De evolutie van de geest

19 oktober 1956

Allereerst aan het begin van de voordracht de gebruikelijke opmerking. Wilt u er a.u.b., aan denken, dat wij, sprekers van de Orde, niet alwetend of onfeilbaar zijn. Op grond hiervan hopen wij, dat u zelfstandig zult willen nadenken en over het gesprokene en uw eigen conclusies zult willen trekken. Dan,  zullen wij overgaan tot onze lezing.

Voor vandaag heb ik voor u een onderwerp, n.l. de evolutie van de geest.

Na gezien te hebben hoe het Al zijn vorm heeft aangenomen, verder de komst en wording van de mens op aarde beschouwd te hebben, wordt het tijd, dat wij  aandacht schenken aan ons eigenlijke vaderland: het Rijk van de Geest.

Zoals wij allen weten, bestaat de geestenwereld uit een reeks van sferen. Om nu echter een goed begrip omtrent deze sferen te verwerven, moet men zich de ontwikkeling van deze sferen weten voor te stellen. Hun invloed op aarde is voortdurend merkbaar en binnen deze reeks van lezingen lijkt het ons dan ook volkomen verantwoord, hieraan een onderwerp te wijden. Een sfeer is afhankelijk van het bewustzijn, dat een geest bezit. Zijn bewustzijn plus zijn erkenning van Goddelijke waarden bepaalt – althans vanuit ons standpunt – in welke sfeer hij vertoeft. Wij mogen dus stellen, dat in het begin, toen de geest nog zocht naar bewustzijn, er geen sferen waren. De toestand, die wij beleven in de sferen, bestond wel, maar zij was door de geest nog niet erkend. Op de duur echter verwierf zich de geest steeds groter bewustzijn, vooral ook omtrent haar eigen persoonlijkheid. Een erkennen van de eigen persoonlijkheid gaat nu eenmaal gepaard met een erkennen van een wereld buiten jezelf, want leven is een voortdurende wisselwerking tussen ik en omgeving.

Begrijpelijkerwijze zal de geest vrij komen uit de stof met een beperkt bewustzijn omtrent zichzelf, nog slechts een zeer beperkte ervaring gehad hebben van het geestelijk bestaan. Zij rustte, of sliep. Wij kunnen ons ook voorstellen, dat dit heden ten dage nog voorkomt voor de lage ontwikkelde geest, zodat de toestand, waarover ik spreek, voor vele dieren op het ogenblik nog bestaat. Zij kan kort worden omschreven met een: men behoudt zijn eigen vorm op astraal gebied nog enige tijd bij, verliest men eventueel deze vorm op de duur door gebrek aan impulsen en wisselwerking met de buitenwereld, dan treedt een sluimering op, waar daarboven gelegen gebieden door de geest nog niet bewust kunnen ervaren.

Resultaat: Als nu deze toestand voor lagere sferen bestaat lagere geesten, moet ik zeggen, dan heeft zij dus vroeger ook bestaan, maar zoals er nu boven deze lage geesten van het dier, mensen bestaan, die geestelijk andere sferen betreden en ervaren en boven deze mensen nog weer verder ontwikkelde geestelijke wezens, mogen wij ook aannemen, dat gezien een ongelijkmatige ontwikkeling van het persoonlijkheidsbewustzijn bij de geest, die net eerst georigineerd werd, ook verschillende sferen zeer snel zijn ontstaan.

In deze sferen kunnen wij natuurlijk het onderscheid maken naar wereld, wij kunnen zeggen: Deze wereld wordt door vorm beheerst, gene door licht en kleur en geluid, een volgende alleen door licht en kleur, een daaropvolgende alleen door licht, een daarboven staande is voor ons niet kenbaar, want die is voor ons niet geuit, maar wij weten, dat ook daarin leven en bewustzijn aanwezig is.

Dit is niet voldoende. Wanneer wij aannemen, dat het bewustzijn van een wezen in het begin betrekkelijk snel tot deze laatste sfeer door mij genoemd, dat het niet kenbare vanuit ons standpunt kan plaats vinden, dan volgt hieruit, dat vanuit het niet kenbare bewuste geesten, praktisch vanaf het begin der schepping, werkzaam zijn op alle gebied. Daar vloeit verder uit voort, dat, indien deze hoogste sfeer al bestaat, alle daaronder liggende sferen in principe reeds aanwezig waren en doorlopen moeten zijn door degenen, die deze hoge toestand bereikten.

Nu wordt het moeilijk om een mens een beeld van werelden en sferen op te hangen, dat voor hen aanvaardbaar is. Dat is begrijpelijk. Wanneer ik dat dan ook zal trachten te doen, doe ik dit opgrond van de volgende overweging: Ik geef u een beeld, waarvan ik van tevoren toegeef, dat het onnauwkeurig, onvolledig en daardoor ten dele onjuist is. Maar gezien deze zelfs onjuiste beelden, kan ik door de onderlinge relatie, die wel waar is en door u begrepen kan worden, u duidelijk kan maken, hoe de geestelijke sferen in het scheppingsproces een zeer bepaalde rol vervullen.

