De Etrusken

image_pdf

11 december 1959

Wij zijn niet alwetend, of onfeilbaar. Datgene wat wij brengen is – naar ons beste weten en inzicht – de waarheid. Wij menen in vele gevallen meer te weten dan u en een scherper doorzicht te bezitten dan de doorsnee mens t.o.v. vele problemen. De mogelijkheid met elkaar snel in verbinding te treden en gegevens uit te wisselen, zonder dat hierbij een vertraging van spreken optreedt, maakt het ons verder mogelijk tot een gemiddelde kennis te komen die die van de gemiddelde mens ver te boven gaat. Het onderwerp van heden is eigenlijk een raadselonderwerp: De Etrusken.

Allereerst zullen wij de vraag beantwoorden, wanneer de Etrusken leefden. De Etrusken zijn een meng-stam. Zij ontstaan als stam rond de 14de eeuw v. Chr. De stam is een samenstelling van enkele kleinere, meer noordelijke stammen, de bewoners van het Po-gebied dus, met daarnaast enkele groepen die afkomstig zijn uit de Appenijnenen, daarnaast een aantal zwervende Grieken. De hoofdbezigheid van de stam is in deze tijd landbouw. Hierdoor wordt zij ongeveer zeven eeuwen v. Chr. tot beheerser van een landbouwstaat. Deze landbouwstaat beheerst dan ook het toenmalige dorp Rome. Later wordt deze stad – zoals bekend – de kern van het Romeinse keizerrijk. De legende van Remus en Romulus zou dus eigenlijk moeten worden gezien als een legende van de Etrusken en niet van de Romeinen.

De Etrusken zijn lange tijd de machthebbers in de staat Rome, terwijl ook de handel grotendeels in hun handen geraakt. De boerenbevolking heeft rond 5 eeuwen v. Chr. nog geheel de macht in handen, zowel in de stad als in de omliggende gebieden. Eerst wanneer het toenemend krijgsgebeuren de toevloed van buit en avonturiers Rome tot een onafhankelijke staat maakt, met gezag over een groot deel van het gebied der Etrusken, zien wij deze stam langzaam maar zeker verdwijnen. Rond 100 jaren v. Chr. is in het Romeinse gebied dan ook niet veel meer van de Etrusken als stam te merken. Wel hebben zij, zij het zeer beperkt, nog enig gezag en invloed in kleinere gebieden ten noorden van Rome. Het merendeel der stam gaat onder in de Romeinse smeltkroes, zodat 200 na Chr. niet meer van een Etruskische beschaving mag worden gesproken.

Wat dit volk in de ogen der onderzoekers zo geheimzinnig maakt, is wel in de eerste plaats zijn oorsprong. Het is moeilijk hier een juist inzicht te verwerven, daar de vermenging van verschillende stammen tevens een menging van verschillende culturen inhoudt. Misschien bent u wel eens in de gelegenheid geweest om – echt, of gereproduceerd – Etruskische kleitabletten te zien. Hierop vindt u figuren die haast vroeg Byzantijns aan doen. De tekening van andere schilderingen herinnert ons onmiddellijk aan de vroeg-Griekse stijl, waarvan overigens in Etruskische uitvoering enkele zeer treffende beelden bewaard bleven in de ruïnes van Herculaneum. Zijn in de latere Etruskische periode vele tekenen van de z.g. Romeinse stijl aan te wijzen, zo vinden wij elders voorstellingen die ons doen vragen: hoe kwam men daartoe? De vliegende of gevleugelde slang in de graven is hier één van. In vele Etruskische grafschilderingen vinden wij verder een aanduiding van de zeegod, als Poseidon. In een landbouwstaat met een overwegend boerenbevolking doet dit enigszins vreemd aan. Naast voorstellingen zoals ganzen vinden wij ook wel voorstellingen van zeepaardjes en zeeslangen. Het is duidelijk dat deze beelden niet zo maar zonder meer, als deel van de fantasie, ontstaan zijn.

Wij moeten ons om deze kunstuitingen te begrijpen steeds weer voor ogen houden waar de feitelijke oorsprong van dit volk ligt. Ruim 100 v. Chr. is er een grote beroering in Europa. In deze dagen komen volksverhuizingen als gevolg van gewijzigd klimaat of armoede veel voor. In deze dagen wordt veel pressie uitgeoefend vanuit het Oosten.

Overblijfselen van de vroegere Kelten, zover dezen zich nog in Oost-Europa tijdelijk hebben gevestigd, maken rooftochten naar de warme Middellandse Zee. Hun afstammelingen mengen zich later met de bevolking van de Pyreneeën, waaruit de Basken ontstaan, die een zeer eigenaardige aard hebben die van de omgeving sterk verschilt. Hier vinden wij dezelfde volksmelodieën en instrumenten als bij de bewoners van Noord Griekenland.

In de periode van de volksverhuizing, waaruit de Etrusken voortkomen, hebben wij te maken met twee vormen van beschaving. Van industriële staten en handelsstaten is weinig of geen sprake in de gebieden die hierbij betrokken zijn, zodat wij alleen te maken hebben met herdersvolkeren en landbouwende volkeren. De herders zijn zwervende stammen. De landbouwers trekken zelden – enkel wanneer de bodem is uitgeput – en stellen prijs op een zo lang mogelijk durende vestiging. Tussen beide vormen van leven is weinig of geen uitwisseling. Huwelijken tussen herders en landbouwers komen zelden voor. Wel worden -slechts zelden – landbouwers geduld bij de herders, of zelfs in het stamverband opgenomen. De pressie uit het Oosten deed de herdersvolkeren die in de vlakten van Italië met hun kudden rondtrokken, vluchten.

Het gebied rond grote rivieren als de Po, was hoofdzakelijk moerassig. Naast wouden komt ook een landschapsvorm voor in Noord-Italië die sterk herinnert aan de poesta. Onder pressie van het geheel vreemde en vijandige volk verenigen sommige herdersvolkeren zich voor het eerst in hun geschiedenis met landbouwende volkeren. Zelfs groepen die hoofdzakelijk van visvangst leefden, werden bij dit vreemde bondgenootschap betrokken. De voorvaderen van de Etrusken verkeerden als landbouwende groep in een zeer gunstige positie. Stelt u zich Italië voor. Trek vanuit Turijn een lijn naar Athene om ongeveer de positie van de opdringende vreemdelingen aan te duiden. Langs deze lijn vond de trek plaats van bedreigde, of verslagen, plaatselijke stammen naar het zuidwesten.

Deze trek is, vooral wanneer het kleinere groepen betrof, niet altijd geheel over land geschiedt. De Grieken kenden in die dagen reeds iets van zeevaart. Uit de aard der zaak geschiedde deze op de wijze, waarop nu nog vele kustvaarders hun weg zoeken van land tot land. In de eilandrijke archipel van de Adriatische Zee blijven vele vissersstammen achter. Voor landbouwende volkeren is deze kust niet aantrekkelijk genoeg om er strijd voor te voeren. Sommigen van hen varen dan ook verder en komen zo – van het zuiden uit dus – naar Italië en landen op verschillende plaatsen van Bari tot Triest. Zij zijn verdreven door stammen die later de Helleense beschaving zullen helpen vormen.

U zult wel begrijpen dat er maar weinig gebieden zijn, waar men deze indringers welkom heet. Zo ook worden de vluchtelingen in Italië niet direct prettig ontvangen. Op een enkele landbouwstaat na. Indien dezen zich bedreigd gevoelen, hebben zij behoefte aan mannen. Enerzijds moet het land bebouwd worden, wil men kunnen leven, anderzijds heeft men strijders nodig om zich te verdedigen tegen de uit het noorden opdringende herdersvolkeren, die de oogst maar al te vaak beschouwen als een middel om hun kudden op peil te brengen na een haastige en vaak langdurige trek. Zo ontstaat binnen een reeks van samenwerkende landbouwende stammen een sterke pre-Helleense invloed, die zijn stempel drukt op enkele delen van Italië. De Etrusken zullen ontstaan uit deze vermengingen. Ook herdersvolkeren zijn op den duur soms gedwongen zich aan te sluiten bij landbouwende volkeren om zo een weerstand te kunnen vormen tegen de hen achtervolgende indringers. Ook dit element gaat op in de smeltkroes. De behoeften van een veelzijdige maatschappij – landbouw en veeteelt – eist meer dan normaal handwerkslieden. Verdediging vergt daarbij de zorg voor het bewaren van voedsel. Het aantal vaklieden is dan ook zeer hoog bij de zo ontstane Etruskische stam. Dat binnen deze gemeenschap het samengaan van landbouw en uitgebreide veeteelt voortgezet wordt na het ophouden van de pressie, is zeldzaam genoeg in deze primitieve tijd. Zeldzamer is zelfs het verbouwen van voedsel voor dieren, zowel als mensen. De bindingen in de stam zijn hierdoor veelzijdiger en sterker dan anders te verwachten zou zijn.

