De esoterische leerstellingen, verborgen achter het christendom 

De geheimleer van Jezus en de verborgen achtergronden van het christendom – deel 57

17 maart 1957

Wij  beginnen met een les over de esoterische leerstellingen, die achter het christendom verborgen liggen.  Ik zal dit brengen, alsof het van mij komt. U moet zich echter realiseren, dat ik hier samenvat, wat reeds in Jezus tijd werd gegeven. Iets wat ik aanvaard maar wat ver boven mijn eigen vermogen lag, totdat ik het gekregen heb.

In het leven is de eenheid met de Vader belangrijk. Maar belangrijker is het nog, dat wij ons deze eenheid bewust zijn, ook wanneer de Vader zich niet kenbaar in ons openbaart. Levende in Zijn kracht en Zijn wet zullen wij niet ondergaan, noch worden aangetast door het kwaad.

Verklaring: Wanneer een mens leeft, dan zal het hem niet altijd mogelijk zijn een eenheid met God te realiseren. Maar ook al is deze realisatie niet mogelijk, ook al voelt men die eenheid niet, toch dient men zich steeds weer deze eenheid voor ogen te stellen. Zij moet bij alle daden en gedachten meewerken en meespelen. Eerst op deze wijze kunnen wij onze eenheid met God realiseren.

Het is niet zo, dat God ons tot Zich verheft. Hij geeft ons de mogelijkheid tot Hem te gaan. Daarin ligt een verschil. Het verschil, dat wordt uitgedrukt door onze eigen wil en ons eigen vermogen te aanvaarden of te verwerpen. Indien wij dit echter bereiken, dan zijn wij onaantastbaar voor vele invloeden, die anderen zouden schaden.

In Jezus leven zien wij dit naar voren komen, wanneer hij achtervolgd wordt en steeds verdwenen is, eer men hem heeft kunnen aantasten. Wij zien het, wanneer men hem met woorden tracht te vangen en hij te allen tijde het enig juiste antwoord weet te geven. Het is dan niet de Vader, Die door hem spreekt. Want de Vader openbaart Zich alleen dan, wanneer de zoon zich vergetende, een met de Vader, werkt voor de mensheid. Maar de Kracht en het Bewustzijn des Vaders openbaren zich dan toch in de persoonlijke capaciteiten van Jezus, de mens.

Opvallend is ook, dat gezegd wordt, dat het kwaad ons niet zal aantasten. Er is over dat kwaad heel veel gezegd, maar hij dit punt meen ik nog een van de lessen te kunnen aanhalen, die speciaal over het kwaad in de wereld werden gegeven.

Kwaad is een levende kracht. Men kan niet zeggen, dat deze kracht het leven heeft gewonnen uit de Vader. Zij wint haar leven uit de mensen. Uit al degenen, die begeren en niet weten, hoe te begeren. Het kwaad ligt niet in de daad. Het kwaad ligt in de wijze, waarop men de daad stelt.

Wanneer ik spreek tot de menigte en zeg, dat het kwaad een briesende leeuw is, rondgaande en zoekende wie hij zal verslinden, zo zeg ik tot hen: “Ziet, uit U en Uw onbewustzijn is een kracht geboren, sterk en verschrikkelijk als weinige. De verschrikking daarvan doet U als slacht offer vallen, indien gij geen meester zijt over Uzelf. Zo behoedt Uzelf wel.”

Kwaad is ook voor Jezus een zaak, die niet in de eerste plaats gelegen is in de wetten der mensen. Niet in de eerste plaats gelegen zelfs in de handelingen en daden der mensen. Kwaad is de instelling, die wijzelf hebben t.o.v. het leven. Zo zal later één van zijn leerlingen verder uiteenzetten, dat het kwaad een kracht is, die uit ons onbegrip wordt geboren. Want indien wij een zijn met de schepping en zo één met het rijk Gods, zal er niets zijn, dat ons kwaad is. Slechts indien wij het kwade zoeken, dan zal het ons kwaad zijn.

Maar wij zoeken het kwade, omdat wij niet begrijpen, waar het goede is gelegen. Het goede is gelegen in de eenheid met de Vader.