De hoogste sferen, de voor ons niet kenbare, bevat het ongeuite evenzeer in zich als het zich van uiting volledig bewuste zich vanuit die volledig bewuste kent het totaal der mogelijkheden en behoeft dus geen kenbare uiting meer voor zichzelf te scheppen. De behoefte echter om actief deel uit te blijven maken van de schepping, dus te leven, brengt een voortdurend werken in de lager gelegen werelden tot stand. Hierbij uit zij geen persoonlijkheid, maar het streven en wezen der persoonlijkheid wordt als kracht merkbaar op aarde en in alle sferen. Daaronder liggen sferen, die nog een omvang hebben, een ruimte, in het licht: bv., zoudt u ongetwijfeld zeggen: er is slechts wit licht. Wij kunnen echter voor ons reeds zeggen ofschoon wij nog niet tot die sfeer behoren: er is daar een voortdurende wisselwerking, waarbij kleine sterkteverschillen, vergroting van intensiteit, licht concentraties e.d., een volledig kenbare wereld opbouwen voor een ieder, die daarin vertoeft.

Daaronder ligt een wereld, waarin licht en kleur heersen. Dit zou u waarschijnlijk aandoen als een wondermooi, maar onbegrijpelijk futuristisch schilderij, waarbij alle kleuren in elkaar overvloeien, soms een ogenblik als scherp gescheiden vlakken tegenover elkaar staan. Hier wordt het u reeds duidelijker, dat door een verandering van kleur bewustzijnsverandering kan worden aangeduid. Tevens dat een dergelijke verandering door een bewust licht aanvaardt, ook daarin weer veranderingen teweeg kan brengen.

Het schouwspel omschrijven is moeilijk. Ik zou willen zeggen: een wonderbaarlijk en eeuwig vuurwerk met de intensiteit van zonnelicht in een reeks van kleurschakeringen en combinaties die zelf s op aarde onvoorstelbaar zijn.

In deze wereld is er zeker nog een persoonlijke uiting en een gedachtewisseling. Maar deze gedachtewisseling behoeft niet in te houden, dat nu ook alle impulsen in de eigen wereld volledig zijn. Zo zal men zoeken naar aanvullende elementen om eigen bewustwording en dus leven in stand te houden. Daarvoor grijpt men enerzijds omhoog, dus naar het witte licht, anderzijds naar beneden. Uit de twee aangrenzende werelden bouwt men en vanaf deze sferen – waarin sommigen onzer ook in vertoeven – bouwt men zich dus een wereld op aan de hand van impulsen, die uit een hoger en een lager gelegen wereld daar samenstromen.

Daaronder ligt een wereld, waarin wij ook geluid kennen. Wij zou den kunnen zeggen: trillingen van lagere frequenties komen daar voor en hierdoor ontstaat iets, wat geen licht meer is, maar een volledige uiting van gedachten inhoudt. De term: geluid, is hier vergelijkend gebruikt.

In deze wereld bestaat nog een directe relatie met alle lagere en gevormde werelden. Van hieruit kan dus eenvoudig worden gewerkt, bv. ook op uw eigen wereld. Vele van onze sprekers behoren tot deze sfeer.

Daaronder ligt het z.g, Zomerland, of indien u de term prefereert, de gevormde wereld der geest. Zij bevat een groot aantal verschillende omstandigheden, situaties, landschappen enz. en kan in verschillende intensiteiten van vormgeving worden uitgedrukt. Simpel gezegd: in de hoogste sfeer hiervan bestaat een bewustzijn omtrent de hoge lichte sferen en voor het streven maar niet voor de waarneming is deze bepalend. Een uitdrukking van sekse, een bestaan van begeerte, een volbrengen van lichamelijke arbeid want ook daar heeft men een vorm, die men als lichaam ervaart moeten wij zeggen, is er eigenlijks niet. Er is een bestaan in een vormenwereld, die men waarneemt, een werken op lager gelegen gebieden, hoofdzakelijk door de kracht van eigen gedachten en niet door een persoonlijk optreden, met een enkele keer misschien: een projectie van eigen beeld in veel lager gelegen werelden.

Vanuit deze sfeer reiken contacten onmiddellijk tot sferen, die onder de wereld liggen, dus demonisch zijn en reeds duister. Daaronder liggen, in verschillende trappen, werelden, die uiteindelijk komen in het laag gelegen deel van Zomerland, tot een geïdealiseerde reproductie van de wereld, waarbij dus werkelijk alle aspecten van het menselijk zijn, een geïdealiseerde weerspiegeling vinden. Daar zijn dus alle menselijke functies als arbeid, spel, onderscheid der seksen, gebruik van levens en genotsmiddelen, nog aanvaard. Zij behoren daar nog tot de voorstellingswereld en zullen eerst langzaam door deze geesten worden verlaten, waar zij geen werkelijke bevrediging meer betekenen.

Daaronder ligt een soort middenterrein, dat men schemerland noemt. Dit schemerland, of Land van Nevel, is een terrein, waarin geen kenbare uitingen aanwezig zijn, maar personen elkaar kunnen ontmoeten en erkennen, terwijl zij vormen aannemen, die aan de mens gelijk zijn. Hiermede verwant, maar niet geheel één, is het astrale gebied, waarop alle vorm van levenskracht zich kunnen uiten, zowel de demonische, als de meer hemelse, terwijl bovendien natuurgeesten enz. hier ook met hun eigen gestalte zichtbaar en kenbaar worden.

Deze korte opsomming geeft u dan een verhouding weer een onderlinge waardering. Om nu de stoffelijke wereld vanuit deze geestelijke sferen te belichten, dienen wij natuurlijk van beneden of te beginnen.

Wat is het kenteken van de astrale wereld? Dat de astrale wereld slechts vormen reproduceert, die reeds bestaan. Hierin kan door de gedachten van de hoger bewusten uiteindelijk misschien een vorm worden geschapen, maar dit is lang niet zeker. Zeker is wel, dat geen enkele vorm daarin voorkomt, die speciaal tot dit gebied behoort. Zij hebben allen hun oorsprong elders.

