, hier een oordeel uit te spreken, omdat het oosten uiteenvalt in esoterie en magie en in het westen eveneens een neiging naar esoterie en een neiging naar magie kenbaar is. Alleen worden wel deze richtingen in het oosten over het algemeen duidelijker erkend en geformuleerd dan in het westen het geval is.

De weg der yogins is in feite een magische weg, ongeacht het feit, dat hij ook innerlijk is. Maar hij gaat uit van een uiterlijke bereikingsmogelijkheid, een uiterlijke macht, een verwerving dus van uiterlijke invloeden en werkingen. Hij is magisch. De Tibetaans-boeddhistische leerstellingen zijn in feite magisch, want zij gebruiken wel als basis de leringen van de Gautama Boeddha, maar gaan daar bovenuit met hun eigen interpretaties van macht (beheersing der demonen); en zo dus wederom gezagsverwerving, machtsverwerving, continuering van het “ik”, inzicht in de tijd en al, wat tot de magie pleegt te behoren. In de Hindoe-leer is een ongeveer even groot esoterisch als magisch deel. En nu denk ik hierbij voornamelijk aan hen, die daar de drie-eenheid aanbidden. Zouden wij moeten gaan zien naar degenen, die de andere goden vereren, zo blijkt dat zij in feite zuivere magiërs zijn. De Kali-verering in beide vormen is zuivere magie. In de Shiva-verering komen magische elementen voor. De dienst, die aan Indra (en in zekere vorm ook aan Krishna) wordt gegeven, heeft in vele gevallen sterke magische boventonen, ongeacht de misschien esoterische leerstellingen, die u vindt. Ik geloof dus, dat alleen daarin reeds tot uiting komt, dat het oosten meer erkent wat het doet.

In het westen hebben we heel veel mensen, die doen aan sacramenten. Sacramenten zijn magie – en zelfs rituele magie. Er zijn heel veel mensen, die doen aan rituele bijeenkomsten met mystieke doeleinden. In feite is dat zuivere magie. We kennen een heleboel mensen, die in hun dagelijks leven – zij noemen het misschien bijgeloof – bepaalde vaste gewoonten hebben en op een bepaalde wijze proberen hun eigen verlangens te bevorderen, hun zaken te bevorderen, enz. Waar hier een rituele kracht plus een soort geloof aan een beheersingsmogelijkheid optreedt, is het in feite magie. U ziet het, het is allemaal niet zo gemakkelijk te verdelen.

  • En de Upanishaden, die toch de innerlijke weg zoeken?

Mijn waarde vriend, mag ik een gelijkenis gebruiken? Er was een weg. En deze weg was lang. Daarom hadden handelslieden nederzettingen gebouwd en sommigen prezen bier aan en anderen een alcoholvrije drank. Sommigen boden rijkelijk geurende patat aan, terwijl anderen de voorkeur gaven aan de verse vruchten der aarde ofwel het gekookte vlees van dierenlijken.

Een ieder was vrij om te nemen, wat hij wilde. En een ieder koos volgens zijn geaardheid en zijn vermogens. Hier hebt u praktisch de weergave van alle Veden samen, ook de Upanishaden.

Zoals u uit Jezus leer esoterie kunt halen en ook magie, zoals u dat kunt doen uit vele filosofen, uit oude wijsgeren, uit de oude inwijdingsmysteriën, zo kunt u dat overal doen, omdat nu eenmaal de kern gelijk is, maar de wijze van gebruik, de wijze van werken geheel different. En daar ligt het aan. De één gebruikt bv. aardappels om te poten en de ander om ze op te eten. Maar het zijn dezelfde aardappelen.

De mens heeft een gedachteleven. Over dat menselijk denken is een behoorlijk betoog gegeven (sleutels mei ‘6l), dat u eventueel kunt gebruiken om het hier gesprokene verder te controleren en achtergrond te geven. Nu moet u zich dit voorstellen: Zolang ik denk naar binnen toe, ben ik esoterisch; zodra mijn denken zich naar buiten richt, is het in feite exoterisch. Dat dit denken altijd naar de buitenwereld uitstraalt, heeft daarmede weinig of niets te maken.

Wanneer ik voor mijzelf een stil gebed spreek, zo kan dit zuiver esoterisch zijn. Maar ga ik ditzelfde a.h.w. incanteren, dan wordt het magisch.

Wij kunnen praktisch alle dingen in twee richtingen gebruiken. Wij kunnen uit alles in het eigen leven maar ook uit alles, wat er in de wereld bestaat, twee verschillende waarden puren. De ene waarde is ten slotte voor ons innerlijk; de andere naar buiten toe. Oordeel ik buiten mij, zo zal ik bewust of onbewust mijn gedachtekrachten en mijn daden richten tegen hetgeen ik veroordeel. Aanvaard ik in mijzelf en verwerp ik slechts in mijzelf, dan blijf ik t.o.v. de buitenwereld daadloos. Er zijn geen goed en geen kwaad in de werkelijke zin, dat weten wij allemaal. Maar voor ons is er wel degelijk goed en kwaad. Nu is het alleen maar de vraag, of wij dit goed en dit kwaad nu in ons dus als maatstaf willen gebruiken, of dat wij het buiten ons als maatstaf gaan hanteren.

Ik zal u een aardig voorbeeld geven uit deze tijd.

Het nationaal socialisme had de stelling, dat het niet passende in het ras etc. moest worden uitgeroeid. Was dit naar binnen toe gebruikt, dan zou een scholing zijn ontstaan, waardoor het Germaanse volk inderdaad veredeld zou zijn. Het werd naar buiten toe gebruikt en wordt nu weerkaatst in het proces Eichmann. Zo groot zijn de verschillen van het in jezelf en het vanuit jezelf werken.

Ongetwijfeld zult u in de verdediging van deze mijnheer meermalen te horen krijgen, dat dit nu eenmaal de bestaande orde en wet was. U zult te horen krijgen, dat dit binnen zijn maatschappij de enige oplossing was. Dat hij ten slotte als gehoorzame dienaar de verantwoordelijkheid mocht afschuiven naar degenen, die het oordeel origineerden. En wij mogen uit onszelf zeggen: Dit is een arme mens, die veroordeeld wordt voor dingen, waarvan hij eigenlijk toch nog geen werkelijk besef heeft. En daarom is het een arm mens.

Maar hij onderwerp zich dus aan een goed en kwaad, maatstaven die buiten hem lagen; zoals degenen, die dit alles oorspronkelijk tot stand brachten, hun maatstaven van goed en kwaad niet in zich maar vanuit zich hanteerden. U ziet, hoe groot het gevaar kan zijn.

En daarom moet de magiër ook een andere lering trekken. En dat is deze: Dat evenals op het ogenblik velen terecht staan – en anderen, hetzij in volgende levens of in andere sferen eveneens ter verantwoording zullen worden geroepen voor datgene wat zij buiten zich hebben geproduceerd – ook de magiër altijd verantwoording zal moeten afleggen voor al, wat hij doet.