Er zijn vele wetten, die de Vader voor ons kenbaar maken, vele krachten, die onze eenheid met Hem bevestigen. Op het ogenblik, dat wij dit accepteren, dat wij hierin durven ondergaan, zal er voor ons geen kwaad bestaan, noch een demon. Maar zolang wij leven als mensen, zal hieruit het kwaad geboren worden, waar wij niet begrijpen, wat de wil des Vaders is en de kracht des Vaders. Dit brengt ons tot het volgende punt, het vijfde in de reeks;

Biddende tot de Vader vraagt men: “en verlos ons van het kwade” later foutievelijk vertaald in “het boze” of “den boze”. Het kwade nu is het onvermogen om tot eenheid te komen met de Kracht, Die in ons leeft.

In ons leeft God. Het Koninkrijk Gods is in ons van het begin der dagen. En wij zijn een met God en een geweest met God van af den beginne.

Voor gij bewust waart, was ik bewust en ik wist reeds voor gij wist, want één ben ik met de Vader en ik erken Zijn wezen in het mijne. Doch zolang ik de Vader zie als een Kracht, Die niet slechts in mij en rond mij bestaat, maar als een Kracht, Die afzonderlijk van mij leeft en werkt en streeft, zal het kwade voor mij een werkelijkheid zijn. Want zo de wetten Gods buiten mij staan en niet in mij leven, hoe zal ik al deze wetten kunnen opvolgen, begrijpen en verwerken?

Hierin nu is het kwaad gelegen. In eigen bewustzijn gescheiden van de Vader erken ik de Vader niet en mijn onwetendheid schept in strijd met Zijn kracht en Zijn wet. Zijn kracht en Zijn, wet echter zijn voor mij de werkelijkheid, indien ik een ben met Hem.

Verklaring: Wanneer de Vader gezien wordt als de Kracht, Die ons voortbrengt, is Hij in ons. Indien God in ons is, zijn ook Zijn wetten in ons, is Zijn hele wezen in ons uitgedrukt. Wij zullen dus één zijnde met Hem niet kunnen zondigen tegen Hem.

Eerst op het ogenblik, dat God voor ons een waarde is geworden, die buiten ons ligt in een andere wereld, in een andere kosmos, zullen wij zondigen tegen Hem, omdat wij niet aan onszelf toekennen, wat wij toeschrijven aan Hem. Het verschil, dat wij maken tussen God en onszelf, is de oorzaak en de geboorte van het kwaad.

Wie dit begrijpt, weet nu, dat het zichzelf oneindig in ons ligt en oneindig in ons zal blijven. Deze oneindigheid is voor ons: het Kennen, het Weten, het Goede en het Koninkrijk Gods.

Wanneer Jezus zegt, dat hij was vóór Abraham was, wanneer hij zegt over de mensen, dat zij waren voor de engelen waren, doelt hij niet op hun verschijnen, hun afzonderlijk bestaan, noch op zijn eigen afzonderlijk bestaan. Hij doelt daarmede ook op de eenheid, die in God levende vanuit God geuit wordt.

Het is begrijpelijk, dat hieruit lessen worden getrokken. De les, die het belangrijkste lijkt in verband hiermede, wordt dan het zesde punt van de reeks en het laatste voor deze bijeenkomst;

Indien men U vraagt te gaan, zo ga. Indien men U zegt: “Blijf,” zo blijf, indien er reden is tot blijven. Want gij zult weten: Het gaan, volgende de wil van anderen, U scheidende van anderen, is te allen tijde het recht des Vaders, het recht des mensen, het goede. Doch indien men U zegt; “Blijf” overweeg wel. Want indien men zegt; “Blijf,” zult gij een moeten zijn met hem, die U vraagt en één zijnde in zijn streven en denken gezamenlijk met hem werken en leven. Indien gij dit nu niet kunt volgens Uw eigen wezen, zult gij gaan, al vraagt hij U te blijven.