De Etrusken zijn verder krijgshaftig. Eerst na de opkomst van het kosmopolitische Rome zal dit verdwijnen. Zij kunnen dus hun bezit opvoeren en deel nemen aan de handel. Wanneer de handel zijn invloed meer en meer laat gelden vervaardigen de Etrusken vaatwerk en kruiken. In de vorm en ornamentatie daarvan zijn vele Kretenzer invloeden kenbaar. Het vormen van vaste markten en handelsplaatsen brengt de mensen er toe steden te bouwen die redelijk verdedigbaar zijn. Dezen bouwen zij van steen. Ook dit is in die streek en die tijd zeldzaam. Uit de heterogene elementen ontstaat een volksdenken, waarbij aan het voorgeslacht en de rust daarvan meer dan normaal aandacht wordt besteed. De noordelijke en mogelijk ook Keltische invloeden zijn hier aansprakelijk voor het bouwen van koepelvormige graven, ofschoon men daarnaast lijkverbranding en het begraven in potten, of urnen, kent. Van grafveld tot grafveld verschilt vaak de opzet en aanleg der graven. Over het algemeen worden zij betrekkelijk regelmatig aangelegd. Een kenteken van eigen en ordelijke geest, die bepalend zal zijn voor de ontwikkeling van deze uit zo heterogene elementen gebouwde beschaving.

Mede door permanente overeenkomsten met andere volkeren is de plaats waar dit volk woont, zeer gunstig. Stelt u zich het gebied van Rome tot Napels voor. U zult zien dat een volk, of een bond van volkeren, die in staat is het schiereiland af te sluiten, een grote macht heeft en bepalend zal zijn voor de ontwikkeling van het gehele Appenijnse schiereiland. Voor aanvallen van betekenis uit het zuiden hoeft men niet te vrezen. Het land daar is woest en biedt – behalve direct langs de kust zo hier en daar – betrekkelijk weinig levensmogelijkheden. De stammen die daar wonen zijn rovers, of werden corsaren, zeerovers en strandjutters. Daarnaast blijven zij meestal vissers voor het dagelijkse brood.

Indringers uit het noorden vinden mogelijkheden te over om weg te trekken naar andere en rijkere gebieden. Een zo sterk en toch niet al te weelderig volk als de Etrusken wordt daarom door indringers uit het noorden veelal gemeden. De rijkdommen van Rome worden later het lokaas, dat vele stammen er toe beweegt een doordringen tot deze stad te bereiken. De rijkdom van het volk en de kalme ontwikkeling brengt bij de Etrusken een steeds sterkere nadruk op kunst en industrie.

Bepaalde delen van het oorspronkelijk geloof doet ons denken aan de Dionysiusverering en de daarbij optredende praktijken. Sommige van die godsdienstige feesten zijn niet veel meer dan een minder perverse vorm der latere Saturnalia. De veel godendienst handhaaft zich, tot uit het oosten de Mitrasdienst doordringt. Deze vindt onder de Etrusken een sterke aanhang. Hun gehele cultuur en beschaving blijft, ondanks alle wijzigingen en ontwikkelingen, op landbouw ingesteld. De landbouw is het voornaamste. Wanneer Rome een grotere stad wordt, komt dit nog duidelijker tot uiting. Vele handwerkers trekken naar deze steeds machtiger wordende stad. Ook de handelaars vinden hier een meer centrale markt. Vandaar, dat handel en handwerk lange tijd in handen van de Etrusken blijven. In de periode van 100 tot 60 v. Chr. zal deze handel geheel overgaan in handen van Joden en Grieken.

Onder de oude adel van Rome vinden wij vele geslachten, die feitelijk hun geslacht zouden kunnen terugvoeren tot de Etrusken. Velen van hen schamen zich echter voor hun boerenafkomst en stellen i.p.v. hun werkelijke voorgeslacht een tafel samen, waarop de eerste – legendarische – burgers van Rome voorkomen, of zelf de Griekse voorouders. Rome ontwikkelt zich snel. Van een marktplaats wordt het al snel tot een bergvesting. Van een bergvesting, met enkele huizen wordt het tot een uitgebreide stad met grote tuinen en uitgebreide markten. Rond 400 v. Chr. moeten wij ons Rome nog niet voorstellen als de prachtlievende stad, die beroemd is om haar theaters en badhuizen, de stad van Capitool en Colosseum. Het eerste Capitool is niet anders dan een veilige plaats, waar de gezaghebbers en rijken zich kunnen verdedigen. In deze jaren oefenen de Etrusken nog een bepaalde invloed uit op Rome, maar degenen onder hen die naar de stad toe trokken, zijn in feite afvalligen en worden vaak ook zo beschouwd. Onder hen is een betrekkelijk groot percentage avonturiers. Hun invloed op de ontwikkeling van de stad tot wereldmacht is groot. De boeren kunnen en willen hun land niet prijs geven, of voor langere tijd verlaten. Daardoor ontstaat een steeds grotere scheiding tussen hen en de stad.

In Rome – nu een krijgsmacht – hecht men zeer veel gewicht aan het burgerschap. Ook de boeren uit de omgeving hebben stemrecht en burgerrechten, maar niet allen maken daarvan werkelijk gebruik. Onder hen die hun land en oogst belangrijker achten dan burgerrechten, zijn de Etrusken in de meerderheid. Rond 350 v. Chr. wordt dan ook de Etruskische gemeenschap nog wel in ere gehouden door de Romeinen, maar buiten de handel om worden de relaties steeds stroever en zeldzamer.

Op dit punt gekomen moeten wij ons de volgende vraag stellen: Hoe komt het dat de Etrusken zo geheimzinnig en onverklaarbaar van het wereldtoneel verdwenen zijn?

De stam is in feite opgelost. De landbouw werd steeds minder lonend, toen Rome’s slaven het haast onmogelijk maakten, zonder vele slaven op lonende wijze een boerderij te exploiteren. Men staat dus voor de keuze zich slaven aan te schaffen, of te veroveren, dan wel armoede te lijden. Degenen, die slaven kopen, verliezen reeds in één enkele geslacht de verbondenheid met de bodem. In plaats van rijke, maar noeste werkers, ontstaat een klasse van herenboeren, die de verlokkingen van de stad steeds verleidelijker vinden. In Rome zelf groeit de luxe buiten elke mate. Steeds meer spelen en attracties lokken de rijkere mens naar de stad. Er ontstaat onder de rijkere Etrusken een trek naar de stad.

Velen van hen bezitten burgerrecht, of verkrijgen dit op grond van hun afstamming. De eenvoudige mensen, die achterblijven, voelen er niet veel voor een betrekkelijk karig bestaan te verwerven door harde arbeid onder toezicht en bescherming van hoogwaardigheidsbekleders in Rome. Zij, die niet mee trekken met de legioenen van Rome, trekken verder naar het noorden toe. Hier vinden wij restanten van de Etrusken terug onder de bevolking van Italiaans Tirol. Zekere kentekenen van het in dit volk ontstane type zijn hier te vinden, terwijl in de volkskunst nog motieven voorkomen die wij reeds vonden in muurschilderingen in graven en huizen der oude Etrusken. Naarmate de kern van stamgenoten kleiner wordt en de Mitrasdienst het geloof van de vaderen verder vervangt, vermindert de invloed van de stam. Wat overblijft is zo weinig belangrijk, dat het opgaat in de Romeinse beschaving, of vlucht. Zoals bij het uitgaan van een kaars, zien wij opeens een ophouden van alle kentekenen van deze gemeenschap, zonder vast te kunnen stellen, op welk ogenblik het duister werkelijk de overhand heeft gekregen. Men zal zich afvragen of de Etrusken door geweld zijn vernietigd, of verdreven. Mijn antwoord luidt hier, neen. Wel is er een strijd geweest die vele resten van deze beschaving vernietigde. Deze strijd speelde zich ongeveer 70 v. Chr. af. In die dagen was er weer eens hongersnood in Rome. De weinige boeren die aan de stam trouw waren gebleven, trachtten hiervan profijt te trekken door onredelijke hoge prijzen te vragen voor hun producten. Dit deden ook de Romeinse landbezitters die een hogere rang bekleedden. Wij vinden onder hen senatoren, edelen,  generaals enz. Dezen dreven hun boerderijen met behulp van vele slaven. Deze heren vooral waren aansprakelijk voor de prijsopdrijving en haast onredelijke verhoging van de graanprijs. Zij konden moeilijk toegeven dat zij daarvan de schuld hadden. Dus gaven zij de Etrusken en andere zelfstandige landbouwers zonder hoge relaties de schuld. Een groot deel van deze landbouwers woonde in twee dorpen, die ongeveer 30 km ten noordoosten van Rome lagen. De bevolking, opgestookt door de politici, trachtte deze dorpen te plunderen. De boeren waren behoorlijke vechtersbazen. Om de dood van enkele armere Romeinse burgers te wreken heeft toen de commandant van het garnizoen in Rome door zijn soldaten deze twee dorpen doen plunderen en verbranden. Bij recente opgravingen zijn hiervan sporen gevonden. Met het verdwijnen van deze twee dorpen, die de laatste culturele centra van de Etrusken waren, was nu de samenhang tussen de overblijvende stamgenoten praktisch verbroken. Vandaar, dat na deze tijd niet meer van culturele ontwikkelingen binnen dit volk kan worden gesproken, ofschoon bepaalde kunstuitingen nog langere tijd  blijven.