Dat is misschien een moeilijk punt. En menigeen zal nu geneigd zijn te zeggen: “Ja, maar die verantwoordelijkheid nemen wij zeker niet.” Het ligt er maar aan, wat ik doe. En nu gelden er regels in de witte magie en die zeggen dit: “Het goede, dat ik erken, zal ik buiten mij uitdragen en bevestigen en aan een ieder schenken, die het aanvaarden wil. Al het kwade zal ik echter in mijzelf bestrijden en niet buiten mij.” Zo scheidt hij dus a.h.w. het verwerpelijke en demonische van het goddelijke en lichtende. Doordat hij alleen het lichtende uit, is hij wit-magiër. Gebruikt hij van beide waarden iets, dan noemt men hem grijs. Gebruikt hij alleen het kwade, dan noemen wij hem zwart. Maar de kern is gelijk.

  • Is alles niet afhankelijk van het uitgangspunt, waarom je iets doet?

Neen. Het waarom n.l. is de reden, die de mens bv. geeft, of die je volgens het denken van je sfeer geeft. Elke reden, die je geeft voor je standpunt, is een rationalisatie van het gevoel, dat je dit standpunt reeds oorspronkelijk en zonder reden deed innemen. En heel vaak neemt men een standpunt niet in, omdat men het goed acht, maar omdat men het aangenaam acht. En men rationaliseert dan ook dat. Het wordt daardoor echter niet minder kwaad; het blijft gevoelsmatig onaanvaardbaar. Het uitgangspunt ligt in alle magie in feite weer – en zeker voor de mens! – in het gevoelsleven; of als wij het beter willen uitdrukken: in de openbaring van de hogere delen van het wezen in het op het ogenblik actief gehanteerd voertuig van het “ik”.

  • Maar als het uitgangspunt is de wereld te dienen in optima forma, dan kan dat toch niet verkeerd zijn?

Dacht u dat Hitler, Napoleon, Alexander de Grote of Montezuma ook niet meenden, dat zij de wereld dienden?

  • Dat was eerzucht.

Nu zegt u dat het eerzucht is. Maar het was geen eerzucht voor hen, omdat zij deze hadden gerationaliseerd tot het dienen der mensheid. Maar ik kan nooit de mensheid dienen, dat moet u goed begrijpen. Ik kan wel de mens dienen. Ik kan n.l. wel de belangen, de behoeften en de reacties van een enkel wezen beseffen, maar ik kan nooit trachten om alle mensen gelijktijdig op dezelfde wijze bij te staan en te helpen. Ik zal u maar weer een voorbeeld geven: Wanneer ik alle mensen op de wereld, die honger hebben, hetzelfde voedsel geef, dan gaat de helft eraan dood en de andere helft leeft er door op. Dan heb ik net zoveel goed als kwaad gedaan.

Ik heb de mensheid niet in feite gediend. En dat is nu een standpunt, dat je ook goed moet leren begrijpen.

Een mens dienen betekent: een ogenblik jezelf vergeten om al, wat je van een ander kunt beseffen, zoveel mogelijk te helpen in de richting, die de ander (en niet jijzelf) goed acht.

Dienen is zelfnegatie, waarbij de eigen kwaliteiten en eigenschappen niet kunnen worden uitgeschakeld, maar waarin je rekenen moet met wat er in een ander leeft; en waarbij ten slotte de dienaar – ook al is hij de zoon van God mijnentwege – nooit anders mag en kan doen, dan degene die hij dient te helpen om zijn eigen doeleinden te bereiken, om zijn eigen wil te vervullen. Dienen kan nooit een vorm van dwang zijn. En indien u het begrip dienen dus wilt gebruiken in uw eigen leven, bv. als een dienen van de mensheid, zo moet u wel beseffen, dat u nooit iets kunt doen, wat voor allen goed is. Dat u alleen iets kunt doen, wat goed is in en voor en volgens degene, die u wilt dienen; en dat daarnaast – en dat is zeer belangrijk! – voor uzelf aanvaardbaar blijft en door uzelf goed wordt geacht.

Enerzijds is dit de meest glorieuze vrijheid, die u kunt bereiken: een ander te dienen, een ander te helpen, zonder daarbij dus aan jezelf te denken buiten de maatstaven, want je bent ook aan jezelf voor je hulp verantwoording schuldig.

Wanneer je dit doet, zul je haast altijd een geestelijke instelling moeten hebben. Maar vreemd genoeg kan bij het concept “dienen” zowel het magisch als het esoterisch aspect een rol spelen. Want het dienen van de wereld kan de esotericus ook alleen, wanneer hij alle delen, die hij immers mede als delen van zijn eigen kosmos, zijn eigen “ik” ziet, leert begrijpen.

Slechts zo kan hij a.h.w. door anderen te dienen ook zichzelf dienen. En voor de magiër geldt precies hetzelfde. Want de magiër, die Gods wil mede verwerkelijkt, die probeert dus alleen het lichtende, het goede naar buiten te brengen en het kwade in zichzelf te overwinnen, zal eveneens volgens deze maatstaf moeten handelen; omdat hij immers niet in staat is met zijn vermogens, met zijn krachten en wezen, geheel de wereld gelijktijdig te dienen, maar hij zal een ieder afzonderlijk moeten dienen en helpen.

Dit is nu het geheim van vele geestelijke inwijdingen. Niet van alle, want er zijn vormen, die althans uiterlijk meer algemeen zijn. Maar vele inwijdingen berusten op dit zuiver persoonlijk element: het persoonlijk dienen, het persoonlijk werken en dragen. En zelfs binnen de gemeenschap, waarin men wordt opgenomen, is men dan altijd zichzelf en dienend t.o.v. anderen.

Er zijn mensen die denken, dat inwijding betekent dat je aan jezelf onttrokken wordt en ver boven jezelf verheven of – groter misschien nog – dat je wordt gemaakt tot een soort lichtende godheid, die wijdbeens staande op de heuvelen der aarde over de mensheid uit schouwt. Dit is niet waar. Ook de grootste ingewijde, de meest lichtende geest, is slecht één wezen, dat alle wezens tracht te dienen, dat met alle wezens een eenheid en harmonie tracht te bereiken; maar niet met allen gelijktijdig, doch met een ieder afzonderlijk.

Wanneer Jezus van Nazareth zijn leringen geeft, dan geeft hij deze zeker in meer algemene zin; maar hij spreekt in gelijkenissen, die een ieder voor zich kan verwerken, die een ieder op zijn manier kan begrijpen, waaruit een ieder voor zichzelf kan nemen, wat hij hebben wil.

Spreekt hij echter tot zijn leerlingen en tot de groepen van de 3, de 7 en de 12, tot de 42 en de 72 zelfs, zo blijkt dat hij aan een ieder afzonderlijk nog een extra woord geeft, dat voor die mens de betekenis a.h.w. fixeert, dat bij die mens past.

Het is onmogelijk om mensen in te wijden op een algemene wijze, evenzeer als het voor u onmogelijk is om algemeen iets te bereiken. Alleen door uzelf en in de persoonlijke benadering van allen, die ge leert kennen en die ge wilt dienen, zult ge op uw wijze de juiste dienstbaarheid, de juiste uiting van het goede, de juiste esoterische inhoud of magische bereiking tot stand kunnen brengen. En in deze dingen is er niemand buiten u. Men kan u alle wegen tonen, maar gaan moet ge ze zelf. Men kan u alle krachten geven, maar gij zult ze moeten hanteren. Men kan u alle eeuwigheden openbaren; maar om die openbaring juist te gebruiken, dat is uw taak. Dit kan niemand voor u doen.