Indien men U zegt: “Onderwijs mij” en gij zegt: “Ik zal onderwijzen,” bedenk wel dat wat gij aan een ander geeft en hij niet begrijpt, gij aan Uzelf ontneemt, wanneer gij deel hebt aan zijn wezen en leven.

Verklaring; Wanneer je met iemand gaat, dan betekent dit dat je tijdelijk je vrijheid van wil gedeeltelijk terzijde stelt door het streven van een ander in jouw eigen willen en denken te aanvaarden. Dit kan alleen goed zijn, wanneer je in de eenheid met die ander kunt komen tot een nieuwe bewustwording. Indien echter die ander betekent een vermindering van de waarden, die je in jezelf draagt, zul je moeten verwerpen. Want wij kunnen wel de Vader in onszelf kennen en zo het bewustzijn van de Vader wekken in anderen. Doch indien anderen niet wensen de Vader te aanvaarden, de Kracht Gods in zich te realiseren, zullen zij het voor ons onmogelijk maken (Indien wij met hen samen gaan en ons al is het slechts gedeeltelijk aan hen onderwerpen) om werkelijk op te gaan in de Vader, zoals bedoeld is van uit den beginne.

Hetzelfde geldt voor leringen en lessen. Wie een lering geeft, wie tracht een ander bij te staan, geeft hiermede noodzakelijkerwijze een deel van zijn eigen leven. Is die lering, die bijstand, voor die ander aanvaardbaar, dan kan men gezamenlijk leven en streven; dus met die ander alles delen, ook zijn problemen. Maar is de ander dan niet goed van begrip, niet goed van willen of niet goed van streven, dan zult gij in deze verbondenheid met die ander lijden onder de fouten van die ander.

Dit nu is niet wenselijk, waar het Koninkrijk Gods gaat vóór alle dingen. Dus de eenheid met de Kracht in U staat boven alle uiting in de wereld.

Toch mag men niet een ander de lering onthouden. Indien men nu niet weet, of een ander in staat is de hulp die U wilt geven, de lering die U denkt te geven, te aanvaarden, zo zult gij geen deel trachten te hebben in zijn leven. Niet trachten met hem mee te denken of mee te voelen, doch Uw gave (de lering, de kracht) schenken zonder U af te vragen: Wat zal een ander hiermede doen.

Dat heeft n.l. groot voordeel. Indien de ander in staat blijkt kracht of lering op de juiste wijze te aanvaarden, dan kunt ge de eenheid tussen U of beiden vergroten en dan kunt ge meer deelnemen in het leven van die ander. Maar zo die ander weigert dit te doen, zo kunt ge ook er van overtuigd dat gij juist hierdoor dus door het U gescheiden houden niet zult lijden onder de fouten, die een ander bezit.

Er is slechts één wijze van lijden voor anderen, die aanvaardbaar is en dat is een totale opoffering van het ik. Want hierbij vloeit het “ik” terug naar de Kracht, waaruit het is voortgekomen. En in het Goddelijke is men onaantastbaar. In God geborgen is men beveiligd tegen alle kwaad.

Maar dit algemene en volledige offer brengt men veelal niet. Juist waar men dit zo moeilijk brengen kan als mens, zelfs als geest, is het dus raadzaam niet zichzelf mede te schenken met kracht of lering (te schenken in de zin van één zijn in voelen en denken, één zijn ook in het zoeken naar bewustwording), tenzij men eerst zonder dat deze deelname reeds werkelijk was met deze ander samen heeft gewerkt en gestreefd.

Een voorbeeld daarvan vinden wij in de jongeling, die Jezus vraagt: “Heer, wat moet ik doen om U te volgen?” Deze jonge man heeft zeker Jezus’ leringen al van te voren gevolgd, want anders zou hij niet met hem willen gaan. Jezus nu heeft nog geen deel genomen aan zijn wezen en zo kan hij hem zeggen: “Dit zijn de voorwaarden, waaronder gij mij kunt volgen.” Aanvaardt de jongeman dit niet, dan kan hij heengaan. En wij horen, dat de jongeman bedroefd was, toen hij heenging, maar niet dat Jezus bedroefd was.

