De fasen in de mens

21 juni 1971

Door de omstandigheden van het ogenblik hebben wij vanavond een bijzondere gastspreker, die uit de meer wetenschappelijke tak stamt en die bereid is ons vanavond iets te vertellen over de verschillende facetten van het occultisme.

De spreker heeft in zijn leven veel studie hieraan gewijd. Hij was één van de voorlopers van de hedendaagse psychologie en aan de andere kant heeft hij dat onderzoek, zo goed en zo kwaad als dat ging, bij ons voortgezet. De resultaten zijn op zijn minst genomen interessant.

Ons onderwerp van vanavond wordt: de fasen, die de mens in zichzelf kent. Elke mens kent in zijn leven zich herhalende fasen. D.w.z. dat de invloeden, die je op je levensweg ontmoet, steeds weer terugkomen. De omstandigheden zijn veranderd; je bent zelf veranderd. De uitwerking is dus different, maar tenslotte komt het toch zo’n beetje op hetzelfde neer. Er zijn enkele psychologische cycli bij, die zuiver vanuit het denkleven van de mens een rol spelen. Daarnaast zijn wat wij noemen enkele stuwende cycli, stuwende fasen te omschrijven.

De zich herhalende psychologische invloeden

Onze benadering t.a.v. de wereld wordt bepaald door de relaties die wij kennen tot die wereld. De bekende facetten spelen in feite geen belangrijke rol in ons besef. Ze zijn echter achtergrond van het geheel van ons leven. Zo hebben wij bv. een fase, waarin het gezin achtergrond is. Het is zo normaal, dat je er niet bij nadenkt. De verschijnselen buiten het gezin zijn in feite de factoren, waaruit emotie voortkomt, waaruit geleerd wordt, waardoor je ook innerlijk bepaalde ervaringen hebt. Wij zien dat deze fase, die loopt tot het 6de of 7de jeugdjaar, zich herhaalt, maar dan ongeveer rond de 28- tot 35‑jarige leeftijd. In deze periode heeft de mens voor zichzelf het denkbeeld: Nu ben ik gevestigd. D.w.z. werkkring, levensstandaard e.d. zijn normaal geworden, ze zijn achtergrond. Alleen datgene wat daarbuiten als exceptioneel optreedt, stimuleert hem en is in feite oorzakelijk voor zijn emotionaliteit.

Hierbij gaat men van zichzelf uit zonder verder te reageren op mogelijke relatieveranderingen tussen het ik en de wereld. Alles wat daarvan afwijkt is in deze fase belangrijk. Het is niet alleen stimulerend, het brengt ook emoties met zich, maar het heeft daarnaast heel vaak een invloed, waardoor je wat je vroeger bent geweest en hebt gedaan, opnieuw gaat bezien en opnieuw gaat interpreteren.

Dit is een voorbeeld, zoals u zult begrijpen en zo zijn er meer soortgelijke fasen aan te wijzen, die zich herhalen.

De fasen op zichzelf zijn niet voor iedereen gelijk. En daar zitten we dan weer met de gebruikelijke moeilijkheid. Er is bijna geen mogelijkheid om de fasen van leven en de daarmee gepaard gaande psychologische toestanden juist te definiëren op algemene basis. Wij kunnen het alleen benaderen. Bij deze benadering kunnen wij dan zeggen:

  1. Eerste 7 jaren: Achtergrond – gezin. Belangrijkste factor: Tegenstelling tot gezin.
  2. Daaropvolgende fase: Ik‑erkenning. Het zelfbewustzijn wordt opgevoerd. Het gezin wordt een beschouwende factor. Eigen kennis is hier datgene, waarvan wordt uitgegaan. Dit is een gefixeerde, een onveranderlijke toestand. Ik weet het.
  3. Daarna krijgen we het conflict ik–wereld. Hierbij is de achtergrond de voortdurende onzekerheid. Die fase loopt bij de meeste mensen van het 12e tot de oneindigheid bij wijze van spreken, maar gefixeerd meestal aflopend op het l8e jaar. De onzekerheden in deze tijd brengen met zich dat de problemen die in het ik ontstaan, altijd onevenwichtig verwerkt worden. Dat wij te maken krijgen met een dictum murabili, een verklaring die dan maar moet gelden, maar die men gelijktijdig voor zichzelf ontkent. In deze periode kun je allerlei ervaringen opdoen en dan volgt de periode van z.g. wereldfixatie.
  4. In deze periode wordt meestal een beeld – het kan een maatschappelijk beeld zijn, maar het is heel vaak een persoonlijkheidsbeeld – genomen als ideaal. Het ik wordt daarmee geassocieerd en de relatie tussen ideaal en eigen praktijk is bepalend voor alle reacties uit de wereld. Wanneer wij dit hebben gehad, dan komen wij alweer toe aan de toestand van fixatie, waarbij de eigen achtergrond wederom bepaald wordt door de aanvaarde materiële mogelijkheden.

Die fasen bepalen je denkprocessen en daarmee ook de gevoelsreacties t.a.v. de wereld. Wij mogen deze dus zuiver psychologische fasen noemen. Ze zijn van groot belang voor de geestelijke bewustwording, omdat je zonder het te weten voortdurend een ander standpunt inneemt tegenover de wereld. En dit betekent dat je steeds nieuwe begrenzingen t.a.v. jezelf zult moeten aanvaarden en constateren.

Iemand die niet naar zelfkennis zoekt, komt daar waarschijnlijk niet veel verder mee. Iemand die wel naar zelfkennis zoekt, zal de ervaringen van zo’n reeks van fasen kunnen verwerken tot een definitie van het eigen ik. Het is dan weliswaar een uiterste begrenzing en dus nog geen inhoudsbepaling, maar hiermee is de mogelijkheid gegeven het verschil ik‑drang‑werelddrang, in elk verschijnsel van het leven te definiëren en te bepalen. Dat is heel erg belangrijk.

