De formalisatie van het geloof

image_pdf

5 september 1958

Aan het begin van deze bijeenkomst moet ik u erop wijzen, dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Wij hopen dat u zelfstandig nadenkt.  Het onderwerp voor deze bijeenkomst: De formalisatie van het geloof.

Geloof is, zoals u weet, iets wat reeds zeer oud is. Een soort noodzakelijke aanvulling van het menselijke leven in de stof.  Het geloof zelf, onverschillig door wie het wordt verkondigd, onverschillig op welke wijze het beleefd wordt, is en blijft een levende factor. Het individueel opgaan in het geloof nu is het meest belangrijke hierbij. Er zijn natuurlijk altijd wel enkele algemeen aanvaarde stellingen en leefregels, maar in feite worden zelfs deze in zekere zin individuele waarden door het vaak grote verschil in interpretatie. Neem bv. uit de bekende Tien Geboden het gebod: “Gij zult niet doodslaan”. Dat betekent, dat je niemand van het leven mag beroven. Toch weten wij allen, dat velen menen dat je wel mag doden, wanneer het erom gaat je eigen leven te behouden.

Anderen weer menen dat men, om de maatschappij te beschermen, een doodvonnis mag uitspreken en doen voltrekken. Men meent zelfs wel, dat op basis van imaginaire, of redelijke grieven, men een oorlog mag ontketenen, die de levens van zeer velen zal kosten. Volgens vele leraren is dit niet in strijd met het genoemde gebod. Dit alleen zal u al duidelijk maken, waar de schoen eigenlijk wringt.

Op het ogenblik dat wij een geloof aanvaarden is dit ons een innerlijke noodzaak. Zonder geloof kunnen wij niet leven. Wij hebben deze innerlijke verbondenheid met hogere krachten nodig.

Maar zodra wij er toe komen, ons geloof te veranderen in een onpersoonlijke leer en het a.h.w. wetenschappelijk vastleggen, komen wij tot een overgave aan specialisten. Hierdoor blijft het geloof voor ons uiterlijk en kan niet meer innerlijk verantwoord worden. Er zijn voorbeelden te over, die tonen, waartoe dit leiden kan. Denk maar eens na over de betekenis van de vraag: Hoeveel engelen er wel kunnen dansen op de punt van een naald? Men noemde ook dit theologie, maar m.i. heeft het niets meer te maken met geloof. Eerder valt het in dezelfde klasse als het verzamelen van postzegels, lucifermerken en suikerzakjes; een liefhebberij. Meer niet.

Op het ogenblik, dat men zijn mening hierover aan anderen tracht op te leggen als de enige waarheid, dwingt men het individu – zij het door geestelijk overwicht – zichzelf, reden en geloof te verloochenen. Dergelijke dingen vinden wij nu in vele kerken.

Een kerk is een religieuze organisatie. Elke kerk wordt gebaseerd op een reeds bestaand geloof. Eerst moet er een geloof zijn. Dan eerst kan men komen tot een kerkelijke organisatie. De kerk zal echter nu trachten alle mogelijke aspecten van een geloof voor altijd vast te leggen. Men vergeet daarbij, dat het geloof een innerlijke zaak is, een aanvaarding, die geheel binnen de persoonlijkheid werkt. De ware inhoud van het geloof is een zich innerlijk verenigen met God.

Dit nu is niet langs de weg van stoffelijke regels en besluiten te bepalen. Ik meen verder, dat niemand het recht heeft een ander te veroordelen, omdat hij anders gelooft, of zijn geloof anders ervaart, dan men zelf doet. Binnen een kerk zal echter juist dit vaak voorkomen. Schuld hieraan zijn in de eerste plaats wel de commentaren en aanvullingen, die men aan het oorspronkelijke heeft toegevoegd. Men vindt hiervan o.m. een voorbeeld in het joodse geloof; de commentaren beslaan vele malen het aantal boeken dat de Bijbel vormt. In de ogen van velen echter zijn deze toevoegingen even belangrijk als de leer zelf. Feitelijk kan de zin van het joodse geloof en zijn wetten worden samengebracht in de tien geboden, die Mozes eens het volk gaf. De jood die deze geboden geheel volgt naar beste weten, handelt goed en is in zijn geloof juist. Indien wij nu zien hoe er door verschillende scholen wordt gestreden over hetgeen toegelaten is op de rustdag, over de juiste wijze, waarop men een gebedshuis binnen moet gaan, enz., lijkt het er wel sterk op dat “maintien” – manieren – belangrijker zijn dan intense beleving van het geloof zelf.

Men zegt wel, dat een kerkelijke band noodzakelijk is, dat een gelovige niet zonder de leiding van een kerk het geloof juist kan beleven. Want, zo voegt men daaraan toe, anders zou iedereen de geboden op zijn eigen manier uit gaan leggen en op zijn eigen wijze geloven. Maar ook dan blijft wel degelijk een persoonlijke interpretatie bestaan. Denk aan de simpele mens die – omdat hij voor de kerk op de vrijdag geen vlees mocht eten – zijn kapoenen rustig doopte voor de slacht. De ene keer overigens als snoek, een andere keer als zalm, want de simpele mens hield van afwisseling. Oppervlakkig zou deze simpele mens in onschuld kunnen handelen. Hij zou dan gelijk hebben. Maar zijn handeling houdt een begrijpen – van het verbod en zelfs de redenen ervan – in. Zijn methode was dus een zelfbedrog, waarmede getracht werd aan onaangename kerkelijke regels te ontkomen. Maar heeft een opgedwongen vasten wel zin?

Zodra het vasten niet een offer uit vrije wil is, waardoor men tracht nader tot God te komen, heeft dat m.i. weinig zin.