 Vragen

  • Er is een theorie dat de Etrusken afstammen van de Phoeniciërs?

Neen, de Phoeniciërs hebben hiermede niet direct te maken gehad. Ik vermoed dat men tot deze stelling komt door de eigenaardige menging van verschillende kunstvormen en cultuuruitingen, waarop ik reeds zinspeelde. Men vergeet daarbij, dat de Phoenicische beschaving lange tijd alle handel in het Midden-Oosten heeft overheerst. Hun cultuur, eredienst en schrift heeft daardoor een groot deel van de wereld bereikt en kan bv. ook in Griekenland en Egypte gevonden worden. In mijn opsomming van de volkeren die een aandeel leverden in het ontstaan van de Etrusken noemde ik reeds de pre-Helleense Grieken. Phoenicische en Minoïsche invloeden stammen waarschijnlijk van hen. Dat daarnaast ook enige Phoeniciërs tijdens het ontstaan van het volk zich daarbij gevoegd hebben, is zeker niet uitgesloten. Indien zij een bepalende invloed zouden moeten hebben, zou hun komst en invloed veel later moeten vallen, namelijk in de tijd dat steeds grotere mate sprake was van handwerkslieden onder het volk. Die tijd zou dan ongeveer 600 tot 400 v. Chr. liggen. Hiervan blijkt niets.

  • Een theorie is, dat een Phoenicische koningszoon daarheen zou zijn getrokken, toen het hem thuis te lastig werd gemaakt.

Dat kan ik niet bevestigen.

  • U noemt als tijd van vestiging en ontstaan 1400 v. Chr. Dat zou samenvallen met de vernietiging van de Kretenzische beschaving. Waren bij dit volk ook vluchtelingen uit Minos?

In geen geval vele. De meesten onder hen zijn gevlucht naar het noorden van Afrika, o.m. naar Egypte, waarmede men immers goede handelsbetrekkingen had.

De beschaving van Kreta stond op een hoog niveau en was in de eerste plaats een handelsbeschaving met eigen productie van bepaalde artikelen. Het is logisch dat bij het ontstaan van de invallen, die ook voor het ontstaan van de Etrusken verantwoordelijk moeten worden geacht, deze mensen niet in de eerste plaats weg zijn gevlucht naar het voor hen zo barre en barbaarse westen. Zij zochten, zoals ieder beschaafd mens zou doen, in de eerste plaats hulp en zekerheid in de beschaafde landen. In verhouding vlak bij lagen de grote havens aan de Nijlmonding, die zeer kosmopolitisch waren en als het ware wachtten op nieuwe toevloed van vreemdelingen. Ook hier moet ik een directe beïnvloeding afwijzen.

  • Indien de Etrusken de oorspronkelijke bewoners zijn van de staat en de stad Rome, waar komen dan de Romeinen vandaan?

Wanneer u een burcht sticht en daarbij een centrum voor handel, zullen vele mensen die zelf geen voldoende zekerheid bezitten, zich in die omgeving vestigen. Binnen een staat van landbouwers zullen in dergelijke vestigingen, vooral dan handwerkslieden, worden toegelaten, zolang zij maar vreedzaam zijn. In het begin is er sprake van handwerkslieden en mensen die aan de behoeften van reizigers kunnen voldoen. Naarmate de plaats rijker en belangrijker wordt, zal er een grotere behoefte bestaan aan krijgslieden om zo de plaats tegen rovers – denk aan het gebied ten zuiden van Rome – te beveiligen. Zodra de stad groot genoeg is, wordt zij een plaats van samenkomst voor de avonturiers van de omgeving. Dit zijn hoofdzakelijk bewoners van andere delen van Italië.

Hierbij voegen zich al snel mensen die om enigerlei reden in landbouw en visserij geen voldoende inkomen kunnen verdienen. Ook de rovers van de Abruzzen trekken ten dele naar de stad toe en vinden daar – als beschermers van transporten e.d. – een zeker bestaan. Deze soldeniers houden zich ook bezig met de beveiliging van de grensgebieden.

Wanneer hun aantal groter wordt, is dit beroep niet lonend genoeg meer. De oude roverspraktijken komen boven en men trekt uit om te plunderen en te veroveren. Degenen die hierbij de meeste winsten maken, kunnen zich legers huren om nog meer land en goederen te verwerven. Dit is dan het begin van de Romeinen. Enkelen van de rijkeren komen tot een overeenkomst. Zij financieren een bekend aanvoerder om voor hen nieuwe gebieden te verwerven. Zij vormen het begin van de senaat. Nu is voor een grotere stad veel voedsel nodig. Soldeniers die weinig voedsel krijgen, zijn geneigd dit te stelen. Daarvoor gaan zij zeker niet verder dan hoogst noodzakelijk is. Om zichzelf te beschermen zal dus de senaat de graanschuur van Rome – het gebied der Etrusken – moeten verdedigen en beschermen.

Hun avonturen zijn gericht naar het noorden en oosten, waar immers de beschaafdere gebieden liggen en men de grootste buit kan vinden. Een tweede factor werkt er toe mee het aantal Romeinen aanmerkelijk uit te breiden. Wanneer een roversbende succes heeft, stromen krijgslustige lieden samen om deel te kunnen hebben aan strijd en de rijkdommen die het loon daarvan vormen. In het begin verkreeg een ieder die in de legers van Rome diende het burgerrecht. Later werd dit verleend als gunst na vele dienstjaren, of grote verdienste. Velen die oorspronkelijk weinig of geen belangstelling toonden voor de krijgsverrichtingen, tonen plotseling verering en belangstelling voor de grote aanvoerders. Dat is gebruikelijk. De overwinnaar trekt altijd vele mensen aan. Vandaar, dat op een bepaald ogenblik in Nederland van dergelijke mensen, die “meikevers” worden genoemd, een zeer grote groep te vinden is.

Zo groeit Rome tot een zelfstandige stadstaat. Van een werkelijk volk is in feite geen sprake. Indien u de cultuur van Rome beziet, zal u dit duidelijk worden. Het is eerder een smeltketel van volkeren, die niet tot een eigen cultuur komt door een te snelle en voorspoedige uitbreiding van het machtsgebied. Alles wat Rome biedt op cultureel terrein, is dan ook imitatie, is overgenomen van andere volkeren. De bouwstijl van het Capitool en de grotere theaters is in hoofdzaak Grieks. De bogen die wij overal aantreffen, bv. bij de baden, zijn overgenomen uit Noord Afrika. Indeling van de baden is gelijk aan die van Kreta, ook al is de omvang groter en de uitvoering rijker. In tuinen en parken vinden wij spiegelvijvers en beeldengalerijen, die herinneren aan de tuinen van Perzië en Babylon. De Goden hebben wel Romeinse namen, maar in feite zijn zij de Goden van de Olympus, ook wanneer in hun eredienst hier en daar wat noordelijk “barbaarse” begrippen hun intrede doen. Evenals de Etrusken, in hun beginperiode is er geen volk, maar eerder een belangengemeenschap. Nationaal bewustzijn ontstaat eerst, wanneer deze roversstaat door gunstige bondgenootschappen en uitgebreide veroveringen belangrijk wordt. Hierbij is opvallend dat nationalisme het eerst ontstaat bij rijke handelaren en bezitters, die hun kapitalen gebruiken om legers te financieren en bondgenoten te kopen. Rome werd dank zij deze procedure tot een wereldrijk.