We hebben daarnaast natuurlijk fasen, zoals je in de historie wel hebt, waarbij de mens zelf geen directe rol speelt, maar waarbij deze fasen zich toch herhalen. Een van deze fasen is bv. de z.g. Zonne invloed of zonne-spanning. De zon heeft een wisselend patroon van emissie en bij die emissie komt op een gegeven ogenblik ypsilon sterk naar voren, het volgende ogenblik gamma en vaak, ook een zeer aanmerkelijke bètastraling. Deze stralingen zijn niet zo belangrijk dat ze de wereld bewust treffen. Je zou hoogstens kunnen zeggen: Het is de achtergrondruis op een uraniumzoekapparaat, die wat hoger wordt in zo’n periode. Voor de mens betekent dit echter een verandering in zijn eigen activiteiten en heel vaak ook een versnelde reactie van de denkimpulsen in die delen van de hersenen, die z.g. niet gericht zijn.

Het niet-gericht zijn betekent het volgende. Wij hebben een aantal erkende centra, in het brein. Daarnaast hebben wij een aantal niet in functie bepaalde delen van het brein. Een niet-gerichte stroom is er één die te maken heeft met deze niet functie‑bepaalde centra, dus niet als centrum van een bepaalde activiteit of fixatie vastgelegde delen van de hersenen.

De situaties zal u duidelijk zijn. Wanneer ik deze activiteiten verhoog, dan zullen daarmee een groot aantal versnellingen in het denkproces plaatsvinden, maar ook veranderingen in de gevoeligheid. Er zijn perioden, waarin u veel gevoeliger bent bv. voor kleur dan normaal. Dit hangt direct met deze zonnefase samen. Je kunt dan bij wijze van spreken met je vingers het verschil tussen de kleuren voelen. Ik zeg “bij wijze van spreken,” omdat een bewuste definitie daarvan een lange training vergt. Maar de verschillen voel je onbewust aan en je zult erop reageren.

Op dezelfde manier ben je in een dergelijke periode in staat om bepaalde sfeerwaarden, dus in de omgeving aanwezig zijnde gedachtenprocessenwaarden van het gemeenschappelijk bewustzijn en dergelijke, sneller voor jezelf aan te voelen en daarmee te werken. Het resultaat is dat een dergelijke van buiten opgelegde zonnefase gepaard gaat – op haar hoogtepunt – met wat men noemt een vergroting van instincthandeling; bij mensen zeggen wij natuurlijk intuïtieve handeling.

De situatie verloopt ongeveer als volgt. Alweer bij benadering. We hebben te maken met een hoge stralingsactiviteit ypsilon, we hebben te maken met een vergroting van o.m. paranormale ervaringen. We hebben te maken met schouwen naar buiten toe verscherpte waarneming, niet altijd als zodanig beseft. Nu loopt die fase: langzaam af. In de z.g. tegenfase blijkt de bètastraling te domineren. Het is na ongeveer 21/2 tot 3 jaar misschien dat je zegt: Nu is die fase voor mij persoonlijk werkelijk helemaal gewisseld. In deze periode hebben wij te maken met dieptebeschouwing in jezelf, maar wij hebben tegelijk te maken met een zekere laksheid in waarneming in de wereld.

In een dergelijke periode zou je kunnen constateren dat de mensen minder goed luisteren, minder goed zien. Dat ze hun tastzin minder goed gebruiken. Ze zijn naar buiten toe minder actief, maar naar binnen toe actiever. Dit wordt naar ik meen veroorzaakt, doordat er een paar tussenstoffen zijn, die ook op de zon reageren en dat ligt in de sfeer van ongeveer het levenslichaam. U zult begrijpen dat het optreden van een introspectieve periode op het ogenblik, dat je gelijktijdig gefixeerd bent op de buitenwereld, dus dat je met een vaste achtergrond werkt, eigenaardige resultaten met zich kan brengen. Wij komen dan nl. heel vaak in de verleiding om de buitenwereld de buitenwereld te laten. Wij houden ons daar druk mee bezig, maar wij maken van ons innerlijk a.h.w. de achtergrond de zaak, het gezin, etc. Wij kunnen daarvan niet loskomen. Al ons denken, realisatie gaat in de termen van het gezin de zaak, etc.

De grote moeilijkheid hierbij is dat je op dit moment niet los kunt komen van jezelf. Je kunt eenvoudig deze fase niet overwinnen op een of andere manier. Je kunt hoogstens diep in jezelf bepaalde bewuste processen van waarneming en erkenning aan het werk zetten en dan krijgen wij nog altijd een weerkaatsing in termen van onze achtergrond van dit ogenblik.

Ik maak u dit alles enigszins duidelijk, want de mens heeft vrijheid van wil, de mens heeft grote vrijheid van leven en hij heeft zeer grote mogelijkheden, die ver uitgaan boven het normaal stoffelijk erkende. Maar de mens is daarbij voortdurend ook ergens slachtoffer van periodiciteiten die ofwel in hem zijn ingebouwd, dan wel die van buitenaf zijn reactie en zijn denken bepalen. De mens die zegt: Ik ben vrij en dus kan ik alles bepalen. Vergeet één ding. Je kunt iemand midden in de jungle vrijlaten en zeggen: Ga nu maar waar je wilt. Maar zijn eigen bekwaamheden en de eventueel aanwezige niet-vegetarische dieren in de omgeving zullen ongetwijfeld voor zijn ervaringen medebepalend zijn, al is hij nog zo vrij. Ditzelfde verschijnsel hebben wij steeds weer. En nu blijkt dus dat geestelijk gezien – dus even los van de materiële beleving – een dergelijke reeks van fasen eveneens bestaat, alleen zijn ze dan niet meer zuiver persoonlijk te duiden.

Er zijn fasen van innerlijke verdieping, maar gelijktijdig vaagheid tegenover de buitenwereld. Er zijn fasen van scherpe definitie van de buitenwereld, maar gelijktijdig van grote twijfel, een grote vaagheid t.a.v. de innerlijke wereld. Dat kan van groot belang zijn voor bv. je geloof. Wanneer je gelooft vanuit een achtergrond, dan is het geloof deel van de achtergrond. Het is een gefixeerde waarde. Iemand die in een dergelijke fase verkeert, is eenvoudig niet in staat om ook maar iets wat tot dat geloof behoort, in twijfel te trekken. Het is zozeer deel van hemzelf dat hij er niet toe kan komen om het zelfs maar te analyseren of objectief te beschouwen.

