De gedachtewereld van de mens in verhouding tot de werkelijkheid

20 februari 1962

Wij moeten uitgaan van het standpunt dat deze dagen (wat ook door de feiten bewezen wordt) op de mensheid abnormale spanningen hebben neergelegd.

Het karakter van deze spanningen (onzes inziens een teken van invloed van Aquarius en planetaire invloeden) zou misschien het best kunnen worden uitgedrukt als een groeiend verschil, een groeiende afstand tussen het innerlijk leven en denken van de mens en zijn uiterlijke werkelijkheid of mogelijkheden.

Wanneer wij trachten om het zuiver menselijk denken, uitgaande van een menselijk standpunt, te definiëren, zo vinden wij de twee grote begrenzingen: angst en begeerte.

De angst kan in sommige gevallen worden tot een onredelijke angst, in welk geval zij impliceert, een volledige overgave aan de instincten en de oorzaak van de angst. Wij noemen haar dan panisch of paniek.

In het begeren kennen wij verschillende vormen die begeerte genoemd kunnen worden. Daar zijn allereerst de lijfelijke en zintuiglijke begeerten; daarnaast echter vinden wij een reeks van mentale begeerten. Ook deze zijn van groot belang omdat ze voor de mens het doel bepalen.

In de gedachtegang van de doorsneemens op aarde mag worden gesteld dat zijn doel wordt bepaald door zijn begeren, terwijl zijn stuwkracht grotendeels wordt voortgebracht vanuit de angst.

Hier begin ik dan met een poging om dit menselijk denken te situeren tegen een achtergrond van een bestaande werkelijkheid. Het is mij bekend dat er veel wordt gesproken over Maya, over waan en over begoocheling. Slechts weinigen schijnen zich te realiseren dat achter deze verschijnselen, een werkelijkheid schuilgaat met vaste wetten, vaste normen en vaste waarden.

Toch moet dit gesteld worden en wel om de volgende reden; Indien begoocheling of Maya zelf bestaand en zichzelf in stand houdend genoemd mag worden, moeten wij ook aannemen dat de juistdenkende mens in staat is alle voor hem niet gewenste factoren uit deze begoocheling, door eenvoudig ontkenning, te elimineren. Het blijkt dat in dergelijke weg doen vallen van bepaalde verschijnselen, soms langs mentale of geestelijke weg, mogelijk is. Er blijven echter altijd verschijnselen die men niet kan beheersen; verschijnselen die vaak volledig strijdig zijn met het hopen, het denken van de mensheid; verschijnselen anderzijds die niets te maken hebben met de stuwing uitgaande van de angst. Deze verschijnselen mogen wij dan toch wel werkelijk noemen, zeker wanneer wij hen zien als uitgaande van een vaste reeks van ontwikkelingen gebonden aan vaste regels, maatstaven en wetten.

Deze werkelijkheid is niet slechts materieel, maar breidt zich uit over verschillende gebieden, die men geestelijk pleegt te noemen. Het totaal van deze werkelijke verschijnselen, zal ik voortaan kosmische realiteit of Goddelijke werkelijkheid noemen.

Uitgaande van een werkelijkheid en een daarvan gescheiden gedachteleven, gebaseerd op de vele mogelijke schakeringen tussen angst en begeren, kom ik dan allereerst tot de conclusie: Het denken van de mens is nooit reëel. Zijn erkenning van de feiten is evenmin reëel. Zijn realisme, zijn zich aanpassen aan de werkelijkheid, kan nimmer gebaseerd zijn op feiten; het is steeds gebaseerd op zijn eigen mening en interpretatie. Mening en interpretatie komen voort uit de voornoemde verschijnselen: angst en begeerte.

De achtergrond van het menselijk denken is de Goddelijke werkelijkheid. Ongeacht van de wijze waarop de mens leeft en denkt, zal hij steeds weer verschijnselen ontmoeten die door hem niet te beheersen zijn, die hij niet kan weginterpreteren en waarvoor hij evenmin een verklaring kan geven, waardoor zij geheel in het kader van zijn eigen leven, levensbeschouwing, opinie, bevooroordeeldheid enz. passen.

Dan zal deze mens genoopt worden om zijn eigen innerlijke of denkwereld te handhaven, een groot gedeelte van de verschijnselen die in deze kosmische of Goddelijke werkelijkheid optreden, eenvoudig te verloochenen, niet te zien, te verwerpen.

Een Goddelijke werkelijkheid kan verder nooit zijn vastgelegd in boeken (elke schrijver interpreteert): zij kan nooit zijn vastgelegd in de ervaringen van anderen (de mens interpreteert deze op zijn wijze) en zij kan nimmer gebonden zijn aan enigerlei abstracte wet of regel.

