De evolutie van de stof en van de ziel

image_pdf

27 september 1954

We zijn niet alwetend noch onfeilbaar. Gelieve zelf na te denken en uw eigen mening te vormen. Het onderwerp voor heden: De evolutie van de stof en van de ziel.

Het is begrijpelijk dat de ontwikkeling van de geest ook gegaan moet zijn langs zeer wonderlijke paden. En wat wij nu weten op het ogenblik in onze wereld en in ons bestaantje van de geest, dat houdt in dat de geest zelf voortdurend zijn eigen voorstellingen schept, en wanneer de geest zijn eigen voorstellingen schept, dan is het heel begrijpelijk, dat hij slechts datgene wat hij kent, uit zich projecteren kan, en slechts daarover met elkaar van gedachte, of van beelden zoals u wilt, gewisseld kan worden, zodat die geest zeer zeker, in het begin, voortdurend gekoppeld moet geweest zijn aan de stof.

En ik geloof zelfs dat we verder moeten gaan. U denkt, het eencellig wezentje…, neen, ik voor mij geloof dat de geest in principe reeds aanwezig moest zijn in de eerste stof, in de oermaterie. Toen was er reeds een geest en hij wist dat hij was, maar meer ook niet. En hij dacht er verder ook niet over na, maar hij wist dat hij was. En uit dit bewustzijn van ‘zijn’ werd langzaam maar zeker een realisatie van: er is iets buiten mij geboren, waarschijnlijk wederom in een meer gecompliceerde stoffelijke vorm en ik vermoed dat men van daaruit is verder gegaan totdat een definitief verschil werd gemerkt tussen de ik-heid en hetgeen erbuiten was.

En dat we dan eigenlijk terecht gaan komen bij die één- en meercellige wezentjes. Dus op het moment, dat er een bewustzijn bestaat, van verschil van de buitenwereld met ikzelf, en zelfs een begrenzing van het ikzelf, geloof ik dat het eerste leven met de geest in contact komt. Maar vanaf dat moment gaat het natuurlijk steeds verder, want de geest krijgt een steeds groter bewustzijn en nu blijft alleen de vraag: is het nu eigenlijk de geest die zich het passend stoffelijk voertuig schept, of is het een stoffelijk voertuig dat de passende geest naar zich toe trekt?

En nu meen ik te mogen opmerken dat alle ontwikkeling een bepaalde tendens betekent, waaraan een grote hoeveelheid, als het ware een massa deelneemt. Eén enkel, tot één persoon beperkte ontwikkeling, die zien we praktisch niet. En zelfs wanneer we zo een ontwikkeling ontdekken, dan is zij gebaseerd op het bewustzijn van de massa. Ook dat kunt u aanvaarden, waarschijnlijk. Op grond daarvan dus moeten wij komen tot de conclusie dat de geest in zijn langzame ontwikkelingsgang voor zichzelf die voertuigen schept die hij nodig heeft om zijn bewustzijn te kunnen verrijken en in zijn leven bewustzijn tot uiting te kunnen brengen. Dus ik geloof dat dat eigenlijk de gehele kwestie is. Dat we niet een aparte scheiding mogen maken, toen kwam de geest in de stof, maar dat we moeten zeggen: geest en stof zijn twee dingen die voor elkaars bestaan noodzakelijk zijn en wel in die mate, dat de geest voortdurend vormgevend is voor de stof. Terwijl zonder de materie voor de geest geen bewustzijn mogelijk is. En dat zou dus wijzen op een eenheid van bestaan, waarbij stof en geest uiteindelijk één zijn.