Hierin nu ligt het verschil: Indien Jezus liefde en kracht persoonlijk was uitgegaan tot deze mens, zou hij geleden hebben onder het weigeren van deze mens de nodige offers te brengen om met hem te gaan. Hij zou aantastbaar zijn geworden voor lijden, dat niet op zijn weg lag. Daarom nam hij geen deel aan hem, doch in de vrijheid, die hij zichzelf voorbehield, vond hij de kracht om de ander de mogelijkheden te bieden met hem te gaan en kon hij hem toch laten op zijn eigen weg.

Hierbij zullen we voor vandaag blijven staan. Een volgende maal wil ik trachten U uiteen te zetten, welke krachten er optreden. wanneer een mens gereïncarneerd a.h.w. in een nieuw bestaan of in een nieuwe wereld daar zijn streven moet voortzetten. Want in Jezus leer ligt de stelling van continuïteit van streven. Voor heden echter neem ik afscheid van U en geef U terug aan de sprekers van Uw eigen groep.

o-o-o-o-o

Ja, lessen, die zijn soms wel eens wat vervelend. En ik kan mij voorstellen, dat het U lijkt, alsof in deze leringen naast de waarheid veel droogte ligt, waardoor de essence misschien bestaat, maar de geur U niet bereikt. De geur der dingen komt voort uit Uzelf, wanneer het gaat om deze soort lering.

Gij hebt de vorige maal zelf hiervoor gekozen en ge zult zo deze reeks lessen nu moeten volgen. Maar dat neemt niet weg, dat wij wanneer de les voorbij is tezamen kunnen gaan denken over de punten, die voor ons wel onmiddellijk een volledige inhoud hebben. Is het een wonder, dat ik dan vandaag als onderwerp iets kies, wat weg wijst van deze lering? Ik zou met U willen spreken, doodeenvoudig, over de innerlijke mens.

Je bent mens en je leeft op de wereld. Je zoekt naar wat geluk, je zoekt naar wat aanvaarding, je offert wat, je verwerpt wat. Maar in je leeft een kracht, die verder voort bestaat, een kracht, die zal leven, wanneer dit leven zoals je het kent geblust is. Een kracht, die al geleefd had lang voordat het eerste bewustzijn van licht en donker, van jezelf en andere wezens in deze wereld ontwaakte.

De innerlijke mens. Soms een heksenketel van gedachten, soms een afgrond vol van schrijnend leed of een laaiende baaierd van vreugde. Wat in U leeft, wat ik nog ben, is wel in de allereerste plaats een voelend wezen. Men spreekt als mens zo snel over denken en men meent, dat die wereld van gedachten zo belangrijk is. Maar het gevoel, het ervaren en het deelhebben aan de wereld, dat is zoveel belangrijker dan elke gevormde gedachte.

Wat geeft het, of je verwachtingen worden beschaamd, wanneer in je een gevoel is geweest, dat op zichzelf het loon was voor al, wat je verloor. Wat deert het je, wanneer de wijsheid faalt als al die wijze gedachten plotseling lijken onwaar of waan te zijn wanneer in je door die wijsheid dat sterke gevoel is gegroeid van zekerheid, van rust en van geluk.

De innerlijke mens is vóór alles een gevoelswezen. In zijn uiterlijke wereld vooral in zijn stofwereld kan hij dat niet openbaren. Je kunt niet zeggen; zo leef ik, zo denk ik, zo voel ik. En kun je de gedachten misschien nog spreken, het gevoel is zo onbeschrijfbaar, dat je het verbergt in het heiligdom van je eigen wezen.

Ja, waaruit bestaat die innerlijke mens dan eigenlijk? Er is zo vaak over gesproken: een geest en voertuigen en bepaalde vermogens van begrip. Maar laten we het nu eens proberen te zien als ervaren.

Natuurlijk, de ziel ervaart zijn God, misschien niet geheel bewust, maar hij ervaart God.

Onze geest, wat ervaart die dan? Wat is haar leven? Werelden, die je eigenlijk al wat verloren hebt, of die je nog niet volledig kent.