Ook kan men zeggen: Het is noodzakelijk, dat het geloof overal gelijkelijk verkondigd wordt. Dat men overal met dezelfde woorden spreekt, dat overal het zelfde ritueel is. Een argument, dat wij vooral in één bepaalde kerk vaak horen. Ik vraag mij echter af: Is hierdoor het geloof dan ook wel overal hetzelfde? Is er wel inderdaad buiten het formele een blijvende overeenkomst? Indien wij eens kijken bij de verschillende volkeren, dan blijkt, dat wel degelijk elke groep binnen dit “gelijke” geloof toch zijn eigen opvattingen heeft. Een aardig voorbeeld vinden wij hiervan in de kerkelijke kunst van de katholieken. U moet eens zien naar de verschillende nadruk die wordt gelegd in de voorstellingen door de Neger, de Chinees, de Italiaan, de Nederlander en de Rus. Wij zien een ieder, ondanks de gelijke grondwaarde, een geheel eigen visie geven. Dit is niet alleen maar een kwestie van verschil in voorstellingen. Het is wel degelijk een weergave van een verschil in geloofsaanvaarding.

De schijnbare eenheid, die door deze kerk wordt bereikt, leidt aan de andere kant tot een sterke beperking van het persoonlijk geloofsbeleven. En juist dit is belangrijk. Ik geloof, dat God in de eerste plaats de Schepper, de Vader, is. Maar of wij die God nu willen gaan zien als de verschrikkelijke Rechter, als eerste Oorzaak zonder meer, of als een God van Liefde, maakt in feite weinig uit. Het wezen van God blijft gelijk. Hij is de Creator. Hij is in al het geschapene. Hij is in alle dingen. Nergens vinden wij bij de leraren een stelling, die er op wijst dat er iets buiten de Schepper, buiten de levenskracht zelf om kan bestaan. Dan is het ook niet nodig deze God formalistisch te benaderen. Hij is immers overal en altijd? Dan is het ook niet nodig die God alleen in een bepaalde vorm te eren, of Hem alleen met een ritueel te benaderen. De hoofdzaak is, dat wij zelf leren ons wezen op God te richten. Daarmede is de verlangde eenheid bereikt.

Meer is niet nodig. Het is juist deze stelling, die mij in verzet brengt tegen het dwingen door kerkelijke richtingen en meer zelfs nog tegen het vitterige sektarisme, dat daarbinnen nog weer bestaat.

Kan een mens omtrent een Goddelijke waarheid gelijk hebben? Ik geloof, dat iedereen te allen tijde gelijk heeft, wanneer hij over God spreekt. Want God omvat veel meer dan in boeken, of zelfs duizenden jaren van geloofsbeleven kan worden vastgelegd. Kan een mens dus met zijn geloof omtrent God ongelijk hebben? Neen, want, waar hij God ook zoekt, zal hij God ook ontmoeten. De moeilijkheid blijkt steeds weer de vraag: Hoe schatten wij onze mensen en kerken in? Is het mogelijk, dat bepaalde richtingen binnen bv. het christendom hun gelovigen te hoog aanslaan? Men stelt eisen en voorwaarden aan de gelovigen, die een farce moeten worden, omdat de meerderheid nu eenmaal niet in staat is deze dingen innerlijk en oprecht te beleven.

Vele van de stellingen en eisen liggen te ver buiten het normale vlak van het menselijk begrijpen, het menselijke bestaan.

Aan de andere kant vinden wij vaak kerken en sekten, die in bepaalde opzichten schijnen te menen, dat elke gelovige een onmondige is. De gelovige mag dan niet eens zelfstandig nadenken. Hij mag niet zelf, zonder bemiddeling, met God omgaan. Dat doet mij denken aan ouders, die steeds weer hun kinderen voorhouden: Jij kunt nog niet met geld omgaan… Deze ouders zullen immer trachten alle rekeningen voor hun kinderen te voldoen. Misschien, dat zij een enkele keer hun kinderen een weinig geld voor zichzelf geven. Maar altijd te weinig en met te weinig verplichtingen voor het kind om te beseffen, wat het geld waard is. De kinderen zullen, wanneer zij volwassen worden, eerst in verzet komen en dan waarschijnlijk vele dwaasheden uithalen, tot groot verdriet van de ouders.

Zo gaat het vele kerken ook. Door te veel alle verantwoording en elke beslissing voor zich op te eisen, brengen zij, ondanks de goede bedoelingen, hun gelovigen precies de verkeerde kant uit.

Zo zijn er veelal sacramenten en zegeningen, die deel uitmaken van het geloof. Maar, zo zegt men tot de gelovigen, daarvoor ben je niet verstandig en goed genoeg. Dit mag je zelf niet, dit kun je zelf niet. Daarvoor zijn degenen, die de kerk heeft aangesteld. Hoe dat zo? Omdat zij door wijding in staat zijn meer te doen dan een leek? Maar waarom doen zij dan alleen maar symbolische wonderen en zien wij nooit een werkelijk wonder als bewijs van hun geestelijke meerderheid? En als er geen waarde schuilt in het ceremonieel, in het uiterlijke, vraag ik: Zouden u en ik God innerlijk niet even goed, even intens kunnen beleven als de priesters en voorgangers? Zou het voor God en de Goddelijke krachten een verschil uitmaken, dat de mens achter Drs. Theologie kan zetten, of niet? Theologie is een menselijke studierichting.

Een wetenschap, opgebouwd uit veronderstellingen omtrent het grootste raadsel van de Schepping. Zou zoiets voor God een verschil uitmaken? Ik kan mij dit niet indenken. Evenmin als ik kan indenken – neem mij niet kwalijk – dat wijding en handoplegging, een zich terug trekken in een klooster, het volgen van een yoga-scholing enz. alleen hierdoor reeds de mens het recht zou geven anderen te leiden. Toch handelt men, alsof dit alleen al een recht geeft anderen te leiden, de waarheid te verkondigen, te bepalen, wat aanvaardbaar is en wat niet aanvaardbaar is.

Natuurlijk, wanneer je jaren lang gestudeerd hebt, je jaren hebt bezig gehouden met een bepaalde studie, ben je geneigd te zeggen: ik weet er wel wat van. Maar te menen, dat deze studie van één object u het recht geeft over alle dingen te spreken en te oordelen als deskundige, is toch wel wat dwaas. Handelt men zo, dan gaat het misschien als met die professor in de chemie. Deze meende, dat hij als professor van alle dingen veel wist. Toch gebeurde het heel vaak, dat hij een mus aanzag voor een roodborstje, een zeehond voor een zeekoe, een goed mens voor een oplichter en omgekeerd. Dat heeft hem op de duur zijn gezag, zijn salaris en een deel van zijn pensioen gekost. Toen was hij er zelfs nog niet ervan te overtuigen, dat hij verkeerd was geweest. Want, zo zei hij: Ik heb mijn leven lang gestudeerd.