Typisch is hierbij dat na de eerste periode, handel in hoofdzaak gedreven wordt door afstammelingen van anderen volkeren, zelden echter door Romeinse burgers die reeds vele geslachten lang het burgerrecht bezitten. In het begin treden de burgers van Rome nog wel eens op als handelsvorsten, maar het feitelijk handel drijven wordt dan ook reeds door anderen gedaan. De onderwijzers in Rome zijn geen Romeinen, maar Grieken, Afrikanen en Egyptenaren. Wist u, dat in Rome geen enkele werkelijke Romeinse krant uitkwam?

Men had namelijk de nieuwsslaven die door tempels elke dag rond werden gezonden om overal de nieuwtjes te vertellen. De tempels die deze dienst exploiteerden, waren geen werkelijk Romeinse tempels, maar er werden Goden vereerd, die men “het gastrecht van het Capitool” verleend had. Deze slaven waren over het algemeen Grieken. In de godsdienst wordt aan Romeinse burgers het priesterzijn alleen voorbehouden in enkele tempels van politiek belang, vooral wanneer men godsdienstige eer begint te bewijzen aan de Cesaren. De andere godsdiensten en tempels hebben overwegend niet-Romeinse priesters. De “heksen” – waarzegsters, gifmengsters – van Rome zijn vrouwen, die, als vrijgelaten slavinnen, een levensonderhoud zoeken, of vrouwen die uit het zuiden komen. Sicilië heeft bv. aan Rome vele heksen geleverd. De geheime diensten en mysteriescholen van Rome zijn van origine Egyptisch, Grieks, of Indisch. De filosofie is in Rome een voortzetting van de oud-Griekse filosofie met toevoeging van zekere Egyptische elementen. Later worden hier sporen van Arabisch denken aan toegevoegd.  Er is dus in feite geen sprake van een stam der Romeinen, maar van een Romeinse natie.

In vele opzichten doet de ontwikkeling ervan denken aan de U.S.A. in deze dagen. Er is sprake van burgers en onderdelen van vele landen en volkeren, die in een groot machtsapparaat worden samengetrokken en tot een nieuwe eenheid aaneengesmeed. De grootheid van het volk, de natie, blijft bestaan tot het ogenblik dat de heersers niet meer in de eerste plaats aan het volk en het rijk denken, doch hun aandacht vestigen op eigen rijkdommen, roem en vermaak. Hierdoor verslapt de zaak steeds meer. Er is geen werkelijk bindende kracht meer aanwezig. De barbaren, die nog – zoals vroeger – in het Romeinse geheel werden betrokken, hebben geen respect meer voor Rome en blijven daardoor meer hun eigen stammen trouw. De slag – en nederlaag – in het Teutoburgerwoud was in feite het gevolg van de toen in Rome kenbare morele en zedelijke verslapping van het gehele volk. Het gevolg hiervan was immers, dat de vele in Rome opgevoede Germaanse prinsen en tot de legioenen behorende Germanen een grote minachting kreeg voor Rome’s beschaving en alleen de krijgskunst van dit volk nog op prijs stelden om deze naderhand tegen de Romeinen te gebruiken.

  • De Romeinen hebben zich door hun wetgeving gunstig onderscheiden. Is dit de invloed door de Etrusken?

In de eerste tijd dient inderdaad de wetgeving uit de Etruskische periode als voorbeeld. Deze wetgeving is betrekkelijk eenvoudig. Zij wordt bij het ontstaan van de stad Rome als een macht, verrijkt met handelswetten. Deze wetten werden overgenomen uit het Oosten, dat in deze tijd het grootste doel van de wereldhandel beheerste. Hierdoor vertonen oude Oosterse wetgevingen als bv. de wetten van Hammoerabi hun weerslag in het Romeinse recht. Naarmate Griekenland belangrijker wordt voor de cultuur van Rome, en Rome de macht over de Grieken gewint, worden wetten als die van Solon en de denkbeelden van vele Griekse denkers belangrijk bij het verdere uitwerken van wetten.

Een rijk dat zo groot is als Rome in zijn gloriedagen, heeft een veelomvattende en juiste wetgeving nodig. In die wetgeving moet rekening worden gehouden met alle machten, belangen en aspecten binnen het gehele rijk. Hierdoor zal een bepaalde rechtsopvatting op den duur als zijnde de meest praktische de overhand krijgen. Deze wordt gekristalliseerd in het nu nog bekende en geroemde Romeins recht. De praktijk was anders. Praktisch elke rechter in Rome was te koop. Vooral in de laatste periode van Rome’s grootheid. Maar ook dezen kunnen niet lijnrecht tegen de wetten ingaan. Het is noodzakelijk dat alle belangen op redelijke wijze door de wet worden erkend en hun onderlinge verhoudingen worden geregeld.

De veelheid van verschillende belangen en de angst der Romeinen voor een overmacht van bepaalde bevolkingsgroepen – de legioenen b.v. – doet zo een rechtvaardige en grote wet ontstaan. Wie immers tegen de belangen van een grotere groep ingaat, sterft. Vele senatoren zijn dan ook onder de dolk van een moordenaar gestorven. Dit is de basis. De formulering is ook buitengewoon helder en fraai. Om dit te verklaren hoeven wij er alleen maar aan te denken, dat de denkers en zelfs de beter burgers in Rome onderricht ontvangen van de beste denkers van die dagen. Rome is niet alleen een verzamelplaats van materiële waarden, doch maakt ook geestelijke buit door het als slaven, of gasten, invoeren van de grote denkers en kunstenaars van andere volkeren. Hierdoor is de Griekse en Alexandrijnse invloed op het denken in Rome buitengewoon groot. Hoe groot die invloed wel was, blijkt uit het feit, dat gedurende meerdere eeuwen elke familie van enig belang één à twee Griekse leerslaven ter beschikking heeft om de kinderen te onderrichten, schrijfwerk te verrichten enz. Deze slaven zijn vaak qua cultuur onvergelijkelijk hoog verheven vergeleken met hun meesters. Hierdoor ontstaat de wijze van rationalisatie en formulering, die niet ten onrechte ook nu nog wordt bewonderd. De bewonderde codex is in zijn bekendste vorm het product van Rome’s vervalperiode, dus van de tijd, waarin recht en rechtvaardigheid het meest werden veracht binnen Rome. Dat vergeet men wel eens. Deze codex stamt uit het jaar 200 n. Chr.

  • Was Pompeï Etruskisch?

Neen. Pompeï en Herculaneum waren vermaak steden. U zou ze kunnen vergelijken met een ietwat wereldser Wassenaar, waarin de Parijse mode de overhand heeft. U mag hier niet denken aan een Etruskische nederzetting. Wel vinden wij daar decoratieve elementen, die zuiver Etruskisch zijn. Vergeet niet dat wij er ook woningen vinden die geheel naar Griekse stijl zijn uitgevoerd, terwijl in Pompeï zelfs een huis is, waarvan de motieven uitsluitend Egyptisch zijn. Zelfs op de muren kan men nu nog de restanten ontdekken van het bij Egyptenaren zo geliefde papyrusmotief. De bevolking bestaat in feite uit rijkere mensen, die zich hier een woning bouwen om van de drukte van de stad Rome bevrijd te zijn. Deze steden zijn daarvoor heel gunstig gelegen. Voor de handel zijn zij over land en langs de zeeweg gemakkelijk te bereiken. Er is een naar verhouding grote haven, zodat alle gewenste artikelen kunnen worden aangevoerd. Dit gebied met zijn vele villa’s en belangrijke wijken wordt op den duur zuiver de speeltuin van de rijken. Rome zelf is veel te druk. Rome was in de dagen van Pompeï drukker dan den Haag. Hier kunt u rond 11 uur ‘s avond rustig een kanon afschieten op het Spui zonder veel kans dat u meer treft dan een slapende mus. In Rome heerste dag en nacht bedrijf. In de smalle straten is voortdurend rumoer. In de nacht trekken de sleden met goederen door geheel de stad. Ossenwagens, twee- of vierassig, bewegen zich gedurende de nacht langs voor hen voorgeschreven routen. Waar het wat stiller is, loeren rovers op voorbijgangers. Ziekten en pestilentiën heersen regelmatig.

