De fundamentele betekenis van goed en kwaad – in het evolutieproces –

image_pdf

9 februari 1984

Goed en kwaad uit elkaar houden is heel erg moeilijk. Er zijn mensen die zeggen: Als iedereen zo goed doet, dan krijg ik het te kwaad. Ik kan mij dat wel voorstellen, want goed is niet altijd goed, kwaad is niet altijd kwaad.

Als wij naar de fundamenten willen gaan, zullen wij moeten kijken naar de oerkracht, naar de kosmische wetten en dan kunnen wij op grond daarvan bepalen wat goed is en wat kwaad is, maar nooit in het algemeen. Wij kunnen het alleen bepalen op een zeer persoonlijke basis. Ik denk, dat dat iets is waar de meeste mensen moeilijkheden mee hebben.

Je zoekt naar een soort wet: Dit is goed en aan de andere kant van de grens is het kwaad. Een situatie waarin licht en absoluut duister naast elkaar worden gezet en geen rekening wordt gehouden met het overgangsgebied waarin de schemering langzaam naar duister overgaat of naar licht.

Laat mij beginnen met u een paar fundamentele wetten in herinnering te brengen:

  1. De wet van evenwicht. Wanneer aan één zijde enigerlei verandering plaatsvindt, zal aan de andere zijde een soortgelijke verandering moeten optreden, op een zodanige wijze dat het totale evenwicht onverstoord blijft.
  2. De wet van harmonie. Daar waar een verwantschap of identiteit wordt bereikt, op welke wijze en op welk vlak dan ook, zal het geheel van het harmonisch zijnde werken als een eenheid, ook voor de enkeling die de uiting tot stand brengt.
  3. Er bestaat geen recht en geen rechtvaardigheid. Dit zijn slechts menselijke uitvindingen. Er bestaat echter de voortdurende zekerheid dat we nooit kunnen gaan buiten de grenzen die door de schepper van het Al zijn gesteld.

Deze drie punten moeten wij beginnen als basis te hanteren. Als ik mij nu afvraag: Wat is dan fundamenteel goed? Dan blijkt, dat ik dat niet kan bepalen. Als u zegt: Dit is voor u goed, dan weet u helemaal niet zeker of dat zo is. En als u zegt: Dit is voor u kwaad, dan weet u niet of het in wezen voor die ander kwaad is. Goed en kwaad kunt u dus alleen bepalen ten aanzien van uzelf. U kunt nooit de regels of wetten die u voor uzelf hanteert zonder meer op anderen van toepassing verklaren.

Als ik kijk naar de vraag: Hoe ervaar ik zelf goed? Dan kan ik het nog veel eenvoudiger stellen. Alleen zullen de meeste mensen het daarmee weer niet eens zijn.

Datgene wat in mij een blijvend gevoel van bevrediging of van genoegen geeft is voor mij goed. Dan zeggen de mensen: Dat is allemaal goed en wel, maar als je iets nu erg leuk vindt en je doet het, dan kan dat toch kwaad zijn. Het antwoord is: Neen, tenzij ik het doe om mijzelf of anderen daarmee te schaden. Op dat moment ga ik er een intentie aan verbinden waardoor het kwaad wordt. Dan wordt het door mij ook als negatief ervaren. Maar als ik iets als positief ervaar, dan is dat voor mij goed. Dat betekent dat er een hele hoop dingen zijn, waarvoor de wereld de wenkbrauwen fronsend optrekt, terwijl ze in wezen helemaal niet zo kwaad zijn.

De vraag is: Hoe ervaar ik het zelf? Als u dat dan weer een beetje vorm wilt geven kunt u zeggen: Kijk, ik heb een relatie met de kosmos, of ik die nu besef of niet. Een deel van die relatie leeft in mij. Het is niet mijn geweten. Het geweten is voor driekwart dressuur, zoals u weet. Het is eerder een intuïtief besef van datgene wat aanvaardbaar en wat niet aanvaardbaar is. Al datgene wat ik innerlijk als niet aanvaardbaar voor mijzelf beleef, kan ik niet doen; het is kwaad. Doe ik het toch dan ontstaat er in mij een schuldbesef.

Een schuldbesef is een verstoring van evenwicht. Dit betekent, dat er een compensatie voor moet worden gevonden. Die compensatie kan door mij bewust worden geschapen: Ik probeer het goed te maken; dus door tegenover het negatieve dat ik heb gedaan iets positiefs te stellen. Ik kan ook eenvoudig zeggen: Ik heb het gedaan en daar blijft het bij. En dan verandert er iets buiten mij. Ik krijg buiten mij een aantal belevingen en ervaringen, die dan voor mij absoluut slecht zijn. Het is moeilijk om daarvan een voorbeeld te geven. Laat mij proberen het actueel te stellen:

Menten. In het geval Menten hebben wij te maken met een man, die heel veel dingen heeft gedaan die anderen fout vinden. Voor hemzelf was een groot gedeelte van die zaken niet fout. Dat moeten we gewoon kunnen aanvaarden. Het heeft niets te maken met oordeel of veroordeling zoals men die uitspreekt. Het heeft alleen te maken met de essentiële waarde van goed en kwaad.

Menten kwam echter in een situatie waarin hij werd gedwongen een aantal dingen te doen die hij zelf als riskant, als niet helemaal aanvaardbaar beleefde. Door deze ondervinding probeerde hij o.a. een kunstcollectie te verkopen en kwam daardoor in moeilijkheden. Maar als hij niet het gevoel van onrechtmatigheid had gehad, van bedreigd worden door een erkende onrechtmatigheid, dan was hij nooit gekomen tot het plan de zaak om te zetten in geld, dat niet te achterhalen is. Dan was hij nooit zo achtervolgd, zo gegrepen en voor zijn gevoel in enorme moeilijkheden gebracht. Ook al vindt u misschien dat hij er beter van af is gekomen dan nu het geval is.

Hier ziet u dus dat de wet van compensatie ook werkt, als je zelf niet zou willen compenseren. Ze brengt het jou er eenvoudig toe af te wijken van het pad dat voor jou aanvaardbaar en harmonisch is. Je denkt dan dat je slim bent, maar door je slimheid kom je in moeilijkheden. Misschien is het voor de meesten duidelijker als ik zeg: Ook in het gewone menselijke leven bestaat er een relatie goed-kwaad die we kunnen omschrijven als een op korte termijn in tijd uitgevoerde wet van karma. De hele situatie waarin je verkeert brengt je verder in conflict met wat anderen de werkelijkheid noemen.

Nu weten wij – en daar hebben wij ook meermalen over gesproken – dat de menselijke werkelijkheid voor een groot gedeelte bestaat uit aangenomen waarden en theorieën, die niet volledig door de feiten ondersteund kunnen worden. Wanneer wij leven in de maatschappij, dan gaan we onze normen stellen volgens die maatschappij. Maar is dit juist? De onjuistheid ervan komt meestal pas later naar voren. Zolang het een kwestie is van je persoonlijk leven alleen, herstel je nogal gemakkelijk het evenwicht; dan houden goed en kwaad elkaar redelijk in balans. Want als je teveel goed doet, dan heb je eveneens een verstoring van evenwicht en zul je dus meer kwaad moeten doen. Dat kwaad zul je dan zelf niet als zodanig ervaren, maar het zijn de gevolgen die je veroorzaakt zonder misschien te beseffen dat ze er zijn.

Als wij goed of kwaad persoonlijk definiëren – dat is de enige manier waarop dat mogelijk is volgens mij – dan kunnen we zeggen: Datgene wat ik, na uitschakeling van alle redeneringen daaromtrent, voor mijzelf als juist ervaar en waarvan ik ook later geen berouw heb, is goed. Al datgene wat ik in mij als onjuist ervaar en waardoor in mij spanningen ontstaan, ongeacht of ik de uitwerking ervan goed of kwaad acht, zal voor mij kwaad zijn.

