De geest

4 juli 1958

Allereerst moet ik u erop wijzen dat wij niet alwetend of onfeilbaar zijn. Vandaag zou ik eens willen spreken over: “De geest”.

De geest is een eigenaardig iets, waarvan men op aarde wel weet dat het bestaat, maar waarvan niemand precies kan vaststellen waar en hoe het bestaat. Men heeft in vele kringen gegevens kunnen krijgen over het leven in de werelden van de geest. Maar in feite bestaat de geest in de stof net zo goed als in een hiernamaals. Wanneer wij dan over de geest willen praten, moeten wij haar dus niet in de eerste plaats in bepaalde werelden gaan zoeken. Doen wij dit, dan concentreren wij ons op verschillen die in feite helemaal zo belangrijk niet zijn. De geest als bewustzijn – want dit is haar voornaamste inhoud – leeft en bestaat in alle werelden, ook wanneer zij zich misschien slechts van één enkele wereld bewust kan zijn.

De eerste vraag die bij dit onderwerp gaat rijzen is: wanneer spreken wij nu eigenlijk van geest? In geestelijke en esoterische zin spreken wij over een geest op het ogenblik dat een weten bestaat, zonder dat hiertoe een bevoertuiging – een lichaam – noodzakelijk is, terwijl gelijktijdig dit bewustzijn in staat blijkt voor zich te reageren en te handelen. Het woord interpreterende op deze wijze, zullen wij bemerken, dat haast alle levende wezens een geest bezitten. In dode materie kunnen wel geesten voorkomen die er mede gebonden zijn. Toch spreken wij hier niet van een altijd met geest gebonden zijn. Grote delen van de zogenaamde dode materie kunnen namelijk onbezield zijn. Daardoor zullen deze delen van de stof ook geen enkel bewustzijn in zich kunnen bergen, dat voor leven en weten alleen van die materie afhankelijk is. De geest denkt, maar op een andere wijze dan de stof. Een groot deel van hetgeen wij geestelijk denken noemen valt – volgens de in de stof geldende normen – wel allereerst onder “gevoelsleven”. Het is een aanvoelen, een opnemen van het totale beeld. Hierbij wordt het ervarene lang niet zo sterk ontleed, als de mens met de rede pleegt te doen. Wanneer u iets ziet, gaat u trachten dit voor uzelf te verklaren. U gaat het gehele beeld uiteenrafelen. Neem als voorbeeld een landschap. De mens zegt: “Wat is die ondergaande zon mooi. Wat zijn er wonderlijke kleuren aan de hemel. Wat schittert het rode licht op het water. Wat hebben planten en bloemen opeens een wonderlijke tint. Wat is het rustig. Wat zingen de vogels mooi…” De geest zegt dat heel anders. Zij erkent de schoonheid, maar zoekt niet uit de tegenstellingen waaruit die schoonheid is opgebouwd. Eerder voelt zij het wezen van het geheel aan. De geest zal bv. zeggen: hoe erken ik in dit geheel de Scheppende Kracht en zijn wonderlijke volmaaktheid? Stoffelijk gezien is dit meer een geloofsbeleving, dan een waarnemen. Men zal het zeker niet als een redelijk denken beschouwen.