Ik weet, jullie niet.

Een theoloog kan heel goed weten, wat de mensen menen in een godsdienst te moeten zien, hoe de mensen zich o.m. God moeten voorstellen. Maar al heeft hij een eigen overtuiging en maakt hij aan de hand daarvan een selectie t.o.v. de leerstellingen, die in de loop der tijden verkondigd waren, is het nog lang niet zeker, dat hij alle waarheid, of zelfs de enige waarheid geheel kent. Het is zijn goed recht als mens een eigen overtuiging te hebben. Maar is het daarom nu ook zijn goed recht zijn eigen zienswijzen dwingend aan anderen op te leggen? Heeft een voorganger, of dominee, het recht iemand ter wille van zijn gedrag de bijeenkomsten te ontzeggen? Indien wij uitgaan van het standpunt, dat een kerk een vereniging is van mensen, die een bepaald doel nastreven zonder meer, ja. Maar dan is hij niet meer, of minder, een spreker of leraar in de zin van school, of vergadering. In geen geval is hij dan een vertegenwoordiger van God. Hij heeft dan evenveel recht – en niet meer – te spreken als de voorzitter van de boksbond, de secretaris van de K.N.V.B., of een ander.

Vanuit dit standpunt mag hij maatregelen treffen en handelen. Maar hij handelt meestal niet als de leider, of voorzitter van een groep, doch als de kenner en beheerser van de Goddelijke waarheid. Hij heeft deze bestudeerd en op grond daarvan dreigt hij zelfs met Gods toorn en eeuwige duisternis. Alsof hij dus namens God zou spreken……

Daarbij toont men zich over het algemeen heel wat minder barmhartig als Jezus. Jezus sprak met de Samaritaanse en hielp haar, aanvaarde Maria Magdalena onder Zijn leerlingen. De zonden, die Hij neerschreef in het zand om de overspelige vrouw te redden, wiste Hij onmiddellijk uit met de voet. Wanneer Jezus zo handelt, hebben dan Zijn “vertegenwoordigers” het recht te zeggen dat een ander een zondaar is en dat meestal nog wel tamelijk openlijk?

Is er één mens in de wereld die het recht heeft Gods plaats eenvoudig in te nemen en voor eeuwig vast te stellen, hoe zijn medemens er voor staat in geestelijk opzicht? Als mens mag je oordelen over mensen, al is ook dit niet raadzaam. Maar nooit mag je, een eigen oordeel sprekende, impliceren, dat dit Gods oordeel is. Daartoe heeft geen enkel schepsel het recht.

Heeft iedereen het recht, als uitvoerder van Gods’ wil, een mens te excommuniceren, alleen omdat hij anders gelooft, dan een bepaalde instantie meent, dat hij zal moeten geloven? Kan men iemand werkelijk van God verwijderen? Neen. Dan is dit alles comedy. Een kerk legt haar leerstellingen neer in vele boeken, in een catechismus. Het christendom, nu ongeveer 1900 jaren oud, heeft een onvoorstelbare reeks van boeken en studies voortgebracht.

Al deze studies en stellingen blijven in leven binnen de kerk. Zeker, wanneer de menigte niet meer achter de kerk aanloopt, zal men – indien nodig – die stellingen en voorschriften enigszins wijzigen. Als instelling draaft de kerk altijd weer achter het bewustzijn van de menigte aan. Men klampt zich altijd weer aan het oude vast. Is dan het contact van de mens met zijn God iets, wat je vast kunt leggen, omschrijven en vaststellen aan de hand van leerboeken, of op grond van hetgeen volgens de overleveringen vroeger gebeurd is? Zou er ergens een onveranderlijke en Goddelijke jurisprudentie bestaan? Ik meen van niet. Ik meen, dat het contact van de mens met God te allen tijde een zuiver persoonlijke zaak is, die alleen telt op dit ogenblik, die alleen zo is in het heden. Verstarring is een van de eerst en niet onbelangrijke bezwaren, die ik tegen kerkelijke instellingen heb.

Een tweede punt. Wanneer men zegt: “Dit is de waarheid, denk over de juistheid hiervan nu maar verder niet na, want zo is het en niet anders. Herhaal alleen de formules, die wij je voorkauwen.” Doodt men dan niet iets in de mens? Komt dan de formaliteit niet in de plaats van het intens beleven van God? Het zonderlinge van de zaak is, dat degenen, die een geloof tot aanzien brachten, zij, die de mens dichter tot God trachtten te brengen, nooit zelf een kerk hebben gesticht. Zeker. Men heeft interpretaties van de leer uitgevonden, die het bestaan van een kerk moeten rechtvaardigen. In het christendom: “Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn kerk bouwen”. Het Jodendom baseert zich op de uitverkiezing tot priesterschap van Levi’s stam. Maar deze rechtvaardigingen vallen in het niet, wanneer men de leringen nagaat, die door de leraren zelf werden gegeven. Dezen werden tot de mens zelf gericht. Persoonlijk. Niet tot de mensheid, tot latere tijden, of de eeuwigheid.

Wanneer Jezus spreekt, zo spreekt Hij in gelijkenissen. Om de reden, dat Hij juist zo de mens in de menigte een juist begrip van Zijn leer en stellingen kan geven. Hij spreekt met woorden die de mensen kunnen begrijpen. Mag ik dan misschien mij afvragen, waarom zo velen van hen, die Hem volgen – of wat dat betreft, dat degenen die Mohammed volgen en de Boeddha – het de anderen zo moeilijk, de leer zo ingewikkeld maken? Waarom moet er, wanneer je vraagt, steeds weer gezegd worden: Dat kunnen wij – of dat kunnen jullie – toch niet begrijpen? Neen, de kerken maken het de mens aan een kant gemakkelijk: zij tonen je een nauwkeurig afgetekend weggetje. Wanneer je daarop maar voortsjokt, komt de rest wel in orde. Maar het begrijpen wordt meestal eerder moeilijk dan eenvoudig gemaakt.