Maar deze eenheid wordt door onszelf niet direct ervaren, integendeel, wij zien een groot aantal verschillende factoren in ons eigen leven optreden – wanneer we op aarde zijn nog meer dan zelfs in de geest – waarbij we onze persoonlijkheid moeten delen in een groot aantal aparte mootjes. Maar uiteindelijk vormen die samen toch één geheel. Wanneer we dit nu harmonisch zouden kunnen maken, volledig, dan geloof ik dat de volledige bewustwording van de geest volledig in de stof kan worden geuit. Scheppen, dus. Maar dat de geest niet de stof kan scheppen maar wel uit de stof kan scheppen. En dat de stof in zich geen bewustzijn draagt, maar wel bewustwording geven kan aan de geest door de vastheid van vorm, die hij geeft aan de gedachte die in de geest leeft. En wanneer we het zo bezien, dan moet de totaliteit van stoffelijke uitingen het resultaat zijn van geestelijke bewustzijnsprocessen. Niet alleen u en uw buurman en al die mensen die hier zijn, maar een steen, een huis, een boom, dat alles moet het resultaat zijn van een geestelijk bewustzijn, dus een geestelijke vorm die reeds bestaat, die in de stof verwerkelijkt wordt en daardoor nu reëel in aanraking komt met andere factoren, die anders misschien niet begrepen zouden kunnen worden, omdat zij niet ervaren kunnen worden buiten het eigen begripsvermogen.

Ik zie dan de stof als een mogelijkheid om je begrip uit te breiden en nu zal er natuurlijk een moment komen dat wij zover zijn gevorderd, dat wij de materie, de stof, voor het bewustzijn niet meer nodig hebben. Dat wil zeggen, dat ons bewustzijn gaat boven datgene dat ons door middel van de stof kan worden gegeven of geleerd. Hebben wij dat moment eenmaal bereikt, dan zullen wij echter voortdurend de stof gebruiken om uit die stof ons datgene te scheppen waaraan wij onze denkbeelden in een realiteit kunnen toetsen. En wanneer uiteindelijk eens alles zich op zou kunnen lossen, dan geloof ik dat we de grote twee-eenheid zien in stof en geest en dat we dan van de drie-eenheid spreken, als we de vormende kracht waaruit deze beiden voortkomen, God noemen.

Nou, wij maken over het algemeen nog dit onderscheid, dat wij zeggen: de ziel is deel van het goddelijke, onmiddellijk, terwijl de geest het bewustzijn is. Dus, de beperking van het zijn, die voor deze ziel nog verwerft, waarbij wij dus de geest zien als de bewustzijnsvorm van de ziel, en op haar beurt wederom de stof als bewustzijnsvorm van het bewustzijn, dus de geest. Maar daarbij de ziel zien als een onmiddellijk deel van de werkelijk levende Kracht, die één grote eenheid is en naar ons inzien ondeelbaar. Het zijn natuurlijk theorieën, wij kunnen dit niet bewijzen. Maar zo zien wij dat en zo geloven wij dat, op grond van wat wij allemaal in onze wereld hebben meegemaakt en wat wij ons uit vroegere werelden herinneren.

Zal ik dan maar een klein stukje vanuit mijn eigen gemoed praten? Kijk eens vrienden, ik wil het even hebben over angst.

Wanneer je bang bent namelijk, alleen maar bang bent, dan breng je jezelf in een staat van verwarring. En ‘vrees’ betekent in de eerste plaats dat je niet in staat bent normaal te reageren. Die angst kan je wel tot grotere prestaties aansporen, maar het is de vraag of deze prestaties redelijk zijn. Dit geldt zowel lichamelijk als geestelijk.

Het betekent verder een uitputtende emotie. Ik geloof niet, dat er iets is dat de mens zozeer kan uitputten en knevelen, of een geest zozeer kan ontdoen van elke uitingskracht, dan juist de angst. En vandaar dat ik de angst als factor toch eigenlijk wel erg belangrijk vind, te meer omdat er bepaalde methoden zijn om aan die angst te ontkomen. Maar aan angst ontkom je niet wanneer je met alle geweld vasthoudt aan bepaalde theorieën. Dat is het moeilijke. Maar je ziet bij heel veel mensen, dat laten we zeggen, geestelijke afwijkingen, neurosen, enz., uiteindelijk geboren worden uit angst. Uit een bang zijn waardoor vluchtverschijnselen of on- evenredige ontwikkelingen binnen de persoonlijkheid tot stand komen. Die angst is dodelijk en gevaarlijk, juist omdat ze zo vaak onredelijk is. De angst is vaak gebaseerd op een aangenomen feit, dat in werkelijkheid geen feit is, maar een fantasie is.