Hebben wij te maken met een periode, waarin die achtergronden geen rol spelen, dan zien wij dat geloof een kwestie wordt van het raadsel in mijzelf. Ik weet niet meer waar ik aan toe ben. Ik geloof soms dat er heel veel goden zijn, soms dat er één god is en soms dat er geen god is. Op het ene ogenblik ben ik bewust in contact met het hiernamaals, het volgende ogenblik vraag ik mij af hoe men zich hier nu eigenlijk zit te beduvelen.

Ook deze fasen zijn in de mens aanwezig en komen van buitenaf. Wanneer wij te maken hebben met zo’n geloofszekerheid, dan is dat niet iets wat op één deel van de wereld bestaat, dan bestaat het overal.

Wanneer wij te maken hebben met deze twijfelperioden, dan bestaat het niet in één land of bij een paar mensen of in één kerk, dan bestaat het overal en gelijktijdig. En dat laatste heeft dan nogal eens vreemde gevolgen.

U weet, dat de mens geloof als basis heeft genomen in zijn leven en op het ogenblik dat hij het zelf vraagwaardig gaat vinden, wordt hij agressief tegenover anderen. Naarmate je minder gelooft in jezelf, verdedig je de formulering van je geloof tegenover anderen fanatieker en intenser. En dat zou aansprakelijk kunnen zijn voor heel veel gebeurtenissen die er zich op het ogenblik op de wereld afspelen. Er is hier een absolute tegenstelling aanwezig tussen de innerlijke twijfel en de uiterlijke voorgetoverde zekerheden. Ook dit gaat voorbij.

Hebben wij te maken met fasen, die astrologisch berekend kunnen worden, dan zijn dat over het algemeen regelmatig voorkomende ritmen. Hebben wij te maken met z.g. kosmische ritmen dan zijn deze van een zodanige duur dat het voor de mens moeilijk is om deze precies te berekenen, terwijl bovendien het verloop daarvan voor de mens te traag is. De veranderingen gaan te geleidelijk en de overgangen zijn moeilijk te constateren. Hebben wij te maken met bepaalde geestelijke invloeden, dan kunnen deze ook van buitenaf invloeden uitoefenen op de mens. Maar dan ontstaat daar een directe strijdigheid. Want de geestelijke invloed is in staat het gemeenschappelijk bewustzijn en daarmede ook de mens intenser (naarmate hij gevoeliger is) te helpen aan een nieuwe richting van denken. Maar deze richting van denken wordt niet ervaren als eigen. Men blijft voortdurend in een twijfelperiode. Elke impuls vanuit de geest wordt omgezet in nieuwe twijfels. En die worden a.h.w. tot een soort toren opeengestapeld.

In een periode van zekerheid zal men de impulsen vanuit de geest nooit op deze manier beschouwen als een aantasting van zekerheden. Dat kan immers niet want dat ben je zelf. Maar ze worden gebruikt om de relatie t.a.v. de wereld anders te definiëren, de geest is hierbij ook nog te onderscheiden in verschillende groepen. De belangrijke groep voor stoffelijke beïnvloeding is de Witte Broederschap. Maar de Witte Broederschap kan voornamelijk dan optreden, wanneer de mens in zichzelf voldoende twijfels gevoelt om zijn denken om te buigen. De wereld en wereldrelatie verandert langzaam. Kan in feite gestimuleerd worden. In de mens bouwen zich twijfels op. Deze twijfels voeren tot emotionele spanningen. En deze voeren weer tot innerlijke ervaringen en zelfs openbaringen.

Wanneer wij te maken hebben met een periode, waarin de mens alle zekerheden meent te bezitten, dan is hij niet vatbaar voor die directe beïnvloeding, die de Witte Broederschap zo vaak gebruikt. Er zijn dan andere factoren. U hebt meerdere malen de term “het verborgen priesterrijk” gehoord. Hierbij is niet alleen sprake van priesters, ofschoon de orde van Melchizedek behoord heeft tot een afdeling van dit priesterrijk. Hier wordt de religie, dus de geloofsverhouding, door mirakelen, wonderen a.h.w. gewijzigd. De relatie mens‑god speelt de hoofdrol en door die te veranderen komt de mens eveneens tot een gedragsaanpassing en emotionele aanpassing.

U hebt waarschijnlijk nog nooit gehoord – er wordt niet zoveel reclame voor gemaakt – dat bepaalde groepen in bepaalde tijden de leidende rol spelen. Toch is dat wel degelijk waar. Er zijn specialisten in de geest en in de geest zien wij bepaalde tijden – en dat zijn soms in verhouding korte tijden van ca 100 jaar – waarin een groep veel kan doen voor de bewustwording van de mensheid. Maar wij weten ook dat er dan een periode kan komen van vele honderden jaren dat die mogelijkheid dan niet bestaat. Daarom wisselen groepen met een verschillende instelling en capaciteit elkaar voortdurend af. Natuurlijk kan de Witte Broederschap steun verlenen aan een priesterrijk. En de wonderen die worden gedaan om de stellingen van het priesterrijk, de intuïtieve openbaringen, een nadruk te geven, zullen zeer waarschijnlijk door de Witte Broederschap veroorzaakt zijn. Terwijl in de tijd dat de Witte Broederschap voortdurend bezig is om die wereld in meer stoffelijke zin te kneden en te hervormen, het verborgen priesterrijk klaarstaat om de geestelijke impulsen een formulering en inhoud en enige betekenis te geven. Maar daar speelt het wonder geen rol.