Hoe de geest bestaat, kan ik u niet precies vertellen. Er kan veel gezegd worden over in zichzelf besloten krachtvelden met wisselende velddichtheid en daardoor innerlijk bestaande stromingen. Het zegt in feite zo weinig. Het maakt een van de grootste wonderen van de Schepping tot een soort laboratoriumproef, die door de mensen bovendien nu nog niet genomen kan worden en daarom weinig waarde heeft. Wel kunnen wij ons afvragen, hoe de geest bestaat. Dan blijkt ons, dat dit wezen met zijn gevoelsbewustzijn, zijn geloofservaren, zich in verschillende voertuigen kan uiten. In elk voertuig blijkt die geest gebonden te zijn aan de wetten en normen die gelden voor de wereld, waartoe het voertuig behoort. Een geest zal dus steeds wisselende beperkingen ondergaan. Naarmate de voertuigen dichter worden, zal de geest ook minder in staat zijn het eigen wezen geheel binnen dit verband tot uiting te brengen. Wij kunnen dit vergelijken met een gekleed gaan in een soepele stof voor de fijnere sferen. Op aarde zal men zich in fijne stof geheel vrij voelen, misschien zal de beschouwer zelfs elke beweging van de spieren kunnen volgen. Wanneer men in plaatijzer gekleed gaat – zware, meer vaste materie – dan zal men al blij zijn wanneer men zich althans gebrekkig kan bewegen. Men zal zich niet helemaal vrij in zijn bewegingen kunnen voelen, er is oefening nodig om in een dergelijk kleed te kunnen lopen en niemand zal de beweging van de spieren aan de buitenkant kunnen volgen. Wij kunnen dus wel stellen dat het eigen wezen van de geest steeds beter tot uiting zal komen, naarmate de materie – of basis van het voertuig – fijner is. Hoe grover daarentegen het voertuig is, hoe hechter de banden van de materie zijn, hoe sterker ook de wetten van de stof in het voertuig worden uitgedrukt en hoe minder de geest in dit voertuig zichzelf kan zijn. Zij kan dan dus ook slechts moeizaam, of niet tot uiting brengen, wat zij werkelijk is. De geest, die in de werkelijk geheel zware materie gebonden is, zal vaak niet eens geheel kunnen bepalen waarheen zij met het voertuig zal gaan. De mogelijkheden van het voertuig zijn in dergelijke gevallen zeer beperkt en de geest kan niet eenvoudig, wanneer het verkeerd gaat volgens haar inzichten, rechtsomkeert of links uit de flank maken. Dat gaat eenvoudig niet. Hoe vrijer zij wordt, hoe sneller en intenser haar bewegingen zich aanpassen aan de geestelijke inhoud van het wezen, hoe vrijer de uiting van de geestelijke persoonlijkheid.

Vanuit menselijk standpunt kunnen wij dan ook stellen dat de geest een factor van de persoonlijkheid is, die verborgen ligt achter alle denken. Dit denken houdt natuurlijk heel wat in. Kort herhalende voor hen die dit nog niet hoorden: onderbewustzijn, bovenbewustzijn, daaruit voortkomende reflexen. Het redelijke denken, de automatismen van het lichaam, de impulsen die door het zenuwstelsel, of het interne evenwicht van de secreties worden geboren. Achter dit alles schuilt dus de geest, die voor zich een beeld van mogelijke evenwichtigheid heeft. Toch is een innerlijk evenwicht hetgeen waar de geest wel het meeste naar streven zal. Zij is in evenwicht in staat te rusten. Zij wordt niet meer gedreven, of gejaagd door omstandigheden of verlangen, terwijl zij tevens in zich de mogelijkheid bezit om het erkende deel van de Schepping geheel te aanvaarden. In haar zoeken naar evenwicht zal zij altijd proberen hetgeen binnen haar bestaat aan weten, aan bewustzijn en gevoel, te compenseren door andere, daaraan tegenover gestelde waarden. Een evenwicht van de binnen het ik behouden tegenstellingen is voor de geest haast wel het belangrijkste. Alle handelingen, gedachten en daden zijn dan ook in de eerste plaats gericht op het bereiken van dit evenwicht.

Wanneer die geest nu verder komt en haar beperkingen zeer gering zijn, ontdekt zij, dat voor een absoluut evenwichtig bestaan, een vinden van de werkelijke vrede het niet voldoende is alleen binnen het Ik evenwichtig te zijn. Er bestaat rond haar nog een heelal, dat haar onevenwichtig kan lijken en daardoor haar rust kan verstoren. Daarom gaat zij dan zoeken naar een juiste realisatie met het heelal. In dit heelal voegt zij zich op de duur op zodanige wijze in het geheel in, dat het geheel van de verschijnselen binnen haar een voortdurende compensatie van tegenstellingen betekent. De geest kan zich nooit gelukkig voelen in licht of duister. Maar werkelijk geluk, het ware evenwicht vindt zij eerst daar, waar licht en duister elkaar opheffen. Een geest kan nooit haar geluk in het weten alleen vinden. Want weten zonder meer heeft – geestelijk gezien – geen enkele inhoud. Ook gevoel alleen, niet gebaseerd op erkennen en dus kennis, kan haar geen werkelijke waarden geven. Een onbegrepen gevoel brengt immers drijfveren voort die men niet beheersen kan. Zo moet in haar ook een evenwicht ontstaan van weten en gevoel, waardoor deze beiden elkaar binnen het Ik zodanig aanvullen, dat zij elkaar opheffen, waar het werkingen naar buiten toe betreft.