  • Maar die men dikwijls niet kent.

Ja, kende men die, dan zou een oplossing mogelijk zijn, natuurlijk. En nu is er daar wel een oplossing voor te geven en te zeggen, ja, hecht je je dan aan niets, dan zal je ook nergens bang voor zijn, maar ieder mens droomt nu eenmaal, want één der grote factoren, die de mens tot mens maken, is eigenlijk het feit dat hij fantasie heeft, de een wat meer, de ander wat minder, maar fantasie heeft iedereen, een voorstellingsvermogen, een dromen, waarbij niet reële voorstellingen binnen het ik kunnen worden gevormd en mogelijkerwijze later tot verwerkelijking buiten het ik voeren.

Nu moet die fantasie dus als het ware een juist doel krijgen, en dat is erg moeilijk. Wanneer het gaat om een bezitskwestie, een vlucht in bescherming, bijvoorbeeld, zoals we dat dikwijls bij mensen zien, die zich ergens aan vastklampen, niet omdat ze daaraan werkelijk waarde hechten, maar omdat ze er zekerheid en veiligheid van verwachten – strohalmtechniek – dan kunnen we natuurlijk voor die ene strohalm een andere zetten en dan blijft de toestand voor de rest precies gelijk. Alleen zolang die ene strohalm nu wel echt tastbaar is, zakken de verschijnselen.

Dat heb je bij de geest ook die zich vasthoudt aan een bepaald denkbeeld, die in onze wereld komt, en die zich een hele tijd houdt aan dit denkbeeld, maar hoe meer dit denkbeeld verbleekt, hoe groter de innerlijke onzekerheid wordt, hoe groter de angst en dat zijn dan de mensen waarvan men zegt – of geesten beter gezegd – dat zij ten prooi vallen aan demonen. Op aarde lijkt mij dat er niet veel verschil is, ook hier krijgen wij bepaalde dwanggedachten, dwangvoorstellingen, die niet echt zijn. Wat moet de mens dan hebben in zijn fantasieleven, wat moeten wij de mens geven als beheersend bewuste gedachte, prikkelend juist deze fantasiewereld?

  • Moed

Nee, eigenaardig hé, als u deze mensen dapperheid aan gaat praten, dat helpt niet.

  • Vertrouwen, geloof, enz.

Ik hoor een hele hoop dingen, maar niet het antwoord dat mijns inziens het meest juiste is.

Een doel, je zou de mensen een doel moeten geven, dat in gedachten uit te breiden is tot iets wonderlijks moois en schoons voor de mens, maar dat gelijktijdig, ook materieel voor de mens te verwerkelijken is. Je zou door suggestie bv. de geest zozeer moeten overtuigen van de belangrijkheid hiervan, dat het gehele wezen op die verwerkelijking gespitst wordt. Wanneer nu bovendien dit doel zo handig gekozen wordt dat de mens daarvoor bepaalde dingen moet doen, die hij op dat ogenblik onder drang van fixatie of iets dergelijks, terzijde laat, dan zult u zien dat al die verschijnselen gaan afnemen en uiteindelijk deze mens tot prestaties in staat is, waarvan je zegt, nou, dat had ik nooit gedacht, dat hij dat ooit zou kunnen.

Wil ik u een aardig voorbeeldje geven? Voorbeelden, dat is onze fort hoor, daar zijn we altijd in gespecialiseerd aan onze kant, dat vinden we altijd erg aardig.