Dat houdt in, dat we nooit goed en kwaad kunnen beschouwen als een redelijke wetmatigheid, die op aarde kan worden gehanteerd. Een kraker die kraakt, kan vanuit zijn standpunt iets doen wat goed is. De eigenaar van het pand echter ziet zijn daad als iets wat kwaad is. De grote vraag is nu: Waar zit de balans? En dan blijkt, dat het kraken mede wordt veroorzaakt door de onjuiste opstelling en de onjuiste denkbeelden van de eigenaar. Daardoor wordt hij gecorrigeerd. Maar de kraker stelt eveneens een onjuiste handeling of daad, en beseft niet dat deze ingaat tegen de belangen van de ander. Daardoor zal hij voor zichzelf eveneens problemen en spanningen oproepen en zal hij conflicten moeten uitvechten, alleen maar om weer tot een evenwicht te komen. Hij heeft iets gedaan wat voor hem goed was, met het besef dat het voor een ander niet aanvaardbaar was. Dientengevolge zal hij die onaanvaardbaarheid moeten compenseren. De gehele werking is dus voor hem noch goed noch kwaad maar evenwicht.

Ik weet dat er heel veel mensen zijn die zich bezighouden met allerlei beoordelingen en veroordelingen. Er zijn b.v. mensen die zeggen: Vrije liefde is kwaad. Er zijn er zelfs nog steeds die zeggen: Een kerkelijk huwelijk is alleen geldig. Een burgerlijk huwelijk is in feite overspel. Nu ja, dat is in ieder geval overspel met ambtelijke hulp. Dat is dus een persoonlijke visie.

Laten wij ons nu eens afvragen: Is het kwaad, als je een ander lief hebt of als je – zoals de mensen dat uitdrukken – met een ander de liefde bedrijft? Op zichzelf absoluut niet. Het is gewoon een voortvloeisel uit de eigenschappen en kwaliteiten van de mensen. Het is een deel van hun hele bestaan. Dientengevolge is het aanvaardbaar zolang men zelf daarbij niet door een schuldbewustzijn wordt gekweld. Als anderen dat veroordelen, dan doen ze dat vanuit een beeld van zekerheden die nooit feitelijk bestaan.

Echtelijke trouw bestaat nooit op lichamelijk niveau. Ze kan eerst ontstaan als een psychische eenheid is bereikt, waardoor het lichamelijke element tot een uiting van psychische eenheid wordt en niet op zichzelf een beleving of een aardigheidje is; als je dat de mensen voorhoudt, dan zeggen ze: Dat is verschrikkelijk.

Er zijn ook mensen die zeggen: Maar wat moeten wij nu denken van homoseksualiteit? Daar zitten ze tegenwoordig voortdurend over te kiften. De homo zegt dat het de enig goede manier van leven is. Een ander zegt dat het verschrikkelijk, vies en weet ik wat nog meer is. Ik vind het allemaal zo’n kolder.

Gaat het hier nu om de vraag hoe je iets doet, of gaat het om de vraag wat de beweegreden is van hetgeen je doet; wat de achtergrond is. En dan blijkt, dat er onder hetero- en homoseksuelen heel veel mensen zijn die voor hun eigen genot anderen exploiteren. En dan maakt het niet uit of daar een kerkelijke, een burgerlijke band of geen band is of misschien zelfs een burgerlijke veroordeling. Op het ogenblik, dat het zo ligt, is het kwaad en wordt het als zodanig ervaren, omdat je van een ander misbruik maakt en dit ondanks alles zelf beseft.

Op het ogenblik echter dat er verder helemaal geen verplichtingen zijn en helemaal geen gevoel van betekenis, maakt het dan wat uit hoe je iets doet en wat je precies doet, zolang een ander daar geen schade van ondervindt? Hier is de term kwaad, slecht of verkeerd eenvoudig uit de lucht gegrepen.

Laten wij eerlijk zijn: de meeste mensen baseren de beoordeling en veroordeling van hun medemensen op allerlei uitspraken van profeten in een ver verleden. Zij zeggen: Die uitspraken zijn er. Dat is Gods woord. Ik vind het best als ze dat zo vinden, maar laten ze even nadenken.

Die profeten waren mensen in een heel andere cultuur, een heel andere beschaving. Hun begrip liet hun eenvoudig niet toe om de wil Gods te verwoorden in termen die zouden passen in ’t bevattingsvermogen van deze tijd. Het was altijd een uiting die precies bevat was in de belangen van de stam, het denken van de profeet en het bevattingsvermogen van de profeet en van het volk.

U wilt mij toch niet vertellen dat het nu hetzelfde is als een volk van herders en handelaren, die over het algemeen niet zo ver van huis zijn geweest, daar een uitspraak krijgt van een hogere macht en dat diezelfde uitspraak zou kunnen worden gesteld en herhaald in de termen behorend bij de 20e eeuw, waar men begrippen als atoomkracht, 4e dimensie enz. allemaal kent. Het is dus niet redelijk om op grond daarvan te oordelen. Tenzij je dat doet vanuit jezelf, omdat je dan oordeelt op grond van een interpretatie, waarbij je zelf emotioneel, mentaal en meestal ook nog enigszins fysiek betrokken bent. Dus dergelijke veroordelingen berusten nergens op.

Er zijn andere beoordelingen die ik ook al even eigenaardig vind. Laten wij maar weer een voorbeeld geven: Discriminatie.

Wat is discriminatie? Discriminatie blijkt de term te zijn die wordt gehanteerd door luidruchtige minderheden om meerderheden te dwingen hun eigen denken en gebruiken op te geven en die van anderen zonder meer als volwaardig en geldig te aanvaarden; dit ongeacht de maatschappelijke, economische of andere consequenties die daaraan verbonden kunnen zijn. Dan is discriminatie in sommige gevallen wel goed; ze is zelfs noodzakelijk. Je moet dan op een gegeven ogenblik een lijn trekken en zeggen b.v.: Iedereen, die in Nederland wil leven, zal zich in zijn manier van leven, handelen en denken moeten aanpassen aan de in dit volk levende mores en zich gebonden moeten weten aan de daar geldende wetmatigheden en wetten, ongeacht zijn eigen culturele achtergronden. Kijk, als de mensen zeggen: Dat behoeven wij niet te doen, dan is in feite hun kreet ‘discriminatie’ op zichzelf discriminerend t.a.v. de gemeenschap waarvan ze toch op hun manier kennelijk deel willen uitmaken. Wanneer is het nu goed? Wanneer is het kwaad?

Discriminatie kan absoluut kwaad zijn. Als je een mens verwerpt op grond van uiterlijkheden, zonder je de moeite te geven na te gaan wat zijn werkelijke persoon, zijn werkelijke structuur, zijn werkelijk probleem is. Bijvoorbeeld: Dat is een neger; die deugt niet. Dat is onzin. Dat is een Turk en Turken zijn, noemt u maar op wat er allemaal aan vastzit. Dat zijn onzinnige dingen. Dat is kwaad. En dan is het niet kwaad omdat we dat maatschappelijk moeten beoordelen of veroordelen, maar het is doodgewoon kwaad omdat daarmee degene, die veroordeelt zonder te weten, voor zichzelf een situatie schept waarin een compensatie zal moeten worden gevonden hoe dan ook.

Dan zeggen de mensen ook: Het is toch heel erg geweest met de discriminatie. En dan komen de miljoenen joden in de Duitse kampen weer naar voren. Natuurlijk was dat kwaad. Maar was het voor iedereen die daar deel aan nam kwaad in persoonlijke zin? Het is maar een vraag. Er zullen zeer velen zijn geweest die dachten dat zij goed deden. En als zij het gevoel hadden goed te doen, dan zullen zij wel een compensatie veroorzaken. Ze hebben teveel ‘goed gedaan’, maar aan de andere kant kun je niet zeggen dat ze zonder meer kwaad zijn.