Voor een vorming op stoffelijk gebied is het astrale dus eigenlijk niet belangrijk. Het betekent slechts een soort herinneringsvermogen, waarin de patronen, die in de stof reeds ontwikkeld waren, bewaard blijven, a.h.w. ter referentie.

In de daarboven gelegen wereld echter krijgen wij een idealisering. Ik spring nu maar meteen naar het Zomerland toe. Een idealisering betekent een verbetering. Een aanpassing van behoeften, aan verlangens en voorstellingen. Wanneer dus hier een bewuste vorming optreedt door een geest, die zich in deze wereld een tweede leven schept, dan verbetert zij hier, hetgeen zij kende. Zomerland is dus wel degelijk ook mede zelfscheppend. Dit mede zelfscheppende drukt zich uit in het stoffelijke, wanneer een geest uit Zomerland naar de stof zou gaan. Want deze geest zal verlangen naar een voertuig, dat zoveel mogelijk zal beantwoorden aan hetgeen in het z.g. Zomerland reeds werd ervaren. Vandaar een voortdurende impuls, tot verbetering, mutatie en dergelijke in de stof als resultaat van het bewustzijn in het Zomerland. Daarboven echter worden impulsen minder stoffelijk en steeds meer geestelijk. D.w.z.: dat gedachten belangrijker worden gedachten – en krachten moet ik eigenlijk zeggen – dan vormen Hier ontstaat dus een wereld, die, waar zij werkt in de lager gelegen wereld, de idealen van Zomerland helpt bepalen, maar tevens door haar kracht en werking ook de aarde beroert. Hierdoor worden ontwikkelingen veroorzaakt, die niet meer logisch zijn. Dus niet meer een logisch gevolg van omstandigheden, maar aangepast zijn aan geestelijke behoeften.

Het ervaren van groepen in deze sfeer zou kunnen worden genoemd als, oorzaak voor het ontstaan der groepsgeesten. Want een dergelijke groep, zoekt ook met bovengelegen sferen contact, vindt daarin iemand, die eigen geestelijk bewustzijn verder ontwikkelt, terwijl de groep als zodanig gelijktijdig naar aarde uitstraalt, haar voorstelling van het perfecte voertuig volgens haar bewustzijn. De hoger gelegen sferen zijn vooral kenbaar door hun invloed, die zij op Zomerland sfeer, e.d. uitoefenen.Zij bereiken minder snel de aarde, doch indien zij dit doen, volgt hieruit onmiddellijk een zeer grote en zeer scherpe werking bij zeer grote groepen van geesten. Niet stof. Hier wordt geen stof meer beïnvloed: Geest! Ook geest in de stof en hierdoor kan leiding worden gegeven aan de totale ontwikkeling van gehele rassen, zelfs van bepaalde werelden. Met deze werelden bedoel ik dan dus: culturen enz..

De daarboven gelegen sfeer bemoeit zich niet meer met de verschijnselen. Zij ziet slechts de totale ontwikkelingstendensen dus ongeacht de stoffelijke resultaten daarvan mede scheppend in de zin van vormend voor alle geest. Het resultaat hiervan is, dat geesten vanuit deze werelden reeds kunnen behoren tot de onmiddellijke medewerkers van bv. planeetgeesten. De daarboven staande sfeer brengt ons de werkelijke lichtgeesten. Zij kunnen onder omstandigheden tot werelden afdalen, maar doen dit dan als onmiddellijke vertegenwoordigers van een Eeuwig Principe.

Wanneer zij afdalen op aarde, doen zij dit meestal door incarnatie, in enkele gevallen door het scheppen van een lichaam, waarbij zij eerst een tijd in de lager gelegen sferen vertoeven om de daar geldende voorstellingen in zich op te nemen en dus zich weer te kunnen bewegen op de wereld.

Zij zijn o.a. grote godsdienstleraren en profeten, stichters van rassen enz.. De kennis, die zij brengen, betekent ten allen tijde in de eerste plaats het schenken van een middel tot geestelijke verbetering, ook wanneer de basis daarvan misschien stoffelijk is.

Een Prometheus figuur bv. kunnen wij hieronder rekenen. Maar ook figuren als verschillende Boddhisvata’s en Boeddha’s, Mohammed, Jezus, verschillende Indische profeten e.d..

De daarboven liggende wereld, in het voor ons niet kenbare meer bestaande, zijn de onmiddellijke leiders van gehele complexen van stofuiting. Hieronder treffen wij de eigenlijke planeetgeesten aan en wij vermoeden, maar wij weten niet zeker, dat ook sterrengeesten uit deze sfeer, of uit de onmiddellijk daarboven gelegen sfeer origineren.

Zeker is, dat naarmate de verschillen duidelijker in onze voorstellingen rijzen, wij een voorstelling kunnen krijgen van de oneindige keten van sferen, die moet bestaan, om uitdrukking te geven aan alle aspecten van het geestelijke en dus via het geestelijke ook van het stoffelijke.

  •  U zei: in de wereld van geluid was dat te vergelijken als geluid. Is er dan geen geluid?