Men zegt wel eens; ”Wanneer er een engel lacht, komt er een ogenblik van licht en van vreugde in je, een ogenblik van vrede,” En toch hoor je geen engel lachen. Toch weet je helemaal niet, dat hier nu een hogere kracht haar licht en haar vreugde heeft geuit. Voor jou lijkt het nog dezelfde nevel en mist van onbegrip als tevoren. Maar je hebt aangevoeld wat leven is. En daarom kun je het zó zeggen:

In eigen wereld, moge zij ook niet gerealiseerd zijn, deel je het bewustzijn van zovele anderen rond je. Dat bewustzijn in je is een verwerken. Een verwerken van het leven, zoals het in anderen bestaat. Het hoogste leven en het laagste.

Want als er een engel lacht, dan juicht de geest. Maar wanneer een ziel weent in het duister, wanneer een geest zich beklaagt in de eentonigheid van de beelden, waaraan zij niet kan ontsnappen, dan voel je dat ook als een droefheid. De geest is een deelhebben aan allerhande werelden, die je in de stoffelijke wereld nog niet ziet, die je in de vormsferen nog niet kent.

En dan al die voertuigen. Och, natuurlijk, in elke sfeer bestaat er iets van je wezen. Want de innerlijke mens is een verticale lijn, hij gaat van de diepste diepte, die nog ligt onder de materie, zoals gij ze kent, tot de hoogste hoogte, de goddelijke Kracht. De mens is als een boom, die groeit en wortelt in het ongeuite, het niet kenbaar Goddelijke en opgroeit tot het geuite, het ervaarbaar Goddelijke. En elke tak, die aan die levensboom groeit, is niets anders dan een ervaren van een wereld. Maar met al die voertuigen leef je dan ook in heel het Al.

Denk niet, mens, dat je afgezonderd bent. Denk niet, dat je verlaten bent. Helemaal niet. Ook al voel je dat misschien niet altijd aan, je leeft in zovele werelden tegelijk. Niet omdat jij er in leeft, maar omdat je een bent met het voelen en denken van die werelden. Omdat wat anderen ervaren weerkaatst in jezelf.

Een complex wezen is dan eigenlijk die innerlijke mens. Een wezen, dat bestaat uit de gevoelens van duizenden, miljoenen, ja van ongetelde tallen van wezens. Uw glimlach, Uw traan, ze zijn niet altijd redelijke waarden. Ze komen soms, zonder dat je weet waarom. De reden ligt in je binnenste. Ergens heeft iets je geraakt, iets je beroerd en dan zoek je in je eigen wereld een reden om te kunnen lachen of te kunnen wenen. Maar het bewustzijn, het werkelijke gevoel, kwam uit een andere wereld, uit een andere eenheid. U hebt het misschien weleens meegemaakt. Zo’n ogenblik, dat je eigenlijk helemaal geen reden hebt om te lachen en dat je opeens blij bent van binnen. Dat het net lijkt, of er ergens iets is, waarover je je verheugen móet. Dan kijk je maar vlug rond je en zeg je: “Ach, wat ben ik blij, dat ik in min eigen huis zit.” Of: “Wat ben ik blij, dat de zon schijnt.”

Maar dan ben je daarom niet blij. Je bent blij, omdat je iets gevoeld hebt van de vreugden van anderen. En soms al is het dan ook in een wereld van schoonheid of te midden van een juichende menigte dan voel je je ineens zo eenzaam en verlaten, dat je wel zou willen huilen. En misschien dat je je dan wel stoot, zodat die tranen in je ogen verklaard zijn. Of je doet net, of je een stofje in je ogen hebt gekregen. Maar in feite heb je dan ook al weer een uiterlijke verklaring gezocht voor een eenzaamheid, die je voelt.

Nu is het niet aan mij om grote leringen en grote lessen te geven. Maar misschien is het goed, wanneer de uiterlijke mens, die thans bewust leeft en denkt en die naar mij luistert, soms even probeert aan de innerlijke mens te denken. Die tranen van U zijn het lijden ook van anderen. Wanneer je dat lijden in jezelf overwint, wanneer je leert vrolijker en gelukkiger te zijn, dan geef je dat ook aan anderen. Wanneer je vreugde kent, is het de vreugde van anderen, waarin je deelt. Dan is het dus je taak die vreugde te versterken.