Het geheel van de – althans door een groot aantal mensen als onjuist ervaren – discriminatie van de joden in Duitsland, met alle gevolgen van dien, is mede de aanleiding geweest tot de vernietiging van Duitsland, waar het aantal miljoenen dat is gestorven in de kampen, werd geëvenaard door de mensen die door bommen, brandende steden e.d. werden vernietigd. Dat realiseert men zich niet, maar zo gebeurde dat.

Als wij dus werkelijk de basisstructuur zoeken van goed en kwaad, dan staan wij steeds weer voor hetzelfde probleem. Kosmisch is er geen goed en kwaad, want het evenwicht herstelt zich. Goed en kwaad kan bestaan vanuit ons oordeel, maar dan zal dit oordeel in de eerste plaats betrekking moeten hebben op onszelf en niet op een ander.

Goed en kwaad kunnen geestelijk bestaan, ongetwijfeld. Maar wat blijkt geestelijk het verschil te zijn tussen goed en kwaad?
Kwaad is al datgene wat in het duister leeft, nietwaar. Maar waarom leef je in het duister? Omdat je niet wilt aanvaarden wat je bent, wanneer je in het licht leeft. Het is een zelfverwerping die het duister voortbrengt. Dan is kwaad een vorm van zelfverwerping, of verloochening van een belangrijk deel van je ik. Dat moet dan aan de basis liggen, denk ik.

En goed is: 0, mensen wat zijn we goed! Ja, wij zijn ontzettend goed. Wij houden ons bezig met geestelijke zaken. Wij stijgen op tot de hoogste sferen. Wij leven in het hoogste licht. Maar als wij dit doen vanuit het standpunt, dat we daardoor anders en méér dan een ander worden, zal al datgene wat wij z.g. goed doen voor onszelf vaak nadelig kunnen uitwerken. Op het ogenblik namelijk, dat wij tot een verkeerde benadering komen van onze wereld, of van de geestelijke wereld waarin wij vertoeven, en ons misacht voelen omdat men daar ons ik-beeld niet wenst te bevestigen, zullen wij ons weer terugtrekken in Schemerland, in Schaduwland of nog verder naar beneden. Dat is eigenlijk helemaal niet nodig, want elk verstoord evenwicht veroorzaakt in ons spanningen.

Die spanningen compenseren zich. Bijvoorbeeld: Heeft u wel eens een nachtmerrie gehad? Soms zijn nachtmerries lichamelijk veroorzaakt. Iemand dacht, dat hij onbeperkt garnalen, krab of kreeft kon eten en moest later ontdekken dat zijn lichaam het daar niet mee eens was. Hij krijgt nachtmerries.

Die nachtmerrie is een uitdrukking van de lichamelijke toestand, maar tevens van het besef. Dat vergeten de meeste mensen. Als u dus gewoon in uw leven bepaalde dingen doet en u zegt tegen uzelf: Dat kan toch geen kwaad, dat is wel goed; en u voelt van binnen dat het niet zo is, wat krijgt u dan? Nachtmerries.
Een nachtmerrie die niets anders is dan een compensatie. Want het gevoel van zelfvoldaanheid dat u bij uzelf had gewekt, moet worden gecompenseerd door angst, verschrikking, ontvluchtingsneigingen, die in de droomwereld worden opgewekt. Op die manier kan het psychische evenwicht weer worden hersteld. Is het dan niet duidelijk, dat het voor het leven precies hetzelfde is?

Als u denkt dat het leven een nachtmerrie is, dan is dat leven geen nachtmerrie omdat het leven zo slecht is, maar het is doodgewoon een nachtmerrie omdat u volkomen anders dan volgens de feiten en volgens uw innerlijk weten het leven en de wereld benadert.
U vergt van de wereld iets waarvan u weet dat het eigenlijk niet kan worden opgebracht. Op het ogenblik dat u dat doet, wordt het leven een nachtmerrie. Laten we het zo zeggen: Zolang Lubbers denkt dat hij gelijk heeft, leeft hij wel in een wereld waar mogelijkheden zijn, maar hij kent ook de voldoening dat hij elke keer toch weer doorzet. Maar op het ogenblik dat hij iets gaat doorzetten, terwijl hij zelf voelt dat het toch eigenlijk fout zit, dan moet u eens zien wat voor gekke blunders hij maakt en zonder het te beseffen, ofwel zichzelf de macht ontneemt waar hij toch dol op is, dan wel – wat ook mogelijk is – allerlei situaties veroorzaakt, waardoor al zijn beslissingen en besluiten ongedaan worden gemaakt, waardoor de zin van hetgeen hij heeft gedaan eenvoudig teloor gaat.

Nu heb ik het allemaal nog op z’n boerenfluitjes gedaan tot zover. Want wij moeten toch een beetje weten waar de basiswaarde zit. Mag ik nu filosofisch gaan redeneren?

  1. Er is een God. God is de kracht waaruit alles voortkomt. Als alles voortkomt uit deze kracht, zal al datgene wat kenbaar is deel van God zijn. Als alles deel is van God, kan dat nooit slecht zijn. Als alles deel is van God, kan ook het ene niet beter zijn dan het andere. Binnen hetgeen beleefbaar, kenbaar en voorstelbaar is, bestaat geen goed of kwaad, omdat niemand zich kan richten tegen de Schepper, daar deze zelf aanwezig is in alles wat hij doet, in alles wat hij is, in alles wat hij kan. Goed en kwaad kunnen dan alleen bestaan in ons. Wij kunnen een oordeel uitspreken. Ons oordeel zal onze wereld splitsen in twee delen, omdat wij niet in staat zijn de samenhangen, die de goddelijke werkelijkheid bepalen, in hun geheel te overzien. Dan kan ik zeggen: Goed en kwaad zijn producten van een onvolledig beseffen van de totaliteit van het goddelijke en de goddelijke kwaliteiten, die in alle delen van de schepping voortdurend aanwezig zijn.
  1. Ik kan niets doen dat waarlijk tegen de wil Gods indruist. Aannemen dat dit wel mogelijk is, betekent dat u aanneemt dat God gelijktijdig goed en kwaad is, of zo u wilt God en duivel tegelijk. Dit nu is een gespletenheid die in de ene Al-voortbrengende kracht nooit kan bestaan. Dientengevolge is elke verdeling van goed en kwaad binnen het mogelijke en het voorstelbare in wezen zinloos. Het wordt eerst zinvol, wanneer we daardoor onze eigen relatie met de rest van het geheel voor onszelf bepalen. De essentie van goed en kwaad is dan ook niet iets wat met de kosmos te maken heeft. Het is iets wat te maken heeft met onze oriëntatie in de kosmos.
  1. Dientengevolge kunt u geen kwaad doen, maar u kunt voor uzelf kwaad beseffen. De zondeval is een mooi verhaal. Maar de zondeval, zoals die over Adam en Eva wordt verteld, kan alleen maar een symbool, een parabel zijn. Want een God die een dergelijk verbod stelt, met de zekerheid – en Hij zal het weten – dat het wordt overtreden, stelt in feite tegenover zijn zegen ook de zondeval van de mens en eventueel daarmee diens verdoeming. Dit is gewoon onredelijk. Stel nu eens dat de verandering niet is gelegen in een uitdrijving uit het paradijs, zoals dat zonder meer wordt voorgesteld, maar dat het een verandering is van besef. Dat wat natuurlijk, prettig, a.h.w. een soort spel van leven is, nu opeens een strijd wordt om te leven, waarbij de eigen mentaliteit verandert en de feitelijke mogelijkheden gelijk blijven, dan wordt deze parabel opeens veel beter verteerbaar. Dan behoeven we het niet meer te hebben over Eva die de eerste fruithandel op aarde heeft gehad, maar kunnen we zeggen: Kijk, waar het besef ontstaat, bestaat voor ons de beoordeling en de verwerping. De beoordeling en de verwerping brengen het kwade voort; niet buiten ons maar in ons. De problemen van goed en kwaad zijn geen problemen die in de kosmos en in de totaliteit bestaan; daar zijn ze in wezen zinloos. In onszelf spelen ze echter een zeer belangrijke rol.