Neen, niet wat u geluid noemt. U moet geluid natuurkundig vergelijken. Geluid is een betrekkelijk lage trilling met een betrekkelijk lage voortplantingssnelheid t.o.v, de hogere trillingen van het licht. Wanneer ik nu spreek over licht, dan geef ik iets aan, dat eigenlijk ook al weer ver staat boven de door u gekende lichtfrequenties. Maar wat wij het beste met licht vergelijken. Nu is die uitdrukking “licht” gemakkelijk, omdat niemand, die deze trillingen ervaart, erom heen kan, ze te vertalen als licht. Bij het geluid echter is de interpretatie lang niet zeker. En daarom maakte ik de opmerking, dat wij dit wel degelijk vergelijkend moeten zien. Wanneer u dus hoort van een symfonie, die in deze sfeer wordt geboren en die op aarde wordt gereproduceerd, moet u zich niet slechts voorstellen, dat een flard daarvan hier op aarde wordt opgevangen en in aardse noten wordt omgezet, maar: dat de geest ook de indrukken van die sfeer transponeert in gelijke impressies op aarde.

  • Welke is de drukst bevolkte sfeer en uit welke sfeer reïncarneren de meeste mensen.op aarde?

De druk bevolkte durf ik werkelijk niet te zeggen. U moet het mij niet kwalijk nemen, maar het is zo moeilijk om bij ons een volkstelling te houden. Daar durf ik u werkelijk geen antwoord op te geven. Wel kan ik u mededelen, dat de meeste mensen incarneren uit Zomerland en wel de midden en bovensfeer van Zomerland, niet uit de laagste sfeer, dat is meestal een rustperiode. Soms wordt ook nog geïncarneerd uit de sfeer, die wij hebben genoemd met klank, kleur en licht, in sommige gevallen met kleur en licht. Zover mij bekend alleen onder zeer bijzondere condities uit licht en uit het onkenbare. Dus incarnaties zijn uit al deze sferen mogelijk. De meesten komen echter uit het Zomerland en wel uit de verder ontwikkelden uit dit Zomerland.

  • Hoe hoger je komt, hoe minder men behoeft te incarneren? En men incarneert dan niet voor zichzelf, maar om de wereld te helpen?

Sta mij toe op te merken, dat dit geen juiste voorstelling is. Het heeft niets met u te maken. Maar wanneer iemand van 60 jaar met een pop gaat spelen, dan noemt men dat kinds, nietwaar? Dat is niet passend bij wat men op die leeftijd zou kunnen doen, bv. een filosofische verhandeling schrijven.

Op aarde leven als mens is eigenlijk niet veel anders dan vanuit de geest gezien met poppen spelen. Men neemt dan belangrijker werk. En dat werk kent dan niet meer de vorm, die u kent. Maar het werk is voor het wezen zelf even belangrijk en blijft gelijk. Dus het is niet, dat je niet nodig hebt te incarneren, maar dat de mogelijkheid om als mens te incarneren niet meer voldoet aan de behoefte, die je geestelijk gevoelt tot uiting. Ik geloof, dat stof en geest voortdurend in evenwicht zijn en dat dus de stof en de geest ten allen tijde tegenover elkaar moeten bestaan. Maar de wijze, waarop men als geest de stof ervaart, kan natuurlijk geheel veranderen. Maar ik meen niet, dat er een mogelijk is van alleen geest. Materie en geest zijn twee krachten, die elkaar in evenwicht houden en daardoor kunnen bestaan. Ik hoop, dat dit niet te ver gaat voor u. Maar als ik dat moet uiteen gaan zetten, dan heb ik nog wel een uur nodig. Als u het wenst, wil ik het natuurlijk voor doen.

  • U zegt: in de sferen kun je een vorm aannemen. Maar als ik uittreed, dan heb ik geen vorm, weet ik niet eens, hoe ik eruit zie. Wat voor een vrouw ongetwijfeld iets bijzonders is.

Ik kan u dat heel eenvoudig beduiden. Zolang u in die wereld vertoeft, uw aandacht volledig richt op de dingen rond u en dus niet op uzelf, zult u geen hebben, of behoeven te hebben, Maar op het ogenblik, dat u zich een beeld vormt van uzelf in relatie met deze dingen, moet u een persoonlijkheidsvoorstelling hebben. Deze persoonlijkheidsvoorstelling, zoals zij in u leeft, bepaalt dan de vorm, waarin u zich uit en waarin u dan ook kenbaar bent binnen deze wereld.  Zolang u niet aan uzelf denkt, behoeft u geen vorm te hebben. Maar op het ogenblik, dat u aan uzelf denkt, begrenst u hierdoor uw wezen met deze gedachte. Het is niet noodzakelijk, dat men zich kenbaar maakt, want men moet altijd rekenen, dat het lagere voor het hogere altijd kenbaar blijft, ongeacht vorm, gestalte, of wezen.

  • Ik wou vragen, of het mogelijk is, dat je van een hogere sfeer in een lagere sfeer gedwongen terug moet gaan?

Dat lijkt mij heel moeilijk, want zoals ik u reeds zeide: het ervaren van een sfeer berust op bewustzijn. Om het dus nog eens precies uit te drukken, wat wij sfeer noemen, is uiteindelijk niets anders dan een krachtens een bepaald bewustzijn verworven aanvaarding van de werkelijke wereld op een bepaalde wijze. Dit geschiedt meestal door groepen.

Het bewustzijn wordt gewekt in de kracht der ziel en is dus in feite onblusbaar. Tracht ik op de weg der zelfvernietiging dit bewustzijn langzaam maar zeker te verdrijven, dan moet ik de kracht, die in mij leeft, dus buiten mij trachten te projecteren, terwijl ik gelijktijdig in mijzelf niets hiervoor in de plaats stel, of aanvaard.

  • Ik kan niet begrijpen, waarom je het dan zoudt doen?