Het is heel eenvoudig. Mevrouw heeft hoofdpijn, heel erge hoofdpijn. En daar gaat plotseling de bel, maar ze ligt met haar migraine op de divan en ze wil niet opstaan, dit doet ze dan toch maar en daar staat een vriendin, die zegt: “Ach meid, wat zie je er beroerd uit, ik kom even langs, je man heeft gezegd, omdat ik naar de stad ging, ik heb 25 gulden meegekregen om een hoedje te kopen, omdat ik er ook een kreeg van mijn man, dan kunnen wij allebei een hoedje kopen.” Nu moet u eens opletten, na een klein verzet, pro forma, zal heel vaak de dame in kwestie meegaan om het hoedje te kopen en wanneer ze het gekocht heeft, zeker haar migraine kwijt zijn.

U lacht er misschien om maar het is zo. Er zijn mensen, mannen, die hebben last van hoofdpijn, van griep, van pijn in hun lendenen, ze zijn, nou ja, dodelijk ziek, maar er is een voetbalwedstrijd van hún club en ze slepen zich moeizaam naar het veld. Gedurende de wedstrijd vergeten ze dat ze ziek zijn; en nu het eigenaardige: wint deze club, dan, in negen van de tien gevallen dat de ziekteverschijnselen – zelfs wanneer ze reëel zijn – tot de helft zijn teruggebracht en het genezingsproces veel vlugger verloopt. En wanneer het maar schijn was, nou, dan is het meteen in orde.  Hoe komt dat nou? Die man op het voetbalveld, die was één met het elftal, hij was dat elftal, maar hij moest er behoorlijk bij zijn, anders was hij zo ziek niet naar dat veld gegaan. Hij leefde dus met deze wedstrijd mee en het feit dat zijn club gewonnen heeft, dat geeft hem iets van blijheid, van die optimistische werkingen, waarbij het bloed als het ware gespoeld wordt. Die man, die voelt zich plotseling zo opgewekt, die denkt niet meer aan dat ziek zijn en doordat hij er niet meer aan denkt, bevordert hij ze niet meer en neemt ze af. Is het iets dat uit de gedachte voortvloeit, dan verdwijnt het.

Uit deze twee voorbeelden kunnen we dus iets leren, vrienden. Wanneer we werkelijk in de put zitten, of wanneer we een gedachte hebben en we kunnen er niet vanaf komen, het gaat maar niet en het wil maar niet, dan moeten we zoeken naar iets wat we wel kunnen, iets wat ook belangrijk is, iets wat we vandaag nog zouden kunnen beginnen. We zeggen niet, dat ga ik morgen proberen, maar: dat beginnen we nu. En wanneer we er wat aan gedaan hebben, dan gaan we erover dromen hoe het kan worden of nog beter kan worden. Dan gaan we er ons allemaal in verzinken, dringen we alle andere problemen tijdelijk terug. Zijn deze problemen niet direct gelegen in de erfelijke eigenschappen van ons lichaam, of in de belasting die de geest meebrengt wanneer ze het lichaam betreedt, dan zullen we zien dat ze gaan verdwijnen. Blijven ze echter, dan hebben we daar tijdelijk rust van gehad en zelfs heel vaak onze belangstelling daarvoor later zodanig veranderd, dat we dan wel een behoorlijke weerstand hebben en dus de verschijnselen zelf kunnen overwinnen.  Dan blijft het alleen maar een zeker deel van je karakter, van je wezen, zonder dat je er ziek van wordt, zonder dat je er maagzweren van krijgt, nou ja, u weet wel wat, alle ziekten die er zoal uit voort kunnen komen.

En dan wil ik u nog een raad geven. We hebben nu daarnet allemaal gezegd: geloof en vertrouwen en wat niet allemaal. Deze woorden, die zijn allemaal heel mooi, maar weet u waar ze eigenlijk voor staan? Voor een zeker zelfvertrouwen. Het klinkt u misschien erg vreemd wanneer ik u zeg: “U gelooft in een God, dan betekent dit dat u vertrouwt op uzelf.”