Op deze manier is eigenlijk het hele leven van elke mens een onderworpen zijn aan grote reeksen van invloeden. Deze invloeden beleeft hij, terwijl hijzelf van fase tot fase van zijn eigen besef, zijn eigen levensvorm gaat. De resultanten van bewustwording zijn dan ook buitengewoon veelzijdig. Deze veelzijdigheid is belangrijk op het ogenblik dat je in de geest komt. Wanneer wij elkaar aanvullen, kunnen wij veel meer. Wanneer wij allemaal gelijk zouden zijn, dan is er hoogstens een verschil in kracht. Wanneer wij allen een verschillende vorm van bewustwording hebben meegemaakt en dus verschillende kennis bezitten, maar ook verschillende geestelijke wegen tot hogere krachten en hoger besef, dan kunnen wij onder alle omstandigheden gezamenlijk juist functioneren.

De versmelting die in de geest op den duur gebeurt, heeft niet zoveel te maken met de Hindoe‑opvatting, de oosterse opvatting, waarbij de mens langzaam maar zeker oplost in een Nirwana‑toestand, zijn persoonlijk zijn a.h.w. helemaal uit in het Al, het Zijnde. Het heeft te maken met een zo intense samenwerking dat je zegt: Wij kunnen hier niemand meer missen, want dan kunnen wij niets meer doen, maar gezamenlijk zijn wij veel méér waard dan elk van ons afzonderlijk. Het is de kwaliteit van allen tezamen die bepaalt wat het eindresultaat is. Dergelijke teams kunnen zich zo sterk met elkaar verknoopt gaan voelen dat ze elkaars kennis en emoties a.h.w. het geheel van elkaars leven als deel van het ik gaan ervaren. Dan zijn ze naar buiten toe één persoonlijkheid geworden. Maar de persoonlijkheid die men ziet, is en blijft nog steeds een team van samenwerkende ik‑heden.

Ook die ik‑heden zijn fase‑gevoelig, net zoals de mens. Maar in hun veelzijdigheid is hun reactie op de fase veel groter. Hieruit zou je de conclusie kunnen trekken dat de wezenlijke vrijheid van mens en geest groter wordt, naarmate hij tot een veel grotere veelzijdigheid van vermogen komt door een intensere harmonie met anderen.

Alle fasen van het menselijk bestaan zijn belangrijk. Geen van hen kan beschouwd worden als meer of minder. Het is juist de opeenvolging van de fasen, de juiste beleving ervan, die de groei van de persoonlijkheid veroorzaakt.

Alle optreden van geest en mens zal in overeenstemming moeten zijn, zowel met de opgelegde fase die van buitenaf de wereld en het milieu stimuleren, als zoveel mogelijk met de fase, waarin de persoon die men aanspreekt, verkeert. Hierbij is algemeenheid natuurlijk niet mogelijk. Maar een zakenman kan je vaak van grote geestelijke wijsheden overtuigen, wanneer je het doet in zakelijke termen. Iemand die in herinneringen is terug gevlucht, die het verleden tot basis van zijn leven heeft gemaakt, kan het best gestimuleerd worden vanuit beelden uit zijn verleden. Aanpassing aan de medemens is noodzakelijk, ook voor de geest wanneer zij lering wil geven.

Ongeacht de fasen die optreden in de mens, ongeacht de beïnvloedingen die van buitenaf optreden, is altijd een geestelijke harmonie grotendeels bereikbaar. In deze harmonie is een begrip mogelijk, waardoor het geheel van een gemeenschap tot een gezamenlijk en bijna gelijk verstaan komt van bepaalde begrippen en waarden. Dit zal voornamelijk vanuit de geest gebruikt worden en bij het onderwijs door adepten, maar het is goed voor u, dat u dit ook weet. Wij kunnen dus altijd de geestelijke waarden hanteren, ongeacht de invloeden die optreden.

Voor de mens geldt hierbij verder, dat de wijze, waarop hij zijn geestelijke waarde en invloed tot uiting brengt, bepaald zal worden door de persoonlijke, de psychologische fase, waarin hij verkeert.

De gastspreker

Men heeft mij gezegde dat u veel interesse hebt in het occulte, daarnaast in de magie en de esoterie. Men kan deze dingen natuurlijk benaderen op vele verschillende wijzen. Ik voor mij heb dit altijd gedaan in de richting enerzijds van de experimenten van Rhine; anderzijds in de richting van de experimenten van Wasiljef. Deze twee tegenpolen zijn in feite de mensen die in deze tijd het paranormale dichter hebben gebracht bij de normale, menselijke werkelijkheid.

Ik wil vooropstellen dat het mij bekend is dat tegen hun onderzoekingen en stellingen vele bezwaren zijn ingebracht. Maar ik wilde daarbij ook uitdrukkelijk wijzen op het feit dat zeer vele mensen de experimenten op zichzelf reeds afwijzen, omdat de resultaten daarvan dreigen hun persoonlijke zekerheid, hun innerlijk denken in gevaar te brengen.

U zult begrijpen, dat iemand die zich bezighoudt met deze toch wel zeer interessante materie, ook na de dood zich blijft bezighouden met deze reeks van verschijnselen. Er zijn daarvoor zeer logische verklaringen gegeven op aarde, die nu in een nieuwe toestand van bestaan eenvoudiger te controleren zijn. Ik kan u uiteraard geen volledige verantwoording voorleggen van al hetgeen ik u hier in een toch wel zeer kort bestek wil voorleggen.

Ik moet dan beginnen met te stellen dat de verschillende onderzoekingen van Wasiljef hebben geleid tot o.m. De volgende erkenningen:

Telepathie (in het Oostblok het meest onderzocht) wordt beschouwd als werkende via een nog onbekend medium, een draaggolf a.h.w. of stralingsveld. Een deel van de paranormale verschijnselen alsook telekinese, eveneens in het Oostblok, zij het aarzelend onderzocht, voort verder tot de veronderstelling, dat deze velden – mits op de juiste wijze georiënteerd – zich tijdelijk kunnen gedragen als sterk magnetische stormen, in andere gevallen zich kunnen gedragen als een wijziging van het zwaartekrachtveld.

Nu zult u begrijpen dat in het Oostblok gezien de partijdoctrine, het materialisme, het socialistisch‑materialisme, men daar niet geneigd is om niet materiële verklaringen aan te nemen en in zijn onderzoekingen zich uitdrukkelijk richt tot de materieel benaderbare fenomenen.