Wanneer ik u dit moet uitleggen, kan ik het alleen zo doen: Dit geschiedt, wanneer men zozeer begrijpt, slechts een deel te zijn van God en zozeer verlangt slechts zichzelf te zijn, dat men niets van het Goddelijke meer wil aanvaarden. Dit is de kortste formulering, die ik hiervan geven kan. Ik kan mij voorstellen, dat dit voor u moeilijk voorstelbaar is. Het komt dan ook niet voor uit een redelijk proces, maar uit een innerlijke emotionele toestand.

  • Is dit dan egoïsme?

Dat is weer iets anders. Egoïsme is in beide richtingen mogelijk. Positief en negatief. Het is een verwerpen van hetgeen men bereikt heeft, omdat men beseft, dat men het niet uit zichzelf bereikt heeft, doch slechts dank zij het Goddelijke, want daar kont het op neer.

  • Ook werd ter sprake gebracht: vrije wil. Wil is m.i. een kosmische kracht en als zodanig vrij noch onvrij, evenmin als ruimte, of tijd, vrij of onvrij is. Indien de wil echter door een mens gehanteerd wordt, wordt de wilsuiting geconditioneerd door de persoonlijkheid. Om deze vrij of onvrij te noemen, zal eerst vastgesteld moeten worden, wat vrij is. Is de mens ooit vrij, of eerst wanneer hij in God is opgegaan? Dan is hij de wetmatigheid zelf geworden. Zolang dit niet het geval is blijft de persoonlijkheid geconditioneerd en dus ook haar wilsuitingen. Er kan dan geen sprake zijn van vrijheid. Mag ik hierover uw zienswijze vernemen?

Dat deze stelling theoretisch zeer mooi is. Filosofisch helaas teveel is gebruikt o.i. eigen verantwoordelijkheid af te wijzen. Volgens ons kunnen wij het begrip vrij als volgt definiëren: Niet in de onmogelijkheid verkerende, het door eigen bewustzijn begerenswaardig gestelde tot werkelijkheid te doen worden. Dus dat noem ik vrij. Onvrij noem ik: niet in de mogelijkheid verkeren en door het bewustzijn als begerenswaard gestelde te verwerkelijken.

U zult ongetwijfeld op deze formulering het een en ander tegen kunnen hebben, waar u zegt: de wil is een kosmische kracht. Maar ik stel hier tegenover: Zo de wil al een kosmische kracht is, wordt de wil als vermogen binnen de persoonlijkheid verwerkt en geconditioneerd zoals u terecht aangeeft door de persoonlijkheid. Waar wij aannemen, dat ieder van ons een persoonlijkheid is, ofschoon wij, indien wij ons aan de feiten houden, slechts een deel van het Goddelijke zijn, lijkt het mij onnatuurlijk voor de wil de kosmische lering te aanvaarden en voor onszelf toch een persoonlijkheid als vanzelfsprekend te zien.

Vandaar, dat ik meen, ons houdende aan de beperkingen, die nu eenmaal ons eigen zijn en wezen bepalen, de wil ook te mogen zien als binnen het wezen tijdelijk onafhankelijk van het grote bestaande kracht. En indien ik dit aannemen, dan volgt hieruit inderdaad, dat de wil, die de mens gebruikt en die ik dus wil erkennen als zijnde deel van de Goddelijke kracht, maar tijdelijk als deel daarvan beperkt binnen de mens, dat deze zeer geconditioneerd wordt door kwaliteiten en eigenschappen van mens, of geest.

Dit neemt echter niet weg, dat deze kracht mens en geest in staat stelt binnen de Goddelijke wetmatigheden bepaalde verlangens te verwerkelijken, of zich bepaalde mogelijkheden te ontzeggen. Zolang deze vrijheid blijft bestaan, dus dit vermogen om zelf te kiezen, spreek ik van een vrije wil.

  • Waarbij God hen dus in de waan laat, dat zij een vrije wil bezitten, op dat zij voor hun daden verantwoordelijkheid zouden aanvaarden?

Neen, dat laatste ben ik niet met u eens. Gedeeltelijk om praktische redenen, dat wil ik er onmiddellijk bijvoegen. Gedeeltelijk echter zijn mijn redenen ook zuiver theoretisch filosofisch. Ik stel n.l. van mijn kant uit, dat, indien de waan bestaat wilsvrijheid de emotionele toestand binnen de mens gelijk zal zijn de emotionele toestand, die bij volledige wilsvrijheid binnen de kan ontstaan. Mag dus vanuit het Goddelijke gezien de beperking al aanwezig zijn, vanuit de mens bestaat zij niet. Want wij hebben voorop gesteld, dat de mens in ieder geval meent vrij te zijn. Eerst in dit menen volledig vrij te zijn, kan hij komen tot een volledige vervulling van de taak, die hem werd gesteld.

Indien er geen noodzaak was de mogelijke bezwaren wilsvrijheid in elk wezen in te leggen, zou dit, aannemende de volmaakte Schepper, zeker niet gebeurd zijn. Wilsvrijheid behoort dus in het volmaakte schema. Als zodanig meen ik, dat wij, zijnde mede acteurs, en beperkt als gij de wilsvrijheid moeten aanvaarden. Wij kunnen hierbij aannemen, dat deze mogelijkerwijze vanuit het Goddelijk standpunt niet bestaat. Voor onszelf weten wij echter, dat zij, zo al theoretisch wel verworpen, praktisch bestaat. Zo zullen wij de verantwoording moeten aanvaarden, willen wij beantwoorden aan het doel van ons eigen bestaan en van de gehele Schepping. Wij komen hier een klein beetje zou ik haast zeggen in de dialectiek terecht. Veel scheelt het tenminste niet.