Wat geestelijk denken en leven betreft, wordt er geen enkel beroep gedaan op persoonlijk denken en zelfstandig werken. Er ligt, in wat de kerken brengen, geen ogenblik dat intense geloof, dat al het menselijke overtreft. Het blijft allemaal een spel van gewoonten, waarin weliswaar een ogenblik van zelfvergetelheid, of verrukking, voor kan komen, maar waarin maar zelden ook dan een besef rijst van hetgeen er werkelijk in het ik gebeurt. Het in formules vastgelegde geloof is soms het enige, dat ons ter beschikking staat. In de dagen, waarin u leeft, moet de mens geestelijk al heel ver gevorderd zijn, voor hij in staat is Jezus leringen in zich persoonlijk te bevatten en hernieuwd Jezus werken te herbeleven. In deze dagen moet je al heel ver gevorderd zijn, vóór de leer van de Boeddha je als rijk en zinvol in de oren klinkt. Dat geef ik toe. Maar de geschriften liggen voor ons: simpel en eenvoudig. Geschriften overigens, die heel wat meer bevatten dan menige kerk – zich daarop baserende – als waar durft te accepteren. Nu vraag ik mij af, waarom het nodig is ieder te dwingen aan deze geschriften een welbepaalde en vaak ingewikkelde interpretatie te verbinden als de enig juiste. Mijn tweede bezwaar tegen de kerken is niet, dat zij vaak het geloof aanmerkelijk verminken. Daar kan ik nog over heen stappen. Mijn bezwaar is, dat men tracht de mens de aanvaarding van een geloof tot een soort gewoonte te maken, zonder enig werkelijke innerlijke beleving. Een gewoonte sleur, waarin zelfs de verrukking eerder een roes lijkt dan het ondergaan van een kosmische waarheid. Ik weet, dat het gevaarlijk is, wat ik hier allemaal zeg. Velen zullen mij aan willen vallen en zeggen: Wat zou er zonder de kerken zijn geweest op aarde? Dat weet ik niet.

Maar wel kan ik vertellen, wat er zeker niet op aarde zou zijn geweest zonder de kerken: zonder het Christendom geen inquisitie. Oorlogen zouden er wel geweest zijn, maar zij zouden gevochten zijn met minder fanatisme. Zonder de Islam, in haar kerkelijke vorm, zouden er minder fanatici hun leven eenvoudig wegwerpen in de strijd tegen de ongelovigen. Zonder het spel van de vergeving van de zonden in kerkelijk verband zouden de mensen zich misschien meer dan nu bewust zijn van hun eigen verantwoordelijkheid tegenover de mensen en tegenover God. Zeker zou er minder onverantwoordelijkheid zijn.

Er zijn op deze wereld vele kerken, die toch ook het beste in de mens wekken. Denken wij aan de zendelingen, die missionarissen, de Leger des Heils mensen, die uittrekken en overal dienen.

Zowel in Nederland en Duitsland als in de door ziekten verpeste gebieden van de Amazone en de wildernissen van Azië. Mensen, die aan anderen niet alleen maar hun geloof trachten te brengen, maar ook genezing en onderricht. Er zijn kloosterorden, boeddhistische orden, die onmetelijk veel voor hun medemensen doen. De naastenliefde wordt door velen binnen het geloof beleefd op wondermooie wijze. Wij mogen niet zeggen, omdat wij de kerkelijke strakheid en gebondenheid verwerpen, dat ook alles wat de kerken voortbrengen, niets waard is.

In de lezingen van de komende maanden zullen wij dit steeds weer bewezen zien, ook al komen wij hierop niet nadrukkelijk terug. Elk geloof in zich brengt de mens dichter tot zijn God. Het bevrijdt hen vaak van iets.

Jezus maakte met Zijn leer bv. slaven in eigen ogen tot gelijkwaardige, tot vrije mensen. Boeddha maakte de uitgeworpenen, zowel als zij, die gebonden en beperkt waren in het kader van de hoogste kasten, vrij, zodat zij het geheel van het leven durfden aanschouwen. Wij mogen niet ontkennen, dat de kerken aan vele mensen de middelen hebben gegeven om geestelijk verder te gaan. Maar gelijktijdig hebben zij de vrijheid, die voor een werkelijk waar beleven van het geloof nodig is, aan de mens ontnomen. Wij zullen elke kerk steeds weer respecteren. Niet om de wijze, waarop zij het geloof doceert. Niet om haar dogma’s en stellingen, maar om de vele mensen, die ook binnen deze kerken tot een persoonlijk geloof zijn gekomen, ook al beseffen zij niet, dat zij in feite buiten, of boven de gemeenschap staan, waartoe zij zich nog bekennen. Want soms kunnen de gelovigen, ook in een kerkelijk verband, ver doordringen achter de uiterlijkheid, die de massa beheerst.

Het heeft weinig zin de mens te vragen wat hij gelooft. Vraag eerder, hoe hij gelooft. Wanneer hij zeggen kan, dat hij met hart en ziel gelooft, met lichaam en geest, betrouwende op hetgeen hij in zich kent als een zekerheid, dan is het goed. Dan is er een band met God, die geen uitwerping, verwerping, of verdoeming meer mogelijk laat. Dan is er ook geen behoefte meer aan bemiddeling. Dan is God in de mens en is de mens in God geborgen. Wanneer wij dan de komende tijd over vele godsdienstige en religieuze problemen gaan spreken, verzoek ik u vooral dit niet te vergeten.

Er zijn richtingen, die levensvreugde verwerpen, terwijl Jezus – op Wiens leer zij zich baseren – juist de levensvreugde zo intens kende, genietend van de zang van vogels en de geur van bloemen, jubelend over de schoonheid van de Schepping. Er zijn mensen, die zich in starre rechtvaardigheid verheven achten boven anderen in plaats van, evenals hun Meester, zich nederig tot dienaar te maken van allen. Wanneer wij echter wijzen op fouten, op onredelijkheden, dan doen wij dit zeker niet, omdat men op deze wijze God niet voor zich kan bereiken en het innerlijk contact verwerkelijken. Ons gaat het erom aan te tonen hoeveel meer er schuilt in een geloof, dan alleen God te naderen. Men zal ons waarschijnlijk in de komende dagen van vele ketterijen beschuldigen. Vooral ook, omdat wij, bij de behandeling van Jezus leer, verschillende uitspraken aan zullen halen, die niet in de evangeliën werden vastgelegd.