Nu komen we aan een stukje dat heel moeilijk is voor sommigen.

U kunt nooit oordelen over een ander. De enige, die dat zou kunnen, is God. God doet het niet, omdat de mens, door het verschil tussen zijn werkelijkheid en zijn besef van de werkelijkheid, zichzelf veroordeelt. Op het ogenblik, dat wij iemand veroordelen, maken wij iemand tot kwaad. Maar door dit te doen brengen wij zelf het kwaad voort, want onze zelfverheffing moet wel resulteren in een situatie die bij een zelfveroordeling onvermijdelijk wordt. Wij kennen onze eigen normen. Ik heb daarop reeds enige toespelingen gemaakt.

De normen die in ons leven, zijn de zaken die voor ons bepalend zijn. Het zijn niet de zaken die kosmisch bepalend zijn. Goed en kwaad hangen af van de beschouwer. Goed en kwaad zijn als links en rechts. Draai je je om dan draaien links en rechts met je mee, maar voor de wereld veranderen ze.

Goed en kwaad zijn zo persoonlijk, dat niemand kan zeggen: Dit is absoluut goed. Dit is absoluut kwaad. Wij kunnen slechts zeggen: Vanuit mijn gevoel en mijn denken acht ik dit onjuist en acht ik dit juist. Zekerheid kennen wij ten aanzien daarvan niet.

Als ik u nog even mag wijzen op de wetten van harmonie, dan zal het u duidelijk worden waarom goed en kwaad voor een mens toch heel erg belangrijk zijn, juist in deze persoonlijke zin.
Op het ogenblik dat ik mij een situatie schep, waardoor ik mijzelf geheel of ten dele veroordeel, zal ik harmonisch worden met al degenen die zich op een soortgelijke wijze beoordelen en veroordelen. Ik zal dan niet alleen mijn eigen kleine strijd ervaren, maar mijzelf ervaren als een deel van een enorm geheel dat even moeilijk of verwerpelijk is als wijzelf zijn.

Als wij goed zijn – en dat kan in de ogen van de wereld nog heel verkeerd zijn – dan voelen wij ons innerlijk tevreden. Die tevredenheid verbindt ons met al degenen die tevreden zijn, degenen die vrede kennen. Wij kennen dus vrede, wij kennen geluk en wel in een zodanige mate, dat wij voor een ogenblik ons a.h.w. vereend voelen met een grote wereld, of een grote wetmatigheid. Wij hebben de afstemming bepaald. Het zijn deze wetten van harmonie die vooral psychisch een bijzonder grote rol spelen bij alles wat goed en kwaad genoemd kan worden.

Als ik innerlijk iets vrees, dan zal ik reageren op de vrees van anderen. Als ik iets niet vrees, zal ik de vrees van anderen in vele gevallen niet eens kunnen begrijpen. En als ik er al enig begrip voor heb, zo zal ze mij toch niet feitelijk beroeren. Ik zal mijzelf nooit genoopt voelen om de vrezen van anderen te delen, hoogstens om hen te helpen die vrezen te beperken of te overwinnen. Met andere woorden: Ik ben bereid een zekere harmonie te scheppen, maar niet t.a.v. de vrees. Vervang hier vrees voor elk willekeurig woord en u zult ontdekken dat het altijd opgaat.

Wanneer wij zoeken naar vrijheid, dan moeten we beseffen dat onze vrijheid alleen kan bestaan door de eenheid met datgene wat wij ‘vrij’ noemen. Maar deze eenheid betekent voor ons een gebondenheid aan het totaal, waarin die vrijheid kan worden ervaren. Als wij denken dat wij slaven zijn en dat wij worden voortgedreven door het noodlot, dan voelen wij ons slaven. Zelfs op die ogenblikken dat wij zelf kunnen beslissen, dat wij zelf kunnen handelen, want wij zijn aan het denkbeeld van het geheel gebonden en daardoor niet in staat om volgens de vrijheid die wij wezenlijk bezitten te reageren.

Misschien is het goed om verder nog te wijzen op het feit, dat harmonie niet altijd de totaliteit van ons wezen betreft. Je kunt als mensen in sociale opvattingen, in geloofsopvattingen e.d. heel veel verschillen en toch tezamen b.v. een melodie van Handel horen en op dat punt harmonisch zijn. Op dat punt een verrukking delen die sterker wordt door de aandacht en de verrukking van de anderen.

Wij kunnen ook t.a.v. onze afschuw heel erg selectief zijn. Wij kunnen qua afstamming, achtergrond, geestelijke inhoud van elkaar verschillen als dag en nacht en toch is er iets wat wij vrezen. Want vergeet niet, dat wat wij verwerpen over het algemeen datgene is wat wij vrezen. Dat kan zijn rassenhaat, oorlog of iets anders. Zodra wij daar tegen zijn, ontstaat er een tijdelijke eenheid die schijnbaar de verschillen wegneemt, maar niet feitelijk. Het is door een tijdelijke eenzijdigheid dat de harmonie beleefbaar wordt. Op het ogenblik, dat onze eigen veelzijdigheid weer een rol gaat spelen, zal de harmonie verminderen of worden verbroken. Want wij menen altijd, dat het helemaal harmonisch zijn de enige methode is om werkelijk iets te zijn of iets te bereiken. Dat is niet juist.

Harmonisch zijn kunnen wij met alle aspecten van de schepping, met alle aspecten van het menselijk denken, leven en beleven. Maar die harmonie zal dan vaak beperkt zijn tot één of meer functies. Het goede voor ons ligt in de eenheid die wij op dit punt beleven. Het kwade ligt voor ons in ons onvermogen te erkennen dat de achtergronden, de motiveringen en daarmee ook de daden van anderen sterk zullen verschillen van de onze.

Ik weet dat dit alles een beetje klinkt als een pleidooi voor individualisme. De eenling is in deze maatschappij niet bepaald in tel. Het is altijd: Het belang van de meerderheid moet tellen. Maar hoe kun je een meerderheid vormen als er niet eerst minderheden zijn? Hoe kun je een massa vormen als er geen eenlingen zijn? De eenling is het meest belangrijke dat er bestaat.

Ik zeg niet dat u als individualist u moet afzetten tegen de gehele maatschappij. Dat kunt u op bepaalde punten misschien doen, maar dat is uw zaak. Ik zeg alleen dat u eerst uzelf moet zijn, dat u eerst moet leven vanuit uw innerlijk aanvoelen en weten, en dat als uw geweten u kwelt, u zich toch eens zult moeten afvragen in hoeverre dit z.g. geweten u is bijgebracht door anderen. Als het rechterhandje het mooie handje is en het linkerhandje het lelijke, dan kunnen we dat terugvoeren tot de tijd dat de mensen met de handen aten. Eén hand voor dit en één hand voor dat. Maar of wij het kunnen verklaren of niet, als wij de linkerhand gebruiken voor iets waar wij de rechter voor zouden moeten gebruiken, dan hebben we het gevoel dat het niet klopt. Dit gaat met denkbeelden eveneens op.

Laten wij ons eens afvragen: Hoe komen wij daaraan? Waarom vind ik dit onjuist? Waarom vind ik dit met mijn geweten in overeenstemming? Dan zult u met verbazing ontdekken dat, als al die regeltjes die u zijn bijgebracht, die heerlijke scholing, die indoctrinatie, een beetje op de achtergrond worden geschoven – helemaal verdringen kunt u ze niet – de intuïtie komt en zegt: Maar dat is mijn wezen. Dat is voor mij juist.