De mens, ontwijkend (door een zekere vrees ook misschien bezeten) voor de werkelijkheid zoals deze rond hem bestaat, zal echter voor zich trachten, steeds weer alles ter zijde te schuiven, weg te verklaren, wat niet binnen zijn eigen denkbeelden past.

In deze dagen ontstaan nu zeer grote, voor sommigen bijna fatale spanningen, die vreemd genoeg niets te maken hebben met een wereldondergang, maar die wel degelijk te maken hebben met de gedachtewereld van de mens.

Want, wanneer zijn denken onjuist is en er tussen hem en de Goddelijke werkelijkheid een relatie bestaat, komt het verschil steeds sneller tot uiting. Hoe sneller de verschillen tot uiting komen, hoe sneller de mens zich zou moeten heroriënteren. Hij weigert deze heroriëntatie en kan vluchten in waan, kan vluchten in een verwerping, hij kan verder ondergaan door een willekeurig kracht boven zich te erkennen als originator van deze gebeurtenissen en invloeden en gelijktijdig te stellen, dat deze God (want zo noemt hij deze kracht dan) voor hem persoonlijk een goede God is, die hem uiteindelijk voor al het beleefde zal belonen.

Het is u duidelijk dat een dergelijke Godheid nooit een ware God kan zijn. Een God die beantwoordt aan het denkbeeld van een mens is een menselijk denkbeeld, kan nooit alomvattend zijn, kan nooit andere machten bezitten dan die welke een mens zich kan voorstellen.

Een omschreven Godheid, die gebruikt wordt als verklaring voor de verschijnselen in de wereld, is per se al niet werkelijk, niet reëel.

Blijft ons de vraag of er een God is. Ik geloof inderdaad in een God en wel omdat in de kosmische of Goddelijke werkelijkheid een groot aantal vaste lijnen en wetten te erkennen zijn, die m.i. niet het resultaat kunnen zijn van een willekeurig gebeuren of een toevallige structuur. Daarvoor zijn zij te consequent, omvatten zij te veel verschillende levensgebieden.

Maar wanneer ik die God aanneem en ik wil Hem definiëren anders dan door zijn kenbare uitingen, dan zal ik aan die God kunnen ondergaan. Ik zeg dit met nadruk. Een God die zich niet manifesteert is waarschijnlijk een chimaera, een hersenschim.

Een God die zich manifesteert, die zich dus openbaart en wel op een kenbaar niet met de menselijke natuur strokende wijze, (dit hoort erbij) kan echter erkend worden als een kracht die wij God noemen, zonder daaraan ooit enigerlei eigenschap of reeks van eigenschappen toe te kennen anders dan die voor onszelf noodzakelijk om met deze kracht en de daaruit voortkomende verschijnselen werkzaam te zijn.

Nu komt er een grote vraag (tenminste wanneer wij het menselijk denken verder willen ontleden) nl. wat is de drijvende kracht van een groot gedeelte van de menselijke maatregelen, de menselijke gedachten? Wat ook is de oorzaak van zijn irratio­naliteit in zo menig opzicht? Want de mens handelt vaak onredelijk.

Volgens mijn inzicht en aan de hand van door velen aan onze zijde gemaakte studies, meen ik daarvoor de volgende verklaring te mogen geven.

Elke mens zoekt naar zelfbehoud. Dit zelfbehoud behoeft niet noodzakelijk te zijn een lichamelijk zelfbehoud. Een innerlijk bewustzijn van continuïteit gaat gepaard met een zekerheid omtrent de wijze waarop het ik zal worden voortgezet. De mens heeft nu de keus tussen het handhaven van zijn stoffelijk wezen (dus lichamelijk zelfbehoud) en de poging om zijn gedachtewereld te behouden (het zogenaamd mentaal zelfbehoud).

In beide gevallen zal hij alles aan dit zelfbehoud onderdanig maken en zullen alle acties die hij volbrengt, ook de meest onzelfzuchtige, met dit denkbeeld in verband staan zodra zij berusten op een redelijke grondslag.

Indien een mens alleen redelijk zou kunnen leven en denken, zou hij, krachtens het voorgaande, zijn eigen mogelijkheden en bereikingen voortdurend beperken. Gelijktijdig zou hij ertoe komen zichzelf voortdurend weer te zien als de vijand van alle anderen en deze vijandschap slechts niet tot uiting brengen daar waar hij tijdelijk steun beleeft. Wij kennen dergelijke typen op aarde, die wij dan vaak opportunisten noemen.