Daartegenover hebt u dan één voordeel. Wij zullen niet zoveel waarde hechten aan de Epistels van de apostelen. In feite gaat het ons alleen om het geloof, dat in een zuivere leer geborgen ligt. De formalisatie, de kerkelijke omschrijving ervan, interesseert ons minder. Het gaat om de band, binnen elk geloof bestaande, tussen God en mens.

  • Hetgeen u zegt, wordt bevestigd door het meningsverschil tussen Johannes en Petrus bij het meer van Tiberias. Juist de mysterieschool stelt “Op u komt het aan”. De godsdienst doet dit niet.

De zogenaamde godsdienst. Want m.i. kan men God niet waarlijk dienen zonder te beseffen dat het hierbij alleen op het eigen ik aankomt, de eigen relatie met God.

  • Dan komen wij bij de esoterische zijde van de godsdienst terecht.

 Ongetwijfeld. Maar dat is ook de enig interessante.

 0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0-0

 Deel twee

 “Lot is karakter.”

Neen, Dat klopt niet helemaal. Wanneer u het omdraait kan ik het eerder met u eens zijn. Want het karakter bepaalt ten dele het lot. Maar te zeggen dat karakter en lot identiek zijn is zeker niet juist. Wat is namelijk het menselijk karakter? Wanneer wij het voorzichtig eens nagaan, zullen wij al snel bemerken, dat het voornamelijk is terug te brengen tot erfelijkheid en verdere lichamelijke eigenschappen. U denkt misschien, dat u uw vaste wil te danken hebt aan eigen streven en doorzettingsvermogen. Of misschien, dat uw luiheid alleen uw eigen fout is.

Maar wanneer wij dit technisch nagaan, blijkt ons onder meer dat de vasthoudendheid bepaald wordt door een zekere evenwichtigheid, die in het lichaam berust. Ook de luiheid berust op bepaalde interne afscheidingen. Uw tempo van denken en leven wordt voor ten minste het grootste deel door lichamelijke omstandigheden bepaald. Aan de hand van interne secreties is het mogelijk te bepalen, binnen welke perken van actie een mens tijdens zijn leven zal blijven.

Volgens u zou dit ongeveer – of grotendeels – gelijk staan met “lot”.

Maar is een mens dan alleen een lichaam? Een mens heeft immers ook een geest? Die geest mag nu arm zijn of rijk, een lichtje, of een stralende zon, zij komt altijd in een lichaam dat, ondanks alle pogingen van de geest haar eigen streven daarin te verwerkelijken, eigen persoonlijke kwaliteiten zal behouden. De geest kan inderdaad de stof wel geheel hervormen.

Maar om dit te kunnen doen, moet zij beschikken over een bewustzijn, dat het normale verre te boven gaat. Bovendien; wie de stof beheerst, hoeft niet meer te incarneren. Die hoeft niet meer op aarde te komen. Hij heeft immers reeds de kennis en beheersing, die de normale mens in het leven op aarde juist nog zoekt. De doorsnee mens zal dus niet in staat zijn, zijn lichaam voldoende te veranderen om geestelijke waarden geheel te uiten.

Dan gaan wij weer verder. Zou het mogelijk zijn, dat karma, of lot, van de geest afhankelijk is?

Wanneer de geest incarneert, kiest zij haar voertuig naar eigen smaak. Zij zal aan bepaalde mogelijkheden aangetrokken worden, maar zal aan ander voorbij gaan. Overigens een zeer normaal verschijnsel: Bent u wel eens de stad in gegaan om iets te drinken? Dan loopt u ook bepaalde mogelijkheden voorbij. Want deze zaak is niet gezellig en die andere is weer te rijk, of te duur. Maar daar, daar voel ik mij thuis. Dit wordt bepaald door het milieu waaraan u gewend bent, door uw levensgewoonten. De een wil alleen eten in de grill-room van Hotel Des Indes, een ander voelt zich alleen maar gelukkig bij de Bock-Harrison.

Op dezelfde manier zoals levensgewoonten en normaal milieu beslissen, waar u zich thuis gevoelt, zal voor de geest bewustzijn en eventuele vorige ervaring uitmaken, welke omgeving en welk voertuigelijke mogelijkheden zij prefereert. De geest wordt nooit gedwongen een bepaald lichaam te nemen. Zij kiest volgens eigen wil en bewustzijn, neemt een eigen standpunt in. Dit houdt in, dat zij dus een voertuig zal aanvaarden, dat enigszins overeenkomt met haar eigen voorstelling van goed leven.

Nu kunnen wij dus ook gaan zeggen, dat die geest een bepaald karakter kiest. Het kwade ziet de geest niet, wenst zij niet. Zou u dit willen stellen, dan kunt u evengoed zeggen, dat u bij het bestellen van een portie doperwten ook de worm hebt besteld, die er toevallig in schuilt. Maar dat had u toch zo niet bedoeld, nietwaar? Toen de geest een lichaam koos, bedoelde zij zeker niet alle beperkingen van lichaam en karakter er bij te nemen. Zij krijgt deze op de koop toe. Zij heeft dus de lichamelijke ervaringen – het lot – niet bewust gekozen. Wanneer de geest echter beseft, welke lichamelijke fouten er zijn, kan zij deze bestrijden. Dit is echter sterk afhankelijk van de ervaring die zij opdoet. Denk maar eens aan de driftige mensen rond u, die zich leerden beheersen. Vroeger gooiden zij misschien de baas een inktpot naar het hoofd.

Omdat zij echter hebben geleerd, dat dit nu eenmaal niet kan, door ervaring dus, zeggen zij ” ja, meneer”, bijten op de lippen en gaan verder. Op dezelfde manier kan de geest bepaalde zeer lastige lichamelijke kwaliteiten in gaan tomen. Maar zij kan niet de lichamelijke geaardheid zelf veranderen, noch het gehele wezen zonder meer. Dat zou wel te gemakkelijk zijn. Stelt u zich voor, dat uw geest zegt: Ik hou van schoonheid. Nu is zij geboren in een lichaam, dat niet zo mooi is. Die geest zou dan eenvoudig de vorm kunnen veranderen, enz. Het zou mooi zijn, wanneer dat waar was. Maar het is niet waar. Daarom mogen wij ook niet zo maar zeggen, karakter is lot, lot is karakter.