Je moet jezelf zijn. Je moet jezelf leven. Goed en kwaad zouden we misschien voor een enkele mens zo kunnen onderscheiden: De essentie van goed is voor een mens het beantwoorden aan datgene, wat hij in zijn diepste innerlijk is, en daardoor ook het waarmaken op aarde van die belevingen en ervaringen, die in overeenstemming zijn met de kern van zijn wezen. Kwaad is voor een mens al datgene wat hij tegen deze kernwaarde van zijn ik in aan ervaringen, aan situaties, aan belevingen en zelfs aan verdringingen voor zich schept.

De basiswaarde van goed en kwaad. Hoe kunnen we spreken over de basiswaarde van dingen die alleen maar kunnen bestaan in de ogen van de beschouwer? Wij kunnen spreken over de wetten die de kosmos beheersen. Er zijn er heel wat die wij u kunnen noemen. Dat gaat van de kringloop van de ziel tot de reïncarnatiecycli, de verschillende karmische wetten en wat dies meer zij. Al die dingen zijn belangrijker dan goed en kwaad. Goed en kwaad zijn alleen maar de voortvloeisels van onze beschouwing van onszelf in relatie met waarheden, voor zover wij die wensen te erkennen.

Daarmee heb ik u iets voorgelegd dat misschien op het eerste gehoor zo vanzelfsprekend klinkt, maar dat bij een nadere beschouwing zeker bepaalde problemen kan oproepen. U zult bepaalde zaken willen aanvechten. Daarvoor krijgt u alle gelegenheid. Maar onthoudt u één ding: Goed en kwaad kunnen niet alleen aan de hand van een daad worden geanalyseerd, tenzij wij uitgaan van een willekeurig gestelde norm, die binnen een bepaalde gemeenschap, in een bepaalde periode schijnt te gelden.

 Vragen

  • Uit een van uw opmerkingen meende ik te moeten opmaken dat alles gepredestineerd is en dat wij, de spelers in dit toneelspel dat vast ligt, het alleen maar moeten beleven en naar onze evolutie als goed of slecht ervaren.

Tot op zekere hoogte is het waar. Mag ik hier een vergelijking gebruiken?
Er is een doolhof. Dit doolhof heet: Het Leven. U wordt daar in geplaatst. U moet de uitgang zoeken. Dit doolhof is vast. Al datgene wat u kunt ontmoeten binnen dat doolhof staat vast. De wijze waarop u de weg kiest echter kan de volgorde waarin u de verschillende dingen ziet ongetwijfeld veranderen. Daarnaast kunt u er langer of korter over doen om de uitgang te vinden. Tenslotte kunt u hopeloos worden of u kunt juist opgewekt even gaan rusten, als u ergens een plek vindt met b.v. lachspiegels. Deze laatste zijn voor de zelferkenning zeer nuttig.

  • Is de bekering van zonden of de wedergeboorte nog wel nodig, als er in wezen geen onderscheid bestaat tussen goed en kwaad?

Het verschil tussen goed en kwaad bestaat voor u wel. Het bestaat alleen kosmisch niet. Wedergeboorte of verlossing is dus niet noodzakelijk vanuit een kosmisch standpunt. Maar gezien uw eigen instelling, uw relatie met de kosmos en uw erkenning van uzelf als deel daarvan kan voor u een verlossing of een wedergeboorte noodzakelijk en onvermijdelijk maken.
Dan spreekt u van evolutie. Kosmisch gezien bestaat ze niet. Voor uzelf bestaat ze slechts door het oordeel dat u velt t.a.v. uw huidig standpunt en uw vroegere standpunten of belevenissen.

  • Is onschuld gebrek aan besef tussen goed en kwaad?

In zekere zin, ja. Zij die niet beseffen dat er kwaad bestaat, kunnen geen kwaad doen, want in hen zal het besef van het kwade niet bestaan. Ze zijn dus onschuldig. Maar aan de andere kant: Hoe meer u meent te weten wat goed is des te groter het aantal punten dat vanuit uw standpunt kwaad is. Een heilige is dus een zondaar, die de goede kant van het evenwicht heeft kunnen houden.

  • Hoe kan men nu kiezen tussen twee kwaden? Is elke keuze in wezen onmogelijk?

Als u wilt kiezen tussen twee kwaden, dan zal de keuze voor u betrekkelijk eenvoudig zijn. Want als er twee kwaden zijn, is er één bij die u ervaart als beter. En beter is intuïtief gezien goed. Dientengevolge hoeft u bij twee kwaden alleen maar te kijken naar wat voor u verkieslijker is. Als u daarbij rekening houdt met het feit, dat u een dergelijke beslissing voor uzelf en niet voor anderen dient te treffen, zult u ongetwijfeld een goede keuze doen.

  • In hoeverre kunnen veranderingen, die in de moraal zijn waar te nemen in de geschiedenis van de afgelopen twintig eeuwen, worden opgevat als een geestelijke bewustwording?

Ik ben bang, dat ze daar betrekkelijk weinig mee te maken hebben. De moraal, dus de openlijke zedenleer, behalve een aanvaarde zedenleer, is namelijk gebaseerd op het sociale systeem: De bestaande economische verhoudingen. De drang van de mens is, zoals bij alle levende wezens op aarde, zelfhandhaving. Die zelfhandhaving impliceert, dat hij de mogelijkheden van het leven op een zeer bepaalde wijze zal benaderen. Hij doet dit misschien vanuit zijn eigen denken, omdat dat en vult u dan maar in  ..  Gods wil is, goed is, of het beste is. In wezen echter doet hij dit, omdat hij zich gebonden voelt aan voorwaarden die voor hemzelf – geestelijk, stoffelijk, of economisch – de grootste mogelijkheid tot zelfhandhaving inhoudt. Dus zelfbehoud is bepalend voor moraliteit. Verandering van moraliteit ontstaat op die ogenblikken dat de waarden voor zelfbehoud zich wijzigen.

  • Hoe wijzigen zich die waarden van zelfbehoud?

We zullen een heel eenvoudig voorbeeld nemen: Er is een tijd geweest dat men zich heel sterk gebonden achtte aan de gemeenschappen, vooral aan het hoofd van de gemeenschap. In die dagen was oorlog goed, want oorlog betekende de versteviging van de positie van het hoofd van de gemeenschap, daardoor van de gemeenschap en indirect dus van jezelf en van alle anderen die de oorlog zouden overleven. Dan komt er een tijd, dat men gaat beseffen dat oorlog in feite vernietiging is. Vanaf dat moment wordt oorlog steeds minder aanvaardbaar. De rechtvaardigingen die men eens daarvoor kon gebruiken, blijken nu niet meer te passen. Voorbeeld: de Vietnamoorlog en de Ver. Staten:
In het begin was men er van overtuigd dat de grootheid en de macht van de Ver. Staten ook in dit land moesten worden uitgedrukt. Toen men echter zag hoeveel offers het kostte en wat men feitelijk daarvoor terugkreeg, kwam men meer en meer tot de conclusie dat een dergelijke oorlog niet geoorloofd was. Integendeel, dat hij kwaad was. Een aantasting dus van de zekerheid van de burger. Maar dit gevoel van aantasting kon eerst optreden, nadat was gebleken dat de versteviging van positie daardoor niet mogelijk was.

  • Als de mensen de wereld zien als het strijdtoneel van de krachten van goed en kwaad, is dat dan een poging om de persoonlijke verantwoordelijkheid af te schuiven naar iets wat buiten de mens ligt?