Toch zullen vele mensen een andere tendens vertonen. Maar deze komt voort uit het gevoelsleven. Is dit gevoelsleven echter betrouwbaar? Kan dit worden gezien als een deel van de achtergrond van het denken? Allereerst kennen wij een groot gedeelte van het denken, waarbij impulsen van buiten ontvangen niet de cortex passeren, maar waarbij de mens onmiddellijk reageert met zijn klierstelsel door secreties. Dit zijn wat men instincten noemt. De mens omschrijft het zelf vaak als gevoelens ofschoon deze gevoelens zeker niet op een volledig emotioneel vlak liggen zover dit het denken betreft. Zeer eenvoudig gesteld kan ik dus wat volgt verklaren:

In de loop van de ontwikkeling van de mensheid en de voortdurende verandering van zijn omgeving en zijn zeer snelle aanpassing daaraan, heeft hij lichamelijk een mogelijkheid ontwikkeld om snel op elke wijziging van omstandigheden te leren reageren en daarbij het stoffelijk of dierlijk zelfbehoud voortdurend als hoofddoel te stellen.

Elke instinctieve reactie is daarom gepaard met het begrip zelfbehoud en dit over het algemeen in de meest stoffelijke zin. Hieronder vallen bepaalde aspecten van de seksualiteit vooral wanneer het gaat om de voortzetting van eigen leven, de continuïteit van eigen bestaan in het kind.

Daarnaast echter blijkt een reeks gevoelswaarden aanwezig te zijn die vanuit een menselijk instinct niet verklaarbaar zijn. Ze zijn irreëel omdat zij het zelfbehoud kunnen benadelen, omdat zij de zekerheid voor het ik (iets wat toch een van de voorname factoren binnen het begeerteleven is) in gevaar brengen. Ik zou u enkele daaronder willen vernoemen; een naastenliefde op humane overwegingen gebaseerd, een zich dienstbaar maken aan stellingen en begrippen die niets te zaken hebben, noch met eigen angsten, noch met eigen zekerheid, het vermogen om anderen te be­grijpen en eigen angsten zowel als begeerten tijdelijk voor die anderen te vergeten. Ook dit kan niet redelijk worden verklaard. Het is emotioneel. En nu kan men zeggen dat dit deel is van het mens-zijn. Maar de gehele historie van de mensheid spreekt daartegen.

Dan mogen wij, naar ik meen, hier stellen, dat geestelijk (althans bovenredelijke) factoren ingrijpen op het ogenblik dat de mens tracht Zijn denken en welzijn aan te passen aan zijn innerlijke behoefte, die niet meer gebaseerd is op eigen denkbeelden alleen.

Nu enkele conclusies hieruit:

  1. Alles wat een mens denkt is gebonden aan zijn redelijke vermogens. Daar waar in hem, innerlijke waarden optreden van het bovenredelijk vlak, dan wel instinctieve waarden uit het beneden de rede gelegen vlak van bewustzijn, zal hij dit steeds trachten te verklaren in de termen van zijn eigen denken en levensbeschouwing.
  2. Gezien het feit dat de mens vele dingen vreest en daardoor vele dingen voor zijn redelijk denken en bewustzijn uitsluit, hen niet-aanvaardbaar achtend of hen verdringend, (dus terugdringend in het onderbewustzijn) zal hij daarbij bepaalde hiaten in de ontwikkeling van de wereld, de ontwikkeling van eigen wezen, de gebeurtenissen buiten hem en de impressies uit de wereld ontvangen, doen ontstaan.
  3. De onvolledige wereld waarin de mens leeft, vervreemdt hem van de werkelijkheid. Elke poging om zijn onvolledige gedachtewereld aan te passen aan de bestaande en reële achtergrond, de Goddelijke werkelijkheid, voert hem verder af van deze werkelijkheid omdat nimmer een deel als vervanging op kan treden van het geheel waar het geheel zich in de herkenbare feiten voortdurend manifesteert.

Dan stel ik verder. Wanneer het menselijk denken niet beperkt wordt door een automatisch verwerven van delen van waarnemingen, wanneer het niet meer beschermd wordt door het wegvallen van bepaalde impressies en het wegdringen van het besef omtrent bepaalde mogelijkheden, zal de mens een wereldbeeld in zich kunnen bevatten dat, zover het dus reikt, gedekt wordt door de kosmische werkelijkheid. In dit geval zullen alle feiten en alle omstandigheden direct beantwoorden aan wat in hem leeft.

Omgekeerd zal het voor hemzelf mogelijk zijn, zelfs aan de hand van de rede, het merendeel der gebeurtenissen (ook deze die normalerwijze buiten zijn eigen beschikking en mogelijkheden liggen) te voorzien en zelfs misschien te beïnvloeden of zijn eigen plaatsing in ruimte en tijd, ten opzichte daarvan te wijzigen.

Dit klinkt alles buitengewoon ingewikkeld. Dat ben ik met u eens; maar het is uitermate belangrijk.

Wanneer mijn bewustzijn en mijn denken conform de achtergrond is, bevestigt de kosmische werkelijkheid, de Goddelijke realiteit, mijn wezen en mijn leven met feiten en krachten die ik zelf onderga.