Rome was de rijken dan ook te druk en te ongezond. Alleen de belangrijke personen die rond de Palestijnse heuvel wonen, hebben wat meer rust en ruimte. Wie geen plaats vindt in de betere wijken, rijk is en toch bij Rome moet blijven, zoekt zijn plaats buiten de stad. Vandaar dat wij bv. langs de Via Appia – maar buiten de eigenlijke stad – nu nog de ruïnes van vele villa’s vinden. Wie geen vaste banden heeft met Rome, verlaat de stad, die immers allesbehalve aantrekkelijk is met zijn ziekten, zijn opstanden en relletjes. Zij trokken naar niet al te ver gelegen steden als Pompeï en Herculaneum. Ook Ostia wordt door velen, vooral de rijke middenstand uitverkoren, ofschoon deze plaats tevens handels- en oorlogshaven was. Beide plaatsen, waarover wij spreken, lagen buitengewoon gunstig. Aan de voet van een vulkaan gelegen, zijn de parken door de grote vruchtbaarheid van de bodem onovertroffen. Op de markten komen meer en schonere vruchten ten verkoop dan in Rome zelf.

Vele Romeinen laten dan ook hier hun inkopen doen. Langs de zeeweg wordt in deze plaatsen meer wijn – vooral Griekse – ingevoerd dan op enige andere plaats van het Romeinse Rijk, zelfs Egyptisch bier wordt hier ingevoerd en is verkrijgbaar in de drinkhuizen. De baden zijn kleiner, maar veel luxueuzer dan in Rome. Alles wat de beschaafde wereld aan luxe en schoonheid heeft te bieden, is hier vertegenwoordigd.

Uitgebreid is ook de demi-monde. Onder de Hetaeren vinden wij velen die zeer beroemd en gerespecteerd zijn. Onder hen en hun personeel treft u de meest beschaafde vrouwen van verschillende naties aan. Enkele van deze Hetaeren hebben salons van grote culturele betekenis, zoals in latere dagen Madame de Staël in Parijs haar salon had. De spelen in het amfitheater zijn wel niet zo groots van opzet als de feesten die de regeerders van Rome het volk bieden, maar zij brengen vele nieuwe en nooit geziene attracties. Dat wij over dit “niet zo groot” niet al te min moeten denken, blijkt uit het feit, dat zogenaamde waterspelen in dit circus kunnen gehouden worden en zelfs twee kleine vloten elkaar in de onder water staande arena hebben bevochten. In en rond deze twee steden vinden wij evenveel theaters als in de rest van Italië. Rome uitgezonderd. Zeer schoon was het rotstheater, waar de mensen in een sterk stijgend amfitheater zaten en neerkeken op een groot toneel, dat als achtergrond de zee had. Het decor bestond uit enkele bogen, meer niet. In dit theater werden onder meer stukken van Aristophanes en andere grote Grieken opgevoerd. Het is haast onmogelijk u de werkelijke luxe van deze steden voor te stellen. Haast ieder die daar woonde, was – volgens de huidige opvattingen – miljonair, of rijker. Wie geen, of te weinig geld had, kon hier niet wonen, zij het dan als handwerksman, of handelaar. Ook dezen waren rijker dan hun beroepsgenoten elders. Het aantal slaven was zo groot, dat tegen elke vrije er 5 à 6 slaven aanwezig waren binnen het gebied van deze steden.

Er is geen enkele band te vinden tussen deze steden en de beschaving der Etrusken, ofschoon afstammelingen van de Etrusken zich mogelijk ook in deze steden hebben bewogen, tussen de andere rijkaards van het keizerrijk. Deze steden waren de meest kosmopolitische van die dagen.

  • Er werden vrouwen ingewijd volgens de riten van Dionysius. Vanwaar?

Deze inwijdingsdiensten kwamen uit de richting van Athene. Dionysius was een Griek. Naast deze school bestond er ook nog de inwijdingsschool van Kabyle, een vruchtbaarheidsgodin. Vergeet niet, dat van radio, tv en bioscoop in deze tijd nog geen sprake was. Vandaar dat inwijdingen met een seksueel tintje in mode en vermaak daar een betrekkelijk belangrijke rol hebben gespeeld. Het feit dat deze steden volgens huidige opvattingen bandeloos en zedeloos waren, is dan ook wel voor een groot deel te wijten aan het feit dat bepaalde driften en verlangens niet konden worden gestild door het zien van een sentimentele, of romantische film maar alleen in natura konden worden bevredigd, of geheel niet.

  • Is het slangensymbool in de Etruskische graven van Egyptische oorsprong?

Dit is niet Egyptisch, maar behoort tot de symbolen die wij ook aantreffen bij de verering van de zeegod. Hij is een symbool van onsterfelijkheid, of Goddelijke kracht. Wij vinden deze slang dan ook slechts weinig gewijzigd terug in Griekenland. Het is een gevleugelde zeeslang. Deze slang is deel van een der oudste inwijdingsscholen, die tot geen bepaalde natie behoort. Zouden wij de origine van het symbool verder terug opvolgen, dan komen wij uiteindelijk in Atlantis terecht. In Atlantis werd dit symbool voor bereiking, wijsheid en levenskracht ook reeds gebruikt. Van hieruit vond het zijn weg over de gehele wereld. Kort geleden heeft men reproducties vervaardigd van bepaalde Mayagraven in Mexico. Eigenlijk Azteekse graven. Men heeft de restanten van de oorspronkelijke schilderingen zoveel mogelijk gereconstrueerd. Daarop komen ook gevleugelde slangen voor als deel van een aflopende randversiering. Typisch genoeg is de vorm praktisch geheel gelijk aan de slangvoorstelling die wij vinden in de graven der Etrusken. Mijn inziens hebben wij hier niet zozeer te maken met Egyptische invloed, als wel met een overblijfsel uit het moederland van alle huidige beschavingen.

  • Hadden de Etrusken een eigen kunst?

Naar ik meen, mag men niet over “eigen” spreken in de kunst, tenzij men alleen de aandacht vestigt op de bij een volk in zwang zijnde ornamentiek. Hierbij moeten wij dan nog de nadruk leggen op de niet figuratieve versieringen. In dit geval kan ik – gezien de voorstaande definitie – bevestigen antwoorden. De ornamenten van de Etrusken dragen veel eigens in zich, ofschoon zij hier en daar toch herinneren aan de ornamenten van de Myceense beschaving. Anders wordt het wanneer wij ons bezig houden met de vormgeving in de figuratieve kunst. Hier vinden wij zeer vele elementen die onder meer ontleend zijn aan Kreta, Griekenland. Zo hier en daar vinden wij zelfs een vormgeving en opstelling, die iets Egyptisch in zich draagt.

De tekening van dieren draagt primitievere én vitalere invloeden in zich. Wij vinden hier iets van de sterke lijnuitdrukking die de holentekeningen op het Iberisch Schiereiland vertonen. Vooral bij de uitbeelding van runderen komt iets van deferociteit der primitieve mensen duidelijk tot uiting. De uitvoering is beschaafder, er worden meer kleuren gebruikt, maar wij treffen hier dezelfde spontane en vitale weergave aan. Als geheel meen ik dat men beter doet niet te spreken over een speciaal de Etrusken eigen kunst. Beter is te spreken over het bij de Etrusken bestaan van een bepaalde school, die invloeden van buitenaf onderging, maar qua techniek eigen genoemd kan worden. Overigens bent u in staat te bepalen in hoeverre de huidige kunst Duits, Frans of Italiaans is? Wel kunnen wij de landaard vaak – maar niet altijd – herkennen aan de gebruikte ornamentale elementen, die merendeels bij gebruiksgoederen voorkomen.

  • Was er sprake van een algemene volkskunst, of zijn er speciale kunstenaars?

Het vaatwerk wordt oorspronkelijk in de behuizingen, dus de boerderijen, gemaakt en daar ook versierd. Later, wanneer het volk rijker werd, ontstaan er speciale pottenbakkerijen. Degenen die hier versieringen aanbrengen, zijn vaak kunstenaars. Hoofdzakelijk uit hen, die vormgeving, kleuring en tekening op deze wijze hebben leren beheersen, komen dan de kunstenaars voort, die op de wanden van huizen, graven e.d. versieringen aanbrengen. Ook de tabletten zijn vaak beroepswerk. Wanneer er later uitdrukkelijk moet worden gesproken over een afzonderlijke kunstenaarsstand – zoals in Griekenland – betreft het hier alleen de figuratieve kunst. Ook het smeedwerk – mooie bronzen bv. – behoren tot de door beroepsmensen gemaakte kunstvoorwerpen. In het smeedwerk vinden wij overigens wel vaak Phoenicische invloeden. Het versieren van potten en pannen wordt nooit een werkelijk van het volk losstaande kunstuiting. Het is misschien wel te vergelijken met het z.g. boerenbond van heden.