De innerlijke mens is een verbinding tussen het ongekend, negatief Goddelijke en het ervaarbaar, geuit Goddelijke. En in elke wereld, in elk bestaan heeft hij zijn eigen taak. Een taak, die soms niet makkelijk is. Maar wanneer je ze begrijpt, dan zul je merken, hoe goed het is zelfs in je uiterlijke eigen wereld om er naar te streven, En dat is: Om de vreugde te geven aan anderen. En om het lijden te verdringen, dat in anderen leeft, of dat van uit jezelf tot anderen zou kunnen doordringen,

Het is misschien niet veel, wat ik U zo vertel. Maar ja, de les hebt U al gehad. Van mij was het alleen maar een ogenblikje spreken over Uzelf, zoals U bent en zoals U leeft. Nu zal ik het woord overgeven aan de volgende spreker, die op zijn wijze ook nog even met U komt babbelen.

o-o-o-o-o

Wanneer de mensen  samenkomen, dan doet mij dat soms denken aan een oud verhaal.

Eens gingen de mensen van een dorp naar een kleine tempel en zij trachten daar door het branden van vosticks, door het verbranden van papieren geld, door het brengen van hun offers de goden te verzoenen. En de goden spraken niet tot hen, omdat ze te vormelijk waren. En zo de voorvaderen al in de rook van het offer hun rijkdom vergrootten, zij toonden niet hun aanvaarden of hun vreugde.

Maar de kinderen, die niet met de ouderen in de tempel wilden gaan, slopen om het tempelgebouw heen. Daarachter was een vijver. Een vijver, waarin enkele lotussen dreven, waarin het groenig water een vreemd gekleurde weerkaatsing was van een naderende herfst.

De kinderen waren gelukkig, want ze zagen libellen als fonkelende juwelen door de lucht dansen. Zij zagen een vlinder, die waaierend met zijn kleurenpracht een eigen dans uitvoerde, voor hij een bloem kuste in de volle bevrediging van de voeding. En voor hen was het, alsof de geesten en de ouderen door hen spraken.

De libel zefde tot hen “Kinderen, weest verheugd. Ziet, is het leven niet schoon? Nu dans ik nog als een fonkelend juweel over het water. Morgen zul je spelen met wat er overbleef. Maar ik droom verder in nieuwe werelden en voller kleuren.”‘

En de vlinder wuifde hen toe: “Ziet ge mijn dans?. Mijn dans is de eeuwige dans van vreugde. Zo dadelijk verberg ik mij en in het voorjaar keer ik terug. Maar wanneer ik keer, zo zal ik in het keren zelve anders zijn. Want mijn dans is mijn gebed; en mijn gebed is mijn vreugde.”

En het was alsof de wind hen toe ruiste; “Eén ben je met een geslacht, dat loopt van het begin der tijden. Gebonden ben je aan alle wereld, aan alle kracht. En in deze gebondenheid zul je gelukkig zijn, wanneer je den bent met het pad en de weg, wanneer je vervult de eisen van het voorgeslacht, vervult de beloften van de komende geslachten.”

De ouderen begrepen het niet en in hun niet begrijpen zeiden zij tot zichzelf: “Ziet, deze kinderen kennen vreugde en zij offeren niet. Doch wij, die offeren en ons vele kosten en moeiten getroosten, wij kennen de vreugde niet.”

Aan een oude priester werd door hen gevraagd: “Zeg ons, Heer, waarom is het, dat wij, die offeren in Uw tempel de vreugde niet vinden en de rust? Dat de ouderen niet tot ons spreken en de voorvaderen zwijgen, terwijl de kinderen lachen en spelen en de stemmen horen van hoge wijsheid?”

Toen antwoordde hun de priester: “Zo gij Uzelf gewichtig acht in Uw offer, kunt gij door het gewicht van Uw offer niet horen. Zo ge Uzelf gewichtig acht door Uw komen, zal Uw komen zelf U beletten het doel van Uw komst te verwerkelijken. Maar wie komt, rein van harte, wie aanvaardt zonder vragen, zichzelf vergetende in de werkelijkheid, die rond hem is, kent de waarheid en hoort de stemmen van alle machtigen, die schuilen in de hemel.”