En dit is meteen een omschrijving van de dienende verhouding, die tussen geest en mens kan bestaan. Wij kunnen u algemeen toespreken, natuurlijk. En er blijft ons eigenlijk geen andere weg over. Wij kunnen trachten u persoonlijk te bereiken, inderdaad. Maar wat wij hopen te bereiken, is niet dat gij naar onze woorden luistert of dat gij onze inzichten zult volgen, maar dat ge uw eigen oordeel zult volgen, dat ge u eigen inzichten zult verwerven en leren begrijpen en hanteren. Kortom, dat gij zelf leert zijn! Daarmee, zal ik dit eerste gedeelte willen beëindigen. Ik hoop, dat ik duidelijk ben geweest. Velen van u komen voor beslissingen te staan. Beslissingen als: wat zal ik gaan doen? Of: welke richting zal ik kiezen? Of: heeft dit inhoud voor mij? Of misschien zelfs: zal ik mijn eigen leven of mijn daden wijzigen? Gijzelf kunt daar alleen het werkelijk antwoord op geven, geloof mij. Maar aan de hand van hetgeen ik u hier gezegd heb, zult u misschien beter begrijpen wat er zich afspeelt en zult u misschien ook voorzichtiger zijn met het rationaliseren van bepaalde dingen en zult u eerlijker blijven refereren aan uw eigen en innerlijk wezen.

De Steen der Wijzen

Wanneer u altijd weer begint met praktisch geestelijk streven en met de Steen der Wijzen, dan vraagt u eigenlijk het recept voor de geestelijke werkelijkheid. En het vreemde is, dat geen enkele dokter het kan uitschrijven en ook geen geestelijke. Wij staan n.l. allemaal in het leven voortdurend voor de oplossing van onze eigen problemen. Dat hebt u zo even al gehoord en ik kan dat van harte bevestigen.

Nu is die oplossing van eigen problemen echter – zeker van uit een geestelijk standpunt – wel te belichten. Maar dan kom je toch op een beetje ander terrein dan een praktisch geestelijk streven of zelfs een panaceum, een Steen der Wijzen en wat erbij hoort. Om de volgende reden: Een mens, die leeft, is op elk moment het totaal product van zijn verleden. Dat wil zeggen, dat al hetgeen u hebt meegemaakt in het verleden, al hetgeen geestelijk en ook materieel is samengevloeid in uw wezen, bepaalt wat u nu zult doen, hoe u nu denkt, hoe u nu handelt, en het bepaalt daarom ook wat voor u juist is, wat voor u aanvaardbaar is, wat voor u goed is. En met dat “goed” bedoel ik het niet alleen in de zin van het abstracte goed (u weet wel, in overeenstemming met de Wil des Heren) maar ook praktisch goed. Dus lichamelijk en geestelijk goed, zoals voedsel goed kan zijn, zoals kleding goed kan zijn, zoals bv. een ogenblik de buitenlucht ingaan goed kan zijn.

U moet dit dus op elk ogenblik afzonderlijk voor uzelf bepalen. U kunt vandaag niet zeggen wat u morgen werkelijk zou moeten doen. Dat kunt u alleen binnen de zuiver stoffelijke en redelijke beperkingen, die maar een klein deel van uw eigen persoonlijkheid uitmaken.

Wanneer het echter gaat om de grotere belangen, dus om uw gehele wezen, dan bent u gebonden aan elk moment van mogelijkheden.

Dat klinkt natuurlijk een beetje raar, maar luister goed.

Uit de gehele kosmos weeft zich voor ons persoonlijk naar ons toe – wij zien onszelf dus als centrum – een compleet web van invloeden. Deze invloeden komen uit de geest, uit de sferen, zij komen uit de materie, zij komen uit onszelf voort en hun onderlinge verhoudingen en bindingen veranderen voortdurend. Wel bestaan er in deze onderlinge verhoudingen enkele vaste wetten. En die wetten vertellen ons dus, dat wij op een gegeven ogenblik hebben: Energie. Dat houdt dus ook “wil” in en is niet alleen “kracht”, kennis en daarnaast ook mogelijkheid of vermogen. Deze drie samen vormen in hun steeds wisselende belangrijkheid en waardering het eindproduct, dat genoemd kan worden: het perfecte nu. Je kunt er alleen geen vaste waarde voor geven. Vandaag is het 125 en morgen is het 11, het gekkennummer.

Wanneer ik dus voor mijzelf in het leven kom te staan (en ik neem daarbij natuurlijk aan, dat u tenminste een beetje esoterisch streeft of dat u wat voelt voor de belangrijkheid van geestelijke zaken op een ander terrein, bv. de magie), dan moet ik uitgaan van dit ogenblik, van dit moment. En dan mag ik daarbij niet uitgaan – let wel – van de beperkingen, die buiten mijzelf bestaan. Als ik op dit ogenblik werkelijk voel: dit is het moment om door de muur te lopen en ik ben volledig overtuigd, dat dit voor mij de juiste en enige mogelijkheid is en dat ik daartoe het vermogen bezit, dan loop ik door die muur heen. Per slot van rekening geeft die moleculair-structuur mij daartoe voldoende mogelijkheid. Als ik vandaag voel, dat het voor mij het moment is om bv. een diagnose te stellen, dan voel ik die diagnose in mijzelf opwellen en dan weet ik op een gegeven ogenblik: zo en zo is het. U moet mij niet vragen waarom. Ik kan het niet rationaliseren. Waarom ik vandaag door de muur heen kan lopen en er morgen met mijn hoofd tegenaan sta te bonzen, dat kan ik u niet verklaren. Ik kan u alleen verklaren, dat als het juiste moment met de juiste intensiteit van handelen en wil optreedt en er in mijzelf geen belemmeringen zijn, dat alle dingen in feite mogelijk worden.

Dat klinkt allemaal een klein beetje in de richting van: “Jongens, ga jullie je gang nu maar.

Doe maar wat je wilt. En als het nu maar het juiste ogenblik in de tijd is, dan deugt het.”

Maar zo is het ook weer niet, want u bent het product van uw verleden, van alles, wat in uw verleden ligt. Dus bent u ook het product van de stoffelijke regels, die men u heeft geleerd, de maatschappij waarin u leeft. Dat, wat gisteren gebeurd is en datgene, wat misschien honderden jaren geleden heeft bestaan, dat alles vloeit samen op dit moment. En zo vindt u, dat voor handelen en voor denken in je eigen “ik” er voortdurend hinderpalen zijn. En een hinderpaal, die in jezelf bestaat, kun je nooit gewoon doorbreken. Wanneer in u ergens een rem of een belemmering is, dan kunt u het niet, dan kunt u het werkelijk niet. Dan zult u eerst moeten beseffen, wat die hinderpaal in feite is en waaruit hij bestaat. En pas, wanneer u dat beseft hebt, zal misschien een volgende keer (maar zeker niet deze keer) het u mogelijk zijn om die hele belemmering eenvoudig opzij te gooien. Dus u zult in feite eigenlijk altijd handelen in overeenstemming met uw wereld, maar binnen een eigen persoonlijk concept omtrent de waarde van die wereld.