Voor ons is dit streven naar evenwicht natuurlijk veel belangrijker dan voor u. In onze wereld wordt de onevenwichtigheid nu eenmaal veel sterker ervaren. De drijfveren die tot verdere onevenwichtigheid kunnen voeren, zijn dan ook naar evenredigheid groter. Toch bestaan er bepaalde normen die ook voor ons nog gelijk blijven. Waar de geest zich ook bevindt en in welk voertuig zij op het ogenblik ook beleeft, het is steeds belangrijk dat haar gevoelsleven bepalend kan blijven voor eigen levensaanvaardingen. Dit gevoelsleven mag echter niet gebaseerd zijn op tijdelijke verschijnselen, of onafhankelijk zijn van de reacties binnen een bepaalde wereld. Op het ogenblik dat het gevoelsleven een accepteren van de kosmos betekent, inhoudende een overgave aan de Goddelijke wet of wil, is, wat dit betreft, een ideale toestand bereikt. In de tweede plaats maakt een geest die eenzijdig streeft, het voor zichzelf onmogelijk haar doel te bereiken. Daarom is, ongeacht wereld of voertuig, een aanvaarden van alle verschijnselen binnen de kosmos een van de grootste noodzaken. Eerst indien wij alle dingen gelijkelijk kunnen aanvaarden, zullen wij intens kunnen leven in de Schepping zelf.

Om hiertoe te komen houden wij ons dan weer aan de volgende regels: A. Spreek niet over naastenliefde als een sentiment. Breng ze in de praktijk als het enige middel om voor jezelf geluk en vrede te vinden.  B. Spreek nooit over egoïsme of altruïsme. Spreek alleen over een zoeken naar de kern van alle dingen. De daaruit voortvloeiende wijze van denken en handelen zal op aarde waarschijnlijk als altruïsme worden gezien, maar in feite is het alleen zelfverwerkelijking.  C. Om tot een juist begrip van de werkelijkheid te komen is het noodzakelijk dat alle voertuigen steeds worden aangepast aan de behoeften van de geest, in casu evenwicht en vrede te vinden. Dit geschiedt over het algemeen door het verzamelen van kennis die binnen een wereld – of sfeer – wordt gebonden, en het gebruiken van alle gevoelselementen die binnen deze wereld kunnen bestaan om alle kennis tot een actief deel van eigen wezen en beleven te maken.

Kort gezegd dus: theorie is mooi, doch slechts vergezeld van de praktijk krijgt zij waarde. Om jezelf geheel te kunnen uiten, blijkt het vaak noodzakelijk tijdelijk boven je eigen peil uit te stijgen, of beneden je eigen peil af te dalen. Wanneer dit noodzakelijk blijkt, moeten wij steeds weer begrijpen, dat een uitbreiding alleen in een – vergelijkend gezegd – horizontaal vlak mogelijk is. Het is niet voldoende eigen kennis van goed en kwaad uit te breiden, maar wij moeten ook ons ervaren van vormloosheid en vormgebondenheid mede uitbreiden. Door dit te doen kan de geest, vaak terugkerende naar lagere werelden, of incidenteel stijgende tot werelden die ver liggen boven haar eigen mogelijkheden van bestaan, voor zich een steeds intensere en evenwichtiger inhoud verwerven. Het grondbesef voor de geest is steeds weer, dat de kern van alle verschijnselen, onverschillig waar, of hoe zij ontstaan, wat ook hun inhoud moge zijn, toch steeds weer één en dezelfde kracht is. De realisatie van die kracht door de geest is niet mogelijk in de zin van begrijpen, wel als aanvaarden. Een geheel aanvaarden van deze kracht betekent dat binnen het ik elke beleving en alle weten onbelangrijk wordt, doch aanwezig blijft als uiting van deze kracht in het ik.