Zo is het leven voor U en voor iedereen. Je kunt er niet aan ontkomen. Altijd weer, telkenmale herhaald, zullen mensen trachten op te gaan naar grote geestelijke wijsheid, streven naar grote bewustwording. En in de gewichtigheid van woorden verdrinken zij de waarheid van het beleven. Wie naar waarheid zoekt, moet niet denken, maar waarheid ondergaan. Wie een waarheid weet, moet niet vragen om ze nog eens te spreken en te herhalen. Het weten zelf is voldoende.

En de wereld kent nog zoveel nieuws, nog zoveel nieuwe krachten, die je moet ondergaan, die je moet kennen en beleven, vóór je kunt ingaan tot de Keizerlijke Hof. Daarom is het juist, wanneer Teh Pei zegt:

“Het leven is schoonheid, waar het zich steeds vernieuwt. Doch waar het leven stilstaat en zichzelf herhaalt, verliest het zin geur als een bloem, die verwelkt.”

Uw leven is vol en schoon of kan dat zijn. Maar wie grijpt naar het verleden, tracht te herbeleven wat was, voor wie verliest het leven zijn geur en glans.

Wie zoekt naar wat hij bereiken kon en niet naar wat hij bereiken kan, verliest in zijn streven de vreugde van net bestaan.

Daarom is mijn korte, nederige bijdrage aan deze bijeenkomst een raad: Leef in het heden, ervaar in het heden. En indien gij al droomt, droom van morgen. Want wie droomt van gisteren, doodt het heden. En wie het heden doodt, doodt een deel van zichzelf.

En nu, vrienden, ga ik het woord overgeven aan de laatste spreker.

VREUGDE EN LIBEL

Ik zou zeggen: Een libel is al een teken van vreugde. Want wanneer je haar ziet gaan als een soort van stalen schicht, die schemerend zo over het water wegscheert, dan lijkt het vreugde. Maar is het ook wel vreugde?

Ze is uit het water gekomen. In het water heeft ze erg gevaarlijk geleefd, heel veel zorgen gehad. Met pijn en nood heeft ze zich onder water aan een stengel vastgeklampt, omdat ze haast niet verder meer kon en in haar benauwdheid heeft ze zich opgetrokken. En eindelijk boven het water gekomen heeft ze zich ontplooid tot iets, dat vliegt, dat danst, dat wreed is en een prooi pakt en toch in zichzelf weer een vreugde kent.

Snel, glanzend, voor een kort ogenblik. Want ternauwernood is de zomer voorbij of ook de libellen verdwijnen weer en wat er overblijft is alleen maar de strijd, die onder water weer gaat beginnen.

Ik zou zeggen, het lijkt wel aardig de libel met vreugde te vergelijken, maar er mankeert eigenlijk iets aan. Wat mankeert er aan? Het is vlug gezegd. Want vreugde, vrienden, vreugde is iets, wat van binnen zit. Vreugde is een zon, die je in je eigen hart draagt. Het is een gevoel van volheid en vrede, dat niet van je lichaam afhangt. Kortom, vreugde is een innerlijke verzadiging. Een verzadiging en daardoor rust.

En nu kan ik mij best voorstellen, dat ook zo’n libel, wanneer ze danst in de zon, ja, wanneer ze misschien met een ander tezamen de bruidsdans uitvoert, en getweeën opstijgt en rondcirkelt in de lucht, meestal boven het water, zich spiegelend in de kleuren, die daarboven zijn en daaronder weerkaatst worden, dat zo’n libel een ogenblik van verzadiging en vreugde kent. Maar we vergeten altijd, dat dat ene ogenblikje van vreugde soms het resultaat is van zo’n buitengewoon lang leven en zo’n buitengewoon lange strijd. Dat het de vrucht is van vele dingen en dat het gevolgd wordt door een ondergang.