Nu zeggen ze wel, dat de Steen der Wijzen bv. het product is van alle krachten tezamen; het is de kosmische wijsheid, de volmaaktheid. Anderen zeggen – en die gaan de zaak misschien wat praktischer bekijken: De Steen der Wijzen is een product, dat je maakt als alchemist; en wanneer je dit eindproduct bereikt hebt, dan kun je alles. Je kunt doden opwekken, je kunt zieken genezen, je kunt oneindig oud worden, je kunt het lot van de wereld zien. En dat is eigenlijk allemaal wel waar. Alleen, die Steen der Wijzen, weet u waaruit die wordt gevormd? Uit uzelf.

En nu kunt u wel zeggen: Ja, maar hoe moeten wij dan praktisch handelen? Ik mag natuurlijk niet uit de school klappen, maar wij krijgen dat zo vaak te horen. Dan komen de mensen bij ons en zeggen: “Waarde vriend, zo en zo is de situatie. Wat moeten wij nu eigenlijk gaan doen?” Mogen wij dat zeggen? Nee, dat kunnen wij niet doen. Wij kunnen u alleen zeggen: “Dat en dat is de situatie; o.i. is dat en dat de beste methode; of o.i. zou dat of dat misschien juister zijn.” Maar wij kunnen u nooit zeggen dat een andere weg niet deugt.

De weg moet u zelf gaan. Wij kunnen dingen heel logisch en redelijk en aanvaardbaar achten, die voor u – van uit uw stoffelijk standpunt – op het ogenblik onaanvaardbaar zijn. En dan moogt u die weg nooit gaan. Want als u dat doet, dan loopt u – vooral geestelijk – over het algemeen heel wat builen op.

Vraag u nu eens af, hoe dat bv. gaat t.o.v. krachten, die u bezit. Er zijn mensen hier aanwezig, van wie bv. de één geneest; een ander stelt zich geestelijk in; een derde houdt zich voortdurend bezig met het uitzenden van goede gedachte over de wereld. Allemaal mooi. En een vierde zoekt contact met bepaalde geesten. Dat is aanvaardbaar. Maar wat moet je met die krachten nu eigenlijk doen? Zullen die krachten altijd permanent zijn? Neen, ook niet, want ook deze zijn het product van die formule, die ik u heb opgegeven; van dat eenvoudige rekensommetje, dat u zelf nooit helemaal kunt bepalen.

Elk ogenblik varieert uw kracht. En u bent het zelf wel, die het bepaalt, natuurlijk; maar daar werken alle elementen aan mee.

Uw wil is niet altijd even sterk. Maar als u sterk wilt en u bent zeker, dat u wilt, dan zien wij in heel veel gevallen, dat u toch nog tot een resultaat komt. En dit te weten lijkt mij toch wel heel erg praktisch. U wilt bv. geestelijk hoger reiken en u wilt dat werkelijk, u wilt dat al jarenlang. En toch komt u eigenlijk niet verder. Waarom? Om de doodeenvoudige reden, dat u het één of ander vergeten hebt. Dat u bv. vergeten hebt, dat u als mens in de stof staat en dat u nuchter in de stof en vanuit de stof moet leven en handelen en dat u dat niet op een ander vlak kunt gaan doen. U kunt als mens niet als geest leven. (En zelfs de engelen, die op aarde rondlopen, zijn toch wel zeer stoffelijke engelen)

Kijk eens, als u zeker bent van wat u wilt, als u zeker bent van de tijd en als u zeker bent, dat u de kracht hebt, de energie, dan is het zaak om te handelen, onverschillig wat er dan verder aan de hand is. U handelt, terwijl u dus zeker bent, dat u ook In uzelf niet ergens wordt belemmerd. Wees zeker, dat u iets volledig aanvaardt.

Laten we nu maar eens zeggen: u gaat genezen. En nu gaat u wel naar die patiënt toe en u zou die patiënt misschien helemaal beter kunnen maken; maar ja, ze is zo’n onaangenaam mens en ze zeurt zo. Een remt Zolang u die gedachte in u draagt, moet u niet denken dat u resultaat hebt. Dat gaat eenvoudig niet. U wilt inzicht krijgen in de toekomst. Ja, maar zou het nu wel waar zijn? Op het ogenblik dat u dat vraagt, op het ogenblik dat u die twijfel hebt, belemmert u uzelf reeds in het zien van de waarheid. En dat is nu een heel grote geestelijke waarheid.

In de esoterie vinden wij al precies hetzelfde. Er zijn heel veel mensen, die zichzelf graag willen leren kennen. Weet wie je bent. Wees jezelf, enz. Duizend slagzinnen. “Maar,” zo zeggen ze, “hoe kan ik dat nu weten? Want als ik mijzelf een beeld van mijzelf maakt, dan is dat bv. een erg subjectief beeld, want ik zie mijzelf toch nooit precies zoals ik ben.”

Natuurlijk, als u dat kon, zou u niet esoterisch behoeven te streven, dan zou u klaar zijn. Maar aangezien ook het subjectieve beeld, dat u van uzelf hebt; zich van moment tot moment wijzigt, is dat subjectieve beeld bruikbaar. Want door de wijzigingen die optreden, vorm je – en dat is dan de achtergrond, de historie die in elk moment weer meespeelt – een steeds juister en meer omvattend beeld van jezelf.

De esoterie kun je dus niet gaan baseren op bv. preutse stellingen. Artikel 1: Droom ik? Ja, ik droom. (Niets bijzonders; dat doet iedereen.) Wat droom ik? Wat zegt Freud van mijn dromen? En Jung? En de geest? Mensenkinderen, waar willen jullie naar toe? Daarmee kom je niet verder. Wat anderen daarvan denken is stoffelijk hanteerbaar in de menselijke wereld, maar niet in jezelf. Je moet eigenlijk voor jezelf zeggen: Zo voel ik nu, dat ik ben. Ik aanvaard het. Zo ben ik.

Morgen zal ik mij weer afvragen: Hoe ben ik? En dan denk ik er misschien iets anders over. En overmorgen weer. En dan ga ik niet zeggen: Het was gisteren anders. Ik vraag mij elke dag alleen maar af: Hoe ben ik en wat ben ik? En doordat al die verschillende beelden in mijn wezen zich ophopen en samenvoegen, krijg ik a.h.w. een hele reeks plaatjes, die op elkaar liggen.

Ik weet niet, of u dat trucje kent. Dat deed men vroeger met glasplaatjes in een toverlantaarn.

Dan had men een plaatje met een achtergrond, een plaatje met roeiers, een plaatje met gras en daarop was een mijnheertje, dat hard liep. En nu schoven ze die dingen in een verschillend tempo door een glazen schuif heen. Dan zag je iemand roeien en iemand heel hard lopen om hem in te halen.

Op deze manier gaat het eigenlijk ook met onze beelden. De eerste keer is het misschien een stukje landschap, morgen een stukje roeiboot, overmorgen een stukje van de wandelaar; maar op den duur ontstaat daaruit een levend en bewegend geheel. Je bent nu eenmaal niet dood, je leeft.