  • Wat houdt de Mitrasdienst in?
Het is een verering van de Zonnegod. Die eredienst is oorspronkelijk van Perzische origine. Zij kent biecht, doop en een dienst, die veel lijkt op het latere misoffer. Wanneer het christendom niet zo sterk onder armen en slaven opgang gemaakt had, zou het waarschijnlijk de eredienst van heel het Westen zijn geworden. De morele inhoud van deze dienst was hoogstaand.
  • Dus de Etrusken stonden in godsdienstig opzicht hoger dan de Romeinen?

Ja, maar dat was niet moeilijk. De Romein was het voorbeeld van de religieuze atheïst die rustig met zijn Goden spot, maar als een soort religieuze verzekering, voor het geval dat er van die Goden toch eens iets waar zou zijn zo nu en dan een offertje ging brengen. De doorsnee Romein nam over het algemeen de Goden niet ernstig, tenzij er iets mis was en hij op geen enkele wijze zelf daaraan iets kon doen. De armen gingen zelfs dan niet naar de tempels. Zij verkozen het en masse naar de paleizen van de rijken te trekken om daar te demonstreren. Wat dat betreft is er ook al niets nieuws onder de zon. Wel denken veel van Rome’s soldaten zeer godsdienstig. Daarom zien wij hier ook vele aanhangers van de Mitrasdienst. Hierbij speelt het feit een rol, dat zij vaak tientallen jaren van eigen land verwijderd waren. Zij zoeken dan bij hun Goden bescherming tegen de vreemde invloeden die zij in vreemde landen maar al te vaak rond zich menen te voelen.

De Romeinen waren zeker niet hoogstaand waar het de godsdienst betrof. Wel kenden zij meerdere goede denkers en filosofen. De enigen die in de zin van godsdienst en filosofie een blijvende werking en betekenis onder het volk hadden, waren de Canis, de honden. Deze Canis kunnen wij het best vergelijken met de Franciscanen, maar dan zonder een Orde die hen bindt. Zij waren denkers, filosofen, die leefden als bedelaars en trachtten iedereen goed te doen en te helpen. Over het algemeen vermeden zij elke exploitatie van hun medemensen. Maar meer nog dan de Romeinen waren zij atheïsten. Zij erkenden het bestaan van de Goden niet en volgden geen bepaalde God. Soms geloofden zij er zelfs niet in, maar zij vonden – naar ik meen – hun God overal rond zich.

  • Dat was zo gek niet.

Wat is de moeilijkheid, wanneer je een God zoekt? Het is gemakkelijk genoeg om te zoeken, maar heel moeilijk te leven naar je ideeën omtrent je God en je eigen plichten. Er zijn maar heel weinig mensen die dit laatste geheel doen. Deze Canis deden dit, evenals Franciscus van Assisi dit deed, zoals er ook z.g. heiligen zijn in India, die precies hetzelfde doen. Niet demonstratief, niet met de bedoeling zich buitengewone verdiensten te verwerven, maar heel natuurlijk, omdat het voor hen deel is van hun wezen en leven. Van de Canis is bekend dat zij, wanneer er pest heerste in Rome – wat nogal eens voor placht te komen – de zieken verpleegden en de doden begroeven.

De Franciscanen deden dit ook wel, maar hadden toch een andere benadering van het probleem, daar zij dit uit liefde Gods deden, terwijl de Canis dit deden als deel van hun mens-zijn. Voor hen was God ten hoogste iets, wat zich in alle dingen openbaart. Zij stonden daardoor wel heel dicht bij de waarheid. Zij konden het leven wel als een liefdevol aanvaarden van het bestaan en eventueel een God zien, maar zagen daarentegen niet het bestaan van een liefdevolle God. Naar mijn mening lag daarin een fout.

  • U noemt hen atheïsten?

Ja, ten hoogste is hun stelling niet een bepaalde God, maar de “God rond ons”.  Een animistische aanvaarding, waarbij alles even belangrijk is en God spreekt uit alle dingen, zonder dat een personificatie, of een kenbaar worden van die God uit de verschijnselen voortspruit. Er is slechts zeer beperkt sprake van een erkennen van een God in het denken, of een godsdienstig denken bij deze Canis. Daarom mogen wij hen – naar ik meen – wel atheïsten noemen. Daarbij komt nog, dat zij in oppositie zijn t.o.v. de erkende Goden.

 Esoterie.

Om te beginnen een klein verhaaltje: Waarom de ezel I-A zegt……

Toen God bezig was met de Schepping der wereld, bracht Hij allereerst – bij wijze van proef – verschillende bijzondere wezens voort. Zo begon hij ook een Engelsman te scheppen. Omdat het de 5de dag was en de Heer het heel erg druk had, stelde Hij Zich aan alle zielen, die er vorm zouden krijgen, tegelijk voor: “I am He, Who is”. De Engelsman, die nog geen naam had, wilde de beleefdheid niet onbeantwoord laten en begon zonder zich af te vragen of dit wel paste die zin na te zeggen. Hij had al “I” gezegd en begon net aan “am”, toen het Scheppingswoord gesproken werd. Doordat hij niet op God lette, kwam zijn ziel in de ezel terecht. Alleen de klanken die hij reeds gesproken had, kon hij nog onthouden. Zo komt het, dat nu nog de ezel taai en koppig is en alleen maar I-A zegt.

Waaruit wij de les kunnen trekken, dat de mens die te vroeg en zonder aanvaarding reageert op de Goddelijke wil, zich in de vingers zal snijden, of althans in taalkundige moeilijkheden zal komen. Het te snel en te veel ingaan op wat wij menen dat de wil, of wet van God is, vinden wij namelijk nogal veel. Ik weet niet hoe het komt, maar menige mens schijnt God te willen vertellen, hoe Hij eigenlijk met Zijn Schepping dient te handelen. Wie daaraan begint, maakt de grootste fout die er maar bestaat, want hij kan nooit overzien, wat de werkelijke bedoeling is, evenmin als wij kunnen overzien, wat het geheel van de werkelijke Schepping is. Evenmin als wij kunnen beseffen wat oneindigheid is, wanneer wij nog gebonden zijn aan de cirkelgang van de tijd. Niemand is in staat geheel juiste conclusies te trekken over de ware inhoud van de rond hem bestaande mensen, dieren en planten. Wij weten daarvan zeer weinig af. Nu spreekt God door Zijn schepselen tot ons. Hij wil ons daardoor duidelijker maken, wie en wat wij eigenlijk zijn. Hij toont ons ook, wat Hij is. Wanneer je goed toeziet in het leven, is het vaak net of God zegt: “Zie, dit ben Ik, dit is Mijn wezen. Handel in overeenstemming hiermede en je zult tot Mij komen”. Wanneer wij nu beginnen i.p.v. oplettend toe te horen en te zien, met kritiek uit te oefenen op de natuurlijke verschijnselen buiten ons, dan is het net of wij willen zeggen: “Ik weet het goed, ik ben net als God, want ook ik weet het”, maar dan komen wij nooit verder dan I-A. en verraden zo wat een ezels wij zijn.

Misschien meent u dat dit toch in feite een menselijke eigenschap is. In dat geval kan ik u nog meer eigenschappen noemen die ons het vinden van God bemoeilijken en ons contact met de wereld vertroebelen. U weet misschien hoe het varken aan de krul in zijn staart is gekomen. Het varken was namelijk zo druk bezig met eten, dat het veel te laat kwam op de dag dat God de kleuren aan de dieren uitdeelde. Toen het alle eetwaren soldaat had gemaakt, kwam het op zijn gemakje naar de plaats van samenkomst, zo maar in zijn roze niksje. Het kwam kijken of er nog een pelsje of een paar veren waren overgebleven. Maar God was allang uitverkocht. Dat vond het varken zo erg, dat het begon te huilen van heb ik jou daar. Om het dier te troosten heeft God toen maar het rechte staartje om Zijn vinger gewikkeld, zodat het tenminste iets had. Om zich schadeloos te stellen voor de pels die het niet had gekregen, begon nu het varken nog gulziger dan tevoren te eten. Zo gulzig was het, dat het gewoon een stofzuigerneus kreeg van al zijn zoeken. Niemand van de dieren vond het varken nog aardig. Toen het, om zijn zere neus te sparen, begon de modder om te woelen, noemde niemand het beestje nog varken, maar spraken ze van zwijn. Als straf voor zijn fouten wordt het nu door mens en geest niet geacht en is het in vele godsdiensten zelfs een onrein dier.