Men vraagt zich steeds weer af wat men voor eigen, of andere geest kan doen. Wij worden uit de geest geholpen. Wij hebben misschien een geestelijke geleider en wat dies meer zij. Wanneer wij deze dingen in ons leven belangrijk willen maken, dan moeten wij toch wel allereerst begrijpen, wat die geest is. De geest maakt voor de mens meestal deel uit van zijn geloof. Het is niet definitief te bewijzen, dat er geen geesten bestaan, maar het is al even moeilijk aan te tonen dat die geest wel bestaat. Wanneer je nu in die geest vertrouwt, op die geest voortdurend durft te bouwen, moet je ook begrijpen, wat zij is. De geest, die zich voor u nog kenbaar maakt, of zich uit, kan nooit volmaakt zijn. Dat is punt één. Zij kan door haar wijze van bestaan ook niet meer denken en reageren, zoals u dat doet. Dat is punt twee. In de derde plaats zal zij vaak wel vanuit haar standpunt trachten om u te helpen, maar zij kan daarbij nooit het standpunt van een mens innemen. Dit betekent onder meer dat u zelf geestelijk reeds ontwikkeld moet zijn voor geestelijke hulp voor u werkelijk inhoud krijgt. De krachten die aan de geest worden toegeschreven en feitelijk ook door haar worden opgewekt en gehanteerd, zijn in de wereld ook wel op een andere wijze op te wekken. Vele krachten kunnen door op aarde levende personen worden geproduceerd, weer andere krachten kunnen mechanisch tot stand worden gebracht, of treden op als gevolg van chemische reacties en activiteit in de materie. Het heeft dus geen zin de verschijnselen, die de geest produceren kan, nu te gaan beschouwen als hot summum summarum. Wij moeten integendeel heel goed begrijpen, dat de kracht van de geest in feite alleen maar geheel werkzaam kan zijn voor de geest.

Alles wat op aarde als geestelijk verschijnsel optreedt, geeft niet het werkelijke wezen van de geest of de werkelijke mogelijkheden weer. Een boodschap, die wij doorgeven, heeft ook voor u ongetwijfeld betekenis. Maar wij kunnen daarin toch nog niet 1/20ste van de werkelijke inhoud in leggen. U moet goed begrijpen dat het dus zeer noodzakelijk is, dat men zichzelf ontwikkelt. Niet alleen op het gebied van denken, maar ook op het gebied van geestelijke gaven, levens- aanvaarding en het doorvoelen van het leven. Belangrijke middelen die de mens daarbij kan hanteren zijn onder meer het scheppen van sfeer en stemming. Haast iedere huisvrouw zal trachten in haar omgeving haar eigen sfeer te scheppen. Zij gebruikt daarbij hulpmiddelen. Ook de natuur geeft vaak de mogelijkheid een bepaalde sfeer te ondergaan. Denk maar eens aan de invloed die jongelui ondergaan bij maanlicht, begeleid door zachte muziek en wat eenzaamheid. Deze schijnbaar zeer aardse dingen brengen ook geestelijk een verandering teweeg. Wanneer je mens bent, kan het een zeer groot verschil uitmaken voor de innerlijke gesteldheid en de wijze waarop je het leven ziet, wanneer je omgeving een bepaalde sfeer heeft. Dit beïnvloedt de wijze, waarop je zelf het leven ervaart. Je gevoelsleven is dus onder meer op aarde, van vele uiterlijke omstandigheden mede afhankelijk, zolang geen volledige geestelijke ontwikkeling heeft plaatsgevonden. Men kan natuurlijk stellen dat het voor de geest niet zo erg belangrijk is wat er uiterlijk in haar wereld aanwezig is, omdat zij immers ook zonder dat verder kan komen. Dat ben ik volledig met de stellers eens. Maar wanneer de geest stoffelijke middelen vindt om haar eigen beleven – dat immers een soort gevoelsbeleving is – zichzelf beter te openbaren en intenser te ondergaan, is dat voor haar toch zeker gemakkelijker en beter. Zij kan bv., dank zij een bepaalde sfeer in haar omgeving, haar uiting binnen het voertuig gemakkelijker voortzetten, meer zichzelf zijn. Daarom lijkt het mij redelijk de geest niet enkel te blijven hanteren als iets wat nu eenmaal geheel boven en buiten de stof staat. Vooral, wanneer je in de stof leeft, wordt het steeds meer een noodzaak deze stof te hanteren als een verlengstuk van de geest. Eerst op deze manier kunt u tot werkelijke resultaten komen, eerst op deze manier kunt u werkelijk inhoud geven aan uw leven. Dat het gevoel daarbij meer aan de oppervlakte komt dan de rede, is – vanuit menselijk standpunt helaas – niet te vermijden. Eerst zij, die werkelijk ver zijn gekomen met hun geestelijke ontwikkeling, zijn weer in staat om redelijke middelen zonder enige beperking te gebruiken. Eerst dezen hebben weer de mogelijkheid om de waarheid te vinden en toch ook de verklaring daarvan in zich te kennen. Het is echter beter dat men op zijn gevoelens afgaat en tracht deze gevoelens op de juiste wijze te beheersen en te richten, dan dat men het probeert alleen met de rede te redden. Vanuit geestelijk standpunt is dit laatste veelal overbodig, soms zelfs geheel nutteloos.