Weet u, de Steen der Wijzen is gefixeerd. Een vaste wet en een vast geloof is allemaal gefixeerd. Maar het leven is niet gefixeerd. U zou er niet aan denken om een stenen beeld uit te nodigen aan tafel te komen zitten. (Behalve misschien in de legende een zekere Don Juan in Salzburg.) Net zo min als u kunt verwachten dat een stenen beeld eet, evenmin moogt u verwachten dat de één of andere vaste gefixeerde wet of regel u de innerlijke waarheid en openbaring kan geven. Flexibiliteit is nodig, omdat nu eenmaal alles in het leven in voortdurende wisseling en voortdurende beweging is en uw eigen wezen van minuut tot minuut verandert.

Terwijl ik hier nu spreek, neemt u bepaalde gedachte van mij op. Anderen zitten over een vraag te peinzen en die volgen het niet helemaal. En weer anderen denken: Nu ja, hij praat maar een beetje. Elk van u verandert op dit ogenblik een tikkeltje; niet veel, maar voldoende om – of u het wilt of niet – zo dadelijk uw concept van uzelf, uw concept van ons in de geest, van de Orde en al wat erbij hoort te wijzigen. Natuurlijk zijn dergelijke wijzigingen in feite een product van uzelf; dat zult u wel zien. Want die wijzigingen geven niet werkelijk aan wat er met ons verandert, of wat er met ons gebeurt, of met de Orde gebeurt, of wat mijn lezing werkelijk is. Het geeft alleen aan, wat uw houding daartegenover is.

Nu zijn er hier een heel stelletje bij, die hebben al menig jaar het werk van onze groep kunnen beoordelen en kunnen horen. En misschien zijn er bij, die zeggen: “Het is wel mooi, maar vroeger was het beter.” En anderen zeggen: “Het wordt steeds mooier.” Zij hebben geen van allen gelijk; maar dat is hun persoonlijke instelling, hun persoonlijke benadering. En als je dat nu begrijpt, zul je ook begrijpen, dat je voor jezelf a.h.w. alles, wat met de esoterie, met het innerlijk wezen, maar ook met de uiting naar buiten toe in verband staat, dus moet zien volgens het moment, volgens het ogenblik; omdat een voortdurende wijziging een steeds hernieuwd vaststellen van eigen standpunt, eigen vermogen, eigen wil en eigen mogelijkheid noodzakelijk maakt.

En deze vaststelling behoeft u heus niet met veel gepieker tot stand te brengen. Of u de fut hebt om iets te volbrengen, ach, dat voelt u toch eigenlijk wel zo’n beetje aan. Als u er werkelijk eerlijk over nadenkt: dat is nu een taak, dat zou ik willen doen, dan voelt u heus wel: Ik heb er de fut voor, of ik heb er geen fut voor.

Nu is alleen de fout, die de meesten maken, dat ze zeggen: “Ik heb toch geen fut, ik begin er maar niet aan.” Dan moet je natuurlijk zeggen: “Dan doe ik een deel van die taak.”

Bijvoorbeeld: u hebt een grote houten vloer te schrobben. Maar u hebt vandaag eigenlijk geen fut om dat helemaal te doen en het moet eigenlijk gebeuren. Dan doet u een kwart. En desnoods zorgt u, dat er op dat kwart voorlopig niemand loopt. Dan is dat schoon en dan gaat u morgen weer verder.

Dat is dus de manier, waarop je werken moet. Dat voel je wel aan. Je voelt wel waar de begrenzing ligt.

Je wil? Vraag je eens af: Wat verlang ik werkelijk, wat begeer ik werkelijk? Wat is er op het ogenblik in mij aan de gang? Dat weet je best! Ik geef toe, je wilt er niet altijd voor uitkomen.

Maar probeer het nu eens wel te doen. Geef eens eerlijk toe: Wat wil ik werkelijk? Wat is mijn begeren?

Waar zit ik eigenlijk achteraan te zwoegen? Als u zich dat eerlijk toegeeft, dan hebt u ook de tweede factor bepaald. En dat is ook heel gauw gebeurd, want dat weet u eigenlijk wel. Alleen, u moet leren het uzelf toe te geven.

En dan de derde factor. Heb ik de mogelijkheid? Dat overziet u toch wel? U voelt toch wel, dat wanneer u iemand moet genezen en u hebt de grootste concentratie nodig, u dat niet kunt doen tussen een draaiorgel en een jazzband. Dan moet u eerst de mogelijkheid vinden om die mens ergens rustig te behandelen. En u begrijpt pok heel goed, dat u niet in een lawaaierige sfeer (al is de kamer dan misschien leeg, maar waar allemaal spanningen zijn), iets kunt doen, wat rust vereist. Dan moet u eerst rust scheppen of u moet wachten, tot de gelegenheid er is dat het rustig is. Dat voelt u ook vanzelf wel.

Als u dat nu van moment tot moment vaststelt, dan gaat u dus eigenlijk juist handelen. Want die beperking: “ik heb geen fut; of ik heb eigenlijk niet voldoende wil om dat maar ineens door te zetten,” enz., dat kunt u desnoods wel eens ontleden, wanneer u aan de zelfkennis bezig bent; maar dat zal automatisch – ook zonder definitie – uw bereiking bleven beperken binnen hetgeen voor uw leven tot het aanvaardbare behoort.

De volgende stap, die u neemt in het zoeken naar een praktijk van geestelijk leven en denken, is de vraag: Wat moet ik zijn? En nu zal ik u hier iets heel eenvoudigs leren. Zolang u in uzelf alleen maar probeert bv. de wil Gods te volbrengen en dus niet voor uzelf gaat zoeken naar iets, wat voor u mede belangrijk is, past u een absolute passiviteit. Dus zolang wij ons bij bepaalde belevingen willen overgeven aan het lot en aan het Goddelijke, omdat onze eigen wil daarbij geen rol speelt, zijn wij passief. Dan zal alles van buitenaf ons beroeren.

Naarmate wij minder passief zijn, dus naarmate ook onze eigen wil meer een rol speelt, zullen wij actiever worden. Naarmate het bereiken of het volvoeren of het beginnen of aanvaarden enz. voor ons aan geweld gewint (dus aan belangrijkheid), zullen wij ons volste wezen geheel en al gaan inzetten voor die bereiking. Eenvoudig, nietwaar?

Dus waar komt het op neer? U moet steeds weer tot uzelf zeggen: “Ik moet niet gaan zeuren, of het karma is en of het de wil is van de geest of van deze of van die. Ik moet vaststellen: Is dit misschien voor mij maar een deel van een taak, waarbij ik eigenlijk geen belang heb? Dan zal ik wachten tot het ogenblik, dat deze taak mij van buitenaf wordt geopenbaard.” En zeg je: “Het is iets, waar ik wel belang bij heb op de één of andere manier,” dan zul je naar de mate je die belangrijkheid zelf daaraan toekent, ook zelfstandig er meer voor moeten doen.