Het karakter bepaalt het lot niet helemaal. Want de geest is in staat het karakter althans enigszins te wijzigen. Door ervaringen kan de mens er verder toe komen zich in te tomen, waardoor het lot dan ook weer iets verandert. Het karakter bepaalt zeker niet alles wat je door zult maken. Het lot zelf, de reeks van belevingen die je doormaakt, is niet alleen gelegen in het stoffelijke bestaan. Maar evenmin geheel in het geestelijk bewustzijn. Wanneer u geboren wordt in deze tijd, is het haast niet mogelijk te sterven bij Romeinse wagenrennen. Daarvoor ben je te laat. Iemand, die geboren werd in de dagen van de trekschuit had niet de mogelijkheid om de vreugde van snelheid te beleven en een beroemd coureur te worden. De omgeving en de periode, waarin u leeft, zijn wel degelijk ook een deel van het lot. Zij beperken u in uw mogelijkheden en geven bovendien aan de uitingen van het karakter een bepaalde richting, een zekere inhoud.

Beschouwt u dit probleem op deze wijze, dan zult u moeten toegeven dat het in de titel gestelde maar ten dele juist is. Wat bv. is het lot van de mens? Waaruit is het opgebouwd? In de eerste plaats, omgeving plus familie. De mensen dus die rond hem zijn en de voorwaarden, waaronder hij zijn eerste levensjaren doorbrengt. In de tweede plaats: psychologische invloeden. D.w.z. hetgeen hij leert uit eigen ervaringen, als tegengesteld aan hetgeen de maatschappij hem dwingt te leren. Dit brengt namelijk conflicten met zich, waardoor het karakter in uiting gewijzigd wordt. Dit beïnvloedt zeker ook alle ervaringen. De derde lots bepalende factor is het geestelijk bewustzijn. Dit stelt een bepaald streven primair en tracht voortdurend het gehele lichaam op dit streven te richten. De vierde factor vormen stoffelijke kwaliteiten die wij instinct noemen. Deze reacties zullen vaak bepalen, hoe u in het eerste ogenblik tegenover uw omgeving zult staan. Dit beïnvloedt wel degelijk alles wat u in een dergelijke omgeving door zult maken. Ook het toeval speelt een rol. De niet voorzienbare omstandigheden dus, waardoor je soms de mogelijkheid vindt, jezelf te ontplooien, maar je even vaak zullen beletten, dit te doen.

Al deze dingen tezamen zijn “je lot”. Of u kunt zeggen “karma”. Maar geen onontkoombaar karma. Want je kunt het geestelijk ontgroeien. En zult u misschien wel eens hebben opgemerkt, dat vaak de beste mensen de zwaarste slagen te dragen krijgen, terwijl juist zij die geestelijk het verst zijn, soms een grote verlatenheid moeten ondergaan. Deze dingen zijn strijdig met de stelling, dat karakter en lot met elkaar in direct verband staan. Wanneer ik geestelijk hoog sta, zou ik volgens deze stelling hierin ook mijn levensvervulling moeten vinden. Frustratie zou dan niet voor kunnen komen. Toch is deze weerstand juist hetgeen, waar ik ondanks stoffelijke geaardheid, overheen moet zien te komen. Al deze dingen samen tonen ons wat de mens pleegt vast te leggen onder de simpele term ”het lot”.

Zoals wij reeds hebben gezegd, wekt het karakter o.m. door erfelijke eigenschappen, zenuwreacties en ingeschapen denkpatronen, een bepaalde wijze van leven. De eigen reactie op de wereld is een aanvulling hiervan. Eigen vermogen tot denken is hiervan afhankelijk. Nu staat iemand, die veel verstand heeft, heel wat minder zeker in de wereld als iemand, die maar weinig verstand heeft. Vreemd, maar waar. Want degene, die weinig verstand heeft komt er niet toe, meer dan één gedachtegang te volgen. Minder nog zal hij geneigd zijn, eigen gedachtegangen met mogelijke andere gedachten te vergelijken. Iemand, die veel verstand heeft, ziet ook vele mogelijkheden. Pas wanneer hij zich zelf volkomen heeft leren kennen en beheersen, wordt het hem mogelijk, uit deze vele mogelijkheden een synthese te bouwen. Eerst dan komt hij tot een ware en juiste gedachte, die alle mogelijkheden toch nog weer omvat.

Ook de wijze van optreden wordt vaak als deel van het karakter gezien. Maar is dit niet meestal een kwestie van usance? Ik geef gaarne toe, dat eigen wezen hier ook een rol bij speelt. Maar niet altijd op een voor ieder kenbare wijze. Er zijn mensen, die buitengewoon fijngevoelig zijn. Zij hebben een karakter, zo goed als goud. Wanneer je die mensen ontmoet, denk je vaak: Wat een onaangenaam wezen. Voortdurend in de contramine, altijd bokkig, altijd tegen de wennende keer in. Waarom? Het karakter is best. Maar deze mensen hebben klaarblijkelijk de mogelijkheid niet, zich geheel te uiten. Zij tonen daardoor de buitenwereld heel iets anders dan zij in feite zijn. Maar alle ervaringen, die zij opdoen zijn in de eerste plaats gebaseerd op hetgeen zij de buitenwereld tonen. Je hebt mensen, die jou goed willen doen, zij willen je helpen. “Sufferd, sta daar toch niet te dromen. Hier heb je ƒ 2,50. Ga eten als je honger hebt”. Er zijn anderen, die het heel discreet doen. Even iets in de hand. “Zeg, kerel, hoe gaat het? Eet smakelijk”. Nog anderen organiseren een groots weldadigheidsfeest, waar iedereen kan komen om te eten. Ieder heeft zijn eigen manier van doen. De achtergrond, de inhoud, kun je daaraan niet bepalen. Het lot kan dus nooit geheel vereenzelvigd worden met het karakter, met de feitelijke gevoels- en instinctieve inhouden van de mens.