Wij verachten het varken vaak om zijn gulzigheid, maar wij maken dezelfde fouten die het varken maakte, in ons zoeken naar kracht en bewustwording en geestelijke vermogens.

Wij hebben het immers ook zo druk. Wij kunnen de bridgeclub niet overslaan en wij moeten noodzakelijk naar dat concert toe. En dan heeft Marietje u uitgenodigd. Daar moet u toch ook naar toe. Dat kun je niet laten. Wil God met ons spreken? Dadelijk, nu hebben wij geen tijd…. Zo komt de goede God bij al ons streven toch maar steeds weer achteraan.

Wanneer wij zo doen, dan komen wij steeds weer te laat. God geeft bewustzijn. God geeft krachten, maar Hij geeft ze alleen aan de mensen die daarom komen, die ze willen halen.

Menigeen gaat er goed voor zitten en zegt dan zo ongeveer: “Zo God. Ik zit gemakkelijk. Kom nu Je gaven maar brengen”. Dan is men verontwaardigd, dat God niet komt.

De kwestie is, dat wij tot God moeten gaan. Wanneer de mens zich voortdurend met de materie bezig houdt, komt hij niet veel verder. Er staat geschreven: “‘Zoekt en gij zult vinden. Klopt en u zal worden opengedaan”. Natuurlijk krijgen wij toch wel zo nu en dan een straaltje van Goddelijk Licht, maar wij zouden kunnen komen tot een werkelijk kennen van het Goddelijk Licht, een zien van de grote werkelijkheid. Menigeen, die een klein straaltje van het Goddelijk Licht ontvangen heeft, gevoelt zich daardoor ontheven van de noodzaak nog verder te zoeken. Hij speelt meester, of leraar, tegen anderen, of – al even erg – gaat naar een voetbalwedstrijd, een modeshow, of een striptease revue toe en dompelt zich geheel onder in het materiële. Er is geen enkel bezwaar tegen dat je de materie apprecieert en er gebruik van maakt. De stof dient als tegenwicht tegenover het geestelijke. Maar stoffelijke waarden beleef je al genoeg. Wanneer je niet verder zoekt, steeds weer, zul je op den duur niet eens het Goddelijke meer kunnen kennen, wat in je is.

Dan doe je wel aan esoterie, maar je volbrengt niet, wat de hoofdzaak is van elke esotericus, namelijk jezelf leren kennen en doordringen tot de kracht die in je leeft, je realiseren, hoe God in en vanuit je werkt.

Sommigen doen het tegengestelde. Anderen gedragen zich, zoals de hond op de dag dat God aan de dieren sieraden uitdeelde. De hond had zo woest lopen rennen en spelen, dat hij op weg naar de plaats van uitdeling zijn staart had verloren. God, Die wel wat medelijden met de hond had, gaf hem een nieuwe staart, voor Hij hem zijn vacht schonk.

“Hond”, sprak God: “Ik heb je een nieuwe staart gegeven”. “Dank U, God” zei de hond en probeerde meteen naar zijn nieuwe pronkstuk te kijken.

Maar van links kon hij niet genoeg zien en van rechts ook niet.

“Dan is er maar een oplossing”, meende de hond, “heen en weer zwaaien maar met dat ding”.

Toon God hem zijn vacht gaf, was hij daar nog steeds mee bezig en wilde niet ophouden. God sprak het machtwoord, waardoor hond en vacht één werden, maar die beweging van de staart was daarmede ook vastgelegd. Nu kan de hond niet anders meer dan – wanneer hij blij is – met zijn staart zwaaien. Veel verstand heeft de hond ook niet, hij kan wel veel kunstjes leren, maar van de Schepping weet hij zo weinig af, dat hij de mens vaak voor een God houdt.

Dat komt ervan, wanneer je zozeer in jezelf bent verdiept, dat je geheel geen aandacht hebt voor het wonder van het Scheppingsgebeuren. Zo zijn er mensen die op dezelfde wijze in bewondering blijven staan voor iets van het Goddelijk Licht, dat zij hebben gekregen. “Wat is dat mooi! Dat heb ik nu helemaal voor mijzelf gekregen. Wat een Licht, wat een visioen, wat een openbaring”. En uit louter vreugde houden zij zich dan voortaan alleen daarmee bezig. Zij kijken nooit wat de wereld is, zij denken er niet over na wat God is. Zij realiseren zich niet eens wat zij zelf eigenlijk zijn. Zij staan in feite alleen maar met hun gave, of visioen te kwispelen. Zij bezien het steeds opnieuw van elke mogelijke zijde en komen nooit tot rust. Nu komt de dood. Dat is voor de mens de hernieuwde openbaring van het scheppingswoord. Daar staan zij dan en hebben niets anders voor hun leven te tonen, dan dat ene, dat door de veelvuldige beschouwingen zijn werkelijke inhoud en waarde allang heeft verloren. Dan wordt het pijnlijk. Bezig met zichzelf, beseffen zij de werkelijkheid niet. Bezig met hun schat trachten zij daaruit een heel heelal op te bouwen, maar dat gaat niet.

Lang plegen zij daarmede bezig te zijn, tot zelfs zij uiteindelijk beseffen, dat met één enkele waarheid men niet de Schepper kan kennen en terugkeren tot de wereld. Daarom is zelfkennis noodzakelijk. Ook mag men zich nooit beroemen op zijn bijzondere beleving.

Hiermee komt men niet verder, doch schaadt de eigen ontwikkeling die zo evenwichtig mogelijk moet zijn. Dit evenwicht kun je alleen bereiken, wanneer je voortdurend aandacht schenkt aan het Goddelijke, dat in je werkt. Gelijktijdig dien je als mens ook aandacht te wijden aan de materie, die buiten je bestaat.

Tussen deze beiden dient een wisselwerking te bestaan. Als je dat ooit vergeet, heb je de kans dat het je gaat zoals de pauw. De pauw was een van de eerste dieren die bij de uitdeling van sieraden aanwezig was. Hij drong naar voren, tot hij voor God stond, want de pauw wilde de mooiste vogel op de wereld zijn. Toen God hem vroeg, wat hij hebben wilde, vroeg hij: “Geef mij de mooiste veren die er zijn” en vergat om een verdere afwerking van zijn stem te vragen. Samen met de paradijsvogel, die naast hem, de pauw, stond en onmiddellijk hetzelfde vroeg, kreeg hij wondermooie veren. Toen zij eindelijk klaar waren hun pak te bewonderen en God wilden danken voor Zijn gave, ontdekten zij dat zij geen goede stem hadden. Zij wilden God vragen hen een mooie stem te geven, toen zij tot de ontdekking kwamen, dat God alles wat er nog aan stem over was, aan de nachtegaal had gegeven, omdat die maar een eenvoudig bruin pakje had gekregen. Hebt u wel eens op pauwen gelet? Zij zijn mooi om te zien, maar als je zo hoort, schrik je je dood, want hun noodkreten klinken hard en trommelvlies verscheurend.

Ook de mens heeft evenwicht nodig. Wanneer wij in ons geestelijk leven alles mooi hebben, kunnen wij misschien wel iets bereiken. Wij kunnen ons alleen aan de stof wijden en pronken met alles wat wij als kleed gekregen hebben. Maar wij hebben er niets meer aan, wanneer wij geestelijk volmaakt zijn en stoffelijk niets betekenen. Wij hebben er niets aan, wanneer wij stoffelijk haast volmaakt zijn en geen uitbreiding van geest ondergaan.

Beide waarden zijn in het leven noodzakelijk. Wij moeten dezen samen weten te voegen tot iets, waaruit ons wezen harmonisch en evenwichtig de Goddelijke kracht kan beleven.

  • Waarom heeft God de mens niet volmaakt geschapen?

Ik merk dat ik mij vergist heb. Ik dacht dat wij aan de esoterie bezig waren, maar het blijkt de vragenrubriek te zijn.

Indien God de mens volmaakt had geschapen, had Hij hem even goed niet kunnen scheppen. God wilde ook in de mensheid geheel Zijn wezen openbaren. Hij kon dit niet doen in een enkele mens van korte bestaansduur, die volmaakt was. Hij moest dit openbaren in een klimmende reeks van bewustzijn. God kan Zijn wezen immers niet binnen een Schepping uitdrukken in een enkel ogenblik van beperkte volmaking.

Uw voorstelling van volmaaktheid is in een enkel moment van de tijd gefixeerd. Maar God voert het onvolmaakte via alle fasen van bewustzijn tot het volmaakte. God heeft niet geschapen naar menselijk inzicht. Dat is maar goed ook, want anders zouden wij uiteindelijk allemaal bij die ezel terecht komen. Hij heeft geschapen naar Zijn Goddelijk weten en inzicht. Voor Hem is de mens volmaakt.