Die neiging bestaat heel sterk. Ik ga nu een paar dingen zeggen die misschien vervelend zijn voor sommigen.
Er zijn heel veel mensen die, als ze niet in staat zijn op grond van eigen weten, besef en verantwoordelijkheid een beslissing te nemen, die beslissing toch nemen maar nu in de naam van God. Daarbij nemen ze aan, dat God wel door hen zal spreken, maar dat alleen de duivel kan spreken door degenen die het niet met hen eens zijn. Dit is een veel voorkomend verschijnsel. Zo zien wij ook mensen die, niet meer geneigd zijnde zelf hun verantwoordelijkheid binnen de gemeenschap te dragen, voortdurend proberen de verantwoordelijkheid voor hun welzijn, hun leven, hun zekerheid etc. over te dragen aan de staat.
De staat is een entiteit die in feite niet bestaat. De staat is een ambtelijke creatie, die zich weliswaar een soort goddelijk recht aanmatigt, maar die dit alleen kan bezitten dankzij het dulden ervan door de burgers. Daarom zal menige staat proberen zoveel mogelijk de verantwoordelijkheden van de burgers over te nemen om hierdoor de eigen macht steeds sterker te bevestigen.

  • Wanneer ontstond bij de mens voor het eerst een besef van goed en kwaad?

Daarvoor moeten we ver terug gaan vóór de huidige mens, de homo sapiens. Dat was in de tijd van de robachtigen; de tijd dat die wezens aan land gingen. Het waren nog geen warmbloedige vertebraten, maar ze leken een beetje op robben. Er ontstond toen een contact met de groepsgeest. Alles wat bij de groepsgeest als stralend werd ervaren heette goed. Al datgene waardoor die straling verminderde, of tijdelijk wegviel, werd beschouwd als kwaad. Dit ongeacht de reden waarom die groepsgeest zich wel of niet manifesteerde. Ik denk, dat daar het begin ligt van goed en kwaad, aanvaardbaar en onaanvaardbaar. Later zien wij dat er gemeenschappen van mensen ontstaan – denk aan b.v. de Neanderthalers – waarbij plotseling machtskwesties een rol spelen, maar in de eerste plaats toch altijd het behoud van de eigen groep belangrijk is en een rol speelt.
Al datgene wat voor het behoud van de groep bevorderlijk is, is goed. Al datgene wat op welke manier dan ook schadelijk kan zijn voor de groep als geheel, of voor delen daarvan, wordt als kwaad beschouwd. Wat binnen de groep goed heet, kan naar buiten toe kwaad zijn en omgekeerd.
Ik denk, dat we daar de eerste definitie hebben van goed en kwaad of van goed en niet-goed. Deze begrippen zijn dus ervaringsbegrippen, die onmiddellijk verbonden zijn met de levenscondities en levensomstandigheden plus de geborgenheid van de groep of de massa, waarvan men zich als deel ervaart.

  • De zondeval, de parabel, is dat het moment waarop het besef in de mens ontwaakt?

Ik geloof, dat het niet eens een kwestie is van oorzakelijkheid. Ik neem aan, dat dat maar heel betrekkelijk is geweest bij de primitieve mens, waarop m.i. de Adam en Eva mythe toch moet slaan. Ik denk eerder, dat dat ontstaat op het ogenblik dat men een waardering begint uit te spreken voor zichzelf en er daardoor een besef van aanvaardbaar – niet aanvaardbaar, van prettig – minder prettig etc. ontstaat. Daarmee is dan een besef van goed en kwaad geboren. Indien men zich dan bij dit kwade betrokken voelt, voelt men zich zondig. Een woord waaraan ik overigens een ontzettende hekel heb. Want als er ooit woorden zijn die worden misbruikt, dan zijn het: Zonde, zondeval en zondig.

  • Verdeelt de mens de werkelijkheid in goed en kwaad om op die manier een koers te kunnen uitzetten in de werkelijkheid?

Als u dat laatste er niet bij had gezegd, dan had ik volmondig ‘ja’ geantwoord. De mens deelt de wereld in goed en kwaad in om zijn gehele leven en dat van anderen te kunnen richten volgens de denkbeelden die hij heeft, ongeacht de vraag of deze al dan niet worden bevestigd in de werkelijkheid.

  • Kan men het besef van goed en kwaad universeel noemen? Dat wil zeggen: Zijn andere mensheden ook tot een soortgelijke indeling van de werkelijkheid gekomen?

Het besef goed en kwaad is eigen aan een bepaalde trap van ontwikkeling, geestelijk zowel als mentaal. Dat wil zeggen, dat wij in de hele kosmos volken aantreffen die zelf regels erkennen, die wij op onze manier misschien zouden kunnen noemen: Een grenslijn tussen goed en kwaad. Alleen bij bepaalde volken heet dat traditie. Bij andere is het stamverplichting en bij weer andere heeft het te maken met bovennatuurlijke krachten of met wetten die wij waarschijnlijk ecologisch zouden noemen. Het is duidelijk, dat het besef van aanvaardbaar en niet-aanvaardbaar universeel is voor alle levende wezens die een bepaalde trap van ontwikkeling en mentale beschaving hebben bereikt.

  • Mag men als vuistregel niet stellen: Alles in strijd met de intermenselijke liefde – de liefde zoals Jezus predikte – is kwaad en het omgekeerde goed?

Wij zouden eigenlijk moeten zeggen: Er is geen gebod hoger dan dit: Gij zult de Here, uw God liefhebben met geheel uw ziel, geheel uw hart, geheel uw denken, boven alle dingen en gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelf. Dat is inderdaad een kosmische wet. Maar liefde is zoiets eigenaardigs. Ik heb uitingen gezien die liefde worden genoemd en die mijns inziens de grootste apenliefde waren. Met andere woorden: Op personen gerichte bezitszucht. Ik heb vormen van liefde gezien, die als zodanig wel omschreven werden, maar die eigenlijk meer een genegenheid waren voor denkbeelden, die men in een ander met alle geweld uitgedrukt wilde zien. Laten we dus heel voorzichtig zijn met dergelijke formuleringen. In principe ben ik het ermee eens dat, als je je naaste werkelijk liefhebt, je daarmee aan een kosmische wet beantwoordt en dat al datgene, wat werkelijk zonder zelfzucht in liefde wordt gedaan, goed is. Het is zeker goed voor de mens, het is geestelijk voor zover ik kan nagaan goed, dat wil zeggen harmonisch. Ik heb tot nu toe geen voorbeeld gevonden waarin een dergelijke liefde kwaad zou zijn.

  • Volgens mijn inzien kan worden gesteld, dat het kwaad een functie heeft in de menselijke ontwikkeling. Uit het kwade kan immers verrijking van de mens voortvloeien?

U bedoelt: De duivel schijt op de grote hoop. U heeft daar volkomen gelijk in. Het kwaad en het goed zijn m.i. inderdaad voortgekomen uit de noodzaak van de mens om in tegenstellingen te denken. De gehele wereld van de mens, zintuiglijk en zelfs denkbeeldig, wordt bepaald door tegenstellingen. Er kan geen licht zijn zonder duister, geen duister zonder licht. Wij combineren dus begrippen. Er kan geen goed zijn zonder kwaad. Er kan geen kwaad zijn zonder goed. Dergelijke uitspraken zijn volkomen juist vanuit een menselijk standpunt. In deze zin is dus het oordelen en het beoordelen voor de mens één van de methoden om tot weten te komen. Als hij voldoende weten bezit, zal hij een onderscheid leren maken tussen kennis en wijsheid. Daar waar wijsheid ontstaat, spreekt men niet van goed en kwaad, maar alleen van de essentie van het leven.

  • Goed en kwaad bestaan slechts voor de beschouwer. Er zijn kosmische wetten van evenwicht, van compensatie enz. Maar zijn alle verschijnselen, inclusief deze wetten, ook niet alleen maar voor de beschouwer? Waar ligt het verschil?

Deze wetten zijn structuureigenschappen van het geheel waarvan wij deel uitmaken. De formulering ervan wordt bepaald door de manier waarop wij ze ervaren. Maar het wezen dat op deze wijze – misschien eenzijdig – wordt aangeduid, is reëel daar het een begrenzing vormt van de mogelijkheden tot bestaan. Als zodanig moet worden gezegd, dat goed en kwaad denkbeeldige waarden zijn omdat ze een rol spelen in ons. Maar dat de kosmische wetten, die onze mogelijkheden, ons zijn en onze gang van leven voor een groot gedeelte voor ons mede bepalen, voor ons een volledige werkelijkheid zijn die steeds meer kan worden ervaren, ook al drukken we het misschien anders uit. Daardoor moeten ze worden gezien als wetmatigheden die gelden voor een ieder die een menselijk besef heeft. Zelfs degenen die nog tot een hoger geestelijk besef zijn gekomen. Al weet ik niet of achter het witte licht deze zelfde regels en wetten nog bestaan of worden geïnterpreteerd zoals bij ons het geval is.