Wanneer je echter op een gegeven ogenblik – onverschillig om welke reden – jezelf laat terughouden van een inzet van het gehele “ik”, zonder dat je daarvoor dus een goddelijke kracht reëel – en niet als rationalisatie – inschakelt, haal je een stommiteit uit. En dan heb je grote kans, dat de zaak fout loopt.

Impulsen, Praktisch elke mens heeft momenten, dat hij impulsief in een bepaalde richting wil gaan. Elke impuls is weer een product van hetgeen werd gesteld met uitsluiting van de bewuste of de redelijke wil. Daarom dient elke impulsieve handeling zoveel mogelijk te worden getoetst aan hetgeen wij werkelijk verlangen en begeren.

En dan zijn er nog enkele bijkomende puntjes. Want wanneer u nu al dat voorgaande verwerkt hebt, zult u begrijpen, dat het toch nog wel eens noodzakelijk is, dat wij onszelf een klein beetje herzien. Ik zou u daarom de raad willen geven om elke dag (of als u daar dan geen tijd of geen lust voor hebt eens in de twee of drie of de zeven dagen, maar toch een beetje volgens een vaste periode) a.h.w. bij uzelf te biecht te gaan. Uzelf eens eerlijk af te vragen: Hoe ben ik? (Niet: wat heb ik gedaan? Een recapitulatie van het dag gebeuren is vaak verhelderend, dat geef ik graag toe, maar het is niet noodzakelijk). Maar vraag u af: Wat wil ik eigenlijk op dit ogenblik? En wat voel ik, dat ik op het ogenblik kan? En wat voel ik, dat mijn mogelijkheden zijn? Wanneer u dat n.l. regelmatig, doet, dan fixeert u de dingen nog eens extra. En dan bent u daardoor veel beter in staat om van alles, wat de wereld u aan bewustwordingsmogelijkheid biedt, gebruik te maken.

En nu wil ik u nog iets anders leren. Dat is ook erg eenvoudig. Wanneer je op een gegeven ogenblik zo in de toestand verkeert – hoe vaak zal dat niet voorkomen – van Jantje huilt en Jantje lacht, ik wil wel en ik wil niet, ik moet en eigenlek hoeft het toch niet en al die dingen meer (u kent die situaties), dan moet u eens proberen dit te doen: In plaats van je heen en weer te laten slingeren door al die ideeën, probeer eens even het idee uit je hoofd te zetten.

Daar begin je mee. En probeer dan en rust te scheppen voor jezelf en – als het even kan – voor je omgeving. Ben je alleen, dan is dat vaak heel erg gemakkelijk. Lees desnoods een gedicht, dat u bijzonder beroert, luister naar een stukje muziek; en voor alles, gun jezelf tenminste een kwartier de tijd. U zult zeggen: Een kwartier is niet veel in de meeste gevallen.

Maar dat kwartier moet dan ook zo besteed worden, dat alles, waarover u in tweestrijd verkeert, volledig is uitgeschakeld.

Wanneer u daarna een kort ogenblik u intens concentreert op hetgeen u van de hoogste geestelijke waarden verlangt (u behoeft niet eens aan God te denken bij wijze van spreken; denk alleen maar aan het licht of het geluk, dat u van Hem wilt hebben, aan dat wat dus voor u met die hoogste geestelijke waarden in verband staat, een manifestatie, die u daarvan zou willen zien), denk daar intens aan. Concentreer u dus – nadat u zich eerst hebt losgemaakt – even volledig op die kracht. Ga dan eenvoudig verder. En dan zult u zien, dat in 9 van de 10 gevallen de tweestrijd en de twijfel voorbij zijn en dat u – zonder dat u eigenlijk zelf weet waarom – een besluit neemt. Dan hebt u de onevenwichtigheid uitgeschakeld door in de eerste plaats een beroep te doen op het hoogste geestelijke element in u. En dat is altijd gunstig. Hoe hoger de geestelijke kracht, die werkzaam is, hoe groter het aandeel, dat de geest zal hebben in hetgeen verder geschiedt en hoe meer het in overeenstemming zal zijn met hetgeen die geest eigenlijk op aarde wil doen. En per slot van rekening, tegen de tijd, dat u als goede tuinaarde wordt verkocht, is die geest nog met hetzelfde werk aan de gang. Dus dat telt heel veel. Begrijpt u, waar het op aankomt? Zo is het goed die geest in te schakelen.

Doordat u even het probleem uit uw hoofd hebt gezet, u gedwongen hebt iets anders te doen, u met iets anders bezig te houden, wat voor u dus een ontspanning is, dus rustgevend is, hebt u ook uw gedachteprocessen even tot een soort stilstand gedwongen, ook al dreinen ze de eerste minuten toch nog na. U hebt dus voor uzelf een besluit aan de hand van de geest in zekere zin haast impulsief mogelijk gemaakt. En dat is dan voor dat ogenblik het beste besluit, dat u nemen kunt.

Onthoud daarbij verder, dat in geval van dergelijke twijfels het nooit goed is op deze wijze besluiten te nemen, die meer dan laat ons zeggen een half jaar van uw leven zouden kunnen betreffen. En wanneer het meer dan een half jaar is, dan zeg je: “Ik neem alleen voorlopig een beslissing. En wat de toekomst betreft, laat dat maar even rusten. Ik neem een beslissing voor een maand of voor twee maanden.”

Op deze manier zult u ook voor beslissingen op langere termijn – en in de meeste gevallen is dat heus wel mogelijk om het op die manier te doen – de juiste beslissing kunnen nemen, die in uw leven past.

Nu ben ik zo praktisch geweest, dat ik tot besluit toch nog even de andere kant uit wil.

Men zegt wel eens, dat de weg naar het gouden Licht gaat door het hart van de mens. En met het hart van de mens bedoelt men: zijn gevoelen, zijn benadering van de schepping. Geloof mij, dat gouden Licht, deze lichtende Kracht zelf, waar ontstellend veel over te zeggen zou zijn, is voor u in de eerste plaats gekoppeld juist aan het gevoelsleven, juist aan alles, wat zich daar innerlijk afspeelt. Het verstand wordt door het Licht slechts zijdelings en vaak ternauwernood beroerd. Wanneer het denken beroerd moet worden, is het Licht veel bleker, veel ijler. Je zou kunnen zeggen: met de blauwachtigheid van een maanlichte nacht. Maar het levende, het gouden Licht, gaat werkelijk door je innerlijk. En wanneer je dat Licht wilt beleven, wanneer je in dat Licht wilt opgaan, wanneer je dat Licht a.h.w. deel wilt weten van je wezen, dan is het dus duidelijk, dat je er niet verstandelijk over moet gaan redeneren of mediteren. Een meditatie in woorden, een overwegen, is allemaal heel mooi. Maar een jezelf bewust overgeven aan het Licht is veel krachtiger.

Wanneer je het gouden Licht, wanneer je de goddelijke Kracht in de mooiste openbaring voor een stofmens wilt beleven, dan moet je toch zeker weten, dat je jezelf a.h.w. moet uitschakelen door een zo hartstochtelijke liefde tot dat Licht – en alleen dat Licht, verder niets  – dat het lijkt, of je de hele wereld achter je laat. Dan moet je nog veel meer verzonken zijn in dit bedenken en het aanvaarden van het Licht, dan een paartje, dat in de eerste zoen de wereld vergeet. Je moet alles vergeten, a.h.w. haast jezelf erbij. En zo, in dit emotioneel aanvaarden van het Licht – zonder dat daarbij lichamelijk ook maar iets van belang is of iets daarbij behoeft mee te spreken of kan spreken – vind je dan voor jezelf de bereiking van het ogenblik. Je vindt daarin kracht, je vindt daarin rust en in zeer veel gevallen vrede.