Rhine op zijn beurt komt tot de veronderstelling dat de hersenen van de mens in feite eerder een belemmering zijn voor zijn werkelijkheidsgevoel. Terwijl volgens hem het centraal zenuwstelsel de functies van direct ontvangend en ook afgevend apparaat t.a.v. de omgeving vervult. Rhine gaat daarbij verder en komt – zoals u misschien bekend zal zijn – tot het accepteren van een onzienlijke wereld op grond van vele indicaties in die richting. Hij wil dit als werkhypothese gebruiken, stelt het echter niet als volledige zekerheid.

Toen ik overging, heb ik uiteraard een tijd nodig gehad om mij te oriënteren. Zoals menig wetenschappelijk denker heb ik altijd een voortbestaan na de dood als een wat twijfelachtige zaak beschouwd. Tijdens deze oriëntatie kwam ik reeds tot twee voor mij interessante vaststellingen:

  1. Mijn persoonlijkheid was niet gelokaliseerd op één bepaalde plaats. De persoonlijkheid gedroeg zich als een aldoordringende essentie. Dat zich als waarnemer en eventueel zelfs als communicerend partner t.a.v. anderen op elk punt tijdelijk kon manifesteren. Ik heb daaruit de conclusie getrokken dat ook de werkelijke persoonlijkheid van de mens niet kan worden beschouwd als lichamelijk gelokaliseerd. De persoonlijkheid moet zich veel verder uitstrekken dan gemeenlijk wordt aangenomen en als zodanig over vermogens beschikken die slechts zelden volledig tot uiting komen.
  2. De voor mij zeer boeiende vaststelling was het feit dat ik niet zelve energie was – iets wat je op het eerste gezicht zou aannemen – maar dat ik in staat was energieën – en van behoorlijke hoogte en doordringingskracht zelfs – te bundelen in mijzelf. Ik was kennelijk niet krachtbron, maar eerder antenne en eventueel ook omvormer.

Ik ben toen van daaruit verdergegaan en heb mij allereerst gewijd – zoals u waarschijnlijk kunt begrijpen – aan de stellingen die dankzij Wasiljef een groot gedeelte van de wereld op het ogenblik toch wel opgang doen. Ik wilde weten of telepathie inderdaad via een draaggolf wordt voortgeplant, of wij te maken hebben met een z.g. zesde zintuig als functionerend buiten de menselijke werkelijkheid.

Ik moet tot mijn verbazing geconstateerd hebben dat een dergelijke draaggolf niet bestaat. Er was geen medium, stralingsveld waarop gedachten geënt werden en zo naar anderen overgedragen. Er bleek echter wel een persoonlijkheidsuitbreiding mogelijk te zijn.

Bij een groot aantal door mij gecontroleerde manifestaties van telepathische en ook telekinetische inhoud, zag ik dat de persoonlijkheid van de denker – mits voldoende concentratie – zich uitstrekte in de richting van de persoonlijkheid, zoals die menselijk gelokaliseerd wordt, van de ontvanger. En verder viel mij hierbij op dat in deze concentratie tijd en ruimte geen werkelijke rol spelen. Afstand is dus telepathisch niet belangrijk. Men had dit reeds vermoed op aarde.

Verder blijkt dat de inhoud van de boodschap op zichzelf niet belangrijk is. Er is nl. geen sprake van alleen het overbrengen van één gedachte, maar van de overbrenging van een totale besefsinhoud. Hierbij constateerde ik dan ook verschuivingen, zowel vertragend als versnellend. Wanneer 10 boodschappen werden uitgezonden, werden zij niet noodzakelijkerwijze in de volgorde van uitzending opgenomen. Verder bleek dat soms de ontvanger reeds een uitzending a.h.w. noteerde, in zich opnam, waarvan de zender zich nog niet bewust was, die eerst later verscheen. Dat leek bedenkelijk veel op clairvoyance en ik kwam hierdoor tot een constatering die m.i. toch wel zeer belangrijk is. Ook voor de mens op aarde die zich met deze zaken bezighoudt. Ik zal trachten haar simpel te formuleren:

Wanneer de werkelijke persoonlijkheid van de mens actief is, wordt zij in ruimte en tijd georiënteerd door de hersenen. De hersenen functioneren hier als oriënterend t.a.v. een totaliteit. Op het ogenblik dat de dwang van de hersenen wegvalt, blijkt tijd en ruimte veel minder belangrijk te zijn. De ruimtelijke aspecten vervagen enigszins, de tijdsaspecten sneller.

Eindconclusies: de mens is geen in plaats en tijd te definiëren wezen. Deze definitie vloeit voort uit zijn hersenactiviteit die hem door verwerping van een groot gedeelte van de werkelijkheid selectief in een klein deel van die werkelijkheid fixeert.

Deze ontdekking was voor mij erg belangrijk, want ik wilde nu nagaan in hoeverre dit een rol speelt bij vele andere verschijnselen die in het occultisme en mysticisme voorkomen. De volgende punten werden door mij vanuit mijn geestelijk bestaan definitief geconstateerd:

Er bestaat een veel grotere lichamelijke gevoeligheid dan denkbaar is. Door training is de mens o.m. in staat de ogen en de waarnemingen van de ogen over te brengen – althans ten dele op elk deel van de huid. Deze overbrenging deed mij oorspronkelijk vreemd aan, ofschoon het mij bekend is dat men o.m. in India geprobeerd heeft om blinden te helpen, door hen onder hypnose te vertellen dat een bepaalde plek bij het jukbeen op de wang van het gezicht lichtgevoelig was en hierdoor inderdaad voorstellingen werden opgenomen. Nu bleek mij dat deze gevoeligheid niets te maken heeft met een zintuiglijkheid, ofschoon de lichtgevoeligheid van de huid vaak bij de training een rol zal spelen.

De mens blijkt behalve een hersenbeperking t.a.v. ruimte en tijd, via zijn zenuwstelsel een gevoeligheid t.a.v. zijn omgeving te produceren, welke gevoeligheid normaal door de hersenen niet geïnterpreteerd wordt.