Dat men daarnaast in zijn eigen wereld strevende naar zelfbehoud, eigen positie bepalende, zijn verstandelijke vermogens zal gebruiken, is begrijpelijk en haast onvermijdelijk. Want men moet in de stof nu eenmaal leven als stofmens. Maar de algehele inhoud van dat leven mag toch nooit alleen door redelijke processen worden bepaald. Het gevoelsleven moet de inhoud van het leven zijn, maar dan ontdaan van kleine bijkomstigheden, ontdaan ook van uit onbegrip voort- spruitende sentimentaliteiten. Een eerlijk aanvaarden van al wat het leven u biedt, is de beste weg. Zo kan de geest, onverschillig of zij voor het ogenblik leeft in de stof, in een lagere sfeer, of in de hoogste sferen, uit haar wereld steeds meer krachten en bewustzijn putten, zich steeds meer werkelijk bewust worden, doordat zij het Goddelijke, dat ook in haar leeft, steeds beter aanvoelt en zich er steeds meer één mee kan voelen.

  • In uw wereld doet men toch ook aan wetenschap. Hoe dit te rijmen met het feit, dat uw denken een gevoelsaangelegenheid wordt, terwijl wetenschap bij ons op de rede is gebaseerd?

Wanneer de geest voortgaat in een bepaalde wetenschap, doet zij dit over het algemeen vooral in de eerste perioden na de overgang. Nu erkent de geest geen werkelijke dood. Het leven is een voortzetting van bewustzijn, waarbij echter de condities waaronder men leeft, abrupt kunnen veranderen. In het begin zal – als gevolg van een aards bestaan – de rede in vele levensprocessen en vooral in de levensaanvaarding nog een zeer grote rol spelen. In de plaats van een onderzoek komt echter meer en meer een aanvoelen. Men voelt dat het zo is, constateert als gevolg van dit aanvoelen feiten en krijgt een inzicht in en overzicht over verschillende feiten, die heel wat verder gaat dan langs de verstandelijke weg alleen mogelijk zou zijn. Nu kunnen wij deze dingen natuurlijk op aarde moeilijk in deze vorm gaan weergeven. Wij trachten dus deze ervaringen aan de mensheid, of lagere geest, weer te geven op een redelijke basis, waarbij de conclusie blijft gehandhaafd, de feiten worden gesteld zonder meer en de eventuele verklaringen en afleidingen zo veel mogelijk van het gevoelsargument worden ontdaan. Dit neemt niet weg, dat op de duur een beschouwen en doorschouwen van hetgeen u wetenschap noemt de plaats in gaat nemen van studie. Een opgaan in bepaalde wetten en het zich zo realiseren van mogelijkheden neemt dan de plaats in van veel laboratoriumonderzoek.