  • Hoe staat u dan bv, tegenover de oorlogsvoorspellingen van Dr. ten Haeff? Er zijn in de oorlog veel dingen gebeurd, die niet menselijk waren en toch gebeuren moesten. Is dit nu Gods wil, of de vrije wil van de mensen? Wat is hierover Uw mening?

Mag ik stellen, dat dergelijke dingen m.i. niet tegen het menselijke in kunnen gaan, waar zij in het menselijke gebeuren en uit het menselijke voortkomen. Zo kunnen zij niet indruisen tegen het menselijke, maar hoogstens tegen uw voorstelling daarvan.

  • Dus daaraan zit je altijd vast?

Is altijd opgelegd pandoer. Wanneer deze dingen moeten gebeuren, gebeuren zij. Wanneer de mensheid deze waarden in zich draagt, dan zullen zij geuit moeten worden. Hoe en wanneer kunnen wij niet nagaan. Hoogstens kunnen wij zo nu en dan reeds er een flits van opvangen. Zeker is echter altijd, dat het gebeuren zal. Dus inherent is aan het wezen der mensheid.

  • Misschien zouden wij hier een parallel kunnen trekken met hetgeen hier gezegd is. Over het simultane van de schepping, dat zich aan de mens vertoont als opeenvolgend.

Ja, daarin ligt het hele probleem opgesloten. Gaan wij uit van het simultane van de Schepping, dan kunnen wij de vrije wil niet zonder meer aanvaarden. Alles is dan immers vastgelegd. Maar stellen wij dan als vrijheid de mogelijkheid om enkelen der vele parallel lopende bestaande situaties voor onszelf als waar te beleven, zonder genoopt te worden ze alen te beleven, dan hebben wij ook hier toch weer een keuzemogelijkheid, een recht van keuze en volgt hieruit wederom binnen de beperking der Schepping de vrije wil.

  • In de astronomie strijden de geleerden over schepping ineens, of schepping, zoals wij die zien groeien. Hoe denkt u daarover?

Wij weten, dat gezien de lichtsnelheid de kenbare tekenen van gebeurtenissen, die gelijktijdig plaats vonden, ons op geheel verschillende tijden kunnen bereiken. Ook weten wij, dat onze eigen tijdsrekening – op aarde althans – het ons niet mogelijk maakt deze door afstand ontstane verschillen geheel te elimineren. Zelfs indien het zou gelukken, ondanks alle beperkingen, een gelijktijdigheid vast te stellen, blijft nog de onvolmaaktheid van de mens. Deze maakt het slechts relatief, maar niet reëel mogelijk, absoluut werkelijkheid, of schijn, vast te stellen. Dat, wat de mens schijn noemt, bevat dan ook over het algemeen evenveel van de werkelijkheid, als datgene, wat hij werkelijkheid gelieft te noemen.

  • Als je een hoog bewustzijn hebt, kun je dan de lagere sferen overslaan?

Theoretisch gesproken zou je met een groot bewustzijn als met een polsstok over de minder bewuste sferen heen kunnen springen. In de praktijk passeert toch een ieder deze sferen. Het tempo, waarin dit geschiedt, kan echter wel zeer verschillend zijn. Een trein gaat door een korte tunnel heen. Gaat zij langzaam, dan vertoeft u een ogenblik bewust in een haast absolute duisternis. Beweegt hij zich snel, dan ervaart men dit slechts als een schaduw. Zo kan men dus lagere sferen passeren met een terloops haast onbewust aanvaarden van hun bestaan, doch kan men er ook intens in beleven en vertoeven.

  • Wanneer iemand niets weet van alle dingen, die wij deze avond hebben besproken, zal hij dan na zijn dood in een soort slaaptoestand blijven?

Over het algemeen niet. Voor de voorstellingen, die dan niet worden gekend en aanvaard, moeten toch andere voorstellingen bestaan. Wel kunnen deze voorstellingen in strijd zijn met de waarheid. Dan is er een conflict maar een conflict is nog geen slaap. Slechts de mens, die volledig onverschillig is, of niet meer in staat is, bv. door uitputting, onmiddellijk tot de realisatie te komen van eigen waarden binnen de nieuw ontstane toestand, zal dus rusten, of slapen. In de praktijk zijn dit ten hoogste 2 a 3 gevallen op 100.

Ik heb dit getal slechts over het algemeen genomen, waar het ik, na het verblijf op aarde, meestal snel en sterk verandert. Het bewustzijn en de kennis, die men bezit, spelen daarin ook een grote rol. Naarmate het eigen bewustzijn minder in staat is tegenover de nieuwe werkelijkheid een voorstelling te plaatsen, die ermee contrasteert, en een erkennen van de nieuwe wereld zo mogelijk en noodzakelijk maakt, is de mogelijkheid groter, dat men inslaapt en dus rust voor langere tijd.

  • Is het noodzakelijk, dat er lijden is op deze wereld? Zo ja, waarom? Zo neen, waarom is het er dan? En waarom moest Jezus, die toch een volmaakt harmonisch mens was, ook lijden?

Sta mij toe eerst de vraag hierin te beantwoorden. Als Jezus een volmaakt harmonisch mens geweest was, zou hij niet hebben kunnen lijden. Waarom het lijden op de wereld noodzakelijk is?  Lijden is een teken van ziekte, van gebrek. Het lijden is het resultaat van een disharmonie. Of men wil, of niet, men moet lijden, zo lang men zelf niet harmonisch met het Goddelijke, met de grote levende Kracht, zich heeft weten te onttrekken aan alle verstoringen van eigen persoonlijkheid.