De gevoeligheid blijkt dus uit te gaan van het zenuwstelsel. Het zenuwstelsel heeft iets wat vergelijkbaar is met wat men op aarde aura noemt, nl. een perceptiekring die zich rond de mens kan uitstrekken tot ongeveer 10 meter radiaal. Deze gevoeligheid neemt met de afstand af. Hierdoor is het mogelijk dat vage impressies worden waargenomen op een afstand tot 10 meter, wanneer de hersenen de signalen, die op deze wijze door de uitstraling van het totaal zenuwstelsel toch het ik bereiken, worden geïnterpreteerd.

Dan blijkt verder dat, naarmate de afstand minder wordt, een nadere beelddefinitie ontstaat. Er is dus geen sprake – zoals bij optische waarneming – van een verheldering van reeds waargenomen details, het is a.h.w. het aanleggen van een raster met geheel nieuwe mogelijkheden.

Ik heb geprobeerd te onderzoeken wat voor iemand die zich traint, de optimale afstand is om waarnemingen te doen. Mij bleek dat deze afstand ligt tussen de 15 en 55 cm. Hieruit heb ik de gevolgtrekking gemaakt dat op deze afstand een zuivere definitiemogelijkheid bestaat, zonder dat de vertroebeling door tastzin en dergelijke weer voert tot een vervaging van het ontvangen beeld.

Ik wilde verder graag weten hoe het dan zit met andere dingen als de psychometrie. De psychometrist leest inderdaad remanente stralingen af in een voorwerp dat hij behandelt. Oorspronkelijk meende ik dat dit aflezen de werkelijke zaak was. Maar wat blijkt? Door de illusie – of het geloof – dat dit aflezen door het voorwerp mogelijk werd, zal men tot een concentratie komen, waarbij al hetgeen betrokken is met het voorwerp – dus niet noodzakelijk beperkt tot één onderwerp – kenbaar wordt. Hierbij is sprake van een afstemming van het ego, waarbij de werkelijke persoonlijkheid, onbeperkt in ruimte en tijd, zich fixeert t.a.v. al wat met de waargenomen straling, de remanente straling of vibratie van het voorwerp op de daarmee meest harmonische fase die in het verleden ligt. Hierbij kunnen echter z.g. kruisassociaties optreden en ik heb daarbij geconstateerd dat op elk knooppunt, dus bij elke volledige omschrijving of poging tot omschrijving, een verzwakking ontstaat van de harmonie. Elk daarop gelijkend onderwerp – niet met het voorwerp gelieerd – kan daarbij als volgende punt tot aflezing komen.

Dit verklaart voor mij vele eigenaardigheden en onbetrouwbaarheden in deze psychometrische waarnemingen.

Ik heb mij ook nog willen bezighouden met de telekinese en kwam tot de conclusie dat wij hier te maken hebben met iets, wat elke geest en elke mens zou moeten beheersen. De algemeen geldende stelling is dat een zeker plasma of ectoplasma door het lichaam wordt uitgestoten. Dat blijkt helemaal niet waar te zijn. Het ectoplasma is een nevenverschijnsel, niet een hoofdoorzaak.

Het volgende vindt plaats. Het ego bezit zenuwkracht. Het ego bezit daarnaast iets dat ik als levenskracht zou willen omschrijven. Wanneer een voldoende concentratie ontstaat – dit kan via hypnose bereikt worden, in trance of door hevige emoties – dan zal de levenskracht binnen het lichaam tot ontlading komen, mits dit het brandpunt is van de concentratie. Hierdoor ontstaat een afscheiding van in feite astrale aard, waarbij de geaardheid van deze afscheiding ons herinnert aan eenvoudige celbouw. De term “plasma” is dus niet geheel ten onrechte gekozen, dacht ik.

Wat gebeurt er nu? De kracht en niet het plasma dat als nevenverschijnsel optreedt richt zich op voorwerpen en brengt in deze voorwerpen een verandering van relatie met de omgeving tot stand. Dit kan zijn een vergroting van zwaartekracht, een vermindering van zwaartekracht, het kan ook zijn een sterk elektrostatische spanning. Die spanningen kunnen oplopen tot statisch 30.000 volt zover ik heb kunnen waarnemen. Overigens niet gevaarlijk, zoals u weet want de stroomsterkte van statische lading is zeer gering. Daarnaast ontstaan storingen t.a.v. zwaartekracht. Verplaatsingen van voorwerpen is het resultaat van verstoring van zwaartekracht plus eenzijdige stuwing waarbij statische spanning optreedt.

Al deze punten, die op mij als waarnemer enigszins verbluffend gewerkt hebben, voerden mij natuurlijk tot een onderzoek naar de geest, de mogelijkheden van de geest en daarbij ook op de verschijnselen die wij toch in de esoterie kennen bij verrukking e.d. Bij een gebonden geest – en neem mij niet kwalijk dat ik hierbij op mijzelf wijs, ik ben er enige tijd één geweest – zien wij dat de gebondenheid ontstaat juist door het ik-besef. De poging om een ik‑voorstelling ten koste van alles te handhaven tegenover de omgeving, is m.i. zelfs bepalend voor het in het duister zijn van een geest. Hier is geen sprake van duisternis, maar van afwijzing van elke van buiten komende impuls, omdat deze gezien wordt als een aantasting van het ik‑beeld dat werd opgebouwd. De situatie toont zich ongeveer als volgt:

Naarmate de voorstelling van het ik geringer wordt, ontstaat een verminderde begrenzing t.a.v. de mogelijkheden van het werkelijke ik. Er ontstaat een wegvallen van de begrenzing, de afwijzingsbegrenzing die het ik‑voorstellinkje van het ego t.a.v. het werkelijke ego en zijn ervaringen en invloeden tot stand heeft gebracht. Dit verklaart de verrukking van de mysticus. Hij immers vergeet in zijn mystieke bespiegeling zichzelf en wordt dan gevoeliger t.a.v. zijn werkelijke persoonlijkheid. Al wat eruit voortvloeit is in feite niets anders dan zijn normale beleving, nu geformuleerd in de herinnering van een zich opnieuw begrenzend persoonlijk ik.