Ware vreugde is de volmaking van een bepaalde vorm van bestaan. Is ze doorleefd, dan zal die vorm van bestaan wegvallen en een nieuw streven, een nieuw bestaan beginnen. Daarom zou ik het voor vandaag zo willen samenvoegen onder het hoofd:

LIBEL

Een parelmoeren glans, die zweeft in de lucht, die gonzend verder gaat en in het verstervende gerucht een ogenblik verbazing achterlaat.

Gerekt en sierlijk, gevleugeld ten dans getogen, lijkt het in de mensenogen of libel een vreugde is, een vrijheid zonder meer. Maar voordat het een libel was (het is een harde leer) begon zij onder het groen, daar in het water stil verborgen, een leven vol van nood en strijd en vol van bange zorgen.

Libel, die door de luchten glijdt, is dat lang vergeten. En zou zij diep in ’t eigen ik misschien dit toch nog weten, ze zou ’t niet denken, want ze leeft, ze danst hier met de zon. Het is voor haar, of heel het zijn eerst nu, juist nu, begon.

Libel gaat in snelle vlucht en wiekt er door de ijle lucht. Ze ziet het water lang vergaan en ergens nog een stengel staan, waarop ze voor een wijle rust. Waarna ze stil haar rustplaats kust, de vlerken strekt en verder wiekt met gonzend, snel geluid. De vreugde van een kort bestaan, die roept zij jubelend uit.

En is de zomer dan vergaan en zweeft de libel niet meer, dan is er nog niets ten onder gegaan. Want een volgende zomer weer zweeft de libel en danst in de lucht en uit ze haar vreugde in het zoemend gerucht.

Een mens, die door lijden en strijd wordt gerijpt en eindelijk uitgaat in een ander bestaan, kiest als libelle dansend en zoemend in nieuwe wereld zijn baan. Hij lacht en Hij danst en hij zingt en hij feest en hij denkt niet meer aan dat, wat geweest, wat voorbij is gegaan.

Is de zomer voorbij, komt een nieuwe strijd, een nieuwe kracht, opdat de eeuwigheid een nieuwe vreugde kent, wanneer herboren wordt de lach van ’t ik, ’t bewustzijn, dat in alles leeft, in nieuwe sfeer daar dartelt als een libel, die boven de wateren zweeft.

En is er het lijden en strijden dan waan en kun je dat alles ontkomen? Vóór je die wijsheid hebt opgedaan, zul je als de libel nog dromen op een halm tussen werelden, waar onder je de wolken in de wateren gaan en boven je de hemel is groots en zo wijd. Dan vlieg je en’ lach je, dan dans je vol vreugd en meent: dit is eeuwigheid.

Maar pas als de vreugde de werkelijkheid wordt en het ik niet meer danst, niet meer lacht, wanneer het bestaan is ondergegaan en verstorven de laatste klacht, dan is verbroken de ban van de tijd, dan leef je en ben je één met het Al, dan ken je de eeuwigheid.

En ja, zoals een libel snel voorbijvliegt, zo vliegen ook de uren snel voorbij, vrienden. En omdat ze snel voorbij gaan, wordt het voor mij weer de tijd om afscheid te gaan nemen. We hebben alles, naar ik meen, zo gunstig mogelijk kunnen regelen. De meeste storingen toch wel enigszins kunnen voorkomen, dus… ik meen, dat we verstandig doen nu afscheid te nemen.

Ik heb nog maar een ding te zeggen: Misschien vindt U mijn beeld overdreven. Maar er zit iets werkelijks in. Alle leven, in welke sfeer ook, is een afwisseling van vreugde, zorgen en strijd in een nieuwe vorm. Tot de werkelijkheid komt. En de werkelijkheid is geen vreugde, zoals wij die kennen. Maar ze is een vrede en een intensiteit van bestaan, die je je pas realiseert, wanneer je er in bent. En laat ik maar hopen, dat U voorlopig nog verder kunt gaan met Uw strijd en vooral met Uw vreugde in ware vrede op aarde. Dan zal later misschien het ogenblik komen, dat wij allemaal weten, wat waarheid en wat werkelijkheid is.