Er kan dus geen wereld zonder lijden bestaan, dan de allerhoogste wereld, waarin de volmaaktheid van het wezen zich uit door zijn eenheid met zijn God.

Stel u voor, dat er geen lijden zou zijn. Hoe zoudt gij dan weten, wat goed, voor u aanvaardbaar dus, en kwaad is? Hoe zou er dan op deze wereld een begrip van moraal kunnen bestaan? Hoe zou men kunnen streven naar iets, als er geen lijden zou zijn, alleen geluk. Dan zou men niet tevreden zijn op deze wereld te toeven zonder streven, of leven verder, slechts zijnde in een toestand van gelukzalige onwetendheid.

Alle kennis, alle bewustzijn, alle streven naar geestelijke volmaking en stoffelijke verbetering, wordt geboren,  uit de angst voor het lijden, Begrijp dat.

Het lijden is de sporen, die men aan een paard geeft. Iets, wat je dwingt snel te gaan, om voort te streven naar je doel. Ach, zegt het menselijk lichaam u niet zelf, wanneer gij pijn hebt en gij dus lichamelijk lijdt, is dat lijden dan zelf, geen teken, dat er iets in dat lichaam niet in orde is? Als gij die pijnen te veel verwaarloost, komt er dan niet een ogenblik, dat het lichaam helemaal faalt, dat het niets meer kan volbrengen.

Zoals de pijn in het lichaam de bode is, die mededeelt: er is iets niet in orde, zo is het lijden voor alle geest en voor alle stof de bode, die zegt: Gij zijt nog niet één met uw God.

Men denkt over het algemeen te stoffelijk over deze dingen en vergeet, dat God Zijn uiting heeft geschapen op een wijze, die ons dwingt tot Hem in te gaan. Wij kunnen Hem niet ontkomen, wij moeten tot Hem gaan. Onze weigering om dat te doen is ons lijden. Is niet het meeste lijden uit de geest geboren? Vraag het uw geleerden van deze dagen. Vraag hen: hoe vaak komt een ziektebeeld uiteindelijk voort uit de geest, uit de psyche: Vraag hen hoeveel lijden komt er uiteindelijk op deze wereld voor uit een verkeerd leven, uit een verkeerd streven. Vraag hen, of er lijden bestaat zonder angst? Wanneer zij eerlijk zijn, zullen zij u zeggen: De mens lijdt misschien een keer lichamelijk, maar het meeste doordat hij geestelijk faalt. Daaruit wordt zijn stoffelijk lijden geboren. Wanneer er in de wereld iets gebeurt, dat niet goed is, is dan dat het bewijs, dat die wereld niet goed is? Of niets goed is?

Men zegt: er zijn misdadigers, a-socialen en die voegen lijden toe aan de mensheid. Men zegt: er worden dieren mishandeld en mensen geslagen. Maar ik vraag u,  waaruit komt dat voort? Uit de geestelijke onevenwichtigheid van de mens. Als er oorlog komt en er lijdt een mens door die oorlog, dan komt dat, omdat hij niet vrij is. Omdat hijzelf niet a.h.w. stoïcijns kan ondergaan. Het lijden is niet het gebeuren zelf, het is de gedachtewereld, die uit het gebeuren voortkomt. Voortkomt in u, door uw eigen wezen, door uw eigen aanvaarding der dingen.

Moet ik u meer argumenten aanvoeren, dat de mensheid lijdt, omdat het lijden een noodzaak is voor de mensheid? Zonder lijden zou er geen mensheid zijn. Dan zouden er alleen dieren zijn. Zoudt gij terug willen vallen tot het dierlijke? Zoudt gij uw geestelijk bewustzijn, uw glimp van Goddelijk licht misschien, prijs vallen geven om niet te lijden?

Ik geloof, dat gij met mij eens zoudt zijn, dat het beter is alles te lijden dan onder te gaan? Niet lijden is ondergang. Lijden is de prikkel, die ons voortdurend verder dwingt tot wij ontwaken in nieuwer, groter geestelijk bewustzijn, tot wij de vrede vinden, die niet in de wereld ligt, maar in ons. Gij spreekt over Jezus. Gij zegt: Moest dan ook hij lijden? Als mens kon Jezus niet volmaakt zijn. Als mens kon Jezus niet zonder lijden. En ziet, door het lijden, dat hij vrijwillig aanvaardde, wordt het lijden voor hem uitgewist.

Jezus wordt niet verheerlijkt, omdat hij Jezus is, Hij wordt verheerlijkt door zijn lijden.

Ligt daarin niet het beste bewijs, van wat ik u hier zeg, dat lijden noodzaak is? Zolang Jezus mens is, voelt hij zich wel één met de Vader, maar hij is toch mens. Maar wanneer hij dan terwille van de Vader zijn mens zijn verloochent: Vader, niet mijn, maar uw wil geschiede, dan, op dat ogenblik, begint de verloochening van de mens. De verandering, die door het lijden heen culmineert in de herrijzenis.

Of lijden een noodzaak is? Alle groten lijden. Ik sprak u over Jezus. Maar heeft niet de jonge Boeddha geleden, heeft hij niet als trapa, gaande van de ene kluizenaar tot de ander zijn lichaam gekweld en gepijnigd. Is hij niet verzonken geweest in diepe, lichamelijke wanhoop? Is het niet juist, na jaren van dit lijden, dat hij zijn bewustwording een verlichting vindt?