In de esoterie ontdekken wij eveneens soortgelijke verschijnselen. Wij ontmoeten soms in onszelf het licht of God, welke naam men dan ook geeft. Men zou misschien moeten zeggen: de mens ontmoet in zich het onuitdrukbare. Het resultaat daarvan blijkt voor de persoonlijkheid vaak langere tijd van gewicht. Wij zien grotere vitaliteit, grotere scherpte vaak en in vele gevallen een zekere beheersing van oorzaak‑ en gevolgverschijnselen.

Mijn conclusie is op grond van al het voorgaande, dat ook in het esoterisch beschouwen de ik‑begrenzing zoals deze in het hersendenken bestaat, terzijde wordt gesteld. Hierdoor ontstaat wederom een verruimende beleving van het werkelijke ik. En nu blijkt bovendien dat hierbij andere bewustzijnswaarden een rol gaan spelen. Ik zal trachten om ook dit eenvoudig te formuleren:

Alle denken is overal aanwezig, tenzij het gebonden is aan een ik‑beperking of wordt afgewezen door een ik‑beperking in een persoonlijkheid. Bij openstelling van het ego ontstaat een vloed van inkomende waarden, bewustzijnswaarden, gedachten, kennis en kracht. Deze moeten alle verwerkt worden en een deel daarvan zal ook nog onbewust worden afgewezen als niet passend of niet aanvaardbaar voor het ik. Wat resulteert is de intuïtie, de erkenning van het innerlijk geheim.

In de geest blijkt dit bovendien nog meer mogelijkheden in zich te bergen, omdat bij u de fixatie van het ik‑beeld vastgelegd is, niet alleen in de hersenen, maar merendeels ook in het lichaam zelf. Er is dus een afwijzingsneiging in de totale stoffelijke eenheid die mens genoemd wordt. Het hersendenken omvat bewustzijnswaarden die in de geest worden overgedragen Zoals ik overigens tot mijn spijt heb moeten ervaren. Deze bewustzijnswaarden zijn eveneens ik‑beperkend. Maar zij worden alleen in stand gehouden door de ik‑voorstelling, de angsten en begeerten van het ik binnen die voorstelling. Vallen deze weg, dan zijn de begrenzingen volledig opgelost en is van een terugkeer tot het begrensde ik maar slechts beperkt sprake. Waar dit ik-beeld wordt opgegeven, schijnt men te spreken over naar een hogere sfeer gaan. Ik heb kunnen constateren dat hier alleen sprake is van een bewuster leven in het werkelijke ik.

Uit al deze dingen heb ik enkele conclusies getrokken t.a.v. het heelal. Ik kan natuurlijk niet voor de volledige juistheid hiervan instaan. Ik kan slechts opmerken dat gezien de genoemde argumenten en vele andere proeven en waarnemingen, mij de conclusie aanvaardbaar lijkt dat materie niet afzonderlijk van de geest moet worden gezien, maar dat het ik‑besef, dus een zelfbeperking van de geest t.a.v. zijn totaliteit, aansprakelijk is voor de creatie van materie en materiële vorm.

Ik ben verder tot de conclusie gekomen dat wij niet kunnen spreken over een persoonlijkheid die God heet. Er is kracht. Deze kracht heeft ongetwijfeld eigenschappen. Zij komt in vele verschillende grootorden voor, zoals u begrijpen zult. De kern van deze kracht is altijd dezelfde. Het is niet zeker dat de wetmatigheden, waarmee die kracht zich voor ons manifesteert, eigenschappen van de kracht zijn. Het kunnen evenzeer eigenschappen van onszelf zijn. Ik neem aan dat deze kracht een bron heeft of misschien zelfs een wezen kan zijn. Maar ik weet dat dit wezen of deze bron zich nimmer kan gedragen als Godheid, volgens de op aarde geldende voorstellingen.

Mijn derde conclusie is dat tijd en tijdsverloop, zoals wij dit ook in de sferen kennen, zij het met een zeer persoonlijke waardering, deel zijn van een illusie. Zolang wij menen dat er fasen van bestaan zijn, kennen wij tijd. Op het ogenblik dat ons fasen-besef wegvalt, is er geen tijd. Op het ogenblik dat door concentratie van een mens zijn tijdsnorm en besef tijdelijk verwijderd worden, is hij vaak in staat binnen te treden in een deel van de tijd in het verleden. Er zijn voorbeelden te over, o.a. in Engeland. Een dame die een kathedraal binnengaat en daar een processie ziet die door anderen eveneens daarna is waargenomen, maar alleen in haar gezelschap en waarin zich personen bewogen die als historische persoonlijkheden herkend werden die ruim 200 jaar geleden geleefd hadden. Er is trouwens in de jaren 1880 ongeveer een dergelijk probleem geweest met twee Engelse dames – gezien hun bemoeiingen een kruising tussen horse‑face en blauwkous die op zoek naar het Trianon, omdat Versailles hen weinig zei, en terecht kwamen volgens hun beschrijving in een tuin die wel bestaan had in 1650, maar die sindsdien niet meer aanwezig was en waar landschappelijk veel aan veranderd was. Er zijn meer details bij.

Dit bracht mij tot experimenten in mijn eigen wereld. En het bleek dat het mij mogelijk was om andere fasen van tijd te zien. Er zijn er bij ons die menen dat dit schouwen in de tijd een visionair hallucinatoir proces is. Anders gezegd: de bron van het aanschouwde is de beschouwer. Ik heb echter kunnen constateren dat dit niet het geval is. Dat slechts de beperkingen in de waarneming van de beschouwer uitgaan.

Wanneer je probeert om het gebeuren op de Calvarieberg – ik wilde graag weten of dat werkelijk zo gebeurd was, dat begrijpt u – waar te nemen, dan blijkt dat wanneer je van vooropgezette meningen afstand kan doen – ik had er géén, dus dat was gemakkelijk – inderdaad een historisch proces kunt zien en wat méér is, het bleek mij dat dit op hetzelfde ogenblik gebeurde. Ik bevond mij dus in een andere tijd volgens de menselijk historische visie. Voor mijzelf bevond ik mij alleen in een gebeuren wat deel uitmaakte van wat ik dan mijn wereld, misschien mijn tijd zou mogen noemen.