Want wanneer u kan zeggen, werkelijk en overtuigd, ik geloof in God, dan betekent dit dat u vertrouwen hebt in uw eigen oordeel daaromtrent en daardoor voor uzelf de zekerheid hebt dat u geen ongelijk kunt hebben dat er een God is.

Zo is één van de grote factoren die je steeds weer op de voorgrond moet stellen, je moet zelfvertrouwen hebben en wanneer je in jezelf vertrouwt, dan heb je ook genoeg vertrouwen in jezelf om een ander te vertrouwen. Want een ander vertrouwen, vrienden, dat betekent eigenlijk dat je er eerlijk op af gaat en dat je zegt: “Ik ben zo”, of je vertrouwt zo iemand omdat je zegt: “Nou ja, als ik hem niet zou vertrouwen en ik zou me zo gedragen, nietwaar, ik zou hem kwaad doen, zou je niet aan mijn vertrouwen beantwoorden, ik kan er wel tegen”, dat is ook zelfvertrouwen. Of wel, dat je zegt: “Ik heb zo’n vertrouwen in mijzelf, ik weet precies wat goed is, die mens kan ik vertrouwen”, dat zijn de twee factoren, nietwaar?

En daarom, wanneer we zeggen, geloof, vertrouwen en al die dingen meer, laten we dan goed onthouden, dat wat er allemaal binnenin schuilt, ons ikje, en al gebruiken we dat nog zo groots naar boven toe nietwaar en al spreken we er nog zo breedvoerig over, dat het uiteindelijk iets is dat in onszelf moet leven en wanneer het in onszelf leeft, dan staat het ook in relatie met onszelf en zo gaat het nu met al onze problemen en met al onze goede kanten.

En wanneer we in onszelf deze realisatie weten te vinden, wanneer we dan iemand wantrouwen dan moeten we niet zeggen: “Die man is niet te vertrouwen, of die vrouw is niet te vertrouwen”, maar dan moeten we zeggen: “In mijzelf is geen voldoende vertrouwen”, want anders zou ik niet tot wantrouwen komen, begrijpt u. Dan kan je komen tot het vaststellen van fouten in eigen wezen en heb je dat eenmaal gedaan, dan is er misschien langzaam maar zeker een weg te vinden om langzaam maar zeker de zaak te verbeteren.

  • Dus, als je iemand niet vertrouwt, is dit een fout, ook als je daar een reden voor hebt?

Als je er een reden voor hebt, dan is het geen wantrouwen meer, dan is het een weten. Wantrouwen betekent dus iemand niet vertrouwen, omdat je niet zeker bent van die man. Op het moment dat iemand een vertrouwen niet waard heeft betoond, wantrouw ik hem niet, maar vertrouw ik hem niet meer.

  • Als je dus een ingeving krijgt dat je iemand niet vertrouwen kunt, dan is dit dus een fout in jezelf?

Inderdaad, het is een fout in jezelf. Ofschoon ik onmiddellijk toe wil geven dat een dergelijke intuïtie en ingeving voor uw eigen wezen vaak heel belangrijk is, doch ze vloeit voort uit een onvolledig vertrouwen in uzelf. Want intuïtief neemt u een heleboel dingen waar en kunt u psychisch verschillende factoren aanvoelen die u niet bewust kunt verwerken, daardoor komt de reactie, nietwaar.