Daarmede heb ik dan ongeveer het tegendeel betoogd, van wat u mij hebt gevraagd. Neem bijvoorbeeld Napoleon. Napoleon was iemand met een zo overweldigend minderwaardigheidscomplex, dat hij de tegenstelling van dat, wat hij was, aan de wereld trachtte te tonen.

In feite was hij zeer volgzaam. Tegenover de buitenwereld was hij een geweldenaar. Hij was een echt burgermannetje, omgaf zich met de pronk van een keizerlijke staat. Hij was iemand, die gaarne wilde bemind worden en toch probeerde hij altijd te heersen. Waarom? Omdat hij zichzelf de mindere voelde van iedereen. Klein van gestalte, hongerig. Iemand, die van de goedheid van anderen moest leven. Wat hij overigens in het begin van zijn carrière en in het begin van zijn leertijd zeker heeft gedaan. Wanneer iemand zo’n uitspraak doet, dan is dat zelfrechtvaardiging. Wij mogen zeggen, dat menige wijsgeer in zijn filosofie niet heeft getracht zichzelf te rechtvaardigen, voor zichzelf en de wereld. Wij, de mens, passen onszelf niet aan bij de wereld, maar trachten de wereld bij onszelf aan te passen. Wij trachten niet ons eigen onvermogen te erkennen en te verbeteren, maar wij trachten ons onvermogen zo te verklaren, dat wij zelf daarvoor niet verantwoordelijk zijn.

Wanneer je deze dingen goed in gedachten houdt, dan zul je heel vaak zien, dat veel van de goede filosofieën overigens, berusten in de fouten van de mensen. Socrates bv. was lang geen prettig en gemakkelijk mannetje. Zijn vaak honende uitlatingen t.o.v. de mensheid, ook het vrouwelijk geslacht, zijn dan ook niet in de eerste plaats een erkennen van een feit, maar een verontschuldiging van zijn eigen optreden. De vroomheid, die sommigen naar buiten hebben gebracht, was in vele gevallen een verkapte hebzucht, die moest verklaard worden. Zij wilden bezitten. Zo vergaarden zij in de Naam Gods, om voor zichzelf de gedachte van reinheid en edelheid te kunnen handhaven. Er zijn bepaalde priesters en bisschoppen van verschillende geloofssoorten, die daarin hebben uitgemunt. Er zijn mensen, die zichzelf volledig onrechtvaardig gevoelen. Het vreemde is, dat juist deze mensen de onrechtvaardigste rechters zijn, want in elke beslissing komen zij met een reeks van overtuigende redenen, die niet alleen de schuld van de aangeklaagde moeten bewijzen en de juistheid van het oordeel bevestigen, maar ook moeten bewijzen, dat de gevoelde bevooroordeeldheid, de gevoelde onrechtvaardigheid in het Ik, in feite niet bestaat. Zou ons lot niet voor een heel groot deel worden bepaald? Niet alleen door ons karakter, maar door de wijze, waarop wij de wereld en onszelf trachten te bedriegen?

Als u dat dan een karaktereigenschap wilt noemen, dan geef ik u volkomen alle rechten. Dan is het toch wel een karaktereigenschap, die praktisch al het menselijke deelt. Er bestaat geen mens die niet in meerdere of mindere mate aan zelfbedrog doet. Zou hij zichzelf niet bedriegen, dan zou hij niet als mens onder de mensen kunnen leven. Ook dit beïnvloedt het lot. Ook deze uitingen zijn belangrijk. Het lot van de wereld bv. Je kunt niet zeggen, dat de wereld een karakter heeft, zoals een mens het heeft. Zou zij dat hebben, dan zouden wij beter doen ergens anders heen te gaan. Dan komt er niet veel moois naar buiten. Op deze wereld zien wij op het ogenblik grote spanningen zich opbouwen. Wij zien op het ogenblik fantastische ontwikkelingen, zodat wij ons afvragen: “Waar moet dat heen?” Wanneer wij dat tot op de kern nagaan, dan zouden wij kunnen zeggen, dat het de schuld van die partij is, van deze staatsman en van die ideologie. Maar is het waar? Neen. De waarheid is dit: Haast geen enkele mens op deze wereld durft of kan de verantwoording dragen voor een absolute verandering! Dat men zich vasthoudt aan het oude, hopende, dat men het nieuwe toch nog tijdig zal kunnen beseffen en zo de problemen van de nieuwe tijd zal oplossen. Maar men komt te laat. Een begrijpelijk verschijnsel, maar het bepaalt niet alleen het lot van de wereld, maar ook uw lot.

Wanneer de mensen falen hun eigen fouten te erkennen en zij gaan door in een richting, die onjuist is en er komt een oorlog. Dan mag u heel anders denken, dan mag u heel anders leven.

Dan zal die oorlog toch een verandering van uw lot betekenen. Wanneer u volledig uzelf beheerst, zal ook dít voor u geen feitelijke verandering betekenen, omdat u het leven kunt aanvaarden en het zo beheersen. Voor de doorsneemens betekent het toch heel wat anders.

Er is een zekere recessie. Dat is overigens een heel vriendelijk woord. Het heeft ook wel crisis geheten. Men heeft ook al eens, toen men eerlijker was, gesproken van een oververzadiging van de markt.

In feite is het zo, dat de mens op een gegeven ogenblik meer van het leven verwacht en verlangt en niet krijgen kan. Men moedigt hem daarin aan, produceert om aan deze verlangens, en niet aan de feitelijke mogelijkheden, tegemoet te komen. Dan komt er een ogenblik dat de mens geen vertrouwen meer heeft in de maatschappij. Op dat ogenblik kan dus een geforceerde productie plaats vinden. Wat zou nu de juiste oplossing zijn? Verander het productieproces. Probeer de mensheid zuiverder aan te passen bij de technische noodzaken en omgekeerd de technische noodzaken dienstbaar te maken aan de belangen van de mens. Maar dat doet men niet. Men gaat zeggen, dat men regeringsopdrachten moet gaan geven, omdat de verdienste, de geldcirculatie, moet blijven. Wij moeten de verantwoording dragen. Draagt men in feite de verantwoording? Neen. Men tracht alleen de beslissing zover te verschuiven, dat men zelf niet meer aansprakelijk is.