Steeds weer zal de juistheid van mijn beleven bevestigd worden, niet door middel van een interpretatie, maar door middel van stoffelijk kenbare feiten, die vanuit mijn denken alleen nimmer beïnvloed konden worden.

Wil ik verder, alleen waarnemen wat rond mij is en sluit ik mij niet af, dan zal voor mij een wereldbeeld ontstaan, dat sterk afwijkt van het algemeen aanvaarde. Want elke maatschappij tracht zichzelf te handhaven. 0m dit te bereiken schoolt zij het denken van haar leden van de eerste levensjaren af zodanig dat zij blind worden voor bepaalde gebeurtenissen, werkingen en verschijnselen. Wanneer zij worden opgemerkt, worden zij als fantasie of als onredelijk terzijde geschoven. Is dit het geval, dan kan men ze dus nuchter negeren, ook wanneer ze werkelijk bestaan. De verschijnselen daaruit voortkomende, worden dan eveneens wegverklaard of zelfs ontkend.

Vanuit de achtergrond, dewelke voor het menselijk denken nu eenmaal bestaat en de ontleding van het menselijk denken, die wij hier misschien wat oppervlakkig geschetst hebben, trachten wij nu te komen tot een meer praktische beschouwing.

Ik stel dan allereerst: wanneer men uitgaat van de feiten zoals zij zich voortdurend manifesteren, zich daarbij onthoudend van menselijke interpretatie, zal men bepaalde patronen, dus vaste regels kunnen ontdekken.

Het toeschrijven van deze vaste regels aan een of andere invloed kan rationalisatie zijn. Wij behoeven dit niet te doen. Voor onszelf is het vaak gemakkelijker wanneer wij dit voorlopig doen. Hierdoor zullen wij dus voor onszelf een harmonie scheppen, een mogelijkheid tot beseffen die uitgaat van de Goddelijke werkelijkheid in Zijn geheel en niet meer van een menselijke gedachtewereld met zijn beperkingen en hiaten. Daarin kunnen nooit menselijke wetten of regels als belangrijk of geldend zijn. Bv. Een verkeersregel kan goed zijn als een deel van de menselijke gemeenschap, maar bij het optreden van feiten uit de werkelijkheid, als rampen moeten zij terzijde worden gesteld en door zeer buigzame, zeer gemakkelijk aan te passen regels worden vervangen.

Soepelheid in het gebruik van alle door de mensheid en in de mensheid bestaande regels, zal dus noodzakelijk zijn, tenzij deze regels onmiddellijk door de feiten en bij voortduring bevestigd worden.

In de tweede plaats, elke scheiding die ik als mens optrek tussen mijzelf en anderen, ongeacht om welke redenen (geloof, ras, nationaliteit of iets anders) is een uit mij voortgekomen begrenzing. Zij zal het mij onmogelijk maken de werkelijkheid omtrent die ander te beseffen.

Ze maakt het mij eveneens onmogelijk om mijn eigen verhouding ten opzichte van anderen op een reële wijze te regelen.

Zo moet ik uitgaan van het besef van een zo groot mogelijk gelijkheid van alle dingen. Ik kan dit slechts doen door te stellen dat zij allen gelijkelijk deel zijn van eenzelfde werkelijkheid, dat zij allen onderworpen zijn aan dezelfde regels en wetten en dat het werkelijk belangrijke (voor hen zowel als voor mij) gelegen moet zijn in dezelfde ontwikkeling of dezelfde waarden.,

Hierbij komt de vraag van de angst sterk naar voor.

Want elke mens heeft de behoefte om de meerdere van een ander te zijn. Sommigen doen dit door wat u bluf kunt noemen. Anderen door zich macht te verwerven of rijkdom. Weer anderen doen het door zichzelf slimmer te achten dan anderen. Men denkt wel eens dat dit te maken heeft met patronen bv. van sociaal gedrag. Men zegt bv. dat iemand asociaal is wanneer hij zich niet houdt aan de in de sociëteit gangbare regels, dat hij amoreel is wanneer hij zich niet houdt aan de gangbare morele stellingen. Dit is natuurlijk niet juist. De mens is alleen asociaal als zijn handelingen niet enkel de stellingen van de gemeenschap, maar de gemeenschap zelf aantast. Een mens is alleen amoreel, wanneer hij niet over enigerlei eigen moraliteit beschikt. Anders kan dit ten hoogste gesteld worden ten overstaan van het algemeen geldende, maar nimmer als een vol­ledige waarde.

Zo kunnen wij nimmer een oordeel vellen over anderen. Laat ons dat goed begrijpen. Wij kunnen wel trachten in anderen zowel als in onszelf, de uitwerking van dezelfde wetten en functies te zien.

Hoe meer wij een besef krijgen voor de gelijke waarden binnen alle dingen, hoe gemakkelijker wij anderen zullen begrijpen; hoe gemakkelijker wij ook onze eigen beperkingen terzijde laten en komen tot het aanvaarden van de werkelijke achtergrond (dus de kosmische werkelijkheid).