Want wij zeggen nu “het gouden Licht”; laten wij maar rustig zeggen: God, de goddelijke Liefde, de goddelijke Kracht. En deze is altijd rond ons aanwezig. Maar alleen, wanneer wij er ons helemaal voor openstellen kunnen wij er ons aan verzadigen. En wanneer wij daarmede verzadigd zijn, dan zijn wij tegen het leven van sferen en werelden altijd weer opgewassen. Ze is onze eeuwige krachtbron, waarop wij ons kunnen terugtrekken, wanneer wij zeggen: “Eigenlijk kan ik niet meer.”

Het is natuurlijk fout om op die Kracht te gaan teren, omdat wij zakelijk zoveel te doen hebben. Het is natuurlijk niet goed om die Kracht te gaan misbruiken om energie te putten.

Zouden wij dat doen, dan zou heel gauw het eigenbelang het Licht verder en verder van ons afsluiten, tot wij ten slotte in een soort schemerduister zitten, dat ons niets meer geeft. Maar wanneer wij werkelijk – niet om onszelf en ons eigen leven, maar eerder om in de kosmos juist te passen – die energie begeren, dit Licht begeren, desnoods met het begrip en het weten en de wijsheid, die er ook in kunnen liggen, dan moeten wij a.h.w. van uit ons innerlijk ondergaan in dat Licht. Er in oplossen voor een ogenblik. Je moet het zo intens begeren en liefhebben, dat er niets anders is. En u zult ontdekken, dat – al is uit verstandelijk gezien een autosuggestief proces – inderdaad het contact met het Licht tot stand komt. En wat meer is, dat dit contact met het Licht inderdaad feitelijke resultaten oplevert; dat het u inderdaad wapent tegen heel veel strijd en moeilijkheden in uw leven.

Verwacht niet, dat het Licht u zal helpen om beslissingen te nemen. Verwacht niet, dat dit gouden Licht u zal zeggen waar te gaan. Soms denken de mensen aan God als een soort ouvreuse in een bioscooptheater, die met een lichtstraaltje je voorgaat, zodat je precies weet waar te wandelen zonder je te stoten.

Zo is het niet. Wij moeten gaan. Maar gaan wij in het Licht, dan hebben wij wel in ons de kracht om alles, wat ons geestelijk zou beëngen, benauwen en bezwaren, te overwinnen. Dan kunnen wij a.h.w. lijnrecht afgaan op het doel van ons werkelijk bestaan op aarde en in de geest: de absolute bewustwording.

Dit is dan het laatste stukje praktijk, dat ik u wil geven. Ik kan u alleen nog dit zeggen: Onthoudt u goed, dat het hoogste geestelijke Licht en de hoogste geestelijke Kracht niet mogen worden gezien in verband met stoffelijke of zelfs lichamelijke en symbolische of astrale dingen, vormen en gebeurtenissen. Het moet een zuiver vergeten zijn, waardoor het hoogste deel van het “ik” gerealiseerd wordt. En er bestaat geen enkele andere weg om tot die zuivere beleving te komen. Benadering zal voor iedereen van uit zijn eigen gemoed a.h.w. moeten geschieden op zijn eigen wijze. Maar de beperkingen gelden voor iedereen en voor allen, in de geest zowel als in de stof.

Vragen

  • “Degene, die de magie beschouwt als een normaal werktuig, zal met deze magie weinig of niets kunnen bereiken, tenzij deze houding uit een voorgaande scholing voortkomt.” Wat wordt hiermede bedoeld?

Wanneer u magie gebruikt, dan berust deze voor een zeer groot gedeelte op innerlijke afstemming. Dat wil dus zeggen, dat uw innerlijk wezen moet harmoniëren met de krachten, waarover u tracht te beschikken. En waar wij hier vooral uitgaan van de witte magie, zal het u duidelijk zijn, dat wanneer u iets als normaal gaat beschouwen, daardoor de innerlijke bewogenheid teloor gaat, die u kan brengen tot de juiste harmonie en de juiste bereiking.

Alleen een mens, die een gehele scholing heeft doorlopen en dus ook heeft geleerd zichzelf – zonder dat daarbij de emoties een grote rol behoeven te spelen – in te stellen op elk willekeurig vlak, waarmede hij zou willen werken, zal dus in staat zijn om werkelijk blijvende resultaten te produceren, ook zonder deze emotionele bewogenheid, die – zoals reeds gezegd – voortvloeit uit de geaardheid van het magisch werk.

  • “In het gemiddelde van de kosmische uiting zijn aanwezig alle harmonischen, die op enigerlei wijze in verband of contact staan met één der door een magische groep bereikte werelden, zowel als met hun eigen wereld. Waar de vertakkingen van lot en binding in tijd en ruimte praktisch onbeperkt zijn, kan worden gesteld, dat in elk moment en op elke plaats te allen tijde praktisch de gehele kosmos in het “ik” kan worden beleefd.” Het kost mij moeite te aanvaarden, dat waar een esoterisch-magische groep – voor zover ik heb begrepen – uit een beperkt aantal personen bestaat, hun ervaringen een behoorlijk gemiddeld beeld van de gehele kosmos zouden kunnen bevatten, waardoor dezen zouden kunnen worden verlicht.

U gaat uit van het standpunt, dat hier sprake is van een stoffelijke en onderlinge uitwisseling.

Maar mag ik met een heel eenvoudig voorbeeld iets anders stellen?

Wij nemen één persoon uit deze groep, n’ importe qui. Dan kunnen wij stellen, dat deze persoon in een zevental incarnaties contacten heeft gehad met bv. de priesterschap, het volk en de slavenvolkeren van Atlantis en daarin zijn banden en bindingen heeft gekend. Daarna heeft hij contact gehad met een Egyptische of Babylonische periode en daarin contacten en bindingen gehad. Tussen deze beide incarnaties lag een periode van geestelijk bestaan op drie verschillende vlakken en op elk dier niveaus heeft hij bepaalde bindingen tot stand gebracht.

Dat wil dus zeggen, dat hier sprake is van een lotsverbondenheid in één persoon over slechts twee incarnaties met één tussenliggende periode, die duizenden contacten kan betreffen. Elk van die contacten op zichzelf kan een harmonisch punt vormen. Over een zevental incarnaties zal het getal der zo ontstane relaties in één persoon waarschijnlijk vele miljoenen bedragen.

Deze miljoenen zullen omvatten zowel hogere geestelijke krachten en geestelijke leraren, met wie de persoon in aanraking is geweest, als wezens aan wie hij bescherming heeft gegeven bv. tijdens zijn incarnatie en die op het ogenblik nog behoren tot het lagere vlak. Het gevolg is, dat dus in de geest en niet in de mens mentaal de mogelijkheid ligt tot een harmonie, die inderdaad praktisch reeds elk bestaanbaar en voor hem kenbaar vlak in de kosmos beroert.