Dit voert mij tot de conclusie dat het totaal van alle gebeuren, gelijktijdig en volledig aanwezig blijft. Dat elke waarneming in elke tijd voor een ik‑heid mogelijk is op het ogenblik dat het, hetzij door voorstelling of met andere middelen om de persoonlijkheid te richten, plus een verlies van wereldbesef t.a.v. een bepaalde, nu beleefde wereld, elke tijd of beter gezegd, elk gebeuren kan betreden. Het deelgenootschap aan het gebeuren blijkt echter niet mogelijk. Het is dus gefixeerd

Ik trek hieruit de conclusie dat wij alle gebeuren kunnen waarnemen, maar slechts gebonden zijn aan gebeuren dat een essentieel deel is van onze persoonlijkheid. Dit heeft mij zelfs verleid tot het aanvaarden van een zekere voorbestemdheid. Ik kwam echter later tot de conclusie dat het behoren tot een gebeuren, niet bepaald wordt door het wezen zonder meer. Maar via enkele proeven – dat de afstemming van het ik, waarbij het ik zijn eigen beeld volledig verliest – je in staat stelt daadwerkelijk als persoonlijkheid deel te nemen aan een gebeuren dat in een verleden of desnoods in de komende tijd ligt. De grote moeilijkheid bij het overbrengen van deze gegevens bleek mij verder te zijn, dat elk terugbrengen betekent een terugbrengen naar het beperkte ik volgens een bepaalde voorstelling, waarbij het niet mogelijk is, het geheel van het gebeuren te absorberen.

De conclusies, die ik heb getrokken, zijn vanuit mijn standpunt en volgens mijn mogelijkheden volledig verantwoord. Wanneer ik u deze voorleg, zo doe ik dit niet in de hoop dat u dit als een onaantastbare waarheid zult willen aanvaarden. Wel meen ik dat ik met deze stellingen een basis heb gegeven voor uw eigen benadering van magische gebeurtenissen, van mystieke belevingen en esoterische processen. Hij die beseft dat hij met werkelijke krachten te maken heeft, krachten die materieel zo goed aanwezig zijn als geestelijk, hij die beseft dat de grote beperking t.a.v. gevoeligheden en vermogen, gelegen is in de ik‑voorstelling, zal nl. in staat zijn te aanvaarden, dat geloof een zeer belangrijke factor is in elke esoterische beleving, maar eveneens een essentieel deel is van elk magisch gebeuren.

Het geloof blijkt nl. in staat te zijn een deel van het ik‑besef en de daarmee verbonden redelijkheid te doen vervagen. Wanneer ik iets volledig geloof, stel ik i.p.v. de menselijk gangbare zintuiglijke werkelijkheid, mijn eigen werkelijkheid, die echter in feite bestaat, zij het niet in de stoffelijke vorm, waarin ik ze mij voorstel. Wanneer ik deze feitelijke werkelijkheid echter beleef, zal ik alle krachten daarin aanwezig automatisch in mijn eigen stoffelijke wereld visualiseren en met mijn gedachten daaraan vormgeven.

Het is mogelijk, alleen door de vervaging van z.g. redelijke processen en andere begrenzende en impuls afwijzende processen, binnen het ego te komen – ook binnen de materie – tot het hanteren van de krachten, die voor het geheel van het ik altijd aanwezig zijn en in brandpunt gebracht kunnen worden. Het is langs deze zelfde weg mogelijk toegang te vinden tot het totaal van besef, niet slechts van één tijd, één wereld of één mens, maar van al die waarden, die men zonder afwijzing kan aanvaarden.

Mijn conclusie t.a.v. de hindoeleer, die ik reeds aanstipte, is dan ook als volgt: Wanneer het hersendenken terugtreedt en daarvoor het ik‑besef als werkelijkheid functioneert dan zullen toestanden bereikt worden, waarin alle dingen mogelijk zijn, zolang het ik deze aanvaarden kan, dus niet afwijst. Daarom zijn reïncarnatie, duplicatie van persoonlijkheid, teleportatie telekinese, rapporten en contacten over onbeperkte afstand inderdaad mogelijk. Daar waar men het geloof terzijde stelt, blijft echter alleen de benadering van materieel standpunt uit mogelijk. En daarbij kan wel gebruik gemaakt worden van de gevoeligheden van het centraal zenuwstelsel. Door scholing kan men deze zonder meer leren hanteren. Hiervoor is geen geloof nodig, slechts het leren interpreteren. Maar de werkelijke krachten en erkenningen van de mens liggen buiten zijn stoffelijke beperktheid. Dit houdt voor mij verder in dat de opvolgers van Rhine, uiteindelijk betere en meer omvattende resultaten moeten behalen dan de opvolgers van Wasiljef.

Het houdt voor mij verder in dat de mensheid, wanneer ze haar ik‑besef op welke wijze ook aangetast ziet, kan komen tot enorme bereikingen, die vanuit het huidige standpunt chaotisch lijken, maar die dit in kosmische zin zeer zeker niet zijn.

Ten laatste zou ik willen opmerken – misschien dat hier de oude aard weer even naar voren komt – dat zeer veel mensen dingen verwerpen, omdat ze het moeilijk vinden die te aanvaarden. Dat zeer veel mensen weigeren een reëel onderzoek te doen op persoonlijke of wetenschappelijke basis t.a.v. vele mogelijkheden en objecten, omdat zij bevreesd zijn een deel van zichzelf te verliezen. De mens kan zichzelf niet verliezen, want met het verlies van zijn hersenbeperktheid gewint hij eerst toegang tot zijn werkelijke ego.

In de hoop u met deze lezing enkele punten ter overweging gegeven te hebben, dank ik u voor de mij verleende aandacht, de broeders van de Orde voor de mij gegeven gelegenheid en druk ik de wens uit dat u in uw esoterische en andere bestrevingen zult kunnen komen tot een zodanig geloof, dat u – bij een verwerping van ik‑beperktheid – leert meer werkelijk bewust te leven, van het werkelijke doel uitgaande.