De stelling is vaak herhaald, maar ik heb ze hier dus nogmaals een basis gegeven: Heb uw naaste lief.

Handel steeds naar uw beste inzicht en weten, en nimmer volgens de mening van anderen. Verwerp niets omdat men het niet erkent en ga altijd uit van het standpunt dat alleen eigen ervaring en bij herhaling, bevestiging kan zijn voor stellingen door anderen verkondigd. Ga uit van het standpunt dat u elke mens kunt vertrouwen, maar dat u geen enkele mens kunt vertrouwen als gelijkblijvend en gelijk zijnde in opvattingen en bestrevingen, dan wel (wat ook mogelijk is dus) waardering van bezitswaarden en dergelijke. Ga nimmer uit van bezit als zodanig. Bezit heeft geen waarde. Het bezit dat de mens in zich en rond zich verzamelt, dient alleen als middel tot contact met en handhaving in de wereld waarin hij leeft. Het is te allen tijde te vervangen door andere waarden die een gelijke werking kunnen hebben. Houdt u aan alle wetten zover noodzakelijk, maar voor uzelf zult u deze wetten nooit als bepa­lend mogen zien.

Verwerp de mening van elke andere mens totdat deze mening zichzelf voor u als volledig juist heeft bewezen, maar wees bereid om een dergelijke mening als werkhypothese, (als middel tot onderzoek dus te gebruiken.

En nu kom ik op de geest terecht die hiermee toch ook verbonden is en die een zeer grote rol kan spelen.

De geest leeft, evenals de mens, in een wereld die door haar eigen bewustzijn bepaald wordt. De grenzen die daarin bestaan, zijn de grenzen der gedachte. Ook hier angst en begeerte als de twee uiterste factoren.

Een mens die zijn verwachtingen, zijn begeerten omtrent het geestelijk leven baseert op een angst, op een bestaan van het schrikwekkende, zal te allen tijde dit schrikwekkende voor zichzelf tot werkelijkheid maken. De mens die alleen het goede wil zien en in en voor zich alleen de grootste en volmaaktste heerlijkheid verwacht, zal eveneens tekortschieten. Zijn beeld van volmaaktheid kan nimmer volledig identiek zijn met de kosmische werkelijkheid, die hij volgens zijn bewustzijn kan aanvaarden.

Ga uit van het standpunt dat alle leven in de geest en in de sferen, een ongeveer gelijke inhoud heeft als het menselijk leven.

Stel voor uzelf dat alle, niet op stoffelijke instincten gebaseerde bindingen die op aarde bestaan, in de geest zullen bestaan.

Vertrouw op de goedheid, die ook in de mens op aarde tot uiting komt als een deel van het geestelijk werken en leven.

Laat u nimmer verleiden om een vaste stelling omtrent het hiernamaals aan te nemen. Elke te vaste en te gevormde stelling is namelijk de aanleiding tot de vorming van wat ik zou willen noemen een geloof of een mythe. Geloof en mythe zijn beide zeer nadelig voor de mens, omdat ze geneigd zijn een zo groot mogelijke invloed over een zo groot mogelijk menigte te zoeken.

Dit betekent, dat een vereenvoudiging van de werkelijke leerstellingen en feiten en op den duur een vertroebeling daarvan om het geheel aanvaardbaar te maken door de massa, noodzakelijk is.

Wanneer u meent dat dit niet strookt met de bestaande werkelijkheid, zo wil ik u wijzen op het feit, dat geen enkel geloof als godsdienst door zijn oorspronkelijke verkondiger is gesticht. De Christenen danken als religie hun bestaan aan Paulus.

Voor de Islam zijn vooral de strijd om de gedachtewisselingen tussen Ali, Hoessein en Beni, naar ik meen, belangrijk geweest. In het Boeddhisme ontstaat pas een religieuze drang ongeveer 120 jaren nadat de Gautama Boeddha is overleden. U zult deze punten misschien kennen.

De werkelijke leer is nimmer een godsdienst en waarom niet? Omdat elke werkelijke leer, die mede geestelijke elementen bevat of bevatten wil, gebaseerd moet zijn op een uitermate soepele toepassing van een bepaalde leefregel die metterdaad verwerkelijkt moet worden. Iets anders heeft daar niets mee te maken.

Een raad die ik u verder wil geven: Besef dat vele boeken in de oudheid geschreven zijn door mensen die een bijbedoeling hadden. Zij wensten bepaalde sleutels, bepaalde geheimen en ideeën zodanig daarin te verbergen dat ze altijd toegankelijk zou zijn en gelijktijdig voor de leken niet kenbaar. Waar deze ingangen en de wijze waarop ze verborgen waren, uit de toenmalige omstandigheden en de dan heersende mentaliteit zijn voortgekomen is het voor u zeer moeilijk, zonder daarvoor passende handleiding ooit iets van deze waarheden terug te vinden. Slechts diegenen die de mentaliteit van deze tijd geheel terug kunnen vinden, zijn misschien in staat, de juiste betekenis van vele uitspraken te erkennen.