Dat bepaalt uw lot. De sfeer, die daardoor ontstaat, bepaalt veel van wat men uiterlijk als “karakter” meent te mogen aanmerken. Dat bepaalt de soms afgronddiepe ernst van de jeugd en soms ook haar grenzeloze en tomeloze egoïsme, dat geen morele, of redelijke beperkingen meer wil aanvaarden. Het lot is zo samengeweven met alle dingen, het karakter is zo afhankelijk van de omgeving van alles, wat erbij terecht komt, dat je, sprekende over de uiterlijke verschijnselen, kunt zeggen, dat karakter en lot soms elkaars producten zijn, maar nooit in een vaste relatie staan. Je kunt ook zeggen, wanneer je over de innerlijke waarde van de zaak spreekt, dat elk voertuig zijn eigen kwaliteiten bezit, onafhankelijk van de bestuurder. Ofschoon de hantering van deze kwaliteit door de bestuurder bepalend kan zijn voor wat beleefd wordt, zodat het stoffelijk karakter, dus het geestelijk willen, een verandering van lot kunnen betekenen. Maar dit ligt alleen in de samenwerking tussen deze beiden, nooit in het karakter alleen.

  • De manier waarop je je lot draagt, maakt uit, of je leven een hel is, of een zegening voor anderen kan zijn.

Dit is een kwestie van karakter. Maar niet alleen, want de wijze, waarop je je lot draagt, is niet alleen afhankelijk van temperament, enz. Het voorstellingsleven speelt hier de grootste rol. Dit wordt in de eerste plaats bepaald door geestelijke en mentale inhouden. Zuiver stoffelijke karaktereigenschappen komen in de tweede plaats. De wijze waarop je je lot draagt, kan het best zo worden omschreven. Wanneer je je lot draagt, omdat je hoopt op de toekomst, is het wel dragelijk, maar je zal veel teleurstellingen ervaren. Wanneer je je lot draagt in een herinnering aan het verleden, dat niet meer te herbouwen is, betekent dit een lijden en vaak een langzame ondergang. Wie echter zijn lot draagt in bewustzijn van het heden, en het aanvaardende, zoals het is, zal binnen dit lot zichzelf kunnen zijn, nooit teleurstellingen ondergaand, terwijl hij altijd een zo groot mogelijke bevrediging en zekerheid voor zich in het leven zal kunnen verwerven. Juist dit is uiteindelijk ook voor de geestelijke bewustwording van meer dan normaal belang.

  • Wat is dan karakter?

Ik heb dit reeds uitvoerig omschreven. Ik zal echter enige eigenschappen noemen, die hier in de eerste plaats uit stammen. Trots, eerzucht, zinnelijkheid, luiheid, enz. Trots bv. wordt in beginsel genetisch vastgelegd bij de geboorte. Zij komt tot uiting door contact met de omgeving. Het is een zuiver stoffelijke waarde, gebaseerd op de stoffelijke aspecten van het leven. Ook zinnelijkheid is een spel van zuiver stoffelijke waarden. Dit onafhankelijk van de ideeën die men hier veelal mee verknoopt. Luiheid is het product van interne secreties – afscheidingen – waardoor het normaal hetend reactievermogen wordt vertraagd, terwijl de gespannen vitaliteit, die zich in bezigheid zoekt te ontladen, niet, of slechts beperkt aanwezig is.

Ik kan zo verder gaan. Al deze dingen zijn in de eerste plaats stoffelijk. Dus te zeggen dat karakter gelijk is aan dat, wat je bent, is onjuist. Evengoed kun je zeggen, dat een automobilist vier wielen heeft. Relatief is dit waar, omdat de automobilist de actie van de wielen kan besturen. Fouten als lekke banden echter maken hem beheersing onmogelijk, zodat hij dan zijn weg niet kan vervolgen. Onze geest is een afzonderlijk deel van het Ik, dat niet mede onder de term “karakter” mag worden bevat. Wel verschuilt zij zich daarachter, maar het is lang niet zeker, dat zij identieke eigenschappen bezit. Qua instelling is zij meestal geheel verschillend.

Het karakter is dus slechts de omschrijving van de stoffelijke persoonlijkheid, maar niet het geheel. Wij zullen steeds dit onderscheid moeten maken. Het lichaam als voertuig wordt achtergelaten, dat, wat u werkelijk bent, blijft voortbestaan. De geest heeft geen karakter, daarom kan het karakter nooit bepalend zijn voor het lot zonder meer. Het bewustzijn van de geest bepaalt mede de reacties t.o.v. de buitenwereld, terwijl het tevens het erkennen van het ik beïnvloedt.

  • Dan is het lichaam dus de rem?

Neen, u spreekt hier over het voertuig als een rem. Een voertuig is echter een middel, waardoor je je beweegt. Wel kan het eigen bewegingsvrijheid beperken, maar schenkt daarvoor weer op ander terrein groter bewegingsvrijheid. Verder ligt ons lot niet hoofdzakelijk in het stoffelijke. De beleving bepaalt de wijze, waarop het lot wordt ervaren. Voorbeeld: Twee mensen breken een been. De eerste jammert over zijn zaken en gezin, over de kosten en de pijn. Hij voelt zich ellendig. De tweede zegt alleen maar: “Eindelijk heb ik eens een beetje vakantie”. Hij maakt het beste van de omstandigheden, hij geneest daardoor sneller.

De problemen, die uit het gebroken been voortkomen, overwint hij gemakkelijker, zijn periode van herstel is een vreugde. Voor hem was dit iets goeds en bracht het zegen. Voor de ander bleef het kwaad. Conclusie: Dat niet alleen het karakter of het gebeuren voor het lot bepalend zijn, is m.i. hiermede gerechtvaardigd. Wie in het heden steeds de gunstigste waarden zoekt, zal altijd een goed lot hebben, een gelukkig leven kennen. Wie echter alleen naar het verkeerde kijkt, zal het leven nooit het leven waard vinden.

image_pdf