Stel nu verder, dat deze groep bv. bestaat uit 33 personen; of als u het liever hebt uit 12, om het eenvoudig te houden. Dan blijkt, dat zij onderling gereleerd zijn, maar elk voor zich zoveel verbindingen heeft, die elkaar ook weer ontmoet hebben, dat daaruit een contact bestaat, dat – laten we zeggen – 150.000.000 zielen omvat. In deze zielen treffen wij wezens aan, die directe toegang hebben tot het kosmisch geheugen en die beheersing van de tijd hebben. Wij treffen er ook de eenvoudigen in aan, die nog leven praktisch gebonden aan natuurverschijnselen op mineraal vlak in planten en dieren.

Is het u nu duidelijk, dat uit deze gemiddelde gegevens inderdaad een beeld van de kosmos kan worden verworven? Terwijl verder door de zo ontstane vele harmonische mogelijkheden elke wereld – stoffelijk of geestelijk – in de praktijk beroerd kan worden? Zijn deze bindingen eenmaal aanwezig, dan kan een harmonie tot stand komen en een uitwisseling van denkbeelden, van krachten en al, wat er verder bij behoort.

  • Verstaat u onder het woord bindingen alleen vriendschappen of ook neutrale wezens, die je ontmoet, maar die je maar weinig beroeren, hoewel je er toch mee te maken hebt?

Onder bindingen verstaan wij elke directe lotsverhouding. Dat kan dus zijn een mens en een dier; het kan zijn mens en mens; het kan zijn mens en plant; het kan zijn een mens en een bepaalde streek en de daarin levende krachten (bv. dryaden, nimfen). Het zal u duidelijk zijn, dat er echter in die lotsverbondenheid (dus in die binding) altijd een wederzijdse beïnvloeding moet liggen. De geaardheid daarvan is niet beslissend voor het bestaan van de band.

Meditatie

De tegenwoordigheid Gods

Zolang ik niet geloof aan God, bestaat Hij niet voor mij. Wanneer ik sterf en duisternis word en verwording, zo sterft God met mij als ik aan Hem geloofd heb. God is voor mij dus iets, wat aan mijn persoonlijk weten, mijn bewustzijn en kennen is gebonden. Hoe Hij ook buiten mij bestaat en wat Zijn werking en openbaring ook moge zijn, Hij kan voor mij slechts tellen in de zin, waarin Hij Zich aan mij heeft geopenbaard, waarin Hij voor mij aanvaardbaar is; de vorm, waarin ik Hem ten volle en eerlijk wil erkennen.

Hierin ligt opgesloten, dat wij slechts God kunnen aanvaarden in Zijn tegenwoordigheid – Zijn alomtegenwoordigheid zelfs – op elk moment, op elke plaats en altijd, wanneer wij zelf geneigd zijn deze tegenwoordigheid te erkennen.

Het is noodzakelijk dit allereerst te stellen, want ons wezen en ons bewustzijn is voor ons de bepalende factor in dit geval. Maar zo ge met mij het geloof kunt delen aan een alomtegenwoordige God, aan een lichtende Kracht, Iets wat met en rond ons is – ook nu en altijd – dan zult ge zoals ik weten: Wij staan in de tegenwoordigheid van onze Schepper.

God is voor mij een werkelijkheid, een lichtende werkelijkheid, waarin ik geloof. En wanneer ik Hem een ogenblik zou vergeten, zo zou Zijn licht voor mij een ogenblik verdwijnen. Maar zolang ik die God aanvaard als een normaal en werkelijk deel van mijn leven, niet als een voortdurend toeschouwer bij mijn daden, maar eerder als de gever van Kracht, de bron van wijsheid en licht, zo is Hij met mij en zo is mijn wereld een wereld van vreugde.

Daarom kun je altijd tot je God spreken. Niet als een mens of een wezen (want dat zijn maar voorstellingen, uit ’s mensen brein geboren), maar als een kracht, die in je doordringt. Een kracht, die je doortintelt; een kracht die is warmte en kou; die is storm en stilte; die is vurig geweld en een vredig iets, waarin geen bepaling meer mogelijk is.

God is tegenwoordig, hier en overal en altijd, wanneer wij God aanvaarden. En Gods werkelijke en levende kracht is tegenwoordig, overal en altijd, wanneer wij Hem aanvaarden. Zo laat ons onze God aanvaarden, niet Hem beperkend en bepalend met artikelen en menselijke begrippen, maar als een oceaan, vol onbekende krachten en waarden, die ons omgeeft, wetend dat deze leven is en dat hij ons nimmer kan brengen angst en verstarring maar slechts groter kracht en groter bereiken. Laten wij in elke daad en elke ademtocht als mens, in elk besef en elke uitwisseling van beeld en gedachte in de geest, die God bewust aanvaarden. En Zijn tegenwoordigheid openbaart zich.

Wanneer gij zien wilt en gelooft, zo zult ge Zijn licht zien, nu en hier. Indien gij, in uw God gelooft, eerlijk en oprecht, Hij is hier. Hij is kracht, Hij is weten, Hij is al, wat u draagt en doortintelt. Hij is vrede en begrip.

Waarom zou ik dan spreken over de tegenwoordigheid van God? Aanvaard Zijn tegenwoordigheid, hier en nu en altijd weer, zonder voorbehoud en zonder kritikasterig eisen van die God. En ge zult weten, dat Hij er is.

Niets kan u van Gods tegenwoordigheid zo overtuigen als de aanvaarding, daarvan. Want waarlijk, wie God tegenwoordigheid bewust aanvaardt en zich niet uit vrees of onverschilligheid voor Hem afsluit, zal elk ogenblik van de dag, elk ogenblik van leven en denken Zijn licht in en rond zich kennen. En hij zal die goddelijke Kracht gemanifesteerd zien.

Ik voeg hier niets meer aan toe.

Zie, zo ge kunt, met de ogen van de geest en zie het licht, dat Gods openbaring is. Aanvaard Zijn kracht en weet in u de sterkte, die Gods openbaring is. Open uw harten en onderga de vrede, die Gods openbaring is.

Zo kunt gij uzelf de waarheid bewezen, zelfs wanneer uw ogen nog weigeren te aanschouwen.

Zo kunt ge ondergaan en weten, dat in Hem alle dingen mogelijk zijn en dat in Hem en door Hem alles in het leven wordt gedragen in de grootsheid van een kosmisch concept, dat alles omvat, wat wij zijn en kunnen worden, wat wij gedaan hebben en zullen doen.

Want zie, God is de kracht van ons leven; en zo wij Hem aanvaarden is Hij onze voortdurende bezieling, de voortdurende aanvulling van ons eigen tekort.

Ik wens u een gezegende tijd. Maar bovenal wens ik u toe, dat ge de gelukkige werkelijkheid, waarover ik even mocht spreken, voor uzelf voortdurend moogt beleven en herbeleven. Want daarin ligt de oplossing van uw problemen, de erkenning van de werkelijkheid. Dat is uw ware esoterische en magische scholing, nu uitgedrukt in de Almachtige rond u.

image_pdf