Moge dus het verder gaan in een bepaalde tak van wetenschap mogelijk zijn, de benaderingswijze is toch wel een geheel andere dan op aarde. De redelijke verklaring die kan worden gegeven is, althans in de meeste gevallen, het produkt van een gevoelsbeleven, dat, terwille van de eenvoud in stoffelijke, redelijke termen, wordt uitgedrukt waar dit mogelijk is. Men doet dit, zelfs indien men zich ervan bewust wordt, dat dit de onmogelijkheid inhoudt het gehele weten aan anderen op bevredigende wijze mede te delen. Op aarde moet men bv. de omstandigheden creëren, waarin een experiment plaats kan vinden. Bij ons zoek je eenvoudig de plaats op, waar de omstandigheden die je zoekt, reeds op natuurlijke wijze bestaan. Dit heeft het voordeel dat men steeds natuurwetten in werking ziet, zonder dat een misleiding door eigen fouten, of onjuiste opvattingen de uitslag van het experiment kunnen beïnvloeden. Vandaar dat laboratoriumwerk, zoals op aarde geschiedt, bij ons geheel met meer bestaat na de laagste sferen van het zomerland. In de plaats daarvan kennen wij een geheel opgaan in bepaalde processen. De belangstelling voor geschiedenis brengt bv. niet meer een zoeken naar feiten uit de Oudheid, in het heden, of een onderzoeken van vastgelegde uitspraken, maar eerder een teruggaan in de tijd en daar, door eigen ervaren, het volgen van reeksen ontwikkelingen zoals zij op het ogenblik plaats vonden. Chemie brengt niet in de eerste plaats meer een steeds maar onderzoeken hoe bepaalde stoffen op elkaar reageren en hoe zij zich gedragen, maar wordt eerder – desnoods een in een sterrennevel – de vorming van materie, het ontstaan van de elementen en hun samenvoegingen gadegeslagen. Dit laatste geeft ongetwijfeld een beter inzicht in de werkelijke waarden en betekenis van de elementen, dan een laboratoriumproef op dat ogenblik kan doen. De werkwijze in de sferen en ook de benadering van het probleem verschilt dus wel heel sterk met de stoffelijke wetenschap en stoffelijke onderzoekingen.

  • De mens heeft ook een geest. Theoretisch is hij dus in staat dezelfde werkwijze toe te passen.

Inderdaad. Daarvoor is echter iets noodzakelijk, wat slechts weinig mensen tot stand kunnen brengen, namelijk een geheel uitschakelen van het stoffelijke persoonlijkheidsbesef. In de plaats daarvan moet men dan komen tot een geestelijk doorleven. Ik moet hier onmiddellijk opmerken dat er mensen bestaan die dit inderdaad hebben klaar gespeeld. Alleen daardoor was het mogelijk dat men in een ver verleden al meer wist omtrent de structuur van de materie dan men tot voor 50 jaar wetenschappelijk ook maar durfde te vermoeden. Intuïtieve wetenschap, als gevolg van geestelijk waarnemen van sterren en planeten, heeft in het verleden veel kennis gegeven. Maar de materialistische levensbeschouwing, die een verheerlijking van het begrijpbare feit op de voorgrond stelt, is aanleiding tot vele stoffelijke onderzoekingen. Gelijktijdig blijkt dan echter de mogelijkheid tot geestelijk doorleven en beschouwen bij de doorsnee wetenschapsmens weg te vallen. Het materialistisch onderzoek is in vele gevallen slechts een vervanging van het zo verlorene geestelijk kunnen.

In oude Egyptische rollen, ik meen o.m. in de papyrus van Ebers, worden gegevens verstrekt omtrent zenuwwerkingen, bloedsomloop en stofwisselingen bij de mens. Dit zijn dingen, die men wetenschappelijk gezien, met de toen gebruikte middelen en de toen bestaande mogelijkheden eigenlijk niet had kunnen weten, of kennen. De oude Egyptenaren waren zelfs al tot conclusies gekomen omtrent de werking van bepaalde stoffen op de mens en de werking van bepaalde klieren in de mens zelf. Dit is haast onvoorstelbaar, als men zich realiseert, hoe in verhouding primitief de instrumenten van de medische wetenschap toen waren. Het blijkt, dat z.g. zieners de ziekte-processen “doorleefden” en hierin de mogelijkheid vonden, niet alleen een diagnose te stellen, maar ook zich de werkingen van het menselijke lichaam redelijk voor te stellen. Alleen het feit, dat men niet over de juiste instrumenten en therapeutische mogelijkheden beschikte, bracht de mens van toen er wel toe, veel van dit weten geheim te houden, dan wel terzijde te leggen. Door gebruik van geestelijke mogelijkheden kon men dus in het verleden, ondanks de veel primitievere opzet van de wetenschap in stoffelijke zin, een inzicht in vele dingen verwerven, dat vaak ontstellend groot en helder was. U zult begrijpen dat deze voorbeelden uit uw eigen wereld in feite een bevestiging zijn van hetgeen u stelde. Het is de mens mogelijk om ook geestelijk wetenschappelijk werk te verrichten. Gezien de heersende beschaving, de stand van cultuur en wetenschap, zal het menige mens zeer moeilijk worden dit te doen, terwijl de resultaten van dergelijke onderzoekingen niet meer, zoals vroeger, zonder al te grote strijd door de wetenschapsmensen zullen worden aanvaard. Het geestelijk geleerde zal men tegenwoordig eerst in het laboratorium door vele proeven moeten kunnen bewijzen, voordat de wetenschapsmensen ook maar geneigd zijn stellingen en resultaten te beschouwen.