  • Waren de Tien Geboden van Mozes een door hem subjectief juist gevoeld normstelsel om een opstandig volk in toom te houden, of hebben ze meer een universele betekenis of karakter?

Om daarover een juist oordeel te geven zullen wij het volgende moeten bedenken: Het volk dat Mozes aanvoerde bestond uit vele verschillende groepen, waarin vele verschillende goden werden vereerd. Althans verschillende verschijnselen als uiting van God werden vereerd: Vuuraanbidding, maanaanbidding en zonaanbidding speelden een rol. Daarnaast de aanbidding van de onzienlijke God. Er was dus in die tijd niet slechts één God. Door de eerste drie geboden echter wordt die ene God op de voorgrond gesteld en gelijktijdig wordt afgerekend met de methode, die onder meer in Egypte, maar ook wel bij de nomadenvolken een rol speelde, namelijk beelden of voorstellingen te maken die men als personificatie van de Godheid beschouwde. Dit geldt dus ook voor de vlam op het altaar die wordt aanbeden als uiting van de levende God etc. Hierdoor kon Mozes dus het geloof tot een eenheid brengen.

Kijken wij naar de andere geboden, dan blijken deze op een opvallende manier overeen te stemmen met wetten, die al veel vroeger werden uitgevaardigd en wel in gebieden als Ur, waar Abraham vandaan kwam; in zekere zin beperkt in Babylon; en in verschillende andere grote gebieden van die tijd. Er is hier dus geen sprake van nieuwe wetten, laten wij dat wel begrijpen. Maar ze worden wel opnieuw geformuleerd.
Deze formulering is in overeenstemming met waarden die voor de mensen van die tijd toch wel enige kosmische betekenis hadden, maar die ook door hun toepassing een gezag over, en een eenheid binnen het volk mogelijk maakten. Veertig jaren in de woestijn waren nodig om uit een – vergeef mij de uitdrukking – ongeregeld zootje een uitverkoren volk te smeden.

  • Taalkundig is wel eens gezegd dat de vertaling niet ‘gij zult’ maar ‘gij zijt in staat’ de juiste vertaling zou zijn. Is dit juist?

Dat is niet geheel juist. Er zijn verschillende vertalingen mogelijk. Wat dat betreft ben ik zo vrij op te merken, dat er heel veel wonderlijke taal- en vertalingsfouten zijn geweest, praktisch vanaf de Itala, zelfs ten aanzien van de Evangeliën, laat staan dus t.a.v. het Oude Testament, waarin zeker vele uitdrukkingen zijn veranderd in de loop der tijden.

  • Volgens de Evangeliën stelt Jezus o.a. dat er geen tittel of jota van de Wet verloren zal gaan. Toch verschilt Jezus van Mozes. Kunt u zeggen wat het wezenlijke van dit verschil is?

In de eerste plaats is het wezenlijke van het verschil: Mozes was een volksaanvoerder, Jezus was een ingewijde. Een groot verschil dus. In de tweede plaats: De wet die Jezus kent is niet zonder meer de mozaïsche wet, het is de kosmische of goddelijke wet. De kosmische wet kun je met geen tittel of jota veranderen, omdat ze de essentie van het bestaan bevat en gelijktijdig alle mogelijkheden van het bestaan begrenst. Deze wet kan niet veranderen. Wat wel kan veranderen is de interpretatie van de mozaïsche wetgeving. Dat kunnen wij in de loop der tijden voortdurend constateren.

  • De vraagsteller wil graag dat u nog iets naders stelt over overspel. Jezus zegt o.a. tegen de overspelige vrouw: Ga heen en zondig niet meer.

Dat zou Jezus inderdaad hebben gezegd, nadat hij in het zand haar klantenlijst had neergeschreven. Daarom hebben ze haar ook niet gestenigd. Iedereen schaamde zich en liep weg.
Ik geloof dat overspel moet worden gezien in de betekenis, die het had in Jezus’ tijd. In die tijd betekende het een contractbreuk. Het wonderlijke is, dat overspel bij de vrouw zwaar werd bestraft en bij de man minder zwaar. De vrouw namelijk was de voortbrengster van de erfgenaam. Deze speelde als nageslacht een heel grote rol in de totale opvatting van de joden en eigenlijk in het wezen van de joodse cultuur. Het is dus duidelijk, dat Jezus hier spreekt in de termen van zijn volk. Maar wat kan hij bedoeld hebben met overspel? Zegt hij: Vrouw, gij hebt overspel gepleegd? Neen, hij spreekt daar niet van. De anderen noemden haar de overspelige vrouw. Wat is een overspelige vrouw? Volgens bepaalde definities zou dat een vrouw zijn die, ofschoon gehuwd, vele mannen heeft bekend. Hieruit blijkt, dat een seksueel libertisme strafbaar is binnen de gemeenschap. Dat Jezus hier niet nadrukkelijk op wijst, maar eerder zegt: ‘Vrouw, zondig niet meer’, houdt m.i. in dat hij heeft bedoeld: Mens, ga niet meer omwille van gewin tegen je gevoelens in.

Als wij het zo interpreteren dan blijkt dat overspel niet wordt begaan ten koste van een ander, maar ten koste van jezelf. Op het ogenblik namelijk dat je een seksueel contact hebt met anderen, terwijl je daarbij zelf niet betrokken bent en dit dus alleen maar ervaart als een pretje, of misschien een mogelijkheid tot verdiensten, dan voel je zelf dat dit niet zuiver, niet juist is. Je schept daardoor in jezelf een disharmonie. Compenserende reacties blijven dan niet uit.

  • In hoeverre is het door een ander subjectief beleefde gevolg van een daad, van invloed op de compensatiewerking oorzaak- en gevolg: a. Na de dood; b. Maakt het voor de sadist bij confrontatie met zichzelf uit of de ander masochist is of niet?

Hierop kunnen we heel gemakkelijk een antwoord geven. De sadist zal het uitleven van zijn drift, zelf, als niet gerechtvaardigd ervaren. Hij zal hierdoor zichzelf dus, bewust of onbewust, in het leven reeds in bepaalde situaties manoeuvreren en daaraan ook bepaalde gevoelens verbinden. Na de dood echter zal hij ervaren hoe de reactie van de ander is geweest. Het beeld van je leven, als je alles gaat terugvinden wat van belang was in dat leven, houdt namelijk niet alleen datgene in wat je zelf hebt gedaan en de consequenties daarvan, maar ook de beleving van de ander: de ontvanger, het slachtoffer en wat dies meer zij. Hierdoor zal dus iemand die masochist is en door een sadist is mishandeld hierin tevens een vreugde en ook een bevrediging hebben gevonden. Na de dood betekent het dus, dat deze ervaring als goed wordt beleefd. Maar heeft die sadist iemand mishandeld die daar zeer onder heeft geleden, dan zal hij zelf dit lijden ondergaan en het beseffen als onjuist, dus als kwaad.

  • Indien die ander extra overgevoelig was, betekent dit dan dat hij een grotere terugwerking op zichzelf ondervindt?

Ongetwijfeld. Hij zal ervaren wat de ander heeft ervaren. Hij zal dit moeten aanvaarden. Dat is dan het zere punt. Natuurlijk niet als een straf die hem door een ander wordt toegediend, maar als een kwaliteit van zijn eigen wezen waarbij het geheel voortvloeit uit zijn ik en als zodanig voor eenieder kenbaar zal zijn. Dat is juist de reden waarom men in het geval van schuld heel vaak in het duister wegvlucht.