Waar gij ook ziet naar een verlichte mens, dan ziet gij steeds hetzelfde: het lijden, dat de verandering brengt. Het lijden, dat de bewustwording brengt. Kunt gij dan nog vragen, of het lijden op de wereld noodzakelijk is?

Het lijden is de kracht, die geboren wordt uit de disharmonie en het onvermogen van begrip in onszelf t.o.v. het Goddelijke. Maar wie God in zich draagt en als enige Kracht aanvaardt, die is alle lijden bespaard, omdat de wet, die het lijden veroorzaakt, de drang tot éénwording hem in zijn eenheid met God niet meer kan beroeren.

Ik hoop, dat ik mijn zienswijze duidelijk heb gemaakt. Ik wil er onmiddellijk achter zeggen: ik weet heus wel, dat lijden zwaar is, heel erg zwaar. Maar ik geloof, dat het bewustzijn. Wat is lijden? toch een hulpmiddel kan zijn om het lijden te dragen tot wij in staat zijn het te overwinnen, door met God een te zijn en onze strijd tegen Zijn Wil en Zijn Wezen te staken.

Ik heb misschien wat zwaarwichtig gesproken, maar het is toch altijd voor ons hetzelfde: Wanneer wij de liefde Gods aanvaarden, houdt het lijden op. Zolang wij aan Gods liefde twijfelen, lijden wij. Dan bouwen wij onszelf een waanvoorstelling van God. Van een God, Die wreed is, of wraakzuchtig. Maar dat doen wij alleen, omdat wij eigen wreedheid, of wraakzucht, nog niet prijs kunnen geven.

Daarom hoop ik, dat gij in ieder geval onze schepper wilt zien als een werkelijke kracht van liefde. Een kracht vol goedheid, een kracht, die volmaakt is, ook wanneer hij zich rond ons en in ons uit. Dan zullen wij misschien dat lelijke lijden kunnen verdrijven en in een nieuwe werkelijkheid God vinden en in God onze vriend.

  • Wanneer men zich iets ontzegt, lekker eten, of roken bv., lijdt men ook. Geldt dat ook voor de bewustwording?

Ik zou zeggen, dat iemand, die zich te lekker eten of roken ontzegt, zich daarmee dan uiteindelijk lijden op de hals haalt. Zijn lijden vloeit voort uit zijn slechte gewoonten, die hij overwint. Het niet roken en het niet te lekker eten is dus niet een normale toestand. Tot een geestelijke bewustwording kan dit leiden, waar het een gezonder leven en dus een minder gepreoccupeerd zijn met lichamelijke kwalen en zorgen met zich brengt. Op zichzelf is het lijden hoogstens een sterking van de wil. Voor de bewustwording zelf meen ik niet, dat dit zozeer in aanmerking komt. Echter zal men begrijpen, hoe zeer men slaaf kan zijn van bepaalde gewoonten en dit kan dan als bewustzijnswaarde eventueel toe geteld worden bij de vele baten, die men van een dergelijke handelingswaarde kan verworven.

  • Het kruis is het teken van het lijden, teken van de inwijding. Het Ankh kruis, het Crux Ansanta, waarbij de horizontale balk is opgeheven tot de top van de verticale en gekroond wordt door de cirkel van de eeuwigheid, zoudt u dat misschien even willen uitleggen?

Dat is een onderwerp, dat inderdaad past bij mijn eigen aard van betogen
en lezing geven. U staat mij toe op te merken, dat het kruis zelf niet in de eerste plaats een teken van lijden is. Het kruis geeft aan: het beleven op 2 vlakken, n.l. ten eerste: het Goddelijke vlak. De staande balk van het kruis gelijk zijn aan de levensboom en dan de horizontale kortere balk aangevende het bewustzijn, waarmede men dus de kracht des levens ondervindt, terwijl het eigenlijke levensbewustzijn en denken wordt geprojecteerd op het punt, waar de beide balken elkaar kruisen.

Dat men daaraan de betekenis lijden heeft gegeven, is te danken aan het christendom. Voor die tijd werd ook het gewone kruis in verschillende kringen al gebruikt en dus was dit geheel een uitdrukking van bepaalde bewustzijnsmogelijkheden en toestanden met een gelijktijdige realisatie van het elkaar kruisen, maar in richting verschillend zijn van de onmiddellijke levenskracht en het menselijk bewustzijn.

Dan krijgen wij het Crux Ansanta, ofwel het Eeuwigheids- of Levenskruis. Hierbij wordt uitdrukking gegeven aan de volmaakte bewustwording, vandaar dat het ook wel de Sleutel wordt genoemd. Wij zien, dat hier de horizontale balk gestegen is tot de top van de verticale d.w.z. de hoogste mogelijke beleving uit de levenskracht wordt in het bewustzijn opgenomen.

Daarboven staat de Oneindigheid in kringloop, die het gehele kruis bekroond, doch in deze bekroning voor het bewustzijn onbenaderbaar is, waar hij dan zijn eigen spreiding kwijtraakt en binnen het Goddelijke, of het Eeuwige, dus in eeuwige kringloop tot een volledige eenheid en voor de persoonlijkheid tegelijkertijd een volledige beperking moet overgaan.

Zo is Crux Ansanta dus een uitdrukking van de absoluut bewuste mens, die persoonlijkheid zijnde, het Eeuwige beroert, zonder er in eenheid mee te zijn.