  • Ware wetenschap is toch alleen maar mogelijk door dogmatische benadering van je af te schuiven?

Dat ben ik met u eens, wanneer u onder wetenschap verstaat het constateren van feiten en het vastleggen van het zo gewonnen weten. Wanneer u wetenschap echter stelt in de specialistische zin van heden – wat lang niet altijd ware wetenschap is – dan zullen wij ontdekken dat een groot deel van de wetenschap schijnt te berusten op haar dogma’s en daaraan alleen haar gezag en de rechtvaardiging van haar werkwijze schijnt te ontlenen. Wij zouden misschien moeten stellen dat veel van hetgeen op aarde zich trots wetenschap noemt in feite geen wetenschap is, terwijl in vele gevallen een z.g. wetenschappelijke eruditie slechts een vergroot wetenschappelijk dogmatisme betekent.

  •  U stelt dat niet alle materie bezield is. Maar alles bestaat toch uit atomen?

Men kan stellen dat elk atoom bezield is door de Goddelijke kracht, het is daarmede echter nog geen persoonlijkheid en heeft dus nog geen eigen geest. Ofschoon in de grovere, z.g. zware materie, geesten kunnen leven, wil dit nog niet zeggen dat de materie ook een eigen persoonlijkheid heeft, waarin dus juist haar ervaren, als tegengesteld tot de omgeving, tot bewustwording voeren kan. Wij noemen daarom over het algemeen materie eerst dan bezield wanneer zij niet alleen krachtens de Goddelijke wetten en krachten bestaat, maar buitendien een zekere persoonlijkheid heeft, waarin bewustzijn is, of ontstaat, en een persoonlijke reactie mogelijk wordt, die niet alleen en geheel op algemeen geldende natuurwetten berust. Bergen bv. kunnen een persoonlijkheid verwerven. Maar niet alle bergen. Ertslagen kunnen bewoond worden door bepaalde geesten. Andere ertslagen van gelijk gehalte vertonen echter geen enkel spoor van bewustzijn, van kennis of weten. Beschouwt u dit dan als aanvulling van de eerste uitspraak.

  • Er zijn mensen die intuïtief de juiste levenshouding schijnen te kennen, zonder echter het bewustzijn, waarnaar wij, volgens mij, moeten streven. Wat is hiervan het doel? Wordt hiermede een hoger bewustzijn bereikt?

Wanneer een juiste houding a.h.w. intuïtief wordt aangenomen, dan betekent dit, dat geestelijk reeds een bepaald peil bereikt is. Dit laatste is er niet van afhankelijk, dat dit bewustzijn voor u kenbaar of waarneembaar is. Streven op aarde is in feite een erkenning van eigen onvolmaaktheid. Wie zich hiervan bewust is, zal niet onnodig streven, of zich verzetten tegen het leven. Het erkennen van bepaalde waarden op aarde, of het aanvaarden van een bepaald levensdoel, kan m.i. dan ook geen bepaling omtrent geestelijk peil en mogelijke geestelijke bereiking zijn. Indien de stof gebonden zou zijn aan mentale en stoffelijke werkingen, zou dit probleem inderdaad bestaan. Daar de geest echter veel langer bestaat dan de stof, en deze slechts als middel gebruikt om voor zich tot een hoger bewustzijn te komen, mogen wij stellen, dat het aannemen van een juiste wijze van leven en levenshouding altijd moet wijzen op een reeds bereikt hoger geestelijk peil, waardoor deze ervaringen zich verder kunnen uitbreiden.