Baseer u daarom steeds op het heden. Beschouw al wat u wordt gezegd als een mogelijke handleiding. Ga uit van de innerlijke bevestiging der dingen.

Nu blijft mij nog te spreken over het verschijnsel van de harmonie.

Harmonie of samenklank, of eenklank, is hoofdzakelijk muzikaal bekend. Wij mogen aannemen dat in een harmonisch verschijnsel, dat niet door een aantal musici bv. wordt opgewekt, de sterkst klinkende toon bepalend zal zijn voor de bijkomende harmonieën. Zij bepaalt dus datgene wat meetrilt.

Op deze wijze zou kunnen worden gezegd, dat de sterkste factoren in het menselijk denken en het menselijk leven, de sterkste harmonieën zullen wekken, niet alleen in de mensheid maar ook in de verschijnselen die wij Goddelijke werkelijkheid hebben vernoemd. De sterkste factor is bepalend. Maar ze kan dit alleen zijn zolang er iets is om te ontvangen. Op het ogenblik dat een werking in de kosmos en reëel bestaat en een mens weigert deze te erkennen, is het alsof in het klavier een snaar ontbreek. Deze snaar is er niet en kan dus niet meetrillen. Is de snaar aanwezig maar niet juist gespannen, dan zal het harmonisch effect kleiner zijn. Hoe juister de afstemming van een enkele snaar, hoe juister en sterker de weerkaatsing van de oorspronkelijke toon, maar in de eigen toonaard, zal plaatsvinden.

Dan mogen wij dus stellen dat al wat in ons aanwezig is en op enigerlei wijze harmonisch is met de bestaande werkelijkheid in ons een bepaalde trilling doet ontstaan.

Deze trilling wordt vertaald als gevoel, emotie en gedachte. De gedachte is over het algemeen een rationalisatieproces, maar kan soms een directe uiting zijn nl. op het ogenblik dat de redelijke impulsen en beheersing van de mens zelf (dus het aanpassen van het denken aan zijn eigen wereldbeeld – tussen angst en begeren) ophouden. Dit kan geschieden in toestanden van trance, van bewusteloosheid, onder narcose; het kan ook geschieden in toestanden van grote opwinding en van absolute passiviteit.

Wat wij weergeven echter wordt bepaald door de voor ons bestaande sterkste toonaard, de invloed waarbij wij het best passen. Als wij ontdekken dat onze eigen reacties, op dit terrein niet juist zijn, niet zuiver zijn volgens ons eigen inzicht, dan zullen wij moeten nagaan in hoever wij innerlijk disharmonisch zijn. Want slechts indien wij deze innerlijke disharmonie beseffen, is het mogelijk om ze te veranderen.

Ons eigen denken en gedachteleven moet altijd een zo gesloten mogelijk, geheel zijn, met zo weinig mogelijk strijdigheden die het eigen bewustzijn beheersen en een zo gering mogelijke ontkenning van feiten en verschijnselen.

Dit alles lijkt mij een noodzakelijke basis om van uit te gaan. Want kan een mens, hetzij in het spiritisme, in het geloof, in de politiek, de economie, onverschillig welk deel van menselijk leven en denken, ooit juist reageren wanneer hij niet beseft wat in zijn eigen gedachtewereld bepalend is? Wij kunnen niet voorkomen dat wij interpreteren. Dit is voor de mens en ook voor de geest, in vale sferen, nu eenmaal noodzaak. Zonder dit kan hij niet leven. Maar het besef dat hij interpreteert alleen al, maakt het mogelijk om de strijdige verschijnselen te aanvaarden en binnen zijn bewustzijn op te nemen, in plaats van ze uit te sluiten of, wanneer zij niet te verwerpen zijn, daaraan ten onder te gaan.

Er zijn gevallen bekend van mensen die waanzinnig werden alleen omdat iets volledig tegen hun eigen voorstelling indruiste en toch feitelijk bleek. Soms is er sprake van een blijvende krank­zinnigheid, soms is er sprake van dood.

Laten wij beseffen, dat zolang wij weten dat wij interpreteren, wij ook in staat zijn om alles wat niet ligt binnen ons normaal kader van leven, te verwerken te aanvaarden desnoods. Wij kunnen leven met alle dingen zolang het ons mogelijk is deze te aanvaarden. Aanvaarden kunnen wij slechts als wij de beperking van eigen gedachtewereld beseffen. Wanneer ik denk, voel, wanneer ik geloof, dan is dat een toestand van dit ogenblik. Wat ik nu geloof dat hoef ik morgen niet meer te geloven en gisteren heb ik het anders gezien. Wat ik nu voel zal ik misschien nooit meer precies zo ervaren enz.