Wantrouwen. Maar zelfs dan, als u deze mens blijft wantrouwen, dan blijkt het dat u ook geen vertrouwen heeft in uw eigen capaciteiten om deze mens inderdaad vertrouwen te geven en dus vertrouwen terug te krijgen, verwerkelijking te verkrijgen. Vandaar dat er staat: als je gelooft, dan zal niets je ontzegd worden; wie gelooft en vraagt, die wordt niets ontzegd. Dat is helemaal geen waan, dat is niet zo maar een spreukje, dat is ook helemaal niet maar iets, nou ja, dat met bijzondere genade of met bovennatuurlijke dingen in verband staat, maar het is zuiver natuurlijk. Hoe meer u in uzelf vertrouwen hebt en daardoor komt tot een absoluut commanderen als het ware van de krachten in u, hoe meer u verwezenlijken kunt van datgene wat als gedachte in u leeft.

  • Dat ‘zelf’ waarover u het hebt, dat is toch feitelijk het lagere ‘zelf’ van de mens?

Neen, het ‘zelf’ waarover ik het heb, is het samengestelde ‘zelf’. We hebben natuurlijk het Hogere Zelf, zoals men het noemt, dit wil zeggen: dat is het werkelijke geestelijke bewustzijn. Dan hebben we zogenaamd het lagere zelf, dat is het totaal van de associaties, onderbewuste bewustwordingen, plus een deel van het bovenbewustzijn dat men heeft, nietwaar, waardoor de impulsen en handelingen van de mens verder worden bestemd. En dan hebben we het stoffelijke zelf, dit is het lichaam, met al zijn daar weer in bevatte speciale karaktertrekken, impulsen en lust drijfveren.

Maar wanneer ik spreek over het ‘zelf’, dan spreek ik altijd over het gehele zelf, dat u op dit moment bezit, begrijpt u? Want wanneer ik het ego ga splitsen, dan verval ik in de fout waarin zoveel mensen zo graag vervallen, dat ze zeggen: “ja, geestelijk geldt dit wel, maar stoffelijk geldt dit niet”, en dat is onzin.

Wanneer u op aarde leeft, dan is uw hogere ego, uw hogere ik en uw lagere ik een tijdelijke eenheid. En wanneer dit hogere ik tot uiting moet komen, moet het lagere Ik daarmee volledig akkoord gaan, dat moet een harmonie zijn. Op het moment dat dit niet meer harmonisch is, dan krijgt u waanzin, dan krijgt u onzinnige dingen. Dan krijgt u de mens die vroom spreekt over ‘Herens zegen’ voor alle mensen, maar ondertussen iedereen beduvelt waar die maar kan. Dan krijg je die dingen die zo vaak de aanleiding zijn geweest om alle dingen af te breken of aan te vallen, ook al zijn ze goed. Omdat de mensen maar niet kunnen begrijpen, dat er geen scheiding mogelijk is. Je kan niet zeggen: “dit doe ik geestelijk, en dat doe ik stoffelijk.” Je kan alleen zeggen: “dat doe ik in de vorm waarin ik ben en waarin ik mij bewust ben?”

  • Ja, maar het is het Hogere Zelf dat dit inzicht krijgt.

Hoe hoger het inzicht wordt, hoe sterker zijn beheersing wordt op het lagere ik en hoe sterker ik de harmonie van mijn hoger geestelijk ik weet op te leggen aan mijn lager ik en hoe groter ik de eenheid kan maken en hoe meer die in daden tot uiting kan komen, het totale bewustzijn van mijn ik.

  • Dat hogere “ik”, is dat als het ware een afspiegeling van God in elke mens?

Ja, als wij zo ver willen gaan, dan kunnen wij dit zeggen: de hoogste kracht in elke mens is een deel van het goddelijke en wanneer het bewustzijn van de mens de realisatie van dit werkelijke deel van zichzelf heeft bereikt, is de mens gekomen tot een begrip en bewustzijn van het Goddelijke. Dat is inderdaad zo, maar ja, dan zitten we natuurlijk heel ver weg en ik weet voor mijzelf dat ik dat nog niet bereikt heb en ik wil natuurlijk niet iemand wantrouwend aankijken, na zijn redevoeringen, maar ik zou zeggen vrienden, ik geloof dat wij allemaal het er nog wel eens mee te kwaad hebben.

image_pdf