Er is eens een ontzettende heibel in de hemel geweest. God heeft immers als gevolg daarvan Lucifer de hemel uitgetrapt, tenminste, wanneer je mag geloven wat daarover wordt verteld.

In die dagen was er een engel die sprak: “God, wij vinden Uw heerlijkheid fantastisch goed en mooi, maar wij willen toch graag iets meer dan dat. Wij zouden, o God, zo graag die volmaaktheid beleven”.

God antwoordde: “Goed, maar om Mijn volmaaktheid te beleven, moet je elk aspect van Mijn wezen eerst afzonderlijk leren kennen. Dan kun je niet in de hemel bij mij blijven.

Om Mij werkelijk te kennen, moet je uitgaan”.

De engel antwoordde: “Ik begrijp U, Heer. Mij niet gezien. Ik heb het hier veel te prettig”. God zei: “Dan zul je Mijn wezen ook nooit in zijn volheid kunnen kennen.”

De engelen waren met die beslissing allesbehalve tevreden.

Zij baden God daarom dringend hen te laten zien, wat Hij bedoelde.

God nam toen een kleine ster.

“Zie, deze vonk van Mijn Licht zal ik uitzenden door de kosmos. Zie goed toe en merk alles op, wat hiermede gebeurt”.

Toen zagen de engelen, hoe de kleine ster botste met meteoren en stof, hoe zij opvlamde om dan weer te worden tot een koude klomp ijs. Zij zagen, hoe zij in die toestand van half – leven gevangen werd door een andere ster, en planeet werd, leven droeg en vegeteer- de, tot er een nova ontstond in haar zon. Omgesmeed tot een vlammende massa vluchtte toen het sterretje weg, achter zich een lichtende staart trekkende: Een komeet. Baan na baan trok zij door de leegte, eentonig, tot er een botsing kwam met een ster. Uit deze botsing kwam het komeetje tot een bestaan als maan bij een grote planeet.

Daarna ontving deze maan wederom gloed en licht en begon een spel met andere sterren te spelen. Oneindig haast was de reeks van wisselingen, maar na lange tijd had de kleine ster alle vormen bekleed, die maar te denken zijn voor een hemellichaam.

Toen riep God het sterretje terug en toonde het aan de engelen.

“Zie, dat stukje licht weet nu wat een ster is. Wie Mijn wezen wil leren kennen, zal alle mogelijkheden van Mijn wezen moeten leren kennen, zoals deze kleine ster alle mogelijkheden van het ster-zijn en het contact met sterren heeft moeten proeven”.

“Hoor, dat is ons te veel. Wij blijven liever bij U.”

“Dat is je goed recht”, sprak God, “maar Ik zeg u, Ik neem een deel van Mijn wezen en zend het uit door Mijn zijn, tot het zal kennen elk aspect van Mijn zijn, tot het geproefd heeft van de leegheid der ruimte, de stralende kracht van het zich ontwikkelende licht. Ik zal het leren kennen de gloeiende planeet en de koude planeten. Het zal kunnen leven in de eenvoudigste plant, in het primitiefste dier. Zo zal ik het voeren tot de volmaking van vorm. Dan zal Ik dit wezen zenden door alle werelden, die Ik geschapen heb. Niet alleen met de stoffelijke werelden zal het kunnen volstaan. Dwalen en dolen zal het, gaande van sfeer tot sfeer, wanneer het alles beleefd heeft, wat Mijn wezen heeft geschapen, keert het terug. Zoals onder uw ogen dit lichtje heeft leren beseffen, wat sterren zijn, zo zal dit wezen rond gaan door Mijn Schepping tot het weet, wat God is”. De rest van het verhaal is bekend. De driftige Lucifer werd boos hierover en sprak: “Dat neem Ik niet. Ik heb de oudste rechten. Dit is niet rechtvaardig, Heer. Dan ga Ik wel op Uw troon zitten, want dan kan Ik het beter”.

God zei streng: “Lucifer, sta op en buig je voorover”.

Lucifer was dom genoeg dat te doen en nu vliegt hij nog, want het was een Goddelijke schop die hij kreeg.

Heeft u uit dit verhaaltje leren begrijpen, wat volmaaktheid eigenlijk is? U meende, dat volmaaktheid iets was, dat beantwoordde aan uw illusies en ideeën. Geloof mij: De mens is volmaakter dan hij beseft. Dat is maar goed ook, want anders zou hij waarschijnlijk ophouden met streven. Wie ophoudt met streven gaat het precies als de ene struisvogel, die een verenjager aan zag komen. “Die komt mij van mijn mooie veren beroven”, dacht de struis. “Wegwezen”, en hij stak zijn kop in het zand. De jager kwam dichterbij en trok een vleugelveer uit. “Ik weet van niets, ik ben er niet. Wat steekt de zon”. Maar die zon begon te steken aan alle kanten: Aan de vleugel, aan de staart. “Het lijkt wel een mierenhoop waar ik in zit”, zei de struis. “Maar gelukkig is het die jager niet, want ik ben er niet”. Pas toen het heel lang stil bleef, besloot de struis om er nu toch maar weer wel te wezen en haalde zijn kop omhoog. Hij keek om en vluchtte weg van schaamte, want hij wilde niet in onbeklede toestand zich vertonen aan de struisvogels en zebra’s in de buurt.

Struisvogels zijn van nature geen nudisten.

Op dezelfde manier zou het u gaan, wanneer u meende u te kunnen begraven in het begrip van volmaaktheid, dat u zou bezitten. Alle waardevolle sieraden zouden u ontroofd worden en u zou het te laat bemerken. Wanneer u wist, wat u werkelijk bent, zou u misschien ook menen: Het is genoeg.

Wat schuilt er werkelijk in de mens? Voordat een geest mens kan worden, heeft zij reeds een hele cyclus van bestaan achter zich. In de mens leeft een wezen, dat het leven kent van planten- en dierenwereld, maar er is ook een kennen van de ledige ruimten, van donkere gaswolken die tussen de sterren drijven en misschien van het vuur van de sterren zelf. Dit laatste wel niet als een bewust deel hebben eraan, of regeren ervan, maar een beeld, een beleven. Daardoor schuilt in de mens al een zodanig weten, dat hij een groot deel van het Al zou kunnen herscheppen in zichzelf. De mensen denken. En gedachten van grotere volheid zijn in staat vormen weer te geven. Dat bemerken wij in de geest steeds weer. Een mens is in feite dus al een wezen, dat zich een eigen heelal kan scheppen. Het is maar goed dat hij dat niet beseft, anders zou hij waarschijnlijk bezwijken voor de verleiding en trachten God te spelen in een onvolmaakt heelal. Maar in die onvolmaaktheid zou hij op den duur overrompeld kunnen worden door zijn eigen Scheppingen en schepselen. Het pad van mens-zijn voert nog verder dan dit. De mens heeft geleerd zichzelf te beschouwen in relatie met en vanuit de wereld, waarin hij leeft. Zijn beeld van de stoffelijke wereld is bijna compleet, wanneer hij daarin zichzelf weerkaatst ziet, zoals God Zich weerkaatst in Zijn Schepping. Dit nu leer je, wanneer je mens bent.

Hoe dicht staat de mens dan eigenlijk al niet bij God? Dicht bij zijn God is hij, die vanuit zijn wezen zichzelf in zijn geuite Schepping beziet. Hoe meer je als geest en mens doormaakt, hoe dichter je nadert tot de waarheid van het Goddelijke, Die alomvattend en tijdloos is: De eeuwigheid, en hoe meer je ook op God gaat lijken. Geloof mij, er zou menige engel jaloers kunnen zijn op de mens, ook al kunt u zich dat moeilijk voorstellen.

Er is menige kracht die de weg heeft gekozen om als lichtende ster in de ruimte te leven, die nu achteraf zich afvraagt: “Had ik niet beter de weg kunnen kiezen die nu ook de mensen gaan?”

In één enkel aspect volmaakt zijn, vrienden, is niet zoveel waard als een alleen maar de volmaaktheid van alle Goddelijke aspecten in jezelf te kunnen beleven en de zon vanuit jezelf kunnen herscheppen, tot in en buiten je het beeld van je God weerkaatst is en je ontdekt hoezeer je daarmee één bent. God is het grote, de kracht van jouw bestaan, maar dat is het enige verschil. Verder bestaat het heelal in en uit jou, zoals het in en uit God bestaat.

image_pdf