Wij zijn niet gebonden aan wat morgen geschiedt of wat gisteren geschied is. In dit opzicht tekent elke dag zijn eigen waarde. Dit wil zeggen, dat onze eigen oriëntatie op de wereld, op de kosmische werkelijkheid dag na dag hernieuwd moet worden.

Belangrijk is het voor ons echter, dat wij als mens of geest, ook blijvende waarden scheppen. Deze blijvende waarden kunnen vaak geschapen worden door een eenmalige aanvaarding van een bepaalde invloed of toestand. Zij kunnen heel vaak bereikt worden door het éénmaal erkennen van een bepaalde wet. Datgene waardoor ons ervaren en erkend werd, leeft in ons. Het kan niet ter zijde worden geschoven; het zal voortdurend, bewust of onbewust, deel van het denken, de gedachteprocessen blijven uitmaken.

Ik neem aan dat u hier bent, omdat u geestelijke wijsheid zoekt; niet omdat u een zekerheid zoekt dat u, wanneer het zover is dat u overgaat, nog wel mee zal vallen. Want dat zal toch grotendeels van uzelf afhangen.

Wanneer u geestelijke wijsheid zoekt, dan zult u beseffen dat elke mens voor zich een bepaald geloof nodig heeft, een geloof echter dat in staat is om alle verschijnselen, alle voorkomende gebeurtenissen, invloeden, in zich te verwerken. Dit geloof mag nimmer worden gezien, nooit en te nimmer, als de enige of de alomvattende waarheid. Het is voor ons alleen het middel waardoor wij ons oriënteren op het voor ons hoogst bereikbaar bewustzijn.

En dan komt de vraag, of wij in een dergelijk geloof, een dergelijk besef, dan iets kunnen bereiken? Want al deze dingen hebben weinig zin, wanneer de mens de speelbal blijft van zijn eigen angsten en begeerten, van zijn eigen beperkingen. Zelf de hoogste harmonie met de allerhoogste kracht heeft geen zin wanneer wij deze niet tot uitdrukking kunnen brengen.

Wanneer u de kracht van God zelf in u draagt en u bent nog niet in staat om éen zieke te genezen, is zij niets waard; dan is ze in feite als niet bestaand. Laat ons dus stellen; wij moeten voor onszelf, wat wij denken en geloven, dag na dag zelf bewijzen en het tot werkelijkheid maken. Wij kunnen ons beroepen op dit geloof, maar nimmer in de zekerheid dat het vervullen zal wat wij vragen. Wel in de zekerheid dat datgene wat van onze vraag werkelijk is, reflex of harmonie buiten ons zal vinden.

Wanneer ik voor mijzelf iets wil vragen van hogere kracht, hoger bewustzijn, hoger weten, dan zal ik dit moeten aanvaarden en in deze aanvaarding zal ik voor mijzelf wel degelijk moeten zeggen: Ik ben en blijf verantwoordelijk; ik moet mijzelf afstellen, en ik moet mij niet afstemmen door mijn denken maar door mijn gevoelswereld op mij in te laten werken door mijn emoties een uitdrukking te doen geven aan al datgene wat voor mij belangrijk is.

Slechts zo kan ik een hogere kracht ondergaan en zelfs dan zal deze kracht in mij alleen volledig op haar eigen wijze uitbaar zijn tot het ogenblik dat mijn eigen bewustzijn zelfs maar een verwondering over hetgeen geschiedt, optreedt.

Het geloof in deze nieuwe tijd zal voor velen moeilijk zijn. Wat God is, volgens het menselijk denken en wat God doet volgens de menselijke ervaring tegenstrijdig. Men kan er zich van afmaken door te zeggen; dat God alles zijn gang laat gaan en dat Hij de mens dus een vrije wil heeft gegeven en het gelijktijdig afkeurt, maar dat is dwaasheid. Een God die strijdig is in zichzelf, is geen God, nietwaar? Neen, wij moeten stellen: het geloof moet de feiten dekken. Al wat in deze wereld gebeurt, alles wat er geschiedt vanuit de mens, alles wat geschiedt van­uit de geest, moet samenvallen in een vast patroon. De feiten moeten mijn stellingen bevestigen. Mijn stellingen moeten het mij mogelijk maken de feiten te voorzien, te beredeneren en te verklaren. Dit is vanuit een persoonlijk standpunt geformuleerd. Dit zal altijd een interpretatie blijven. Er zal dus altijd een zekere fout blijven, een zekere afwijking; maar dat geeft niet.