  • Hoe kan onwetend handelen tot pijnlijke gevolgen aanleiding geven, als er van het veroorzaken geen weet bestaat?

Er kan geen grote consequentie worden verbonden aan de onnadenkende daad. Ze wordt weliswaar gezien met haar gevolgen, maar daar men bij de daad niet betrokken is, voelt men zich ook bij het gevolg minder betrokken. Een vergelijkend voorbeeld: U eet een banaan. U gooit de schil wat onnadenkend weg. Een ander valt daarover en loopt een bekkenbreuk op. U constateert dit, maar u bent bij het wegwerpen van de schil niet betrokken geweest. Dientengevolge constateert u het gevolg zonder dat een werkelijke betrokkenheid daarbij een rol speelt. Tweede voorbeeld: U vindt het reuze leuk om anderen te zien vallen. U neemt daarom een zeer vette substantie en vet daar een deel van een vloer of trottoir mee in om u daarna te verlustigen in het schouwspel van mensen, die onverwacht en met veel schrik een zittende houding aannemen. In dit geval heeft u ’t veroorzaakt; u bent er dus bij betrokken. Dit wil zeggen, dat de betrokkenheid, de verlustiging, inhoudt dat u verbonden bent met het gevolg, ook zoals het slachtoffer dit beleeft. Dan zult u dus niet alleen zien hoe komisch dit is, maar ook voelen hoe pijnlijk het is.

  • Is het juist dat compensatie nooit betekent: Vergelden of goed maken aan de ander, maar ook aan zichzelf?

Dit is een vraag die ik alleen theoretisch met ‘ja’ kan beantwoorden. Het is namelijk zo, dat datgene wat wij doen voor ons de grootste betekenis heeft. En datgene wat wij doen is hetgeen wij het meest intens ervaren.
In onszelf een compensatie vinden is in vele gevallen moeilijk, terwijl door een daad van compensatie te stellen wij a.h.w. die compensatie automatisch tot deel van ons besef maken. Al heb je dus theoretisch gelijk, in de praktijk betekent compensatie over het algemeen: Een beleving die in de buitenwereld wordt gesteld of vanuit de buitenwereld wordt ondergaan.

  • Predestinatie. Als God in de mens leeft, dan is die mens dus goddelijk. Dan is het toch voor de mens mogelijk om zijn eigen levensweg op een gegeven moment te bepalen en zich niet in een doolhof te bevinden?

Dit was alleen een vergelijking die ik heb gegeven. Laten we het eenvoudig stellen: U bent een cel in het lichaam van God. Maar de soort cel die u bent, bepaalt wel degelijk welke functie u in het geheel heeft. U bent voor uw bestaan afhankelijk van het geheel. Zoals het geheel in zijn vorm van bestaan afhankelijk is van alle cellen en in hun onderlinge samenwerking. De predestinatie is dan niet dat u bv. als rood bloedlichaampje altijd naar de benen moet gaan of ergens anders heen. U kunt ook wel in de hersens terechtkomen of in de linker pink. Het is alleen maar dat u een bepaalde functie verricht. Het is de functie die bepalend is in het geheel. En dan blijft er toch iets van die doolhofvergelijking overeind. Wij zijn déél van God, maar wij zijn niet God. Het deel-zijn van betekent echter dat het wezen, de structuur, die wij God noemen omdat wij niet weten wat er verder is, bepalend is voor onze mogelijkheden, maar niet voor onze keuze als gelijksoortige mogelijkheden, krachtens hetgeen wij zijn, die voor ons op een bepaald ogenblik ontstaan.

 Slotwoord

Als wij bezig zijn geweest over goed en kwaad, dan hebben wij eigenlijk gezegd: Goed en kwaad is een persoonlijke zaak. Er bestaan geen kosmische normen.

Hoe belangrijk een dergelijke constatering is, beseft u eerst als u nagaat in hoeverre uw maatschappij, uw wijze van leven, al datgene wat voor u aanvaardbaar en onaanvaardbaar wordt geacht, wordt bepaald door normen van goed en kwaad, die niet absoluut zijn, maar die berusten op belangen, stellingen, theorieën en leringen. Pas dan gaat u beseffen dat er een verschil is tussen het goed en het kwaad, waaruit u in uw leven zo vaak moet kiezen en het voor het ik bestaande goed en kwaad. Ik vind dat zoveel te belangrijker omdat men anders, gedreven door de angst voor het algemeen tot kwaad verklaarde, er heel vaak niet toe zal komen het goede voor zichzelf te beleven en te doen.

Het is uw taak u bewust te worden van uw deel-zijn van God. Het is niet uw taak om u te houden aan de waanvoorstellingen die anderen koesteren. U heeft uw ervaringen op uw manier. U bent zelf aansprakelijk tegenover God. U heeft geen duivel om de schuld aan te geven en geen engel die u bijstand zal verlenen. U heeft alleen harmonieën. Deze harmonieën worden mede door uzelf bepaald.

Als een geest u helpt, dan kan dit alleen omdat u op dat moment harmonisch bent met die geest en daardoor een overdracht van kracht, van feiten of iets anders mogelijk is. Dit zal altijd gelden. Wees dus niet al te snel met het beoordelen van iets in absolute zin.

Wanneer u goed en kwaad hanteert, hanteer het dan volgens de normen van uw wereld met het voorbehoud dat u voor uzelf deze normen de meest juiste acht op dat ogenblik, maar dat u niet het recht heeft anderen zonder meer daaraan te binden. Eerst zij, die beseffen hoe belangrijk het is anderen vrijheid te geven, kunnen ooit leren innerlijk vrij te zijn. Alleen zij, die niet beschuldigen en verontschuldigen maar feiten aanvaardend, beseffen wat voor het ik juist is, zijn in staat de kosmische persoonlijkheid die zij zijn, ook gezien hun delen buiten de stof, vorm en gestalte te geven zelfs in de menselijke wereld.

Het is duidelijk dat heel veel dingen, die met goed en kwaad te maken hebben, berusten op gevoelens. Als wij de regels en alle wetenschappelijke en pseudowetenschappelijke definities naspeuren, dan komt er altijd een ogenblik dat we ontdekken: Hier heeft men te maken met iets wat gesteld wordt zonder dat de stelling te verklaren is. Die stelling is dan intuïtief. Met andere woorden, zij is voortgekomen uit een innerlijk gevoel plus een poging om dit gevoel vast te leggen in woorden, in gedachten. Er zijn geen absolute normen die bewezen zijn. Aanvaard niet dat een ander weet wat God wil, terwijl u het niet weet. Want u bent evenzeer deel van God als die ander. Aanvaard niet dat u zelf niet tot God kunt gaan, maar dat u dat alleen kunt doen door bemiddeling van anderen. Zoek voor uzelf de waarheid zoals ze op dit ogenblik bestaat en leef daarnaar. Dan zult u weten dat het goede inderdaad wordt beloond. Niet doordat u ervoor wordt betaald, maar doordat het in u een toestand van vrede schept, waardoor u verder kunt gaan, waardoor u meer kunt beleven en toch vrede en een mate van geluk in uzelf kent.

Als u met deze dingen rekening houdt, dan zult u misschien de basiswaarde van goed en kwaad op een andere manier gaan bekijken. Dan zult u zeggen: Wat is mijn basiswaarde in het geheel? En als u daarop – al is het maar intuïtief – enig antwoord vindt, dan heeft u goed en kwaad voor uzelf gedefinieerd.

Laat het dan aan anderen over om dit eveneens voor henzelf te doen. Alleen als ze dat niet kunnen, probeer hun dan duidelijk te maken dat er geen algemene wetten bestaan op dit gebied, maar alleen innerlijke wetten die worden bepaald door de relatie tussen het ik en de kracht waaruit het is voortgekomen.

image_pdf