Om verder te streven in geestelijk opzicht in deze dagen dient men dan ook voorzichtig te zijn. Deze voorzichtigheid beveel ik u vooral aan wanneer u experimenteert met geestelijke krachten. In de afgelopen tijd was het mogelijk om op velerlei wijze te experimenteren. In deze dagen zal het in toenemende mate moeilijk worden om juiste experimenten te verrichten. Want de verschijnselen die in het verleden golden, gelden heden niet meer. Er zijn wijzigingen opgetreden. Alles wat vroeger was, verandert. En dit is een periode van overgang. Tijdelijk kunnen het oude en het nieuwe naast elkaar bestaan, maar het oude sterft. Het nieuwe echter neemt aan kracht toe. Het is of het verleden een nacht is die sterft, het heden een dag die langzaam gewekt wordt uit het morgenrood.

Dit te beseffen, ons in te stellen op de nieuwe krachten, op de vernieuwing, de verandering, zelfs als wij deze niet kunnen beseffen, is noodzakelijk. Deze vernieuwing te aanvaarden en wel zonder verwachtingen van, of vrezen voor de toekomst, maar ons steeds baserend op het heden. Een vrijelijk en vrijwillig ondergaan, een beleven a.h.w. van de nieuwe tijd is noodzakelijk en het beste middel.

Heeft bidden en dergelijke in deze dagen dan nog een zin? Heeft het zin om op oude geloofswaarden terug te vallen? Heeft het zin om zoals vroeger, met geliefden uit de geest in verbinding te treden?

Zolang u zichzelf niet bedriegt, ja. Maar bidden tot God in deze tijd wil iets anders zeggen dan een smekeling zijn. Wat het kind door zijn vragen kan verwerven, zal de volwassene door zijn arbeid moeten verwerven.

De mensheid nadert het ogenblik dat zij door arbeid moet verwerven, steeds minder wordt haar alleen om het vragen gegeven.

De krachten uit de geest bestaan nog even goed als vroeger. De banden met uw geliefden uit de geest zijn evengoed mogelijk als vroeger; maar ze zijn van geaardheid enigszins veranderd. Zij kunnen niet alleen meer worden uitgedrukt in enkele woorden. Zij zullen eerder een minder kenbaar, maar daardoor voor u gemakkelijker beleefbaar effect vormen van een innerlijk ondergaan van invloeden en het erkennen van zekere inwerkingen op het ik.

Kracht is er altijd. Kracht of energie maakt eigenlijk uw wereld tot wat ze is. Kracht en energie kan voorkomen in verschillende trilling.

De kracht die op het ogenblik optreedt, zijn een reeks van trillingen die bijzonder aanspreken, juist op dit mentaal gebied van de mens. Dat wil zeggen dat uw eigen denkbeelden en ook uw eigen rationaliteit, in menselijk opzicht voortdurend in gevaar is. Neemt daarom nooit besluiten die verder reiken dan morgen. Besluit iets voor heden te doen maar verbindt u niet voor lange tijd. Wanneer het enigszins mogelijk is, zou ik u willen zeggen: Leef het ogenblik volgens de juiste impulsen daarvan. De juiste impulsen zijn altijd het intens innerlijk erkennen, innerlijk gevoel dat in zich zowel iets moet dragen van de stof­felijke vreugde als het ware een zeker verdrijven van stoffelijke angst en gelijktijdig, tot zekere mate ook, verzadigen van het stoffelijk begeren en het mentaal begeren, maar daarbij het ge­voel van wijding.

Daar moet iets heiligs zijn in al wat u doet.

Laat in deze dagen u vooral niet neerdrukken om al wat rond u gebeurt. Doe datgene wat u doen moet en wat u doen kunt voor uw medemensen volgens uw beste weten. Wijdt hen zo nodig uw gedachten en uw gebeden, wanneer u dit wilt, maar maak u geen zorgen over datgene wat gebeurt en waarop u zelf geen invloed kunt uitoefenen.

Als u dit wel doet, zult u in een steeds grotere verwarring terecht komen omdat vanuit het beeld, dat de Wereld u presenteert, een voortdurend grotere vervreemding van de kosmische werkelijkheid tot stand wordt gebracht.

Zeg niet tot uzelf dat u in staat bent om alle dingen te begrijpen, maar realiseer u dat alles wat met u direct in verband staat u altijd zult kunnen ondergaan.

Alles wat u op het ogenblik vanuit elke bron, vanuit de geest, vanuit de stof (onverschillig hoe het voorgeeft tot u te komen) ontvangt, moet op zijn ogenblikkelijke waarde gewaardeerd worden. Het is alleen belangrijk voor zover het u iets zegt. Uzelf zult moeten streven om uw eigen mogelijkheden uit te breiden tot uw wereld u niet met het onvoorziene confronteert maar de wetten die in feite uw wereld uitmaken, voor u innerlijk gekende waarden zijn, waardoor u in staat bent u totaal in de kosmische werkelijkheid steeds vrijer te bewegen.